Legoën op leeftijd

1.10.22 Interbellum Ik moest even naar Wildervank om het boek Gerard Dieters en de radicalisering van de nsb bij de schrijver Sienus Nijborg af te halen. Ik had het besteld. Hij woont in de nieuwe wijk Woellust, waar de graafwerkzaamheden nog in volle gang zijn. Vroeger zetelde hier radiatorenfabriek Duintjer en daar weer voor was dit gebied het landgoed van Jan Albert Sicherman, die rijk was geworden door handel te drijven in de West. De Koning van Bengalen, werd hij ook wel genoemd. Ik zou niet bij dit gebied stil zijn blijven staan als het niets voor mij betekende. Mijn allereerste sollicitatie vond hier namelijk ook plaats. Bij die radiatorenfabriek. 55 jaar geleden, als ik goed tel. Ik werd niet aangenomen. Zou dat wel het geval zijn geweest, dan had mijn leven er mogelijk heel anders uit gezien. Veendam in plaats van Assen. Ik reed verder, kon nu ik hier toch was nog wel eventjes doorrijden naar het centrum. Via de Prins Bernhardlaan. Die straat heeft ook een zekere betekenis. Mijn oom Doede en tante Griet Huizinga woonden er. Ik ben er hooguit twee keer geweest. Ultra-zuinige mensen. Hij was muziekleraar en kerkorganist. Genoot een zekere faam. Ik zette mijn auto neer bij de Lidl, dat gevestigd is naast de vroegere LTS. Mijn vrouw had geen zin mee te gaan. Ze begeeft zich niet graag in de drukte en zeker niet nu het coronavirus weer de kop op steekt. Ik begin het alleen op stap gaan steeds ongewoner te vinden. Heb ook niet de behoefte iets te doen dat zij niet plezierig zou vinden en waar ik nu de ruimte voor zou hebben. Een bezoekje brengen aan het Veenkoloniaals Museum bijvoorbeeld, waar een expositie over 200 jaar kleding loopt. Sinds we geen museumkaart meer hebben -net vóór de corona uitbrak beëindigd- zijn we niet meer in een museum geweest en ik mis het gek genoeg niet eens. Ik heb door de jaren heen zoveel kunst en oudheden gezien, dat ik met de herinneringen en de nodige bladen en boeken nog tijden vooruit kan. Het was druk bij de Lidl. Zou dus niets voor haar geweest zijn. Ik liep de parkeerplaats over en begaf me naar de Passage, kocht de NRC bij Primera en liep voor koffiefilters naar de Hema. Er stond een jonge man voor me in de rij bij de kassa. Hij had beide handen op de rug en wapperde lichtjes met twee paar kousen. 130den, las ik op een van de wikkels. Voor hem zelf? Zou kunnen. Of voor zijn vrouw of zijn vriendin. ‘Neem even kousen voor me mee, je weet wel welke. Doe maar twee’. Met de verwarming op 18/19 graden is het niet ondenkbaar dat hij het zelf draagt. Zal ik zeggen ‘Goeie keuze meneer, die heb ik ook. Grapje, is niet waar hoor’. Ik heb ze van He&She-sports, 150 den. Sinds ik geopereerd ben heb ik nogal eens last van kouwe benen. Heeft te maken met de doorbloeding. Het doosje was verfraaid met twee voortsnellende benen. Een vrouwen- en een mannen-. Kon je duidelijk zien. Ik keek naar de voorpagina van mijn krant. ‘Poetin bijt zich vast in oorlog’ las ik. En zo belandde ik ineens weer in de oorlog. Eerst door dat boek van Sienus Nijborg over het nationaalsocialisme voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog in de toenmalige gemeente Anloo en nú door het gevaar van een nieuwe. We bevinden ons in een soort interbellum. Dat kun je natuurlijk makkelijk zeggen, want er zijn altijd oorlogen geweest en daar tussenin tijden van relatieve vrede, zoals nu. Maar het gerommel komt wel dichterbij. Dat merk je. Het is alsof het van de gezichten is af te lezen. Sombere blikken. Ik hoorde niemand lachen. Alleen een paar kinderen die tussen de schappen door renden. Nadat ik had afgerekend liep ik terug naar de parkeerplaats en reed kalm aan weg. Ik had ineens zin in koffie. Wie weet is dat over een tijdje alleen nog maar op de bon te krijgen. Niet zo depri, monterde ik mij op. Maar het kwaad liet zich niet zomaar onder schoffelen. Pas thuis, in mijn eigen veilige omgeving, kwam ik weer tot rust. ‘Nog wat beleefd?’, zei mijn vrouw. ‘Nee, niet echt’, zei ik en legde het boek op tafel. Daarna zette ik de waterkoker aan.

29.9.22 De zeven zussen We hadden zin even uit te gaan. Even uitwaaien. Waar naartoe – naar Winschoten? Ja, vooruit maar. We kwamen een tijdlang elke week in Winschoot toen mijn schoonmoeder er was opgenomen in de kliniek voor ouderenpsychiatrie, maar daarna lieten we het weer links liggen. Uit mijn dagaantekeningen blijkt dat we er op 30 november 2019 voor het laatst waren (zie in mijn ‘blogboek’ Terwijl de wasmachine draait, de verhaaltjes In de breiwinkel en De val van Sinterklaas). We liepen het winkelcentrum ’t Rond door en de Langestraat in. Het was er niet erg druk. Het viel me op dat er zo weinig panden leeg stonden. Prachtig natuurlijk, want overal hoor je immers over leegstand. Omdat we Rossi bij ons hadden, konden we niet tegelijkertijd een winkel bezoeken. Dat deden we om en om. Eén van ons bleef in dat geval buiten op één van de vele bankjes zitten. De zon scheen, het was heel goed te doen. Ik ontwaarde een brick&brackwinkel en liep er even naar binnen. Zelden zo’n volle boel gezien. Stapels DVD’s, elpees, cd’s enzovoort. Je zult net die onderste DVD willen hebben uit een stapel van vijftig. Helemaal platgedrukt. Nee, doe toch maar niet. De winkelbediende balen natuurlijk. Bij de rommelige boekenopslag in een bijna niet te bereiken hoek, zag ik tot mijn verrassing een deel uit die enorm populaire Zeven Zussenserie van schrijfster Lucinda Riley. Toevallig het eerste deel. Een mazzeltje, want in onze dorpshuisboekenkast is die serie ook erg populair en zijn de banden steeds ‘onderweg’. Bovendien ontbreekt deel 1 nog in onze kast. Maar als dat niet het geval zou zijn, dan zou ik het ook meenemen, want er kan best een tweede of zelfs derde exemplaar bij. Om de zoveel jaar duikt er wel een serie op die de lezer (of filmliefhebber, want daar zie je hetzelfde) klem zet en veroordeelt tot verslaafde ervan. Vorige week woensdag zag ik op ons terugbrengtafeltje 3 Zussen liggen, daags erop waren ze al weer weg. Ongetwijfeld naar drie fans. Vrouwen. Mannen lezen ze niet. Mannen lezen sowieso steeds minder, valt me op. In de media wordt regelmatig aandacht besteed aan de ontlezing van de jeugd en analfabetisme bij ouderen. Het zou minstens zo zinvol zijn de moderne man aan het lezen te krijgen. Meestal houdt het na Arendsoog en De Kameleon op, vertellen ze mij niet zonder schroom. Alsof lezen een slappe activiteit zou zijn. Jammer, jammer, jammer!!!

Nu ik toch in het (tijdelijke) bezit ben van een deel uit de Zussen-serie, nam ik me voor het ook te lezen. Ik lees evenveel boeken van vrouwelijke schrijvers en wie weet zou die Zussen-serie mij geweldig goed bevallen? Als vrijwilliger van De Boekenkast kan ik de hele serie in de loop van de tijd gratis en voor niks lezen. (Wel wachten op mijn beurt natuurlijk en niet voordringen!) Van een vaste Zussen-lezer wist ik dat wanneer je aan deel 1 begint, dit het hek van de dam is. ‘Ik had het vannacht om drie uur uit’, zei me onlangs een mevrouw, toen ze deel 5 terugbracht. Dat ken ik ook van de lezers van de Harry Potter-serie. En alzo begon ik aan De zeven zussen. Maia’s verhaal – deel 1. Maia is de eerste zus. De zussen blijken allemaal als baby geadopteerd door een wereldreiziger met de naam Pa Salt. Ze wonen op een privé-eiland aan het Meer van Genève. Hun privékoninkrijkje hebben ze Atlantis genoemd. Een omineuze naam, want met het ooit bestaande (?) Atlantis liep het volgens de mythen beroerd af en elke verwijzing hiernaar is vragen om moeilijkheden. Pa Salt is tevens in het bezit van een privé-vliegtuig en een jacht. Niemand, ook Maia niet, weet hoe Pa aan zijn centen komt. Nou ja, nog niet. Daarvoor zijn die 7 (+ het nog verschijnend deel over Pa Salt) voor nodig. Een beetje onrealistisch is het eigenlijk wel. De helaas vorig jaar overleden schrijfster doet er lekker lang over om al die verwikkelingen te beschrijven. Want die zeven zussen, oh pardon, ik vergeet te vermelden dat de laatste van die zussen hunzelf ook onbekend is. Dat wordt pas geopenbaard in deel 7. Alle zussen krijgen allemaal één turf tot hun beschikking om hun verhaal en hun afkomst uitvoerig te onthullen. U begrijpt, het is geen doorsnee, modaal verdienend gezinnetje met een vader en een moeder. Pa Salt is zelden thuis, is ergens in de grote wereld zaken (?) aan het doen. Een echte moeder (echtnoot van Pa Salt) is er niet. Die wordt vertegenwoordigd in de persoon van Marina, gemakshalve afgekort tot Ma. Zo makkelijk loste de schrijfster dit probleem op. Verder verblijven er in het privé-koninkrijkje: Claudia (huishoudster op Atlantis) en Christian (schipper – om een en ander heen en weer te brengen tussen het vasteland en Atlantis). Voorts de advocaat van Pa Salt, te weten: Georg Hoffman. Daar moeten we het als lezer mee doen. Geen ingewikkelde namenparade als bijvoorbeeld in Anna Karenina. Het verhaal vangt aan met de dood van Pa Salt. Acute hartstilstand. Daar ontkomt zelfs de rijkste Koeweiter niet aan. De zussen verblijven over heel de wereld en Maia (bij haar studievriendin in Londen) moet ze het droevige nieuws brengen. Met een mobieltje, dat wel, want de Zussen speelt in deze tijd. Maia vliegt ogenblikkelijk naar Genève, bij de privéaanlegsteiger pikt Christian haar op en brengt haar naar Atlantis. Ma vertelt haar nu dat Pa alreeds begraven is, dat wil zeggen: hij heeft testamentair verordonneerd dat hij in een loden kist met zijn jacht Titan naar open zee zou worden gebracht en dat men hem daar zou dumpen. Een nogal ongewone, chique zeemansgraf. Ik mag aannemen dat Christian daar hulp bij heeft gekregen. Consternatie alom. Wat bewoog Pa Salt meteen na zijn dood en zonder bijwoning van zijn adoptiedochters in een loden kist af te willen worden gezonken? Ik vrees dat daar in het laatste deel nog wel op terug zal worden gekomen en dat dan die advocaat ook zijn zegje zal doen. Want dit zaakje riekt. Het zal me niet verbazen dat die loden kist wordt opgespoord en dat hierin het ontbrekend stukje van het Grote Geheel ligt verborgen. Griezeligheid + spanning. Dat werkt altijd.

Ik had me voorgenomen het bij drie hoofdstukken te laten. Dat voornemen heb ik geschaad door er twee hoofdstukken aan toe te voegen om iets meer te weten te komen hoe de vlag erbij hangt op Atlantis. Verder ga ik niet. Denk niet dat ik badinerend denk over deze reeks. In geen geval! En ik kan me heel goed voorstellen dat het trekt. Dat je wilt weten hoe het verhaal zich ontwikkelt. En daarbij; de Zussen leest heel makkelijk weg. Alleen, ik heb geen behoefte mij eraan te laven. Er liggen nog 14 blauwe bandjes van Jules Verne te wachten. Ik ben toe aan Michael Strogoff, de koerier van de tsaar. Feitelijk ook een soort sprookje. Nu Rusland steeds verder van ons afdrijft, lijkt mij dat wel een goede keuze. Per slot van rekening loopt niet elk sprookje goed af!

24.9.22 Bijeenkomstigheden Ik heb in dit schrijfblok weleens laten ontvallen dat ik lid ben van het Drentse Scribenten Kollectief zonder hier verder op in te gaan. Ik had dit ook zo willen laten, want ik heb al sinds lange tijd geen van de bijeenkomsten van het Kollectief bezocht en voel mij daardoor zo stilaan nog slechts passief lid. Ik weet nauwelijks wat het Kollectief beweegt en inzage in hun site doet vermoeden dat ik niet het enig slapend lid ben. Desalniettemin hebben zich het laatste jaar toch enige nieuwe leden aangemeld en zijn er gaandeweg oudgedienden zonder opgaaf van reden van het lijstje geschrapt. De eerste avonden die ik als lid van het Kollectief meemaakte waren erg leerzaam en heel plezierig, maar naar verloop van tijd zakte het gevoel mijn tijd hieraan te willen besteden tot nul en werd het veeleer een kwelling. ‘Dan zeg je het toch gewoon af’, zei mijn vrouw, die zag hoe ik ermee worstelde. In wezen had ze -zoals zo vaak- volkomen gelijk. Maar dat was me nog een brug te ver. Bovendien is afzeggen niet altijd nodig. Soms geschiedt het langs de natuurlijke weg, zoals ik meemaakte bij een regiokrant waarvoor ik wekelijks -maar met steeds meer moeite- een versje schreef en die ineens ophield te bestaan. Zo kan het dus ook. Daarom liet ik het vlammetje op waxinesterkte branden en monnikte rustig voort aan mijn schrijfsels. Een bijkomende reden om de bijeenkomsten te mijden is omdat ik niet graag uitga en ’s avonds al helemaal niet. Ik zie niet goed in het donker en voel me hierdoor onzeker, vooral in onbekende streken. Bij één van die terugtochten verbeeldde mij te zijn terechtgekomen in een Hitchcock-achtige scène en lette opgejaagd teveel op mijn rear window. Doordat de meeste avonden verderop in de provincie plaatsvonden, was dit een plausibele reden thuis te blijven. Kennelijk gold dit voor meerdere leden, waarvan een deel mijn leeftijd royaal overschrijdt, want ineens werden de avonden middagen en kon ik er niet meer zo makkelijk onderuit. ’t Is najaar, het nieuwe seizoen begint en onlangs werd de eerste bijeenkomst aangekondigd. Deze vindt plaats in Beilen. Ik kom niet graag in Beilen, want ik raakte er in het verleden meerdere keren de weg kwijt, zodat ik er al tegenop zie ter plaatse de A28 te moeten verlaten om mij in die spookstad te begeven. Maar alsof het bestuur van het Kollectief dit probleem voorzag, raadde ze leden die de middag willen bezoeken aan met het openbaar vervoer te komen, waarna ze door een der bestuursleden van het station kunnen worden gehaald. Toen ik dit las voelde ik het net meer dan ooit aanspannen. Er zou op den duur geen ontkomen meer aan zijn. En ik kreeg nog gelijk ook. Want zie, na Beilen zal de bijeenkomst plaatsvinden in mijn eigen dorp. Ik kan er lopende naar toe. Het lijkt wel alsof het bestuur het erom doet. Alsof ze mij in het nauw willen drijven. Mogelijk is er sprake van een boosaardige samenzwering. Geef ik er aan toe, dan hang ik ook voor de volgende keren, tenzij het helemaal in Meppel plaatsvindt of voorbij Hoogeveen. Dan zal ik zeggen dat de kosten mij te hoog worden. In deze tijd van exorbitante prijsstijgingen beslist geen belachelijke smoes. Vooralsnog zin ik op een reden die alle andere redenen overbodig moet maken. Niettemin is de plaats van de bijeenkomst bijzonder: ons kleine kerkje. Daar zal ik makkelijk een aardig verhaal over kunnen vertellen. Ik heb er immers zondagsschool gegaan. Heb er de geest ingeademd van meesterverteller dominee Roodzand, er de kracht van de taal opgedaan en het tot mij genomen als een primaire levensbehoefte. Maar dáár komen die dichters en die schrijvers denk ik niet voor. Misschien verschuil ik mij wel stiekem in een leugenhoekje en hoor alles glimlachend aan en sluip weg net voor de anderen de kerk uit gaan. Of zal ik mij als een parasiet maar op dat geurende lichaam dat literatuur heet storten en geen der ogen schuwen? Tja, daar zit ook wel weer iets in.

20.9.22 Papieren erfgoed Vandaag moest ik voor mijn jaarlijks onderzoek naar het UMCG. Voor als je een vorm van kanker hebt gehad is dat altijd een spannend moment. Je houdt je even in, kijkt terug op die onzekere tijd en herneemt je. De eerste controles waren om de zes weken, daarna om de drie maanden, om de zes maanden en nu nog eens per jaar. Maar alles functioneert prima, ik heb geen klachten en allengs verdween de spanning en kuierden we steeds relaxter na zo’n bezoek de stad in en dronken ergens een kop thee + gebak en aten later hier of daar een broodje. De corona vergalde dit ritueel radicaal. Mijn vrouw mocht zelfs niet meer mee in de spreekkamer en de arts en ik bekeken elkaar vanachter zo’n afschuwelijk mondkapje. Maar corona bond in, al blijven wij alert. Mijn vrouw zei dat ze in de bus vanaf het transferium te Haren naar het ziekenhuis als het druk zou zijn wel een mondkapje voor zou doen. Gelukkig viel de afspraak een beetje in een daluur en was het rustig. Ook in het ziekenhuis zag ik niemand met een mondkapje. De arts, waar wij het bijzonder goed mee kunnen vinden, bevoelde mijn onderbuik om zeker te weten dat de lymfeklieren niet gegroeid zijn. Dat zou namelijk kunnen wijzen op een tumor en de terugkeer van kankercellen. Helemaal zeker is een mens die éénmaal kanker heeft gehad nooit. Uiteindelijk is mij vijf jaar geleden bijna de dood aangezegd. Gelukkig was alles goed. We namen mijn medicijnenlijstje nog even door en daarna spraken wij af voor volgend jaar. Kort erop stonden we weer op straat. Het was nog geen elf uur. We zouden de stad in kunnen gaan. Ik voelde daar echter niet zo voor. We moeten met de oplopende kosten van gas en elektra zuinigjes met onze centen omgaan en corona en de inflatie hebben ervoor gezorgd dat een versnapering zo langzamerhand een rib uit ons lijf is geworden. Nee, laten we meteen maar weerom gaan, stelde ik voor, dan zijn we op tijd weer thuis want Rossi moet er ook uit. ‘Moet je echt niet even de stad in om iets aardigs te kopen?’ zei mijn vrouw, want dat gebeurde ook nog weleens. Naast thee en appelgebak een extraatje in de vorm van een boek of een cd, om het leven te vieren. In het Boekenwinkeltje in het ziekenhuis had ik overigens een prachtige uitgave zien liggen van de volledige Winnie the Pooh. Gebonden, groot formaat, in een luxe cassette. Prijs: 45.99euro. Een behoorlijk bedrag, zeker als men weet dat ik op de gedichten na alle verhalen over Winnie the Pooh (geschreven door A.A.Milne) heb. Dus ja, waarom zou je dan nog zo’n duur boek aanschaffen? Niet doen dus, maar het glimlachte voor mijn ogen.

We reisden terug naar Haren en reden door naar Noordlaren. Daar staat terzijde van het haventje, overwelfd door zware eikenbomen, al enige jaren een van de mooiste boekenkastjes die ik ken. Het is een wagentje waarop een boekenkast is getimmerd, aan weerszijden voorzien van drie planken met boeken. Iedere keer als ik hier langskom kijk ik er als een plicht even in en neem bijna altijd wel iets mee. We stopten. Mijn vrouw wandelde naar de oude kerk om wat kastanjes te zoeken en ik wierp de met een stalen stang verzwaarde plastic overhang -dit is gedaan om de boeken tegen wind en regen te beschermen- op de kast om erbij te kunnen komen. Veel oude meuk, zag ik. Dat is vaak het geval in die kastjes. Niettemin vind ik er regelmatig pareltjes tussen. Ook nu weer, al liet ik dat eerst aan me voorbij gaan. ‘Zit er niets tussen’, zei mijn vrouw, die mij met lege handen terug zag slenteren. ‘Nee, niet echt’, zei ik, ‘nou ja ehh…’ en ik keerde aarzelend terug, lichtte het plastic andermaal op en nam de twee versleten banden eruit die ik wel had gezien, maar wijselijk niet had ingekeken. De titel Geschiedenis van de Amerikaanse literatuur deed me aarzelen. Want waar zou ik de tijd vandaan halen deze lijvige pak papier te lezen? Toch nam ik ze mee. Alleen al vanwege de gedachte dat ik weleens de laatste lezer zou kunnen zijn van deze prachtige boeken. Want dat zijn het. Jac. Presser schreef in 1948 na het verschijnen van de eerste druk dat hij hoopte dat er ondanks de papierschaarste vele drukken zouden volgen van dit grootse werk. Hoeveel handen de twee banden ooit hebben vastgehouden weet ik niet. Het moeten er denk ik vele zijn. Bij een eventuele opschoning van het boekenkarretje zouden de boeken op den duur hoogstwaarschijnlijk bij het oud papier terecht zijn gekomen. De schrijver ervan, professor A.G. van Kranendonk, overleed in oktober 1947. Het eerste deel verscheen in 1946. De koper kocht het in april dat jaar in Amsterdam, staat voorin gepotlood. Het tweede deel in verscheen in 1947. De prof heeft de verschijning hiervan misschien nog net meegemaakt. De twee boeken liggen als een baksteen voor me op tafel. Laat de winter maar komen. Ik ben er klaar voor.

15.9.22 Voorbij het apenstadium In menig opzicht stamt de mens van dezelfde voorouder als de chimpansee en de gorilla. Hiervoor zijn bewijzen te over en regelmatig worden er bodemvondsten gedaan die het gat dat de wetenschappers the missing link noemen steeds nauwer maakt. Helemaal dicht zal het denk ik wel niet worden, omdat het de antropologen brodeloos zal maken en de miljoenen aanhangers van onder andere de duizenden religiën en sekten zich er niet bij neer zullen leggen. De gedachte alleen al: mens/aap! Het blijft ontvlambare materie. Ik wil mij niet in die discussie mengen. Het gaat mij om bepaalde gedragingen die zowel apen als mensen van hun gemeenschappelijke voorouder hebben overgenomen en nog steeds vertonen. Men hoeft geen hogere burgerschool te hebben genoten om van een zekere overeenkomst te kunnen spreken. Na een bezoekje aan een apenkolonie weet men genoeg. We zijn bijvoorbeeld allebei enorme sloddervossen. Na het nuttigen van een banaan door een chimpansee smijt hij de schil onverschillig van zich af en de toekijkende mens doet precies hetzelfde met zijn sigarettenpeuk of de lege verpakking van zijn chips- of nootjeszak. Veel mensen hebben niet van hun ouders geleerd dat ons die berg afval op zal breken. Ach, één zo’n zakje… Maar één worden twee en twee worden vier enzovoort. Bij de ontwikkeling tot mens is juist het onderdeel dat ze tot propere Über-dieren zou moeten maken niet mee geëvolueerd en het gevolg is dat we alles wat niet meer bruikbaar is of wat geen direct nut heeft zonder enige notie achter ons laten slingeren. In het klein gaat het veelal om verpakkingsmiddelen dat we aanduiden als zwerfafval en in het GROOT om in onbruik geraakte fabrieken en industrieterreinen, open vuilnisbelten, kapot geschoten oorlogstuig, autokerkhoven et cetera… Aan het laatste kan ik mij enkel zinloos ergeren, maar er niets aan doen. Aan het eerste wel: opruimen.

Vanmorgen heb ik de Langestraat gedaan. De Langestraat is vanaf de hoek Boerendijk/Kopweg tot aan Nieuwediep 1.4 kilometer lang. Omdat ik beide zijden van zwerfafval ontdoe loop ik dus 2.8 kilometer. Niet meteen veel voor een geoefende wandelaar. Maar omdat ik Rossi altijd met mijn wandelingen en aan de lijn meevoer, kan ik moeilijk een grijpertje hanteren om de spullen op te pakken en in de zak doen. Op zich is dat geen probleem, want als ik soms op de televisie mensen met zo’n verlengde arm zie klooien… Ik pak alles met mijn gehandschoende rechterhand op en deponeer het in de plastic zak in de linkerhand. Dat zijn meteen goeie spieroefeningen. Er zijn gelukkig steeds meer mensen die ook zwerfafval rapen. Er zijn er zelfs bij die er kunst van maken of die alles wat ze vinden noteren. Zo ver ga ik niet. Maar eenmaal thuis en een volle plastic zak verder besloot ik tijdens het sorteren voor de grijze en de oranje kliko de boel nu toch eens een keer op te schrijven. Hier volgt een opsomming.

Het meeste wat ik gewoonlijk tegenkom (en nu ook) zijn blikjes. Bier: Heineken 3x, Schalten Brau 1x. Energiedrankjes: Red Bull (sponsor van Neerlands trots Max Verstappen) 7x, Monster energy 1x, Energy 1x, Golden Power energy 1x, Bullit energy 1x, Fuerza energy 1x. Dan cola’s, de voorloper van de energiedrankjes: Coca Cola 3x, Pepsi cola 1x, Freeway cola 1x, River cola 1x. Verder een blikje Sonnema (mix) en 5 platgereden en beschadigde blikjes waar ik het merk niet van kon lezen. In totaal 28 blikjes op 2.8 kilometer. Zonder twijfel zullen veel van die blikjes door jongeren zijn weggesmeten, want bij hen zijn vooral energiedrankjes razend populair. Petflesjes, 5 stuks gevonden: 4move multifruit, Frisby fruit, PoProStu (Pools), Hipro fruit en AA-energydrink. Dit wat betreft de drankjes. Rokerij: Sigarettendoosjes 5x, Shagzakken 2x, Vloeitjesverpakking 2x, Smokesticksverpakking 3x. Bijna altijd kom ik afval tegen van McDonalds. Nu vond ik 14 verpakkingen van voedsel, koffie en ijs. Verder allerlei verpakkingen van Chips 2x, Venco drop 2x, Pokemonkaarten 2x. En eenlingen: Swissrol cake, Mentos fruit, Chewy dragees, Red Bull karton voor 4 blikken, Pringles, Isotonic energygel. Naast voedsel andere spullen als: een kapotte voorlamp van een fiets, frussels van een ballon, een groot stuk bolletjesplastic, heel veel stukjes zilverpapier en een waarschijnlijk van een auto of een trekker gewaaide boerenzakdoek. Tenslotte vele tientallen niet te definiëren stukken/stukjes plastic of fragmenten van het een of ander. Dat was het.

De Langestraat -de weg tussen Gieterveen en Nieuwediep- is voor even weer schoon. Of de intrede van statiegeld op blikjes vanaf 1 januari volgend jaar de bermen schoner zal houden, is zeer de vraag. Nog regelmatig vind ik petflessen waar statiegeld op zit. Nee, rijk word ik er niet van. Het zou onwetendheid van de wegwerper kunnen zijn, maar evengoed onverschilligheid of geen moeite willen nemen die paar rotcenten op te halen. Wat dat betreft zijn we het apenstadium nog niet helemaal ontgroeid. En dat noemt zich geciviliceerd of in gewone mensentaal beschaafd. We hebben wat dat betreft nog een lange weg te gaan.

8.9.22 De Queen is dood Nauwelijks bijgekomen van het bericht van het Journaal van 18.00 uur, luidende: De Engelse vorstin is ernstig ziek, de hele familie is op weg naar Balmoral-Caste in Schotland, of het Journaal van 20.00 uur meldde dat de Queen dood is. Ze heeft nog net de nieuwe leider van de Tories, tevens nieuwe premier van Great Brittain Liz Truss een hand kunnen geven en op het hart gedrukt gehakt te maken van de scheidende premier, of ze viel van haar stokje. Ook koninginnen hebben niet het eeuwige leven, blijkt maar weer. Dat kun je logisch vinden, maar het leek er toch verdacht veel op dat Elisabeth II nevernooit het tijdelijke voor het eeuwige zou ruilen. Zij is bijna even lang koningin geweest dan ik oud ben. Toen ik in de zomer van 1977 op mijn 26ste van York naar Kingston upon Hull reisde om met de ferry naar Nederland terug te keren, vond ik aldaar de hoofdstraat overdadig versierd en kregen nog slechts bussen en touringcars -nood breekt somtijds wet, zelfs in de U.K.- permissie naar de haven te rijden. Tussen de rijen vlaggenden op de trottoirs en de uit de ramen hangenden sukkelde onze bus richting het schip de Northstar. Wij genoten dus het unieke voorrecht en buitenkans om te ervaren wat een koningin gewoonlijk bij elk uitstapje ervaart, namelijk: een door niets en niemand gehinderde doorrit, aan weerszijden geflankeerd door drommen juichende mensen. De kwestie was dat de koningin 25 jaar op de troon zat en dat zij die zomer een rondtoer maakte door heel het Kingdom (wat, vind ik, ingeval eigenlijk Queendom moest zijn) en dat ze vanaf Hull per boot langs enige havens ging. Laat die boot nou net toevallig in de dezelfde haven en naast onze ferry liggen. Onze afvaart zou tegen 18.00 uur zijn en de koningin en haar gevolg zouden tegen 17.00 uur bij hun boot aankomen. Zulks loopt altijd uit en er heerste dan ook grote spanning aan de relingen van de dekken of ze het wel op tijd zou halen. Met andere woorden: dat zij de Queen in levende lijve zouden zien. We konden prachtig neerkijken op de boot waarmee de vorstin haar reis langs enige havens zou vervolgen. En dat deden we ook. Omdat je weleens wilt zien hoe zo’n circus er in het echt uitziet. Ik was mogelijk een van de weinige niet erg monarchistische, eerder republikeinse, als ik tenminste toen al wist wat dat betekende, toeschouwers. Het koningshuis vond ik maar een kostbare overblijfsel uit een ver verleden tijd. In de dagen dat Elisabeth II haar rondtoer maakte, schudde The Sex Pistols Engeland wakker met het nummer God saved the queen na met hun eersteling Anarchie in the U.K. al voor de nodige onrust te hebben gezorgd. Dat zal de Royals geen goed hebben gedaan. Toen iets na vijven de antieke Rolls naderde, steeg er van de dekken een oorverdovend applaus en gejoel op. Ik deed niet mee, wat bij menige omstander wrevel wekte. Ik had mijn eigen Queen, reageerde ik voorzichtig en dat werd -weliswaar met stiff upper lip- gedoogd. Later begreep ik dat de meeste Nederlanders om de heisa te ontlopen, al in het restaurant van het schip waren gedoken, zodat ze meteen na de afvaart als eerste konden aanvallen. We bleven uiteraard Nederlanders en je mocht toen nog zo vaak opscheppen als je wilde, want het zat bij de prijs in. Dat lieten wij ons geen twee keer zeggen! Geen wonder dat later zoveel van die ferrybedrijven over de kop gingen: wij Hollanders hebben ze als het ware gewoon kaalgevreten. De auto van de koningin en haar gemaal hielden op de centimeter nauwkeurig halt voor de rode loper die toegang gaf tot haar boot. Een matroos -dat zal het ongetwijfeld niet geweest zijn, maar hij zag er zo uit- opende het portier en vlotjes steeg Her Majesty uit en na haar flierefluiter prins Philip. Ze zwaaiden terloops eventjes naar de lawaaimakers op onze boot. Die gingen hierdoor helemáál uit hun bol. Daarna stiefelde de koningin met haar gevolg vlug naar haar boot, want een koutje is gauw gevat en Hull is een venijnig tochtgat. De hele afwikkeling had nog geen minuut geduurd. En toch weet ik het nog goed. Als de dag van gisteren, zou ik haast willen zeggen. Euforisch dwarrelde de menigte daarna uit over de dekken van de Northland. Elk van hen had het Grote Licht gezien en Het had hun waarlijk beschenen.

We zijn vijfenveertig (45!) jaren verder. Engeland, het land dat ik lange tijd koesterde, zeg maar gerust lief had, is met name door de brexit vervallen tot een derderangsstaat. Boris Johnson heeft het aan de bedelstaf gebracht. De nieuwe premier, een flets figuur die Margret Thatcher naar het schijnt hoog heeft zitten, mag de boel weer opvijzelen. Was Theresa May maar aangebleven, denk ik weleens in een weemoedige bui. De stakerige, ietwat saaie schoenenfetisjiste uit East-Bourne had bij haar aantreden niet meteen mijn sympathie, langzamerhand veranderde dat en toen ze huilend afscheid nam, hield ik het ook niet droog. Misschien heeft de nieuwbakken premier iets aan King Charles en zijn eega. Queen Diana zou er qua charisma denk ik meer van bakken. We moeten maar afwachten. Feit is dat Engeland er beroerd voor staat en dat doet mij zeer. De pond is in alle opzichten vederlicht geworden. Had ik een Engelse vlag, ik zou het beslist morgen een uurtje uithangen. Halfstok, dat spreekt vanzelf. En niet voor de monarchie, maar voor het land en haar bewoners. Land van Stonehenge, Robin Hood, William Shakespeare, George Orwell, Dinky Toys, Meccano, Winnie the Pooh, Dennis Potter, Roald Dahl, The Beatles, The Who, The Kinks enzo enzo enzovoort……

5.9.22 Amsterdam 1972/73 Ik las het boek Ergo van Jakov Lind, een bijna niet te begrijpen surrealistisch werk uit een tijd dat dit soort proza in de mode was. Ik las in de zeventiger jaren ook boeken van William Burroughs (Steden van de rode nacht, Naakte lunch), Dylan Thomas (Onder melkwoud) en William Faulkner (Terwijl ik al heenging). Alsof dát zulke lichte kost is. Jakov Lind was een grootheid in zijn tijd, kreeg hoge onderscheidingen, maar zijn oeuvre bleef bescheiden, las ik op Wikipedia. Eén van de personages in Ergo is de bedligger Leo Schön-Walthaus, die pas op staat als het liggen hem pijn begint te doen. Hij ontwikkelde een theorie over de zinloosheid van het bestaan, genaamd: de placentale existentietheorie. Ik zal daar verder niet op in gaan. Ik zou u een zompig moeras insturen, want veel wordt men van die theorie niet wijzer. Hoe het kwam weet ik niet, maar ik moest ineens denken aan mijn verblijf in Amsterdam van vrijdag 29 en zaterdag 30 september 1972 (mijn god, al bijna 50 jaar geleden!). Ik was daar vanwege het afscheidsconcert (dat later helemaal geen afscheidsconcert bleek te zijn) van de Amerikaanse rockgroep Steppenwolf in het statige Concertgebouw. Entree: 12 gulden. Kom daar nou eens om! Ik zou de nacht doorbrengen bij een viertal vrienden van mijn dorpsvriend Jan Mast in een kelder aan de Keizersgracht te Amsterdam. Die stad was totaal vreemd voor mij, zoals tóen bijna elke stad. Jan had mij het adres gegeven. Ze wisten van mijn komst. Die vrijdagmiddag ging ik er naartoe. De kelder waarin het viertal ‘woonde’ bevond zich onder een soort souterrain van een groot herenhuis. Eigenlijk is dat onnodig te zeggen, want alle huizen of panden aan de Keizersgracht zijn groot en hoog. Ik was toen 21 en had nog maar zelden een flat gezien, laat staan zulke enorme grachtenpanden. Die Engelsen hadden voor mij onduidelijke banen en dus ook onduidelijke inkomsten. Later bleek Terry bij de Amstel-brouwerij te werken en zich tevens bezig te houden met hashdealen en huurde het koppel Ron & Mary de kelder en was vriend Pete weekendje over uit Londen. De inkomsten kwamen voornamelijk van Terry. De kelderruimte was onderverdeeld in twee gedeelten. Men kwam binnen middels een stenen trapje en belandde dan in de voorste ruimte waar zich een gasstel (butagas), koelkast, een tafel + een paar stoelen bevond. Het vertrek (als men daar al van kan spreken) was sober ingericht. Daar zat ik dan die middag met Terry (een klein, vadsig mannetje met een zwarte baard en lang piekhaar) en Pete en dronken thee. Ron & Mary kwamen pas tegen het vijven uit hun slaapstede. Dat bevond zich meteen achter het keukentje. In dat kamertje lagen enige matrassen op de grond. Ze draaiden de hele middag muziek. Cassettebandjes van onder andere Fotheringay en Jefferson Airplane (Surrealistic Pillow). Aan het eind van de middag dronken we ouzo, een naar zij zeiden Grieks drankje dat naar dropwater smaakte en mij later op weg naar het Concertgebouw nogal in de benen zakte. De reden hiervan kon echter evengoed veroorzaakt zijn door het ongewild inhaleren van de rook van hun hashpijp. Hoewel ik niet meerookte, kon ik onmogelijk ontkomen aan de uitgeblazen stoomwolken van steeds wisselend Terry en Pete. Mary wilde niet dat er in hun slaapkamer gerookt werd, omdat ze astmatisch was en hield het gordijn dat beide ruimten scheidde stijf dicht. Een loze wens, want de hele kelder was niet groter dan een meter of zes diep en vijf breed. Na het concert van Steppenwolf (genoemd naar het gelijknamige boek van de Duitse schrijver Hermann Hesse) dacht ik zonder problemen naar de kelder terug te gaan. Echter, ik had mijn overjas in de kelder laten hangen en daarin zat het papiertje met het adres. Hoe ik ook worstelde, ik kon mij het juiste nummer niet meer heugen en ik begaf mij terug naar de binnenstad en boekte na wat te hebben rond gezworven voor 1 nacht een bed in een youthhotel in de Stormsteeg. Eén van de beruchtste straten van Amsterdam, zoals ik later te horen zou krijgen. De volgende dag treinde ik weer naar huis.

Waarom maak ik nu de vergelijking met dat rare verhaal van Jakov Lind? Omdat ik in de personages van dat verhaal zelfde soort verdwaalden zie als toen in Amsterdam. Het was allemaal nieuw voor me. Ik weet nog dat ik na dat concert tamelijk verward ronddoolde in de drukke binnenstad. Ik liet mij op zeker moment zakken op een stoepje; weerloos en ontredderd. Ik wist werkelijk niet in wat voor heksenketel ik was terechtgekomen. De hoererij spatte van de etalages. Stomdronken en/of anders beneveld waggelde de massa voorbij en meer dan eens vroeg iemand mij om geld. Ik hield mijn handen stevig op mijn broekzakken. Pas toen ik in de kamer van dat hotel op het bed lag, mijn kleren angstvallig onder de dekens, voelde ik mij tot rust komen. De volgende dag stond ik al vroeg op. De stad verkeerde nog in rust. Tegen de middag was ik weer thuis. Ik schreef naar Jan, die inmiddels weer in Engeland was, in Naburn, over mijn verblijf in de kelder. Hij schreef naar Ron & Mary over mijn wederwaardigheden die nacht. Kort erop ging ik andermaal naar de kelder. Ron en Terry hadden die nacht nog naar me gezocht en waren erg ongerust geweest. Aandoenlijk. Tijdens mijn tweede bezoek gingen we samen de stad in. Ik zag hoe Terry zijn handel bedreef, hoe populair hij onder de gebruikers was. We bezochten onder meer een travestietenbar (ook nieuw voor mij!) en allerlei obscure tentjes en smoezelige pijpenladen. En Terry maar schaterlachen om mijn verbazing. Daarna ben ik nog een paar keer naar de kelder geweest. De laatste keer verbleef alleen Terry er. Ron & Mary zwierven ergens in Marokko. Pete was dood. Zo eindigt ook het verhaal van Jakov Lind; als een onsamenhangend geheel. Als mensen die elkaar alleen voor dat verhaal kennen en daarna bij elkaar weglopen en elkaar nooit meer zien. Hoe zal het verder met Terry en met Ron & Mary zijn gegaan? En met de kelder…? Welk hip stel zal dat nu voor een onmogelijke prijs bewonen? De paar nachten die ik er doorbracht sliep ik half onder de trap. Op een ochtend in december van datzelfde jaar (1972) lag er sneeuw op het voeteneind van mijn slaapzak. Terry was in alle vroegte over mij heen gestapt om handel te scoren. Met een vriend, zei hij later, in Beverwijk. Woonplaats van The Bintangs. Die dag verbleef ik er met een afro-Amerikaan. Melvin, uit Seattle. Een aardige, timide jongen, die op Jimi Hendrix leek en prachtig kon tekenen. Terry kwam tegen de middag terug met een royale plak hash. Het was niet mijn wereld. Stel dat er een politie-inval zou komen … Wat dan? Ik pakte mijn spullen bij elkaar en ging er gemaakt kalm vandoor en slenterde een paar uurtjes over het Waterlooplein. Het stadsrumoer en de handel was ook nieuw voor me. De volgende zomer ben ik nog één keer in de kelder geweest. Met een vriendin. We sliepen op de plek waar Ron & Mary die eerste keer sliepen. Daarna reisde ik door naar Engeland. Sindsdien ben nog wel een aantal keren in Amsterdam geweest, maar niet op Keizersgracht 390. Enkele keren naar de Uitmarkt, idem dito naar de Vrijmarkt om mijn verjaardag te ontlopen, naar het Mandela-festival, naar de grote Vredesmanifestatie of zomaar op een zaterdag om met een tas vol boeken weer thuis te komen. Zou ik dat nu nog doen? Nee, nee en nog eens nee. Men zou mij er met een stel paarden naartoe moeten trekken.

3.9.22 Verhuizinkjes De keukenvloer moest worden gelakt en we zouden het daardoor een aantal uren niet kunnen belopen. De vloer bestaat uit houten platen die om ze enigszins toonbaar te houden om de paar jaar een nieuwe laklaagje behoeven. De plekken waar we niet lopen neem ik niet meer mee. Het betekent dat we dan niet in de keuken kunnen komen en ook de wc is onbereikbaar. Alle attributen die we de komende uren nodig zouden kunnen hebben, zetten we op tafel in de achterkamer. Ik vulde de waterkoker en een emmer, want je weet maar nooit. Verder kopjes, borden, bestek enzovoort. Kortom, een kleine verhuizing. Toen ik nog een paadje ongelakt had, riep ik mijn vrouw dat ze nú nog naar de wc kon – straks niet meer. Ik ging zelf ook nog. Kort daarop had ik de vloer gedaan en trok ik de keukendeur achter me dicht. We hadden besloten te gaan rijden. Als we tegen de avond terug zouden komen zou de vloer wel droog zijn. ‘Waar heb ik mijn pet nou’, zei ik meer tegen mezelf dan tegen mijn vrouw. Het was nergens te vinden. Het is alsof de dingen soms een eigen leven leiden. Zou ik wel in het achtergangetje hebben laten liggen of in de schuur. Daar kon ik nu niet meer bij. Nou ja, dan maar zonder pet. We reden de provincie in.

Ik stelde voor weer eens naar Tinallinge te gaan. Een dorp met een alleraardigste bloementuin, waar je in alle rust kunt genieten en kunt mijmeren. Daarbij bevind zich er ook nog een boekenkastje. Maar we deden eerst Winsum aan. Ik dook de Bruna in en mijn vrouw een schoenenwinkel. Daarna overwoog ik een gevulde koek bij de Bakkerij te kopen. Ik zag geen sticker of bordje dat toegang van honden verbood, desondanks tilde ik Rossi toch maar op mijn arm. Amper over de drempel bitste de bakkersvrouw mij echter toe dat honden niet in de winkel mogen. ‘O, wij mogen er niet in Rossi’, zei ik luid en duidelijk en ik draaide me om en liep weer naar buiten. De Heer zegent wel de mensen en het brood, maar aan honden heeft-ie kennelijk een broertje dood, rijmelde ik zachtjes voor me heen. Kort daarna reden we het tamelijk drukke Winsum weer uit en gingen naar Tinallinge. Het door een hoge heg omgeven tuintje was echter al aardig uitgebloeid en mogelijk door de droogte van alle glans ontdaan. Het bankje brandde in de zon. Geen plek voor ons om lang in te vertoeven. Het boekenkastje bevatte niet veel meer dan uitgedroogde bladen en een paar boeken. Omdat ik altijd geneigd ben iets te scoren, haalde ik er een boek uit van Jacov Lind. Nooit van gehoord. Een uitgave van de Bezige Bij. Daar kon ik mij geen buil aan vallen. We gingen naast het tuintje op een houten bank in de schaduw van ons omringende appelbomen zitten om onze meegenomen thee drinken. Ik wilde daarna het dorpje nog even doorlopen. Mijn vrouw was moe en zette zich alvast in de auto. Bij het Kerkpad kwamen mij een jongen en een meisje tegemoet. Ze wapperden met iets van papieren. ‘Meneer, wil je bij ons wat komen drinken?’, zei het blonde meisje van ik schat een jaar of acht. Ik zei ‘Hoe bedoel je wat drinken? Ik heb net thee gedronken, dus nee ik hoef niks te drinken. Maar waarom vraag je dat?’ ‘Nou’, zei ze ‘wij verkopen drankjes en daarom wil je misschien ook wel wat bij ons drinken’. ‘Oh, en wat heb je allemaal voor drankjes dan’, zei ik. ‘Water en ranja en melk en eh …’ ‘Je moet hem een flyer geven’, mengde nu het jongetje zich in het gesprek. ‘Hier heb je een flyer. Daar staat alles op’, zei het meisje en hield een waarschijnlijk door henzelf getekend papiertje omhoog. ‘En kost het ook nog wat?’ zei ik. ‘Ja, 1euro75 voor een bekertje’, zei het meisje. Daar keek ik wel van op. ‘Zoooh’, zei ik. Voor niks gaat ook in Tinallinge alleen de zon op. Beetje wonderlijke manier van klantenwerving, leek me. Welk Tinallings megaconcern stak hier achter of heeft een van de plaatselijke jongeren dit bedacht? Coca-Cola is per slot van rekening ook ooit klein begonnen. Toen ze wel in de gaten kregen dat er aan mij niets te verdienen viel, trok het meisje de flyer weer voor mijn neus weg. Ik bedankte ze niettemin hartelijk. Het jongetje drong aan toch maar een flyer mee te nemen voor het geval ik morgen of zo ineens enorm zin had in een drankje. Maar ik zei dat ik niet van hier kwam en dat de kans daarop vrij klein was. Ik zag hem hier over nadenken. Daarna sprongen ze weer op hun fietsjes en overvielen een eindje verderop een jong stel dat op een bankje zat. Ik had er wel schik in. Ik liep via het Kerkpad, over de begraafplaats rond de kerk en keerde weldra terug naar de auto.

We reden verder en belandden in Westerwijtwerd en namen plaats op het terras bij huiskamercafé Trankiel. Prachtig gelegen aan het water. Hier ook twee ietwat oudere kinderen die de bestellingen opnamen. Maar ze hadden geen thee van ons soort, dat wil zeggen, mijn vrouw wil het liefst English Breakfast thee en dat kwam niet op het lijstje voor. Alleen smaakjes en rooibos. Ook hier een grote boekenkast. Deze bevatte niets van mijn gading. We liepen het dorpje door. Weer zo’n pareltje dat we nog niet eerder hebben bezocht. De deur van de kerk stond uitnodigend open. Uit gewoonte liep ik even naar binnen. Doodse stilte. Er was niemand. Oude grafzerken op de vloer in het koor. Teruglopend vond ik halverwege het gangpad een klein kokkelschelpje. Een teken voor het een of ander? Amper weer buiten, luidde de klok halfvier. Zwaluwen cirkelden rond de toren. Men zou er glad van alles van denken. Via het hoogholtje kwamen we terug bij onze auto. We moesten maar op huis aan. Via Appingedam en de A33. Tegen halfvijf waren we weer thuis. Heel voorzichtig voelde ik of de lak droog was. Jaaah. Alle spullen konden weer terug. Ik nam de emmer water mee naar buiten, zette mij in de tuinstoel, plantte mijn moeie voeten in de emmer en begon in het boek van Jakov Lind te lezen. Titel: Ergo. Een in wonderlijke taal geschreven boek. Surrealistisch. Het boek had gezien de namen voorin al minstens drie bezitters gekend. Het heeft in verschillende boekenkasten gestaan, heeft meer verhuizingen meegemaakt dan ik, het werd steeds weer afgedankt. Zo gaat dat, om Kurt Vonnegut na te spreken. Terwijl ik het boek terzijde legde, zag ik mijn pet onder mijn leesstoel in de achterkamer liggen. Feilloosheid is de mens nu eenmaal vreemd. Ik haalde mijn voeten uit de emmer, droogde ze af en gooide het water bij een bosje. Schakel van de altoosdurende voortgang van het vocht waaruit wij zelf voor een groot deel bestaan. Een bekertje ranja: 1euro75, echode door mijn hoofd. Ik nam een glas en tapte het vol kraanwater. Heerlijk. Als afsluiting van een welbesteed dagje.

26.8.22 Dichtbij ons bed Zelden zo akelig gevoeld als de laatste maanden. Komt door al die ellende in de wereld en nu eens niet in Haïti of in Venezuela of Australië, nee gewoon in onze achtertuin – Oekraïne. Daaruit zie je hoe de hele maatschappij als een wiebelige poppenkast in elkaar steekt. Trekt men aan een touwtje, dan beweegt er een onderdeel en dat trekt weer een ander mee en uiteindelijk beweegt het hele lichaam. Er kwam een stroom vluchtelingen onze kant op en we kunnen de asielzoekers uit bijvoorbeeld Syrië en Afghanistan en bijgevolg de statushouders nu al niet huizen. Hoe het door de oorlogen en spanningen in de wereld zal gaan met de prijzen van gas, olie, ertsen en water weet niemand, maar de vooruitzichten zijn uitermate somber. Wat me los van dit alles treft is dat het culturele leven gewoon doorgaat. Alsof we al feestend, bewust aansturen op een catastrofe. Ik doe daar natuurlijk evengoed aan mee, hoewel niet in de mate die ik op de televisie zie en in de kranten lees. Zou ik vijftig jaar jonger zijn, dan zou ik wellicht ook één van de vele muziek- of popfestivals bezoeken en met mijn vrienden een weekje op Terschelling vertoeven. Niet dat ik vijftig jaar terug alles maar over me heen liet komen. Beslist niet. Een jaar ervoor (1971) had ik met een vriendin zo’n 2000 handtekeningen verzameld tegen de zeehondenslachtingen in Canada. De televisie zond in februari/maart van dat jaar een documentaire uit over deze barbaarse praktijken. En alleen voor het bontvelletje! Het was in het begin van de milieuactiegroep Greenpeace. Ik werd lid en liep korte tijd later met de bekende regenboogbatch op mijn spijkerjasje. In die jaren stak ik voorzichtig mijn nek uit. Zou ik dat nu weer doen? Ik weet het niet. De mensen zijn er sindsdien niet aardiger op geworden. Solidariteit is een vies woord geworden. Mogelijk de schuld van al die technische ontwikkelingen en dan met name door internet. Door de enorme jacht op delfstoffen en hierdoor de verwoesting van de natuur en de exploitatie van het Universum is de hebzucht van de mens alleen maar toegenomen. We Zijn Niet Meer Tevreden Te Krijgen! We móeten en we zúllen alles hebben. Dat we in de nabije toekomst de tering naar de nering moeten zetten, beseffen naar mijn idee nog maar weinig mensen. Wie dan leeft, die dan zorgt is een beetje het parool. Pas als water op rantsoen moet, gas op bestelling, belasting op zonnepanelen en benzine op de bon zal het besef indalen en een onheuse paniek-uitbarsting veroorzaken. Wat ik je brom. Hopelijk zullen de weerlozen het niet afleggen. Dat is nu al het geval bij het opvangcentrum voor asielzoekers bij Ter Apel en de moeizame opvang elders in ons land. Veel gemeenten willen deze mensen niet, in tegenstelling tot de Oekraïense vluchtelingen. We hebben niet eens huizen voor de Nederlandse jongeren die op zichzelf willen wonen of een gezin stichten. Hoe moeten we in godsnaam al die toekomstige bewoners van ons land van een plek voorzien? Het zal mij benieuwen hoe onze koning zich over een week of drie door dit rampenpakket heen leest. Maar stel dat wíj zouden willen verhuizen; dat is evengoed bijna onmogelijk. De hele huizenmarkt zit op slot. Door schaarste jagen huisjesmelkers en projectontwikkelaars de prijzen nog eens extra op. Het is schandalig! Maar zóúden wij hier wel weg willen? Neeeeh, liever niet. Heel misschien als lichamelijke omstandigheden erom vragen. En toch denk ik weleens: in dit huis zou ook een jong gezin kunnen wonen. Altruïsme van de koude grond, ik weet het. Ik bind snel weer in. Het is zo deel van ons. We hebben van de week zelfs nog een boom in ons tuintje gered. Die boom zou eigenlijk om. Bij elke storm brak er wel een tak af, of -gevaarlijker- bleef halverwege tussen de andere takken hangen, zodat wij uit vrees iets op onze kop te krijgen uit de buurt van die boom bleven. Dat was geen doen. Ik had stil verdriet dat hij weg moest. Het was een exemplaar dat er al stond toen ik hier in 1985 kwam wonen. Ik moet er misschien als kind al omheen hebben gedrenteld. Dus ja… Maar de bomenverzorger zag kans de boom te redden en hij staat nog fier overeind. Sterk uitgedund, dat wel. Dat is een deel van mijn verzet om dit huis te verlaten. En dan, wat doen onze opvolgers ermee? Mijn vrouw en ik hebben er als rentmeesters naar ons dunken goed op gepast en dat zouden we graag willen doorgeven. Keuzes die als de Maan zo ver weg lijken, maar die soms ineens heel dichtbij komen.

23.8.22 Aan de pillen Sommige mensen worden zonder zuchtje pijn of motorische mankementen tachtig jaar of ouder en andere mensen klagen zich de longen uit het lijf ver voor ze de pensioengerechtigde leeftijd bereiken. Ik behoor tot geen van beiden. Mijn leven ging tot op heden niet vanzelf, maar ik heb van klagen niet mijn levensdoel gemaakt. Vooral de laatste jaren zit me het niet erg mee. Er treden vreemde haperingen op in mijn gestel, zo vreemd zelfs dat artsen er van opkijken. En die zijn toch wel wat gewend, denk je dan. Neem nou die rare allergie-uitwassen. Daar leek geen kruit tegen gewassen, tot ik onlangs bij een kliniek in Groningen kwam waar men al snel wist wat er aan schortte. Kwestie van verkeerde pillen. Door te stoppen met perindopril en desloratadine en daarvoor in de plaats levocetirize, famocidine en montelucast te nemen, bleken de enorme opzwellingen van handen en gezicht plots tot het verleden te behoren. Voor de lichte tia (overkwam mij 2 keer), kreeg ik na zorgvuldig onderzoek ook enige pillen voorgeschreven. Amplodipine voor de bloeddruk, dipyridamol voor de aderen, simvastatine om de cholesterol te onderdrukken, bisopralol voor het hart en pantoprazol tegen het maagzuur. Een beetje te verdelen over de dag, anders loop je met zo’n volle maag rond. Er zijn in de wereld duizenden verschillende pillen en poeders en spraytjes om ons lichaam zo lang mogelijk aan de praat te houden en niet zelden blijkt dat de verstrekkers van al die middelen het niet altijd met elkaar eens zijn. Dat bleek onlangs weer eens. Enige tijd geleden namelijk bleek dat het mij voorgeschreven middel grepid weinig effect had op mijn lichaam. Het middel behoort tot de zogenaamde bloedplaatjesaggregatieremmers en zijn bedoeld om bloedstollingen te voorkomen. Maar bij bloedcontrole bleek dat het middel bij mij niet werkte. Daarvoor in de plaats kreeg ik acetylsalicylzuur én dipyridamol voorgeschreven.

Als u de tel heeft bijgehouden, heb ik in totaal acht middelen in gebruik. Mijn medicatieoverzicht van de apotheek bevat nog meer, maar er zijn onderweg al een paar gesneuveld. Ik had met deze pillensoep zwijgend oud kunnen worden, ware het niet dat acetylsalicylzuur en dipyridamol ineens niet meer leverbaar waren. Eén van de apotheekassistentes -zij doen geweldig hun best!- belde mij hierover op en zei ze alles in het werk zou stellen om het via een omweg toch te krijgen. Even geduld dus. By the way, uit de onderzoeken die ik heb doorstaan, bleek dat er met mijn aderen , mijn cholesterol en mijn bloeddruk niets aan de hand was, maar het zou mo-ge-lijk toch een probleem kunnen opleveren. Men kon niet voorzichtig genoeg zijn. Ik zei dat ik het begreep en bericht afwachtte. Maandagmiddag zou men een vervangend middel sturen. Dat deden ze: grepid. Maar dat werkt bij mij dus niet. Ik belde naar dokterspost en kreeg dokter Dokter aan de lijn. Dit is geen tikfoutje, de goede man heet werkelijk dokter Dokter. Een geweldig aardige man, die mij met raad en daad bij staat. Ik legde hem in het kort uit dat mijn neuroloog op 1 april (geen grap) jongstleden had uitgelegd dat grepid op mij te weinig of geen werking heeft. Dokter Dokter begreep het en suggereerde dat indien één (1) pil niets uithaalt, dat mogelijk twee (2) pillen wél iets zouden kunnen uithalen. Ik viel van verbazing bijna van mijn stoel. Ik had het zelf kunnen bedenken. Ik zei dat ik mij er tot nader orde aan zou houden. Tegen de tijd dat de andere pillen weer leverbaar zijn, zal hij mij weer informeren.

Beste lezer, ik heb u overstelpt met enkele bijna niet uit te spreken medicijnennamen. Ik weet dat de medische wereld deze namen bewust bedenkt, dat er sprake is van een semantisch systeem, omdat die middelen over heel de wereld gebruikt worden en het overal begrepen moeten worden. Wat betreft het voorlopig niet kunnen verkrijgen van acetylsalicylzuur en dipyridamol, het volgende. Op het doosje van het eerste product zag ik staan: manufactured in Greece en op het tweede voor mij Russisch of Cyrillisch aandoende woorden. Alleen Oekraïne was te lezen. Ik denk dus dat ik nog wel even aan de grepid vastzit. Geen nood. Met dokter Dokter in de buurt heb ik niets te vrezen en maak ik van een nood een deugd.

17.8.22 Bittere thee Men hoeft er geen stapel kranten voor door te spitten of consumentenprogramma’s op radio en televisie te volgen om te weten dat er in de wereld van de handel veel uitbuiting en slavernij voor komt. Het kan niet anders dan dat de arbeiders van een kledingstuk dat voor een paar euro’s bij een discounter ligt, daar geen cao-gerelateerd salaris voor hebben ontvangen – hoe veel moeite de woordvoerder van die goedkope winkel ook doet om ons hierin te laten geloven. Het probleem is echter dat je van de artikelen die wél voor een aanvaardbare prijs worden aangeboden evenmin weet of er geen geurtje aan zit. Er zijn weliswaar allerlei instanties die beweren het goede voor te hebben, die beweren dat de werknemers goed worden betaald, dat ze hun werk in een veilige omgeving doen en dat er geen uitbuiting en zelfs lijfstraffen aan te pas komen. De ergste verhalen hoor je pas wanneer er ergens in bijvoorbeeld Bangladesh een sweatshop is afgebrand en er tientallen doden zijn te betreuren. Zoals in 2013. Meer dan duizend doden. En zoals later bleek fabriceerde deze torenflat vol zogeheten kledingateliers voor kledingwinkels die niet als slecht bekend stonden. Zo zie je maar hoe ingewikkeld die wereld in elkaar steekt. Nu is er in datzelfde Bangladesh een staking uitgebroken onder de arbeiders van zo’n 200 theeplantages. Ze willen een loonsverhoging van maar liefst 150%. Dat lijkt geweldig veel en als je niet beter weet dan doet het zelfs een beetje komisch aan. Maar het minimumloon van de theeplukkers is slechts 120 taka per dag. Dat is omgerekend naar ons geld ongeveer 1 euro. Ze willen dus naar tweeënhalve euro. Van die 120 taka kunnen ze niet leven, daar kunnen ze geen rijst voor het gezin voor kopen, laat staan hun kinderen voor opvoeden. De meeste theewerkers komen uit de lage kasten en zijn afstammelingen van arbeiders die in de Britse koloniale tijd naar de plantages zijn gebracht, zegt het nieuwsartikel. Ze behoren tot de slechtst betaalde werknemers ter wereld. Wij drinken veel thee, bijna altijd Pickwick van Douwe Egberts. Die koop ik weleens bij het Kruidvat. Dat is een van die vele discounters die deze Pickwickthee zo nu en dan in de aanbieding heeft. Drie doosjes van elk 40 theezakjes in een verpakking voor nog geen vijf euro. Dat is omgerekend ongeveer vier cent per theezakje, twee cent per gram thee. Ik heb gegoogled waar Douwe Egberts zijn thee vandaan haalt. Zuid-Afrika, India, Sri Lanka, China, Indonesië en Malawi worden genoemd. Allemaal landen die het net als Bangladesh met de rechten van hun burgers niet zo nauw nemen. Het merk Pickwick komt van het boek The Pickwick Papers van Charles Dickens, de Engelse schrijver die de onderdrukking van het gewone volk zo duidelijk in beeld bracht en hoopte dat er middels zijn verhalen aan deze schrijnende toestand een eind kwam. IJdele hoop natuurlijk. Op de doosjes van Pickwick staat vermeld dat Douwe Egberts is aangesloten bij het Rainforest Alliance, die zich beijvert voor verbetering van de leef- en werkomstandigheden van de theemedewerkers. Ook zijn ze aan gesloten bij Ethical Tea. Allemaal prachtig, die keurmerken en welzijnsorganisaties, maar veel kun je er als theedrinker niet mee. Bij de Lidl gebruiken ze UTZcertified farmers en zo zullen er nog wel meer garantiemerken zijn die ons de ogen een beetje moeten sluiten voor de onderdrukte en onderbetaalde theeplukkers. Ik zou natuurlijk kunnen stoppen met het drinken van thee en kunnen overgaan op koffie. Maar daar heb ik onlangs bij ‘Keuringsdienst voor waren’ ook een hele verhelderende reportage over gezien. Die doen bijna niet onder voor hun collega’s in Bangladesh. Dus ja …

Van het laatstelijk genoten theetje bij een zaak te Appingedam weet ik de vraag nog die op het labeltje stond: ‘Waar kun je je boos over maken?’. Ik liet het toen voor wat het was, wilde mijn middag er niet door laten verpesten. Met de kennis van nu weet ik het: de prijs van een kop thee. In het licht gezien van de mensen die het echte werk ervoor doen, smaakt het erg bitter. Voor de prijs van een kop of glas thee in een café of op een terras, moet een plukker 2 á 3 dagen zwoegen. Misschien moet ik maar tot eigen teelt overgaan. Het tropische weer nodigt ertoe uit.

14.8.22 Wat wil het weer wel? Een beetje minnetjes. Het warme weer gaat me een beetje opbreken. Mijn lichaam kan daar niet goed tegen. Ze begint week te worden. Ik voel me slap en duf en ga steeds vaker naar mijn werkkamer boven en leg me neer op mijn bank en val na een paar regels uit een willekeurig gekozen boek in slaap. Als ik na een poosje weer ontwaak duurt het meestal enige tijd voor ik besef waar ik mij bevind. Het is de geniepige prelude voor de eeuwige slaap. Het is dat ik elke dag eet, beweeg, mijn blaas en darmen leeg, anders zou het er zó gaan uitzien. Mijn lichaam waarschuwt mij voor dit duistere beeld en schudt mij wakker. Ik begeef me nadat ik ben opgestaan, heel voorzichtig naar de trap. Tot nu toe heb ik het gered, denk ik elke keer opnieuw. Bij de trap draai ik mij dan voorzichtig om en pak met mijn rechterhand de bovenste beugel stevig vast. Vorige week was ik nog even in onze dorpsmolen en liep naar boven omdat daar een van de molenaars bezig was. We dronken een bekertje thee, praten wat en genoten van het uitzicht. Bij het teruggaan via het smalle, steile trappetje, dewelke ik net als mijn eigen trap achterwaarts af loop, zag ik een bordje hangen met: Als u dit kunt lezen, dan loopt u de trap op de juiste manier af. Ik vat met mijn linkerhand de houten trapleuning en loop behoedzaam naar beneden. Aankomend bij de volgende beugel blijf ik even staan, pak deze vast en loop weer verder. Zo doe ik dat al jaren. Ik weet, het gevaar schuilt in het kleinste hoekje.

Aan de keukenkraan depte ik mijn gezicht en waste mijn handen met koud water. Zo, daar heeft de hitte mooi niet van terug, zei ik zacht voor me uit. Maar de slapte was nog niet uit mijn lichaam verdwenen. Dat gaat langzaam. Ik nam een glas koud water, voelde het als een schok door mijn slokdarm trekken. Mijn maag bolde op, een boer ontsnapte. Het deed me denken aan een nijlpaard dat zijn longen leeg blaast. Toen begaf ik mij naar buiten, niet verder dan de stoep. De vijand was nog alomtegenwoordig. Ze sloeg me als met een natte dweil in het gezicht. Ik liep vlug weer naar binnen en sloot de deur. Ik tapte water in de koker en zette hem aan. Heet op heet is soms de beste remedie. Een ijskoud drankje is heerlijk, maar helpt maar voor even. Dan wil je opnieuw die oppepper, die zeg afrodisiacum … en nog een keer, enz … Niet aan toegeven. Proberen de draad weer op te pakken, de dagelijkse bezigheden hervatten. Zo houd ik mij nog het beste in het gareel. En maar hopen dat het weer snel om zal slaan. Want wat zal ze wel niet menen? Dat het mij eronder krijgt? Mooi niet. Over een maandje gaat ze sowieso inbinden en draai ik als het nodig is de thermostaat omhoog. Leve de vooruitgang! Of trek vanwege de snel stijgende energiekosten extra kleren aan. Kniekousen, pantoffels, lange broek, een T-shirt + een long-shirt, een trui en eventueel een sjaal. Voorts als tegenreactie lees ik een winterboek. Overwintering op Nova Zembla bijvoorbeeld. Op die manier jaag ik de eeuwige slaap wel in de gordijnen. Nog even volhouden dus. Gelukkig heb ik nog een stapel krantenbijlagen en de kelder moet ook nodig eens worden opgeruimd. Niet langer gedraald, schouders eronder!

10.822 Handige verkopers Mijn vrouw is in het herkennen van de onzuivere plannen van bepaalde lieden beter in staat dan ik. Het zou kunnen dat ze door haar zuinigheid dit wantrouwen reeds in de baarmoeder ingebakken kreeg, maar zo gesteld zou het mij ook niet onbekend moeten voorkomen. Hoe dan ook, ik tuinde er deze keer bijna met open ogen in. Ik zal bij het begin beginnen wat ons onlangs overkwam, want wie weet zou ik het hele voorval nog eens aan de politie moeten uitleggen en nu was het nog vers. Ik was vroeg in de avond bezig met twee emmers water uit een van de watertonnen naar de rododendrons in onze voortuin te brengen, toen er een autootje afremde en even voorbij ons hek stil hield. Er stapten twee jonge meiden uit die kordaat op me afstapten. Ze waren identiek gekleed in oranje shirts met -dat zag ik toen ik dicht genoeg bij was- het logo van het Kika kinderkankerfonds. Ook droegen ze een opzichtige keycord met daaraan een legitimatiekaart met hun pasfoto erop. Zoiets gaat door voor een hoge vorm van vertrouwelijkheid. Na de goedeavondgroet vroegen ze of ik Kika kende. Ja, weleens van gehoord, zei ik. Welnu, zij vertegenwoordigden het Kika kinderkankerfonds en ze verkochten loten aan de deur voor het onderzoek naar kinderkanker en de vraag was of ik ook een lot wilde kopen. Ik zou makkelijk toehappen, want kinderen horen geen kanker te hebben en zulk soort onderzoek is dus hoogst noodzakelijk. Ik vroeg wat de loten kosten. In gedachten ging ik uit van lootjes van een euro per stuk en zou er ingeval iets van vijf kunnen nemen. ‘Ze kosten tien euro per stuk’, zei een van de meiden losjes. Zoooh! Ik zei dat ik niet eens zoveel geld in huis had, maar dat hoefde ook niet, want ze mochten geen cash geld aannemen, omdat dat te gevaarlijk was. De meiden vulden elkaar prima aan. Ik kreeg er bijna geen woord tussen. Later doorzag ik dit als een van die tactische trucs. Ik weifelde en wilde dit toch wel even met mijn vrouw overleggen, want een tientje is voor ons altijd nog een tientje en ik nodigde de meiden binnen uit. Mijn vrouw was nog bezig. Op verzoek gaf ik hen beiden een glas water. Onderwijl vroeg ik of ze dit werk vrijwillig en dus onbezoldigd deden en hoewel de een dit een beetje probeerde te omzeilden, liet de ander weten dat ze dit liever deed dan bijvoorbeeld vakken vullen bij de Albert Heijn. Daar kon je meerdere kanten mee op. Dit was niet degeen die een iPadje tevoorschijn had getoverd en mijn naam vroeg. Tot dan toe was ik nog lichtelijk naïef, maar nu begon ik te twijfelen. Juist op dat moment kwam mijn vrouw binnen en vroeg meteen wat de bedoeling was en hoe dat met de betaling van die loten ging. Dat zou via automatische incasso achteraf betaald worden. Dat was zonder risico, bankrekeningnummer en handtekening waren voldoende. ‘O maar dat doen we niet’, zei ze. Op haar voorstel dat zij hún banknummer aan ons konden verstrekken, zodat wij via dat nummer een lot konden kopen, gingen ze niet in. ‘Dan houdt het hierbij op’, zei mijn vrouw. Dit moet de meiden zo definitief in de oren hebben geklonken, dat het iPadje vlot werd dichtgeklapt en ze spoorslags verdwenen. De glazen waren amper aangeroerd.

We bespraken daarna uitvoerig over hetgeen er had plaats gevonden. In hoeverre was dit vertrouwd? We hadden bijvoorbeeld helemaal geen loten gezien en dat ben ik toch wel gewend. Bovendien, hoe zat het met de prijzen die toch als yin en yang verbonden zijn aan een loterij? Later die avond stuurde ik een mailtje naar Kika in Amsterdam, of zij iets met een loterij van doen had en of dit wat ons overkomen was deugde. Ik kreeg al vlot een mail terug dat de stichting Kinderen Kankervrij inderdaad met een wervingsactie bezig waren en dat het ging zoals de meiden hadden gezegd, maar de mail verstrekte wel hun banknummer. Alzo konden wij eveneens een lot (of meerdere) bestellen. Dat we dat zullen doen is nog maar de vraag.

Vanmiddag was er op de radio een bericht dat er ergens in ons land een paar oplichters zijn gepakt die zich bezig hielden met het bezorgen van pakketjes en de geadresseerden vriendelijk verzochten het porto-tekort meteen te willen overmaken. Anders konden zij het pakketje van een voor hen bekende relatie niet afgeven. Ze droegen de kleding van een bekend expresse-bedrijf, dus de geadresseerden vermoedden absoluut geen kwaadwilligheid. Nadat zij het bescheiden bedragje hadden overgeboekt, harkte aan de andere kant van de lijn iemand hun bankrekening leeg. Voordat mevrouw of meneer ontdekten dat het pakketje niets dan rommel bevatte, was hun spaarrekening leeg en waren de vogels uiteraard vervlogen. Toen ik het hoorde dacht ik weer aan die meiden. Met weinig fantasie was het verhaal inwisselbaar met dat verhaal op de radio. Het werven van leden of donaties door colporteurs ervoor te betalen, lijkt mij dan ook een uitnodiging voor louche types om eigen beurs te spekken. Aan de nodige camouflagespullen is altijd wel te komen. Met een dosis brutaliteit, humor en gevatheid kom je een heel eind. Hoe dan ook, het begieten van onze rododendrons zal ik er in het vervolg niet meer door laten verstoren.

6.8.22 Bijna alles is kunst Vanmiddag moesten we naar Ter Borg. Moesten is niet helemaal het juiste woord, want de kwestie is dat een goede vriendin van ons exposeerde in een van de boerderijen in dit dat er ergens gehuchtje in het mooiste deel van Westerwolde en mijn vrouw had op haar uitnodiging te kennen gegeven dat we hier zeker gehoor aan zouden geven. Dus erop af. Na enig zoeken aangekomen bij de boerderij waarin zij exposeerde sprak een meneer mij nogal streng toe dat honden niet in de expositieruimte konden worden toegelaten. Ze zouden in het slechtste geval ergens tegenaan piesen en dat moest worden voorkomen. ‘Tegen een kunstwerk bijvoorbeeld’, zei hij ten overvloede strak. Ik zei dat ik het wel even op de arm zou nemen. Dat stond hij oogluikend toe. Alzo kuierden wij naar de hoek waar onze vriendin Cora ons al tegemoet zwaaide. Het eerste wat me opviel was dat ze al zoveel kunstwerken had gemaakt. ‘Allemachtig wat heb je veel gedaan, wat een voorraad. Het lijkt wel een winkeltje!’, liet ik mij ontvallen. Ja, in de coronatijd was ze goed bezig geweest. Dat was ze zeker. Sinds een paar jaar maakt ze collages. Ze werkt uiterst nauwkeurig en gedetailleerd en verkoopt de kunststukken voor schappelijke prijzen. Althans, als ik het als leek vergelijk met kunststukken van andere kunstenaars. Nu zal ik niet gauw besluiten tot de aanschaf van kunst, omdat het nogal een gat in onze bescheiden portefeuille zal slaan, maar ik wist welhaast zeker dat mijn vrouw niet zonder werkje van Cora Westerink de boerenschuur zou verlaten. Ik deed een voorzichtige poging haar naar een betaalbaar werkje te leiden, hetgeen zou later blijken onvruchtbaar bleek. Doordat Rossi met zijn ruim zeven kilo toch wel aardig aan mijn spieren begon te hangen, begaf ik mij weer naar buiten en nam plaats tegenover de boerderij op een zware, ruwhouten bank, alwaar de bezoekers hun auto konden parkeren. Die atelierroutes zijn razend populair en worden vooral door oudere mensen en dan met name fietsers afgelegd. Ook deze. De route bestond uit 12 expositieplekken, waar 38 verschillende kunstenaars hun kunnen laten zien. De verscheidenheid is groot en de kwaliteit hoog. Ook de meeste kunstenaars zijn merendeels 50+. Afgezien van een paar meegebrachte kinderen, heb ik heb geen enkele jongere gezien.

Ik had Rossi voor de veiligheid naast me op tafel gezet en ik vroeg mij af of al deze peddelaars voor de kunst kwamen of dat ze het puur voor het vermaak deden (waar niets op tegen is), toen er vlak naast mij een open sportwagentje halt hield. Er zaten een man en een vrouw in. De man chauffeerde. Ze keken vanuit hun lage zit ietwat hautain naar mij op. De man stopte de motor en ze stapten uit. Ze groetten vriendelijk. De vrouw had een hoog opgestoken kapsel en deed me denken aan Joanna ‘Patsy’ Lumley van de komische serie Absolutely Fabulous. ‘Ach, wat een leuk hondsje’, zei ze tegen Rossi. ‘Maar wat heeft-ie een enorme onderbeet, aahh, wat bijzonder zeggh’. ‘Tja’, zei ik ‘we doen het er maar mee, hé Ros’. ‘Bijzonder hoorch’, zei ze. De man maalde minder om het mormel. Hij gooide de deur van het autootje achter zich dicht en liep naar de boerderij om zich over te geven aan de kunst. Kunst van de vlakte, soit. Maar wie weet zat er nog een aardig prentje tussen waar hij iets mee kon. De vrouw gekleed in een roze kokerrok trippelde fluks achter hem aan. Ik bekeek het autootje dat nu zo opdringerig mijn blik verpeste. Ik heb het niet zo op die open dingen, vind het patserig vertoon. Na amper een minuut of vijf kwamen de man en de vrouw alweer terug. De man met duidelijk meer haast dan de vrouw. En wederom kreeg Rossi enige aardige woordjes toegeworpen. Ik liet me bijna ontvallen: ‘Ja, hij is mij alles waard. Ik zou hem voor geen goud willen ruilen, nog niet eens voor jullie autootje’, maar ik hield me in. Ze stapten in hun flaneerskelter en reden voorzichtig naar het pad. Kort daarop kwam mijn vrouw terug. Mijn vrouw maakte twee koppen thee en ondertussen liep ik even met Rossi naar de voor aan de weg gelegen schaapskooi, één van van de plekken waar ook werd geëxposeerd. Hier heerste grote drukte. Het pad is hier nogal smal. Voornoemd sportwagentje stond ingeklemd tussen een grote aantal tweewielers. Kennelijk gedroeg de chauffeur zich niet al te aardig tegen sommige fietsers, want ik hoorde gemopper over en weer. Ik liep er met moeite langs en de vrouw -ons ziende- zei: ‘Ach, daar ik dat leuke hondsje weer. Kijk es Anton, dat hondsje. Aachh, zooh leuk!’ Ik dacht, Anton heeft hele andere belangen. Die heeft wel wat anders aan zijn kop. Heel langzaam duwde hij zijn BMWtje tussen de fietsen door en verliet het buurtschapje om er wie weet nooit meer te komen. Toen wij er even later zelf langs moesten, viel het met de drukte mee. De grote bups oudjes zat aan de oever van de Ruiten Aa van de rust te genieten en een ijscoboer deed goede zaken.

Hoe zou de wereld er uitzien zonder kunst? dacht ik terwijl we doorreden naar Ter Apel. Saai, vooral saai. Nadeel is wel dat de wereld van het grote geld zich er meester van heeft gemaakt en dat daardoor bijna alles te verkopen is onder de noemer kunst. Nou ja, bijna alles. Want iets wat geen kunst is, is écht en voor de kunstkoper niet interessant. Dat is maar goed ook, anders zou zelfs dát niet meer veilig zijn voor de op geld beluste kunstkoper. Want zodra je ergens een label op plakt, is het niet meer veilig. ‘En heb je al een plekje in gedachten voor je nieuwe aanwinst?’ zei ik. Ja, dat had ze al. Feitelijk maakt ze zelf ook kunst en dit past er prima tussen. Ik bedacht onderwijl hoe ik dit uitje straks vorm zou geven. Niet al te kunstig, in ieder geval.

3.8.22 Het evangelie volgens… De weggeefbak en de naaste omgeving van gemeenschapshuis De Spil was een beetje een rommeltje geworden. Onder de bak stonden schots en scheef zelfs een aantal paren hippe damesschoenen. Ik besloot de boel wat te ordenen. Niet meteen mijn werk, maar uiteindelijk ben ik ook een reguliere snuffelaar van de bak en daar mag best iets tegenover staan. En ik haal er zo nu en dan ook nog wel wat aardigs uit. Of ik breng. ‘Heen en weer op het Hogeland’ van Roelf Reinders heb ik al twee keer eerder in een kastje geplaatst, maar omdat kennelijk niemand het hebben wil, nam ik het weer mee. Het is duidelijk voor eeuwig voor mij bestemd. Er lag een wanordelijke stapel bladen waar geen lezer meer voor te vinden zou zijn. Voornamelijk het sportblad ‘Vissen’ bevatte het. Ook niet mijn leesvoer. Ik ritste snel door de stapel heen. Er viel een foldertje uit met de hoofdtekst ‘Bent u klaar voor Zijn komst?’ O god, dacht ik, hier ook al. Ze weten je overal te vinden, zelfs zonder voordeur. Maar nieuwsgierig van aard bekeek ik vluchtig het foldertje. Het bleek van een club te zijn die zich ‘Jezuskomtspoedig’ noemt. Dat het juist tussen de vissersbladen verborgen zat, was opmerkelijk. Was Jezus volgens het beroemde lied van Leonard Cohen immers ook geen visser? Wij mummelden de Nederlandse versie van Herman van Veen na. Ik heb geen enkel beeld van Jezus. We waren thuis te nuchter om een manspersoon over water te zien lopen en mensen van hun ernstige kwalen te zien worden genezen. Ook in complottheorieën zag ik Jezus al eens opduiken. Er zijn kennelijk mensen die in hem de spirituele leider zien, het lichtend voorbeeld voor de vorming van een duizendjarig rijk. Dat kan ze nog weleens knap tegenvallen. Het zijn geen Romeinen waar die halve zolen tegen knokken, maar de ware christen laat zich zijn Jezus vast niet makkelijk afpakken.

Toen ik het velletje gelezen had, gooide ik het weg. Het is mij een raadsel dat er zoveel mensen achter iemand aanlopen die in de tijd dat hij leefde waarschijnlijk een moedige vrijheidsstrijder was. Mogelijk was hij om meerdere zaken een heel bijzonder mens en was hij charismatisch en zeer intelligent. Dat wil ik graag geloven. Maar daar moeten er de afgelopen tweeduizend jaar meer van zijn geweest en die werden niet uitgeroepen tot de zoon van God. Dat is nogal wat! ‘Jozef was gewoon de vader van een joods jongetje’, schrijft José Saramago in Het evangelie volgens Jezus Christus. Daar kwam geen god aan te pas. Maar Saramago kwam met deze aardse constatering ernstig in de problemen. Temeer hij van Jezus een gewone jongen maakte die ten leste met een meisje de liefde bedreef aan de oevers van dat meer waarop die arme vissers zwoegden. Vader Jozef had het intussen druk in zijn timmerwerkplaats. Hij had graag gezien dat Jezus hem kwam helpen en later het bedrijf zou voortzetten. Maar die liep zijn tijd te verlummelen en verlangde stellig geen baan van 8.00 tot 18.00 uur. Ik zal dat boek van Saramago weer eens gaan lezen, want de wereld is er sinds het verschijnen ervan in 1993 niet beter op geworden. En er is sindsdien minstens een ark vol would-be Jezussen bij gekomen waarvan niemand precies weet wat ze van plan zijn. Een beetje gelovige raakt er helemaal van in de war. Misschien is het daarom niet eens zo gek om die ouwe Jezus, die van Nazareth, maar aan te houden. Dan weet je tenminste wat je hebt. Maar a.u.b. wél de milde versie aanhouden. Dus geen gehocuspocus met onverklaarbare wonderen enzo…

31.7 22 Kleren maakten de mens Misschien wel de beste vinding van de vroege mens is dat ze zich op zeker moment is gaan omhullen met in eerste instantie iets van bladen en huiden, langzamerhand bewerkt tot wat men veel later kleding is gaan noemen. De mens in zijn nakie is niet het schoonste exempel in het rijk der zoogdieren, maar of dat de reden geweest is zich te gaan verpakken, blijft gissen. Om deze afwijking te verklaren heeft iemand de tuin van Eden, het vrolijke koppel Adam & Eva, een slang en het nut van vijgenbladen bedacht. Zo was daar meteen de oplossing om de verlegenheid jegens elkaars naaktheid proper op te heffen. Naarmate de tijd voortschreed bleek de mens steeds meer in staat alles naar zijn en vooral haar hand te zetten. Elk rimpeltje, elk haartje en elk storend grammetje kon langzamerhand worden weggemoffeld en zo werd de mens voor wat betreft de buitenkant ongeveer zoals hij of zij wilde zijn. Kortom: de maakbare mens.

Ik moest hieraan denken nadat we vanmiddag van de stad Groningen naar huis reden en nabij Foxhol een groepje mensen zag lopen. Het regende en het waaide op dat moment en het was koud voor de tijd van het jaar. Mogelijk stonden die mensen ergens in de buurt op een camping en waren ze onderweg naar een café om bij een goed glas wat op temperatuur te komen. Ze droegen korte broeken, want wie had nou gerekend op zulk kloteweer, en zelf gefabriceerde poncho’s die opwaaiden en tatoeëringen op armen en benen lieten zien. Ze keerden zich om naar ons, maar ik kon ze onmogelijk meenemen. Ik reed ze langzaam voorbij. Mijn vrouw had kort ervoor nog gezegd dat ze het koud had en toen ze dat groepje zag lopen helemaal de bibbers kreeg. Ik zei dat we over een halfuurtje thuis zouden zijn, dat ik het straalkacheltje aan zou doen en een pot thee zou maken. Ik had het juist helemaal niet koud en eenmaal thuis trok ik mijn sokken uit en liep blootvoets tot zelfs op de cementen vloer van de schuur. Van kouwe voeten heb ik nooit veel last. Maar het gekke is dat ik wél kouwe benen krijg. Ook als ik een lange broek en dikke sokken aan heb. Dat heeft te maken met die rotkanker die ik heb gehad. De arts die mij hielp en mijn poortwachtersklieren weghaalde, zei dat ik van geluk mocht spreken dat niet mijn lymfeklieren waren aangetast en moesten worden verwijderd, want dan was de kans groot dat ik problemen met een goede doorbloeding zou krijgen en daardoor last van kouwe benen en om dat te voorkomen zou ik het beste steunkousen kunnen gaan dragen. Geen denken aan, dacht ik toen. Hoe het ook zij, met of zonder poortwachtersklieren, ik heb sneller dan voor die kanker toesloeg last van kouwe bovenbenen en knieën. Als het weer omslaat en kou in de lucht hangt trek ik daarom een legging aan. Dat was vanmiddag dus bijna al het geval en het is nog niet eens augustus. Raar blijft het. Heel verstandig dat de mens zich duizenden jaren geleden is gaan inpakken. Dat hij het niet zoals die andere apen op zijn beloop liet en nu op een kluitje weg zou creperen.

31.7.22 Lastige keuze In het radioprogramma ‘Vroege vogels’ hoorde ik zijdelings een item over gierzwaluwen. Wonderlijke vogels die zelfs tijdens het vliegen kunnen slapen. De wetenschap staat nog steeds voor een raadsel. Voor een deel overwinteren ze in een oerbos in Midden-Afrika, maar dat is onlangs aangekocht door een oliemaatschappij en nu wordt daar dus geboord en heerst er onrust. Niets voor de gierzwaluw en dus zal hij een andere plek moeten zoeken of uit sterven. Zo gaat dat met bijna alle dieren. Midden-Afrika, Kongo, zo’n 50 keer zo groot als Nederland. Op mijn landkaart staat: Democratische Republiek Kongo. Maar er is weinig democratie in Kongo, dat ook nog een tijdje Zaïre heette en daar voor Belgisch Kongo. Een land van grote tegenstellingen, van geweld en onderdrukking. Omdat in Kongo enorm veel delfstoffen worden gevonden, waarbij vooral koper en kobalt eruit springen, is er altijd veel belangstelling geweest dit gebied. Terwijl ik dit aanhoor, begint mijn geweten lichtelijk op te spelen, want juist deze laatste twee zijn essentieel voor al die batterijen en apparatuur waar onze windmolens, auto’s, fietsen, telefoontjes, computers enzovoort het van moeten hebben. Dat hier veel kinderarbeid en moderne slavernij aan te pas komt zal fabrikanten een worst zijn. Er is heden ten dage bijna niemand die op enigerlei wijze niet aan deze handel meedoet. Wij dus ook. Kort geleden immers hebben wij een nieuwe grasmaaier gekocht. Ik kon onze oude maaier steeds moeilijker aan de praat krijgen. Na heel lang getrek sloeg de motor aan en bij de laatste keer was ik volkomen uitgeput. Reparatie was wel een optie, maar het probleem zou onherroepelijk terugkeren. Zo kon het niet langer en dus gingen we op zoek naar een nieuwe. Bij de grasmaaierdealer kregen wij te horen dat de benzinemotormaaier zijn langste tijd had gehad en er op den duur helemaal uit zal gaan en om plaats te maken voor de batterijmaaier. Hij deed voor hoe het werkt. Fluitje van een cent. De kwestie was alleen; de batterijen. Daar had ik toch wel moeite mee. Maar vanwege het royale gebruik van de smartphone door mijn vrouw en mijn dagelijkse gebruik van de laptop, zitten we natuurlijk al tot onze oksels in de shit. Want dat ís het. Die batterijen stoten zogenaamd geen CO2 uit, maar we vergeten dat de fabricage ervan en het constante opladen een vermogen aan energie kost en dat we hiervoor uiteindelijk weer meer fossiele brandstoffen gebruiken, waar we juist van af willen. Want alleen met wind- en zonne-energie redden we het niet. Kortom: een alles verwoestende neerwaartse spiraal.

Door dat onderwerp over die gierzwaluwen zonk ik figuurlijk weer eens in het diepe. Ik liep naar beneden en bleef op de onderste trede staan. Vandaar heb je een prachtig zicht op de cementkuip vlak onder het raam. Die hebben we er een paar jaar geleden neergezet. Het bevat enige gele lissen, die lijken het ieder jaar beter te doen. Ik vul de kuip regelmatig tot de rand bij met water uit de regenton. Er badderen regelmatig vogels in. Nu ook. Twee merels knokten om een badderplek tussen het groen, drie jonge koolmezen balanceerden aan de stengels van de planten en een jonge pimpelmees zat op een blad zijn wasbeurt af te wachten. Ik kan hier bij wijze van spreken uren naar kijken. Ons eigen paradijsje. Ik had met moeite het gazon gemaaid en ondervond dat onze oude benzinemaaier het lange gras beter aankon dan onze nieuwe maaier. Daaruit mag ik concluderen dat het nog aanmodderen is met die batterijen. Maar vanwege de bloemen, de insecten en de vlinders laten wij het gras lang staan, eigenlijk te lang dus. Enfin, we moeten het er maar mee doen. Daarenboven, aan een benzinemotor kleven ook allerlei narigheden. De benzine alleen al. Ik had voor een nieuwe zeis kunnen kiezen of voor een schaap. Of het helemaal aan de natuur kunnen overlaten. Het blijft hoe dan ook een lastige keuze.

27.7.22 Post uit Spamland Sinds wij, bewoners van de hele aardbol, met elkaar verbonden zijn met onzichtbare draden en elkaar daardoor in een zucht en een vloek kunnen bereiken, zijn er naast de ontelbaar goed bedoelenden, óók mensen die hebben ontdekt hoe makkelijk het is via dit systeem de boel te belazeren. Men kan dat ook bedriegerij of zwendel noemen. Merkt het computer-veiligheidssysteem dat er iets met een bepaald bericht niet in orde is, dan weigert het het bericht door te geven naar het reguliere postvak en plaatst het in het vakje ‘spam’ en van daaruit kan de gebruiker van de computer al of niet beslissen of hij/zij het bericht wil inzien. Zo ontving ik op 30 juni j.l. een bericht dat ik u niet wil onthouden. Mogelijk ter vermaak of ter lering, zie maar. Ik zal het niet integraal weergeven, maar vertaald en alleen de grote lijnen ervan. Het vangt aan met een zekere mevrouw Sophia Oliver van het Foreign Remittance Department (kantoor voor overboekingen naar buitenlandse rekeningen) die schrijft dat zekere William Kenneth, wonende te Los Angeles (USA) haar een email heeft gestuurd waarin hij melding maakt van mijn dood (!) Dat is even schrikken, want ik ben mij dit zelf niet bewust en weiger hier -althans voorlopig- in mee te gaan. Vervolgens zegt deze meneer dat hij mijn zakencompagnon is, ja zelfs een naaste bloedverwant en dat ik hem uitgekozen heb om mijn bezittingen te erven en voorts dat hij de 2,5 miljoen dollar die ik uitgekeerd krijg van een covid-19-fonds (?) opeist en hij verzoekt mevrouw Sophia Oliver dat de betaling op zijn personal account gestort kan worden. Wat hij er daarna mee doet staat er niet bij, maar ik ga er vanuit dat hij het mij tot de laatste dollarcent gaat uitbetalen. Of moet ik het zelf van de City Bank in Century Park, East Los Angeles ophalen? En nu vraagt mevrouw Sophia Oliver of ik dit even wil bevestigen, want William Kenneth is nogal happig zegt ze, want stel zegt-i, dat het geld bij de verkeerde persoon terecht komen. Ja, dat zou wat zijn! Overigens logisch deze haast, want de spamtijd is maar dertig dagen, dan moet het wel geregeld zijn! Maar als mij 2,5 miljoen Amerikaanse dollars wordt beloofd, dan zal ik ze hebben ook. Wij Hollanders hebben in deze een naam hoog te houden. Al zal ik ook met de Titanic III de oversteek moeten maken. Hij heeft de nodige onkosten (charges) geweigerd te betalen, dat zegt dat er toch wel iets te halen valt. En nu komt het mooiste. In de woorden van mevrouw Sophia Oliver: Mocht het zijn dat u niét gestorven bent aan het coronavirus en ondanks deze vereiste tóch uw toestemming aan William Kenneth heeft gegeven het geld op te vragen, wilt u dan zo vriendelijk zijn alle informatie hieromtrent aan ons toe te sturen, zodat wij het vrijgeven van het geld kunnen starten (???). We verwachten zeer snelle respons van u (reden: zie boven). Vriendelijke groet, Sophia Oliver, Foreign Remittance Department. B.O.A. Einde mail.

Ja, wat moet ik hier nu mee? Het is natuurlijk een creatieve manier om aan geld te komen. Indien niet laakbaar is iedereen hier vrij in. Maar dit rammelt aan alle kanten. Ten eerste ben ik niet dood (nog niet tenminste). In het geval dat ik dit wél zou zijn, zou ik moeilijk toestemming kunnen geven om welk bedrag ook maar op te eisen. Ik vind dat zowel mr. William Kenneth als mrs. Sophia Oliver hier te makkelijk aan voorbij gaan. Ten tweede heb ik voor zover ik weet geen familie in Amerika en dus kan er geen sprake zijn van een next of kin, zoals William Kenneth beweert. Zou ik wél een nauwe bloedverwant in Amerika hebben, dan zou ik hem/haar eerder dan William Kenneth vragen deze zaak voor mij te regelen. Het is zo te lezen een kwestie van een handtekening en klaar is case. William Kenneth is mij te eager, lees: te glad,te hebberig, te gretig en te inhalig. Zulke mensen moet je op afstand houden, het liefst heel ver weg. Amerika is wat dat betreft haast nog te dichtbij. Ten derde heb ik mij niet verzekerd voor het geval corona mij de asem zou benemen. Afgezien van de nodige vaccinaties heb ik mij overgegeven aan de grillen van de Natuur. Het is link, ik weet het, maar wat moet een dood mens met twee-en-half-miljoen als hij het niet meer uit kan geven. In de mail wordt niet gevraagd naar een next of kin aan déze kant van de Oceaan. Dat zou een stuk makkelijker zijn. Tenslotte: áls corona mij had omgelegd, dan zou niemand deze mail onder ogen krijgen en zou er dus in het geheel geen sprake kunnen zijn van een uitbetaling. Nee, dit riekt toch wel heel erg naar een poging tot beentje lichterij. Ik vermoed dat mevrouw Sophia Oliver en William Kenneth in geval ik hier in zou tuinen, royaal zouden kunnen flaneren en dineren in een van de vele restaurants die Los Angeles rijk is. Het blijkt maar weer dat de cyberwereld een gevaarlijk wespennest is en dat men berichten die men niet vertrouwt als de donder moet wissen. Dat ga ik dan nu ook doen. Overigens is dat niet echt nodig, want spamberichten blijven zoals gezegd maar 30 dagen staan en dit was dus al op het randje. Ik ben benieuwd of ik nog een reminder krijg. Het gaat tenslotte niet om een muggenstrontje. Voor nu adieu Sophia Oliver en William Kenneth, als jullie tenminste onder deze namen bestaan of als jullie überhaupt bestaan. Ik voor jullie in ieder geval liever niet meer. Ik ben ongeregistreerd van de aardbol verdwenen. Dat is dan weer het aardige van die onzichtbare draadjes: floep … en weg ben je uit Spamland.

23.7.22 Cijfers en letters Ik was vastgelopen in de codekraker. Ik had de gegeven letters ingevuld en nu werd het zaak een lang woord voor elkaar te krijgen, want dan heb je meteen een aantal letters die je over de hele puzzel in kunt vullen. Dan komt er schot in. Ik mag het graag doen, puzzelen, het liefst ’s avonds. Een vorm van milde hersenmarteling voor het slapen gaan. Om op gang te komen moest ik dat woord van 10 letters verticaal ingevuld hebben, dan kon ik verder. De letters O en N waren gegeven. Ik had ON- -N- – – – -. Terwijl ik zat te peinzen, landde er een vogel op de tuintafel, vlakbij de oude steelpan die als waterbak dienst doet. Het was een grauwgrijze vogel. Doordat het al licht schemerde kon ik niet zien wat voor vogel het was. Het was in ieder geval te groot voor een mus en nogal klein voor een vrouwtjesmerel. Voorzichtig stond ik op en liep langzaam van de veranda naar de tuin en hield halt achter de linde. Daar bleef ik bewegingloos staan. De vogel stond op de rand van de pan, niet van plan water te drinken of te poedelen. Ik had het vermoeden dat hij mij ook in het oog hield. De afstand was net te groot om de vogel goed te kunnen zien. Had ik mijn verrekijker maar. En op dat moment moest ik denken aan Ter Apel. Aan het opvangcentrum voor vluchtelingen, waar het nu zo’n enorme choas is en waar ze in de open lucht moeten slapen en bijna geen eten hebben. Daar had ik net een lang artikel over gelezen. Terwijl ik gebiologeerd naar die vogel keek, zag ik de ellende voor me. Beelden van het Journaal, foto’s uit de krant. Maar ook beelden van mensen die met hun auto op weg zijn naar hun vakantieplek in Frankrijk of Italië en ergens halverwege gestrand omdat er geen oplaadpalen zijn. ‘Drama’, zei een man, staande naast zijn BMW van anderhalve ton. Blijf dan thuis klojo!, riep ik bijna tegen het scherm. En dan zag ik weer die stakkers in Ter Apel. Hoe kan het dat een land dat tot de rijksten van de Aarde wordt gerekend, dít probleem niet op kan lossen? Bijna geen enkele gemeente is bereid ruimte te scheppen voor deze vluchtelingen. Schandelijk! En we hebben ze zo hard nodig, want overal stokt de economie, omdat we geen mensen hebben om de vacatures op te vullen. Poetin bombardeerde Odessa en het graan uit Oekraïne kan niet weg. Was op hetzelfde Journaal. Hongersnood dreigt met het gevolg dat nog meer mensen op drift raken. Dat is ook het doel van Poetin; chaos creëren. Daardoor zullen er nóg meer mensen aan onze poorten rammelen en zullen er nóg meer Terapels ontstaan. Doe er in godsnaam wat aan! Haal al die bewindslieden die er over gaan van hun vakantieplek en laat ze zorgen dat het geregeld wordt. Intussen stond de vogel nog steeds stokstijf bij de steelpan. Welzeker van kwaad bewust, maar niet dreigend genoeg. Are birds free from the chains of the skyways? zong Bob Dylan in zijn vroege tijd. Dat wijsje drong zich plotseling bij mij op en schoof voor even de doem van de grote wereldbrand weg. Zo had ik enige tijd staan mijmeren, toen mijn vrouw mijn naam riep. Ze stond op het punt naar bed te gaan. ‘Ik ben hier’ fluisterriep ik terug. ‘Waar?’ zei ze. Ze kwam naar buiten en zei ‘Waar kijk je naar?’ ‘Naar een vogel’, zei ik nauwelijks hoorbaar voor haar. Ik vermoedde dat de vogel nu wel weg zou vliegen, maar dat deed het niet. Ik wees haar de vogel. ‘Maar die is verhongerd, die kan niet meer vliegen’, zei ze en ze liep meteen naar binnen om wat voer te halen. Mijn fluisterschreeuw ‘Nee, niet doen, er is niets aan de hand met die vogel, dan vliegt-ie juist weg!’, haalde niets uit. Als wij in Ter Apel zouden wonen zou ze elke dag met water en brood bij het hek van het aanmeldcentrum staan. Ik weet het zeker. Ik liep gauw naar binnen om mijn verrekijker te halen en stelde het in. Ik zag meteen wat het was: een lijster. Die zie ik hier weinig de laatste jaren. Ik kon wel jubelen. Maar toen mijn vrouw -weliswaar voorzichtig- met een bakje vogelvoer naar de bank liep, vloog de vogel verschrikt op. ‘Nou ja, hij kan tenminste vliegen’, zei ze opgelucht. Dat was waar. Ze ging naar binnen en naar bed. Ik liep terug naar de veranda, keek nog even naar de codekraker en opeens -als in een brainwave- zag ik het. ON- – N- – – – – werd ONMENSELIJK. Het klopte precies. En -horizontaal- kon de letter IJ deel worden van …. LIJSTER. Het was bijna niet te geloven en toch was het zo. Het zou ook BIJSTER kunnen worden of WIJSTER, maar plaatsnamen mogen niet. Ik nam mijn spullen op om naar binnen te gaan. Het was doodstil. Ik zou met plezier een beetje rust en stilte willen afstaan aan al die stakkers die verdoofd zijn door verwoestende explosies en wachten op betere tijden. Zou, ja…

21.7.22 Uiterste verkoopdatum De doordeweekse kranten zijn minder aan mij besteed dan de weekendedities. Er gebeurt in de wereld op de dinsdag natuurlijk evenveel als op de vrijdag, want noodlot heeft geen weet van een kalender, maar toch zal ik eerder de deur uitgaan voor de krant van zaterdag dan die van woensdag. Die zaterdagedities hebben de omvang van een tijdschrift en beslaan twee dagen. Een krant is in essentie een artikel dat niet onderdoet voor een van de duizenden artikelen waarmee een doorsnee supermarkt is gevuld. Meestal liggen ze hier voor in de winkel, bij de rokerswaren en de posterijen, want zover is het met het dagelijkse nieuws op papier gekomen: even vluchtig als rook en inwisselbaar als kleding die men vanuit hier retourneert. Nu juich ik het enorm toe dat met name voedsel dat snel bederft wanneer de uiterste verkoopdatum naderbij komt voor een schappelijke prijs ter consumptie wordt aangeboden. Anders gaat het naar de vuilstort. Ik maak er ook regelmatig gebruik van, omdat ik van mijn grootouders en ouders geleerd heb dat het oudste exemplaar eerst op moet en dan pas het jongste. Dat het daarbij ook financieel nog iets oplevert is aardig. Soms besteed ik dat voordeeltje aan een krant. Dat had ik vanmorgen ook in gedachten. Mijn vrouw hevelde de boodschappen over van het karretje op de band in de supermarkt waar wij wekelijks komen. Ik hield mij ondertussen ledig met rondkijken. Mijn blik viel op een stapeltje kranten dat op de hoek van de balie van de voorgenoemde rookwaren- en posterijenhoek lag. Aangezien ik de meest recente nummers in het rek al had bekeken en uitgaande van de koppen geen reden zag eentje te kopen, bladerde ik even door het stapeltje van gisteren. Die kranten zouden naar de versnipperaar. Dat kan ik moeilijk verdragen. Het is weliswaar geen krop sla of bundeltje schorseneren, maar voor mij hebben ze evenveel waarde als de nieuwste edities. Het meisje van de rookwarenbalie was bezig, zag mij niet en daarom bladerde ik even door het stapeltje. Voorop de NRC las ik in een van de verwijsblokjes: Insecten lijken ook pijn te voelen en meteen wilde ik hier meer over weten. Dus trok ik de krant uit het stapeltje en legde het op de balie. Ik zei dat ik het uit het stapeltje had getrokken en dat ik zo brutaal was. Het meisje keek me verbaast aan. ‘Die kranten zijn van gisteren’, zei ze. ‘Dat weet ik’, zei ik, ‘maar ik wil deze graag kopen en niet die van vandaag’. ‘Oh’ zei ze en fronste haar wenkbrauwen. Ik begreep hieruit dat dit een probleem was waar zij even geen raad mee wist. ‘Dat moet ik wel even vragen of dat wel kan, want deze kranten zijn al afgeschreven’, zei ze en ze repte zich met het lijdend voorwerp naar het kantoortje en bleef een tijdje weg. Intussen was mijn vrouw bijna aan de beurt de boodschappen weer in het karretje te laden. Het meisje kwam terug en zei: ‘Eigenlijk mag ik dit niet doen, maar ik heb de lijst eventjes aangepast’. Ik bedankte haar, betaalde en hielp mijn vrouw met de boodschappen. Toch raar, dacht ik thuis. Waarom prijzen ze kranten zo tegen het eind van de middag eigenlijk niet af? Vanaf 17.00 uur 25%, vanaf 18,00 uur 50% korting, zoiets. Men zou zelfs zo ver kunnen gaan de kranten van de dag ervoor in een speciaal vak onderin de krantenrek te leggen en voor een schappelijk prijsje aan te bieden. Drie titels voor de prijs van één, zoiets. Waarom gebeurt dat wél met tijdschriften als Party, Privé en Weekend, terwijl deze bladen toch van elk nieuwsnut verstoken zijn? Een goede krant heeft in mijn optiek niet echt een uiterste verkoopdatum. Neem het artikel waarvoor ik het aanschafte. Over de insecten. Dat zou door veel meer mensen moeten worden gelezen. Niet dat dat de algehele afkeer voor steekvliegen zal verminderen, maar men zal ze met iets meer empathie en respect -kuusjkuusj- verjagen. Hopelijk ontdekken de entomologen van dat onderzoek niet dat insecten zich naast het ervaren van fysieke pijn ook psychische pijn kunnen ervaren en ze zich daardoor neerslachtig, boos en zelfs beledigd kunnen voelen. Dan hebben we een groot probleem. Hoe maak je het bijvoorbeeld weer goed met een daasvlieg of een honingbij? Dat zal zelfs een orthodoxe boeddhist boven de pet gaan.

15.7.22 Oude rapporten Meer dan eens krijg ik meestal terloops de vraag hoe het kan dat ik de gave heb om op plezante wijze gebeurtenissen uit het verleden of het heden aan het papier toe te vertrouwen. Mijn antwoord is meestal kort en nogal teleurstellend: Ik weet het niet. En dat is ook zo. Men vraagt dan of ik reeds op de lagere school over een aardige pen beschikte en wederom is mijn antwoord bedroevend: Nee, geenzins. Om aan deze onduidelijkheid een eind te maken, heb ik mijn rapporten van de lagere school en de volgende opleidingen opgezocht en zal ik voor één keer inzicht geven in het gebrek aan het opnemen van kennis. Zoals u weet is dat van levensbelang. Ik ben schoolgegaan te Gieterveen van zomer 1957 tot zomer 1964. De school bestond toen ook al uit zes klassen en als u goed telt heb ik er dus zeven jaren over gedaan. Ik heb de vijfde klas namelijk gedoubleerd. Niet omdat ik dat zo’n aardige klas vond óf omdat er in de klas onder mij een meisje zat waar ik hevig verliefd op was en die nu met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid náást mij zou komen te zitten óf omdat ik nogal klein van stuk was en daarom niet te snel naar de mavo of de lts wilde omdat ik teveel op zou vallen…. Neenee, dat was allemaal niet waar. De reden was dat de resultaten van mijn leerprestaties zelfs voor deze school onder de maat waren. Hoger dan een zeven heb ik het nooit gehaald. Pas in dat doublerende jaar heb ik voor Vaderlandse geschiedenis én Aardrijkskunde een 8 gehaald. Meer zat er niet in. In het zesde leerjaar zakte dat trouwens gelukkig weer in tot een zes en respectievelijk een zeven. Je moet het ook niet te gek maken. Ik herinner me dat mijn ouders na een ouderavond thuiskwamen en dat mijn vader mij boos liet weten dat de meester had gezegd dat ik alle vogeltjes zag vliegen. Een schande! Hoewel dit ten koste ging van de leerprestaties, heb ik dit altijd als het hoogst haalbare gezien. Onze meester was aan mijn onoplettendheid zelf debet, want het is juist aan de onderwijzer om een kind middels plezierig lesgeven bij de les te houden. Bovendien waren de klassen voorzien van veel ramen en bevonden zich naast de klassen bloemperken waar altijd vogels kwinkeleerden en daarin had ik veel meer interesse dan in staartdelingen of vermenigvuldigingen. Mijn oude meester is reeds lang gaan hemelen en ik ben niet rancuneus en dus laat ik het erbij, maar daar ligt de kern van mijn jonge falen. Ik zou mij bijzonder fijn hebben gevoeld bij een schoolmeester en natuurvorser als Jac. P. Thijsse. De gemiddelde cijfers van mijn volgende school -de lts te Veendam, waar we minder goed naar buiten konden kijken- waren beduidend hoger. Er staan op dat rapport meerdere achten en zelfs een negen. Ook aardig is dat ik in die drie jaren slechts drie keer te laat ben geweest. Door ziekte verzuimde lessen: 36. De latere mavo laat wéér iets hogere cijfers zien. Al deze gegevens hebben natuurlijk met het schrijven an sich niets te maken, want voor Nederlands kwam ik op de lagere school nooit voorbij een zesje, op de lts een zeven en op de mavo een acht. De laatste had puur te maken met mijn inmiddels gegroeide liefde voor de literatuur. Daar kwam ook de negen voor Engels vandaan. Want toen begon ook het schrijven van verhalen en gedichten een aanvang te nemen. Dat zal niet alleen bij mij zo zijn, maar iedereen die zich bezig houdt met schrijven, is ooit begonnen als lezer en gegrepen door het boek als ding, als voorwerp. Mijn oude meester, die mij bestrafte door te zeggen dat ik alle vogeltjes zag vliegen, heeft kennelijk nooit gezien hoe ik terwijl hij Reis door de nacht voorlas -elke vrijdagmiddag het laatste uur- aan zijn lippen hing. Hij heeft verzwegen dat ik gedurende die jaren bijna alle boeken -minus de meisjesboeken- uit onze boekenkast -96 stuks- heb gelezen. Dáár en nergens anders begint schrijverschap. Door veel te lezen en niet meteen tevreden te zijn. Daardoor leer je te slijpen en de fouten er uit te halen. Na de mavo heb ik nog een tijdje nti-havo gedaan en weer wat later open universiteit ‘leven in letters’. Allebei in vast gelopen. Mijn geliefde schrijvers kwamen er bijna of helemaal niet in voor. Zelfs van Remco Campert vond ik in de lesboeken geen enkel versje. Net zoals de mavo Simon Carmiggelt niet geschikt achtte om op de leeslijst op te nemen. Ik verzette mij hiertegen en nam het juist mee in mijn spreekbeurt en kreeg een hoog cijfer. En dat is misschien wel het laatste wat ik ingeval kan zeggen: wees altijd jezelf. Schrijf vanuit je gevoel en streep alle overbodigheden weg en gebruik zo weinig mogelijk dezelfde woorden. Het synoniemenwoordenboek is misschien wel het belangrijkste naslagwerk voor de schrijver en/of de dichter. Welnu, dat is het zo ongeveer en verder is het een kwestie niet eerder van tafel weg te lopen dan wanneer het werk er op zit. Wat mij betreft is dat nu.

8.7.22 Mestcellen Het menselijk lichaam zit bijzonder gecompliceerd in elkaar. Zó gecompliceerd, dat dit woord welhaast niet volstaat om het goed aan te geven. Ik ben aan het googlen geweest om er achter te komen wat angio-oedeem is en toen schoot mij deze wijsheid te binnen. Even terug in de geschiedenis. Op 19 augustus 2020 maakte ik in mijn dagaantekeningen voor het eerst melding van een dikke lip en wang. Die had ik toen ik om vijf uur wakker werd. Ik vermoedde dat ik door een insect was gestoken en dat het daardoor opgezwollen was. Geen paniek. Maar de zwelling zakte pas in de loop van de dag af en dat was apart. In die dagen had ik ook erge last van mijn onderbuik en mijn huisarts verwees me door naar het UMCG voor een echologisch onderzoek. Mogelijk had ik last van niergruis, zei de echoloog, en zou ik het wel uitpiesen. Mooi. Maar dat opzwellen van mijn lip of lippen of wang en later ook handen ging gewoon door. Waar kwam dat nu ineens vandaan. Verhaal kort: De afgelopen bijna twee jaren heb ik voortdurend last van opzwellingen. Soms heel erg. Vorig jaar juli is daarom een aanvraag de deur uitgegaan voor een allergologisch onderzoek in het UMCG. ‘Hou er rekening mee dat de wachttijd lang is, ongeveer 6 tot 8 maanden’, zei meneer Faber, dermatoloog van het Wilhelmina Ziekenhuis te Assen, die niet goed wist hoe hij ermee aan moest. Tegen april dit jaar -er waren inmiddels ruim 8 maanden verstreken- werd ik toch wel ongerust en mijn vrouw belde naar het UMCG. Daar wisten ze niets van de aanvraag van dokter Faber. Telefoontje naar Willemien liet er geen misverstand over bestaan dat de doorverwijzing naar het UMCG zeer zeker de deur uit was gegaan. Mooie boel. Het UMCG zei dat ik de aanvraag maar opnieuw moest doen en dan achteraan sluiten. Weer 6 tot 8 maanden in de wacht. Dat zou dus niet eerder dan kerst worden. Omdat mijn vrouw van iedere opzwelling een foto maakte, kon ze die laten zien aan de huisartsen. Die schrokken zich een hoedje. Huisartsen ja. Want omdat onze huisartsenpost wel iets weg heeft van moderne duiventil, heb ik bij ieder consult een andere dokter en een van hen wist gelukkig een snellere manier om bij een allergoloog terecht te komen, namelijk de DC-kliniek te Groningen. ‘Die werken nauw samen met het UMCG en je bent er binnen een paar weken aan de beurt’. Dat bood perspectief. Tenminste als ze ons goeie telefoonnummer hadden. Dat hadden ze niet. Toen ik na een maand toch maar eens belde, bleken ze onze oude, niet meer bestaande telefoonnummer, te hebben. Al tien keer doorgegeven aan onze huisartsenpost, maar het oude nummer bleek nog steeds in hun bestand te staan. Tering!! ‘Ik heb u al meerdere keren proberen te bereiken, maar dat lukte niet’, zei een hele aardige mevrouw met een licht Indische tongval. Nu ik zelf belde, kon ze mij meteen inplannen. Die afspraak had ik gisteren. Mijn vrouw liet andermaal de fotogalerie passeren en wederom was er lichte ontzetting. Vooral de opzwellingen van jongstleden april waren schocking. De jonge allergologe in opleiding wist echter meteen bij welke ziekte deze verschijnselen hoorden: angio-oedeem. Het kreeg opeens een naam! Ik zou dus niet zoals eerder bij de door bloemen veroorzaakte allergie-uitbraak ettelijke keren naar het ziekenhuis hoeven en allerlei testen ondergaan om er achter te komen wat het was. Ze liet me foto’s op haar scherm zien met dezelfde soort opzwellingen op gezicht en handen die ik had. Het plaatje was rond. Waar het vandaan kwam kon ze zo een-twee-drie niet zeggen, maar mogelijk had het te maken met een stofje dat in het middel desloratadine zit. En dat was juist het medicijn dat dermatoloog dokter Faber mij had voorgeschreven. ‘Twee keer twee pilletjes per dag’, was zijn voorstel. De apotheekster van het Wilhelmina Ziekenhuis belde hem om te zeggen dat 3 pilletjes per dag het maximum was. Dat mocht ook wel, zei hij terug. Die dosis gebruikte ik ongeveer een jaar lang. Nu bleek dus dat dit middel de opzwellingen mogelijk versterkten. ‘Meteen mee stoppen’, zei de jonge allergologe. In plaats hiervan kreeg ik levocetirize. Bijna opgelucht verlieten we Groningen. Het allergrootste geluk is dat ik er niets voor hoef te laten staan en dat Rossi en de poezen de deur niet uit hoeven. Want dat zou een drama hebben opgeleverd.

Wat mij het meest intrigeerde was de opmerking van de allergologe, dat de oorzaak van deze ziekte gelegen is in de mestcellen. Mestcellen? Huh? Die maken deel uit van het immuunstelsel en die kunnen onder andere getriggerd worden door een insectensteek. Dat woord mest zat me dwars. Is naast de uitstoot van stikstof óók de schadelijkheid van mest tot in de kleinste cellen van mijn lichaam doorgedrongen? Is mijn ziekte hierdoor te relateren aan de uitwassen van onze niet te stoppen nooit-genoeg maatschappij? Zou best kunnen. Toevallig was vanavond op het Journaal dat in het vlees van koeien en melk sporen van plastic zijn gevonden, dus waarom dan niet in onze bloedlichaampjes? Niettemin voelde ik mij ineens enorm smerig en nam meteen bij thuiskomst een doucheje en haalde ook de boerenzakdoek binnen. Ik had het er even helemaal mee gehad. ‘Het kan enkele maanden duren voordat de laatste sporen van de desloratadine uit uw lichaam zijn verdwenen’, zei de allergologe. Even snel afspoelen was dus geen optie. Nou ja, ’t is niet anders. Maar met de kennis van nu kijk ik toch een stuk opgeluchter naar de toekomst. Het verbaast mij echter dat niemand van die artsen en dermatologen het hebben gezocht in de mestcellen en angio-oedeem als mogelijkheid niet noemden, terwijl dat woord op sommige bijschriften zelfs staat vermeld. Die jonge DC-allergologe komt er mijns inziens wel.

5.7.22 Boer en bont Voor het eerst in mijn leven (pin mij er niet op vast, want het menselijk geheugen is niet feilloos) protesteer ik middels een katoentje in de vorm van een vlag. Vanmorgen zagen we onderweg naar Vries aan aardig wat huizen de Nederlandse driekleur hangen. Niet in een getale die we gewend zijn als onze koning verjaard en ook niet zo fier moet ik zeggen. De kwestie is dat protesterende boeren en sympathiserende burgers tegen het van regeringswege voorgestelde krimpbeleid, onze vlag tot krijgsbanier hebben verheven, met dien verstande dat de kleuren rood-wit-blauw in omgekeerde volgorde hangen. De gedachte hierachter is dat de demonstranten aan de voorgestelde maatregel om de veestapel te verkleinen schijt hebben en dat ze als protest Nederland op zijn kop willen zetten. Ik ben het in bepaalde opzicht wel met hun eens, hoewel door allerlei onderzoeken is komen vast te staan dat de land- en tuinbouw en vooral de veeteelt verreweg de meeste stikstof uitstoot. Dat neemt niet weg dat alle andere sectoren die ook stikstof uitstoten óók zouden moeten bijdragen aan reducering. En daar wringt hem de schoen. Want Schiphol breidde door de jaren alleen maar verder uit en nu ze iets moeten krimpen en de reden daartoe is omdat ze het niet meer kunnen bolwerken, verlegt de staat een aantal vliegbewegingen naar andere vliegvelden, zodat de uitstoot weliswaar over het hele land verspreid wordt, maar niet vermindert. Dat is natuurlijk de boel belazeren en dat wekt terecht woede op. Wel maken ze het in mijn optiek met hun blokkades erg bont. Verder zou er ook best iets gedaan kunnen worden aan de ongebreidelde feestenkoorts. Ik misgun niemand zijn of haar verzetje, maar het loopt de spuigaten uit als ik zie hoeveel festivals er tegenwoordig zijn. Al die bewegingen kosten enorm veel uitstoot en kom niet aan met ‘ja maar ik heb een elektrische auto’ want de stroom hiervoor zal ook moeten worden opgewekt en dat lijdt weer tot extra uitstoot bij de centrales. We praten onszelf continu schoon. Op het CBS-lijstje van de besteding van het 1e kwartaal van de gemiddelde Nederlander in de Volkskrant van vandaag, stonden horeca, recreatie en cultuur veruit aan de top. Ik pleit voor een gezamenlijke aanpak, maar daar voorziet die ondersteboven hangende vlag niet in. Zou dat wél zo zijn, dan nog zou ik onze driekleur hier niet voor gebruiken. De Nederlandse vlag is toch wel een beetje heilig en die weiger ik op de kop te hangen. Ik stel me zo voor dat museumdirecteuren als reactie op het subsidiebeleid van het Rijk als het zover komt ook hun belangrijkste werken op de kop gaan hangen. De Nachtwacht ondersteboven, De Stier van Potter met de poten in de lucht… enzovoort.

Twee keer per jaar knoop ik mijn vlag aan de vlaggenmast. 1) om de gevallenen van de Tweede Wereldoorlog te gedenken hang ik hem halfstok, en 2) om onze vrijheid te vieren hang ik hem daags na 1 voluit. Kort gezegd; ik heb vanavond een grote rode zakdoek genomen en heb deze met punaises aan een oude bezemsteel (want de vlaggenmast hoort bij het gehele attribuut en is dus ook -hetzij in mindere mate- heilig) bevestigd en dit in de masthouder gestoken (de vlaggenhouder is neutraal in deze kwestie). Mogelijk wijk ik in mijn uiting iets af van de doorsnee protesteerder, maar dat ben ik wel enigszins gewend. In het verleden droeg ik regelmatig T-shirts van onder andere Greenpeace met leuzen waar toen lang niet iedereen van gecharmeerd was. Daar probeer ik zo goed en zo kwaad als het gaat nog steeds naar te leven. Eén van die leuzen was dat we maar 1 aarde tot onze beschikking hebben en dat we daar zuinig mee om moeten gaan. Als we zo doorrazen graven we ons eigen graf én dat van de toekomstige generaties. Ik kijk nog even uit het raam. Ons vlaggetje hangt er mooi bij. Er zal vast en zeker weleens om geglimlacht worden, als de boodschap maar wordt begrepen. Daar gaat het tenslotte om.

4.7.22 Lamento Remco Campert is dood. Ik hoorde het zo-even op de radio. Remco is bijna 93 geworden en was daarmee de laatst levende van de dichtersgroep waartoe hij werd gerekend, namelijk de vijftigers. Van die groep heb ik eentje enkele keren ontmoet: Simon Vinkenoog. Remco niet. Ik heb hem slechts één keer zien en vooral horen optreden. Dat was in de foyer van het Geert Teis Centrum te Stadskanaal. Ik was er met mijn nichtje. Terwijl wij in de restauratieruimte een theetje dronken, kwam Remco binnen sloffen. Zijn jas -type gabardine- half open, beetje gebogen en schuchter. Het is in mijn geheugen geëtst als een personage uit de vele verhalen van Simon Carmiggelt. Hij trad die avond afwisselend op met Jan Mulder, die er een hilarisch optreden van maakte. Het was immers bijna zijn geboortegrond. Om en om schreven ze voor de Volkskrant de column Camu. Het optreden van Remco was daarentegen bijna ingetogen. Hij deed zijn bekende column Tot zoens en nog een paar tranentrekkers. Daarna deed hij nog wat gedichten waarvan ik Lamento nog goed herinner. Dat lange, hakkelende gedicht, dat ik eens fantastisch door Jan de Clercq hoorde voordragen. Remco was al lange tijd zeer broos en af en toe dacht ik weleens ‘Hoe zal het met Remco Campert zijn?’ Toen ik van zijn dood hoorde had ik er vrede mee. Alsof ik daar ook maar enig stem in had. En meteen daarop dacht ik ‘Welke strofen uit welke gedichten zullen de cultuurminnende kranten morgen in hun necrologieën opnemen? Regels als Poëzie is een daad van bevestiging en Alles zoop en naaide, heel Europa was één grote matras zullen vast en zeker worden genoemd. Of zullen ze het houden op zijn steeds kaler wordende latere versjes? Haïku-achtige regels, net als het leven, tot op het bot ontvleesd. Want Remco Campert was toch zoals hij zelf zei het meest dichter. Maar het leukst vind ik zijn columns, het boekenweekgeschenkboekje Somberman’s actie en zijn novellen. Altijd een beetje tegen de zelfkant van de maatschappij, maar nooit er overheen. Zo zal ik Remco Campert blijven herinneren. En vooral als een schrijver die zich nooit op de voorgrond drong. Ik hoop dat hij gelezen blijft.

3.7.22 Het Roswell incident De maand juli is voor mij onlosmakelijk verbonden met het Roswell incident. Ik moet dit even uitleggen, want het is dubieuze materie en lijdt al gauw tot wenkbrauwoptrekkingen en gegniffel. De kwestie is deze: eind juni en vooral begin juli 1947 werden in New-Mexico, maar ook elders in de Verenigde Staten van Amerika veel zogeheten Unidentified Flying Objects gezien. Dat was een nieuw fenomeen en zou sindsdien een sensatie worden. Voor de één totale onzin, voor de ander een mogelijk antwoord op de vraag in hoeverre wij, mensen, de enige levende wezens in het universum zijn. Ik sta daar ambivalent in. Even een paar berichten uit die tijd. Op donderdag 3 juli 1947 brak er boven het stadje Roswell in New-Mexico een enorm zware onweersbui los. De veeboer William Brazel, die hier zijn farm had, hoorde tijdens die onweersbui een soort van ontploffing. De volgende dag vond hij vlak bij zijn boerderij allerlei wrakstukken. Omdat hij wel zag dat het om vreemd spul ging, sleepte hij de grootste stukken met zijn tractor naar zijn schuur en nam contact op met de nabij gelegen luchtmachtbasis. Die kwamen meteen kijken en kort erop haalden ze alles weg. Wat daarna gebeurde is ijzingwekkende horreur. De boer werd meegenomen naar het politiebureau en werd een aantal dagen vastgehouden, ondervraagd en gehersenspoeld. De Geheime Dienst van Amerika printte hem in dat hij niets anders dan een weerballon had geborgen en dat hij onder geen beding met de pers mocht praten. Omdat meerdere mensen in Roswell en omgeving in die dagen vreemde voorwerpen in de lucht hadden gezien, moest de Geheime Dienst en de Luchtmacht wel met een sluitende verklaring komen. Hiervoor hadden ze een paar gecrashte weerballonnen uitgestald waarmee ze de toegestroomde persmuskieten probeerden gerust te stellen. Er was echter al teveel uitgelekt en het verhaal deed de ronde dat het absoluut niet om een weerballon ging -daarvan hadden ze er in die hoek van Amerika al genoeg gezien- maar dat het om buitenaardse objecten ging. Leest men de boeken die er over zijn verschenen, dan kan het haast niet anders of er heeft hier iets zeer uitzonderlijks plaatsgevonden. Vooral het boek van Charles Berlitz en William Moore laat zich lezen als een pageturner. En nu is het natuurlijk de vraag of we werkelijk kunnen spreken van een ufo, en of we het bestaan van zoiets vaags hard kunnen maken. Er is sindsdien een levendige pseudo-wetenschap ontstaan over dit verschijnsel.

Hoe sta ik daar in? Toen ik voor het eerst in 1973 naar Engeland voer, kocht ik op de terugtocht in de taxfreeshop van mijn laatste ponden enige pockets van 50 p. Let wel, een pond was toen nog ruim acht gulden waard. Ik was al lichtelijk besmet met het Egypte-virus. Dat hield in dat ik graag las over de geschiedenis van de piramides. Over de bouw hiervan deden de wildste theorieën de ronde. Wentelde men zich in deze materie, dan lag de weg open voor de Griekse, de Romeinse, de Assyrische, de Sumerische, de Keltische -enzovoort- wereld. In Nederland was in die dagen het boek Waren de goden kosmonauten van Erich von Däniken erg populair. Eén van de boeken die ik toen kocht beschreef de geschiedenis van Atlantis. Donovan zong er een lyrisch liedje over en behaalde er de hoogste plaats mee van de Veronica top 40. Dat Atlantis was een verdwenen paradijs en dat kwam ook in meerdere van die mysterieboeken voor. Er waren zelfs schrijvers die in Atlantis een soort thuishaven zagen van de eerste lichting buitenaardsen ‘en dat zou weleens duizenden jaren terug kunnen zijn’. Sommige gingen in hun fantasie heel erg ver. Ik ging het koren een beetje van het kaf scheiden. Von Däniken bijvoorbeeld beschouwde ik al meteen als een charlatan, Berlitz werd een twijfelgeval, maar mensen als Allan Hynek en Brad Steiger waren mensen die werkzaam waren bij het Amerikaanse leger of bij de luchtmacht en hadden veel meer inzicht in de feiten. Zij konden veel gerichter onderzoek doen door medewerking van het project Blue Book. Dat was een door de geheime dienst opgezet onderzoeksbureau naar buitenaardse verschijnselen. Hynek en Steiger schrijven over duizenden ongeïdentificeerde meldingen van burgers. Veruit het grootste deel blijkt uiteindelijk verklaarbaar, maar een deel toch ook niet. Dat maakt het interessant. De overheersende vraag blijft natuurlijk: bestaan ufo’s? Albert Einstein en Stephen Hawking -toch niet de domste jongetjes van de klas- achtten de kans reëel. Want waarom zou de Aarde in dat onmetelijke universum de enige plek zijn waar leven kon ontstaan? De vraag is natuurlijk waar die aliens vandaan komen en hoe ze de afstand van hun planeet (?) naar de onze overbruggen. Maar wij kunnen alleen met Aardse natuurwetten meten en wie weet komen we er ooit achter dat er nog andere krachten zijn die wezens die millennia op ons voor lopen allang hebben ontdekt en gebruiken. Hoe dan ook. In Roswell zal denk ik vandaag wel een oploopje zijn om boer William Brazel te gedenken. Het is immers precies 75 jaar geleden en dat dient gememoreerd. Tot zijn dood zweeg hij van overheidswege over wat hij gezien had.

Bij ons begint nu zo’n beetje de jaarmarkt. Ik loop er zo dadelijk even naar toe. Weer met beide benen stevig op de grond. Maar vanavond spied ik zoals gebruikelijk een poosje naar de hemel en zal een handvol sterren zien en er stilletjes het mijne van denken.

25.6.22 Een wonderlijk verhaal Het literair tijdschrift waar ik zo nu en dan in publiceer, droeg onlangs het schrijverscorps op een gedicht of een verhaal te schrijven dat beantwoordt aan de titel van het te verschijnen nummer, namelijk Het verhaal of gedicht dat ik dolgraag had willen schrijven. Ik dacht hier lang over na en kwam er niet uit. Immers, tientallen zo niet honderden verhalen spoken voortdurend door mijn hoofd en om daar eentje uit te kiezen leek me schier ondoenlijk. Ik zou al die andere schrijvers van die verhalen tekort doen. Terwijl ik langs de boekenplanken keek, lispelde ik John Steinbeck, B.Traven, Roald Dahl, Willem Elsschot, Maarten Biesheuvel, John Fante, Guy de Maupassant…. Ik kwam niet tot een besluit en ik legde me even neer op mijn leesbed omdat ik vermoeid was. Plotseling schrok ik doordat er een boek uit een van de schappen met een klap op de vloer belandde. Het was van een sterk doorgezakte plank gegleden. Ik krabbelde overeind en nam het boek ter hand. Het was getiteld Leven en werk van de bijgod. Ik zeg wel boek, maar eigenlijk is het niet meer dan een boekje. Ik heb het ooit gescoord op een rommelmarkt. Het zat in een doos met zo’n twintig andere boeken die ik in zijn geheel kocht. Ik neusde in die doos en trof er een van een opdracht en handtekening voorziene eerste druk van De avonden Simon van het Reve in aan. Ik wist een jubel amper te onderdrukken. Het zou mij in het beste geval een maand huur opleveren. Maar ik liet dit natuurlijk niet merken en wachtte het woord van de verkoper af. Ondertussen bleef ik zogenaamd in die doos snuffelen opdat niet iemand anders deze parel voor mijn neus weg zou kapen. Het duurde even voor de verkoper zijn blik op mij richtte en zei ‘Tientje meneer, voor de hele doos’. Ik wendde voor te twijfelen en zei ‘Zevehalf’. Hij wachtte eventjes en zei met een handzwaai ‘Vooruut maar’. Ik overhandigde hem drie rijksdaalders en maakte mij met mijn aankoop uit de voeten. In die doos vond ik dus dat boekje over het leven van de bijgod. Ik was in die dagen bezig met de LOI-studie Biologie, want ik wenste niets liever dan iets in de dierenwereld te doen of iets met natuur. In de doos trof ik tot mijn verrassing ook nog een beduimeld exemplaar van Darwin’s Ontstaan der soorten, een leerboek waar ik al enige tijd naar op zoek was. Ik was de koning te rijk. Afgaande op de titel van het boekje over de bijgod, dacht ik dat de schrijver ervan naast de bijenkoningin de werkbij of de dar er mee aanduidde. Dat dat woord als grap bedoeld was. Zulke associaties flitsen nu eenmaal voortdurend door mijn hoofd. Doordat ik de andere boeken in de doos veel belangrijker achtte en deels ook meteen las, kwam het ongelezen in een stapel terecht. Maar nu het boekje zich plotseling zo luidruchtig aandiende, kon ik niet anders dan het op zijn minst in te zien en eventueel te lezen. Het titelblad verstrekte mij geen gegevens over de schrijver. Dat is vreemd en komt niet zo vaak voor. Het kan twee redenen hebben: Niemand weet wie de schrijver is of de schrijver ervan wil zich niet bekend maken. Ik kon moeilijk gokken tussen de twee mogelijkheden. Voorts bevat het boekje geen jaartal van uitgave en evenmin de naam van een uitgever. Was het een nadruk van een zogeheten wiegedruk uit de late middeleeuwen of een schotschrift waarvan de schrijver bij onthulling zijn of haar leven niet meer zeker zou zijn of was het niet meer dan een stukje huisvlijt? Ik kwam er zo op het eerste gezicht niet uit en nieuwsgierig geworden begon ik erin te lezen. Spoedig viel het mij op dat het verhaal was geschreven door een manspersoon en dat hij zich tegen zijn zin in een wereld bevindt waar Het Woord een grote betekenis heeft. Het speelt zich af in een klooster of iets wat daarop lijkt. Naarmate ik verder las leek het mij ook niet onmogelijk dat het zich in een gevangenis of in ieder geval in een omgeving waar de hoofdpersoon vastgehouden wordt speelt. De dagen worden gevuld met zwoegen op het land. Des avonds wassen zij zich onder toezicht van enkele van wapens voorziene bewakers in de rivier die als een grens de landerijen afscheidt. Soms gebeurt het dat de verteller stiekem iemand opzoekt in diens slaapstede. Daaruit blijkt dat men een meer dan platonische omgang met elkaar heeft. De verteller noemt echter nooit namen. Hij duidt zijn lotgenoten aan met discipelen, gevolgd door een nummer. Dat doet het vermoeden rijzen dat hij dit deed om hen te beschermen. Evenmin komen er in het verhaal plaatsnamen of landstreken voor. Een langzaam opwellend motief is zijn groeiende afkeer van God, die hij overigens consequent met een kleine letter weergeeft. Het is alsof hij hiermee Zijn naam wil verkleinen, wil minimaliseren en wil wegstoppen in de tekst, zodat het minder opvalt. Aan het eind van het verhaal gaat de verteller helemaal los. Hij verlangt onverschrokken naar de terugkeer van JezusChristus en dan niet de lijdende JC hangend aan het kruis, maar de strijdbare, levende, zogeheten rebel, om de wereld te ontdoen van bigotterie en om orde op zaken te stellen. Er moet, zo schrijft hij, een sturende kracht boven de menschen verrijzen die het bestaan van tirannie en dwingelandij met wortel en tak zal uitroeien en daarna moet er een wereldomvattende leiding komen die geweldloosheid nastreeft en gelijke rechten en vrijheid voor een ieder als basis van het leven hanteert….

Met deze briesende hartewens of excitatie eindigt het boekje. Het deed me denken aan de oerschreeuw op een van de laatste pagina’s van Mijn kleine oorlog van Louis Paul Boon, waarbij hij oproept de mensen te schoppen tot ze een geweten hebben. Mogelijk is de zich bijgod noemende schrijver tijdens het schrijven wel betrapt en heeft een strenge bovenmeester ingegrepen, maar het schotschrift ondanks vermeende heiligschennis toch niet in het vuur gegooid. Dat is dan toch weer opmerkelijk. Mogelijk ook was er helemaal geen sprake van een gevangenis of een klooster, maar van een anarchistische bolwerk , een enclave of iets van dien aard en was het woord JC al voldoende om de schrijver het schrijven te beletten. Ik legde het boekje weg en overwoog of het misschien een idee zou zijn om dit geschrift als mijn bijdrage naar de redactie van het literaire tijdschrift te sturen. Anoniem, dat spreekt voor zich. Het lachte mij toe als een snaakse, ietwat verlate puberstreek. O ja, De avonden leverde mij enige jaren later niet één maar twee maanden huur op. Als die verkoper dát geweten had…..

22.6.22 Water naar de zee… Oppassen geblazen als je het boek over het leven en welzijn van Hendrik Groen leest, dat je niet in eenzelfde ietwat melige schrijfstijl vervalt. Die kans zit er dik in, want de wereld van Henrik Groen beperkt zich niet tot die van Amsterdam-Noord. De geregelde bezoekers van de koffieochtenden van ons dorpshuis zijn als groep weliswaar niet helemaal te vergelijken met de bewonersgroep waar Hendrik Groen over schrijft, maar we hebben wel degelijk raakvlakken. Wij wonen allemaal nog op onszelf, dat is het grootste verschil en daardoor hebben wij ook directer te maken met zaken als water, elektra en gas. Is men bewoner van een zorghuis, dan wordt men daarvan ontlast. Maar de algemeen heersende gedachte -en wens!- is toch om zolang mogelijk zelfstandig te kunnen wonen. Huisje boompje tuintje beestje en vooral het vrij kunnen gaan en staan waar men wil. Het zal Hendrik Groen en de zijnen ook worst zijn hoe het bijvoorbeeld staat met de vervuiling van het wateroppervlak. Dat is iets voor boeren, heeft te maken met koeien, met ammoniak en stikstof en andere uitstoot, lezen ze onaangedaan in hun wakkere ochtendblad. Dat is niet aan hun besteed. Toch wel. Alleen al vanwege het medicijnengebruik van onder andere de mens op leeftijd. Voor een groot deel wordt dat weer uitgescheiden en komt via het rioolwater terecht bij de waterzuiveringsinstallaties, leerde ons de mevrouw die onze maandelijkse koffieochtend-plus invulde. Ze is werkzaam bij het Waterschap Hunze en Aa’ s en legde ons haarfijn uit hoe dat allemaal werkt en waar zoal de problemen liggen. Een groot deel van de vuiligheid is er door middel van bezinking, filtering en met behulp van bacteriën wel uit te krijgen, maar vooral chemische bestanddelen zijn moeilijk te scheiden en juist die vindt je vooral in medicijnen en in chemische drugs. De vraag is dan ook of we niet al aan de bron moeten bepalen wat we wél en wat we níet nodig hebben om onze gezondheid op peil te houden. Met andere woorden; moet de arts niet laten meewegen wat het effect is van het residu van een bepaald middel? Nee, geen beginnen aan, zal hij/zij zeggen. Het zou immers betekenen dat bepaalde middelen op een soort zwarte lijst zouden komen en dat zou weer ten nadele zijn van de patiënten die dat middel hard nodig hebben. Zij zouden hierdoor het slachtoffer worden en wis en waarachtig eerder komen te overlijden. Dat wil je ook niet. Maar moeilijk blijft het, want de waterkwaliteit lijdt eronder en dat gaat iedereen aan. Even afgezien van de 83plusser Hendrik Groen -want die gaat volgens het verhaal nog tamelijk flierefluitend door het leven- gebruikt de ouder wordende mens steeds meer medicijnen om niet alleen zo lang mogelijk op de been te blijven, maar tevens om zo lang mogelijk van alles te kunnen blijven doen. Tot dit pillenslikkende volksleger behoor ik ook. Ik moet zeggen ‘helaas’, want leuk is het niet. Als ik mij jaren geleden tegenover mijn huisarts als een starre medicijnenweigeraar had opgesteld, dan had ik dit zeer beslist niet meer kunnen schrijven. De medische wetenschap en de farmaceutische industrie hebben ons heel ver gebracht, maar ze slaat ook weleens door. Ik gebruik bijvoorbeeld vanwege recente hartproblemen een waslijstje aan middelen om de motor draaiende te houden. Maar voor zowel de bloeddruk als de bloedvaten gebruik ik twee verschillende middelen. Ik heb al enkele keren aan mijn huisarts en de cardioloog gevraagd of dat wel nodig is. Of ik niet mag meebepalen wat ik wél en wat ik níet slik? Gebruik toch maar, was het antwoord. Ik ben niet zo dwars om zelf de keuze te maken enkele van die middelen te laten staan, maar na zo’n ochtendje milieuleer ga je er toch weer wat genuanceerder over denken. Bovendien bestiert menig moderne arts ook een winkel en werkt hij nauw samen met de leverancier. Dat levert soms hele kwalijke uitwassen op. Morgenvroeg moet ik voor een MRI-scan naar het ziekenhuis te Stadskanaal. Ook voor dat onderzoek gebruikt men geheid stoffen die niet bepaald milieuvriendelijk zijn. Ik ga niet zo ver mijn levenskansen af te laten hangen van de mate van vervuiling van het afvalwater door het gebruik van medicijnen, maar ik word wel sceptisch. Naast de restanten van medicijnen, heeft het rioolwater ook ernstig te lijden onder de chemische verbindingen van make-ups, gels, shampoos en zeepjes en juist daarin zou er voor het schoner houden van het water veel te winnen zijn. Het oog wil echter ook wat. Uiteindelijk komt er heel veel landwater via onze rivieren in zee terecht en verwoest flora en besmet vissen met antibacteriële stofjes en microscopische stukjes plastic, waarmee vervolgens zeedieren, vogels en mensen worden geïnfecteerd. Het is geen beeld om vrolijk van te worden. Hendrik Groen hoor ik er niet over. Het is ook pijnlijk en niet goed te bevatten. Een dokter die zich verzet tegen medicijnengebruik vanwege deze vervuiling moet nog worden gevonden. Het zijn twee totaal verschillende werelden die mijns inziens niet goed matchen. Het was in ieder geval een leerzame ochtend of zoals de aanjager tegen de haas zei: ”t Is lood om oud ijzer joh’ en liet het beestje stiekem lopen.

16.6.22 Feest! Vandaag waren we 25 jaar getrouwd. Ik schrijf dit alvast in de voltooid verleden tijd, want het loopt tegen middernacht. Voor veel mensen heet zoiets een heugelijk feit en een mijlpaal en dat betekent feest. ’s Ochtends bij het openen van de gordijnen verschrikken van een zes meter hoge wanstaltige opblaaspop of in ons geval twee poppen in onze voortuin, waardoor de havikskruid en andere wilde bloemen waar we zo van genieten zouden zijn vertrapt, zou ik geen cadeautje willen noemen. Het zal niet slecht bedoeld zijn, maar nee liever niet. In de loop van de dag de daders van de grap + aanhang over de vloer, veel gelach, koffie en gebak, kortom: een en al jolijt. Maar ik ben heel slecht in gezellig-zijn. Dat men het viert is op zich niet onlogisch, want een op de drie huwelijken strandt en haalt de 25 jaren niet. Bij weer andere huwelijken sterft een van de twee leden vroegtijdig en zo redenerend zou je het juist moeten vieren. Maar nee, we taalden er niet naar. Mijn vrouw wist vanmorgen toen ik haar ietwat houterig feliciteerde eventjes niet wat ik bedoelde. ‘O ja, dat is waar ook’, zei ze. Met onze onderlinge verhouding heeft dat weinig te maken, het is enkel en alleen onze weerzin tegen feesten en gedruis in het algemeen. En niet uit financiële overweging, want een beetje feest kan aardig in de papieren lopen. Ook de naweeën -of moet ik het de voorweeën van een nieuw opbloeiende coronagolf noemen?- spelen een rol bij de keuze dat we het liever onder pet hielden. Ik moet toegeven dat ik van ons beiden als het op visites en dergelijke aankomt het meeste dwars lig. Mijn vrouw heeft nog lang nagenoten van ons trouwfeest in de tuin, van de videofilm die zij onderwijl opnam, maar ik was blij dat het achter de rug was en we alles konden opruimen. Ik heb geen enkele affiniteit met die zogeheten gezellige partijtjes en zéker als daarbij stevig gedronken, gevroten en gezongen wordt. Na een uurtje begint mijn hoofd te tollen en wil ik alleen nog maar weg. Naar buiten! Eruit! Ik ben allang door mijn gespreksonderwerpen heen en krijg een lichte afkeer van alles en iedereen en het meest nog van mijzelf. Dat ik het talent ontbeer lekker mee te kunnen kletsen. Maar ik weet dat ik niet zomaar weg kan lopen. Mijn vrouw maant mij voorzichtig nog een uurtje te blijven. Ik houd de klok goed in de gaten. Eenmaal buiten haal ik diep adem. Het aardige is dat zodra we rijden ook zij het bezoek wel lang genoeg vond, maar dat het toch heel gezellig was en zo vinden we elkaar weer terug op weg naar huis. Misschien houden we het daardoor ook wel zolang vol. Home is where the heart is zeggen we niet zelden. Hier vinden we onze weg het beste. Wat meespeelt is onze gezondheid. We zijn allebei tamelijk snel vermoeid en een feestavond of een hele dag aanloop zouden we slecht kunnen verdragen. Tijdens het eten vanavond zei ik: ‘En dan zouden we vanavond opnieuw het huis vol hebben of we zouden onze zilveren bruiloft in het dorpshuis of in een café gaan vieren, stel je eens voor’. ‘En een beetje daftige kleren aan’, zei ze. De geruststelling dat dat allemaal niet hoefde was duimendik van haar gezicht af te lezen. We gaan gewoon verder met de volgende kwarteeuw. Maar zien hoe ver we komen.

14.6.22 Big Yellow Moon Een van mijn wandelmaatjes liet gisteren tijdens de nazit weten dat in de komende nacht de Maan extra groot zou zijn. Ik let daar eerlijk gezegd nooit zo op. Wel kijk ik indien mogelijk, want de Maan laat nogal eens verstek gaan, bij het uitlaten van Rossi zo tegen middernacht even omhoog. Misschien is het ook wel een wat krakkemikkige poging met het Hogere op redelijk voet te leven, want ieder mens gelooft dunkt me toch wel iets en al zou ik door een knipoog naar de sterren een goede nachtrust afdingen, dan zou ik het er al voor doen. Vannacht liep ik dus als gebruikelijk mijn dagsluitinkje langs de straatweg. Er passeerde mij als gewoonlijk één auto. Alsof ik daar bij de dagwende recht op heb. Verder was het doodstil. Ik keek naar boven naar de Maan die als een felle, gele ballon recht boven het huis van de overburen stond. Het viel me op dat hij groot was, maar om nou te zeggen supergroot, zoals de nieuwssite het noemde, dat nou ook weer niet. Ik moest terwijl ik daar zo kuierde en Rossi ruim de gelegenheid gaf zijn plas te doen, ineens denken aan dat mooie gedicht van Hondo Crouch op de dubbellangspeelplaat A man must carry on van Jerry Jeff Walker. Dat gedicht is getiteld Luckenbach Moon en verhaalt over de enorme grote Maan boven dit Texaanse stadje. Toen ik hem dat gedicht voor het eerst hoorde voordragen -heel apart trouwens om een viertal gedichten op een countryrockplaat te horen, maar dit terzijde- dacht ik, wat een onzin. De Maan is overal vanaf de Aarde even groot, behalve wanneer hij op zijn elliptische baan het dichtst bij de Aarde staat. Neemt niet weg dat de Maan mij altijd enorm heeft gefascineerd. Dat komt denk door Kuifje die met kapitein Haddock naar de Maan vloog en ongeschonden terugkeerde. Daar was ik helemaal gek van. Het was natuurlijk fantasie. Net zoals De reis naar de Maan in 28 dagen en 12 uren ook geheel ontsproten is aan het fantastisch brein van Jules Verne. Maar in juli ’69 vlogen de NASA-musketiers Armstrong, Collins en ‘Buzz’-Aldrin toch wel degelijk naar die Big Yellow Moon! De wereldbevolking was met stomheid geslagen. Jaren later echter voerden enige pseudo-wetenschappers aan dat het allemaal fake was. Er had nooit een maanreis plaats gevonden. Het zou een stunt geweest zijn om de Russen een loer te draaien. De Amerikanen konden het niet hebben dat de Russen reeds voor hen in 1961 met een bemande raket rond de wereld waren gevlogen en ze hadden de cineast Stanley Kubrick opdracht gegeven een film te maken die de illusie moest wekken dat de musketiers werkelijk op de Maan waren geland en weer waren opgestegen en naar de Aarde teruggekeerd. Bijna een fluitje van een cent. Dat zou die Spoetnikskys achter het ijzeren gordijn wel tot zwijgen brengen. Er zijn daarna nog een paar maanreizen geweest, maar na ’72 was het gebeurd met de pret. En dat is vreemd, want de eerste vliegpogingen eind 19de/begin20ste eeuw die continu dramatisch afliepen, werden ook niet stilgelegd. Er is net zolang geprobeerd zo’n wrak staketsel van hout en linnen te perfectioneren tot het in de lucht bleef en op zeker moment zelfs over de Atlantische Oceaan vloog. Waarom is dat dan niet gebeurd met die maanreizen? Het zou een enorme domper voor de U S A zijn geweest als inderdaad was uitgekomen dat die reizen op fantasie berustten. Maar het zou natuurlijk de grap van de eeuw zijn. Ik ga er voor het gemak van uit dat ze het wel hebben plaatsgevonden. Kubrick heeft er tot aan zijn dood in 1999 altijd hardnekkig over gezwegen. Olie op het vuur voor de kwaaddenkers. Maar wat is het nut en de zin van zulke peperdure ruimtereizen, als wij niet eens orde op zaken op onze planeet weten te stellen? Daar kom je nooit uit. Nou ja, de Maan was heel mooi vannacht, maar of diezelfde Maan in Luckenbach bij tijd en wijle veel groter is dan bij ons, betwijfel ik. Ik denk dat de dichterlijke vrijheid van Hondo Crouch na die nacht een beetje op hol was geslagen. En als hij dan ook nog zegt dat die Maan zelfs lelijke meisjes aantrekkelijker maakt, weet ik genoeg.

13.6.22 Rockin’ all over the world Op weg naar huis vanmorgen sprak mij een kennis aan. ‘Moej niet naar Amsterdam jong, naar de Stones?’ Nee, zei ik, dank je wel. Daar ben ik te oud voor. Hij lachte. ‘Hoe bedoel je te oud voor, de Stones zijn oud, jíj niet’. Hij had natuurlijk wel gelijk, maar ik ben niet het type dat deelgenoot wil zijn van een horde die tot de laatste snik hun idolen blijft volgen. Van The Rolling Stones heb ik een keer of zes een concert meegemaakt en dat is genoeg. De laatste keer was in Groningen, nu net 23 jaar geleden. Het was tevens de laatste keer dat ik een zo massaal bezocht popconcert bijwoonde. Ik geloof dat ik na die avond wel wist dat het hier bij zou blijven. Die omslag kwam al eerder. Door het concert van Pink Floyd in september ’94 in de Kuip in Rotterdam. Dat was een magistraal gebeuren. Nooit eerder zag ik zoiets fenomenaals qua geluid, show en licht. Maar ik las een van die dagen in de krant dat het totale gebeuren van die Pink Floyd-show ongeveer evenveel energie had gekost dan alle burgers van de stad normaal op een avond gebruikten en dat ging mijn boerenpet te boven. Ik vond dat dit niet kon. Amusement, muziek in het bijzonder is prachtig, maar het mag niet ten kostte gaan van zo idioot veel energie. Misschien ben ik wel een uitzondering die voor het milieu kiest en niet voor het genot van een geweldige show. Niet helemáál waar, want ik heb altijd wel een lichte voorkeur gehad voor kleine optredens. Op TorhoutRock van 1986 bijvoorbeeld zag ik Elvis Costello een enorme dikke middelvinger opsteken tegen Jim Kerr en de The Simple Minds. The Simple Minds hadden alles wat op dat moment op geluid-, laser- en lichtgebied mogelijk was uit de kast getrokken en lieten een totaal platgewalst publiek achter. Daarna mochten Elvis Costello & zijn Attractions -als afsluiters- puin ruimen. Althans dat dácht iedereen. Maar wat niemand verwachtte gebeurde: Elvis Costello cq excelleerde op vier vierkante meters, minder dan waar het drumstel van The Simple Minds op paste en gaf een fabelachtig optreden. Zonder toeters en bellen. Het publiek ging compleet uit het dak. Zó kan het dus ook, dacht menigeen. Maar Pink Floyd gaf toch een beetje de doorslag. Daarna ging ik bijna niet meer naar popfestivals en naar grote stadionconcerten. Bovendien draaien The Stones al jaren stationair hun all time favorites en gaat het in de kranten en op de televisie alleen nog over de leeftijd van de mannen, hoeveel poen ze op de bank hebben en hoeveel er nu weer bij geschreven wordt. Heeft dat nog enig raakvlak met de muziek die ze maken? De aardigste stone is trouwens dood, Charley Watts, zodat er vanavond na de laatste noot nog slechts drie originele leden op het podium staan + een hele trits muzikanten die Keith, Mick en Ronny ondersteunen, maar niet tot de stonesclan behoren. Na 1995 was het volgens mij wel zo’n beetje gebeurd met The Rolling Stones. Stripped was een mooie afsluiter. Daarna telde enkel nog het verdienmodel. Het grote uitmelken. We zien dat bij al die bandjes uit de zestiger, zeventiger en tachtiger jaren. Retro is gouden handel. Nou ja, mogen ze? In hun topjaren werden ze belazerd door uitgekookte managers en platenmaatschappijen en nu plukken ze heel gedecideerd zelf de rijpe vruchten. Een beetje laat misschien, but who cares! Meer dan welkom als pensioen en het applaus zal zonder enige twijfel weldadig aanvoelen. En met het bejaarder worden van de Stones, glijdt ook de eerste generatie Stones-fans naar de eeuwige jachtvelden. Inmiddels bezoekt de derde generatie de Stones, want je moet er toch niet aan denken dat je als jongbejaarde millennial in 2065 tot je spijt moet bekennen dat je de This could be the last time-tour van The Rolling Stones hebt gemist. De gewillige fan dient er trouwens wel heel diep voor in de buidel te tasten. En straks komt Paul McCartney nog langs en Sting en Bruce Springsteen en Roger Waters en The Eagles… en die gaan ook allemaal voor de hoogste bonus. Tot er een minister opstaat die zegt ‘Tot hier en niet verder’ en letterlijk de stekker uit het stopcontact trekt. Minder boeren? Oké. Dan ook minder energie verbrassende evenementen en popfestivals. Zo ver is het nog niet, maar ik zie de bui naderen, of eigenlijk al dreigend hangen. Ik vrees het ergste voor de Doe Maars en de Kraantje Pappies van de toekomst. Nou ja, Willeke Alberti stopt binnenkort met optreden. Dat is niet alleen een hele zorg minder (denk eens in dat zij ergens in den lande van zo’n wrakkig bejaardencentrumtoneeltje dondert). Het sluit tevens heel vredig de zestiger jaren af.

10.6.22 Het dienend erf In enige eerdere stukken heb ik al verhaald over de werkzaamheden ten behoeve van de aanleg van een nieuwe stroomkabel vanaf de openbare weg naar de aan het eind van onze tuin gelegen transformatorhuisje. Ik heb verteld dat dit niet zonder horten en stoten ging en dat dit tot nogal wat irritaties aanleiding gaf. Uiteindelijk is de tuin weer redelijk hersteld en hebben wij de strijdbijlen begraven. Letterlijk: zand erover. De balsem die de wond moest verzachten was de financiële vergoeding en daarvan kregen we vanmiddag een schrijven van het notariaat dat hier zorg voor zal dragen. De enveloppe was voorzien van vier prachtige zegels van evenzoveel bedreigde weidevogels. Ik heb een nogal vooroordelende blik ten aanzien van officiële instanties, beschouw ze als behorend tot de grijze muizenparade, maar deze vogelplaatjes deden dat beeld misschien wel voorgoed kantelen. Het notariaat is gevestigd in Zuidwolde nabij Hoogeveen. Ik heb de bijgevoegde conceptacte doorgelezen en vond er geen onverkwikkelijkheden in. De taal die notarissen voor hun geschriften gebruiken is mij echter vreemd. Het zal wel zo moeten, maar ik heb toch stellig het idee dat er in een ver verleden een clubje mannen -het kunnen niet anders dan mannen zijn geweest- bij elkaar is gekropen om zaken die te maken hebben met eigendommen en rechten onnodig ingewikkeld op papier te zetten. Dat is nog een hele kunst. Er mag geen speld tussen te krijgen zijn, want er zou maar eens een taalvirtuoos hen op een foutje wijzen. Het energiebedrijf, dat de kabel liet aanleggen, houdt zich het recht voor om gebruik te mogen maken van het dienend erf. Dat dienend erf is ons tuintje. Dat klinkt wel even anders dan een gazonnetje. Voor de rest wordt er gegoocheld met het Burgerlijk Wetboek, met de Dienst van het Kadaster en de Openbare Registers. Kortom, we zijn zeer duidelijk bij hen bekend. De vergoeding op het eerste conceptovereenkomst bestond uit drie bedragen, het notariële uit nog maar twee. Dat is vreemd. Ik heb toch duidelijk getekend voor die drie. Mogelijk is er iemand met dat bedragje vandoor of is het een gevalletje van dubbele pen. In een inmiddels ver verleden is een medewerker van het notariaat waar wij onze testamenten hebben laten opmaken opgepakt vanwege valsheid in geschrifte. Hij had zich door de jaren heen op slinkse wijze een miljoen gulden toegeëigend. Er was niets meer terug te halen, want hij had alles vergokt. Of heb ik onbewust getekend voor een traktamentje voor de notaris? Kan. Voor het incasseren van de vergoeding moeten wij tussen nu en zes weken naar Zuidwolde. We zakken niet zo vaak af en zullen er dus een dagje van maken. Het opstalrecht houdt verder in dat het energiebedrijf indien nodig opnieuw ons terrein mag betreden om werkzaamheden uit te voeren. Dat is wel een dingetje, want we hadden ze in onze boosheid voor eeuwig van ons dienend erfje verbannen en nu sluipen ze via een linguïstisch achterpaadje toch weer naar binnen. Het blijven doerakken. Nou ja, ik heb wel vertrouwen in de kabel en we hopen de mensen van het elektriciteitsbedrijf te vriend houden. We zullen ze geen strobreed in de weg leggen. Eerst maar eens naar Zuidwolde.

4.6.22 Aardig verzetje Op de hoek van de hoofdstraat en een wat rommelig zijstraatje zag ik een rolstoel naderbij komen met daarin een mevrouw die met zichtbaar veel moeite het voertuig in beweging bracht. Het karretje schommelde van links naar rechts. Alles zat haar tegen. Ten eerste was er de geringheid van haar krachten. De mevrouw moest minstens 85 zijn en ze was broodmager. Ze had nog slechts een been. De lege broekspijp had ze tussen het resterende stukje bovenbeen en de zitting gepropt. Dan was er nog de slechte staat van het trottoir. Tegels die schots en scheef door autoverkeer waren verzakt en op ongelijke hoogte lagen. Ze kwam tergend langzaam vooruit. Ik zag het van enige afstand aan en liep er vlug naartoe. Omdat ze voorover gebogen zwoegde, zag ze mij niet aankomen. ‘Moet ik u even helpen’, zei ik. Ze schrok mogelijk van mijn stem en mompelde dat dat niet hoefde, maar misschien ook wel, want het ging heel erg zwaar. Ik herhaalde mijn vraag en keek haar met mijn beste glimlach aan en vatte tegelijkertijd de handvaten beet. ‘Pas op voor uw handen hoor’, zei ik. Ze haalde verschrikt haar handen van de wielen en liet zich gedwee vooruit duwen. ‘Moet u naar de Jumbo’, zei ik. ‘Ja’, zei ze amper hoorbaar. Ik keuvelde dat het zulk mooi weer was en ze zei zachtjes terug dat er morgen onweer komt. ‘Maar zover is het nog lang niet. We moeten genieten van de zon’, nep-jubelde ik. Ze knikte. Bij de winkel gekomen zei ze dat ik haar nu niet verder hoefde te duwen. Alsof ze het gênant vond door een voor haar totaal onbekend iemand tot in de winkel gebracht te worden. Ze kon het per slot van rekening zelf toch ook wel. Maar ik duwde haar over de drempel en zei : ‘En nu mag u het zelf weer doen’. Ze bedankte me en ik keek haar nog eens aan maar ze kon haar hoofd moeilijk opheffen. Ik liep eveneens de winkel in en verzamelde de dingetjes die ik moest hebben. Ik zag de oude mevrouw op de broodafdeling een halfje van het schap nemen en ik overwoog een seconde haar te vragen of ik nog iets voor haar kon doen. Er zat echter nog wel een eigen willetje in het ouwe ding en ik wilde mij beslist niet opdringen. Het was namelijk al de vierde of vijfde keer dat ik deze mevrouw op ongeveer hetzelfde punt had zien zwoegen in dat aftandse karretje en al die keren had ik haar naar de winkel geduwd. Als ze de eerste keer zou hebben gezegd dat ze onderweg was naar de Hema of het Kruidvat, dan had ik haar daar ook naartoe gereden. Hier lag duidelijk een taak voor een hulpverlener. Dit ritje was voor haar een te zware klus. Hoe ze dit vanaf de eerste aanzet fikste, weet ik niet. Ze moest haar jas toch aantrekken en naar buiten zien te komen en daarna via dat rotpad, dat ook nog een beetje opliep, naar de winkel gaan. Voor haar een behoorlijke onderneming. Wij kwamen toevallig weer gelijk aan bij de kassa. Ze keek behoedzaam omhoog naar mij en glimlachte een beetje vertwijfeld. Was dat wel diezelfde man die haar zo-even had geduwd? Ze legde het halfje bruin op de band en iets van melk en een puzzelboekje en wielde toen naar de andere kant van de band. De jonge kassière kwam van haar krukje af en deed de spullen in de linnen tas die aan de achterkant van het karretje aan een haakje hing. Dat had zij duidelijk vaker gedaan. Toen gaf de mevrouw het meisje haar bankpasje die ze tegen de betaalscanner hield. ‘Al weer klaar’, zei ze vrolijk en ze gaf de mevrouw het pasje en de kassabon. De mevrouw bedankte het meisje vriendelijk en wielde langzaam door de drukte naar de uitgang. Ik passeerde haar onderwijl en ving haar buiten op. ‘Moet ik u even weer duwen’, zei ik. Ze probeerde mij weer aan te kijken. Mogelijk herkende ze iets vertrouwds in de stem, want nu zei ze ‘Ja da’s goed’. Ik duwde haar rustig over het hobbelpad terug naar de hoek waar ik haar meestal zag. ‘Woont u hier ook’, zei ze nu. ‘Neen hoor’, zei ik, ‘maar ik zie dat u zoveel moeite heeft met het rijden en daarom help ik u even’. ‘Of werkt u bij de winkel’, zei ze. Ik lachte hard om haar gerust te stellen. Toen we bij het huizenblokje waren waar zij zei te wonen, zei ze dat ze het nu wel alleen kon. Ik gehoorzaamde, wreef even zacht over haar schouder en wenste haar hele prettige pinksterdagen. Toen liep ik langzaam terug naar de hoofdstraat. Ik zag nog hoe ze probeerde te kijken wie die man toch wel was en handwielde moeizaam naar de achterdeur.

De autoradio piepte vier uur. Het jongetje waar half Limburg sinds gisteren naar op zoek was is gevonden. De vermoedelijke dader is gepakt. Het zal ongetwijfeld een zo op het oog doodgewone man zijn die in een drukke winkelstraat of zelfs op een kinderspeelplaats totaal niet opvalt. Misdaad heeft nu eenmaal geen kleur. Het is voor sommige mensen slechts een kwestie van kansen afwachten en nemen. Misschien zag die mevrouw in mij ook wel een gevaarlijk element. Zou best kunnen dat ze dacht: wat moet die vent van mij? Misschien was zij zelf wel een kreng van een moeder geweest en zag ze in mij een straffende hand. Misschien was ze een draak van een echtgenote en had ze elke denkbare instantie een loer gedraaid. Ik weet het niet en het kan me ook niet schelen. Voor mij was het een aardig verzetje en voor haar een verlichting. Wie weet zit ze nu lekker te puzzelen en is ze het hele voorval schier vergeten.

2.6.22 Verdriet om een boom Je ziet nooit bij een koopadvertentie van een huis in de krant of op Funda staan dat men naast het pand ook eigenaar wordt van twee eiken, drie linden of een prachtige kastanjeboom. Het doet er niet toe welke betekenis deze bomen voor het landschap, de vogels of de buurt hebben; de makelaar gaat er stoïcijns aan voorbij. Zelden zal een potentiële koper een pand kiezen vanwege de erfbomen en ze als pronkjuwelen onderhouden. Bij zo’n advertentie wordt meestal alleen vermeld hoe groot de oppervlakte van het perceel is en hoeveel het geheel moet kosten. Vooral dat laatste is van groot belang. Die bomen doen er niet toe. In het slechtste geval zijn het obstakels die men gelijk met de verbouwing opruimt, alsof het om een paar naamloze graven gaat waar men niet tegenaan wil kijken. Langs wegen worden ze nogal eens aangeduid als dodenpalen en niet beschermde wildgroei valt zonder veel bombarie ten prooi aan de kettingzaag. Vogelvrij, zou je zeggen, maar dat zijn ze juist niet. Enkele dagen geleden werd er nabij het Groningse Kardinge een 150 jaar oude wilg in brand gestoken. De boom bestaat zoals vaak bij schietwilgen uit meerdere stammen die samen ooit de dikste boom van de provincie vormden. Onverlaten hebben in het middengedeelte van die stammen een vuurtje gestookt en daardoor heeft de boom vlam gevat. De aanstichters zullen wel zijn geschrokken van de vlammenzee en er vandoor zijn gegaan. De brandweer heeft de brand geblust, maar van de voorheen 20 meter hoge boom resten nu zo’n 6 meter hoge afgezaagde stompen. Een uitermate triest gezicht. Of die stammen nog zullen uitlopen is zeer de vraag. Ik bezag op tv-Noord het drama met ontzetting. Een aantal broedende vogels had hun nest verloren zien gaan en vlogen ontredderd rond de overblijfsel van de boom. Een misdaad van jewelste.

We kennen aan bomen weinig waarde toe. Er bestaan weliswaar landelijke regels die het roekeloos neerhalen van bomen enigszins moet beteugelen, maar veel stelt dit niet voor. Als de aanvrager van een kapvergunning een plausibele reden heeft, zal de boom (of bomen) bijna zeker het onderspit delven. Tenzij het op een plek staat waar het als een sieraad wordt aangemerkt of als het ooit door een lid van het koninklijk huis is geplant. Dan krijgt het ineens wel een beschermde status. De boom heeft daar uiteraard zelf geen weet van. Hij kent niet het verschil tussen een koolmees en een kolonie roeken die tussen zijn takken nestelt. Dat verschil maken wij mensen wel en dan zeggen we al heel gauw dat het overlast oplevert, dat we van die smerige rotvogels af moeten en dat we de bomen maar moeten laten kappen of in ieder geval flink knotten. Zo gaat dat. Nu wil ik de gevaren die bomen ook veroorzaken beslist niet bagatelliseren. Ze zijn niet goed bestand tegen bijvoorbeeld storm en ijzel en omgewaaide bomen of afgeknapte takken vormen een jaarlijks terugkerend beeld van ernstige ongevallen en van ontstane ravage en schade. Op zulke momenten hebben wij het ook over sommige bomen in onze tuin. Om de paar jaar laten we ze door een hovenier onder handen nemen en heel soms moet er eentje worden omgezaagd. Het is niet anders. Het doet mij iedere keer verdriet dat we hiertoe moeten besluiten, maar het gevaar bestaat dat een van die bomen op ons huis terecht komt en dat is toch wel een zwaarwegend argument. Ik kan er niettemin nachten van wakker liggen, … *. Ook nu is er weer een boom aan de beurt. Hij is al jaren aan het interen. Een ruwe den deze keer. Geplant ver voor ik hier kwam wonen. Bij de laatste storm zijn er weer een paar grote takken gebroken. Bij een beetje wind hangen ze inmiddels bruin verkleurd op voor mij onbereikbare hoogte gevaarlijk heen en weer te zwiepen. We kunnen het risico niet afwachten dat een van ons op zekere dag zo’n tak op z’n hoofd krijgt. De weinige levende takken bevinden zich alleen nog aan de top. In een grote tuin ergens in een uithoek en zonder gevaar voor ons, zou ik het aan de natuur overlaten. Binnenkort zal ik de hovenier bellen om de boom te vellen. Een zware, onvermijdelijke dobber.

* … in die innerlijke strijd, raast een heel rampscenario voorbij. Dat ik het nog mee zal maken dat de Amazone verwordt tot een totaal verwoeste vlakte, waar geen boom meer groeit op die miljoenen hectaren. Dat er geen dieren en planten meer kunnen leven. Dat wat in vele duizenden jaren is uitgedijd tot een niet te beschrijven diversiteit van flora en fauna voor lange tijd is verstoord, waardoor ook de rest van de Aarde zal worden meegetrokken in deze vernietigende draaikolk. Dat daar absoluut geen ontkomen aan is. En dit alles enkel en alleen ten voordele van de hebberige mens. Om de Aarde van nieuwe longen te voorzien, las ik onlangs, zouden wij wereldwijd ogenblikkelijk moeten stoppen met het grootschalig kappen en de Aarde moeten voorzien van een woud ter grootte van anderhalf keer Europa. Dat zal uiteraard niet gebeuren. We wentelen ons liever gewetensvol in het sprookjesbad van neutraal reizen, van liefdadigheid, van meatless monday enzovoort. Met het vernietigen van de natuur zal ook het leven van de mens onmogelijk worden. Het is een inktzwart vooruitzicht waarmee wij onze toekomstige generaties opzadelen. We zouden ons op voorhand kapot moeten schamen… In grote vertwijfeling dommel ik in.

Ik loop langs onze tuin en kijk naar de boom. Over niet al te lange tijd zal er een gat ontstaan. De bomen van buurman zullen iets meer naar onze kant overhellen en de ruimte vullen. Als boetedoening planten we een paar extra bosjes. Over 2,3 jaar weet niemand meer dat hier ooit een ruwe den stond. Zo sus ik mijn geweten schoon.

26.5.22 Een welbestede dag De Hemelvaartmarkt in ons dorp liep ten einde. Het was drukker dan ooit, want zo hoorde ik tevoren al van meerdere kanten: de mensen willen er uit. Ze zijn coronamoe en het thuiszitten zat. Ik fietste ruim voor de officiële start van de markt naar de molen om langs de Beek op Bonnerveen uit te komen. Ik had ook via de Turfweg gekund, maar het mulzand fietst niet zo lekker. Met de fiets aan de hand liep ik door de menigte. De optimisten zouden best eens gelijk kunnen krijgen. Ik wilde nog even naar de schuur van goede vriend Fedde om te kijken hoe het er toe ging en of er al veel van zijn spullen waren verkocht. Dat bleek niet het geval. Toen ik een uur later naar het dorp terug fietste, was er al bijna geen doorkomen meer aan. Ik schoof mijn fiets bij het dorpshuis in de rek en stortte mij in de menigte. Mijn overheersende gedachte was: Wat komen al die mensen hier in godsnaam doen? Want ik zag niemand iets kopen. Alleen bij een grote boekenstal waar ik even vlot door snuisterde, kochten een paar mensen een boek. Een klein mannetje naast mij liep met een lijst in zijn ene hand de titels van een rijtje boeken van Leni Saris af. Er zat niets bij van zijn gading. Een andere man zei tegen de verkoopster dat hij spannende boeken zocht. Ze wees hem op een rijtje Ludlums. ‘Ja, die ken ik wel. Schrijft die man trouwens nog wel?’ De verkoopster wist het niet. Allang dood, dacht ik, maar hield het voor me. Ik liep weer verder. Naar de kerk. Daar was het rustig. Weldadig bijna. Ook hier werden boeken verkocht. Een deel ervan kwam uit de schuur van Fedde, waar ik ze vorige week zelf heb uitgezocht. Weer buiten keek ik vooral naar de voorbij trekkende massa. Veel robuuste lijven met opvallende tatoeëringen. Ik keek hoe ze zich bewogen, hoe ze hun ruimte invulden. Er waren ook nogal wat mensen in een karretje, op een scootmobiel of achter een rollator. Die hadden het dubbel zwaar. Ik zou er niet aan moeten denken om mij als mobiel beperkte in zo’n mensenmassa te begeven. Ze hebben natuurlijk het volste recht dit te doen, maar ik zou ingeval duizend keer liever thuis zijn. Bij de viskraam -portie kibbeling 5 euro- was het druk. Evenals bij de friettent en bij de toiletgroep. Ik was blij dat ik eindelijk weliswaar voorzichtig kon fietsen. Gauw naar huis.

‘Nog iets gekocht?’, zei mijn vrouw. ‘Nee’, zei ik. ‘Wel gekrégen. Als dank voor het sorteren van de boeken van Fedde. Ik wilde er wel voor betalen hoor, maar ik mocht het van Gerda voor niks hebben. Aardig toch?’ Ik legde het dikke boek over het leven en het werk van Anton Pieck op tafel. Mijn vrouw zou er een deel van de middag mee vullen. Ik de avond.

Het liep tegen vijf uur. Het uitgaande verkeer reed in een lange stroom voorbij ons huis. Vooral auto’s. Maar ook wandelaars die hun voertuig op minstens twee kilometer van het dorpscentrum hadden geparkeerd. Ik liep met Rossi door de berm en ruimde zwerfrommel. Het viel heel erg mee – er was bijna niets te vinden. Een schoon volkje, die marktbezoekers. Op mijn terugloop kwamen me twee dames tegemoet. Toen we elkaar naderden stak een van hen de straat over en vroeg of ik hier bekend was. ‘Ja, ik woon hier’, zei ik. Ik vroeg of ze met de bus moesten. ‘Nee,’ zei ze ‘we hebben onze auto een heel eind verderop staan’. Ze vroeg of ik ergens in de buurt een eettentje wist. ‘Nee,’ zei ik naar waarheid ‘we gaan nooit uit eten. Ik zou dat niet kunnen zeggen’. En toen zei ze quasi lollig: ‘We kunnen zeker niet bij u aanschuiven?’ Ik was even uit het lood geslagen en zei “Nee, dat lijkt me geen goed plan’. Of zij het werkelijk meende, weet ik niet, maar ik zou maar met ze thuis zijn gekomen. ‘Daar moet ik niet aan denken’, zei mijn vrouw al even verbouwereerd. ‘Wildvreemde mensen uitnodigen mee te eten, nog afgezien van het feit dat ik niet voor vier personen heb gekookt’. We lachten het weg. Pas om een uur of acht werd het weer rustig. Het was een welbestede dag. Geen penny uitgegeven en verrijkt met een prachtig boek. Wat wil een mens nog meer.

25.5.22 Verbinding verbroken Hopend op een wonder tikte ik op de internettoets. Deze pagina is niet bereikbaar. U heeft geen verbinding gaf het aan. Aardig dat er klein onder geschreven stond: Het web is minder leuk zonder u. Laten we zorgen dat u weer online komt. Doe er dan als de weerlicht wat aan, riep ik hardop. Want sinds twee dagen zitten we zonder internet, vaste telefoonverbinding en televisie omdat er in de schakelkast aan de Boerendijk iets hapert. Al de vierde of de vijfde keer. Eerst uitte ik mijn irritatie in gescheld op die klote Caiway, daarna nam het grote ongenoegen bezit van mijn vrouw die tot mijn verbazing plotseling opmerkte dat we dan maar weer moesten teruggaan naar Ziggo. Hé! ‘En dat wou je niet vanwege de rompslomp dat dat zal geven’, zei ik. ‘Misschien is het toch maar beter van wel’, zei ze dunnetjes. Meteen nadat het contractjaar voorbij was, had ik, indachtig de storingen van C., voorgesteld om terug te gaan naar Z. ‘Geen sprake van’, zei ze beslist. ‘Opnieuw dat circus van aansluiten en een nieuw telefoonnummer… Niks ‘d ervan!’ Bijkomend probleem was dat meteen nadat C. twee jaar geleden de boel had aangesloten, ik het Z.-kastje nogal ruw van de plint had gesloopt en de beschadiging die dit gaf met vloeibaar hout had dicht gesmeerd en geverfd. Dat zou dan nu weer open gehaald moeten worden, want Z. is niet op de glasvezelkabel aangesloten en dus zou er weer een nieuw kastje aangebracht moeten worden. Aan die extra kosten ga ik even voorbij. Bovendien zou ik met de teruggang ook de slechte internetverbinding van Z. weer in huis halen. Want dát was mede de reden dat ik mijn had laten overhalen te tekenen voor de aanleg van de heilige glasvezelkabel. Hoe vaak heb ik sindsdien niet zuchtend toegegeven dat dit de grootste blunder in gans mijn al aardig lange leven is en jongstleden dinsdag ben ik wederom door het stof gegaan en dus verbaasde het mij hogelijk dat mijn vrouw het Z-woord in de mond nam. Dat was sinds de intrede van C. weinig meer voor gekomen. ‘Morgen bel ik Caiway met mijn mobieltje en dan zeg ik het contract af’, zei ze.

Kennelijk komt dit meer voor, daar zijn ze op getraind, want de mevrouw aan de lijn had meteen door wat er aan de hand was en zei poeslief dat ze per omgaande een monteur zou sturen. Nou ja, dat moest dan maar. Met Z. zou het ook dagen, zo niet weken (personeelstekort meneer, u weet hoe dat gaat) duren. Dat per omgaande werd overigens niet eerder dan vrijdag en weer iets later niet eerder dan komende maandag. We zouden dus al met al zes dagen zonder verbinding zitten. Ik stikte bijna in enige fluisterzachte vloeken. Tijdens de koffieochtend later in het dorpshuis, informeerde ik voor de zekerheid naar de ervaringen van andere kabelgebruikers. Die waren niet denderend. Er waren meer dan eens haperingen en evengoed bij de gebruikers van Z. Teruggaan was dus geen optie. Dat vertelde ik mijn vrouw bij thuiskomst. We moeten leren leven met een schakelkast die ons er een paar keer per jaar uitgooit óf helemaal van het net af (off-grit). Dat zou betekenen dat ik ook het internetschrijven er aan zou moeten geven en teruggaan naar pen en papier. Dat is nogal wat. Het web is minder leuk zonder u, echode door mijn achterhoofd. Misschien moeten we bij de volgende storing maar eens gaan dreigen met Kassa of Radar. Wie weet levert dat iets op. In ieder geval weet u als lezer nu waarom de veenberichten zoveel dagen later bij u binnenkwamen. Mijn -en niet namens Caiway!- welgemeende excuses hiervoor.

24.5.22 5.59 minuten Bob Dylan is vandaag 81 jaar geworden. So what, zult u zeggen. Er zijn vandaag over heel de wereld immers miljoenen mensen jarig, een deel hiervan werd eveneens 81 jaar en daar kraait geen haan naar. Er zullen zelfs heel veel mensen zijn die niet eens weten dat ze vandaag jarig zijn en als ze het al weten er niets mee kunnen. Ik denk bijvoorbeeld aan die kindslaven die in de kobaltmijnen ergens in de bushbush van Kongo hun handen openhalen om onze auto’s, fietsen, windmolens en mobieltjes aan de praat te houden en aan al die arme sloebers die voor bloedgeld onze rijke patsers aan diamanten en gouden blingbling helpen. Die zullen vanavond voor hun golfplaten slaaphok heus geen biertje op de vermeerdering van hun schrale levensjaren nemen. Met Bob Dylan ligt dat anders. Hij is wereldberoemd en dan mag je het in de kranten en op de televisie noemen en op die manier wordt er gewild of ongewild ook weer aan hem verdiend. Zo gaat dat als je een opmerkelijk persoon bent. Ik heb BD hoog zitten en al zou zijn verjaardag helemaal nergens worden genoemd, dan nog zou ik het bij het opstaan en het zien van de datum op de kalender aan de deur naar de bijkeuken weten. Niet dat ik hem een kaartje of een mailtje stuur, want ik vermoed dat dat bij de bv-Dylan niet veel zal betekenen. Veel van zijn oude muziek zit opgesloten in mijn geheugen en niet zelden speelt een lied zich in gedachten af en hoewel ik het niet kan checken, vermoed ik dat het even lang duurt als op de langspeelplaat of op de cd. Bob Dylan was een van de eerste popartiesten waarbij discjockeys en recensenten eikelden over de lengte van zijn liedjes. Like a rolling stone was zo’n geval en Hurricane. Zulke nummers werden in hitparadeprogramma’s half of helemaal niet gedraaid. Te lang om de luisteraars op je zender vast te houden en slecht voor de kakelzieke Joosten den Draayers.

Enige jaren geleden, om precies te zijn op 24 mei 2019, was er een bijeenkomst van de Drentse Schrieverskring te Grolloo en de leden was gevraagd iets te vertellen over een schrijver of dichter of over een boek waar men door geïnspireerd was. Het referaatje mocht maximaal 6 minuten duren. Bij dit getal dacht ik meteen aan Like a rolling stone. Dat nummer duurt volgens de hoes 5.59 minuten. Ik schreef voor die avond een stukje over Reinaert de Vos, want deze fabel heb ik meerdere keren gelezen en behoort tot de mooiste dierenopstellen. Winnie the Pooh had ook gekund, de fabels van La Fontaine zijn ook prachtig, als ook Animal Farm van George Orwell en de dierenvertellingen van Jules Renard of Anton Koolhaas, maar een mens moet nu eenmaal kiezen. Reinaert de Vos is een rijmend opstel van 3469 versregels. Niettemin had ik mij voorgenomen mijn verhandeling er in maximaal 6 minuten door te jassen. Lichtelijk afgemat en met een droge keel nam ik na deze tour de force weer plaats. Het bleef ijzig stil. Men wist kennelijk even niet wat men moest zeggen. Of was Reintje zelf in the house om te boel in de war te schoppen? Zou best kunnen. Toen zei de presentator van de avond amper hoorbaar: ‘Je had nog een minuut over’. Had ik mij godverdegodver voor Jan Doedel over de kop laten jagen! Wat een afgang! Vanaf dat moment ontging me alles. Tijd bleek bij de andere sprekers ineens ook geen punt meer. Ik kroop in mijn schulp en rekende zodra dat kon mijn twee genoten consumpties af en liep stilletjes de zaak uit. Op de parkeerplaats glipte een siamese kat onder een perkje judaspenningen weg. In een rustig tempo en like a complete unknown reed ik op huis aan.

Vanwege het opwarmen van de aarde en het hierdoor spaarzaam omgaan met energie, stelde de overheid enige tijd geleden voor om niet langer dan 5 á 6 minuten te douchen. Daar werd lacherig en vooral mopperig over gedaan. Alsof Rutte & co wel eventjes zouden bepalen hoeveel tijd wij aan onze persoonlijke hygiëne mogen besteden. Ja daaag! Het moest toch niet gekker worden. Maar 6 minuten is lang zat. Een mens heeft niet de omvang van een zeekoe. In de speellengte van Like a rolling stone ontkleed en douche ik mij. Je kunt er ook een ander nummer van die lengte voor nemen. Iets van Toto bijvoorbeeld, van The Rolling Stones, The Eagles, Frank Zappa, maakt niet uit. Als het maar binnen de gestelde tijd blijft. Zo zie je maar welk belang muziek nog meer kan hebben dan luistergenot. Zou ome Bob dat weten? Ik vermoed het niet. Vanavond kraakzingt hij voor intimi ergens tussen laat ik zeggen Hibbing of Key West Forever young en neemt daarna een wisky van eigen merk. En morgen vervolgt hij gewoon weer zijn Rough & rowdy ways-tour. Want Bob Dylan kan volgens mij nog jaren mee.

19.5.22 Het loopt ons over de schoenen Er is bijna geen sector in Nederland waar men niet schreeuwt om personeel. Bedrijven die er verstand van hebben -daar is geloof ik geen tekort van- zeggen dat het komt door de coronacrisis. Toen zijn allerlei sectoren die stil waren komen te liggen leeg gelopen. Het personeel heeft ander werk gezocht en gevonden en toen alles weer begon te draaien, kreeg men die mensen niet terug. Vooral de horeca ondervindt hier last van. En het beveiligingswezen, de festivals en de tenten- en podiumopbouwers . Maar daar blijft het niet bij. Want ook in de techniek en in de bouw is een schrijnend tekort aan mens en materiaal. Voorts in de ziekenhuizen en in de thuiszorg, in het onderwijs, bij de politie, de justitie, de brandweer en ga zo maar door. Ik vraag mij af waar al die mensen zijn gebleven als er vóór de coronacrisis geen sprake was van zo’n tekort. Dat wil zeggen, in bepaalde sectoren. De techniek is bijvoorbeeld al jaren een ondergeschoven kindje. Het vak timmerman, schilder, installateur of metaalbewerker is niet populair. Daar kun je bij je snelle hipstervrienden geen goeie sier mee maken. Daarvoor moet je ict-er, computerprogrammeur of operateur (operator) zijn of een van die vele non-descripte beroepen die zelfs na grondige uitleg vaag blijven. Ook in de coaching is het big business, maar ook die slaan nog geen spijker in de muur. Want het probleem is dat ons land een enorm tekort heeft aan woningen en dat dit alleen maar verder oploopt. Gescheidenen, statushouders en jongeren die op zichzelf willen wonen kunnen nergens terecht, tenzij je een zak goud meeneemt. De asielcentra kunnen de toestroom van vluchtelingen amper aan en een deel hiervan zal te zijner tijd ook een plek moeten krijgen. Wat me geweldig stoort is dat de vluchtelingen uit Oekraïne voorrang genieten boven vluchtelingen uit bijvoorbeeld Afghanistan of Syrië. Dat veronderstelt een soort klassering in oorlogsellende. De Oekraïners -met alle respect- mogen ook meteen aan de slag en voor opvang wordt alles uit de kast getrokken. Ik gun ze dat van harte, maar waarom niet voor al die stakkers? Er zullen zeker lieden zijn die de boel besodemieteren, die van onze goedbedoelde liefdadigheid willen profiteren en er niets voor willen doen en veiligelanders moet je sowieso weren. Maar de grote gros is hier om geldige redenen naar toe gekomen en het zou dan ook niet meer dan eerlijk zijn hen net als de Oekraïners werk aan te bieden. We zouden er een groot deel van de open plekken mee kunnen vullen. Want het zijn over het algemeen goed geschoolde mensen die de sprong naar het vrije westen wagen en ze willen dolgraag uit die azc’s. Het bewust werkeloos gehouden potentieel soupeert bovendien enorm veel belastinggeld op. Door dit systeem coûte que coûte in stand te houden, put men die mensen uit, maakt ze apathisch en ziek. Als dit de manier is om mensen te testen of ze hier kunnen aarden, dan is dit heel inhumaan en zou je dat zooitje bestuurders met kop en staart de Noordzee in mieteren. Neemt u mij niet kwalijk voor deze uitval, maar ik ben enigszins verhit. Het stoort me dat wij in Nederland zo met mensen omgaan. Dit gevoel, dat ik overigens al jaren meetors, is de laatste tijd alleen maar erger geworden. En laat ik eerlijk zijn, ik dacht met al die problemen weinig tot niets te maken te krijgen, tot ik vanmorgen het UMCG belde hoe het wordt met de oproep voor een bezoek aan de allergoloog. Vorig jaar augustus ging de oproep de deur al uit. ‘Ik zie uw naam niet staan’, zei de receptioniste. Mijn vrouw knalde bijna uit elkaar van verontwaardiging. Dat er sprake is van een lange wachtlijst wisten we wel, maar dit was toch al te gortig! Ik belde het Wilhelmina Ziekenhuis om te vragen hoe dat zat. Hun dermatoloog had mij wel doorverwezen. Had hij zijn werk niet goed gedaan? Ja hoor, de aanvraag was wel verstuurd, maar het was toen en nog steeds vreselijk druk en wellicht was het bij het UMCG mis gegaan. Mijn vrouw en ik bonden in. Zou er, dacht ik later, geen Afghaanse mevrouw te vinden zijn die ze bij kan springen? Ik zou ze met die voor vrouwen achterlijke taliban-regels massaal naar hier willen laten komen. Maar tussen droom en daad staan Rutte en de zijnen in de weg en in praktische zin is er een groot tekort aan huizen. Tja… Nu moet ik andermaal een half jaar wachten, want mijn tijd is vanmorgen pas ingegaan. Tegen die tijd rammelt het coronavirus mogelijk opnieuw aan de poorten en ligt het hele ziekenhuissysteem weer overhoop, want long-covid zet het personeelsbestand nog verder onder druk. ’t Is om gek van te worden!

14.5.22 Oud nieuws We gingen boodschappen. Dat moet natuurlijk zijn ‘we gingen boodschappen doen‘, maar ik laat steeds vaker dat woordje doen weg. Eerst uit een soort plagerij en langzamerhand is het ingesleten als een alternatief voor dat lelijke woord shoppen. Er wordt in taalkringen veel geklaagd over de verengelsing van het Nederlands, om reden dat onze taal hierdoor zou verschralen. Dat is wel waar, maar onze taal bestaat uit een mengelmoes van leenwoorden uit diverse talen. Van Frans, Arabisch, Grieks, Latijn, Nederduits, Jiddisch, Spaans, Angelsaksisch, Portugees, enzovoort. Dus what the heck! zou ik zo zeggen. We gingen dus boodschappen. We hadden Rossi bij ons en die lieten we liever niet alleen in de auto, daarom konden we niet beiden naar de winkel. Want een hond in een supermarkt, dat bijt. Mijn vrouw ging de winkel in en ik met Rossi een blokje om. De Gasselterweg op richting de molen en terug door de Plantsoenstraat. Een mooi rondje. Aan de Hoofdstraat, naast de twee glasbakken, stond een container voor oud papier. De klep stond een beetje open, want hij was boordevol. Ik keek er zonder enige bedoeling met een vluchtige blik in. Zoals ik duizenden en duizenden keren op een dag ergens mijn blik langs laat gaan of voor een paar seconden op vestig en dat beeld ongemerkt in me op sla of meteen weer loslaat. ‘Kijken, kijken’, zei Godfried Bomans eens, ‘dat zie je nooit weer’. Maar soms als ik aan het schrijven ben verschijnen er plotseling flitsen en weet ik ineens welke auto voor welk huis en in welke straat stond. In die helicopterende flits zag ik dat bovenin die container, op een laag plat geslagen kartonnen dozen, een stapeltje kranten lag en ik wist op hetzelfde moment welhaast zeker dat dit de overgebleven kranten waren van de winkel in welke mijn vrouw boodschapte. De container bevatte vermoedelijk de papier/kartonafval van die winkel. Eén van de artikelen die ik in deze winkel -áls ik er kom- steevast koop is een krant. Soms twee. En terwijl ik de gewenste krant uit de rek pak tel ik uit gewoonte in een oogwenk de nog aanwezige exemplaren. Dat zijn er bijna altijd vier. Als het drie zijn dan is er eentje verkocht. Van de vijf titels zijn er aan het eind van de dag meestal maar een paar exemplaren verkocht. Toch schuift een van de medewerkers van de buurtsuper elke morgen ijzerenheinig 5 x 4 recente exemplaren in de rek en elke avond trekt ze de 5 x 2 á 3 onverkochte exemplaren er weer uit en gooit ze bij de platgeslagen kartonnen dozen in de papiercontainer en eens in de zoveel dagen is die container vol en wordt het door een vrachtauto opgehaald. Kennelijk is er in het bestaan van deze winkel nog nooit iemand op het idee gekomen dat je ook minder kranten kunt inslaan. Dat het hoe dan ook een vorm van verspilling is en dat indien elke buurtsuper beter op de kleintjes zou letten, de oplage van deze vijf krantentitels aanmerkelijk naar beneden zou gaan. Al zou het alleen maar beter zijn voor het milieu. Ik heb nog nooit meegemaakt dat er een van die vijf titels uitverkocht was. Het maakt niet uit of ik om twaalf uur langs wip of vlak voor sluitingstijd: alle titels zijn nog voorzien. Nu ben ik licht verslingerd aan kranten en ik kan het slecht verdragen dat ze ongelezen worden gedumpt. In een flits pakte ik het stapeltje dat me zo uitnodigend toelachte en sloeg het onder mijn bovenarm zoals ik dat met een enkele ook gewend ben en stapte in mijn auto. Ik keek het stapeltje even vlug door. Het waren de kranten van de vorige dag. Geen nood. Niet zelden lees ik de krant(en) enige dagen na verschijning. Het was precies zoals ik verwachtte: van alle vijf titels drie exemplaren. In de gauwigheid berekende ik dat als ik van elke titel 1 exemplaar zou kopen, mij dit 17euro48 zou kosten. Áls, want De Telegraaf koop ik nooit, het Algemeen Dagblad bij hoge uitzondering, Dagblad van het Noorden regelmatig, blijven over Trouw of de Volkskrant. (NRC is helaas niet in hun bestand opgenomen).

Mijn vrouw kwam terug van het boodschappen. Ik reed weg. Op dat moment parkeerde een vrachtwagen naast de papiercontainer. Ik was precies op tijd geweest. Thuis nam ik de vijf kranten door. Ik voelde mij ertoe verplicht, maar het was beslist geen straf. Maandag koop ik gewoon weer één krantje en zal onbewust ook weer de stapeltjes tellen.

10.5.22 Van een brievenbus en twee hoveniers De heer T. (voornaam: Julius) van Arcadis Nederland bv te Amersfoort stuurde ons een mailtje met de vraag of alle schade aangericht door de firma Baas is afgehandeld en of Enexis nog iets voor ons kan betekenen. De goede verstaander weet dat het hier om de aanleg van de stroomkabel vanaf het transformatorhuisje door onze tuin naar de openbare weg gaat. Ik heb namelijk al eerder geschreven over deze werkzaamheden. We zijn nu zes weken verder en de werkzaamheden zijn afgerond. Als alles naar wens was verlopen, dan zou ik er niet meer over beginnen, want juist gisteravond zeiden wij dat we de boel maar de boel moeten laten en dat als er straks een nieuw grasmatje ligt alles vergeten en vergeven is, maar nu mailt meneer T. (Julius voor insiders) ons en ik, van nature integer en van goede wille, houd gramschap niet graag onder de pet en dus heb ik hem per omgaande geschreven dat er toch wel het een en ander aan de afwerking schort. Ik had in mijn vorige stukken nog niet gerept over het sneuvelen van onze brievenbus. Deze bevond zich aan onze hekpaal. Het was van het type dat men in de jaren zeventig van de PTT kreeg aangeboden. De welbekende groene. Het was nog van mijn grootouders. Mijn opa had om te voorkomen dat bij storm de bovenklep open waaide aan de binnenkant ervan met een stukje pakdraad een oude fietstrapper bevestigd, dewelke door de gleuf tot half in de bus hing. Of de post- en krantenbezorgers zo blij waren met dit contragewicht weet ik niet. In ieder geval heb ik het toen ik mij hier vestigde meteen verwijderd. Neemt niet weg dat ik content was met die bus. Het hoorde tot de gekoesterde oude meuk en juist dat beviel me wel. De bus sneuvelde doordat de chauffeur die de haspelwagen bij het hek manoeuvreerde er tegenaan reed. Daar kunnen die plastic dingen niet tegen. Toen ik later die ochtend de post eruit wilde halen, zag ik dat het zwaar gebutst was en dat de bovenklep er naast hing. Ik sprak de werkman erop aan, die deed alsof zijn neus bloedde. ‘Was dat al niet zo dan?’, was zijn verweer. ‘Nee’, zie ik stellig. De firma Baas heeft ons na enig aandringen een nieuwe bus gebracht en ze zouden het ook monteren. Dat heb ik uiteindelijk zelf maar gedaan. De kwaliteit van die nieuwe bus haalt het helaas niet bij de oude. Ik ben hier in mijn mail aan de heer T. verder niet op ingegaan. Wel heb ik gemeld dat onze tuin de nodige hobbels en bobbels vertoont en dat het zand waarmee de hoveniers afgelopen vrijdag de diepe rupsbandsporen hebben opgevuld steenslag en cementgruis bevat. Het mag de benaming schoon zand beslist niet hebben. Het viel me op dat de twee werknemers van het hoveniersbedrijf die afgelopen donderdag langs kwamen om de zaak in orde te maken, nogal schrokken van de schade en dientengevolge van het werk. Dat konden ze nu even niet voor mekaar boksen. Ze zouden daags erop het karwei klaren. Op mijn vraag hoelang het zou duren zei de ene man dat hij dat zo een-twee-drie niet kon zeggen. Die vrijdag arriveerden ze tegen twaalf uur. Ze, waren in dit geval één van de mannen van donderdag en een jongere man. Het geval wil dat ze donderdag toen ze bij ons vertrokken onderweg naar Klijndijk een klapband hadden gekregen en dat het maar net goed was afgelopen en dat de andere man, de man van een-twee-drie, zich vanwege de schrik van deze bijna-ramp ziek had gemeld. Wij hadden eventjes met hem te doen. De mannen deden hun werk. Maar de door de ziekgemelde man donderdag gesignaleerde veelheid van werk viel ineens enorm mee. Tegen drieën waren ze al klaar. Tussendoor hadden ze ook nog een kom soep en brood gegeten en koffie gedronken. En toen hadden we al beter moeten weten. Wij hadden elk kuiltje moeten aanwijzen, over elk bobbeltje moeten vallen. Letterlijk! Want pas ’s avonds viel het ons op hoe deze twee mannen zich er met een Jantje van Leiden van hadden afgemaakt. Die jonge knaap vertelde uitgebreid over wat hij zoal in het leven had gedaan en onderwijl dronk hij koffie en at een gevulde koek en de andere man rookte nog maar een sjekkie. Allemaal blinde goedgeefsheid van onze kant. We hadden ze op de huid moeten zitten. Helaas… Nu kunnen we het niet meer verhalen. Ik gaf ze de hoop mee dat ze niet wederom een klapband mochten krijgen en wenste ze een prettig weekend. De jonge hovenier zou dit deels vullen met vrijwilligerswerk bij het Leger des Heils en de oudere hovenier als trainer bij een pupillen voetbalclub. Ik mailde T. (of zal ik hem aanspreken met Julius?) dat wat ons betreft de werkzaamheden hiermee zijn afgerond, maar… dat we bij een volgende kabellegging niet zo makkelijk toezeggen. Dat er tussen de eerste kabellegging en de tweede een halve eeuw zit, zeg ik natuurlijk niet. Je moet ze inpeperen dat een volgende tuinvredebreuk niet zo gladjes zal verlopen. Dat Julius daar in Amersfoort het maar even weet.

5.5.22 Vrijheid Gisteravond, op weg naar Gasselternijveen, naar de dodenherdenking aldaar, dacht ik na over een goede uitleg van het woord vrijheid. Zeker in deze tijd is dat een punt dat nogal makkelijk in statements wordt weergegeven. Alsof het in beton kan worden gegoten. Vrijheid is bijvoorbeeld dat je kunt zeggen wat je wilt, maar dat staat juist hevig onder druk. Vrijheid is te kunnen doen wat je wilt. Dat is ook -en terecht- zeer de vraag, want al te grote vrijheid zal onherroepelijk lijden tot wanorde. Vrijheid bestaat in concrete betekenis -b.v. Vrijheid van meningsuiting- en in abstracte betekenis -b.v. Dichterlijke vrijheid. We omarmen het welhaast als een Nederlandse verworvenheid, maar de geschiedenis heeft ons vooral de laatste jaren de gruwelijke feiten van met name de slavernij en het afbeulende werkethos in fabrieken, de mijnen en de veenontginningen laten zien. Daarin komen wij er mondiaal gezien niet zo geweldig goed vanaf, dus een beetje minder toeteren over onze zo beleden vrijheid zou niet verkeerd zijn. Ook gedurende de Bezettingsjaren kwam er van die vrijheid niet veel terecht. Nederland heeft zich in verhouding tot veel andere Europese landen nogal lijdzaam aangepast aan de regels van de vijand en dat er in bijna iedere plaats in Nederland wel een monument ter nagedachtenis aan de slachtoffers van deze gruweltijd is opgericht, zegt veel over de latere schaamte van deze ongehoorde zuivering. Veel kwam pas aan het licht na de wending in de jaren zestig. Nadat dr. Lou de Jong op de televisie aanschouwelijk verhaalde over zijn onderzoek naar de gedragingen van het Nederlandse volk in die vreselijke jaren. Daar zat ik al rijdende over na te denken en alzo arriveerde ik bij de kerk te Gasselternijveen.

In voorgaande jaren (behalve natuurlijk de geannuleerde publieke herdenkingen van de coronajaren) ging ik meestal naar Gieten of naar het terrein van voormalig Kamp Westerbork. Maar dat werd me te druk. Het leek me nu eens aardig naar een andere plaats te gaan. In de brede zaalkerk waren ongeveer honderd mensen verzameld. Veel kinderen, want zo bleek later, speelden zij bij deze herdenking een belangrijke rol. Dat is mooi. Een meisje zong Imagine van John Lennon. Nogal ontsierd doordat ze de tekst van haar mobieltje las en daardoor zelfs in de war raakte. Zo’n moeilijke tekst is dat toch niet om even uit je hoofd te leren? Mogelijk hierdoor klonk het ook niet erg zuiver. Beetje jammer. Daarna lazen enige kinderen een paar gedichten voor en las onze burgemeester een soort column. Ik heb eerder al eens geschreven dat spreken in het openbaar een niet te onderschatten kunst is en wil men een publieksfunctie uitoefenen, dat men zich deze vaardigheid naast sociale omgang, vaderlandse geschiedenis, staartdelen en aardrijkskunde moet verwerven door langdurig voor de spiegel te oefenen in het goed fraseren en articuleren. Dat ontbreekt er bij bestuurders nogal eens aan. Kon ik de gedichten van de kinderen prima verstaan, van onze burgemeester ontging mij bijna alles. Daarna zong een grote groep kinderen van dezelfde school een liedje over de vrijheid en kwam Oekraïne andermaal voorbij. Dat is vermoed ik een bijkomende factor waarom de herdenking dit jaar zo massaal is bezocht. Het duivelse kwaad tiert en raast maar drie grenzen van ons vandaan. De angst dat het de verkeerde kant op gaat is in alles voelbaar. Tegen half acht ging de hele stoet richting het oorlogsmonument. Daar zat een harmonieorkest droef te blazen. De ons kerkgangers aangereikte bloemen werden op de keitjes van het monument gelegd. Ik had geen bloem. Ze waren op toen ik als een van de laatsten de kerk verliet. Op het veldje leunde ik met mijn rug tegen een van de weinige bomen. De officiële afgevaardigen legden hun kransen, twee kinderen deden hetzelfde met een bloemstukje en wisten niet goed in te schatten hoelang ze ceremonieel even moesten wachten alvorens terug te lopen en de burgemeester las tenslotte een stukje voor dat nu wel goed te volgen was en zo kropen wij naar de twee minuten stilte toe. Na een tamelijk beroerde Last Post, waarbij me ongewild flitsen van de zieltogende bugelspelende Peter Sellers uit de beginscene van de film The Party voor ogen kwam en het twee minuten zwijgen, mochten we samen nog twee coupletten van het Wilhelmus zingen. Ik zeg zingen, want dat lied kunnen wij Nederlanders toch niet best onthouden en daarom is zingen in dit geval overdreven. Eerder mummelen. Misschien zou Imagine (in de hertaling van Jan Rot) hier beter passen. Is ook meer van deze tijd, er komt bovendien geen Duitsch bloed, geen koning van Hispanje en geen God mijn Heer in voor. Hierna liep de meute uit elkaar en ging ieder zijns weegs. Het was al met al toch wel een mooie herdenking.

Op weg naar huis dacht ik wederom na over dat woord vrijheid, de betekenis en de naleving ervan en toen bedacht ik dat de meest essentiële uitleg van vrijheid misschien wel is dat wij de vlag uit kunnen hangen om die vrijheid gezicht te geven. Maar dat wij de vlag niet uit hóéven hangen. Dat wij daar helemaal vrij in zijn. Dat er geen instantie boven ons staat die ons daartoe verplicht. Dat het niets zegt over hoe wij individueel over vrijheid denken. En dat wij dat volledig accepteren van de ander. Dat is misschien wel de mooiste uiting van vrijheid. Nou ja, straks niet vergeten de driekleur weer binnen te halen en het morgen (nu dus al) aan de top te knopen.

4.5.22 Verjaardagsdag Marijke Meems woont in Middelstum. Daar is makkelijk een allitererend versje op te maken, zeker als je ook nog in mei geboren bent. Dat doe ik niet. Marijke is theatermaakster en ze is vandaag jarig. Nu! Dus hieperdepiep van mijn kant. Maar 4 mei is niet de aangenaamste dag om jarig te zijn, tenzij je verjaardagen in het algemeen en het jouwe in het bijzonder verafschuwt, dan zou het mogelijk anders liggen. Want vanwege dodenherdenking kun je op 4 mei niet geweldig los gaan. Dat schrikt de buurt, de straat en het dorp af. Dat mankeert er aan. Marijke zat daar een beetje mee en omdat ze theatermaakster is, maakte zij er een voorstelling van en die speelt ze vanavond in Winsum in De Blauwe Schuit. Ze vangt aan om 19.15 uur en zal tegen 20.00 uur twee minuten stil vallen en daarna rondt ze haar stuk af. Indrukwekkend en gewaagd, vind ik.

Ik las erover in de krant. Voor het stuk heeft zij een aantal verjaardagsgenoten (lotgenoten noemt zij ze) gëinterviewd. Wat zij van het feit vinden dat zij op 4 mei jarig zijn. Op basis van die verhalen maakte zij haar voorstelling. Ik ben niet een van hen. Ik ben op 30 april geboren. Dat was ooit ook een memorabele dag, maar geen treurige. Mijn moeder is wel geboren op 4 mei; 4 mei 1918, om precies te zijn en ze vond dat maar niks. Dat zei ze weleens. ‘k Wol dat die dag weer veurbie was’, zei ze dan stroef. Dat had minder te maken met de dodenherdenking zelf, want daar werd bij ons thuis niet zoveel aan gedaan. Nee, dat had te maken met het feit dat haar zus getrouwd was met een landverrader. Het woord nsb werd bij ons thuis niet zoveel gebruikt. Te officieel misschien. Landverrader kwam ook dichter bij de waarheid. Mijn moeder had één zus en geen broers en dat juist die zus moest vallen voor een foute vaderlander, was natuurlijk wel even slikken. Er zou makkelijk een mouw aan te passen geweest zijn door mijn tante en oom gewoon niet uit te nodigen op haar verjaardag, een paar dagen later misschien of helemaal niet. Maar dat zou haar te ver zijn gegaan. Zo radicaal waren mijn ouders niet. En dus kwamen mijn tante en mijn oom naast nog een paar andere familieleden altijd op 4 mei ’s avonds op visite. Soms kwamen ze net voor achten, maar meestal net erna. Dan was de kop eraf, de twee minuten stilte voorbij en de kou uit de lucht. Hoe die avonden verliepen, weet ik niet. Ik ben er nooit bij geweest. De visite zat in de voorkamer en wij zaten achter. Mijn moeder -hoewel jarig!- liep zich het vuur uit de sloffen voor de koffie, gebak, chips, hapjes en drankjes en ik zag aan haar strakke gezicht dat de sfeer in de voorkamer niet uitbundig was. Eerder gespannen. Mijn oom had ook de eer aan zichzelf kunnen houden en zeggen ‘Ik ga niet mee’, maar dat zou mijn tante weer niet gepikt hebben. Mijn moeder had denk ik graag met mijn verjaardag willen ruilen, want in hart en nieren was ze koningsgezind en ze zou het geweldig gevonden hebben gelijk met onze oude vorstin te verjaren. Ik kon haar daar niet aan helpen. Van verjaardag ruilen lag niet in onze aard.

Uit het artikel in de krant merk ik van die weerzin tegen het op 4 mei jarig zijn niet zoveel. Ze nemen het maar zoals het is. Jan Mulder -een van de 4 mei-jarigen- zegt ‘Zonder 4 mei geen 5 mei. Zonder herdenking geen bevrijding’. Dat is waar. Daar komt dan bij dat de krant van vandaag melding maakt dat führer Poetin op 9 mei bekend zal maken dat de oorlog met Oekraïne officieel oorlog genoemd mag worden. Hij wil de totale oorlog en geeft daarvoor de schuld aan Europa, aan Amerika, aan de Navo enzovoort. Waar kennen we dit gedrag van? Over enige jaren zullen we kunnen lezen dat de aanzet tot deze wereldramp op 4 mei 2022 werd gedaan. Poetin zal dan dood zijn, Moskou grotendeels verwoest en het Russische volk verbitterd en verarmd. Ongeveer zoals Berlijn er uitzag in mei 1945. Mijn moeder zou vandaag 104 jaar zijn geworden. Ik gunde haar die leeftijd -in goede gezondheid welteverstaan!- van harte, maar ben blij dat ze deze oorlog in wording niet meer mee kan maken.

1.5.22 Theater in de natuur We gaan er zo eens per jaar naar toe: Het Theater van de Natuur. Het is gelegen nabij Sellingen in Westerwolde. Een mooi gebied in Zuidoost-Groningen. Een half uurtje rijden. Het Theater is een kunstwerk dat bestaat uit een heuvel die men kan beklimmen via een natuurstenen trap. Boven vindt men op een plateautje een stenen bank en een metalen statief voorzien van een toneleske lijst, waardoor men de omringende natuur gelijk een foto kan bekijken. Vanaf 1997 tot en met 2012 is elk jaar één van de treden voorzien van een strofe of een compleet gedicht van een bekende Nederlandse dichter. De eerste bijdrage was van Kees Stip en de laatste van Jan Mulder. Toen wij dit kunstwerk voor het eerst bezochten, viel het mij op hoe vuil de treden waren. De teksten waren daardoor bijna onleesbaar en daarom neem ik sindsdien bij elk bezoek aan het kunstwerk een bezem mee en veeg het zand uit de groeven en van de treden. Dat er mogelijk meer mensen zijn die dit doen is mij niet bekend. Onderwijl lees ik de regels die me dierbaar zijn geworden. Het zijn er vijftien, het aantal regels van een sonnet als men de titel meerekent. Misschien hierdoor ontspon zich vanmorgen het idee om uit die vijftien gedichten een nieuw gedicht te pureren. In de dichtkunst gebeurt dat vaker. Kees Buddingh’ schrijft er in zijn dagboeken meerdere keren over. Terwijl ik met één oor naar OVT op de radio luisterde, begon ik bepaalde regels of woorden uit het infovouwblad, waarin de teksten van de dichters staan, te selecteren en tot een geheel te maken. Na een uurtje knutselen kwam het volgende tevoorschijn:

Samen maken wij een zomer Poëzie is geen poging tot prevelen / om te vieren dat gedachten niet vergaan. / Keer naar huis terug, richt een maaltijd aan / en vindt de god die zich in je verborgen houdt.

Onze blik laat geen ruimte met het onzegbare / de blindheid is bij jou, ook als je ziet. / De dingen hebben jou nodig, dat betekent niet / dat wie zich het spreken ontzegt niet zal zingen.

You better watch your steps! Dat wat onomkeerbaar blijkt / is twee stappen lager uitgehakt in steen: / als herinnering in een tredenreeks van taal.

Levend water in een verstild theater. / Tenslotte rennen wij als titaantjes naar omlaag. / Met bokkesprongen, zo gaat het nu eenmaal.

(Het is geen hogere poëzie, eerder knekeldichterij, maar heel aardig om te doen)

Ik veegde de treden schoon. Mijn vrouw had intussen twee koppen thee gemaakt en zo keken we, gezeten op het hardstenen bankje, uit over de Ruiten Aa. Een prachtig gebied. Er kwamen twee wandelaars -een man en een vrouw- voorbij. Ze keken een ogenblik naar de trap en toen naar ons en liepen door. We zaten als twee levende sfinxen op de top van een mastaba. Ze namen niet de moeite de gedichten te lezen, hadden misschien niet eens door dat er iets in die treden gebeiteld staat óf hadden ze al tientallen keren gelezen. Daarna geleidde ik mijn vrouw -ze ziet slecht diepte- voorzichtig naar beneden en noemde daarbij ik de betreffende dichters. Jan Mulder. Mustafa Stitou. Ilja Leonard Pfeiffer. K. Schippers. Lévi Weemoedt. Hagar Peters. H.H. ter Balkt. Lidy van Marrising. Def P. Willem van Toorn. Rutger Kopland. Jean Pierre Rawie. Adriaan Morriën. Harry Muskee. Kees Stip. Toen reden we door naar Sellingen, want ik had enorm zin in een verjaardagsbroodje.

29.4.22 Schermschaamte Er zijn regelmatig of nee, eigenlijk continu onderwerpen en zaken waarbij ik sterk de neiging heb er iets over te willen of te moeten zeggen, maar ik laat ze schieten. Bijvoorbeeld, over hoe wij mensen met de aarde omgaan, met de natuur en dat we te weinig beseffen dat we de leefomgeving voor onze Childrens Childrens Children* aan het vernietigen zijn. Ik pik de term* van een titel van de langspeelplaat van The Moody Blues uit 1969. Ik kocht het ooit van Henk Lanting. Misschien omdat hij een exemplaar met een mooiere hoes met de teksten erin had gekocht. Blijft prachtige muziek. Ik draai het regelmatig. Van de week nog, als een kleine ode aan Henk. En daarna kwam de dood van Jan Rot en van Henny Vrienten. De behaalde leeftijden van hun drieën bij elkaar opgeteld gedeeld door drie is mijn huidige leeftijd. Dat is louter toeval, maar het stemt toch tot nadenken. Ik kan erover somberen, maar wat schiet ik ermee op? Nee, somberen doe ik vooral over hoe we met elkaar om gaan. De afgelopen paar dagen was dat met name over een uitspraak van tv-coryfee Johan Derksen over iets wat hij 50 jaar geleden had geflikt. Maar meer nog schrok ik van de reacties van de tafelgenoten van het programma. Eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ik die uitzending niet heb gezien, want ik kijk nooit naar dat programma, tenzij er weer iets schokkends was gezegd en dat in De Wereld draait door werd getoond of op het Journaal. Vorige week las ik het boek Verslaggever van Bild van Günther Wallraff uit 1977 en onbewust moest ik denken aan de praatprogramma’s op de Nederlandse televisie. Ook hier wordt doelbewust gezocht naar spraakmakende onderwerpen en die worden eventueel nog eens sterk aangedikt. Niets is immers bevorderlijker voor de kijkcijfers dan een klapper of een relletje. Daar zijn die mannen van V.I. goed in. Derksen poneert een voltreffer, kompaan Van der Gijp gierlacht het als een halve gare de wereld in en de presentator doet er nog een glijerig schepje bovenop. Succes verzekerd. Zonder enige vorm van schermschaamte. Maar ik heb in mijn wildste jaren de strapatsen die Derksen deze week bekende nooit meegemaakt. Misschien speelt (of speelde?) dat ook voornamelijk in de sport- en amusementswereld. Mij kwam zijn scabreuze kroegpraat ter ore doordat mijn vrouw het in lichte shock aan mij meedeelde. Zij had het op het nieuws gehoord. Ik zag en hoorde het later in het programma van Arjan Lubach. Daags erna zwakte Derksen zijn handelingen af en weer later zou hij wel met een verontschuldiging wegkomen. Maar dat deed hij niet, hetgeen waarschijnlijk inhoudt dat het programma V.I. van de buis verdwijnt. De heren van het programma zullen dit wel gramstorig ‘de verpreutsing van de televisie’ noemen. Maar Johan maakt hen met deze misser wel mooi werkloos. Nu heb ik daar geen enkele moeite mee. Ik denk dat het al veel eerder had moeten gebeuren. Het is echter moeilijk uit te leggen: In Amerika wordt een republikein die zonder mokken uitbrult ‘Grijp haar bij de poes’ uitgeroepen tot hun president en hier dollen een drietal mannen + sidekick over de ‘geneugten des leven’ en zij worden er keihard op afgerekend. Zijn we hierin niet doorgeschoten? Ik denk het niet. Het gaat om wederzijds respect en als met andersgeaarden de draak wordt gestoken en worden weggezet als malloten of als bij een door de drank gevloerde vrouw (‘ze was bewusteloos’) voor de gein een kaars wordt ingebracht (later heette het ineens ‘rechtstandig tussen haar benen gezet, niet gepenetreerd’), dan ben je niet van deze wereld en dien je plaats te maken voor mensen die het beter met de mensheid voor hebben. Ik was gans de dag vervult van schaamte en voelde kouwe woede over dit verwerpelijk gedrag. Maar het doet me ook denken aan hoe krijgslieden, zelfs al in de alleroudste tijden tot op de dag van vandaag, hun heldhaftigheid uiten door vrouwen te verkrachten. Dat heeft niets te maken met de strijd om gebiedsuitbreiding (waar het bij oorlog bijna altijd om gaat), maar met het uiterst agressief uitdragen van hun vermeende superioriteit. In die zin zijn we primaten gebleven; mannenapen contra vrouwenapen. Johan Derksen dacht dat hij deze, zoals hij het noemde ‘jeugdzonde’ (hij was al iets van 24 jaar!) nu wel kon lozen, maar vergaloppeerde zich als een uitgerangeerde huzaar. En eveneens zijn bentgenoten.

Ik had er niets over kunnen zeggen, het voor me kunnen houden, het opkroppen in een vakje ‘onverwerkte woede’ en proberen over te gaan tot de orde van de dag. Maar het moest er deze keer wél uit. Iedereen weet er inmiddels van. Dat laat echter onverlet er een eigen oordeel over te vergen. Bij deze….

26.4.22 Gek van paardenstek Afgelopen zondag was het voor de derde keer de Nationale Dag van de Paardenbloem. Het is ontstaan vanwege de slechte naam die deze bloem heeft. Ik kan mij dat wel een beetje indenken. Het is ook een irritant, overal opduikend, onwijs geel bloemgeval, dat vooral cultuurminnende tuiniers tot wanhoop en razernij brengt en hen onverwijld naar de schop of de gifspuit doet grijpen om ze enkele reis bloemenhemel te zenden. Ik Ben Niet Z’on Tuinier! Ik houd juist van de paardenbloem en heb er veel voor over om hem in de tuin te krijgen. In combinatie met het madeliefje, de pinksterbloem, het vergeet-me-nietje, de ereprijs, duizendblad, weegbree, herderstasje, zegge, hondsdraf, rode klaver, vingerhoedskruid, dove netel, zandraket, het driekleurig viooltje, muur, bigge- en havikskruid, de koekoeksbloem, haagwinde, lathyrus en uiteraard heel veel boterbloemen zorgt ze voor kleur en fleur in onze tuin. Ze zijn me allemaal even lief. Inmiddels zijn de sneeuwklokjes, de bosanemonen en het speenkruid uitgegroeid. Maar ik moet me beperken tot de paardenbloem, hier in deze streek ook wel de paardenstek genoemd, wat al niet vleiend aan doet.

Als kind al plukte ik regelmatig een bosje paardenbloemen, maar reeds bij thuiskomst hingen ze slap neer. De paardenbloem verdomd het gewoon om als sierbloem in de huiskamer te staan. Ja, dan vraag je er ook om! Voor op tafel bedacht de mens andere bloemen, die ze grootschalig teelt om ze via de veiling en bloemenwinkels bij de mensen thuis te brengen. Maar de bloemenindustrie is niet minder bedenkelijk dan de fastfoodmarkt en de kwantitatieve bulk van de goedkope stores. Erg is het hoeveel gif en conserveringsmiddelen er worden gebruikt om een aantrekkelijk product te realiseren en nog erger is het om te zien hoe die met zoveel zorg en kosten (energie, personeel, vervoer) verbouwde bloemen als ze niet genoeg geld opleveren linea recta de vuilcontainer in gaan. Het is tekenend hoe makkelijk mensen een bosje tulpen, lelies of rozen kopen, terwijl ze hun hoofd wegdraaien van bermen die vol staan met de meest prachtige, maar ongecultiveerde bloemen.

In de jaren zestig van de vorige eeuw werd er van de paardenbloem gezegd dat je bij inname ervan hallucinaties kon krijgen. Hoe een en ander werkte en wat men daar voor nodig was, weet ik niet. Mogelijk ligt de oorsprong van deze mythe bij The Rolling Stones. Zij zongen namelijk over Dandelion, het Engelse woord voor paardenbloem. Via Collins Dictionary en internet heb ik echter niets kunnen vinden over de bedwelmende werking van de paardenbloem. Wél dat het geneeskrachtige stoffen bevat die een zuiverende werking hebben op de lever. Ik vermoed dan ook dat Michael Phillip Jagger & Keith Richards de tekst van Dandelion hebben geschreven onder invloed van de extracten van hele andere planten. Een recenter lied over de paardenbloem is van de Canadese zangeres Ruth B. Haar hitsingle is getiteld Dandelions. De zangeres bevindt zich in het lied in een veld vol paardenbloemen en hunkert naar haar grote, onbereikbare liefde. Ze haalt God er zelfs bij om dit te verwezenlijken, maar veel verder dan het paardenbloemveld als behang voor haar niet te stillen honger naar de liefde komt het niet. In de grote Nederlandse dichtkunst is de paardenbloem ook al ver te zoeken. De Groningse dichter en rozenteler C.O.Jellema noemt het als vergelijk om de hoger gerangschikte morgenster te bezingen. Bij de lichtere poëten duikt de paardenbloem wel regelmatig op; de ene keer als onkruid, de andere keer als goudgele graskoningin. Doe nou maar gewoon, denk ik, als iemand zo uitvaart. Voor mij is de paardenbloem een sieraad in het veld die ik tijdens het lopen zoveel mogelijk ontzie. Het is bovenal een zeer belangrijke bloem voor insecten, vlinders, bijen en hommels én voor de groei van nestvogels. Kortom, zonder paardenbloemen zou het er in de wereld een stuk saaier en kleurlozer uitzien. Ik zou het de zonnebloem voor fijnproevers willen noemen. Was Vincent van Gogh er maar voor door de knieën gegaan, dan had het er vast veel beter uitgezien voor deze prachtige veldmedaillon.

24.4.22 Gevalletje postverkeer Tegen een uur of negen ga ik gewoontegetrouw met Rossi naar buiten voor zijn avondplas en teruglopend kijk ik dan ook altijd even in de brievenbus. Een onnodige handeling, want de postbezorger komt in de weinige gevallen tegen de middag of iets erna. Soms doet iemand uit het dorp buiten die tijden iets in de bus of bezorgt een fout geadresseerde brief, maar dat zijn echt uitzonderingen. Gisteravond was dat zo eentje. Er lag iets in. Weer binnen zag ik dat het een kaart was van het bezorgbedrijf Postnl. Het bleek, zo stond op de kaart, dat geadresseerde rond 18.4.22 (vetgedrukt) een poststuk had verstuurd waar te weinig postzegels op waren geplakt. De kaart ving jolig aan met Oeps… dus een grote misstap was het nu ook weer niet. Of geadresseerde het bedrag te weten 3euro84 maar even wilde overmaken. Ik keek ervan op. Ik herinnerde mij niet rond 18 april jongstleden iets van een poststuk te hebben verstuurd. Maar na enig peinzen schoot me te binnen dat wij mijn schoonzus, de zus van mijn vrouw, een verjaardagskaart hadden gestuurd en stom-stom achteraf, ik had onze postcode en adres op de achterkant geschreven. Dát moest het zijn. Ik liet de Postnl-kaart aan mijn vrouw zien. Als door een wesp gestoken riposteerde zij het niet te betalen. Geen denken aan! Ze zou maandag meteen wel even bellen. Wat dachten ze dáár wel. Omdat ik weet dat zulks niet helpt (kleine David tegen reus Goliath), besloot ik mijn gram op een andere manier te spuien. Want hoe had het kunnen gebeuren dat ik te weinig porto had betaald? Mijn vrouw kiest doorgaans de te versturen verjaardags-, beterschaps- of steuntje-in-de-rugkaarten. De naar haar zus verstuurde kaart had ze in dit geval uit de kaartenmolen bij de supermarkt geplukt. Bijgesloten zat een postzegel. Lekker makkelijk. De bekende zachtblauwe tronie van onze koning. Nog liever zou ik een kaart persoonlijk langsbrengen dan voorzien van deze spuuglelijke zegel, maar ruilen leek mij niet mogelijk. Niet wetende -noodzakelijke kennis komt vaak te laat- was dat deze ene postzegel dus niet genoeg was voor het klusje. Dat kon, las ik toen ik de benodigde gegevens omtrent het bewuste poststuk inkeek, ook te maken hebben met de omvang er van. Maar dat leek me onmogelijk. Dan zou het minimaal 32 bij 22 centimeter moeten zijn en dat was het absoluut niet. Nee, het was alleen het gewicht, vermeldde de gegevens. Dit kon volgens mij nooit veel meer dan de maximale 20 gram voor een poststuk met een nummer-1-zegel zijn. Het bedrag bestond uit 1 postzegel te weinig + administratiekosten, samen 3euro84. Toen ik hier over na zat te denken, leek het mij niet uitgesloten dat de kaartenfabrikant en de postbezorgdienst tot een heel lucratief spelletje hadden besloten. Als elke aldus te weinig bezegelde kaart beboet zou worden met 3euro84, dan zou dit nog aardig aanlopen. Een vorm van belangenverstrengeling, dat zich heel makkelijk uit betaalt. Daarenboven is er geen alternatief tussen zegel-1 en zegel-2. Vroeger kon je met diverse postzegelwaarden nog een heel eind komen. Nu wipt zegel-1 (96 eurocenten) meteen over naar zegel-2 (192 eurocenten). Ik wil er geen halszaak van maken en zal in elk van de drie aangegeven vakjes op de kaart een postzegel plakken en de resterende zegel op een lege plek elders op de kaart. Ik voeg mij naar de letter van hun wet, maar zinspeel wel op lavendelzoete wraak. Mijn verjaardag komt namelijk in zicht en ik weet wel zeker dat ik ook dit jaar weer een stapel kaarten zal ontvangen. Ik zal en nu zélf al die kaarten nogmaals in de bus kunnen doen en ze daarna andermaal ontvangen. Want wat is er heerlijker dan post ontvangen… Hoe eenvoudig kan een mens zichzelf fêteren? Overigens is dit ook voor de postbesteller een douceurtje, want de papieren post loopt met rasse schreden terug, wat zeg ik: het is een zinkend schip! Dat is alleen drijvend te houden als men als adressant bij tijd en wijle een reddingsboei uitgooit. Ik zit er zelfs aan te denken om ze daarna nog een keer in de gleuf van die gezellige oranje bus te schuiven. Of maak ik het dan te bont? Krijg ik dan een boete voor frauduleus handelen, voor vals spel of voor het laken van de postale regels? De grap is het mij wel waard. Ik moet hier nog even over nadenken. Ondertussen zoek ik naar wat overgebleven kerstzegels die samen het bedrag van 3euro84 vormen. Of iets meer, want oeps… dat komt er voor mijn gevoel niet zo op aan.

22.4.22 I. M. Henk Lanting Via tv-Drenthe werd de kijker deze week verwittigd van de dood van Henk Lanting. Ik was één van die kijkers. Ik schrok, want Henk -wij noemden hem altijd Henkie- was nog niet zo oud en had naar mijn weten redelijk gezond geleefd. Eerlijk gezegd heb ik daar geen goed bewijs van, maar in de dagen dat wij jongeren matiging niet echt beleden, viel hij niet op door buitensporige inname van het een of ander. Henk was een beetje de spil en de hoofdzanger van de popband Child of Nature. Daarnaast speelde hij akoestische gitaar en af en toe fluit. De fluit (meestal dwarsfluit) heb ik in de popmuziek altijd een irritante fremdkörper gevonden. Het geblaas van mensen als Ian Anderson (Jethro Tull), Barry Hay (Golden Earring) of Thijs van Leer (Focus) waren aan mij niet besteed. De stijl van The Child (zoals de fans ze al gauw noemden) was Pink Floydesk, Moody Bluesachtig, Steely Danerig + een flinke scheut Engelse folk. Aangename muziek. In het Drentse muzieklandschap vielen ze op, of zo men wil ‘uit de toon’. Want ze deden niet aan opportunisme, aan het zich plooien naar de wensen van de op hits beluste muziekscouts voor de Westerse radiozenders. In Grolloo, de woonplaats van Henk, was het vooral blues wat de klok sloeg. Blueskoning Harry ‘Cuby’ Muskee woonde er immers en daardoor kwamen er regelmatig andere blues & popcoryfeeën aanwaaien. John Mayall, Van Morrison, Eddie Boyd, Jan Akkerman enzovoort. De band repeteerde ook bij Henk thuis aan de Amerweg 28 in Grolloo. Elke zaterdagmiddag. Omdat ik niet graag thuis was, reed ik soms op een zaterdagmiddag op mijn Sparta naar Grolloo en bezocht zo’n repetitie. Het was natuurlijk niet de bedoeling dat Jan en alleman maar binnen liepen, want dan zou er van nieuwe nummers maken en samen instuderen weinig terechtkomen. Maar ik speelde in die tijd zelf ook en misschien zagen ze in mij geen stoorzender. Soms vroeg iemand van de band mij wat ik van een nummer in wording vond. Ik gaf dan mijn mening en daar werd denk ik wel naar geluisterd. Mijn Dylan-liedjes en eigen hersenspinsels zeiden hun minder. Dat nam niet weg dat ik meerdere keren in hun voorprogramma of tussendoor heb mogen optreden. The Child hield op te bestaan in 1976. Henk ging verder als Drentstalige folkzanger. Maakte enkele cd’s en tekende en schilderde. Dat deed hij ook al in de boerderij waar de Child repeteerde. De muren van de stallen, waar kort ervoor nog de koppen van zijn vader’s koeien langs schuurden, waren voorzien van prachtige landschappen. In de pauze van de repetities dronken ze er een pilsje. De moeder van Henk bracht ons hapjes en uitte soms stilletjes haar bezorgdheid. Het was de tijd van de nieuwe zweefmiddelen en zij las daar natuurlijk weleens over in de krant. Stuff, wiet, lsd. Dat de jongens daar maar vanaf zouden blijven. Na de repetities gingen ze naar dorpscafé Hofsteenge en aten er en dronken bier. Ik ben nooit mee geweest. Het was niet mijn ding en bovendien was ik niet echt one of the boys. Ik kwam Henk later een paar keer tegen bij een concert. Onder andere bij The Everly Brothers in de Oosterpoort in Groningen en bij een folkfestival in de bossen bij Grolloo. De laatste keer dat ik hem langdurig sprak was in de studio van rtv-Drenthe. De Drentse omroep had een avond + nacht georganiseerd met musici en schrijvers/dichters, dewelke live op de radio werd uitgezonden. Er reisden meerdere clubjes van 3 á 4 acts door de provincie die her en der optraden. Ik herinner me dat we onder andere Balloo, Dwingeloo en Oosterhesselen aandeden. Het was de bedoeling dat we iedere keer hetzelfde programmaatje zouden doen, maar ik week hier spontaan van af en dat maakte Klaas Kleine -die optrad en ons tevens vervoerde- nogal korzelig. Mijn lichte opstandigheid werd mede ingegeven doordat hij bij elk optreden minstens één borrel tot zich nam en dat was ook niet volgens de afspraak. Daardoor arriveerden wij tegen twee uur met een lichtelijk aangeschoten chauffeur bij de eindbestemming, de studio. Hier trof ik onder andere tot mijn verrassing Henk Lanting. Hij trad hier als een van de afsluiters van het programma op. Wij hebben tot de vroege ochtend zitten filosoferen over van alles en nog wat. Ik moest die ochtend om 6.00 uur in de vroege dienst bij de aanstekerfabriek werken en reed tegen half zes nog vol van de lange nacht derwaarts. Dat was geloof ik de laatste keer dat Henk gezien en gesproken heb.

Op dit moment kunnen vrienden en bekenden persoonlijk afscheid van hem nemen, vermeldt de advertentie in de krant. Het zal er druk zijn, want Henk was geliefd. Ik kan zulke bijeenkomsten niet aan. Het zien rouwen of huilen van verdriet kan ik bijzonder slecht verdragen. En nu ik het er over heb: vanmiddag hoorde ik dat Jan Rot ook dood is. Hij was al lange tijd ziek. Hij liet zijn aangezegde dood niet ongenoemd. Ja, het wordt leeg in het Huis van de muzikanten. Uit mijn blote hoofd recent overleden toppers: Don Everly, Charley Watts, Gary Brooker, Micheal Chapman. Allemaal eens of meerdere keren aan het werk gezien. Ik beluister hun muziek nog met enige regelmaat. Evenzo denk ik af en toe nog aan Henk en zijn makkers. Misschien moet er aan de boerderij aan de Amerweg te Grolloo te zijner tijd een plaquette komen met: Hier woonde Henk Lanting en ontstond Child of Nature. Want Harry Muskee heeft niet alleen het muzikale erfrecht op Grolloo. Henk Lanting zeker niet minder.

20.4.22 Zo moeder, zo dochter Mijn vrouw was, aangetrokken door een trits helgele banieren met SALE! en 70% KORTING, de betreffende outletstore binnengelopen en omdat we Rossi altijd op onze reisjes meenemen, bleef ik buiten en nam plaats op een hardstenen zuiltje in een uitsparing tussen twee zaken. In de schuil, want het waaide een beetje. Rossi ging tussen mijn voeten in de zon liggen. Vlak naast me bevond zich het terras van een eat&drinkcorner (zo stond het tenminste op de luifel) en aan het tafeltje waar ik mij het dichtste bij bevond zaten twee vrouwen. Ik taxeerde ze op vriendinnen, waarvan de een iets ouder was dan de andere. De wind voerde hun gesprek mijn kant op. Alras kwam ik er achter dat het moeder en dochter waren. Dat heb je wanneer dochter ouder wil lijken dan ze is en moeder juist jonger. Ik vermoed dat vrouwen dat veel beter doorhebben dan mannen en dat mannen zich daardoor makkelijk laten misleiden. Ze dronken thee. ‘Deze is tenminste te zuipen’, hoorde ik de dochter met duidelijk Westerse tongval zeggen. De moeder zweeg. ‘Die thee die ik vanochtend bij dat ding daar aan het water had was zo beroerd en dan ook nog drieënhalve euro durven vragen. Laat ze de tering krijgen’, schold ze. ‘Is ook zo’, zei de moeder dromerig. Ze waren een poosje stil. ‘Weet je wat ik weleens doe als ik mij bekocht voel’, zei de moeder, amper voor mijn niet bedoelde oren hoorbaar. ‘Dan pik ik weleens wat mee’. ‘Mammm!’, reageerde het meisje. Maar er ontglipte haar ook een schriel lachje. ‘Wat neem je dan mee?’, zei het meisje zachtjes. ‘Nou een lepeltje ofzo of een bordje. Gewoon als een soort vergoeding. Zo van jullie naaien mij, ik naai jullie. Niet uit wraak ofzo, maar gewoon uit een soort van genoegdoening’. ‘Daar heb ik nooit iets van gemerkt’, zei het meisje. ‘Maar dat is toch stelen, dat kun je toch niet maken. Goh, ik wist dat nooit’. ‘Het zijn ook nooit van die grote dingen hoor. Altijd kleine dingetjes die ze niet zo snel missen’. ‘Heb je vanmorgen ook wat gepikt dan?’, zei het meisje voorzichtig. Het bleef even stil. Toen zag ik tersluiks dat ze haar tas opende en er een spuitbusje uit tevoorschijn toverde. ‘Dit’, zei ze bijna triomfantelijk. Het meisje schoot in de lach en kraaide wederom ‘Mammm!’. ‘Waar heb je die gepikt dan?’ fluisterschreeuwde ze. ‘Van het toilet’, zei de moeder bijna jolig. ‘Nou ja!’, zei het meisje nu duidelijk bozig. ‘Ik vind dit niet leuk. Dit moet je niet weer doen, mam. Er hangen tegenwoordig overal camera’s en als ze je snappen, ben je de klos en zit je er de rest van je leven mee’. ‘Wij komen hier toch verder nooit en bij ons hoort niemand ‘d er wat van’, verdedigde de moeder zich. ‘Tjonge, wat ben jij simpel zeg. Dat noemt zich mijn moeder. Ik schaam mij kapot’, zei het meisje en ze stond op en zei dat ze ging afrekenen en dat ze nog even naar het toilet moest. De moeder nam een sigaret uit haar pakje en stak het aan. Een gewone vrouw. Goed in de kleren. Niets op aan te merken. Rossi werd een beetje ongedurig. Even later kwam mijn vrouw weer uit de winkel. ‘Zat niets bijzonders bij’, zei ze. Juist op dat moment kwam het meisje ook weer naar buiten. Haar gezicht stond strak. Ze wenkte haar moeder die rustig opstond en met haar meeliep. Ze liepen voor ons aan. Een meter of vijftig verderop zag ik het meisje iets aan de moeder overhandigen. Ze keek hierbij eventjes schichtig om haar heen. Ik deed net alsof ik een vogel voorbij zag vliegen. Ze moest de kneepjes van het vak nog wel leren, maar het begin was er. Over de kwaliteit van de thee had ik hen overigens niet horen klagen. Kennelijk maakte dat voor de genoegdoening niet uit. Op den duur wordt het een gewenning en is het geen vergrijp meer. Heb ik mij er weleens aan bezondigd, vroeg ik mij al kuierend af. Nee, ik geloof het niet. Ik heb als voorbeeld nooit uit een vorm van wraak een cd of een boek gepikt in een winkel waar ik kort ervoor een belabberd exemplaar had gekocht. Dat zou wat zijn! Ik had plezier om die gedachte. ‘Wat heb je te lachen?’, zei mijn vrouw. ‘Ach binnenpretje’, zei ik. ‘Heeft niets om het lijf. Ik ben gewoon vrolijk’ en ik zei dat ik heel veel van haar hield. ‘Gelukkig maar’ zei ze. En zo werd het al met al een hele aardige middag.

17.4.22 Per seconde grijzer In een heel ver verleden heb ik getekend en geschilderd. Eigenlijk mag het die naam niet hebben, want ik volgde een cursus en voordat ik deze geheel doorlopen had, was ik al gegrepen door muziek en poëzie en liet ik het schilderen en tekenen voor wat het was. Is er aan mij een groot kunstenaar op het platte vlak verloren gegaan? Nee, volstrekt niet! De in de cursusboeken getoonde werken van beroemde voorzaten waren voor mij veel te hoog gegrepen, ofschoon ik in Vincent van Gogh nog wel een voorzichtige gelijke vond. Hij was immers ook geboren in een boerendorp, leefde in grote onmin met zijn vader en ontvluchtte op jonge leeftijd het ouderlijk huis. Hij ging eerst naar Den Haag, toen naar Brussel, Parijs en daarna naar Londen en Ramsgate. Ik wilde min of meer hetzelfde. Bob Dylan, die mijn liefde voor de schilderkunst innam, was al net zo’n zwerver en eigenlijk waren al mijn latere favoriete muzikanten nogal uithuizige typen. Toen ik eind jaren zestig in een boekenstalletje op de Asser markt de beduimelde pocket Vincent van Gogh van Leo de Laforgue kocht, kwam ik er al snel achter dat het leven van Vincent van Gogh zeer armoedig, treurig en bovenal slopend is geweest. Dat zou geen mens toch ambiëren? Als een mens zó aan zijn centen moest komen, dan tekende ik daar liever niet voor. To be an artist, leerde ik hieruit, was toch wel iets meer dan wat gekwast; het was in eerste instantie een manier van leven en bovenal een niet te remmen drang tot creëren. Nee, dan priegelde ik liever op een gitaartje en zong er wat wijsjes bij. Door het bezoeken van museums verdween die schildersdrang sneller dan ze ooit ontstond. Een jeugdzonde wil ik het ook weer niet noemen, eerder een mislukt probeersel en wat ik er van overgehouden heb is een summiere kennis van kwasten en tuben verf. Niet dat ik dat uitdraag, maar het losjes noemen van het merk Rembrandt doet bij menig kunstschilder de ogen openen. ‘Schildert u ook?’, zegt de zich schilder noemende dan geïnteresseerd. Ik wimpel het af, heb al teveel gezegd. Ik ben nu dik vijftig jaar ouder en geniet van andermans en -vrouws artistieke producten.

Vanmiddag begaf ik mij naar ons kleine kerkje, eenzelfde als welke Vincent van Gogh gedurende zijn korte Drentse tijd heeft getekend. Er was de jaarlijkse kunstmanifestatie. Drie kunstenaars vertoonde er een klein deel van hun werken. Drie kunstenaressen, waren het. Ik zeg dit bewust, omdat de kunst vroeger vooral beleden werd door mannen en het zijn nu juist vrouwen die zich artistiek en veelal zeer bekwaam uiten. Naast de kunstenaars die in het midden aan een tafel gezellig zaten te praten, liep een man foto’s van de objecten te maken. Hij bewoog zich in allerlei bochten om de objecten zo goed mogelijk te vereeuwigen. Eén van de dames vroeg hem of hij misschien voor een krant ofzo werkte. ‘Nee’, hoorde ik hem zeggen, ‘ik werk op freelance basis’. In feite verdient zo iemand dus aan de kunst van een ander en zou er eigenlijk voor moeten betalen. Ik begrijp wel dat je dat als kunstenaar niet doet, want zo’n man biedt de foto’s misschien aan aan een grote krant of tijdschrift en wie weet levert dat naamsbekendheid en verkoop op. Maar helemaal eerlijk vind ik het niet. Kort hierna liep hij zonder veel te zeggen het kerkje uit en begaf zich mogelijk op weg naar een volgende locatie. Misschien is mijn beeld niet helder, is het door de jaren heen met de seconde grijzer geworden, doordat de wereld van het grote geld zich meester heeft gemaakt van de kunst. Toen ik voor het eerst in Otterloo langs de schilderijen van die hele grote impressionisten liep (in 1979 was het), had ik nog geen idee voor hoeveel miljoenen daar aan de muren hing en de prijzen zijn sindsdien krankzinnig gestegen. Daar begrijp ik dus niets van. Voor een prachtig werkje van Wilma van der Vliet betaalt de kunstliefhebber een paar honderd euro. Voor mij is dat best veel geld, maar rekent men materiaal en werkuren, dan kan het amper uit. Van Gogh maakte in zijn hoogtijdagen een schilderij per dag en die leveren nu miljoenen op. Misschien hangt er binnenkort een Van der Vliet in het Drents Museum, naast een bewerkte foto van Sonja de Ridder. Ik zou het mogen lijden.

13.4.22 Kranig werk Eén van de minder aardige kanten van het leven is dat het niet altijd even gladjes verloopt. Heel lang gaat het goed en opeens breekt er ergens in die wonderlijke constructie van organen, adertjes en vaatjes een amper zichtbaar spiertje en de hele santenkraam begint te kraken en te piepen. In vroegere tijden was daar dan weinig aan te doen. Men leed hartverscheurend en legde al spoedig het loodje. Pas een dikke eeuw geleden ontstonden de eerste doelmatige hospitalen. De eerste vrouwelijke artsen werden pas rond 1900 -mede dankzij de vasthoudendheid van onder andere Aletta Jacobs- geaccepteerd. Dat is nu bijna niet meer voor te stellen. De medische wetenschap is zeer innovatief en dat heeft er toe geleid dat de Nederlander nu gemiddeld een jaar of tachtig wordt. Dat is mede een verdienste van al die mannen en vrouwen, van hoog tot laag, in de zorg, die ons bijspijkeren als het even tegenzit. De laatste jaren heb ik daar enig inzicht in gekregen.

In kamer nummer 53 werd mij meteen na binnenkomst uiterst vriendelijk de werkwijze uitgelegd: U dient zich uit te kleden op onderbroek en sokken na en trekt dan het speciale ziekenhuisbedjasje aan. Dit is een vreemd kledingstuk dat men aan de achterzijde dicht moet knopen. Hierna gaat u in bed liggen en wacht de verdere gebeurtenissen af. Tien jaar geleden had ik nog maar één keer een opname in een ziekenhuis meegemaakt. Dat ging om slechts één overnachting en was in het oude Wilhelmina Ziekenhuis te Assen. Nu bevond ik mij in het nieuwe, door ons gewoonlijk Willemien genoemd. Na mijn zestigste ben ik tegen mijn zin begonnen de achterstand in de halen. Ik zeg dit voorzichtig, want ik weet hoe wreed woorden als het over lijden gaat aan kunnen komen. Hoe makkelijk wenst een onverlaat iemand niet de tering, de kanker of de tyfus, maar eenmaal zelf aan de beurt piept de grofgebekte wel anders. Ik bezig het woord ‘achterstand’ omdat een mens op zekere leeftijd van collega’s, vrienden, familie, kennissen of wildvreemden al een brede waaier aan ziekten over zich heen heeft gekregen voor hij/zij zelf aan de beurt is. Er valt in het mensdom niet als laatste het beste te lachen. Maar goed, ik deed wat mij gevraagd werd en wachtte af. Altijd spannend, een kijkje in je binnenwerk. Mijn buurvrouw moest hetzelfde lot ondergaan. Twee verpleegsters reden haar naar de onderzoekskamer. Ik volgde een klein uur later. We passeerden elkaar bij de ingang van de onderzoekskamer. Het viel me op dat het team alleen uit vrouwen bestond en dat er een soort vrolijkheid heerste die zij waarschijnlijk niet uit de studieboeken hadden geleerd. Van de zes waren er twee in opleiding. Overigens, bij mijn vorige opnamen trof mij eenzelfde luchtigheid. Dat maakt het verblijf in een ziekenhuis allang niet meer tot een bezoeking. In vroegere tijden stond de artsenij voor gewone stervelingen op eenzame hoogte. Dat is gelukkig niet meer zo. Toen begon het katheteriseren. Ik moest mij op de tamelijk smalle onderzoekstafel heffen. Er werd mij verteld hoe en wat men ging doen. Een voor het oog miezerig slangetje zou via mijn polsslagader worden ingebracht en naar mijn hart gedirigeerd en aldaar zou worden bekeken hoe de boel erbij lag. In een floep en een zucht was het slangetje op de juiste plek. Het contrastvloeistof zorgde voor een goed beeld. Een grote röntgencamera roteerde op aanwijzingen van de hoofdarts als een robotkraan boven en naast mijn borst en hoofd. Dat gaf me wel een onrustig gevoel. ‘Houston, we have a problem’, flitste meer dan eens door mij heen. Hoe vaak kunnen dingen niet fout gaan? Alles blijft uiteindelijk mensenwerk. Ik hield goed in de gaten dat er in het hang-en raderwerk aan het plafond niet plotseling een boutje los zou schieten en dat ik daardoor onder het apparaat verpletterd zou worden. Na een half uur waren de vaten en het hart voldoende geïnspecteerd en mocht het slangetje er weer uit. De hoofdarts liep daarna de videobeelden met mij door en vertelde er het een en ander bij. De verpleegsters keken gespannen toe. Anatomische les on the spot. College met bewegende beelden. ‘U mag aantekeningen maken hoor’, zei ik, om de spanning te breken. Er werd gelachen. Ik was interessant lesmateriaal. Er waren geen onregelmatigheden in mijn aderen en hart te zien. Ik kon nog jaren mee. Zou dit kunnen komen omdat ik al meer dan de helft van mijn leven niet meer rook en nog zelden alcohol nuttig? Mogelijk, zei ze. ‘Bij straffe rokers zien de aderen er soms uit als kralenkettingen – hobbelig en ruw. Die van u zijn nog mooi glad’. Alleen de linker hartkamer ligt enigszins verstopt en was daardoor moeilijk te bereiken. Maar dat komt vaker voor, zei ze. ‘Ach ja, de linkerkant weer hè’, zei ik. Er werd hard gelachen en er werden grapjes gemaakt. Ik mocht weer overeind komen en licht gesteund door een van de verpleegsters kroop ik terug in mijn reisbed. En daar gingen we weer. Door de lange gangen, nog net niet door passerende bezoekers toegejuicht en terug naar de dagverblijfzaal. Nog een paar uur nablijven om de wond genoeg te laten dichten en dan mocht ik naar huis. Ik belde mijn vrouw. Opgelucht regelde zij een taxi om me later in de middag op te halen. Het was al met al een enerverende dag.

8.4.22 In de mensaap gelogeerd Sommige mensen kuieren met het grootste gemak door het leven. Die zijn erbij. Misschien hebben ze wel eens wat, maar houden ze het stijf onder de pet om de schijn van onkwetsbaarheid op te houden. Geeft niet. Daar zijn ze vrij in. Maar op zeker moment komt toch die bleke man met de zeis voorbij, daar kun je donder op zeggen. Meestal gaat dat met het nodige voorspel gepaard. Hier en daar begint een en ander uit te vallen, ledematen worden broos als suikergoed en het geheel begint te kraken en te piepen. So it goes. Dat iemand met iets zorgelijks onder de leden hier kond van doet is helemaal niet erg en kan mogelijk leiden tot een opbeurend wederwoord. Een vriendelijk placebootje, daar is niks mis mee. Ik ben de laatste jaren ook wat aan het kwakkelen, maar ik zal het toch niet gauw aan de grote klok hangen. Zo lang niemand iets aan mij ziet en ik fier overeind blijf en geen gekke dingen doe, kan ik de vraag ‘Hoe is’t ermee?’ nog steeds rustig beantwoorden met ‘Goed’. Maar soms kan ik er niet omheen – het is te zichtbaar. Dan moet het er wel uit. Het is niet anders.

Gisteren moest ik naar het Wilhelmina Ziekenhuis voor de voorbereidingen van de hartkatheterisatie van volgende week. Tegen zulk soort dingen zie ik niet echt aan. Je bent er in de beste handen, denk ik altijd. Het zijn de zaken er omheen die me veel meer ontregelen. Na zo’n katheterisatie mag je bijvoorbeeld niet autorijden en dus moet je óf door een kennis óf familiegenoot worden gebracht en gehaald óf je besteld een taxi. Daar hou ik al niet zo van. Nu kon ik nog zelf rijden. Ik kreeg voor een goede echofoto van het binnenwerk een infuus met contrastvloeistof ingespoten. Stelde niets voor. Toen het onderzoek klaar was gingen we weer op huis aan. We aten de gewoonlijke kost. Maar na het eten begonnen mijn lippen op te zwellen. Dat heb ik wel vaker en meestal blijft het bij een royale Mick Jagger-look. Geen paniek. Na een paar extra pilletjes slinkt het na een tijdje -het varieert van een paar uren tot een dag- wel weer. Ik ben er al enigszins aan gewend. In mijn werk bij de bloemenveiling kreeg ik op zeker moment enorme pijn aan mijn handen. Er ontstonden blaren op en vooral tussen mijn vingers, mijn nagels begonnen los te raken en over heel mijn lijf ontstonden spontaan rode bulten. Niet fijn om zo de straat over te moeten. Houd dan maar eens vol dat alles goed met je gaat. Hoewel het bedrijf aanvankelijk de ernst van de zaak niet inzag, verwees de bedrijfsarts mij door naar de afdeling dermatologie van het UMCG en na intensief onderzoek en getouwtrek bij de Afrikaanse kwekers van de bloemen waaraan ik mijn ziekte had opgelopen, kwam eruit dat het om een stofje ging dat gebruikt werd voor de conservering van deze bloemen. Dat stofje heet chloorthalonil en was een bij nader inzien verboden middel. Bijna niemand in het hele concern had er last van, behalve ik. Ik voelde me niet zelden de kop van jut die de allergielast droeg van al mijn collega’s. Toen ik met dat werk stopte, hielden als vanzelf de klachten op. Een jaar of zes later kreeg ik plotseling opnieuw allergische klachten en in dit geval opzwellingen. Vooral rond mijn mond en mijn handen. De huisarts stuurde mij door naar Willemien en de dermatoloog aldaar recommandeerde het UMCG. Beetje terug bij af dus. Nu heeft de allergologische afdeling van het Groninger ziekenhuis een lange wachtlijst. Eén van de redenen is dat voedsel en gebruiksspullen steeds meer chemische stoffen bevatten waar veel mensen niet goed tegen kunnen. Dat zal bij mij mogelijk ook wel het geval zijn. Vooral nu ik door malheur met het hart en mogelijk de bloedvaten én om de allergie de baas te blijven een tiental medicijnen per dag slik, vatte bij mij de gedachte post dat een en ander elkaar wel eens aardig kan opjagen. Mijn huisarts deelde mijn zorg wat betreft deze medicijnenheksenjacht in mijn lichaam niet en ook de arts bij Willemien zei dat hier geen sprake van kon zijn. Toch benauwt het me. Vannacht was de zwelling heviger dan ooit. Ik heb niet anders dan anders gegeten en toch geleek mijn tronie op dat van een bejaarde orang-oetan. Toen wij beiden tegen drie uur opstonden voor de gewoonlijke blaaslediging, schrok ik enorm. Zelden zo’n geprononceerd hoofd gezien. Mijn vrouw schrok zich helemaal wezenloos. Bijkomend probleem is dat door de gelaatsopstuwing mijn ogen naar binnen worden gedrukt, waardoor ik als het ware tegen mijn wangen aankijk. Ik waan me ongewild in de wereld der woudreuzen. Geen verheffende gedachte moet ik zeggen, al trekken veel (met name stoere jongens en rusteloze mannen) zich nogal eens uiterst knullig op tegen deze aardige dieren. De evolutie heeft ervoor gezorgd dat de mens een open zichtveld heeft. Dat is een groot voordeel. Het voelt nu alsof ik continu over een richel kijk waarachter ik mij verschanst houd. Maar ik ben het langzamerhand schijtzat. Gelukkig slinken mijn wangen met het uur en zal mijn toet morgen wel weer helemaal de ouwe zijn. Het blijft niettemin uitermate vervelend. Volgende week het UMCG maar weer eens bellen en vragen hoeveel wachtende overgevoeligen er nog voor mij zijn.

1.4.22 Werkterrein De wereld is nooit af. Wat dat betreft zijn mensen net dieren; die zwoegen ook onverdroten voort tot ze er bij neervallen. Bevers bijvoorbeeld of mieren. Dat heeft de schepper niet goed geregeld. Hij (of Zij of Het ) had moeten bedenken dat het aardse werk op zeker moment klaar moet zijn en dat het tijd is voor een langdurige pauze. Al was het maar om tot rust en bezinning te komen. Een spirituele time-out. Nu zitten we met de gebakken peren. Enfin, we scharen alles onder de onverslijtbare aanduiding ‘De Vooruitgang’ en leggen ons er kreunend bij neer. Ondertussen jeuken onze handen en knarsen onze hoofden. Dat had toch anders gekund?

Een tijdje geleden belde er ’s ochtends een man bij ons aan. Hij zei dat er binnenkort een nieuwe kabel naar het transformatorhokje -door hem aangeduid als elektriciteitsstation- bij ons achter in de tuin een nieuwe kabel moet worden gelegd en of wij bezwaar hadden dat die evenals de oude kabels (er liggen er twee) onder onze grond door kunnen komen te liggen. Dat hadden we niet. Daarna gebeurde er een poosje niets. Ik kreeg wel een contract via de mail van een tig aantal pagina’s toegestuurd, die ik zelf even moest kopiëren en daarna ondertekend terug sturen naar het hoofdbureau te Amersfoort. Dat heb ik gedaan. Afgelopen vrijdag kwam er een jongen vragen of het gelegen kwam dat ze komende dinsdag met de klus zouden beginnen. Mijn best, zei ik . En als er schade in de tuin op treedt, dan kunt u dat gewoon melden en dan mag dat door een hovenier op onze kosten worden hersteld, zei hij. Ach, zei ik, dat zal toch wel een beetje meevallen. In het contract wordt immers gesproken van een werkstrookvergoeding van twee meter die nodig is om de werkzaamheden uit te kunnen voeren. Dat heb ik ons tuintje nu overziend wat te licht ingeschat. Dinsdag -ik was net op- zag ik een jongeman in een oranje werkjas en voorzien van een bouwhelm enigszins fronsend naar ons hekje en naar onze oprijlaan kijken. Aan de straat zag ik een hydraulische kraan staan. Niet meteen de allergrootste, maar voor in een tuin als de onze is zo’n machine toch al gauw fors. Het apparaat was van het type dat zich voortbeweegt op rupsbanden. Ik nam polshoogte. De jongen vroeg mij waar hij het beste met de kraan langs kon om bij de plek te komen waar hij moest graven. Dat bleek eigenlijk alleen te kunnen tussen de hulstboom en de gouden regen door. Omdat hij vanaf onze oprijlaan hier naartoe een haakse bocht moest maken, schoof hij een gedeelte van het middenpad weg. Daarna veroorzaakte hij een breed spoor tussen de genoemde struiken. Het zou hier niet bij blijven. Het gat zou twee bij twee meter worden en ook ongeveer zo diep. Die ruimte was er niet zomaar. Er moesten eerst enige op die plek groeiende rododendrons worden verwijderd. Het graven van het gat leek geen problemen te geven, tot de voorsteker -een iets oudere jongen- met zijn schop tegen een buis stootte. ‘Die staat niet op de tekening’, zei hij. Vreemd. ‘Misschien een oude rioolbuis’, zei ik. Maar het is van pvc en dus kon het nog niet zo heel oud zijn. Ik zei de buis niet te kennen, van niets te weten. De werkzaamheden werden gestaakt. Er kwam een andere man, wel met een oranje jas maar zonder helm, hetgeen bij mij de gedachte deed opkomen dat hij belast was met een hogere binnenbaan. Hij bekeek het gat met buis aandachtig en zei eveneens dat dit vreemd was. Daarna ging hij weer weg en zag ik hem niet meer terug. Inmiddels liep het gat vol bruin water. Het kraantje was inmiddels enige keren heen en weer gereden, want verderop in het traject moest er ook worden gegraven en men beschikte over slechts één machine. Bij elke toer werd het spoor een beetje breder en ook dieper. Ik vreesde al dat de gouden regen het mogelijk niet zou overleven. Vanaf het gat had hij -conform het contract- een iets minder diepe geul dwars door onze tuin naar het hokje gegraven en die zou toch net als het gat voor in de tuin ook weer dicht moeten. De jongen op het kraantje werd ook steeds driester. Alsof hij wel wist dat er aan ons tuintje toch geen redden meer aan was. De volgende dag kwam er een enorme trekker met een soort giertank om het gat leeg te pompen. De chauffeur plaatste het gevaarte tot vlakbij onze heg. Er lag, zo zei de tonronde chauffeur, een onvoorziene rioolbuis en die moest worden leeggepompt. Daarna duwde een andere grote machine en eveneens vlak tegen onze heg een mantelbuis van 16 centimeter vanuit het gat door de aarde richting het dorp. Ik aanschouwde met zekere bewondering de verrichtingen. ‘We hebben ze nog wel dikker hoor’, zei de man van het horizontale grondboringenbedrijf. Hoewel het leegpompen en het boren met de nodige tact en voorzichtigheid gebeurde, kreeg onze heg het zwaar te verduren. Wederom een klusje voor de hovenier.

Onze tuin bestaat nu voor een gedeelte uit een landschap van zandbulten, een rioolgat en een geul. De brede giertankbanden hebben zich tot vlak aan onze heg diep in de aarde geplant. Of wij dit vergoed zullen krijgen is zeer de vraag. Een klusje voor de gemeente misschien. Het is nu avond en de mannen zijn weg. Voor ons huis vlak aan de straat en bij de oprijlaan staat een rood-witte geleidebaken en een 30 kilometer snelheidsbord. De mannen hebben ook een paar rood-witte schrikhekken rond het gat geplaatst en verderop in de tuin staat eveneens een geleidebaken. Ik ken die dingen alleen van afgezette wegen. In tuinen worden ze denk ik weinig geplaatst. Maar er zal per ongeluk een automobilist van de weg raken – die moet toch worden begeleid. Dat het gevaarlijk terrein is waarop hij/zij zich bevindt. Of misschien denkt de uitvoerder dat een van ons beiden op een onbewaakt moment in de geul of in het gat zal mieteren. Er wordt in kringen van infrastructurele werken duidelijk breed gedacht. Mogelijk hoort het echter tot de standaard voorschriften. Maar een beetje overzised is het allemaal wel, of nee, eigenlijk is het een beetje te veel van het goede. Alleen vanwege een nieuwe stroomkabel en vanwege een onvoorziene rioolbuis is onze tuin op dit moment het werkterrein van een half dozijn werklieden. Ik ben benieuwd tegen welk obstakel ze komende week aan zullen lopen. Ik hou mijn hart vast.

28.3.22 Thuiskompas Een dilemma: wat ga je doen qua wonen als de gezondheid het langzamerhand laat afweten en je hulp van anderen, van derden, moet inroepen? Een lastige kwestie die veel mensen op den duur te verwerken krijgen. Wij ook. Wij: mijn vrouw en ik. Niet dat we daar al aan toe zijn, maar om je er op voor te bereiden, moet je op tijd maatregelen nemen. Bijvoorbeeld; dat je je moet laten in schrijven in het bestand van woningzoekende(n) om áls het zover is iets vlotter aan een plek te komen. Wij hebben dat vorig jaar toch maar laten doen. Dat heet bij de gemeentelijke woningstichting Thuiskompas en dat moet je elk jaar verlengen. Ik heb dat vorige week laten doen. Het onaangename is dat we hierdoor nog meer verknocht raken aan ons huisje dan we al waren en dat we, als het ooit zo ver komt, er nog met geen tien paarden uit te trekken zijn. Vanmorgen schreef ik een versje over dat gevoel. Van baas zijn over je eigen stek, over je eigen heem, over je omgeving, niet aan de regelgeving van een huisjesmelker hoeven voldoen, geen hogere instantie die alles voor jouw bepaalt. Het gevoel ongebonden te zijn, maar dat noodgedwongen moeten opgeven. Hier komt het:

Moeilijk weggaan ofwel Op weg naar Den Hooge

Wij verstillen gelijkelijk met de tijd. / Ons sprookjeshuis verandert in een loden jas / die zich steeds lastiger om laat hangen, / erin voortbewegen voelt aan als een straf. //

Maar het huis heeft ons niet gegeven: / een rattenplaag, steenmarters, kakkerlakken, vlooien. / Geen vensterglas, dat door hagelstenen, storm of / donderslagen als confetti door de kamer vloog. //

Dat recht heb je om over uit te kunnen weiden, / gezeten in een kamertje in Op Weg naar Den Hooge. / Dat je in dat huis geleefd hebt en geleden, maar dat tevens het geluk jou niet heeft bedrogen. //

Ik zet de voordeur open voor het laatste licht. / Mijn vrouw wil evenmin van weggaan weten. / Vanuit de tuin klinkt geravot van onzichtbaar leven / en aan de horizon verdwijnt de maan uit zicht.

26.3.22 Antistrijderslied Tot mijn genoegen, maar ook zeer zeker verrassing, blijkt plotseling het lied Masters of War van Bob Dylan herontdekt. Veel mensen en niet alleen jongeren horen het vast en zeker voor het eerst. Geen nood. Het is en blijft een zeer sterke, tijdloze aanklacht. Bob Dylan op zijn best als protestzanger, hoewel hij dit label later verguisde. De tamelijk sonore melodie heeft Bob Dylan ‘geleend’ van een ballade dat waarschijnlijk al uit de middeleeuwen stamt. Er zijn meerdere tekstversies van. De Amerikaanse folkzangeres Jean Ritchie heeft het in 1954 tot een eigentijds lied gemaakt en op de plaat gezet. Bob Dylan schijnt deze versie in december 1962 tijdens zijn eerste bezoek aan Engeland gehoord te hebben en schreef er een eigen tekst op. Dat werd Masters of War. Je zou dat plagiaat kunnen noemen, maar Bob Dylan heeft altijd gezegd dat je beter goed kunt jatten dan het zelf slecht maken. Daar zit wat in. Hij betaalde Jean Ritchie er overigens een vergoeding van 5000 dollar voor. Het lied waar Masters of War op is geïnd, is getiteld Nottamun Town en is naast Jean Ritchie uitgebracht door onder andere Fairport Convention en Bert Jansch. Hoewel ik al vroeg fan van Bob Dylan en dan met name van de elektrische Dylan was, kocht ik de plaat welke Masters of War bevat (The Freewheelin’ Bob Dylan) op 12 oktober 1968. Altijd goed om op de hoes van een plaat de datum van aankoop te noteren. Dat geldt trouwens ook voor boeken. Op die manier hou je een soort dagboek bij. Het was de derde langspeelplaat die ik kocht. De eerste en de tweede waren trouwens ook Bob Dylan-platen. Het nummer Masters of War hoorde ik voor het eerst van Pete Seeger. Hij zong al heel vroeg meerdere liedjes van Bob Dylan, maar toen Bob op het Newport Folkfestival van 1965 met een elektrische band verscheen en nogal onbesuisd Maggie’s Farm en Like a Rolling Stone voor het geschokte publiek speelde, liet hij the young poet from New York een tijdje links liggen. De carrière van Bob Dylan ging razendsnel, maar hij hield zich niet aan de belofte de proteststem van zijn generatie te blijven. Hij was wel wijzer. Zou hij in plaats van in juli 1966 in juli 1968 van zijn motor zijn gedonderd en daarbij om het leven zijn gekomen, dan zou hij tot de wat later de 27-club zijn gaan behoren. Dat zijn popartiesten die allemaal op hun 27ste stierven en die mede hierdoor tot in lengte van dagen in de harten en in de hoofden voortleven. Van Robert Johnson, Jimi Hendrix, Janis Joplin tot en met Amy Winehouse. Maar nee, Bob Dylan overleefde zijn ongelukkige val en maakte nog een aantal prachtplaten. Dat een bijna 60 jaar oud liedje van hem opnieuw in de belangstelling staat, doet me deugd. Het zal wis en waarachtig niet te horen zijn in het Kremlin, maar áls dat het geval zou zijn, dan zal het ook geen enkel effect hebben op de desastreuze oorlogsvoering. Want masters of war zijn en blijven van alle tijden. Die zijn niet te stoppen met snoeiharde, gezongen woorden, maar enkel met wapens waar ze zelf om vragen. Oerstomme moordwapens.

23.3.22 Hazenslaapje 23 Maart 1922 – Gisteren besprak de Conferentie te Genua de voorwaarden waarop de handel met Rusland kan worden hervat, met voldoende bescherming van het leven, den eigendom en het kapitaal van buitenlanders die naar Rusland terugkeeren, de kwestie van de wisselkoers komt later aan de orde ………… Slaap overmande me. Door de woorden van het boek begonnen langzamerhand Journaalbeelden te dwarrelen. Vanuit de cirkel van Poetin’s vazallen zag ik plotseling iemand naar voren dringen. Was het een Oekraïense infiltrant, een neo-bolsjewist, een ultra-leninist? Hij wierp zich ruw op de dictator en schoot hem met een minirevolver in de borst. De dictator stortte bloedend neer. Het nieuws van de aanslag was amper bekend of over heel de wereld werden vlaggen uitgerold. Mensen vlogen elkaar huilend om de hals. He is as dead as a doornail!, jubelde BBC-News. Met de eliminatie van het Kwaad was de oorlog zo goed als voorbij. Wat één idioot zoal had kunnen aanrichten… Na Oekraïne was het kleine Moldavië onder de Russische laars geplet, daarna Litouwen en een groot deel van Polen. Maar naast de bezette landen leed het Russische volk zelf ook enorm onder deze oorlog. De onthutste oligarchen waren niet van zins de strijd voort te zetten. Onmiddellijk het vuren staken was hun parool. Wel wilden ze in ruil opheffing van alle sancties, eisten ze hun kapitaal terug, hun bootjes en hun suikerpaleizen en verwachten strenge straffen te ontlopen. Ze hesen zelfs de moordenaar op hun schouders! Nah! Het gerucht ging de wereld al rond dat hij samen met Volodymyr Zelenski de Nobelprijs voor de Vrede zou krijgen….. Ringgg… Ringgg… Ik schrok wakker. Een goede kennis aan de lijn. Hij klonk opgewonden, zei dat hij een gezin uit Kiev wilde opvangen in zijn tuinhuis. Vertwijfeld klapte ik het eeuw-oude boek dicht. Nee, het is nog lang geen vrede, dacht ik.

16.3.22 Een hartig woordje De vlezige machine die mens heet wil net als de metalen machine op zijn tijd weleens haperingen vertonen. In vroegere tijden adviseerde menige pillendraaier Haarlemmerolie als de boel vanbinnen dreigde vast te lopen en in de motorwereld deed Castrol wonderen. Maar beiden garandeerden geen eeuwige levensduur. Naarmate de tijd meer en meer aan mijn binnenwerk begint te knagen, ervaar ik aan de buitenkant de gevolgen. Gisteren overkwam het me voor de tweede keer dit jaar dat er ergens in mijn binnenwerk iets rammelde en korte tijd mij het spreken ontregelde. Een rare gewaarwording, want ik wilde wel van alles zeggen of zelfs roepen, maar wat er kwam was niet meer dan een vreemd soort gemurmel. Mijn vrouw belde met de spoedeisende hulp, die haar niet kon helpen. Wel gebood de telefoniste mij hardop te zeggen: Beter 1 vogel in de hand dan 10 in de lucht. Het kwam er feilloos uit. Het bekwam me alsof ik de boel aan het flessen was. Mijn vrouw wist dat dit niet volstond en daarom belde ze 112. Dit leek me overdreven, want hoewel vervelend, tilde ik er nog niet al te zwaar aan. Na die eerste uitval bezocht ik daags erop onze huisarts en die verwees me door naar de neuroloog. Hij vermoedde dat er sprake zou kunnen zijn geweest van een lichte tia. Ik heb hier eerder over geschreven. De ambulance arriveerde met zwaailichten in werking en de twee verplegers repten zich naar binnen, alwaar ik in mijn leesfauteuil patiënte. Ik voelde me door die twee kolossale, geüniformeerde mannen totaal overrompeld en schrokschreeuwde bijna van ontzetting. Mogelijk was ik op dat moment net weer herstellende. De mannen vroegen wat er aan de hand was. Mijn vrouw deed verslag. Ik moest mijn shirt uit doen en kreeg een tiental sensoren opgeplakt om de stand van mijn hart in kaart te brengen. Die was niet jofel. Er ontbraken hier en daar piekjes, zei de hoofdverpleger. Er werd bloed geprikt en bloeddruk gemeten. Na een half uurtje was de check-up voorbij. Ze zouden de gegevens bij het Wilhelmina Ziekenhuis afleveren. Vanmorgen kreeg ik over de hartgegevens telefonische consult van de cardioloog. Er zou weleens iets met mijn hart kunnen zijn en dat moet nader worden onderzocht. Wij waren even van slag. Om Godfried Bomans te citeren: ‘Een beentje kun je wel missen, een niertje kan er ook wel af, maar van het hart heb je maar eentje. Daar moet je zuinig op zijn’. Dat is ook zo. Daags erop belde onze eigen huisarts; of ik maar even langs wilde komen om andermaal een hartfilmpje te laten maken. Ook hij zag hier en daar wat oneffenheden. Het zou weleens kunnen dat er een gaatje in één van de tussenschotjes van de boezems of de kamers zat. Hij illustreerde dit door met zijn hand stevig tegen de wand van zijn spreekkamer te duwen. Het bewoog heen en weer. Zó moest je dat bij een hart ook zien: te weinig stevigheid tussen de vier compartimenten en een lek daarin zou betekenen dat de bezitter van zo’n hart sneller vermoeid raakt. Dat kon ik wel beamen. Mogelijk heb ik mijn hele leven al met deze lichte afwijking rondgelopen. Het zou raadzaam zijn het lekje op te sporen en het eventueel te dichten. Een niet geheel risicoloos karweitje. Weigeren kan, het is tenslotte míjn hart. Middels katheterisatie via een bloedvat is dit te verrichten. Dat moet dan maar, zei ik. Mijn vrouw was er door van streek. Logisch, zou ik ook zijn als het haar overkwam. Later, thuis, toen het was ingedaald, zei ik dat ik mogelijk wel wist waar dat gaatje in mijn hart vandaan komt. Toen ik nog heel jong was, was ik heel erg verliefd op een meisje maar durfde dat niet tegen haar te zeggen. Zij had namelijk meer vriendjes en onderlinge strijd hing in de lucht en ik was geen vechter. Op een dag liep ik door het bosje van ons dorp. Dat bosje was niet groot, er stonden maar een stuk of tien bomen. In een van die bomen, een jonge beuk, kerfde ik met mijn zakmes -iedere jongen droeg in de tijd een zakmes- een hartje en ons beider initialen. Boven die van haar, beneden die van mij (ik wist mijn plaats). Ik hoopte dat zij het op een dag zou zien en dat er iets groots uit voort zou komen. Maar toen ik een paar dagen later weer door het bosje liep had een snode concurrent mijn naam doorgekrast en het zijne er boven gekerfd. Ik was diep bedroefd. Vanaf toen wist ik dat het nooit meer goed zou komen tussen mij en de wereld en op dat moment voelde ik een hevige pijnscheut door mijn middenrif gaan. Ik kneep mijn ogen dicht en toen ik ze weer opende en naar de schors van de boom keek zag ik dat de pijl weg was. Ik was stomverbaasd. Nu ik er over nadenk moet het recht door mijn jonge jongenshart zijn gespietst. Hoe gruwelijk kan de liefde zijn. Dat is minstens zestig jaar geleden. Die beuk is net als ik volwassen geworden en onze harten zijn meegegroeid. Er staat een bankje in de buurt waar ik soms even op ga zitten. Zomers nestelen er vogels in de boom en altijd denk ik dan: Beter 10 vogels in de lucht en niets in de hand. Hoe het met het meisje is afgelopen, weet ik niet, maar de jongens die om haar vochten zijn voor zover ik weet allemaal uitgevlogen. Alleen ik ben gebleven. Zo zie je maar dat zwakte ook sterke kanten kan bevatten. Maar het is natuurlijk ook een signaal om het rustig aan te doen. Godfried Bomans luisterde niet naar de roepstem van zijn hart. Hij ging er fluitend aan voorbij en dat werd hem noodlottig. Eeuwig zonde.

11.3.22 Vladimir moet hangen Voor het volgende verhaaltje heb ik voor de vorm gebruik gemaakt van het beroemde mini-toneelstukje van Multatuli, getiteld: Barbertje moet hangen uit 1859. U mag het als lezer- mutatis mutandis- opvatten zoals u zelf wilt. De kwestie waar het hierom draait blijft actueel: er zullen altijd Barbertjes opstaan die ten onrechte ergens de schuld van krijgen, maar heel soms zegeviert het recht. Laat dat zo zijn.

Gerechtsdienaar: Meneer de rechter, daar is de man die Volodimir vermoord heeft. Rechter: Die man moet hangen. Hoe heeft het aangelegd? Gerechtsdienaar: Hij heeft zijn huis en haard bestookt met bommen, daarna heeft hij hem beschoten tot hij de geest gaf en toen heeft hij hem in een vat zoutzuur geworpen. Rechter: Daaraan heeft hij zeer verkeerd gedaan… Hij moet beslist hangen! Vladimir: Rechter, ik heb Volodimir niet bestookt met bommen. Ik wilde juist goed voor hem zijn door hem op te nemen in onze maatschap… Ik kan getuigen laten opdraven, die zullen verklaren dat ik een goed mens ben en geen moordenaar. Rechter: En toch moet u hangen! U verzwaart uw misdaden bovendien door leugen en bedrog en buitensporige grootheidswaan. Het past iemand niet die van zoiets vreselijks wordt beschuldigd zich voor een goed mens te houden. Vladimir: Maar rechter, er zijn getuigen die het kunnen bevestigen. En daar ik nu beschuldigd ben van verwoesting en zelfs van moord… Rechter: Niks mee te maken, u moet hangen! U heeft Volodimir zijn naasten onnoemlijk veel leed aangedaan. U heeft hem vermoord en hem in zoutzuur doen oplossen, zijn huis en haard vernield en bovendien bent u zeer ingenomen met uzelf… Vier kapitale delicten waarvoor u moet hangen! En wie bent u dan wel…? Volodimir: Ik ben Volodimir edelachtbare, Volodimir Zelenski, de buurman van…. Vladimir: Goddank! Rechter, u ziet dat ik Volodimir niet vermoord heb! Rechter: Hmmm… Jaja….! Maar dat bestoken met bommen en dat vernielen van huis en haard…? Volodimir: Dat is maar al te waar edelachtbare. Ik was het lijdend voorwerp van de wandaden van deze schurk, maar hij heeft me niet vermoord en doen oplossen in een vat zoutzuur. Hij keek wel link uit. Ik zou alzo een martelaar worden, een nieuwe messias, en daar is Vlad heel bevreesd voor. Nee, hij is weliswaar een verschrikkelijk onmens, maar edel genoeg om mij niet uit de weg te ruimen. Vladimir: U hoort het rechter. Hij zegt zelfs dat ik edel ben… Rechter: Jawel, maar hij zegt veel meer en dat verzwijgt u angstvallig. Die zaken zijn van veel groter belang en dus blijf ik bij het vonnis. Het Hof mag de plank weleens misslaan, mea culpa bij deze, maar nu zeker niet…! U heeft zich overduidelijk schuldig gemaakt aan destructie, aan onbeschrijflijk menselijk leed en bovenal aan grootheidswaan. U bent een tiran die met de aardse wetten spot. Gerechtsdienaar, breng deze duivel in driedelig pak naar het knekelveld, want hij moet absoluut hangen…!

8.3.22 Opvangkamp Mijn opa vertelde weleens dat ieder mens in zijn leven een oorlog meemaakt. Misschien zei hij wel dat ieder mens op zijn minst 1 oorlog meemaakt, want als kind ontgaan je allerlei nuances die er later zo toe kunnen doen. Hij had toen nog niet eens de leeftijd die ik nu heb. Er ligt tussen die uitspraak en de wereldbrand van nu zo’n jaar of zestig. Hij vertelde dat omdat ik mogelijk iets vroeg over de oorlog en hij vertelde toen dat hij opgeroepen was en naar ’t Harde moest. Hij had er ook een foto van en liet mij het zien. Op die foto stond hij met twee andere dienstplichtigen; ferme jongens, stoere boerenknapen. Het betrof de Eerst Wereldoorlog. Daarin heeft Nederland -de goden zij dank- geen militaire rol van betekenis gespeeld. We bleven zogezegd neutraal. Over de verschrikkingen van die oorlog wil ik het niet hebben, uiteindelijk is elke oorlog een ultieme vorm van menselijk onbeschaafdheid, afschuwelijk en onterend. Vanuit België, waar een groot deel van deze zinloze mensenopoffering plaatsvond, kwam een stroom vluchtelingen naar Nederland. Mijn opa vertelde dat hij als gemobiliseerde met de trein naar Zwolle moest en dat de aspirant-soldaten van daar met boerenwagens naar ’t Harde werden gebracht. Pas tegen de avond kwamen ze bij de kazerne aan. Over die Eerste Wereldoorlog las ik als halfwas jongen in het boekje De tentcommandant, geschreven door J.B.Ubink, een uitgave voor het lager en voortgezet lager onderwijs uit 1926. In dit boekje wordt geschreven over een kamp bij het plaatsje Millingen, niet ver van ’t Harde waar mijn opa verbleef. Hij lag er overigens maar een paar maanden, want toen was hij nodig bij de oogst. Daarbij was hij kort ervoor vader geworden van mijn moeder. 22 jaar later maakte hij de Tweede Wereldoorlog mee en als ik de zogeheten Politionele Acties in Indonesië ook schaar onder een oorlog -want dat wás het- dan komt hij op drie. Zijn stelling dat een mens op zijn minst 1 oorlog mee maakt, is dus zo gek nog niet. Sinds 1945 zijn er vele oorlogen geweest. In Rusland, Korea, Vietnam, Afrika, Midden- en Zuid-Amerika, Cambodja, het Midden-Oosten, de Falkland- en de Golfoorlog, Joegoslavië, Syrië, Afghanistan, Myanmar (het vroegere Birma) und so weiter. Die oorlogen waren altijd ver van ons bed en we bleven op veilige afstand -weliswaar gespannen- toekijken. Met Oekraïne ligt dat een stuk anders. Het hemd is immers nader dan de rok. Dat er op dit moment in Soedan een volkerenmoord gaande is, weten we amper en raakt ons ook minder, want Oekraïne manifesteert zich als een Europese staat, wat het niet echt is, maar wat het dolgraag wil worden en daarom zijn we ook zo met de Oekraïners begaan. Gisteren was er de nationale inzamelingsdag. Ik heb het niet echt gevolgd. Dat wij iets zouden geven was wel duidelijk. Mijn vrouw opperde terloops dat we wel een babypakket zouden kunnen doneren, want daar had ze op de radio over gehoord. Zo’n pakket bestaat uit allerlei attributen waar de jonge spruit mee gevoed en gekleed kan worden en als zodanig gered. Door kou en gebrek aan voedsel zijn er al meerdere baby’s onderweg of in schuilkelders gestorven. Onbeschrijflijke tragedie. Kosten per pakket: 40 euro. Doen we, zei ik en vulde meteen een overboekformulier in.

Vanmorgen in de winkel zag ik in chocoladeletters voorop enkele kranten 106 MILJOEN!! staan. Well done, dacht ik. Maar ook las ik: Thierry Baudet (ik beloof u dat ik het neertikken van zijn naam bij deze ene keer zal laten) vindt Poetin een ‘Prachtige vent’. Hij twijfelt sterk aan het waarheidsgehalte van de Westerse media en schaart zich als een geestesgestoorde achter de Russische dictator. Tja. De eerste vluchtelingen komen inmiddels de grens over en de opvang van oud-legerbasis Harskamp is al vol. Wie weet is er in ’t Harde ook nog plek. Mijn opa indachtig moet ik dat boekje van J.B.Ubink toch weer eens gaan lezen.

4.3.22 Plaats voor hooguit één Het is bijna niet te bevatten dat er op dit moment -22.30 uur Nederlandse tijd- in Oekraïne bommen op huizen en gebouwen worden gesmeten of afgeschoten met als enig doel dood, verderf en destructie te veroorzaken. Oekraïne. Ik tel meer levensjaren dat ik het woord niet kende dan wel. Maar nu lijkt het ineens heel dichtbij en moeten we de bewoners die voor het immense geweld op de vlucht slaan onderdak bieden. Dat is eigenlijk al jaren aan de orde van de dag, maar dié ontheemden komen uit landen waar wij toch net iets minder mee hebben. Of dat komt doordat Oekraïne vanaf haar Russische losweking zo krampachtig aansluiting met Europa zoekt, weet ik niet. Feit is dat vluchtelingen uit landen buiten Europa een streepje tegen hebben. Of dat nu Afghanen zijn of Syriërs, er wordt van regeringswege meteen een quotum vastgesteld. Voor Afrikanen hebben we nog minder empathie, want daar heerst toch immers geen oorlog… Dat kunnen enkel maar gelukszoekers zijn en lieden die louter een economisch motief hebben om hun land te verlaten. Het is waar dat veiligelanders hier niets te zoeken hebben, temeer ze hun eigen glazen ingooien door zich als rapaille te gedragen. Het is triest dat deze lieden het voor de echte ontheemden zo smadelijk verpesten. Maar voor de Oekraïners ligt dat anders. Ten eerste laat Poetin zien wat wij in onze achterhoofd altijd al dachten, namelijk; dat hij voor geen cent (roebel) te vertrouwen is en dat hij zijn leermeester Stalin naar de kroon wil steken. Ten tweede zien we in de president van Oekraïne een man van stavast die zich niet laat wegjagen. Dat sterkt ons in de mening dat we deze mensen hoe dan ook moeten bijstaan. De vele spontane hulpacties laten zien hoe eensgezind wij daar over denken. De eerste evacuees zijn de grens al over gestoken en nog net niet met veel omhaal door de fine fleur begroet, maar dat zal zeker gebeuren. En ook wij, kleine luiden, zullen er mee te maken krijgen. Want er wordt schrikkerig gedaan over te weinig opvangcentra en zorgpersoneel om die stroom getroffenen een enigszins comfortabele plek te bieden en dus komen onze halflege woonhuizen in beeld. Daar zouden heel wat mensen een tijdelijke bovenduik kunnen vinden. En nu ik zover ben bezie ik ook ons eigen stulpje. Zouden wij een Oekraïner kunnen bergen? Kan ik de ruimte boven -mijn werkkamer en bibliotheekje- opdelen in tweeën, er een bed plaatsen en een man of vrouw dezelfde vrijheden bieden als de onze? We zullen weliswaar duidelijke afspraken moeten maken. We kunnen bijvoorbeeld geen roker opvangen, want wij worden al misselijk en kortademig van een hout gestookte kachel op twee honderd meter afstand. Ook een drinker wil ik liever niet. En dat zijn juist gewoonten die de op de vlucht gejaagde gemoedsrust bieden: roken en drinken. Maar er zullen ook astmatische Oekraïners zijn en die kunnen wij bij gebrek aan medicijnen mogelijk voorzien van geneesmiddelen. Ons beider bijdrage is inmiddels al verbruikt en we zouden best wat meer kunnen bestellen. Nu ik het daar toch over heb, het volgende….

Ik moest vanmorgen naar het ziekenhuis om de hartslagenrecorder, die ik een weeklang om mijn nek gehangen had, terug brengen. De cardioloog zou ingeval van ritmestoornissen kunnen bepalen welke medicijnen het beste passen. Bij het aanbrengen van het kastje drukte de verpleegster mij op het hart (!) dat ik mijn werkzaamheden gewoon moest voortzetten, alleen dán zou er van een eerlijke meting sprake zijn. Ik hield mij aan haar woord en stofzuigde als gebruikelijk elke dag, deed de was en de afwas met alles erop en eraan, verknipte de onlangs afgebroken takken, harkte het pad, pakte oud papier in en voorzag de vogels van voer en kastjes. Daarnaast roetsjte ik regelmatig de trap op en neer, wandelde met Rossi, schreef enige stukjes en las veel boosmakende lectuur. Kortom; genoeg pogingen om mijn hart te laten zwoegen. Maar dat gebeurde niet echt. Ik dacht er goed aan te doen om afgelopen woensdagavond het verkiezingsdebat in ons dorpshuis bij te wonen. Ik heb hier eergisteren al over verhaald. Ik had gehoopt op een stevige hartbeving, maar het bleef uit, mijn hart gaf geen krimp. Dat wil zeggen: het deed gewoon haar werk. De recorder zal daarom denk ik niets opmerkelijks hebben geregistreerd. Voor het geval wij van hogerhand worden aangespoord evacuee(s) op te nemen, kan ik dus niet aanvoeren dat mijn hart dat niet zal kunnen trekken. Een Oekraïner met hartproblemen zou eventueel ook een optie zijn. Ik weet er inmiddels aardig goed mee om te gaan en heb nog een voorraadje pillen. Eerst maar afwachten of er in het Kremlin niet iemand zal opstaan die Poetin en zijn bende naar de ratsmodee jaagt. Dat zou natuurlijk voor de hele wereld het allerbeste zijn.

2.3.22 Een avondje politiek aanhoren. Ondanks de humanitaire en milieuramp die zich op slechts drie grenzen van ons afspeelt, was er vanavond in ons dorpshuis een verkiezingsdebat. Want aanstonds mogen we weer stemmen. Dat is een verworvenheid die we moeten koesteren. Niet dat stemmen elders in de wereld uitgesloten is, maar er zijn weinig landen waar het zonder vorm van corruptie, malversatie of geknoei plaats vind. Dit komt bijna nooit ten goede aan het armere deel van het volk. Vooral het rijkere volksdeel heeft er baat bij dat hun kandidaat de waarheid naar zijn/haar hand zet en de boel overduidelijk besodemietert. Ik kan daar slecht tegen, hoewel ik alles op een rijtje zettende niet eens tot het arme volksdeel behoor. Hiermee bedoel ik niet te zeggen dat ik maar wild in het rond kan consumeren, maar dat wij -mijn vrouw en ik- het naar omstandigheden goed hebben. Met mijn politieke keuze heeft dit niet zoveel te maken. Als ik alle partijen die ons land zeggen te vertegenwoordigen langsloop, dan valt driekwart af. Daar zijn er bij die ik niet eens slecht vind en wiens standpunten ik omarm, maar waar ik toch niet op zal stemmen. Dat heeft alles te maken met de kleur van die partijen. Ik ben zeer huiverig voor partijen die een zekere binding hebben met het godsgeloof. Hoewel God in de meeste van die ter rechter zijde van het politieke spectrum gelegen partijen in hun folders onbenoemd blijft, weet ik als de nood aan de man/vrouw komt dat Hij zich als een duveltje uit een doosje openbaart. Bij zaken als euthanasie of abortus zal Hij zich zonder enige twijfel melden. Als je puur af zou gaan op de slogans waarmee de partijen de kiezer wil lokken, dan zou hij/zij zonder enige moeite blindelings een vakje kunnen kleuren. Want heel veel zaken komen redelijk overeen. Ik zal een paar opsommen van de partijen die in onze gemeente meedoen. D66 zegt: Ruimte voor iedereen. Dat lijkt vanzelfsprekend, maar er zijn partijen die dit absoluut niet willen. Goed gezien dus, maar ook een losse flodder. Partij van de Arbeid volstaat met: Sociaal Duurzaam en Betrouwbaar en de uitroep Aan de slag! Dat lijkt met logisch. Ik ken weinig mensen die het tegendeel zullen zeggen: Niet aan de slag. Groen Links zegt: Groen voor de toekomst Links voor elkaar. Daar ben ik zeer voor; groen dus, heel veel groen. Met dat Links voor elkaar hopen ze kiezers uit het rechter veld te overtuigen en ze er weg te plukken. Een lovend streven, want ultrarechts heeft een grote aanhang en zegt dingen die als ík ze op straat zou roepen, mij mogelijk in de gevangenis zouden doen belanden. Bij het CDA Telt iedereen. Ook zij richten een vuist op tegen de vermaledijde mening van ultrarechts dat lang niet iedereen binnen de Nederlandse grenzen dat voorrecht mag hebben. Ik zou dus in een onnadenkende bui zomaar op het CDA kunnen stemmen, want ook ik vind dat een ieder die ‘van goede wil’ is een plekje onder de Hollandse zon mag bezetten. De VVD slogant met Blijft goed, wordt beter. Daar kan ik niets mee. Wordt beter impliceert dat het nog lang niet goed is. Het is een slogan uit de supermarktreclame. Het woord Verbeterd is zo’n woord. Als ik dat op een sticker zie staan, denk ik altijd: O ja, en wanneer gaat dit Verbeterd weer vervangen worden door de volgende Verbeterd? Het is een loze kreet: Iets wat goed is behoeft geen verbetering en áls het toch verbeterd wordt, dan zou ik dat zeker niet zeggen. Goede wijn behoeft immers geen krans. Dat die VVD-luitjes dat niet weten! De grootste partij in onze gemeente is Gemeentebelangen. Dat woord suggereert dat ze niet verder kijken dan onze gemeente, maar de wereld houdt niet op voorbij Balloo, Schipborg of Amen. Ik heb van Gemeentebelangen geen slogan kunnen vinden, omdat ze weinig reclame maken. Ook vond ik geen flyer op een van de tafels van de zaal. Misschien gaan ze uit van de gedachte dat leuzen er niet toe doen en trekken ze alzo een lange neus naar hun concurrenten.

Wat het meeste besproken werd, was het woningtekort. Dat is een landelijk probleem en los je niet zomaar op. Inbreiding zegt Groen Links en daardoor ontzien van groene buitengebieden. Daar zal lang niet iedereen het mee eens zijn, want we zijn zo gesteld op ons tuintje en het parkje ernaast en dan komt plotsklaps de dreiging van een huis ernaast. Óf, sterker nog, meerdere huizen. Want er is sprake van een nieuw wijkje. De geruchten nemen al grootse vormen aan. Hoe gaat dat wijkje eruit zien? Waar komt het? Wat voor huizen zullen het worden? Voor junioren (starters), voor het tussensegment of voor senioren (knarren)? We weten het niet en we komen het ook niet te weten. De weg om bij de gemeente iets gedaan te krijgen is lang. Veel te lang, zegt de lijstaanvoerder van Groen Links. Dát er iets staat te gebeuren is wel duidelijk, want niet voor niets trekt Enexis binnenkort een nieuwe kabel naar het verdeelstation achter in onze tuin. Het zoemt van de geruchten over huizenbouw, maar de gemeente houdt de kaken stijf op elkaar. Als toehoorder werd ik er niet veel wijzer van. Gezegd werd dat een en ander te maken heeft met de slechte communicatie vanuit het gemeentehuis. Quatsch uiteraard. Sinds het woord communiceren in zwang is, wordt er steeds slechter gepraat. Hopelijk zal het woord luisteren niet verfranst worden, want dan verstaan we elkaar helemaal niet meer.

Wat zal ik verder van de avond zeggen? Dat ik met het gevoel wegging dat ik niets te weten ben gekomen? Ook weer niet. Maar wat moet een mens met geruchten en vage antwoorden. Gewaardeerde dorpsgenoot Frederik Dillingh vroeg aan het eind van de avond wat de gemeente zal doen als de eerste Oekraïnsche vluchtelingen zich aan de grens melden. Zal de gemeente er alles aan doen om ze op te vangen? ‘Uiteraard’, was het algemene antwoord. Daardoor kreeg de avond ineens iets meer inhoud. Van de zes optredende lijstkandidaten, waarvan enigen lijstaanvoerder, waren er twee -D66 en PvdA- die werkelijk niets toevoegden aan hetgeen al op hun foldertje stond vermeld. Zij hadden zonder gezichtsverlies beter thuis kunnen blijven. Toen de kandidaat van D66 plotseling een vraag uit de zaal kreeg, zag ik hem opschrikken. Ad rem als ik soms ben, kon ik niet nalaten te roepen: Wakker worden. En dat is misschien wel de belangrijkste reden dat ik nooit ben ingegaan op de vraag mij kandidaat te stellen, zelfs niet als lijstduwer: Ik zou namelijk op zulke bijeenkomsten ook heel makkelijk in slaap vallen. Maar voor het algemeen welzijn en vooral nu we weer ongemaskerd bij elkaar kunnen vertoeven, was het een plezierige bijeenkomst. Eigenlijk jammer dat er niet wat vaker verkiezingen zijn.

26.2.22 Einde coronaregels Precies twee jaar geleden begon de ellende met het coronavirus. De verspreider ervan bleek een man die kort ervoor in Lombardije was geweest en die vermoedelijk was geïnfecteerd en het virus heeft verspreid op het carnaval van Tilburg. Daarna was er geen houden meer aan. In een mum van tijd was heel Nederland besmet en stierven vooral ouderen en zwakkeren bij bosjes. Ik kijk even in mijn Aantekeningen en lees op 26.2.20: Al op tijd boodschappen gedaan bij Jumbo. Vanwege de dreiging van het coronavirus slaan we groot in. Vooral toiletpapier. We blijken niet de enige te zijn. Alle vakken waren al bijna leeg. Overal om ons heen hoorde ik fluisterend het woord ‘hamsteren’. Onzin lijkt me, maar het zijn allemaal goed bewaarbare spullen, dus who cares? Wij zouden toen nog niet weten wat ons te wachten stond. Het ergste van al die maatregelen vond ik het mondkapje. Ik had het gevoel alsof ik niemand meer verstond en omdat ik tijdens het dragen van dit onding mijn bril afzette vanwege het beslaan ervan, zag ik ook weinig. Ik moet legio mensen ongegroet voorbij zijn gelopen of mensen die mij groetten voor een ander hebben gehouden en ze een andere naam hebben gegeven. Een plezierige maatregel was de avondklok. Voor velen een regelrechte ramp, maar de stilte ’s avonds was heerlijk. Dat het altijd zo mag blijven, dacht ik meer dan eens. Dat bleef het natuurlijk niet. Kort na de eerste versoepelingen vermorzelde het geluid van met name zware vrachtauto’s en vliegtuigen de stilte. Een tweede en een derde golf geselde het volk, maar iedereen die goed klaar zei te zijn met de regels zocht en vond een maasje in de coronawet en ontsnapte. Zinloze exercities, want het virus was overal en de quarantaineregels niet zelden een stuk strenger dan bij ons. Wij hielden ons zoveel mogelijk aan de regels, hoe arbitrair, bediscussieerbaar en vervelend die soms ook waren. Bovendien viel die zo vervloekte lockdown nogal mee. Het was een goede les in soberheid, een pas op de plaats. Niet dat we het huis niet uitkwamen, o zeker wel, maar we bleven in de buurt en gooiden de kont niet tegen de krib. Ik was in de navolging van die regels minder streng dan mijn vrouw. Niet zelden trok ze mij aan de arm als ik volgens haar te dicht bij iemand in de buurt kwam. Dat schuurde weleens. En nu is het dan ineens allemaal niet meer nodig. Het anderhalve meter afstand houden, het desinfecteren van de handen en het mondkapje. Ik moet er nog wel aan wennen. Zo’n kapje, leerde ik, heeft namelijk ook iets nuttigs. Ik prevel nogal eens voor me uit tijdens het boodschappen doen. Ik ben een soort lopende boodschappenbriefje, lees terloops labels op verpakkingen en mummel over een en ander. Dat zie ik andere mensen ook wel doen en het is ook geen afzichtelijk trekje, maar achter zo’n kapje valt het weg en blijft de buitenwereld ervan verschoond. Het was dus even wennen toen ik gisteren in de supermarkt kwam en sinds lange tijd weer blote gezichten zag. Van veel van die gezichten straalde nog een kinderlijk soort verbazing. Alsof het eventjes mocht, tot vanavond zes uur vanavond, daarna moet het lapje er weer voor. Bij de uitgang trof ik iemand van de struikelstenenwerkgroep, die iets aan me kwijt wilde. Hij stond nogal dicht tegen me aan. Het benauwde me een beetje. Ik voelde denkbeeldig een rukje aan mijn mouw. Die anderhalve meter is mij toch wel dierbaar en die mag wat betreft wel blijven.

Al met al is het natuurlijk geweldig dat dat rotvirus aan het slinken is. We zijn precies twee jaar verder. Overal in het land en met name in het zuiden viert men carnaval. Men zet de sluizen open, want men heeft wat in te halen. Straks komt er weer een golfje op ons af – de vierde, de vijfde, de zesde ….? Dat zul je zien. Want ik geloof niet dat we er echt van leren.

23.2.22 Komt er dan toch oorlog…? Het zat er aan te komen, al hield ik vol dat het bij koud vuur zou blijven. Dus niet. Poetin laat alle waarschuwingen voor wat ze zijn en zal Oekraïne binnenvallen. Hoorde ik zo-juist op de radio. Mooie praatjes vooraf: hij zou het bij de twee oostelijke provincies houden, omdat hier voornamelijk pro-Russische mensen wonen die zogenaamd bij Rusland willen horen. Maar nu stoomt het Russische leger massaal op naar Kiev. Iedereen kon weten dat dat spelletje van het weghalen van de tanks aan de grens bij Donesk pure verlakkerij was en dat Poetin ze zonder tegenstand via Wit-Rusland Oekraïnie zou binnen voeren. Hebben de voornamelijk heren en enige dames strategen dan niets geleerd van het spelletje dat Hitler met de premier van Engeland, mister Chamberlain, in 1938 speelde? Poetin is de nieuwe Stalin in wording, hij zal het niet alleen bij Oekraïne houden, de kwade geest is uit de fles en zijn honger onbegrensd. Mensenlevens tellen voor hem niet, dat heeft de geschiedenis sinds zijn aantreden al laten zien. Ook afgevallen staten als Litouwen, Letland en Estland zullen op hun hoede moeten zijn. Toen ik ervan hoorde dacht ik meteen aan hoe veilig de bewoners van ons land zich in 1939 nog waanden en hoe genaaid zij zich moeten hebben gevoeld op de ochtend van 10 mei 1940. Van dat rustig slapen kwam ineens niets meer terecht. Zo zal het nu in Kiev en zeer binnenkort ook in andere Oekraïnsche steden gaan. Poetin heeft de karaktertrekken van een tiran die zijn wil doordrijft en elke tegenstand hardhandig de kop zal indrukken. De landen rondom Oekraïne kunnen hun borst nat maken, want er zal een enorme vluchtelingenstroom op gang komen. Van de Westerse kant, de NAVO, zal er weinig tegenstand te duchten zijn, omdat Oekraïne er geen lid van is, bovendien is Amerika zat van al dat wapengekletter in den verre. Zij hebben zelf infrastructurele zorgen genoeg. Zijn ze net terug uit Afghanistan en Syrië en zouden ze alweer met een konvooi die kant op moeten. Daar zitten ze echt niet op te wachten. Hoewel, oorlog levert enorm veel werkgelegenheid op, dat weten ze nergens beter dan juist in Amerika. Wat het zwaarste telt is hoe het de bewoners van die landen vergaat. Een ander facet is het milieu, dat zal er ernstig onder gaan lijden. Want oorlogsvoerders houden zich niet aan gebaande wegen. Ik hoop dat China zich er niet mee gaat bemoeien, dat het bij een kortstondige escalatie blijft en dat Poetin er zo spoedig mogelijk op afgerekend wordt. Het liefst zoals de partizanen met Mussolini deden. Voor het zover is zal er vrees ik toch heel wat bloed vergoten worden. ’t Is al met al verschrikkelijk. Maar zien wat de dag van morgen brengen zal.

19.2.22 Witte plekken Een tijdje geleden vond ik tussen allerlei paperassen die al jaren schreeuwen om uitgezocht te moeten worden, een lijstje met namen van de meisjes waar ik korte of iets langere tijd mee verkeerde. Met sommigen duurde dit niet veel langer dan het uitspreken van hun naam. Het waren er vijftien en toen ik het lijstje langsliep miste ik er zelfs ook nog eentje. Die had ik denk ik bewust niet opgenomen. Had ze mij maar geen gonorroe moeten bezorgen. Die verdiende dus niet in de galerij der oud beminden te worden opgenomen. Dat wil zeggen: toen ik het lijstje had geschreven. Nu twijfelde ik toch even of ik haar deze blaam zou kwijtschelden en haar zou rehabiliteren. Ik had evenveel van haar gehouden dan van al die andere meisjes, dus ja… Maar nee, ik kon er toch niet toe komen. De wrok zit te diep. Een paar van die oude vriendinnen kom ik nog weleens tegen in de plaatselijke supermarkt, maar de meesten zijn compleet uit het oog, uit het hart en vooral uit beeld verdwenen. Aanspreken doe ik die paar overigens zelden. Groeten, meer niet. Wij hebben niets meer aan elkaar en zouden in het ergste geval misschien een oude wond openkrabben. Ik weet dus ook niet hoe het hun is vergaan. Ik associeer hen enkel nog met de plek waar ik ze naar toe bracht of vandaan haalde. Van sommigen heb ik dat niet eens geweten, omdat de verkering te kort duurde. Als een verkering uit was, liet ik het erbij. Natuurlijk, voelde het altijd als een domper en had ik na de breuk met sommigen intens verdriet, maar stalken zit niet in me. Naar verloop van tijd wist ik ook niet meer precies in welk huis mijn kortstondige geliefden woonden. Er kwamen nieuwe huizen bij en nieuwe straten en vind daar de weg maar eens in terug. Het zou anders zijn geweest als ik die plekken na de verkeringen beter had vastgehouden, als het ware had gemarkeerd. Maar ik meed ze bewust. Ik wist dat een van mijn dierbaarste vriendinnen kort nadat ze mij huilend had verlaten met een zekere Frits in het pittoreske Wirdumerdraai was gaan samenwonen. Dat was opmerkelijk, want ze verliet mij juist omdat ze zich nog niet wilde binden, omdat ze liever alleen wilde leven en om een ruiker andere redenen. Ik had haar nog geholpen met de verhuizing naar en het behangen van een eenpersoons kamertje in de stad. Daar had ze dus maar heel kort gewoond. Mooie boel. Toen ik hun later per toeval eens op enige afstand zag passeren, kon ik haar keuze enkel taxeren als ingegeven in een moment van grote geestelijke zwakte. Dit is allemaal al heel lang geleden en als ik haar nu zou tegenkomen, zouden wij elkaar waarschijnlijk niet eens meer herkennen. En toch blijf ik bewust uit haar omgeving weg. Evenals de plekken van andere vriendinnen. Soms kom ik er noodgedwongen door zo’n dorp. Door een wegomlegging of omdat het de enige route is. En zo kwam ik onlangs ook door Wirdumerdraai. Het is een aardig plaatsje. Zal ze er nog wonen, dacht ik. Misschien wel. Ze was even oud als ik. Op zeker moment zag ik een mevrouw met een wandelwagentje lopen. De mevrouw die het voortduwde leek mij van achteren gezien geen jonge moeder, eerder de oma van het kindje. Het zou best kunnen dat zij met haar kleinkind rond kuierde. Moeders hebben het tegenwoordig barstensdruk. Want ofschoon zij tegenover mij strak volhield nooit kinderen te willen hebben, had ze met Frits toch een nestje op de wereld gezet. Dat had ik ooit van een kennis vernomen. Toen ik naast haar was, keek ik een paar seconden opzij. Ik herkende niets in de mevrouw. In Appingedam boodschapten we nog even. Hier zou zij, áls zij nog steeds in dat plaatsje woont, haar boodschappen kunnen doen, dacht ik. Maar de volgende keer als we deze kant weer op gaan, rijden we als gewoonlijk via de andere route. Ik mijd die witte plekken toch liever. Houd ze voor wat ze zijn.

16.2.22 Het Stormt De jonge vrouw achter de kassa was een beetje de kluts kwijt. Dat zag ik. Ze zat nog niet goed in haar vel. Ik was mogelijk de eerste klant die wilde afrekenen. Ze deed haar warrigheid af met ‘Sorry, ik heb zo raar geslapen’. Oh, zei ik. Ja, wat moest ik er ook op zeggen. Ik droom weleens raar, maar raar slapen was nieuw voor mij. Ik ging naar huis, laadde de boel uit en ging met Rossi lopen. Dat is doorgaans het moment dat mijn kop begint te malen. Brainstormen zou je kunnen zeggen. Dat woord was wel toepasselijk, want het waaide al aardig en het zou gaandeweg de dag steeds erger worden. Voor introspectieve graverij is harde wind echter niet zo bevorderlijk. Ik was dan ook helemaal leeg toen ik terugkwam. Opgeschoond, geen enkele gedachte had postgevat. Ik ging weer bezig met waarmee ik daags ervoor was begonnen, namelijk het ordenen van foto’s van het gezin K.*, om ze daarna in een album te plakken, zodat ze voor het nageslacht bewaard worden. Ik kreeg die hele handel een kleine drie jaar geleden toegeschoven met de woorden ‘Doe er maar mee wat je wilt’. Dat klonk niet als een opdracht, eerder als een opluchting. Als ik het zou weigeren, dan zou de hele handel bij het oud papier terechtkomen. Dat voelde ik en dat zou eeuwig zonde zijn. Bovendien, het was naaste familie. Ik zal uitleggen hoe dat zit. De familie K. bestond uit vader, moeder, dochter en zoon. De moeder was de jongere zus van mijn moeder. De dochter was de laatste van hun vieren die kwam te sterven. Dat was in mei 2019. Daarmee hield deze familietak op te bestaan. Want zowel de dochter als de zoon stierven kinderloos. Wat daar de oorzaak van was weet ik niet. Uiteindelijk zouden ze mij die vraag ook kunnen stellen. Áls wij tenminste frequent met elkaar waren omgegaan. Maar dat deden we niet. Ik kwam heel vroeger weleens bij de zoon, mijn neef, en dan speelden wij met zijn meccano en met ander speelgoed in de ruime voorkamer van de grote boerderij waarin zij woonden. Ik was daar wel een beetje jaloers op, want ik had geen meccano en al helemaal niet zoveel speelgoed als hij. Maar die bezoeken hielden op zeker moment op. Met de dochter, mijn nicht, had ik weinig contact. Ik trof haar sinds jaren op een avond in de Muzeval, het oude theater in Emmen. Ze had in de krant gelezen dat ik tijdens de aldaar gehouden TaalTheaterNacht zou optreden en daar was ze wel benieuwd naar. We zoefden in een kwartiertje door twee-drie voorbije decennia. De volgende keer was weer twee decennia later. Ook in Emmen. Met de zoon ging het niet anders. Pas toen hij ernstig ziek werd zochten wij hem op, bij haar ging het net zo. Tussen hun sterven zat tweeënhalf jaar. Mijn tante werd 68 jaar, zoon 67 en dochter 71. Mijn tante was een pientere, zachtaardige vrouw. Hoe kan het ook anders, ze had veel trekken van mijn moeder en die was onbetwistbaar kampioen van alle moeders. Maar er was iets aan de hand met die vader en dat wrikte. Die vader, mijn oom dus, was fout in de oorlog. Dat werd mij als oomzeggertje natuurlijk niet aan mijn wijsgerige neus gehangen. Over de finesses van die oorlog las ik op de lagere school het bekende boek Reis door de nacht van Anne de Vries en daardoor begon ik vragen te stellen. Want dat er iets was met mijn oom, daarvan was ik inmiddels wel op de hoogte, maar wat? Mijn moeder vertelde op mijn aandringen -bijna angstvallig- dat onze oom in diezelfde oorlog ook behoorlijk fout was geweest. En ze zei dat hij met een karabijn op zijn schouder liep. Dat was wel even wat anders dan ons cowboygedoe. Sindsdien associeerde ik mijn oom altijd met een karabijn. Het was een beladen onderwerp waar ik door de tijd mondjesmaat meer over aan de weet kwam. Over razzia’s bijvoorbeeld, over het oppakken van joden en deserteurs. Hij zou daar mogelijk aan mee geholpen hebben, hij was immers niet voor niets na de oorlog een tijdlang opgesloten geweest in kamp Westerbork en wie weet had hij daar als vergelding wel enorm op zijn donder gekregen. Want dat gebeurde, daarover las ik veel later. Hij was in ieder geval een beschadigde man en trok automatisch het gezin mee. Zij waren mede-slachtoffers van zijn handelen. Maar ofschoon ik vanwege mijn (vrijwillige) bijdrage aan het Herinneringscentrum kamp Westerbork een aardig beeld heb van de gruwelijke praktijken van nsb-ers en andere landverraders, heb ik nooit een hekel aan mijn oom gekregen. Toen ik nog maar een paar maanden in dit huis woonde, het huis van wijlen mijn grootouders, zag ik ineens op een middag mijn oom aan komen fietsen. Hij was naar de kapper in ons dorp geweest en dacht kom ik ga es even kijken. Niets mis mee. Hij was hier natuurlijk heel vaak geweest. Ik was druk doende de boel op te knappen. Het enige wat al op z’n plek stond was de grote boekenkast in de voorkamer. Met bewondering bekeek hij de inhoud en zag onder andere de naslagwerken van dr. Lou de Jong en andere geschiedschrijvers. Ik merkte dat aan zijn verschrikte houding. Ik bood hem een kop thee aan, maar hij had plotseling haast. Daar was geen enkele reden toe, hij was in de vut en ik weet nu zelf hoe zo’n zee van tijd gepensioneerde mensen hebben. Het had toen misschien wel tot een heel aardig gesprek kunnen komen, maar hij wist op slag hoe gevaarlijk dit kon zijn. Zo’n enkele oorlogsboek van Anne de Vries of Jan Wolkers of Harry Mulisch had hij nog wel aangekund, maar zo’n hele rij…. Geen denken aan en hij maakte zich uit de voeten. Terug naar zijn veilige nest. Het is de levenslange straf voor mensen die met de nazi’s hebben geheuld: de aanhoudende aandacht voor het leed dat onder andere zíj in de jaren ’40-’45 hebben veroorzaakt. Je kon geen boekenwinkel voorbij lopen of er lagen getuigenverslagen van concentratiekampgevangenen van Auschwitz, Westerbork of Sobibor in de etalage. Het ‘Wij hebben absoluut niet geweten wat daar in Polen gebeurde’ werd met elke geschiedkundig onderzoek en openbaring sleetser. Ze hadden het overduidelijk wél kúnnen weten. In dit zwarte licht en het behoedzaam vermijden van vaders wandaden groeiden mijn nichtje en mijn neefje op. Zíj ging meteen na de mavo ver van huis in de verpleging en híj, licht-autistisch, kwam niet verder dan de voordeur.

Nu ze alle vier uit de tijd zijn en nu ik de foto’s bekijk, kan ik er enkel ontzag en respect voor op brengen. Nou ja, voor hun drieën dan, want van mijn oom ben ik zelfs geen pasfoto tegengekomen. Het is alsof hij zichzelf heeft uitgewist, alsof hij ook op papier niet langer wilde bestaan. Navrant te bedenken dat hij zijn vrouw en kinderen in leeftijd ver heeft overtroffen. Kom, zeg ik tegen Rossi, we moeten toch even uit. Het stormt behoorlijk, maar het moet. Het is de beste remedie om je kop te ontdoen van alle sores. En vooral om straks niet raar te slapen.

*Uit piëteit en bescherming voor familie noem ik uiteraard de namen van deze mensen niet.

11.2.22 Vallende mannen Ik wist sinds kort niet wat een dickpic was. Lag dat aan mij? Ongetwijfeld. Ik ben niet bekend met de wereld waarin de dickpic kennelijk geen abnormaal verschijnsel is en nu ik bijna dagelijks met dat woord op de televisie en in de krant geconfronteerd wordt, ben ik blij dat ik niet tot die horde aandachtstrekkers behoor. Want dat moeten het zijn: mannen die bij een bepaald persoon of personen (v/m) in beeld proberen te komen door zich met geheven roede te fotograferen en dit middels een appje naar degene(n) te versturen. Een wel heel ziekelijke manier om te laten zien hoe diep je bent gezonken. Je zou ook kunnen zeggen dat het een variant is op het aloude potloodventen en doordat het nu zo vaak ter sprake komt, dat deze vorm van exhibitionisme, van zelfexploitatie, nu een stille dood sterft. De laatste weken sneuvelt de ene na de andere bekende vaderlander vanwege seksueel grensoverschrijdend gedrag en niet zelden komt hierbij aan het licht dat de man in kwestie ook dickpics heeft verstuurd. Dat ik niet de enige ben die het woord en de betekenis ervan niet kende bleek doordat het Journaal, dat verslag deed van de perikelen rond het programma The Voice, er een voorzichtige toelichting bij gaf. Ik zie het helemaal voor me: De nieuwslezer van dienst kijkt het onderwerpenlijstje even vlot langs en ziet dickpic staan en of hij/zij dat maar even aan de kijker wil uitleggen. Swaffelen (met de penis ergens tegenaan slaan) was ook al zo’n idiote handeling dat uitleg behoefde. Wat hebben sommige mannen toch dat ze zo te koop lopen met hun geslacht? Ik zou me geloof ik doodschamen als ik daags na zo’n ziekelijke oprisping de ontvangster/er ervan zou tegenkomen. En dan heb ik het nog niet eens over het feit dat de onvangster/er het van pure verbazing of shock al heeft rondge-appt. Dan sta je er minstens zo gekleurd op als een mandril. Wat denkt zo’n imbeciel ermee te bereiken? Dat de dickpic net even dat zetje zal geven tot een rendezvous? Nou, dan heb je toch aardig wat zaagsel in je kop. En áls het nu menselijke exemplaren waren met de IQ van een bladluis, dan kon ik het nog enigszins begrijpen, maar dat zijn het juist níet. Het zijn allemaal gevierde mensen (lees: mannen). Is hun plek op de apenrots hen nog niet hoog genoeg? Denken ze dat ze met het versturen van een foto van hun geslachtdeel hun status van Grote Oetlul nog meer te kunnen vergroten? Het ergste is en blijft het natuurlijk voor de ontvanger. Het verweer is steeds dat ze zich niet hadden gerealiseerd dat de schok zo groot zou zijn. Dat verbaast me nog het meest. Dachten ze misschien dat de ontvanger zou zeggen: ‘Geschrokken? Nee hoor, ik dacht wat komt daar nou voor een raar ding voorbij?’ Elk van die halve garen kan naar een nieuwe betrekking fluiten. Ze zijn gebrandmerkt tot in lengte van jaren. Terug bij af. Vroeger werd iemand weleens een lulletje rozenwater genoemd, maar daarmee kon je in maatschappelijke zin nog een heel eind komen. Voor een ex-dickpicker zal dat een stuk lastiger worden. En nu de deksel van de beerput is, zie ik nog veel meer koppen rollen. Het UWV krijgt er extra werk door.

7.2.22 Diegiedee-holadiejee Het ziekenhuis mailde dat er een afspraak voor mij gemaakt is op 4 maart a.s. Let op, staat er iets verderop; het betreft hier een verplaatsing van een bestaande afspraak. Goed, dat kan. Maar van welke afspraak dit de wijziging is, staat er niet bij. Want ik heb er twee staan, de 28ste februari en de 15de maart en ik moet toch weten om welke het gaat. Dat had er in één moeite bij gekund. Nu had ik even kunnen bellen, maar ach, die mensen hebben het al druk genoeg en het moet toch een fluitje van een cent zijn om via MijnWZA mijn gegevens in te zien. Was nou maar niet zo eigenwijs geweest, dacht ik drie kwartier later. Voor het kunnen inzien van Mijn (belastingen, gemeentezaken enzovoort) maakt men gebruik van de DigiD-code, gebruikersnaam en het wachtwoord. Dat heb ik weleens gedaan. Kind kan de was doen. Ik vulde de gevraagde gegevens in en toen bleek dat ik óf al in het systeem stond óf iemand anders met dezelfde naam die ook nog eens dezelfde gebruikersnaam gebruikte, want het systeem vroeg een nieuwe gebruikersnaam omdat de door mij gebruikte al in gebruik is. Maar toen ik het bij MijnWZA probeerde, gaf die aan dat mijn gegevens bij hún systeem onbekend zijn. Wonderlijk. Dan maar een nieuwe gebruikersnaam ingevuld. Omdat ik bij de volgende vraag had ingevuld dat ik níet in het bezit ben van een app, zou DidiD de controlecode telefonisch aan mij verstrekken. Ik wachtte af, maar er gebeurde niets. Na een tijdje dacht ik, nu bellen ze niet meer. Uit gewoonte keek ik nog even op mijn mail. Wat bleek; De Helpdesk DigiD had een bericht gestuurd, luidende: ‘Heeft u de webpagina waar u de code kunt invullen niet meer openstaan? Dan is uw aanvraag mogelijk niet afgerond. Start de aanvraag voor een DigiD opnieuw. Als u de aanvraag wel al heeft afgerond, dan kunt u de code ook niet meer invoeren’. Enfin, dan moest het hele circus nog maar een keer, tenzij ik via ‘Persoonlijke gegevens’ de controlecode alsnog kon invoeren. Heb ik geprobeerd, maar daarop gaf mijn laptop aan dat de werkzaamheden inmiddels meer dan 15 minuten hebben stilgelegen en dat ik mijn gegevens opnieuw moet invoeren en je zult net zien dat mijn gebruikersnaam wederom (voor de derde of de vierde keer) in gebruik is en dat ik opnieuw een controlecode moet aanvragen. Het is om dol van te worden. Ik begrijp best dat er op elke straathoek een cybercrimineel kan staan en dat privégegevens voor zeer uiteenlopende vooral smerige handeltjes gebruikt kunnen worden, maar zó werkt het ook niet. Het WZA had beter even kunnen bellen. Wel zo veilig en wie weet hadden we op 4 maart a.s. al iets staan. Ik zal het nu straks zelf even doen. Want voor vragen kan de cliënt gewoon tijdens de kantooruren de poli bellen. Het nummer staat erbij. Geen geklooi met Diegiedee. Een mens van vlees en bloed, zonder kapsones. Dat heb ik het allerliefst.

p.s. Halfuurtje later. Het WZA inmiddels gebeld. Het blijkt niet te gaan om een ‘verplaatsing’ van een afspraak, maar om een ’toegevoegde’ naast de al bestaande. Tekstueel een wat verwarrend bericht. Onderaan de mail staat als hintje dat de ontvanger aan het milieu moeten denken voor hij of zij besluit de e-mail uit te printen. Maar als het WZA de informatie meteen goed weergeeft, bespaart het de cliënt veel computergedoe en dus elektriciteit.

3.2.22 Twee verhaaltjes over dieren – 1 Het dorp waar mijn vrouw en ik wonen is niet erg groot. Ik zeg niet dat het veel groter zou moeten zijn, maar als ik met Rossi ga wandelen heb ik niet veel keuze in routes en dat zou in een groter dorp eerder het geval zijn. Eén van de wandelroutes die ik regelmatig neem loopt via een pad waar lang geleden het gezin Nijboer woonde, vandaar dat ik dit mogelijk als enige het Nijboerpad noem. Het huis van de familie Nijboer wordt nadat zij het verkochten aan een echtpaar dat er jarenlang een camping bestierde, nu bewoont door een jong gezin. Op het campingterrein, dat naar ik hoorde jaren geleden door een speculant uit Amersfoort was gekocht, staan nu een vijftal woningen gepland. Het bouwbedrijf ging voortvarend te werk. Alle groenopslag werd verwijderd, alsmede enige bomen die langs de sloot van het pad stonden en die het pad zo’n pittoresk aanzien gaven. Daarna gebeurde er niets meer en de eerste struiken namen alras weer bezit van de grond. Het gebeurde meer dan eens als ik er met Rossi liep dat ik de man met de grote pyranese dog en de spaniël tegenkwam. De eigenaar paste zich altijd aan aan de trage snelheid van de dog. We stopten dan even en hadden het onder andere over de stilliggende bouwactiviteiten. De spaniël Spokie -genoemd naar zijn aparte zwartwitte hoofdtekening- trok altijd speels aan het touw. ‘Hij wil naar huis’, zei de man dan en daarom gingen we ieder ons weegs. Ik had de man met de twee honden al een tijdje niet meer gezien, maar vanmorgen zag ik hem ineens weer opduiken. Maar ik zag Spokie niet. Hij kon alvast vooruit gerend zijn naar huis. Dat deed hij wel vaker. Toen ik vlakbij de man was, vroeg ik ‘Waar is Spokie?’ De man keek bedroefd en zei zacht dat zij Spokie onlangs hadden moeten laten inslapen. Hij moest moeite doen het te vertellen. Ach god, nee toch, zei ik. Ja dus. Spokie had nogal last van epileptische aanvallen en uiteindelijk kwam hij er bijna niet meer uit. Om het dier niet te laten lijden, hadden ze helaas … enfin. De man had er duidelijk moeite mee. Ik had met hem te doen. ‘Drie weken geleden, maar het voelt als gisteren’, zei hij. We praten even bij. Over hoe het voelt om je hond te verliezen. Praat me er niet van. Het is dan wel geen menselijke naaste, maar als huisgenoot betekent het verschrikkelijk veel. Op mijn vraag of hij en zijn vrouw naast de grote lobbes nog een andere hond of hondje erbij nemen, zei hij ‘Nee, het verdriet om die op den duur ook weer te moeten verliezen, vinden we te groot’. Het verdriet je hond te moeten verliezen. Zeker, zeker. We hebben het ook al meerdere keren beleefd. Ik wenste hem sterkte en wandelde verder, maar het medegevoel drukte zwaar op me. Ik maakte mijn rondje vol en ging op huis aan. Ik vertelde het mijn vrouw en ook zij had met ze te doen. En met Spokie. ‘Arme Spokie’, zei ze.

-2 Enige tijd geleden kregen we bezoek van een meneer van netbeheerder Enexis. De kwestie was dat hij ons kwam inlichten over de te vernieuwen kabel voor de aan het eind van onze tuin staande transformatorhuisje. Dat huisje -officieel ‘station’ genoemd- is er begin jaren zeventig neergezet en zoals de man zei moet de kabel nodig worden vervangen, want er zal in de nabije toekomst een nieuwe wijk aan de noordkant van ons dorp worden gebouwd. En of wij met de aanleg van die kabel akkoord gaan. Want er moet natuurlijk gegraven worden, maar er staat een royale vergoeding tegenover. Als wij geen toestemming zouden geven, zou het bedrijf het via de grond van buurman moeten aanleggen. Wij zagen geen reden dwars te moeten liggen, want een mens moet nu eenmaal wonen en wat extra poen is natuurlijk nooit weg. Gisteren belde het ‘hoofd grondzaken’ van het bedrijf dat de werkzaamheden gaat uitvoeren, met de mededeling dat hij aanstonds het contract naar ons toe zal mailen en of we het daarna goed willen lezen, het uitprinten en het ondertekend willen terugzenden. Tenzij er dingen in staan die we niet begrijpen of waar we het niet mee eens zijn. Dat kan. Het bedrijf van waaruit deze meneer werkt is gevestigd in Amersfoort. Dat is geen toeval, er huist gewoon heel veel in Amersfoort. Ik ben nog nooit in die stad geweest, wel een aantal keren op het NS-station om over te stappen en ik weet welhaast zeker dat ik deze hiaat zonder greintje spijt mee ga nemen in mijn graf. Ik heb de mail doorgespit en moet zeggen dat het voor iemand die na de lagere school weinig heeft doorgeleerd, nogal wat ambtelijke hobbels bevat en daarom belde ik het kantoor kort nadat ik enigszins was bekomen van de dood van Spokie. Het hoofd nam zelf op. Ik zei dat er enige dingetjes in het contract staan die mij niet geheel duidelijk zijn. Dat wij natuurlijk niet willen dwarsliggen wat betreft de kabel en dat wij de vooruitgang niet willen vertragen, indien we dit al zouden kunnen, maar dat wij de door hen gesitueerde kabellijn toch iets zouden willen verleggen. Ik wees hem op de getekende lijn naar het hokje. Daarin zit aan het eind een knikje, zei ik. De kwestie is nu dat de lijn precies door een perk bosanemonen loopt. In het vroege voorjaar groeit daar een plak van minstens een meter in doorsnee. Die willen we toch wel graag gespaard zien. Ik stelde voor om de kabel twee meter te verplaatsen en onder de composthoop door te trekken. Die composthoop wilde ik toch al eens verplaatsen, alleen niet nu. Want er overwinteren altijd een stelletje egels in en die willen we voor geen goud storen. De egel is in deze hoek van Nederland een zwaar beschermd diersoort, hield ik hem voor. Hoe dat in Amersfoort ligt weet ik niet, maar ik hoorde de man in licht kreunen. Bosanemonen, egels; er zijn toch grotere zaken in de wereld, hoorde ik hem denken. Uiteindelijk is het voor die jongens nog makkelijker ook, zei ik. Voorts zouden wij de mensen die de werkzaamheden uitvoeren graag willen verzoeken zoveel mogelijk binnen de door u gestelde strook van 2 meter ‘waarop opstalrecht wordt gerekend’ te blijven. Want overal in onze tuin staan bloemetjes en daar zijn wij -met name mijn vrouw- erg zuinig op. Het zou moeilijk worden, zei hij stroef, om precies binnen die strook te blijven. En wat betreft de bosanemonen en de egels; de werkzaamheden vinden pas in de zomer plaats. Ik dacht nog een moment aan de vogels, maar kon zo snel niets vinden en dus zei ik dat het goed was. Ik zal het contract een dezer dagen keurig ingevuld terugsturen. Ik ben echter wel benieuwd hoe lang het zal duren voor de eerste steen van dat wijkje gelegd wordt.

2.2.22 Dichten over de natuur Het is de week van de gedichten. Het zal menigeen niet zijn opgevallen, wat niets zegt over de eventuele belezenheid van de persoon in kwestie, want poëzie is nu eenmaal het neefje dat mag meespelen in de ballenbak van de lec&literatuur, als hij zich maar gedeisd houdt. Maar zo nu en dan breekt hij even uit en laat kranig van zich horen. Vooral dát doet er bij poëzie toe. Poëzie lezen en het dan ook nog begrijpen is voor veel mensen een brug te ver. Ik geef eerlijk toe dat ik van veel moderne poëzie ook geen syllabe snap en mede daardoor drijft dit taalgebied steeds verder van me af. Want tussen lezer en het gelezene moet consensus zijn; het vermogen zich in te leven in het geschrevene. Goed. Keer ik terug naar mijn eigen schrijfverleden, dan was het maken van versjes -ik ben het altijd versjes blijven noemen- de eerste poging iets aan het papier toe te vertrouwen. Pas veel later kwamen de verhaaltjes en de columns. In de grond van de zaak ben ik altijd heel nauwgezet met de taal om blijven gaan en dat verraadt toch een beetje dichterschap. Ik zeg dit schoorvoetend, want een dichter heb ik mij nooit genoemd, evenmin een schrijver. Wat mij de lust met name ontneemt van veel hedendaagse poëzie is de anarchistische manier van weergeven. Het hoeft ook niet allemaal zo strak in vorm en op rijm als bij dichters als drs P., bij Jean Pierre Rawie, Ivo de Wijs, Levi Weemoedt, Gerrit Komrij, Leo Vroman of het Drents Light-verse Genootschap. En de beklemtoonde en onbeklemtoonde lettergrepen hoeven ook niet precies zo golvend als een sierhaagje te lopen, maar enige sturing moet er wel zijn, vind ik. Ik heb een hekel aan wanorde in het algemeen en taalkundige in het bijzonder. Zoals ik ooit met gedichten schrijven begon, zo makkelijk hield ik het jaren geleden plotseling voor gezien. Heel soms tref ik iemand die mij met glimogen laat weten nog een bundeltje van mij te bezitten en er ‘wijs’ mee te zijn en ofschoon ik mij niet echt meer kan identificeren met de inhoud ervan, stemt het mij stiekem meer dan tevreden. Het is geschreven, het is gezien en het is niet bij het oud papier gekomen. Dat is toch al heel wat.

De Drentse Schrieverskring -waar ik lid van ben- organiseerde een soort van gedichtenwedstrijd die aansluit bij het thema van de Gedichtenweek: De Natuur. Kom, dacht ik, laat ik proberen die ader weer eens voorzichtig aan te boren.

O o, natuur Ik open de gordijnen op ons ochtenduur. / Het regent meer dan doorsneemiezer. / Het waait honderd kilometers per uur. / De kou verslaat dat van onze vriezer. / De radio spreekt panisch van code rood.

Ik zou als gewoonlijk een eind gaan lopen, / maar Rossi houdt zich ogenschijnlijk dood. / Vanmiddag wordt het beter, is te hopen. / Ik weet niet wanneer en waar de weerdespoot / zich uit gaat leven op die machteloze bomen.

Ik zie het water langs de ramen stromen / en denk op de wijs van een weemoedig lied / ‘de liefde vlamt geheid het meest in dromen’. / Ik merk het nad’ren van mijn geliefde niet. / Wél dat ze me wegvoert uit het vensternis.

Als natuur voor legen en tevredenen is / -zij die zelfs wandellust in hun slaap ervaren- / dan weet het leger misnoegden niet wat het mist / en welk plezier zij voor altijd doen verjaren.

Kom, zegt ze en pakt mijn arm, / het bed is nog heerlijk warm.

———-……….———-

(noot: de regels behoren natuurlijk mooi recht onder elkaar te staan, maar op de een of andere manier wil dat niet lukken in mijn blog. Vandaar de schuine balkjes (slashes of breuklijnen) als teken om aan de geven waar de nieuwe regel hoort te beginnen.)

28.1.22 Een verlate ode Rommelen in een stapeltje krantenknipsels, kwam ik een herdenkingsartikel tegen van Co de Kloet. Die naam zal denk ik weinig mensen iets zeggen, maar hij was net als Herman Stok een van de grondleggers en plaatjesdraaiers van de jeugdmuziek op de radio. Zo half jaren vijftig moet dat zijn geweest. Het is bijna niet voor te stellen dat dit recht ooit bevochten moest worden. Hij werd onder andere bekend van het programma ‘Tijd voor Teenagers’. Daarnaast schreef hij regelmatig artikelen over de muzieksterren van toen. Cliff Richard, Paul Anka, Conny Francis, Fats Domino, The Everly Brothers, dat soort halfgoden. Later werd zijn pionierswerk overgenomen door brulboeien als Joost den Draaijer, Lex Harding en Alfred Lagarde.

Ik heb Co de Kloet bij toeval eens ontmoet. Dat kun je natuurlijk makkelijk zeggen als de persoon in kwestie niet meer onder de levenden is en bewijzen kan ik het evenmin. Ik ga uit van uw goedgelovigheid. Dat zit zo. Ik heb een paar jaar als in- en verkoper op de grammofoonplatenafdeling in een warenhuis in Assen gewerkt. Hierdoor ontving ik weleens uitnodigingen voor beurzen waar de diverse platenmaatschappijen hun nieuwe producten presenteerden. Dummies van de zeer spoedig te verwachten nieuwe LP van Queen, Meatloaf, Abba, The Rolling Stones, Kiss … ik noem maar iets. Daar kon je als platendetaillist alvast op in schrijven. De overkoepelende organisatie van de branche was de Nederlandse Vereniging van Grammofoon-Detailhandelaren, de NVGD. In 1980 bestond die organisatie iets van 25 jaar en daarom hadden ze alle bij hen aangesloten platenwinkels uitgenodigd een vorkje te komen prikken en een drankje te nuttigen in het HiltonHotel te Amsterdam. Mijn zuinige baas voelde hier niets voor en verbood mij er naartoe te gaan. Maar ik nam de bewuste dag vrijaf en treinde op eigen kosten (en risico) naar de hoofdstad. Het feest speelde zich af in de benedenzaal. Er was een podiumpje waarop het Trio Pim Jacobs musiceerde en achter een speciale tafel zaten een aantal bekende Nederlandse artiesten die wij allemaal netjes een hand mochten geven. Kortom; Holland op zijn best. Omdat ik mij hier wildvreemd en nogal opgelaten voelde -wanneer komt een plattelander nou in het HiltonHotel?- raakte ik mogelijk hierdoor aan de praat met een man die zich hier al even unheimisch voelde. Ik verwachtte niet anders dan dat die man ook ergens in den lande een platenzaak bestierde. We dronken een biertje, liepen langs de Table of Celebrities en begaven ons weer naar het midden van de zaal, want er zouden enige prijzen worden uitgereikt en daartoe werd ons aller aandacht gevraagd. Mooi. Wie die prijzen kregen, weet ik niet meer. Willem Duys zat er in ieder geval bij en Pim Jacobs en nog wat hotemetoten uit de platenverkoopwereld. Tot de presentator een speciale prijs aankondigde voor het vele radiowerk en dan met name programma’s van het zogeheten lichte genre. Dat heb ik altijd een neerbuigend onderscheid gevonden. Alsof muziek voor jongeren (rock, pop, blues) minder zou zijn dan dat van ouderen (klassiek, big-bands, jazz). ‘Hiervoor wil ik de heer Co de Kloet graag naar voren roepen’. De man die naast mij stond keek mij een halve seconde verschrikt aan en zei toen zachtjes ‘Dat ben ik’ en liep enigszins weifelend naar voren. Het volk applaudisseerde. Ik weet niet meer of ik van stomheid wel heb meegeklapt. Co de Kloet was een autoriteit, maar ik had nog nooit een foto van hem gezien, in tegenstelling tot tv-coryfee Herman Top of Flop Stok. Het was een hele aardige man. Nou ja, waarom zou dat ook niet kunnen?

Later stonden we nog even aan de bar. Daar deed zich plotseling een opstootje voor. Er roerden zich enige Tukkers omdat de obers flesjes bier (onder andere Grolsch) uitschonken in glazen. Dat was tot daar aan toe, maar er bleef steeds een royale slok in de flesjes achter. Die flesjes lieten ze met een vloeiende beweging in de kratjes onder de balie verdwijnen. De Tukkers bezagen dat met grote verbazing en irritatie. ‘Hé sjefke, wat doej met die bodempies?’ vroeg een stevige volksjongen op zeker moment. De nogal arrogante ober wilde er niet op ingaan en werd stuurs en zei dat het hier altíjd zo ging. Het was de Tukkers echter een gruwel te ontdekken dat een niet onbelangrijk deel van dat edele vocht ongebruikt de Amsterdamse riool inspoelde of terugging naar de fabriek. De situatie werd gespannen en dreigde uit de hand te lopen. De bovenbaas werd er bij geroepen en die gaf de heren te verstaan te vertrekken. Mooi niet, het was ook hun feestje. Eind van het verhaal was dat zij hun bier dan zelf maar moesten uitschenken. Dat was precies de bedoeling. Onder luid gejuich gingen de flesjes spontaan aan de lippen. Toen was ik Co de Kloet inmiddels kwijtgeraakt en heb nog een biertje met die jongens gedronken.

Op mijn werk heb ik natuurlijk geen melding gemaakt van dit uitje. Het zou mij niet in dank zijn afgenomen. Dik twintig jaar later zou Herman Brood zich vanaf de bovenste verdieping van ditzelfde pand de dood in springen. Co de Kloet tenslotte werd naast muzieknestor schrijver van een stapel voornamelijk kinderboeken. Dat kunnen weinig van zijn platendraaiende navolgers zeggen. Misschien dat er van Bert Haandrikman nog iets te verwachten valt. Ik hou het goed in de gaten.

26.1.22 Trip to Trip Ergens halverwege het wekelijkse ommetje met mijn zus, vonden we een aantal A4- grootte vellen papier. Ik raapte ze op omdat we gewoonlijk tijdens onze loopjes ook ander zwerfvuil rapen. Ze waren bedrukt met straatnamen en afstanden in het Engels. Dat maakte het bijzonder. ‘Zal wel van een soort oriëntatierit zijn’, zei ik en vouwde de vellen slordigjes op en stak ze in mijn zak. Ik ben nu eenmaal nieuwsgierig van aard en wilde het thuis es rustig bekijken. Dat is nu. Het zijn zeven van negen genummerde vellen, de eerste twee vellen ontbreken. Daardoor weet ik niet waar de reis aanvangt, wel waar het eindigt: aan de Adriaan Tripweg te Veendam. Bladzijde 3 begint met de Nijverheidsstraat te Wildervank en dus is de gedachte gerechtvaardigd dat het inderdaad aan de oostzijde van Veendam begint. Struinend door de vellen zie ik dat de reis gaat via de Kielsterachterweg richting Eexterveen, Annen, Zuidlaren, Noordlaren, Onnen, een stukje A28, Schipborg, Oudemolen, Gasteren, Balloo, Deurze, Nijlande, Eldersloo, Grolloo, Papenvoort, Gasselte, Kostvlies, Achter’t Hout, Bonnerveen, Gieterveen, Herenweg-Noord… waar ik de papieren vond. Afgaande op deze papieren uitdraai denk ik niet dat het gaat om een geocatching-rit, hoewel de meters tussen de punten precies staan aangegeven. Van vroegere oriënteringsritten weet ik dat er meestal werd verwezen naar bepaalde blikvangers in het landschap of bijzonder straatmeubilair. Soms ook naar namen op huizen of aanwijsbordjes met iets als ‘Na verboden toegang linksaf’ , ‘Bij put rechtsaf’ of ‘Na Welgelegen rechtdoor’. Dat vergde enige zoekerij. Op deze lijst staan alleen afstanden en straatnamen. Het is geen tour de force en de deelnemer zal na een paar uur wel weer bij het beginpunt uitkomen. Zo zal het gaan. Maar mogelijk waren deze deelnemers het na punt 152 en de aanduiding Head toward Veenakkers on Herenweg, go for 5 m zat, want niet alleen de papieren hadden ze laten wapperen, ook lagen er enkele colablikjes en twee kleine wijnflesjes. Stille getuigen voor het aangenaam verpozen… Van punt 154 Continue on Tjassenswijk, go for 236 m en Turn left onto De Hilte zal het nog wel zijn gekomen, daarna zijn ze waarschijnlijk de N33 opgedraaid en westwaarts gereden. ’t Was mooi geweest. Jammer, want nu hadden ze Nieuwediep, Gietermond en Wildervanksterdallen gemist. En wie weet wat voor een feestmaal ze aan de Adriaan Tripsweg nog te wachten stond. Op het modderige stuk land van HarmJan Wigchering, waar onlangs zijn bietenoogst nog hoog lag opgetast, hadden ze met de haven in zicht er de brui aangegeven. Tja…

23.1.22 Krakende wagens… Het komt niet van mij te stellen dat naarmate men ouder wordt de tijd steeds sneller lijkt te gaan. Die zee van onoverzienbare tijd als men jong is, verwordt op den duur tot een miezerig riviertje dat men ongemerkt steeds verder op peddelt om uiteindelijk bij de oorsprong ervan uit te komen. Aangekomen bij dat punt is het nog slechts een borrelende bron en is men niet veel meer nodig dan lucht en rust. Alles wat jarenlang beschouwd werd als noodzakelijk, is met steeds minder moeite onderweg afgestaan en bij het murmelen van de bron is men terug bij de ultieme kwetsbaarheid van het leven. Zo kaal ziet het bestaan er tenslotte uit, dacht ik toen ik met Rossi over de Turfweg liep. Hemelsbreed waren we hooguit vijfhonderd meter van huis en toch verder dan ik eigenlijk van plan was. Want mijn gestel is de laatste tijd ietwat wankel en zou ik hier plotseling neerzijgen, dan zou het kunnen dat ik een uur of langer op hulp moet wachten. Tenzij Rossi zich als een Lassie zou ontpoppen en bij een aangrenzend huis aan zou blaffen. Wie weet bezit hij dit verborgen talent en zou hij het dolgraag willen benutten. Een leven zonder enige risico is immers een leven van niks en ik heb de o zo goedbedoelde raad van mijn vrouw om niet van de openbare weg af te gaan fluweelzacht in de wind geslagen en ben het veld ingelopen. Ik dacht nog even na over een babbeltje dat ik deze week had met een leeftijdsgenoot en het viel me op hoe vaak het in dit soort praatjes gaat… of nee, ik moet eigenlijk zeggen, dat het alleen maar ging over het reilen en zeilen van ’s mans gezondheid en hoe moe ik daar na een poosje van werd. Het is waar; ik verstouw ook niet meer wat ik ooit verstouwde. Is dat erg? Nee, tuurlijk niet. Het zou wat zijn als je als bejaarde -dat woord is een gruwel voor fanatieke leeftijdsontkenners- nog een half kratje bier op een avond wegtikte en daarbij een stevige sigaar rookte. Aan beide zaken heb ik mijn lichaam vele jaren weliswaar niet consequent opgeofferd zonder van een krachttoer te spreken. Gelukkig begonnen bepaalde organen te morren en daarom hield ik er mee op. Deels ingegeven door het verstand, dat wel. Met de meeste beperkingen gaat dat zo. Als leven lijden wordt, past men zich er waar mogelijk op aan. Nu vier jaar geleden werd er bij mij peniskanker geconstateerd. Dat zorgde eveneens voor een beperking. Achteraf bezien voelt het alsof ik werd meegesleurd in de ongebreidelde toename van geslachten en het zou me niet verbazen dat er voor deze ongewilde ondersoort nog eens een speciale benaming komt, zodat ik mij bij een aantal lotgenoten zou kunnen aansluiten. Ik zeg zou, want ik houd het liever binnen de poort. Ook op het gebied van voedsel en drinkerij levert een mens op leeftijd steeds meer in. Een loopje langs de buffettafels van de chinees doen we al lang niet meer. Veel te vet die handel en je wilt toch waar -lees: veel- voor je geld. Bovendien is het vooral vlees en dat verdraagt mijn maag en mijn geweten steeds slechter. We liepen verder. Rossi leegde zijn darm, vond een eetbaar dingetje en ik verlangde naar een kop warme chocola. Want -het verhaal wordt eentonig- zelfs op de tot één gereduceerde mok joechel kan ik moeilijk slapen. En zo lego ik in stilte voort.

We kwamen aan bij de openbare weg. Er passeerden langzaam en luid plopperend twee Harley’s. Twee oude mannen, dacht ik, elk op een rijdende pacemaker. Ik stak mijn hand op. Ze groetten terug met een knikje. Ik beschouwde het als een teken van wederzijds begrip. Alsof ze ermee wilden zeggen dat wij gedrieën in hetzelfde schuitje voeren. Het pepte me ineens geweldig op. Bijna herboren stiefelde ik naar huis terug.

21.1.22 Blote feiten 11.00 uur. Ik ben even gaan liggen. Een ongewone tijd, want te vroeg voor een middagdutje. De reden is dat het een bijzonder korte nacht was. De zo gewenste oplossing de darmblokkade van mijn vrouw door middel van van laxerende drankjes (4x) en een door de thuiszorg ingebrachte klysma te doorbreken, bleef helaas uit en daarom togen wij ten einde raad gisteravond tegen halftien andermaal naar het ziekenhuis. En opnieuw kwam het hele protocol van onderzoeken en vragen voorbij. Maar mijn vrouw was bijna niet meer in staat alert te reageren. Al werd mij duidelijk dat opname voor de nacht er waarschijnlijk niet in zat. We vernamen onverhuld van een van de verplegers dat het probleem vooral zat in het feit dat er nogal wat bedden werden bezet door ongevaccineerde coronapatiënten, ‘en die liggen hier gemiddeld een week of negen’, zei hij. Hij liet zijn irritatie hierover duidelijk blijken. Veel van hen trekken zich niets aan van de besmettelijkheid van het virus, klitten bij elkaar, gaan zonder mondkapje naar winkels en reizen de grens over voor een paar lullige dingetjes. Ik was het roerend met hem eens. Temeer mijn vrouw hier nu min of meer de dupe van was. Met een zwaarder middel werd geprobeerd haar aan het poepen te krijgen, maar dit lukte niet. Huilend van wanhoop riep ze dat ze zó toch niet naar huis kon! Maar er zat niets anders op. De werking van het middel kon echter wel enige uren aanhouden en we zouden dus makkelijk thuis kunnen komen. Dan moest het toch wel los komen. Ontredderd verlieten we de afdeling en voorzichtig reed ik mijn geliefde op het karretje naar de uitgang. Ze ging welhaast nog zieker naar huis terug dan ze was gekomen en dat is toch niet de opzet van een ziekenhuis, was mijn vileine gedachte. Het was 1.43 uur toen we het parkeerterrein afreden. Onderweg bespraken we in steeds heftiger bewoordingen de gang van zaken van het ziekenhuis, maar gaven hoe het ook zij vooral de schuld aan het onnodig en langdurig bezet houden van bedden door ongevaccineerde wappies en andere onverlaten die zich niet willen voegen naar de regels die het RIVM en de Staat ons adviseert en waar zij -mijn vrouw- nu onder moest lijden. ‘Hoe moet ik op deze manier de nacht doorkomen?’, huilde ze wanhopig. Wist ik het maar. Hopelijk zou dat middel dat ze had ingenomen dijkdoorbrekend zijn. Thuis keek ik nog even naar het laatste Journaal, zag hoe de carrières van onder andere knuffel-Marokkaan Ali B van het ene op het andere moment in diggelen liggen en at een broodje en dronk een laatste kop thee. Tegen 3.00 uur gingen we dan maar naar bed. Op hoop van zegen. Van slapen kwam het eerst niet maar ik moet toch zijn weggezakt, want om een uur of vijf werd ik wakker van gestommel. Het bedlampje brandde en omdat ze zag dat ik ontwaakte sprak ze welhaast jubelend dat de boel godenzijdank begon los te komen. Ze was al drie keer naar de wc geweest en het voelde als een bevrijding. Het bekwam me alsof ze melding maakte dat we een prijs in de loterij hadden gewonnen (onmogelijk, we doen namelijk aan geen enkele loterij mee). Deze ontlastingsgang moet zich met vaste regelmaat hebben doorgezet, want toen ik enige uren later wederom ontwaakte, zei ze dat ze al vijftien keer naar de wc was geweest en dat de dikke buik langzaam slonk. Dan was het toch goed geweest hoe zij in het ziekenhuis de zaak hadden ingeschat. Hoezeer de verplegers ook met haar zijn bezig geweest, met hoeveel inzet en liefde, het blijft discutabel. ‘Ik heb het nu écht he-le-maal gehad met die ongevaccineerden’, zei ze toen ze andermaal van achteren kwam. Ik ook, zei ik en ik meende het van harte. Ik doe mijn ogen dicht en probeer een paar verloren slaapuurtjes terug te pakken.

19.122 Voorspellende gave Alsof de duvel er mee speelde moesten we vanmorgen wederom naar het ziekenhuis, maar nu was mijn vrouw aan de beurt. Ze had vreselijke buikpijn. Ik belde onze huisarts. Omdat mijn vrouw amper kon bewegen, kwam die tegen twaalf uur langs. Een jonge vrouwelijke. Ze kon niet goed vaststellen wat het was en daarom stuurde ze haar door naar de spoedeisende hulp. We konden er meteen terecht. Mijn vrouw had dit reeds voorzien en met de moed der wanhoop enige overblijfspullen verzameld. Ik reed de auto tot vlakbij de voordeur, zodat ze bijna niet hoefde te bewegen. Het rijden was geen pretje. Bij het ziekenhuis haalde ik een karretje en reed haar naar binnen. We konden bijna meteen doorrijden naar dezelfde kamer als waar ik vorige week voor onderzoek lag, 4. Ook dat vooronderzoek was bijna identiek. Het wachten was nu op de arts die haar verder zou onderzoeken. Die kwam even later. Een kleine, oosters uitziende man met stekeltjeshaar. Hij stelde zich voor als dokter Hoesein. Bij dat eerste onderzoek was nog weinig te zien. Kon de gal zijn, zei hij met zware tongval, kon ook iets anders zijn. Daarvoor moest er nog een foto van haar longen worden gemaakt en daarna zou de arts met echoscopie de buik verder bekijken. Toen het zover was en de arts met zijn apparatuur binnen kwam, vroeg ik of ik er bij kon blijven of dat ik buiten moest wachten. ‘Nee, u kunt blijven. U toch partner van mevrouw zijn’. Jaja, zei ik. ‘Ik gebruik geen radioactief straling’, zei hij. Ik vertrouwde hem volledig. In een flits zag ik weer de woordvoerder van de PVV op de televisie en hoe vreselijk die tekeer ging tegen hen die niet precies aan zijn beeld van hoogblonde, katholieke of protestantse Noord-Europeaan voldoen en op zulke momenten wil dat bekende gedicht van Willem Wilmink over Ali Ben Libi* nog weleens voorbij komen en met name de woorden: En altijd als ik een schreeuwer zie / met een alternatief voor de democratie,/ denk ik: jouw paradijs, hoeveel ruimte is daar / voor Ben Ali Libi, de goochelaar. Wat zou voornoemde witkuif doen als hij met zijn poot in het verband onder ogen zou komen van iemand als dokter Hoesein…? Hard weglopen? Of zich beklagen dat het godgeklaagd is dat ons mooie land geen enkele duinblanke Hollandse dokter meer kan recruteren en we alzo met z’n allen naar de Filistijnen gaan? Of zal de dokter hem vasthouden en zeggen: ‘Ik kan er niks meer an doen, meneer, maar arm stuk, arm is lam’. Dokter Hoesein had dus mijn zegen, alsof ik daar over zou kunnen beslissen. Op het scherm zag ik nu de binnenkant van mijn eega. Niet kraakhelder, eerder alsof ik mij in een onderzeeër bevond en tegen het licht opkeek en vreemd gevormde waterwolken of ijsschotsen ontwaarde. Een hoogst curieuze kijkervaring. Dokter Hoesein deed geen verslag. Pas na onderzoek van bloed en urine zette hij uiteen dat hij geen ernstige complicaties had ontdekt. ‘Darmen zitten verstopt’, en dat kon worden opgelost door veel macrogol-drankjes te drinken. Dat was het dus. Nu heeft mijn vrouw dat vaker, dus was opname niet nodig. We konden weer naar huis. Thuis haalde ze de spullen weer uit haar tas. Vorige week bij mij deed ze hetzelfde. Als ze bij elke toer naar het ziekenhuis standaard een overblijfset meeneemt, zou het in de praktijk weleens mee kunnen vallen. Je zou het ook een voorspellende gave kunnen noemen.

* Ben Ali Libi was de artiestennaam van de jood Michel Velleman, geboren in Groningen op 5 januari 1895, opgepakt bij een razzia in Amsterdam op 20 juni 1943 en eind juni 1943 vergast in vernietigingskamp Sobibor.

14.1.22 Periodieke controle Nee, het was niet het oeverloze gebazel van Leopold Bloom in Ulysses dat mij afgelopen maandagmiddag eventjes het spreken belette. Maar wat het wel was, wisten wij -mijn vrouw en ik- natuurlijk ook niet en daarom vervoegde ik mij daags erop naar de huisartsenpost. Ik trof er een voor mij onbekende arts. ‘Een van de vier deels parttimers’, zei hij. Een bedachtzame man die de jaren des onderscheids naar me toescheen reeds was gepasseerd. Hij hoorde mijn verhaal aan, bekeek me en las op zijn scherm mijn medische levensweg (ik wilde al tikken: lijdensweg, nee zo erg is het allemaal niet). Ik liet het woord tia vallen, waarop hij aarzelend zijn hoofd schudde en tenslotte zei hij dat het misschien toch wel raadzaam was naar het ziekenhuis te gaan voor een hersenonderzoek. Daar was ik direct voor. Er kan niet genoeg aan een mensenlichaam onderzocht worden, vind ik. Elk jaar een apk-tje. Ik zou er mogelijk een tijdje op moeten wachten, zei hij, want er was een wachtlijst. Maar reeds de volgende dag kreeg ik al een oproep. Dat kon twee dingen betekenen; a: met die wachtlijst viel het reuze mee of b: er was iets vreemd met mij aan de hand en snel ingrijpen was geboden. Had ik weer! Vanmorgen om 8.00 uur mocht ik al aantreden. Een verpleegster nam me mee naar kamer 4. Ik moest mij neerleggen op het behandelbed. Ze monteerde een aantal sensoren op mijn borst, nam bloed af en pompte mijn linkerarm fijn. De resultaten waren niet zorgwekkend, zei ze. Daarna ondervroeg en onderzocht een jonge, invallende neuroloog mij. Vooral dat lichamelijke onderzoek was een staaltje vrolijke zintuigengymnastiek. Alles ging snel bij de man. Alsof ik hier ook vooral snel en impulsief op moest reageren. Er leek weinig aan de hand met mijn motoriek, vond hij. Omdat ook voetzoolreflexen op zijn lijstje stond, trok hij in één haal hopla mijn veters los, wipte mijn schoenen uit en zou in dezelfde vloeiende lijn ook mijn sokken uittrekken, maar daarin faalde hij jammerlijk. De reden was dat ik kniekousen droeg. Na de kankeroperatie nu precies vier jaar geleden, heb ik nogal gauw last van koude benen. Voor als het echt gaat winteren wring ik mij eventueel in een wollen maillot. Nu gelukkig niet. ‘Tjee, u heeft lange kousen aan, zeg!’, zei hij met een intonatie alsof er geen eind aan kwam. ‘Ja, dat is zo’, zei ik met ingehouden lach. Hij had van te voren beter kunnen vragen schoenen en sokken uit te doen. Maar zo’n jonge arts rekent op sokjes die je inderdaad in één haal uit kunt trekken, het soort dat ik weleens in films op stoelen of op de grond rondgeslingerd zie. Daarbij was het mogelijk onderdeel van zijn flitsprogramma. Mijn vrouw vergeleek hem later onderweg naar huis met de cabaretier Peter Pannekoek. Voor de rest verliep het onderzoek feilloos. Na de bloedvaten- en de hersenscan volgde bij de hoofdneuroloog het eindgesprek. Dat zou gezien de opmerkingen tussendoor van de verpleegster en van de jonge arts weinig spectaculairs opleveren. Een gevreesde tia (t.i.a.) was het volgens hem niet en áls het dat wel zou zijn geweest, dan was het een hele lichte. In ieder geval drukte mij wel op het hart voorzichtig te zijn met deelnemen aan het verkeer. Zou het ernstiger zijn uitgevallen, dan zou hij mij terstond het autorijden hebben verboden en zouden wij met een taxi en met achterlating van ons autootje huiswaarts hebben moeten keren. Hij neigde hier in eerste instantie wel toe, maar zag hier alles overziend toch van af. Ik zou geen gevaar vormen voor mijzelf en het overige verkeer. Doe het de komende tijd rustig aan, was zijn advies. Hij gaf me het recept mee voor een medicijnencocktail om 1) mijn bloed ietsjes sneller te laten stromen, 2) mijn hart op te peppen en 3) een frisseltje cholesterol op te ruimen. De duistere voorgedachte dat ik na het onderzoek allerlei producten niet meer zou mogen consumeren, zoals koek, cake, chocolade, suiker in het algemeen, zout enzovoort werd gelukkig niet bewaarheid. In een bijna vrolijke stemming reden we naar huis terug. Mijn houdbaarheidsdatum is weer een flink stuk opgerekt.

10.1.22 Boostertaal Beetje rare dag vandaag. We hadden bewust de oproep voor de boosterprik afgewacht, zodat we tegelijk voor de prik konden gaan. Het was immers maar de vraag hoelang we in de rij moesten staan en omdat we allebei weleens een beetje wiebelig zijn (nee, geen kwestie van spiritualiën!), leek ons dat raadzaam. We kregen de oproepen vlak na elkaar. Dat kwam mooi uit. ‘Maandag meteen bellen’, zei ik zaterdag, toen de oproep voor mijn vrouw ook binnen was. Dat deden we. In de veronderstelling dat dit wel even kon duren, hadden we thee klaar gezet en alle papieren die we nodig hadden bij de hand. Wonderwel kregen we meteen een telefoniste aan de lijn en -nog gekker- we konden binnen een uurtje al bij de priklocatie terecht. We moesten in tegenstelling tot onze kritische houding nu bijna halsoverkop naar de locatie. Onze gedachte dat er dan wel niet veel boosterhalers zouden zijn viel tegen. Er stond een aardige rij. Maar tegen twaalf uur zaten de prikken erin. We gingen meteen weer op huis aan. Daarna stofzuigde ik de boel en ging de tweede aflevering van ‘Denkend aan Holland’ kijken. Tot dan toe was er niets aan de hand. Ik liep naar beneden, trof mijn vrouw in de keuken en ze zei als gewoonlijk iets tegen me. Maar toen ik iets terug wilde zeggen, vernam ik dat mijn stem haperde. Er kwam wel geluid, alleen de woorden die ik wilde zeggen klonken vreemd krom. Alleen het woord oké klonk goed, maar dat is nou juist zo’n stopwoord dat ik weinig gebruik. Dat weet zij ook. Dus toen ik dat woord een aantal malen gebruikt had, dacht ze dat ik haar voor de gek hield. ‘Wat bedoel je steeds met oké?’, zei ze licht geraakt. Ik wilde uitleggen dat mijn stem een beetje raar deed, liep naar de kamer, ging op een stoel zitten en probeerde weer iets te zeggen. Het klonk bizar. Het was totaal onbegrijpelijk. Alle letters waren verdraaid. Er zat geen goed Nederlands woord tussen. Het was alsof ik een nieuwe taal had ontwikkeld. Omdat mijn vrouw dacht dat ik haar voor de gek hield, begon ze te lachen. Het had iets weg van een Monty Python-scène. Maar het was diepe ellende. Ik ging van de weeromstuit even in bed liggen en toen kreeg zij wel in de gaten dat er iets ernstigs met mij aan de hand was. Ik probeerde nog iets te zeggen, maar het klonk idioot. Gewone woorden verhaspelden tot taalsmurrie. Ik bleef het proberen en langzamerhand ging het beter. Na een half uurtje was de taal weer helemaal terug. Waar dit euvel vandaan komt, weet ik niet. Ik heb het ooit weleens eerder gehad. Dan ging het om slechts een paar woorden. Kan gebeuren, dacht ik dan. Een kortsluitinkje tussen twee vezeltjes. Ik moet er echter niet aan denken dat me dit regelmatig en dus ook in serieuze gesprekken overkomt. Of als ik ergens voorlees. Zou het misschien iets te maken kunnen hebben met die prik? Toen de GGD-arts mij had gevaccineerd, zei ik snedig: ‘Nou, tot de volgende keer maar weer’. Daar ben ik nu niet meer zo zeker van. Als ik in het vervolg na iedere prik als een zwaar beschonken Poetin ga kletsen, ga ik er toch wel tegenaan zien. Ik wilde vanavond eigenlijk verder met Ulysses van James Joyce, want ik heb me voorgenomen dat boek, nu in de vertaling van John van den Berg, nog eens te lezen. Als ik daar zo over nadenk kan het ook best zijn dat mijn brein door de wartaal van dat boek ietwat ontregeld is. Die stroom van indrukken zou mijn kop weleens hebben kunnen ontregeld en dat die uitval zo-even gewoon een soort mind-reset was. Misschien is het niet iets om mij zorgen over te maken. Maar schrikken was het wel.

7.1.22 Oud zeer In de column van Stevo Akkerman in Trouw van vanmorgen kwam ik de uitdrukking ‘koesteren in wrok’ tegen. Ik ga niet op de inhoud van de column in, want dat doet eventjes niet ter zake. Het gaat mij om dat koesteren in wrok. Dat is mij ook eens verweten, dat ik koesterde in wrok. Dat ik dat nog zo goed weet heeft natuurlijk alles te maken met het feit dat ik het daar totaal niet mee eens was. Ik was bij mijn werkgever Lighter op allerlei manieren vastgelopen en kreeg helaas ook weinig steun van de personeelschef. Ik zal zijn naam niet noemen, hoewel hij al jaren uit de tijd is. De hoofdreden was dat ik steeds meer hinder ondervond van de rook van mijn collega’s. Het is nu bijna niet meer voor te stellen dat een groot deel van de werknemers op elke denkbare plek van welk bedrijf ook toen rookte. Het bedrijf waar ik werkte produceerde wegwerpaanstekers. Zo op het oog dingetjes van niks, waar toch ruim honderd mensen een boterham mee verdienden. Het feit dat ik amok begon te maken over het rookbeleid, of eigenlijk over het ontbreken daarvan, maakte met name de personeelschef op zijn zachtst gezegd nogal korzelig. ‘Dan moet je hier niet langer werken’, smeet hij me eens in het gezicht en daarmee begon mijn zoektocht naar ander werk. Eerst binnen het bedrijf zelf. Via verschillende afdelingen kwam ik uiteindelijk in het opslagmagazijn terecht. Maar ook daar was ik niet veilig voor de rokende medemens. Ik vertelde de personeelschef dat ook dáár gerookt werd. Dit wilde hij niet geloven. Hoe kon het dat iemand het in zijn kop haalde om tussen die miljoenen opgeslagen aanstekers te roken. ‘De afdelingschef zelf’, zei ik. ‘En niet zo zuinig ook, hij rookt de hele dag zware shag’. Daar twijfelde hij sterk aan. ‘Ga er dan naartoe, dan kun je het zelf zien’, zei ik. ‘Maar als de boel in de fik vliegt, weet ik van niks hè’. Zo lagen onze kaarten. Nu had ik een beetje een slechte naam naar de media (lees: toenmalige Drentse en Asser Courant), want ik had jaren eerder eens gereageerd op een ongeluk met een aansteker van ons bedrijf. Op dat ontploffinkje had het bedrijf nogal laks, ja zelfs onverschillig gereageerd. Ik verdedigde het slachtoffer, een mevrouw uit Borger, afgebeeld met verband om haar arm en hand, middels een ingezonden artikeltje. Ondertekend met mijn naam + medewerker van Lighter. Vooral dat laatste was niet slim, had ik beter niet kunnen doen. Het halve bedrijf viel over me heen. Mijn personeelschef was des duivels en wilde me op staande voet ontslaan. Dat gebeurde niet en ik denk dat dat verstandig was, want ik zou hier zeker mee naar de krant zijn gestapt. Vrijheid van meningsuiting, heren. (De top van het bedrijf bestond alleen uit mannen. Ook dat is gelukkig veranderd.) Omdat ik steeds meer last kreeg van de sigarettenrook en daardoor steeds vaker vanwege luchtwegproblemen uitviel, werd er gekozen voor outplacement. Er was een bedrijf dat zich bezig hield met het leren solliciteren en eventueel herplaatsen van mensen die door bijvoorbeeld reorganisatie op straat dreigen komen te staan. Dat bedrijf bevond zich in de stad en als ik wilde kon ik daar een traject volgen. Het was een probeersel, een pilot, zoals mijn personeelschef zei. Als ik het niet wilde, zou hij mij op den duur toch moeten ontslaan. Nee heb je, dacht ik en ging er op in. Het bedrijf -ik zal het maar even zo noemen- zat in een luxueus pand aan de Van der Felzpark in de stad. Een pand dat in 1996 voor zevenenhalve ton was verkocht aan een woningbouwcorporatie. Voor dat geld kon je toen nog een aardig optrekje krijgen. Nu doet het waarschijnlijk het dubbele, maar dit terzijde. ‘JobSup’ ‘Bureau voor Organisatie & Carrière Ontwikkeling’ stond er in een groot geelkoperen bord gegraveerd dat naast de hardstenen stoep op de muur was geschroefd. JobSup liet het zichtbaar breed hangen. Ik kreeg meteen een coach toegewezen die me allerlei opdrachten gaf. Ten eerste om een loopbaanoriëntatie vast te stellen. Ik zal hier verder niet op in gaan, want daaraan wil ik geen ruimte verspillen. Ik probeerde er van te maken wat er in zat, maar al spoedig begon het te schuren tussen mijn coach, zekere mevrouw Iris, en mij. Zo verweet ze mij bijvoorbeeld dat ik niet voldoende meewerkte, dat ik niet gemotiveerd was en dat bovendien mijn cv ernstig tekort schoot. Het was waar zo zou me later ter ore komen, dat de meeste cliënten van JobSup uit het echelon kwamen van de hogere opgeleiden. Ik was daarbij maar een -weliswaar geschoolde!- fabrieksarbeider. Desondanks solliciteerde ik regelmatig en kreeg hele aardige brieven terug. Afwijzingen. Dat dan weer wel. Het belangrijkste punt was denk ik dat het volgens mevrouw niet genoeg opschoot. De directrice die het bedrijf leidde, was het jaar ervoor gekozen tot Ondernemer van de provincie Drenthe en ging er prat op dat zij iedereen aan het werk kon krijgen. Maar ja, met mij vlotte dat niet zo goed. En Iris moest natuurlijk verantwoording afleggen bij haar streberige bazin, en dus ook waarom dat met meneer H. niet ging. Bij één van die trainingen verweet ze mij dat de oorzaak van het niet slagen van het vinden van ander werk voornamelijk lag gelegen in het ‘koesteren van wrok’. Ik had hier nog nooit bij stil gestaan. Wat een mens zoal niet in zich heeft… Die wrok bestond er volgens haar uit dat ik mij niet begrepen voelde door met name mijn personeelschef. De haarscheurtjes werden op slag handbrede scheuren. Ik maakte volgens het programma nog een dagje mee met andere cliënten en sprak volgens datzelfde programma op een sollicitatiemeting met enigen van hen en het viel me daarbij op dat er ook bij hen weinig schot in zat. Ik was dus niet de enige. Kort daarop riep mijn personeelschef me bij zich dat hij een schrijven van mevrouw Iris van JobSup had ontvangen waarin ze aangaf dat verdere medewerking met de heer H. weinig zin had en dat ze afzag van verdere coaching. Punt. De rekening van om en nabij 7800 gulden was toegevoegd. Mijn personeelschef was niet blij met deze tijding. Zeg maar gerust: hij was des duivels. Ik had er met de pet naar gegooid, vond hij, en hij eiste dat ik de rekening zelf zou betalen. Dat was ik uiteraard niet van plan. Ten eerste was het niet mijn voorstel een extern bureau in te schakelen en ten tweede had ik maar een gedeelte van het totaalprogramma afgewerkt, hoewel mevrouw Iris deed voorkomen dat ik het hele programma had afgewerkt. Dit was duidelijk een geval van gesjoemel met de cijfers, zeg maar: oplichting. Mijn personeelschef twijfelde hier sterk aan, maar ik kon hem eenvoudig met mijn stempelklokkaart aantonen dat ik op de momenten dat ik zogenaamd trainingsdagen bij JobSup had bezocht, ik bij Lighter op die dagen aanstekers stond in te pakken. Een waterdicht bewijs. Hij had geen weerwoord. Korte tijd later vernam ik dat mevrouw Iris op het bedrijf ter verantwoording was geroepen en dat de rekening na veel mitsen en maren was gehalveerd. Pilot mislukt, einde Jobsup. ‘De helft, dat is nóg veel te veel’, zei ik later tegen de personeelschef, die zich grommend van mij afkeerde. Het jaar erop ben ik zonder uitzicht op een andere baan ontslagen en met stille trom vertrokken. Het was een zegen dat ik van de ploegendiensten verlost was en even tot rust kon komen. Kort daarna kwam ik bij de bloemenveiling te Eelde in dienst.

Een paar jaar later liep ik eens op een middag in de stad. Ik moest voor een dingetje even naar de Harense Smit in de Molenstraat en kwam ergens halverwege een oude kennis van me tegen. Hé leuk, jij hier ook? Hij woonde een paar straten verderop en had er tevens zijn bedrijfje. Hij zag er patent uit, droeg een kort kapsel en was gestoken in een modieus pak. Dat was vroeger wel anders! Op mijn vraag wat voor een bedrijfje hij had, zei hij: ‘Ik heb een arbeidscoachingbedrijfje. Eenpersoons. Ik zorg ervoor dat mensen weer een beetje aan de bak komen. Loopt hartstikke goed’. Goh! Ik vertelde hem over mijn ervaringen met JobSup, zonder de naam te noemen. Hij begon te lachen. ‘Mag ik raden welk bedrijf dat was?’, zei hij. Dat mocht. ‘In één keer goed’, zei ik. ‘Praat me daar niet van’, zei hij. ‘Ik kreeg regelmatig mensen van dat bedrijf bij mij, omdat ze dáár niet verder kwamen. Dat hele JobSup heeft het veel te groot aangepakt, een beetje duur doen enzo. Eerst in dat grote pand aan de Van der Felzpark, toen ergens in de nieuwbouw en nu helemaal niets meer, want ze zijn kort geleden failliet gegaan’. Dat wist ik allemaal niet. Maar ik moest er hardop om lachen. Misschien was dat wel een vorm van wrok, ja. Mag ik?

4.1.22 Begeert niet uw naaste… Kortgeleden overleed een oude vriendin van mij. Ik zeg oud in de zin dat ik haar al jaren niet meer gezien en gesproken had en enkel wist dat haar gezondheid niet over hield. Corona zou haar uiteindelijk de das om doen. Toen ik het hoorde was ik enige dagen flink van slag, daas van onbegrepen verdriet. Ze maakte ruim veertig jaar geleden deel uit van de vriendenclub waar ik ook deel van uit maakte. In die tijd begon ze avances in mijn richting te maken, maar ik wilde daar niet aan. Ik hield veel van haar, zeker, maar ze had een gezin en daar had ik van af te blijven. Ze schreef me regelmatig brieven en wilde me bezoeken. Ik hield de boot af, wilde voorkomen dat haar gezin door overspel naar de ratsmodee zou gaan. Dát dat uiteindelijk wel gebeurde hoefde ik mij niet aan te rekenen, ofschoon ik mij er wel schuldig door voelde. De tijd heelt alle wonden, zingt Herman van Veen. Ik ben het daar niet zo mee eens. De tijd heelt wel, oké, maar krabt evengoed oude wonden weer open, is mijn gedachte. Daar heb je geen zicht op. Het gebeurt plotseling. Met haar overlijden zag ik in gedachten ook menige vriendin waar ik een tijdje mee verkeerde terug. De meesten van hen zijn eveneens uit beeld. Ze zijn mogelijk keurig getrouwd, bewust alleen gebleven of reeds gestorven. Wat zagen ze in mij?, heb ik later weleens gedacht. Ik was beslist geen flamboyante vrouwenversierder. Meestal kwam een meisje in mijn directe omgeving, we raakten aan de praat, het klikte en dan hadden we ineens verkering. Natuurlijk speelde het voorkomen van een meisje een belangrijke rol, maar minstens zo belangrijk vond ik de omgang met elkaar en het converseren over een en ander. Dat je op elkaar kon rekenen, elkaar in tijden van nood of verdriet kon steunen. Dat soort zaken. Zulks krijgt men van huis-uit niet altijd mee. Voor de buitenwacht is het gezicht natuurlijk het eerste dat opvalt en daar wordt men op beoordeeld. Ik herinner me nog goed dat er in de fabriek waar ik lange tijd werkte een jongen was die er niet al te aantrekkelijk uitzag. Hij was lang en dun en nogal houterig. Zijn haargrens bereikte bijkans zijn achterhoofd. Hij droeg een zware bril en als hij die afdeed loenste hij. Zijn tanden stonden onregelmatig en hij had een lijzige stem. Daar zou toch geen meid aan te koppelen zijn? Niettemin was hij getrouwd. Soms noemde hij in ons gezelschap haar naam. Een mooie naam, maar dat zegt niks. Evenals hem schatte niemand van ons haar esthetisch gezien hoog in. Een algemeen, maar toch stuitend vooroordeel. We werkten in fulltime en het gebeurde eens dat hij op een zondagmorgen geen brood bij zich had. In de haast vergeten, zei hij. Hij belde naar huis en liet in de pauze van halfnegen weten dat ze het zo dadelijk zou komen brengen. Dat gebeurde ook. Ik zie die vrouw nog binnenkomen en hoe de gesprekken in de kantine als met een donderslag stil vielen. Zelden heeft een van ons in dat fabriekspand ooit zo’n mooie vrouw gezien. Ze bracht hem zijn broodtrommel, zei nog een paar woorden tegen hem en verdween weer met evenveel gratie. Ik weet niet wie van ons het eerste iets zei, maar het zal achteraf gezien iets beschamends geweest zijn, want er barstte een hevige rumoer los. Men wist van de weeromstuit even geen raad met zichzelf. Het strookte niet dat zo’n afzichtelijke bonenstaak met zo’n schoonheid onder hetzelfde dak en in hetzelfde bed verkeerde. Refererend aan Jan Wolkers zei iemand dat hij toch minstens een gouden pik moest hebben. Gelach… gebrul! De man steeg enorm in achting. Als we sindsdien op zaterdag of op zondag dienst hadden, was er niet zelden iemand die opmerkte dat hij zijn brood maar weer eens moest vergeten. Wat we in ons mannetjesgedrag niet meenamen was dat de man natuurlijk hele bijzondere kwaliteiten bezat, kwaliteiten die je mogelijk saai zou kunnen noemen, maar die wij schromelijk ontbeerden. Daar heb je als het er op aan komt veel meer aan.

De begeerte om naast os, ezel of enig ander waardevol bezit ook iemands knecht of dienstmeid in te willen palmen is hoe dan ook van alle tijden. Die ouwe Mozes had wel een beetje gelijk. Ossen en ezels zijn weliswaar al eeuwen uit de tijd, de dienstmeiden en knechten bestaan nog steeds, maar zijn mondig geworden. Dat is goed. Iedereen moet immers rekening houden met het mijn en het dijn. Pas met de dood komt daar ontegenzeggelijk een eind aan. Geen dag eerder.

3.1.22 Tot aan m’n kruis Aan de ingang van het asfaltpad dat de Hunzeweg met de Noordveensedijk verbindt, vernam ik toen ik was uitgestapt, een vreemde fluittoon. Door het open landschap waait de wind hier altijd steviger dan bij ons. Ik sloot de auto af en liep met Rossi naar het bord met daarop de fietspadenplattegrond, want ik vermoedde dat het geluid daar ergens vandaan kwam. Dat was ook zo. De wind blies precies vanuit de juiste richting in een gaatje in de beugel van het bord en kwam er aan de andere kant via net zo’n gaatje weer uit. Het idee van een blokfluit. Toen ik mijn vinger op een van de twee gaatjes duwde hield het op. Wie weet is ooit zo de allereerste fluit ontstaan. Zo ontdek je nog eens wat. Ik had er plezier om en lachte. Rossi keek me verschrikt aan. We liepen het pad op. Het pad heeft geen naam. Het is eigenlijk bedoeld als fiets- annex wandelpad, maar dit staat niet duidelijk aangegeven en dus gebeurt het regelmatig dat een automobilist het pad indraait om via dit tussenweggetje aan de andere kant van de Hunze te komen. Hij loopt dan vast bij de stuw, want hier is het te smal. Keren kan niet en hij moet dan achteruitrijdend weer terug. Ik zeg bewust hij, want ik heb nog nooit een vrouw het zien doen. Kleine moeite van de gemeente of van Het Drents Landschap om dit euvel middels een bordje op te lossen. Eén keer heb ik eens van de andere kant een VW-Golf amper op tijd kunnen zien remmen, anders was hij (jonge knaap) tegen de oude stuwreling geknald. Amper aan de overzijde van de Hunze, zag ik ook nu weer een auto het pad indraaien. Het duurt vaak even, men overweegt of het wel kan en gaat dan meestal terug. Nu ook. Ik liep verder. Bij het bosje hoorde ik een kettingzaag. Ik zag een man bezig een omgewaaide boom in stukken te zagen. De man stopte toen hij mij zag en liep naar de straat. Onderwijl raapte ik een wikkel van een Heineken sixpack op. Tot mijn verbazing bevatte het nog een vol blikje. Ik zag nu ook wie de boomzager was en riep hem tegemoet ‘Hé Jan, hije belang bij een blikkie bier?’ Hij lachte en schudde zijn hoofd en bromde ‘wat mensen toch zoal niet weggooien’. Ik legde het volle blikje op het asfalt en trapte er hard op. Het bier spoot recht omhoog, tegen mijn kruis en de rest van mijn broekspijpen aan. ‘Gotverdegotver…’, schold ik. Jan moest erom lachen. Logisch, zou ik ook hebben gedaan. We kletsten bij. Jan mocht van het Drents Landschap het bosje een beetje bijhouden en omgevallen bomen wegzagen. Ik ging met mijn natte broek naar de straffe wind toe staan, in de hoop dat het zou drogen, want ik wilde eigenlijk nog even naar de winkel. Maar met zo’n stank om me heen kon ik dat beter niet doen. Ik had Jan lang niet gezien. Hij was, hoewel van mijn leeftijd, oud geworden. Zijn gebit behoefde meer nog dan het bosje grondig onderhoud. Maar ja, hoe oud en verlopen zie ik er zelf uit? We liepen weer verder en Jan ging weer aan het zagen. Ik vulde mijn plastic zak met rommel en liep een half uurtje later weer naar de auto. De broek was nog kleddernat. Naar huis maar. Thuis deed ik het samen met mijn jas, die ook een streep bier had opgevangen, meteen in de wasmachine. Het is natuurlijk wel bijzonder dat ik mij nu zo van dit gerste- of tarwenat afkeer, terwijl ik het vroeger royaal naar binnen goot. Maar een mens verandert. Aan één blikje bier zou ik nu al meer dan genoeg hebben. Tja…

1.1.22 Pril begin Het is iets over twaalven. Mijn vrouw heeft de jaarwisseling met moeite uitgezeten en is naar bed. Het vuurwerk dat de wetteloze consument via slinkse wegen het land heeft binnengesmokkeld, knalde gistermiddag, vermoedelijk vanwege de regen en de harde wind, dof. Het kan ook om oud spul gaan waarvan het kruit al een beetje aan het interen was. Tegen de avond werd het droog en klonken er steeds hardere knallen vanuit het dorp en bij de buren. De televisie stelde niet veel voor, ik hield het op het lezen van de kranten en de televisiegids. Het is het laatste nummer dat we ontvingen. We kijken steeds minder en mede door de prijsverhoging heb ik de gids afgezegd. Ik ben ruim 30 jaar lid geweest. Ook met kranten wil ik het wat rustiger aan doen. Er staan nog honderden boeken in mijn kasten te wachten gelezen te worden. Met sommige loop ik al een eeuw achter. Ik lees nu een verhalenbundel van Stefan Zweig uit 1939. Kom daar eens om in de moderne boekenwinkel. Allemaal verleden tijd. Maar prachtig geschreven. Daar zouden veel schrijvers van tegenwoordig nog van kunnen leren. Hedendaagse schrijvers heb ik weinig in mijn verzameling. Gedurende de coronatijd heb ik geen enkel boek gekocht. Komt misschien weleens weer. Ik heb een gordijn open getrokken en kijk naar het siervuurwerk. De lucht is er van vergeven. Het is alsof er helemaal geen verbod op de verkoop en afknallen van vuurwerk was. Tegen halfeen wordt het geleidelijk aan minder. Dan klinkt er plotseling een enorme dreun vanuit het dorp. Carbid, denk ik. De veroorzaker moet de tijd hebben afgewacht zijn definitieve boem de wereld in te sturen. Ik krijg er spontaan hartkloppingen van. Feit is dat het daarna stil wordt. Rossi loopt onrustig door de kamer. Hij weet het even niet meer. Ik besluit toch maar naar bed te gaan. Mijn vrouw slaapt al. ’t Is mooi geweest, de kop is er af. In het land rumoert het nog volop. Morgen hoor ik wel hoe de nacht is verlopen.