Onderliggend geluk

18.10.21 Groot in Luxemburg Bij de term coming-out denk ik onbewust aan veel meer dan aan het openbaar maken van iemands seksuele identiteit. Want dat zal mij eigenlijk worst zijn. Nee, het openbaar maken van iets heimelijks, iets waarvoor men zich lichtelijk schaamt, bijvoorbeeld het verzamelen van onallerdaagse dingen, of de hoogste staat van geluk, van extase, dat men slechts kan bereiken bij het aanschouwen van bepaalde auto’s, idem dito van hogehakschoenen, van zonsondergangen of van het lezen van oude Donald Ducks. Ik noem maar iets. Mijn tic is alles te lezen wat ik voor ogen krijg. Elk potje, doosje, flesje, elk labeltje. Is dat een afwijking die ik moet scharen onder een coming-out? Nee, niet echt, maar andere coming-outs heb ik niet en ik wil toch een beetje meetellen nu ik in de krant zag staan dat het coming-outday was en mensen konden reageren wat ze hiervan vonden. Eigenlijk belachelijk dat je daar überhaupt iets van moet vinden, maar dat is nu eenmaal een dingetje van deze tijd. Eén van die dingen die ik ook nooit ongelezen in de papierbak gooi zijn de labeltjes van een bepaald theemerk. Inmiddels ken ik hun hele repertoire zo’n beetje wel. Toch blijf ik het doen. Daaruit voortkomend is het idee ontstaan die stukjes in een bepaalde volgorde aan elkaar te plakken, zodat er een verhaal ontstaat. Een beetje zoals de Amerikaanse schrijver William Burroughs zijn verhalen ontwierp. Je zou er ook gedichten van kunnen maken. Ik zal eens twee van die labeltjes nemen. ‘Wat zou er in het eerste hoofdstuk van jouw biografie staan?’ Een beetje kromtaal, vind ik, maar voilla. De tweede: ‘In welk land zou u graag enige tijd vertoeven?’ Het eerste voorbeeld ben ik al heel vaak tegengekomen en daarop zeg ik altijd (ook dat is een coming-outje: ik praat vaak hardop tegen mezelf): ‘Het eerste hoofdstuk van mijn (auto-) biografie sla ik gewoon over’. Punt! Het tweede voorbeeld is wat moeilijker. Ik zou gevoelsmatig Engeland zeggen, maar sinds de brexit waag ik mij liever niet meer onder de Britten en omdat Schotland nog onderdeel is van de UK, kan ik dat niet noemen. Ierland zou een goed alternatief zijn. Guernsey ook. Maar plotseling dacht ik aan Luxemburg. Ik moest ineens denken aan een boek over Luxemburg dat ik ooit als schooljongen aantrof in het oud papier. Ik meen dat het een uitgave van King-pepermunt was. Het kan ook zijn dat het niet alleen Luxemburg bevatte, maar de drie landen van de toenmalige Benelux, de mini-voorloper van de hedendaagse EU. Aardig is dat hoewel Luxemburg verreweg het kleinste land van die drie is, het wel drie letters in het woord mocht voeren. Maar ja, Belnedux had ook niet geklonken. Luxemburg is niet eens zo groot als Drenthe en noemt zich Groothertogdom. Dat vind ik wel een beetje blufferig. Hoe dan ook, ik had er toen kennelijk al iets mee. Ik googelde Luxemburg en liep meteen tegen de bekendste inwoner aan: de schrijver Michel Rodange. Nooit van gehoord en al heel lang dood. Geboren in het plaatsje Walbillig in 1827. Hij was aanvankelijk leraar op de lagere scholen van Steinsel en Fels en vervulde later te Echternach (ben ik ook geweest) de taak van stadsarbeider. Een mooi woord, zou Belgisch kunnen zijn, voor in zijn geval: kantonnaal opzichter bij wegenbouwwerken. Later hielp hij ook nog mee bij de aanleg van de spoorlijn langs de Sauer. Hij begon zich op zeker moment te interesseren voor onder meer de Duitse literatuur en ontdekte Goethe’s bewerking van het episch dierdicht Reinaarde de Vos. Hij zette dit beroemde boek om in het Luxemburgse dialect. In zijn versie bespotte hij op satirische wijze de Luxemburger en diens aard. Daar was in die tijd lang niet iedereen van gediend. Tegenwoordig wordt het boek alom geprezen en gezien als het belangrijkste werk in het Luxemburgs dialect. Jammer dat het nooit in het Nederlands is overgezet. Michel Rodange stierf in 1876 in het stadsdeel Clausen. Pas veel later is men hem gaan roemen. Er kwam een groot monument in Luxemburg-stad en een borstbeeld in zijn geboorteplaats. Zijn hoofd kwam in 2001 op een postzegel. Er werd een straat naar hem genoemd (Rue Michel Rodange), een hotel-auberge, een townhouse en in 1968 een middelbare school (Lycée Michel Rodange). Voorts wordt zijn Renert nog regelmatig in Luxemburg opgevoerd. Dan heb je het toch aardig ver geschopt. Het kan natuurlijk te maken hebben met de omvang van het land. Luxemburg telt verder geen enkele schrijver van betekenis.

Ik lees geheel willekeurig nog een theelabeltje. Er staat: ‘Zou je op Mars willen wonen als dat kon?’ Neen, ik wil niet op Mars wonen, zelfs als dit kon. In geen geval. En buurman zijn van Edon Musk zeker! No way!! Ik wil niet eens op de Maan wonen. Wat zeg ik, niet anders dan waar ik nu woon. Ik zou ogenblikkelijk mijn streekje missen.

17.10.21 Die Arendsoog toch… Mensen die van hun boeken af willen, kunnen die schenken aan de dorpsbieb. Graag (met een indrukwekkend rijtje uitroeptekens), had ik bij de oproep gezet. Want je zult net zien dat iemand bij het opruimen van de zolder of het leeghalen van een huis tegen een collectie prachtboeken aanloopt en dit zonder enige mededogen bij het oud papier zet en laat dat nou toevallig ook net die week worden opgehaald. De dorpsbieb bestaat bij de gratie van vrije giften. Regelmatig komt er een doosje met wat oud spul binnen. Want dat is wel een dingetje: het zijn altijd oudjes. Geen ongeschonden exemplaren van de populaire zevenzusters-serie bijvoorbeeld. Maar ondanks dat wordt er toch wel aardig wat geleend en dus ook gelezen. Veel in de hoek van misdaad en streekliteratuur. Verder is er een plankje kinderboeken en wat diversen. Als onbezoldigd medewerker van het biebje krijg ik de nieuwe aanwinsten in handen en beoordeel of ze een van de planken halen of alsnog de container in gaan. Enige tijd geleden kwam er een stapeltje Arendsoog-boeken binnen. Daar was ik in mijn jeugd een grage lezer van. Ik had een stuk of vijf titels, maar toen ben ik denk ik langzamerhand de onoverwinnelijkheid van Arendsoog alias Bob Stanhope in twijfel gaan trekken. Er kwamen boeken op mijn pad die dichter bij het leven stonden en bovendien kwamen er tv-series als Bonanza en Rawhide. Kortom Arendsoog verdween uit beeld. Mijn vijf delen lagen in de kast voer te wezen voor zilvervisjes, tot een jaar of tien geleden de schilder die de voorkant van ons huis opknapte, er tijdens de koffie naar wees en zei dat hij die boeken nog steeds graag las en er al een hele serie van had. Hij verzamelde ze, maar placht dat niet met zoveel woorden te zeggen. Van mijn vijftal miste hij nummero 4: Arendsoog in de knel. ‘Neem maar mee’, zei ik. Lezen deed ik ze toch niet meer. Wel dus. Dat kwam zo. Ik herlas weer eens een boek van de mysterieuze schrijver B. Traven. Een naam die je bij wijze van spreken in een Arendsoogboek tegen zou kunnen komen. B. Traven beschrijft in veel van zijn boeken het bikkelharde bestaan van de Indianen, de oorspronkelijke bewoners van Amerika, de Native People. Het boek (De Ossekar) speelt in het Mexico van 1929. Het gaat er zo liederlijk oneerlijk en corrupt aan toe, dat ik het met schaamrood op de kaken uitlas. Diezelfde week zag ik toevallig bij de Inbreng te Veendam de eerste twee delen van Arendsoog liggen. Voor een euro per stuk. Daar kon mij geen buil aan vallen. Ik kon ze na ze gelezen te hebben zo bij het stapeltje van de bieb kwijt. Gisteravond las ik deel 1 uit. Wat me opviel; die Arendsoog was zo godsallemachtig katholiek! Dat moet mij in mijn jeugd toch ook opgevallen zijn? Misschien viel hij verderop in de serie wel van zijn geloof. Dat zou natuurlijk kunnen. Maar in het eerste deel is het goed raak. Dat de lezer maar eventjes weet waar hij aan begint. Tegen pater Boyle, die Arendsoog als zijn catechist heeft aangesteld, laat hij weten dat het ‘juist bij deze eenvoudige Roodhuiden zo moeilijk is ze te doen inzien dat het christendom wat anders is, dan zoals vele zogenaamde christenen het beleven. Maar het heidendom zit er zo ingeroest, pater’. Zó! De schrijvers van de Arendsoog-boeken waren wel heel erg naïef. Het verhaal gaat dat de Haagse onderwijzer en bibliothecaris Jan Nowee verzoekjes kreeg om cowboyboeken te leveren. Doordat die er niet waren, begon hij ze zelf te schrijven. Bij deel 19 stierf Jan plotseling en zoon Paul nam het stokje over. Bij B. Traven gaat het er heel anders toe. ‘De kerk wil de Indianen rustig in hun staat van onschuld en onwetendheid laten, omdat die onnozele kinderen er nu eenmaal zeker van zijn in het rijk der hemelen te komen. Daarenboven wist je van een Indiaan die kennis bezat nooit helemaal waarheen die kennis hem zou voeren’. De hoofdpersoon uit de ossekar, Andrés Ugaldo, komt er langzamerhand achter dat het hele spektakel rond de verering van de heilige Caralampio totale onzin en geldklopperij is. Corruptie tiert welig onder zijn ogen. Alles met het doel de Indianen dom te houden en vooral monddood te maken. Als iemand van de katholieke knevelarij af wil, moet hij of zij dit boek maar eens gaan lezen.

Ik snap best dat een schoolmeester uit het chique Den Haag zijn kindertjes in de jaren ’30 niet met dergelijke gruwelijkheden wilde belasten. Het was het begin van een van de succesvolste jeugdboekenseries in Nederland. Maar hoe snel zouden zijn leerlingen oud worden. Dat neemt niet weg dat Arendsoog alle verschrikkingen overleefde. Niet alleen de oorlog die hele volksgroepen neermaaide en de feministische golf die mannelijke stoerheid verachtte, maar ook de kritiek dat Arendsoog een soort seksloze, schietgrage robot was. En dat de taal van Witte Veder zo onbeholpen was dat zelfs Pipo’s hulpje Klukkluk er witjes van om de neus werd. ‘Bleekgezicht zich zeer ernstig vergissen. Indiaan hier vlakbij u, en zal vuren, indien gij bewegen!’. Als Arendsoog oog en oog komt te staan met de moordenaar van zijn vader, wil hij de schurk meteen omleggen. Dan weerklinkt echter de roep dat hij hem de moord moet vergeven. Nee hè, dacht ik, want ik ben in zulke gevallen radicaal. Maar, schrijft meester Jan, Jezus deed dat ook, toen ze hem aan het kruis nagelden. Nog afgezien van dit al dan niet ware feit, twijfel ik aan zoveel weerbaarheid. Op pagina 42 zou het dus al afgelopen kunnen zijn. De ploert neergelegd, gekist, deksel erop, een rondje vuurwater in de saloon en klaar is kees. Nee, zei de uitgever, het moet toch wel iets van 160 pagina’s worden. Zo’n flutboekje pikt de jeugd niet. En zo geschiedde. Via een U-bocht kwam uiteindelijk de verlossing. Hoe bijbels wil je het hebben?

Na de plotselinge dood van vader Jan Nowee in 1958, perste zoon Paul er nog 44 delen uit. Arendsoog was 19 jaar in deel 1 en zou ongeveer 29 zijn in de afsluiter. Een scharrel met een dame komt in geen enkel deel voor. Verondersteld werd weleens dat zowel Arendsoog als Witte Veder van de herenliefde waren, maar dat zouden zowel pa als zoon Nowee, de lezertjes niet willen aandoen. De verhalen spelen rond 1875 en toen sprak men daar nog niet openlijk over. Kan ik me indenken. Wat me meteen opviel bij de omslag van deel 2, Witte Veder, zijn de vijf hakenkruisen op zijn borstlap. Weliswaar verkeerd-om, maar je kunt daar toch van alles van denken. Dat de nazi’s bijvoorbeeld dat teken (het runenteken) gepikt zouden hebben van de Vikingen, de Kelten, de Romeinen of van een nog veel ouder volk en dat het dus voordat de nazi’s ermee aan de haal gingen, een onschuldig symbool was. Het zou ook kunnen dat de tekenaar van het portret, Hans G. Kresse (Duitser van oorsprong en bekend geworden als schepper van de strip Eric de Noorman), het niet zo nauw nam met de inmiddels veranderde waarde van het kruis op het moment van uitgave van het boek. Óf waren ze bij de uitgever niet zo bij de les? Zou allemaal kunnen. Een ieder wist ten tijde van de presentatie van de allereerste Arendsoogboek toch wel dat dit symbool zeer besmet en zeer stigmatiserend was. Mogelijk waren de eerste drukken van een andere omslag voorzien en is mijn exemplaar, de 31ste druk, aan de aandacht van de eindredacteur ontglipt. Maar tot op de dag van vandaag kun je er niet mee wegkomen. Linksom of rechtsom, dat maakt niet uit. Na Paul Nowee is er geen vervolger opgestaan. De Arendsoog-boeken worden nog steeds veel gelezen, zei mij onlangs de juf van de bassischool. De mysterieuze schrijver B. Traven is echter totaal vergeten. Hij heeft de arme Indiaan een stem gegeven en de onderdrukkers, de despoten en de tirannen van kerk en regering aan de schandpaal genageld. En hoewel B. Traven in zijn tijd veel werd gelezen, is er voor de oorspronkelijke bewoners van Amerika nimmernooit gerechtigheid gekomen. Tja.

15.10.21 Zuid-Nederland Op de parkeerplaats van de supermarkt in mijn gemeentedorp zag een wegenkaart liggen. Het lag vlak naast de deur aan de stuurkant van mijn auto en het leek daardoor alsof iemand het er bewust had neergelegd zodat ik het zou meenemen. Het was een wegenkaart van België en Luxemburg. Sinds de uitvinding van de satelliet-navigatie, is de markt voor papieren wegenkaarten de nek omgedraaid en daarmee is de chauffeur verworden tot een slaafse luilak. Jammer, want ik ben gek op papieren wegen- en landkaarten. Naar alle waarschijnlijkheid behoorde het toe aan een toeschouwer van de fietscrosswedstrijden die hier onlangs plaatsvonden. Want Belgen racen graag fiets. De kaart was door weersinvloeden behoorlijk vervuild, maar desondanks nam ik het toch mee. Thuis legde ik het op de verwarming, zodat het weer enigszins bruikbaar werd. Vanmiddag heb ik het op de vloer uitgevouwen. Omdat het ook een paar scheuren bevatte, besloot ik er bepaalde gedeelten uit te knippen en de rest weg te gooien. Bijvoorbeeld het gedeelte ten zuidwesten van Gent, met Deinze als middelpunt, waar ik in 1985 enige dagen verbleef. Aan de zuidoost kant van Gent ligt Aalst waar Louis Paul Boon een groot deel van zijn leven woonde. Ik wilde dat gedeelte als een landkaartje voor in een van zijn boeken plakken. Want in zijn columns reist hij veel in de buurt van Aalst en Gent en daardoor noemt hij weleens een dorp in die omgeving. Altijd makkelijk om het even na te kijken. Ik nam van de plank Belgische schrijvers een boekje van Boon met een hard kaft dat even als raamwerk moest dienen om af te tekenen waar ik langs moest knippen. Je kunt dat maar één keer fout doen. Mieke Maaike’s obscene jeugd nam ik. Een mooi vormgegeven boekje. Er werd weleens beweerd dat Louis Paul Boon vanwege dit scabreuze niemendalletje de Nobelprijs voor Literatuur is misgelopen. Dat kan zijn. Maar waarom zou Willem Elsschot in plaats van L.P.B. die prijs dan nooit hebben gekregen? Elsschot was volgens velen een veel groter schrijver? Ik heb niet alleen vanwege het schrijfwerk van Louis Paul Boon een voorzichtige liefde voor België gekregen. Voorzichtig, zeg ik, want ik ben er niet eens zo vaak geweest en heb er nooit een vriend of vriendin opgedaan. Ik denk dat het komt doordat België in mijn geografische verbeelding nog altijd een stukje Nederland is, meer dan Suriname of de ABC-eilanden. Dat is natuurlijk niet zo, want sinds oktober 1830 staan de Belgen op eigen benen en dat laten zij zich nooit meer afnemen. Een ander stukje dat ik uit de kaart knipte is Luxemburg. Ook daar heb ik wat sporen liggen. We (reisvriend Jan en ik) hadden bij een van die keren onze tent opgezet onder de rook van de hoofdstad en gingen er die avond naartoe. In een leuk cafeetje aten en dronken we een en ander. Tot onze consternatie bleken de drankjes na 21.00 uur plotseling het dubbele te kosten. Hoe zat dat? Het café werd na dit tijdstip een nachtclub, zei ons de ober. Er flikkerden plotseling allerlei lampjes, er verschenen zwoele dames aan de bar en op een tv-scherm startte een seksfilm. We rekenden af en verlieten spoorslags het café. In een parkje hoorden we van een groepje Luxemburgse jongeren dat dit de laatste tijd overal het geval was. En zij konden vanwege de minimum toegangsleeftijd en de prijzen van de drankjes bijna nergens meer terecht. In België wettelijk verboden, werd het hier volop vertoond. En die geile Belgen kwamen er in grote getale op af. Louis Paul Boon zei niet voor niets dat de Belgen het schijnheiligste volk ter wereld is. Maar ‘ik drijf nogal gauw over’ schreef hij ook meer dan eens. Dus ja, wat daar van waar is… Niettemin begeven veel Belgen zich zondags ter kerke, maar eenmaal weer met beide voeten op de kasseien, ‘zoeken ze naar het kruis in andere broeken’, om Raymond van het Groenewoud na te zeggen. Zijn wij Noord-Nederlanders zoveel anders? Ik vrees van niet. Ik knipte nog een paar happen uit de kaart. Het kustgedeelte bijvoorbeeld. Ben ik ook enkele keren geweest; Oostende, Brugge, Knokke en de regio Antwerpen. Het kan me nog eens van pas komen. Zal ik ooit nog eens in België komen? Ik denk het niet. Ik heb er niets te zoeken. Tenzij Vlaanderen in oorlog geraakt met bijvoorbeeld Wallonië of Frankrijk en we geacht worden een evacueetje op te nemen. Dan ga ik overstag en zal ik haar of hem als de vrede weergekeerd is terug brengen. Want België en dan met name het bovenste stuk, blijft een beetje Zuid-Nederland en een mens heeft nu eenmaal vaderlandse plichten na te komen.

12.10.21 Op de kaart zetten Wil een mens vooruit in de wereld, dan dient hij/zij/hen zich zonder enige gêne te manifesteren. Dat kan door je roekeloos aan de massa uit te leveren, hetgeen me doet denken aan de zaadwolk die vissen uitspuiten als ze in de buurt van een of meerdere vrouwtjes komen, want er hoeft maar één zaadje te ontkiemen en de soort is gered. Zo moet het ook gaan met de naar roem smachtende individu, dat uit die wolk van duizenden nietszeggende meebewegers, de juiste persoon jou opmerkt. Daarvoor moet je overtuigt zijn van je kunnen en je absoluut uniek voelen. Dat valt niet mee, want vandaag de dag zo lijkt het wel, verlangt iedereen naar die schreeuwende fifteen minutes of fame. Wil je kans van slagen maken, dan kun je het dus maar beter eenvoudig aanpakken. Mogelijk val je juist dan op. Dat is zo mijn manier van denken. Beetje in de trant van Think global, act local. Toen ik enige jaren geleden met deze site begon, was het volgens de kennis die mij hierbij hielp raadzaam om visitekaartjes te laten drukken. Dat doet iedereen die iets onderneemt. Vooral zelfstandigen met of zonder personeel. Het zou zelfs gratis kunnen. Hij googelde en jawel hoor, daar rolden de aanbieders al over het scherm. Het ene kaartje was nog mooier dan het andere. Met wolken, met bloemen, met een Van Gogh-achtige landschap of een branding op de achtergrond. Ik schrok ervan terug en stribbelde tegen. Wát nou als het allemaal mislukte. Dan zat ik met een doos vol kaartjes waar ik niets mee kon. Ik liet het er dus bij. Als het hier of daar ter sprake komt, zeg ik dat ik een eigen site heb en dat men die (veenberichten.nl) kan intoetsen en alzo alle stukken kan lezen. Maar dat is vermoed ik ijdele hoop. Zodra we uit elkaar gaan, is men mijn site-naam weer kwijt. En dus begon ik enige weken geleden op een zondag spelenderwijs toch maar eens te googelen naar een drukker die voor een schappelijk prijsje een 500-tal kaartjes voor me kan drukken. Nu is het big-business in drukkersland. Ik koos voor mijn eigen regio, koos een drukker uit en belandde ergens in Brabant. Nederland is een mierenstrontje voor google-land. Ik kreeg een prachtige mail van het eenmansbedrijfje terug, waarin de drukker mededeelde dat hij naast zijn drukkerij sinds kort ook uitgever is van boeken en dat hij enige verhalen van mijn site had gelezen en dat er wat hem betrof wel een boekje in zat. Hoefde mij helemaal niets te kosten. Prachtig aanbod, maar daar mailde ik niet voor. Brabant is voor een Noordeling toch een eind uit de buurt en ik wilde alleen maar een 500-tal visitekaartjes, ter burele af te halen en gelijk boter bij de vis te betalen. Dus niet door middel van een mij niet bekend betalingssysteem. De deal ging niet door. ‘Jammer’, mailde hij terug. Vond ik ook. Ik probeerde nog een paar anderen, allemaal ver van huis en met vreemde betalingssystemen. Daarna hield ik het voor gezien.

Nu moest ik vanmiddag even naar S. Triplex platen zien te versieren, omdat het ouwe hout op de vloer van de voorkamer splintert en mijn vrouw eenzelfde toplaag voorstelde als in de achterkamer. Zo kwam het dat ik in de gauwigheid het modelletje voor een visitekaartje dat ik nog had liggen meenam. Ik wist een drukkerijtje in S. en zou allicht kunnen informeren of ze er iets mee konden. Die schuchterheid zit ‘em in het feit dat ik in een ver verleden – het lijkt welhaast een vorig leven- zo nu en dan als liedjeszanger optrad en daartoe fotokaarten had laten drukken. Dat deed toen elke zichzelf respecterende artiest. Die zelfverzekerdheid, dat lef had ik toen. Op de voorkant van het kaartje stond mijn gekwelde tronie, want ik gaf me uit als folk & protestzanger en dat kon niet gepaard gaan met een gesoigneerd voorkomen en op de achterkant stond mijn naam + het adres van mijn vriend die mij als manager vertegenwoordigde. Ik zong onder andere liedjes van Bob Dylan en mijn vriend was dus mijn Albert Grossman. Zo lagen de verhoudingen. Er is echter nooit veel met die kaartjes gedaan. Natuurlijk gaf ik zo links en rechts weleens eentje weg, maar optredens heeft het volgens mij nooit opgeleverd. Ik heb er enige jaren mee lopen leuren tot ze op waren. Dat zou dus nu met zulke visitekaartjes ook kunnen gebeuren. Bij de houtwinkels vond ik niet de platen die ik zocht en enigszins teleurgesteld reed ik terug. Tot ik bij toeval een groot bord aan de kant van een uitvalweg zag staan met ‘drukkerij’ erop. Nu of nooit, dacht ik en reed er naartoe. Op de balie van het moderne bedrijf lagen een tiental verschillende visitekaartjes. Een jongeman stond mij te woord. Hij bekeek mijn al enigszins beduimeld papiertje. ‘Meer hoeft er niet op’, zei ik. ‘Moet er niet bij welk soort bedrijf u heeft of welk vak u uitoefent en een telefoonnummer. Geen kleurtje op de achtergrond of een foto?’, zei hij. ‘Nee, allemaal niet nodig’ zei ik. Het woord schrijver of columnist gebruik ik slechts met het mes op de keel, dat liet ik dus ook weg. ‘Oké’, komt voor de bakker’, zei hij.

Volgende week zijn ze klaar. Overal waar ik kom zal ik een stapeltje neerleggen. Bij de dokter, de apotheek, de bieb, mijn vaste supers, dorpshuizen, krantenwinkels, als strooigoed zomaar ergens op een terras. Tussen die andere, overdadig gekleurde kaartjes van ambitieuze assurantiebureaus, makelaardijen, ateliers, coaches, werkaanbieders, nagelartiesten, galerieën, eetpaleizen, groepsverblijven, beeldend kunstenaars, boekbinders, kapsalons, bed & breakfasthouders, bloemschikkers, voetreflextherapeuten… enzo-enzovoort, moet mijn strakke exemplaar eruit springen. Maar het mooiste zal zijn als ik een kennis tijdens een straatpraatje het kaartje kan toesteken met de woorden: ‘Asjeblieft, mijn kaart’. Het doet me stilletjes denken aan een scene uit een film van Laurel & Hardy, waarin de lijvige Oliver zich aan iemand presenteert met ‘My card’ en hem met een zekere aplomb een kaartje toesteekt. Het blijft hoe dan ook -weliswaar uitermate serieuze!- slapstick.

5-7.10.21 Een volle dag Soms heb ik een dag waar ik een roman voor nodig zou hebben om het helemaal te beschrijven. Vandaag was zo’n dag. Maar ik kan geen roman schrijven, ik heb er niet het geduld voor, ik houd mijn vertellingen altijd kort. Nou ja, de wereld bulkt al van de romans, wat zal ik daar met mijn gekras nog aan toevoegen? De enige overeenkomst met mijn manier van schrijven en de romankunst is dat ik ook nogal eens andere namen gebruik om personages in de nodige situaties te beschrijven. Dit uit zelfbescherming en ook om de ander niet in verlegenheid te brengen. Schrijven is niet zelden een soort confessie ofwel een bekentenis en daarbij past voorzichtigheid. Tenzij men niet bevreesd is voor vijandschap of aanklachten. Men kan zich verweren dat de personage in het verhaal toevallig mevrouw X heet en heel toevallig ook woonachtig is in dezelfde plaats als in welke het verhaal speelt, maar de verdenking ligt er dik bovenop. Ik waag mij hier liever niet aan. Zoals gezegd; het was een volle dag. Het begon al vroeg vanmorgen. Ik moest voor de opening van de ceremonie van de onthulling van de Stolpersteinen naar Rolde. Daar zou de start van het programma worden verricht. Ik reed tegen 8.30 uur derwaarts. Het weer was goed en het leek droog en rustig te blijven. Bij de kerk aan het brinkje waren zo op het oog alle parkeerplaatsen bezet. Met enige moeite frunnikte ik mijn autootje tussen een grote eik en een halve Humber. Paste precies. Daarna liep ik naar de kerk. Ik ben geen kerkganger en ken de regels niet die hier gelden. Maar de kerk deed nu slechts dienst als ontvangst- en spreekruimte. Er liepen twee mannen en twee vrouwen met me op die hoewel ik hen groette niets terug zeiden. In het portaal stonden een paar wachtenden. Ik zag door de opening dat de kerk al aardig vol zat. Dat viel mee, want Leen Ruben -lid van de struikelstenenwerkgroep- vertelde me vorige week zaterdag dat ze op zo’n 30 á 40 belangstellenden rekenden. Dit waren er veel meer. Hij vertelde me dat toen hij op mijn verzoek voor nog een paar affiches deze langs bracht. Ik bezorgde ze meteen op de adressen die ik daarvoor in gedachten had. Onder andere bij de PKN-kerk in mijn dorp. Maar ik zag het niet in het mededelingenkastje voor de kerk hangen. Zou er iets tegen het leggen en onthullen van de gedenksteentjes zijn, dacht ik toen ik er van de week langsfietste. Het rijtje voor mij schoof langzaam naar binnen. Het stokte doordat men bij de ingang van de kerkruimte een kop koffie of thee mee mocht nemen. Amper mijn neus in de kerk zag ik in een van de achterste rijen een hand omhoog gaan. Ah, Anneke. Gelukkig, dan was ik tenminste niet alleen. Ik voel me nooit erg op mijn gemak in een voor mij onbekende omgeving. Niet dat ik niet eerder in deze kerk was geweest. Enige jaren geleden nog tijdens de jaarlijkse boekenmarkt. Daar koos ik als welkomstgift uit een doos een boek van Martin Bril. Maar nu was het allemaal anders. Nu stonden er als bij een kerkdienst rijen stoelen en zaten de mensen vlak tegen elkaar. Alsof corona totaal niet meer bestond. Maar goed dat mijn vrouw er niet bij was. Zij is nog zeer bevreesd voor het coronavirus en houd strikte afstand. Ik nam een kop koffie. Leen begroette me met een ferme handdruk. Dat was even schrikken. Vóór de corona was ik een makkelijke handgever, maar de verplichte distantie had deze handeling vrijwel onmogelijk gemaakt en ik nam me voor het in de toekomst bij een Oosters knikje te houden. Dat rare elleboogje zou zodra het virus uitgeraasd was wel weer verdwijnen. Mijn vrouw zou van de handdruk zijn geschrokken en subiet haar desinfecteerflesje hebben gegrepen. Een mevrouw naast Leen -ook van de werkgroep- dacht dat ik Herman van het Kleine Kerkje in ons dorp was. Ik zei ‘Nee’ en dat ik daar uiteraard weleens kwam, maar dat ik Herman toch niet was. Later op de dag trof ik nog iemand die hetzelfde dacht en dat ik de beheerder van bovengenoemd kerkje was en dus de sleuteldrager. Een wonderlijke coïncidentie. Ik liep met mijn kopje naar de stoel die Anneke voor me bezet had gehouden. Maar amper gezeten werd ons door de woordvoerder van de werkgroep gevraagd ons meer naar het midden van de ruimte te begeven opdat we een meer coherente groep zou vormen. We namen plaats op de derde rij. Daarna begon het programma. Meneer Dijkstra van de werkgroep heette iedereen van harte welkom, speciaal mevrouw Yehudith Heymans-Gudema uit Israël en haar kleindochter Soof Hacohen uit Amerika. Yehudith is de enige overlevende van de familie Gudema, waartoe ook Lea Gudema, de vrouw van Salomon Meyer Cohen, behoorde. In het koor van de kerk hingen een aantal schilderijen en tekeningen van haar hand. Bezoekers mogen deze werken kopen, het geld is bestemd voor de Stolpersteinenstichting. Vervolgens hield hij een toespraak over de verschrikkingen van het nazibewind, over de deportatie van de Joden in heel Europa en spitste zich toe op de 37 joodse inwoners van de gemeente Aa en Hunze. Hij noemde de namen van allen die door het nazigeweld om het leven waren gebracht en waarvoor vandaag 36 gedenksteentjes voor werden onthuld. Er was slechts 1 overlevende . Meneer Dijkstra is een geoefende spreker, dit in tegenstelling tot onze burgemeester. Ik zeg uitdrukkelijk dat spreken in het openbaar niet ontbloot is van moed en van de gave van het woord, bovendien is het spreken over zo’n beladen onderwerp geen makkie. Elk optreden verdient daarom volle respect. De kleindochter van de frêle mevrouw Heymans-Gudema mocht hierna enige Jiddische liederen zingen. Ik ben niet bekend met Israëlische liederen, ken slechts een paar Jiddische liedjes van Pete Seeger en Harry Belafonte en heb een cd met klezmermuziek. Ik zal niet streng oordelen over het ukelelespel dat ze waarschijnlijk onderweg nog snel had geleerd. Het diende een hoger doel en dan kijkt men niet zo nauw. We waren niettemin allemaal ontroerd en ze kreeg een spontaan applaus. De Israëlische voorganger, de heer Hummen, deed nu uitleg over het gebed dat bij elke onthulling zou worden uitgesproken. Het was geen kerkelijke voorganger zoals ik mij dat voorstelde. Drie kinderen van de Nassaucollege lazen daarna elk een zelfgeschreven gedicht over de oorlog voor. Het was goed gedaan. De meeste indruk maakte zonder twijfel de toespraak van mevrouw Heymans-Gudema. Ze las een verhaal voor over haar bezoek aan Sobibor. Het feit dat zij hier als een van de weinige overlevenden van de naziterreur stond, ontroerde diep. Ik heb enige jaren geleden geprobeerd het leven van het gezin Cohen-Gudema te beschrijven en heb daarvoor ook meerdere keren haar site ingezien, maar was niet in staat haar persoonlijk te begroeten. Het zou me teveel worden. Ik weet dat mijn tranen los zitten als ik met slachtoffers van welke terreur ook te maken krijg en ga dit liever uit de weg. It’s the weakness in me. Dat mag zwak klinken, maar een mens mag zich best behoeden voor al te grote emotionele krachten. Na enige stukken van onder andere Ernest Block, gespeeld door een combinatie van accordeon en cello, gehoord te hebben, werden de mensen die met de bus langs de zeven te bezoeken plekken zouden gaan, verzocht zich naar buiten te begeven. Eenmaal daar zag ik tot mijn verbazing de grote zwarte spelersbus van FC Emmen staan. Het zou toch niet… Niets ten nadele van de FC, alleen het zwierige logo van de hoofdsponsor op de achterzijde kon ik moeilijk rijmen met het doel van deze rit. Met seksuele geneugten had het mijns inziens vandaag niets te maken. De gasten stapten desalniettemin in.

We schaarden ons in een lange lint nabij de plek waar de eerste gedenksteentjes zouden worden onthuld. We konden moeilijk in een gesloten groep staan, omdat het aan de nogal drukke Asserstraat plaatsvond. Het verkeer werd weliswaar door een auto van de gemeente middels een groot bord en een zwaailicht gemaand langzaam te passeren en tevens deed werkgroeplid Klamer Bos zijn best de auto’s af te remmen. De heer Dijkstra hield een praatje vooraf en vertelde in kort bestek het leven van de mensen waarvoor de stenen werden onthuld. Het gezin Bendix Schaap. Dit was hun laatste huis geweest waar zij nog in redelijke vrijheid hadden kunnen leven. Dat woord vrijheid is betrekkelijk, aangezien zij als Joden allerlei beperkingen hadden moeten slikken. Daarna zegde de voorganger zijn gebed dat bestond uit een in het Hebreeuws gesproken soort requisitoir en het gebed voor hun zielen. Opdat wij hen niet zullen vergeten. Ik en de meesten omstanders begrepen er natuurlijk niets van. Alleen de namen van de vernietigingskampen konden we verstaan. Auschwitz, Bergen-Belsen, Theresienstadt, Sobibor, Mauthausen, Triblinka, Dagau… Een ieder van ons wist uit de vele documentaires wat voor vreselijke kampen dit waren. Ik keek voorzichtig om me heen, zag dat iedereen dit alles zwijgend tot zich nam en ik dacht ‘als er nu weer zoiets als een oorlog komt en er worden weer mensen worden afgevoerd, zullen we dan automatisch denken aan zulke gruweloorden? Of zullen we denken dat dat Nie wieder ook écht tot een beëindiging heeft geleid?’ Ik geloof er niets van. Ook mijn jaren gedragen stop-the-bom-button heeft tot niets geleid. We waren zo naïef in de Stellingwerver vredeswerkgroep op zeker moment gezamenlijk hardop ‘Stop the war’ te prevelen en verwachtten dat meneer Reagan aan de overkant van de plas daar gehoor aan zou geven. Kokeleko natuurlijk. Maar ja, weten wij nu wat er in bijvoorbeeld Noord-Korea, in Syrië of in Afghanistan gebeurt….? Het gebed was gezegd. Kinderen van de plaatselijke school veegden de steentjes schoon en legden er witte rozen op. Het messing glom alsof het de zon tegemoet wilde treden. De accordeonist en de celliste speelden nog een paar Jiddische wijsjes en daarmee waren de eerste slachtoffers van het naziterreur in beeld gebracht. De mensen stapten weer in de bus en ik wandelde terug naar de parkeerplaats. Ik besloot de kerk nog even in te gaan. Er was niemand. Doodse stilte. Ik bekeek de schilderijen van Yehudith Heymans-Gudema nu van dichtbij. Schilderijen die grotendeels haar leed verbeelden van de oorlog. Zij is weliswaar ín de oorlog geboren, te vondeling gelegd en zonder enkel lid van haar familie opgegroeid. Dat hakt erin. Donkere schilderijen. Ik zou er eentje kunnen kopen. Het was voor het goede doel. Ik weifelde, maar -met alle respect- zoveel donkerheid in mijn huis zou ik niet kunnen verdragen. Ik zou er iedere dag tegenaan lopen. Ik bekeek ze nog eens goed, als om ze in mijn geheugen op te slaan, en liep toen naar buiten. Onderdeel van mijn zelfbescherming, hield ik me voor. Ik overwoog nog even langs het graf van Harry Muskee te gaan, maar deed het niet. Een andere keer. Ik moest deze dag zoveel mogelijk besteden aan de nagedachtenis van onze Joodse slachtoffers. Daarna reed ik naar het tweede adres aan de Asserstraat, waar in de oorlog dat andere gezin Schaap had gewoond, bestaande uit vader, moeder en dochter. Ook hier voltrok zich hetzelfde drama als feitelijk op elke plek die we bezochten. De heer Dijkstra las de namen van de slachtoffers op en een kort in memoriam. Daarna was er weer muziek. Een kortstaartige poes schuurde langs de benen van de celliste. Een groepje fietsende jongeren lawaaide voorbij. Bus nr. 24, Winschoten via Borger, passeerde. Aan de overkant haalde een oude man zijn brievenbus leeg en keek vanuit zijn tuintje toe wat daar gebeurde. De steentjes werden schoongeveegd en de rozen gelegd. Eventjes dacht ik een sterke gelijkenis tussen deze naamplaatjes en de bijna even gele katoenen jodensterren te zien. Dat kan de bedenker van de Stolpersteinen of struikelstenen, de Duitse kunstenaar Gunther Gemmer, vast niet zijn ontgaan. Ook hebben ze dezelfde grootte. Als een soort boemerang komen ze terug. Opdat wij hen niet vergeten. Ik stapte in mijn auto en reed op huis aan. Eerst maar even eten, dan naar Gieten.

In Bonnen, vlakbij de plek waar de volgende gedenksteentjes onthuld zouden worden, staat een boekenkastje. Ik stop er soms en kijk er even in. Soms zet ik er een paar boeken bij en neem een paar mee. Ook nu. Ik keek het rijtje langs en vond het boek Het familieportret van Jenna Blum. Een ontroerend oorlogsverhaal, aangrijpend, staat er achterop. Er is geen boekenkast te vinden waar geen oorlogsboek in staat. De Tweede Wereldoorlog is alomtegenwoordig. Ik was nog wat vroeg, was nog een beetje ontdaan vanwege de rare uitspraak van Mina Lanting en bladerde ondertussen in het boek, maar tot lezen kwam het niet. Het liet me niet los dat mevrouw Lanting – de verwijdering had zich al ingezet, want in gedachten noemde ik haar voornaam al niet eens meer- dat zij het stigma van de Joden op haar door de corona zelf gekozen isolatie plakte, terwijl zij toch verduveld goed weet dat het onvrijwillig onderduiken van de Joden nadat zij zich bij de vijand moesten melden, niets te maken heeft met het gemauw van een groepje losgeslagen virusontkenners. En ineens moest ik ook denken waarom het affiche van de gedenksteentjes, die ik had afgegeven bij een bestuurslid van de PKN-kerk, niet in het kastje bij de straat was opgehangen. Er zijn immers religiën die de dood van Christus op het conto van de Joden schrijven. Toen ik het affiche afgaf, liet de vrouw van het kerkbestuurslid weten dat ze het er al over hadden gehad. Over wat? dacht ik toen ik naar de auto terugliep. Moet er over zoiets urgents eerst in het kerkbestuur worden gedebatteerd? Het had zelfs in mijn bedoeling gelegen mevrouw Lanting te vragen mee te gaan naar de struikelstenenonthulling bij ons in het dorp. Ze is fragiel en zou het niet alleen kunnen aflopen. Achteraf maar goed dat ik het niet gedaan had. Tegen half drie liep ik naar de plek waar de volgende onthulling plaats zou vinden. In Bonnen. Ooit de Wilhelmstrasse genoemd, naar het aantal nationaal-socialisten dat hier woonde. Geen naam om je op de borst te slaan. Maar die zijn allemaal allang uit de tijd, er staan nieuwe huizen en er wonen nieuwe mensen. Huizen en bomen kun je geen schuld van ’s mensens waanzin geven. Er stonden al een aantal mensen te wachten. De grote zwarte bus met Hier kom ik weg, veur mien hiele leben op de voorkant, naderde langzaam. We weken uiteen. Nadat iedereen was uitgestapt en zich bij de groep had aangesloten, begon hetzelfde programma als dewelke ik al in Rolde had gehoord. Ik had mij gevoegd bij de bekende Drentse dichter/schriever Gerard Nijenhuis en zijn levenspartner Jan Gilhuis. Ik had ze lang niet gezien. Het werd een plezierig treffen. Gerard is bijna 90 en ziet er nog patent uit. Hij heeft de oorlog aan de lijve ondervonden. Op zijn tiende werd zijn vader die burgemeester van de toenmalige gemeente Gieten was, weggehaald, omdat hij zich tegenover de vijand niet lovend over de bezetter had uitgelaten. Voor hem in de plaats kwam een nsb-burgemeester. Hij bracht een groot deel van zijn tijd als gevangene door in Haaren en Sint-Michielsgestel. Een van de schoolvriendjes van Gerard werd plotseling van school gehaald – hij zou hem niet meer terugzien. Aan de Gasselterstraat werd een half uurtje eerder zijn gedenksteentje onthuld. Wij luisterden naar de muziek van de accordeon en de cello, Soof Hacohen zong een paar liedjes mee. Daarna werden de messing plaatjes van het gele zand ontdaan en legden de schoolkinderen elk hun witte roos. Ik sprak nog even na met Gerard en Jan en liep naar mijn auto om de reis te vervolgen naar Gieterveen. Dit zou de zwaarste in de rij moeten zijn. Dit gezin stond immers het dichtste bij Yehudith Heymans-Gudema. Haar vader was de broer van de moeder van dit gezin bestaande uit vader, moeder en zeven kinderen. Ze werden als eersten uit de gemeente Gieten gedeporteerd en via Westerbork al na drie dagen in Auschwitz vergast. De heer Dijkstra noemde de namen van de zeven kinderen en de namen van de ouders. Straatarm waren ze geweest, door een jodenhater uit het dorp uit hun huis gezet en hier hadden ze de laatste 25 maanden van hun armzalig leven doorgebracht. Naast een vuilnisbelt, in een soort werkkeet van de gemeente. Wat moet een mens bij zo’n weerzinwekkend verhaal nog zeggen? Hij kan enkel zuchten en zijn zegeningen tellen. Ook hier werden de messing plaatjes van het zand ontdaan en legden kinderen elk een witte roos. Daarna liepen we het terrein op naar de plek waar de keet had gestaan en waar het gezin Cohen-Gudema de vreselijk tijding afwachtte. Er is niets meer van over, maar het ontroerde menigeen. Dichter kon je immers niet bij de verdoemde plek komen. Ik liep met Jan en Gerard teug en zei dat ik daar om de bocht woonde.

Nog eenmaal trok het circus verder. Naar Torenveen. Ik zeg dit misschien wat luchtig en niet geheel onbewust, want de aanwezigen -waarvan velen alle onthullingen hadden meegemaakt- werden wat vrijer. Ik stond even naast de heer Hummen, de man die het gebed bij alle onthullingen had gezegd en het viel me op hoe lichtmoedig hij sprak. Soms klonk er zelfs een lachje. Eén en ander had ook te maken met het uiteindelijk vergeefs wachten op de schoolkinderen van Gasselternijveen. Het programma werd weer afgedraaid, met deze keer de toevoeging van de vertaling van het gebed door de heer Dijkstra. Na de ceremonie liep ik met nog een paar anderen terug naar de auto’s. De accordeonist ook. Hij lachte op mijn compliment voor de muziek en zei dat een accordeon en een cello zo’n prachtige combinatie is. Die ochtend had ik hem mijn programma gegeven. Ik liep in Rolde terug naar de parkeerplaats en daar sprak hij mij aan. Er was geen programma meer te krijgen, zei hij, en ze moesten toch weten waar en wanneer ze moesten spelen. Ik stak hem het mijne toe. Daar bedankte mij nogmaals voor. ‘Ik zei tegen mijn vrouw vanmiddag dat ik met Frans Brommet had gesproken’, zei ik terloops tegen hem. Hij leek er inderdaad op. Hij begon hard te lachen. Kennelijk was hem deze vergelijking niet geheel onbekend. Onderweg begon het te regenen. In het kleine kerkje, dat nu letterlijk als een schuilkerk diende, vond de nazit plaats. Ik sprak met een mevrouw uit Eexterveen die ook een duidelijk oorlogsverhaal had. Drie jaar jonger dan ik, maar getekend. Zo zie je maar dat de oorlog nooit ver weg is. Korte tijd later liepen de passagiers van de bus naar buiten. Ale anderen ook. Herman -de echte- bracht de kopjes en de glazen naar het keukentje. Ik stapte als laatste de regen in. De grote zwarte bus met het zwierige logo van easy toys op de achterkant, vertrok ook net.

Lezer, ik heb u bij aanvang van dit schrijven gezegd dat een romancier hier een gelaagd verhaal van zou maken en dat hij of zij het in een gestructureerde raamwerk had gegoten om het voor de lezer verteerbaar te maken. Maar ik ben geen romancier en al helemaal geen verteller van spannende verhalen. Er zijn er, zoals James Joyce of Malcolm Lowry, die aan de beschrijving van één dag een zeer omvangrijk boek wijden. Ik kan dit niet. U zult het hier mee moeten doen.

5.10.21 Kwestie van beeldspraak Columnist Herman Sandman van het Dagblad gooide de kreet Beuk hom deur de panty ‘d er weer es in. Ik las deze aanvuring al eens eerder in een column van hem, het komt tevens voor in een van zijn voetbalverhalen en hij wordt ook genoemd in het liedje met dezelfde titel van de Esperandos. Het zou dus kunnen dat hij de kreet zelf heeft bedacht of gehoord aan de zijlijn ergens in het loug of op tribune in het stadion van zijn favoriete club, in gezelschap van mannen die net als hij niets moeten hebben van slapjanussen met wijfachtige beenbekleding. Nou ja, afgezien natuurlijk van de verplichte clubkousen. Het woord panty is in deze schreeuw de rode lap waarop de mannen zich briesend richten. Een voetballer dient zich immers te allen tijde met op zijn minst deels blote knieën te presenteren. Al vriest het ook tien graden. Geen gemier, er tegenaan! Maar de tijden veranderen. Als ik nu op het Journaal of in een ander programma voetballers zie trainen of een wedstrijd zie spelen, dan valt het me op hoeveel spelers er met volledig bedekte benen lopen. En dat zijn doorgaans spelers die in de hogere klassen spelen. Die zullen toch geen watjes genoemd willen worden. Maar een paar uur achter een bal aanrennen eist kennelijk zijn tol. Het moet wel leuk blijven. Ik ben niet thuis in de voetbalwereld en weet niet hoe er in sportprogramma’s over het volledig bedekken van de benen van de spelers tijdens een wedstrijd wordt gedacht en vooral gesproken. Ooit moet er een voetballer zijn geweest die zijn benen hulde in een maillot of iets wat daarop leek. Hij zal het bij het betreden van het grasveld waarschijnlijk enorm voor zijn kiezen hebben gekregen. Misschien hebben hooligans hem wel met stenen verzwaarde tampons bekogeld en hem voor nicht uitgescholden. Op oude foto’s van voetbalelftallen heeft soms alleen de keeper een lange broek aan. Dat zal waarschijnlijk te maken hebben met de taak van ballengrijper. Ik heb het woord panty even gegoogeld en het blijkt dat ze wel tot 250 denier gaan. Dat zijn stevige jongens. Komt in de buurt van de Manchester boks’m. Googelt men ‘Beuk hom deur de panty’, dan komt men in de wereld van de vliesdunne beenbekleding. In vele soorten en kleuren, aangeprezen door onder andere Hema en Wehkamp. Daar stuurt een trainer zijn manschappen uiteraard het veld niet mee op. Over de maillot staat er dat deze niet transparant is. Ik mag aannemen dat mannen, willen zij zich tegen de ergste kou beschermen, niet in de kousenla van moeder de vrouw gaan scharrelen, maar dat ze er voor naar een sportwinkel gaan en zich een echte mannenmaillot aanschaffen.

Het kledingstuk in bovengenoemde kreet is natuurlijk een staaltje van overdrijvende beeldspraak. Dat begrijpt iedereen. Maar een lezer mag de beschimper best tot de orde roepen. Met overdrijven is het de kunst om met de lezer tot een soort overeenstemming te komen. De lezer weet dat en verlegt ongemerkt zijn tolerantiegrens. Steeds hoger en hoger legt hij de lat. Godfried Bomans was er een meester in. Hij wist precies wanneer hij net niet te ver kon gaan. Het gevolg was echter dat toen hij serieus begon te schrijven, hij zijn lezers niet meer kon bereiken. Hij was verstrikt geraakt in zijn eigen fantasie. Zover zal het met een kreet als ‘Beuk hom deur de panty’ niet komen. Het is te laag-bij-de-grond om tot een staande uitdrukking uit te groeien en met humor heeft het niets te maken. Bovendien; wat zal de kudde roeptoeteraars ervan maken als over niet al te lange tijd gemengde elftallen zullen aantreden? Want dat gaat gebeuren, daar kun je donder op zeggen. Zullen ze dan nog kunnen volstaan met ‘Beuk hom deur de panty’ of moet het dan misschien worden ‘Trap hen deur de maillot’? Dat klinkt als kut op peren. Ik weet nog dat als iemand tijdens een wedstrijdje voetballen op school iets riep als ‘Trap ‘m tegen de schenen’, hij ogenblikkelijk van het veld werd gestuurd. Zo hoort het ook. Wil men het geweld langs de lijnen van de voetbalvelden intomen, dan zal men moeten beginnen met de ruwe taal aan te pakken. Er wordt niet zelden gezegd dat voetbal oorlog is. Daar zit een kern van waarheid in. De meeste oorlogen ontstonden immers doordat een meningsverschil via verbaal geweld uitmondde in moorddadig wapengekletter. Men zou moeten beginnen kwetsende spandoeken langs velden of in stadions meteen in beslag te nemen en lieden die beledigende of discriminerende leuzen roepen, ogenblikkelijk hun toegang voor lange tijd moeten kunnen ontzeggen. Zonder pardon! Of er daardoor beter gevoetbald wordt weet geen mens, maar het zal er een stuk vriendelijker toegaan en dat is in deze roerige tijden heel wat meer waard.

2.10.21 Blijf bij je leest Om kleding heb ik mij nooit erg druk gemaakt. Ik trek aan wat schoon en wat heel is, verder maakt het me niet zoveel uit. Gelukkig denkt mijn vrouw er net zo over. Zij betrekt haar kleding voor een groot deel van inbrengwinkels. Ik heb dat tot op heden weinig gedaan. Deels omdat ik mij niet graag in een broek of een shirt van een voor mij volstrekt onbekend persoon steek. Ik heb eerlijk gezegd een soort smetvrees voor andermans kleding. Een hoogst enkele keer heb ik mij over dit gevoel heen gezet als het om een kledingstuk ging dat mij goed van pas kwam. Een T-shirt met een bijzondere opdruk bijvoorbeeld of een wollen trui dat er nog perfect uitzag. Maar het zijn uitzonderingen. Door het kledingaankoopbeleid van mijn vrouw komen we nog maar weinig in winkels met nieuwe kleding. Alleen schoenen moet je altijd nieuw kopen, zegt ze, want een schoen gaat zich naar de voet van de loper vormen en bij overname kun je daar problemen mee krijgen. Maar laat ik nu juist de minste afkeer van gebruikte schoenen hebben. Ze omhullen het verst verwijderde deel van je lijf. Als ik een top3 zou moeten maken van kledingstukken die ik tweedehands zou kopen, zou hetgeen het dichtst op de huid zit het laagste scoren. Ondergoed is voor de inbrengwinkels natuurlijk sowieso een streep te ver en dat zie je er dus niet. Nou ja, op een enkele miskoop na misschien en in de originele dichte verpakking. Opmerkelijk is het daarom dat enige jaren geleden in een advertentie voor de oproep voor kleding voor daklozen expliciet werd gevraagd naar ondergoed, ‘nieuw of gebruikt’, want dat is iets wat bij het leger van charitatieve instellingen vaak naar wordt gevraagd, maar wat nooit voorradig is. Dat is toch onze kuise eer te na. Maar als de nood hoog is kijkt een mens wis en waarachtig niet naar waar zijn lijfgoed vandaan komt.

Ik moest naar de tandarts voor een nieuw bruggetje en omdat we toch in V. waren gingen we om de eigen bijdrage gevoelsmatig enigszins terug te verdienen naar de inbrengwinkel. Mijn vrouw haalt er altijd de mooiste kledingstukken vandaan en… voor spotprijzen! Ik beweeg mij niet zo gemakkelijk tussen al die rekken gedragen goed. Ik weet vaak ook niet waar de vrouwenafdeling ophoudt en waar die van de mannen begint. Nu wordt dat steeds minder een item, maar ik ben tamelijk behoudend. Daarentegen is de schoenenhoek een veilige plek. Tot mijn verrassing zag ik op een van de planken van de uitstalkast een paar goed uitziende schoenen staan. Type: brogues. Juist op het moment dat ik ze van de plank pakte, naderde er een man die naar dezelfde schoenen keek. Ik deed alsof ik het niet merkte en nam plaats op een tot kruk opgewaardeerde poef. Ik had geen sokken aan en de schoenen vielen nogal groot uit. Mét sokken zouden ze misschien wel goed passen, maar waar haalde ik zo gauw een paar dikke sokken vandaan. Bovendien hadden ze een hak, zodat ik me ineens een stuk langer voelde. Ik zag de man op zeker moment met een schuins glimlachje naar me kijken, alsof hij wilde zeggen dat ik niet de juiste persoon voor dit soort schoenen was. Daar had hij misschien wel een beetje gelijk in. Ik loop meestal op gympen of op sportschoenen en dat is kennelijk aan me af te zien. Ik deed ze weer uit en bekeek ze nog eens goed. Crockett & Jones stond goudgedrukt op de binnenzool, en Made in England. Dat deed me goed. Want Engeland is me lief. Ik ben echter niet zoals Kees Buddingh’, die in een van zijn gedichten nogal prat gaat over zijn Engelse outfit, hoewel hij in zijn opsomming juist zijn schoeisel niet heeft opgenomen. Misschien waren schoenen in de tijd dat hij dit gedicht schreef niet zo in tel. Nu lopen mannen er kwijlend mee weg. Vandaar misschien ook dat die man mij zo in de gaten hield. Misschien was hij er al eens eerder om geweest, maar had nog even getwijfeld. Met de schoenen liep ik in lichte euforie naar mijn vrouw en toonde ze als een verzaligd kind. ‘Kijk es’, zei ik ‘en maar 6euro50. 3euro25 per schoen, da’s toch geen geld?’ Ze bekeek ze aandachtig en zei toen: ‘Ik zou het niet doen. Ze zijn duidelijk gebruikt. En dan met die hakken. Daar krijg je moeilijkheden mee. Ik zie jou er niet een-twee-drie op lopen’. Dat was een tegenvallertje. Ik dacht er even over na. Met blote voeten waren ze wel een maatje te groot en met dikke sokken zou het niks lijken. Kreeg ik nu ook al ijdeltuiterige neigingen? Ik stond er nog wat bedremmeld mee te dralen en schoof ik ze toen met lichte tegenzin terug op de plank. Daarna begaf ik mij naar de boeken- en cd’s-hoek. Ik vond al spoedig iets van mijn gading en rekende af. Ik bracht ze meteen naar de auto. Vrijwel op hetzelfde moment kwam die man ook naar buiten. Ik denk niet dat hij mij zag. Zijn aandacht was helemaal gericht op de schoenen die hij als betrof het een set antieke vazen voor zich uitstak. Ja, ze zouden mij inderdaad niet hebben gepast.

30.9.21 Het grote vallen Het is natuurlijk geen nieuws dat oudere mensen vaker vallen dan jongere mensen en dat zij veel makkelijker dan jongeren een been, een arm of een ander lichaamsdeel breken. De komst van de elektrische fiets is wat dat betreft geen vooruitgang. Een prachtige vinding, daar niet van, want het zorgt ervoor dat mensen tot op zeer hoge leeftijd fietsmobiel blijven. ‘Veilig fietsen tot je honderdste’, zegt de rijksoverheid. Het nadeel is echter dat veel oudjes de gevaren niet overzien. Ze worden roekeloos en onderschatten de gevaren van de snelheid van het ding. In het aandeel verkeersslachtoffers nemen ze een steeds grotere plek in. Per jaar zijn er zo’n 50.000 ernstig gewonde peddelaars te betreuren. Voor de goede orde: dat zijn voor een niet onbelangrijk deel ook de tegen-de-tijd racende voedsel of pakketten bezorgende koeriers. Het neemt echter niet weg dat een 80-jarige fietser vijftig keer meer kans heeft om bij een ongeval te overlijden dan iemand onder de 60 (gegevens SWOV). Mijn vrouw had enige tijd ook een fiets met zoals het toen algemeen genoemd werd ‘trapondersteuning’. Alsof het om een soort therapeutische oefening ging. In feite ging het dat ook. Het was een verouderd model dat al na 25 kilometer moest worden opgeladen. Daarmee was de kans op een valpartij iets geringer, want de nieuwste modellen hebben een actieradius van wel 100 kilometer en die willen veel oudjes er koste wat kost uithalen en dus is de kans om te vallen vanwege vermoeidheid en overmoed groter. Er zijn erbij die jaarlijks meer kilometers fietsen, dan ze vroeger ooit met de auto aflegden. Maar onze wegen en dan met name de fietspaden zijn op de toename en de intensivering niet berekend en bovendien zijn er ook nog heel veel fietsers zónder ondersteuning en die houden de boel maar op. Gevolg: botsingen en valpartijen. Ik heb enkele keren op de fiets van mijn vrouw gereden en zat er toen aan te denken er een karretje achter te koppelen waar ik de boodschappen in kon doen. Dat scheelde benzine voor de auto. Maar wat als plotseling de accu uit zou vallen of leeg zou zijn? Die fiets was loodzwaar en bijna niet te berijden zonder ondersteuning. Dus nee, toch maar niet. Door haar verslechterde zicht en twee knieoperaties kan mijn vrouw niet meer fietsen en de fiets ging naar haar zus. Ik zat er weleens aan te denken zelf eentje te nemen, maar sinds ik aan mijn geslacht geopereerd ben, gaat het fietsen minder lekker en laat ik het voor langere afstanden liever staan. Zo zie je maar hoe fabelachtig, maar ook meedogenloos de Natuur in elkaar steekt. Ik ben als alternatief daarom meer gaan wandelen. In de wandelwereld wordt overigens ook regelmatig gevallen, maar iets minder heftig. Het wandelen houdt qua doorzetting gelijke tred met het fietsen. Heb ik een staat van dienst als het om vallen gaat? Nee, niet echt. Ik heb nog nooit ook maar het kleinste botje in mijn lijf gebroken. Maar een lichte angst is er altijd wel. Misschien komt het doordat mijn moeder nogal eens en vooral op oudere leeftijd viel en dat haar wonden niet makkelijk genazen. Dat zou een reden kunnen zijn welke mij een beetje bij zo’n fiets vandaan houd. Maar mogelijk zie ik teveel beren op de weg. Mijn behandelende arts van het UMCG zei al eens dat er uitstekende zadels te koop zijn waar ik geen zitpijn van zou krijgen. Toch wil ik er niet aan. Of is het een soort weerzin tegen de moderne tijd, vanwege het feit dat iedereen op zo’n elektrieke fiets moet? De oplaadkosten kosten kunnen het niet zijn, evenmin de aanschaf van het ding, want dat schijn je er zo weer uit te hebben. Een bijkomend aspect is dat het een extra mobiel is, want de auto blijft er uiteraard gewoon naast bestaan. Ik denk dat ik mijn oude fiets voorlopig nog maar eventjes houd en tijdens het lopen mijn benen wat hogerop til, zodat mijn knieën meer worden geactiveerd. Deze silly walk zal vermoedelijk verbaasde blikken van passanten opleveren, maar dat krijgt een stokoude fietser die met hoge snelheid voorbij raast ook. De hoofdreden blijft toch wel de angst voor een ongeluk. Maar je zult net zien dat ik op een onbewaakt moment, in mijn eigen huis, struikel over een pinda en met zware breuken tot gevolg. Want een mens treft niet zelden het noodlot op een weg die men is ingeslagen om het juist te vermijden.

27.9.21 Hongerige Wolf Het kan nog net, zeiden we. Temperatuurtje van zo’n graad of 20, schrale zon en windstil. Wat wil je nog meer. Dus even de provincie in. Waar naartoe? Dat moeten we al bij de uitrit van ons pad beslissen. Wordt het richting Westerwolde, dan moeten we rechts, wordt het naar boven, dan links. We gingen links. De N33, richting Appingedam. Mijn vrouw dook aldaar de Appie Heyn in en ik liep met Rossi even een ommetje tot aan de binnenstad. Het was er stil, geen winkel open en niets te doen. Een zich breed voortbewegende, zwaar bebaarde dertiger, slechts gekleed in zwarte joggingbroek, sandalen en hemdje, waggelde over het bruggetje bij restaurant Overdiep. Ik heb altijd zin om dit soort Ollie B. Bommels uit te lachen, maar dat zou me weleens duur kunnen komen te staan en daarom houd ik mij in. Ook nu. Ik liep terug naar de auto en deed de ramen een stukje open. Er kwamen twee Mediterraans getinte jongens naar de auto naast die van ons. Ze rookten beiden. Een sterke wietgeur (of wat het ook was) kwam op me af. Ik schoof meteen de ramen dicht. Ze deden de muziek aan en reden weg. Mijn vrouw kwam al gauw terug. Ze had onder andere broodjes voor mij gekocht.

We zouden nog eens op zoek gaan naar Farmsum. We waren daar jaren geleden al eens door gereden en vonden het zo’n aardig dorp, maar ik kon het vorig jaar niet terug vinden, dat wil zeggen, niet het Farmsum dat mijn vrouw zei voor ogen te hebben. Misschien waren er twee Farmsums, wie zou het zeggen. Het Farmsum dat er wel lag had een pittoresk dorpscentrum met wat nieuwbouw. ‘Ja, dan zal dit het wel zijn’, zei ze enigszins teleurgesteld. We parkeerden in een wijk bij een parkje en dronken onze thee en ik at een paar broodjes. Ik kan me voorstellen dat een reisschrijver als Bob den Uyl of -recenter en levend- columnist Marcel van Roosmalen hier zeer vernietigend over zouden schrijven. Het was er doodstil. Delfzijl heeft Heveskes, Weiwerd en Oterdum al opgeslokt en Farmsum zou weleens de volgende kunnen worden. We reden via het uitgestrekte industriegebied weg van Delfzijl. Langs het grafzerkenmonument van Oterdum op de dijk, langs het woud van windmolens naar Termunterzijl. Bij Westerhuis heerste grote drukte. Vooral veel motoren en dat allemaal voor een vissie. We reden er langzaam voorbij en gingen richting Termunten. Daar bogen we af de Johannes Kerkhovenpolder in. Nu er niets meer bloeit, geen koolzaad en geen graan, is het een somber gebied. Als dat wel het geval is, is het voor veel mensen Nederland op zijn mooist. Ik ben het er wel mee eens. Nu is het er doods. Van hieruit kun je naar Nieuw-Statenzijl of naar beneden naar Finsterwolde. Hongerige Wolf, schoot me opeens in de zin. Laten we daar eens naartoe gaan. We waren er voor het eerst geweest in 2012. Nou ja, dat is te zeggen; we waren er toen niet ín geweest. Het was de tweede keer dat er een groot muziek- en kunstfestival georganiseerd werd. Dat leek ons wel wat. Maar het werd een enorme sof. We kwamen na enig zoeken tegen de middag bij het dorp. Er was nog niets te beleven. Het enige dat ik zag was een kinderdraaimolen in de verte. Bij een stalletje bij de ingang van het dorp vroeg ik waar een en ander zich afspeelde. Overal, was het antwoord van een jongen, het hele dorp was festivalterrein, maar alleen te betreden met een entreebewijs. Kunstenaars deden workshops, er waren dichters op de dijk en er speelden vanmiddag en vanavond allerlei artiesten. Dit alles voor de prijs van 26euro’s per persoon. We schrokken er glad van. Ik vroeg waar ik de auto kon parkeren, indien we besloten dit alles te ondergaan. Een eindje verderop, op een stuk land bij de dijk. Dat eindje bleek op zijn minst twee kilometer. Maar de organisatie had gezorgd voor een trekker met wagen, die steeds heen en weer reed en bezoekers oppikte. Hij kwam er toevallig net aan. Voor een stedeling die nooit op een wagen achter een trekker heeft gezeten, zou het misschien een belevenis zijn, mij nodigde het bepaald niet uit. Op de wagen zaten drie mensen op een soort aardappelkistjes verkleumd voor zich uit te kijken. Wij besloten subiet om hier niet te blijven. Bij het woord workshop kreeg ik ook toen al lichte braakneigingen en galeries en werkplaatsen van kunstenaars kun je op aanvraag meestal wel en gratis bezoeken. De jongen had onderwijl verklapt dat de hoofdact The Crookes (?), niet zou komen. ‘Goh, wat jammer nou’, zei ik, alsof ik uitgerekend daar voor kwam. We reden ter verpozing door naar galerie De Groninger Kroon. Een mooie galerie en winkeltje. Dit was toch meer iets voor ons. Bij het genot van een grote pot thee á 5euro’s en mokkagebak en gezeten in de mooie tuin bejubelden wij het goede leven. Nadien waren we weleens door Hongerige Wolf en het iets verderop gelegen Ganzedijk gereden, maar er nooit stil gehouden. Dat deden we dan nu. Als een soort Wiederguttmachung.

Ik parkeerde langs de hoofdweg bij een bankje tegenover de Oude Sluisbuurt. Ik ontwaarde een tuin die naar het mij toescheen voor publiek toegankelijk was. Het was echter helemaal overgroeid. Ik liep het pad verder op. Halverwege links bevond zich een verwilderd terrein en aan het eind van het pad stond een half ingezakt huis met een bord bij de ingang dat het hier een off-grid woonerf betrof. Wie zou hier in godsnaam zonder gas, water en licht weg willen vegeteren? Er stond een tent, een auto en een stacaravan. Het voelde als het eind van de wereld. En hier vond dus dat festival plaats. Ik zou er na een uurtje al helemaal depri zijn geweest. Hoewel Hongerige Wolf populair schijnt te zijn bij kunstenaars die er rust, ruimte en inspiratie hopen te vinden, kon ik mij niet voorstellen dat een beetje schrijver hier tot grote werken kon komen. We dronken aan een bankje onze thee en reden door naar Scheemda. Nu we hier toch waren, kon ik wel even kijken of er nog een krantje te scoren viel. Helaas. Het was nog maar vier uur, maar de kranten waren al uit het rek gehaald en lagen op een slordige stapel op de balie. ‘Zit er toevallig nog een NRC tussen?’, vroeg ik het meisje die hier denkelijk over ging. ‘Wat? Welke?’, zei ze verschrikt. Ik herhaalde mijn vraag. Het meisje keek naar een ander meisje een eindje verderop. ‘Die verkopen wij geloof ik niet’, zei ze. Nou ja, het was niet anders. Maar tegen vier uur al weten dat er geen krantenkoper meer komt, leek mij erg vroeg. We reden op huis aan. Via Westerlee, langs bloemenkwekerij Foltz, waar ik op een regenachtige, koude middag in oktober 2008 in de schuur van de bijbehorende boerderij gedichten heb staan voorlezen, naar Meeden en de N33. Ach, het was zo op de drempel van het najaar al met al best een aardige middag. Nog tot zes uur buiten gezeten en de woordzoeker van het Dagblad gemaakt.

24.9.21 Louter genot Bij de basisschool van Gasselternijveen was het een drukte van belang. Het was een gekrioel van ouders en kinderen die naar het mij zo toe scheen juist waren teruggekeerd van een paar dagen elders. Er stonden overal koffers en rugzakken. Vaders en moeders wierpen spullen in hun auto en de kinderen lawaaiden er onstuimig op los. Een mooi gezicht was het. Ik dacht automatisch terug aan mijn schoolreisjes naar onder andere Schiermonnikoog. Dat was een mijlpaal van jewelste. Ofschoon ik al enkele keren uit logeren was geweest, was er nu ineens sprake van een gescheiden jongenswereld en een gescheiden meisjeswereld en dat manifesteerde zich doordat de jongens aan de ene kant van de boerderijschuur sliepen en de meisjes aan de andere kant en dat we op straffe van onmiddellijke naar-huis-zending ’s nachts niet bij elkaar mochten komen. Dat dit toch gebeurde, hoorden we later op het schoolplein. Of was het bluf? Dat kon evengoed. ’s Morgens zag je elkaar bij de wasbakken, sommige meisjes nog in nachthemd. Een ongekende openbaring, die we lacherig afdeden. Het was me wel wat! Of die spanning heden ten dage nog dezelfde is weet ik niet. Internet heeft een hoop van de mystiek van de ontluikende seksualiteit te grabbel gegooid. Dus ja. Deze kinderen stonden duidelijk op de drempel naar de volwassenheid. Ik kan daar mateloos van genieten, temeer ik als 11,12-jarige ik meen op een scholensportdag, een meisje uit dit dorp ontmoette waar ik met mijn spichtig lijfje helemaal hotedebotel op werd en die ik nadien nooit meer heb gezien. Dat zijn ook dreunen die je als jongeling te verduren krijgt. Maar dat zou ik zo’n kluit tieners nimmernooit vertellen. Ik liep er met Rossi langs. Niemand had oog voor ons. Ik zou een van die kinderen kunnen vragen waar ze naartoe waren geweest, maar een vreemde man die kinderen gaat benaderen kan verkeerd uitpakken. En dus reed ik door met Rossi naar de Hunze, naar de oude stuw. Het wekelijks bezoekje. We liepen het pad af, de brug van de stuw over en naar het boogbruggetje iets verderop. Vanaf dit punt heb je een prachtig uitzicht over het gebied, over het snelstromende water en de vistrap. Precies op dat moment gleed er geruisloos een kano onder het bruggetje door. Er zat een man in de kano. Hij keek toen hij onder het bruggetje door was met zeker moeite naar mij op. Het hoogteverschil was niet meer dan een meter of drie, maar het leek veel meer. ‘Moi’, zei ik naar beneden en ‘Is’t een beetje te doen?’ Maar uit de kano kwam geen geluid. Misschien was het wel een Engelssprekende man of een Duitser en vertaal dat maar eens. De kano was nu door zijn beweging dwars op het woelige water komen te liggen. Hij kreeg het met veel gepeddel weer in het gareel. Toen dreef hij met de stroom verder de bocht om. Een mooi gezicht. Ik liep nog een stukje door en keerde weer terug. Waar zou die peddelaar nu zijn, dacht ik. Vanwege de hoge wallen kon ik hem niet zien. Daarom liep ik door het riet en het hoge gras naar de waterkant. Rossi had daar geen zin in en verzette zich. Ik had het koord bijna tot aan het eind uitgerold en stond aan de waterlijn. Zou ik nog iets verder gaan, dan was de kans groot dat ik plotsklaps tot aan mijn knieën in de drab weg zou zakken. Maar er kwam geen kano. Ik wachtte een paar minuten. Niets. Rossi wilde terug. Een hond heeft ook zijn rechten. Daarna bleef ik nog een tijdje op de stuwbrug staan. Maar geen kano. Misschien moest hij even uit de broek, dacht ik. Dat lijkt me een verschrikking. Dat opgesloten zitten in zo’n pak en in zo’n smal bootje vind ik ook al niks. Misschien was hij wel omgeslagen en lag hij nu te verzuipen. Daarom bleef ik nog even wachten. Ik keek over het dichtgegroeide gedeelte van de oude Hunze. Daar groeiden een paar jaar geleden heel veel witte waterlelies, pijlkruid en gele lissen. Nu voornamelijk of eigenlijk alleen maar krabbenscheer. Het open water verderop vertoonde geen rimpel. Het was doodstil. Nou ja, die man zou zich wel redden. Ik kon me niet voorstellen dat hij al een eindweegs was gekanood. Wie weet zat hij heel die tijd op de wal een drankje te drinken en te genieten van de omgeving. Hij zou er thuis over vertellen, over hoe heerlijk dat peddelen is. Die totale verlatenheid. Slecht één man had hij onderweg gezien. Het enorme genot. Dat stel ik mij zo voor. Net zoals ik dat elke week hier ook doe. Een stadsmens zal zich er over verbazen. Ik reed op huis aan en dacht nog even aan die kinderen die waarschijnlijk ook nog aan het nagenieten waren.

22.9.21 Onverwerkt verleden Vanmorgen bij de koffie moest ik eventjes vertellen over de onthulling van, de Stolpersteine in de gemeente Aa en Hunze op 5 oktober aanstaande. Het viel me enorm zwaar om het daar over te hebben. Wonderlijk, want afgelopen maandag had ik het met de wandelgroep uitgebreid over deze zelfde gebeurtenis. Ik vertelde toen uitgebreid over de familie Cohen-Gudema, een gezin van vader, moeder en zeven kinderen in de leeftijd van 2 tot 14 jaar, die aan de Veenakkers in een gemeentekeet woonden en in augustus ’42 werden weggehaald en in Auschwitz werden vergast. Te afschuwelijk voor woorden. Ik had toen helemaal geen last van nervositiet en voelde zelfs weinig emotie. Heel apart dat ik soms vrij nuchter over deze gruwelijkheden kan vertellen en soms helemaal volschiet. En nu was het weer anders. Ik denk dat het gelegen is in het feit dat ik niet weet wat de oudere bezoekers van de koffieochtend zelf hebben meegemaakt in die akelige jaren. Hoe zijn zij als kind door die tijd gekomen en misschien nog wel pijnlijker; hoe waren hun ouders? Willen zij daar wel aan herinnerd worden? Het merendeel van de Nederlanders hield zich in de Bezettingstijd gedrukt, evenzogoed was een van de ouders (of beiden) fout. Het bij de koffie over zoiets hebben kan opeens wonden open rijten en daar voelde ik niet voor. Ik houd er sowieso al niet van om de sfeer te bezoedelen. Maar ik had beloofd het er toch eventjes over te hebben. In mijn gesprekken met Geertje Nieboer twee jaar geleden, sprak ze op zeker moment over een zekere Van der Laan. Ze dacht dat ik die geschiedenis wel kende. Nee dus. Van der Laan woonde voor de oorlog naast hun. De man van het gezin was gedurende de oorlog voor de Gieterveners tamelijk onzichtbaar omdat hij zich gemeld had bij de Duitse weermacht. Meteen na zijn terugkeer is hij opgepakt en gedetineerd. Hun dochtertje werd vanwege de rol van haar vader op school veel gepest. Geertje hoorde daar pas later over. Dat vertelde ze mij. Ze had er zichtbaar moeite mee en het deed haar zoveel jaren later nog steeds verdriet. Het zal je gebeuren dat je onbewust zo’n wond open krabt. Hoe moet je daar mee aan? Dan heb je niet veel aan het feit dat die oorlog nooit ophoudt. Het is waar; vorige week donderdag liepen 116 vrouwen van Westerbork naar Groningen. Ze liepen ter nagedachtenis van de 116 gevangen vrouwen precies 76 jaar geleden dezelfde route. Dat was toen een tocht vol ontberingen en de angst van het niet weten wat er met hen zou gebeuren. Afgelopen weekend is in Amsterdam het grote NamenMonument onthuld. Het bevat alle namen van omgekomen Joden, Sinti en Roma gedurende de Tweede Wereldoorlog. En vandaag zullen ongetwijfeld ergens in Nederland of in Duitsland struikelstenen worden onthuld. De oorlog waar Nederland in de jaren na de herrijzenis zo graag van af wilde, houdt gewoon nooit op.

Ik ben deze dagen bezig met het sorteren van de vele foto’s en het uitvogelen van het leven van mijn in 2019 overleden nicht Harmpje Koning. Ik ontkom niet aan de gedachte dat de foute keuze van haar vader voor een deel haar levenspad heeft bepaald. Haar vader (mijn oom) werd immers ook geïnterneerd in Kamp Westerbork. Harmpje werd op zeer jonge leeftijd door oma Koning opgevoed. Dat moet het kind mede gevormd hebben. Het brandmerk van haar vader en het wegkijken van haar moeder moet haar hebben aangezet tot verwijdering uit het gezin. Want al op haar zeventiende is ze voor haar opleiding in de verpleging intern gegaan in Naarden. Ze is nooit getrouwd geweest en ging ieder jaar minstens een keer op vakantie naar steeds andere landen. Ze heeft ze allemaal doorkruist. Van Malta tot en met Zweden en alles wat er tussen ligt. Ze reisde altijd met een vriendin, wat haar achternicht bij het leegruimen van haar flat deed verzuchten dat ze best eens lesbisch geweest zou kunnen zijn. Dat zou best kunnen, maar wat dan nog? Ik vermoed dat dit reizen, het ongebreideld kopen van kleding en haar alleenheid mogelijk een soort van vluchten was. Zij was hoe dan ook één van die duizenden na-oorlogse slachtoffers waar Jannie Boerema in haar boek over de nsb-kinderen over schrijft. Harmpje zal in haar omgeving niet de enige zijn geweest, want op Eexter- en Annerveen’ stikte het van de nsb-ers’ (zoals bij ons thuis geregeld werd gezegd). Dat kan voor haar een schrale troost zijn geweest. Neemt niet weg dat schelden altijd pijn doet. Het ergste is natuurlijk dat je er als kind geen donder aan kunt doen. Ook dát is een deel van die oorlog die maar niet verdwijnen wil. Misschien dat ik met het verhaal van mijn nicht in mijn achterhoofd vanmorgen zoveel moeite had het programma van dinsdag de 5de oktober naar voren te brengen. Nou ja, ik heb het in ieder geval gezegd.

21.9.21 Een oplettende buur Het was de gebruikelijke tijd om Rossi voor het slapen gaan uit te laten. Ik liep een eindje de straat af. De volle maan verlichtte het pas gemaaide veld voor ons huis zilverachtig. Op het pad dat naar de huisnummers 33 en 35 leidt, stond ietwat schuin een auto geparkeerd. Het was een royale auto, type hatchback. De auto had de lampen aan. Ik kon geen figuren in de cabine zien. De twee huizen aan het pad staan een honderdtal meters het veld in. Het zijn allebei nieuwe bewoners die ik nauwelijks ken. Wel weet ik dat in één van die huizen een meisje van een jaar of 16 woont die opvallend rechtop fietst, daarbij strak voor zich uitkijkt en mij nooit groet. Het kan een reden hebben. Ik groet daarentegen altijd. Dat is een dorpse gewoonte die eigenlijk van jongsaf aangewend moet worden. Het zou kunnen dat dat meisje met een vriendje in die auto zat. Als twenter is het mij immers ook vaak overkomen dat ik een meisje naar huis bracht en meerdere verkeringen kwamen zelfs niet verder dan mijn auto. Een treffen met de toekomstige schoonouders zat er domweg niet in. Achteraf misschien maar beter ook. Dus ja… Maar het was maandagavond. Dan is er nergens iets te doen. En de lampen aan… Ik vond het vreemd. En dan, de auto stond met de kop naar de straat. Dat zou kunnen betekenen dat de auto juist van een van die huizen vandaan was gekomen. Het licht scheen naar het huis van onze buurman. Zou de persoon of de personen het daarop gemunt hebben? Er is een zekere run op vrijstaande boerderijen voor de productie van wiet en synthetische drugs. Het zou een ideale plek zijn. Misschien staan die gasten wel op de loer om buurman aan te klampen. Maar buurman is er ’s nachts niet zo vaak. Ik zag er nu ook geen licht branden. Toen dacht ik dat het mogelijk een politieauto was. Maar ja, wat moest die hier op dit tijdstip en dan zo opvallend? Ik hoorde laatst van een slecht slapende dorpsgenoot dat er ’s nachts best veel auto’s met aanhangwagens langs komen. Wat vervoeren zulke mensen ’s nachts? Vermoedelijk iets dat het daglicht niet kan verdragen. Er wordt steeds vaker drugsafval in de natuur gedumpt. Een meer dan schandalige zaak. Misschien voerde de politie wel een soort controle uit. Ik liep langzaam terug. Wie weet was het gewoon iemand die een telefoongesprek voerde en dus zou er niets aan de hand zijn. Ik deed Rossi naar binnen en liep nog eventjes weer naar de straat. Er was geen leven bij de auto te bekennen. De lampen bleven ongewijzigd aan. Straks was de accu leeg. Ik ging naar binnen en begon wat aantekeningen te maken voor wat een stukje kon worden. Na de laatste toiletgang liep ik voor de laatste keer naar buiten. De auto stond er nog. Ik moest mij er maar bij neerleggen. Letterlijk. Het was inmiddels half een. Ik deed het licht uit. Mocht er iemand aan willen kloppen, dan zou hij of zij bot vangen.

Vanmorgen liep ik als gewoonlijk langs dit deel van de straat. In de bermen van het pad, precies waar die auto had gestaan, lagen twee petflesjes. Mangodrank stond erop, produced in Tailand. Dus zonder statiegeld. Het ene flesje lag aan de linkerkant van het pad, de ander aan de rechterkant. Ik vermoed dat het om twee personen gaat. Ik gooide de flesjes thuis in de oranje container en ging over tot de orde van de dag.

19.9.21 Hedendaagse verdorvenheid Op de jaarmarkt zag ik vanmorgen twee meiden in nogal opzichtige punkkleding. Dat is toch van de jaren ’70-’80, dacht ik, toen ik die roodzwart geruite rokjes, zwartleren jasjes, Dr. Martinkistjes en vooral gescheurde zwarte nylonkousen zag. Misschien zijn de rebelse punkjaren wel helemaal terug, dacht ik, ik houd dat niet bij. Ze vielen deze ochtend in ieder geval wel op. Ik was niet de enige die hen eventjes steels bekeek en ik vroeg me af hoe die meiden die kousen zonder ze verder te verroppen aan zouden krijgen. Want het is uiterst verzorgde anarchisme. Of zetten die punkmeiden de nagels er pas in als ze de kousen aan hebben? Of -nog gekker- zijn zulke kousen inclusief ladders gewoon in de beenmodezaak te koop, net zoals die gescheurde broeken bij de C&A en evenzo in de winkels van het duurste segment? Als iets in de mode is maakt het niet uit waar het hangt; alleen koning Geld telt. Maar een ladder in een kous was lange tijd wel het ergste wat een vrouw kon overkomen. Pijnlijker kon je die keurig aangeharkte truttenmaatschappij niet raken. Het was een enorme middelvinger tegen orde en gezag, maar ook een schreeuw om gehoord te worden. Of het veel geholpen heeft weet ik niet. Na de dood van Sid Vicious en Nancy Sprungen in 1979 was het voor mijn gevoel met punk gedaan. Maar elke trend kent fanatieke epigonen en dit waren er een paar. Bij de molen zat een bebaarde man van plusminus mijn leeftijd op een stoeltje gitaar te spelen en zong liedjes van onder andere John Denver en Ralph McTell. Hij droeg een cowboyhoed, puntlaarzen en een overhemd met franjes, uitingen van zijn jonge tijd. In tegenstelling tot die twee meiden keek er echter niemand naar hem. Voor een paar euro’s kocht ik een boek van Remco Campert en fietste weer naar huis.

’s Middags reed ik met Rossie naar het bosje aan de voet van de Hondsrug om er een eindje te lopen. In de regiokrant stond deze week een foto met onderschrift van een picknicktafel vol lege bierflesjes dat bij dit bosje was genomen. De overblijfselen van een feestje, smaalde de journalist. Een medewerker van de gemeente zal het wel opgeruimd hebben. Niettemin voelde ik me een beetje beschaamd, want ik loop hier regelmatig en raap dan terloops rommel op. Het is daardoor een beetje tot mijn habitat gaan behoren. Niet dat ik deze buitenkans had gemist (verre van!), maar ik was benieuwd of er toch niet iets achter gebleven was. Dat bleek niet het geval. De bank stond op zijn kant gekieperd tegen een schaftkeet die mogelijk van een particulier is en waarin jongeren misschien bij tijd en wijle zuipen. Dat kan. Ik liep het bosje dat er naast ligt door. Het is een klein bosje dat ik dolgraag het mijne zou willen noemen. Ergens in het midden van het bosje zag ik bij de voet van een iep nogal wat rommel liggen. Er was ook een vuurtje gestookt aan de voet van de boom. De boom is daardoor beschadigd. Het verwonderde me dat de boom niet in de fik was gegaan. Ik trok mijn handschoenen aan en verzamelde de rommel in een plastic zak. Onderwijl dacht ik, ik zal precies noteren wat hier ligt. Niet dat ik er ooit een dader aan kan plakken, maar gewoon om vast te leggen wat jongeren anno 2021 zoal meevoeren. Hier komt: 1 plastic koffiebekertje, 1 Heineken papieren wikkel (voor een sixpack), 2 Heineken-blikjes, 1 busje Axe deodorant, 1 Kanjers stroopwafelswikkel, 3 Red Bull blikjes energydrank, 1 busje Rexona antitransparant, 1 kartonnen doosje bevattende knalvuurwerk, 1 spuitbus hairspray (merk weg geschroeid), 1 busje Adidas bodycare, 1 DA wikkel van een condoom, 1 ballonnetje en 2 lege Hertog Jan bierflesjes. Daarnaast nog wat half verbrande rommel.

Wat voor beeld moet een onderzoeker daar nu uit opmaken? Dat dit tuig van de riggel is? Ik denk het niet. Het zullen waarschijnlijk hele aardige mensen (jongeren) zijn die dit zonder er verder over na te denken hebben achtergelaten. De som van onverschilligheid, kuddegedrag en stoerdoenerij. Ze zullen het op school mogelijk heel goed doen en thuis geen vervelende kinderen zijn. Nooit iemand zal zeggen: Dat had ik niet achter hen gezocht. En sommige oudere mensen zullen zeggen dat zij ook jong waren geweest-een waarheid als een koe- en dat zij ook niet altijd binnen de lijntjes liepen. Dus nou ja… En heel misschien waren die punkmeiden wel aanhangers van Greta Thunberg en zouden ze elke milieuvervuiler zonder enige vrees bij de kladden pakken. Het menselijk fatsoen is niet aan de kleding af te zien. Was het maar zo. Nou ja, ik weet niet of het echt zou helpen.

16.9.21 Noodzakelijke berakingen Het is hoe je het ook wendt of keert vreemd gesteld met de menselijke privacy. We weten zo langzamerhand allemaal wel dat internet en sociale mediumkanalen als Facebook, Twitter, Youtube, Instagram en al die andere nieuws- en communicatiesites onze persoonlijke levenssfeer bijna elke minuut van de dag vastleggen. Daardoor kan de hele wereld precies zien wat de gebruiker van de site aan het uitspoken is. Wil je dat je op geen enkele wijze over de digitale tong gaat en streeft naar totale onafhankelijkheid, dan wordt het leven moeilijk. Een gedegen garantie dat winkeliers niet met de gegevens van de klanten sjoemelen hebben we niet. Dat zou er wel moeten zijn. Als een bijsluiter bij de kassabon: Wij slaan niets op. Wij waarborgen uw privacy. Maar het zal me niet verbazen dat elke digitaal betaalde aankoop tot in lengte van dagen in het winkelbestand blijft staan. Middels het algoritmesysteem kan elk bedrijf precies zien wat de klant verbrast. Ik vind dit een griezelige ontwikkeling, welke getuigt van overdreven bemoeizucht en erger; grove schending van het zo heilige recht op privacy. Nu is iedereen natuurlijk zelf baas over zijn/haar eigen centen en over het bestedingspatroon, maar wie weet gaat de inmenging ooit zo ver dat de consument de grote cyberbaas verantwoording moet afleggen over zij/haar bestedingspatroon. Overigens, voor cyberbaas kan ook het hoofd van een totalitair regiem worden in gevuld. Dat bedoel ik met griezelig….

Hoe anders is het gesteld met de mens als cliënt bij een zorginstelling. Dit is een ruim begrip. Ik bedoel er in mijn geval het Universitair Medisch Centrum te Groningen, kortweg het UMCG mee. Ik moest er van de week naar toe voor mijn jaarlijkse controle. Dat is niet iets waar ik tegenaan zie. Je zou voor het bezoeken van een ziekenhuis al snel anders verwachten. De arts die mij onder zijn hoede heeft is een zeer aimabele man en ik geef mij zonder enkele moeite aan hem over. Regelmatig heeft hij een jonge arts in opleiding naast zich. Het is de bedoeling dat deze jongeling leert van de verrichtingen van de volleerde arts. Wanneer ik mijn onderlichaam voor de controle moet ontbloten, vraagt hij altijd vriendelijk of ik er bezwaar tegen heb als de aspirant meekijkt. Dat heb ik niet. Toch is het een nogal bizarre handeling: Iemand die ik totaal niet ken en die mij evenmin kent zonder blikken of blozen mijn onderkant te tonen. Op zo’n moment is er van privacy even geen sprake meer. Dan is het puur een kwestie van vertrouwen, maar dat schenk ik hun. Hetzelfde geldt overigens voor de kapper, de opticien, de tandarts of de fysiotherapeut, ofschoon die mij nog nooit om goedkeuring hebben gevraagd als ze mij gingen beraken. Deze keer was het een meisje. Mijn arts liet haar met mijn instemming voelen waar zich in de liezen de lymfeklieren bevinden. Bij mij is dat vanwege mijn geringe onderbuik goed te voelen. Mogelijk was het voor haar de eerste keer dat zij dit deed. Toen ik mij weer aankleedde en ze in de buurt bleef om mij eventueel bij te staan, had ik het haar kunnen vragen. Zoiets als: En hoe vond je mijn lymfeklieren. Toch wel een beetje lastig hè? Een beetje ongemakkelijk zou dat zijn. Dus niet doen. In plaats daarvan vroeg ik haar of ze het werk leuk vond. Dat vond ze. Het is van het grootste belang dat beide partijen zich tijdens een onderzoek senang voelen. Weer aangekleed voeg ik mij aan zijn bureau. Van gêne is geen sprake. Het ziet er goed uit. Onderwijl vertelde hij dat hij met genoegen mijn 169woordenstukjes had gelezen (blogboek Leven met ik). Dat deed me bijzonder goed. Welke vorm mijn gegevens in zijn journaal krijgen, weet ik niet, evenmin wat de artsen in opleiding over mij als patiënt hebben geschreven of wat ze nog zullen schrijven. Dat is misschien maar beter ook. Het zou schrikken zijn wanneer ik mijn naam in zou tikken en alle gegevens inzake mijn gesteldheid en conditie over het scherm zouden rollen. In de literaire wereld is het bon ton om heel vrijmoedig over elke afwijking in het lichaam te vertellen, maar ik houd mijn sores liever onder de huid. En hoe het met me gaat, vraagt u? Prima, dank u. Over een jaar Deo volente mag ik weer. Ik zie er haast al naar uit.

11.9.21 Brainstormen over reclame Van de vele (halve of hele) opleidingen en cursussen die ik heb genoten, is die van copywriter misschien wel de meest dramatische. Vreemd zou je zeggen, want het schrijven van versjes en verhaaltjes zat mij al vroeg in het bloed en dus zou het schrijven van reclameteksten een volgende stap kunnen zijn in dat schrijversverhaal. Er is inderdaad door veel gevierde schrijvers voor de meest uiteenlopende bedrijven reclame gemaakt en dat had voor een deel te maken met de royale verdiensten die er tegenover stonden. Maar het is een heel ander vak, of metier zoals dat in reclamejargon wordt genoemd. Omdat ik van meet af aan wel wist dat ik met mijn versjesschrijverij geen bal zou verdienen en mijn hele leven ook niet achter een draaibank wilde slijten (één van die vele opleidingen), liet ik mij bij een landelijke talen-instituut inschrijven voor het volgen van de opleiding copywriting. De aanleiding hiertoe kwam voor een deel ook doordat bladen als Het Beste en de Panorama wervende advertenties plaatsten van het instituut. Vooral de opmerking dat een geslaagde reclameschrijver uitstekend kon verdienen en dat reclameschrijvers veelal thuis werken, deed mij er toe besluiten. Niet langer elke ochtend om zes uur op of als het om ploegendienst ging om vier uur. Het was een pittige studie, die bestond uit een paar lesboeken waarin de geschiedenis van vooral de Amerikaanse reclamewereld uiteen werd gezet en daarnaast waren er de verplichte lessen. De cursist werd geacht na enige tijd zelf reclameteksten te kunnen schrijven. De onderwerpen mocht de cursist zelf aandragen, maar er waren ook onderwerpen waar de cursist verplicht was over te schrijven. Die gingen over zeer uiteenlopende zaken. Van auto’s tot aan middelen om na een lange werkdag tot rust te komen. Ik kweet mij nauwgezet van mijn taak, was uiterst zorgvuldig in het taalgebruik, iets waar ik nog dagelijks profijt van heb en kreeg hoge cijfers voor mijn hersenspinsels. Woorden als ‘speels’ en ‘inventief’ vielen regelmatig. Ik had het om zo maar te zeggen in de vingers. Maar ik moest wilde ik hier een goede boterham in verdienen en er eventueel een gezin van kunnen onderhouden (wij leefden nog in de tijd dat de man de centjes verdiende!) beslist niet kieskeurig zijn in de artikelen waar reclame voor moest worden gemaakt. Juist daarin lag mijn langzaam groeiende afkeer. De kous begon te wringen toen ik als lesopdracht een reclametekst moest schrijven voor wijn. Oh mijn god, dacht ik; wijn. Ik heb in heel mijn leven bijna nooit wijn gedronken en toen nog helemaal niet. Ik had al spoedig een hekel aan het milieu van wijndrinkers. Ik was meer van de bierdrinkers en toendertijds dronk ik dat zelfs met mate. Maar omdat het moest schreef ik een advertentie die iedere doorsnee wijndrinker de lust tot het consumeren van dit merk absoluut zou ontnemen. Ik verantwoordde mij door te schrijven dat ‘slechte reclame ook reclame is’. Daar ging mijn tutor ofwel studiebegeleider niet mee akkoord en voor het eerst kreeg ik een dikke onvoldoende. Ik stuurde hem als reactie een reclametekst voor een bepaald soort bier. Deze luidde als volgt:

Jongens waren we, ferme jongens. We dronken water uit de sloot en melk rechtstreeks van de koe. We wisten niet beter. Maar nu we ouder zijn en het leven als een uitdaging zien, drinken we op zijn tijd een goed glas bier. Daar zijn veel soorten van. Het liefst drinken we die van Grolsch. Die jongens weten wat ze brouwen. Ze zouden zo bij ons aan kunnen schuiven en net als wij zeggen dat ze ooit ook jongens waren.

Mijn leraar was duidelijk geen bierdrinker, want hij reageerde nogal lauw. Toen kreeg ik als lesopdracht om iets over zeilboten te schrijven. Het ging er bij deze lesopdracht om om zich precies in te leven én in te lezen in de maritieme wereld en in die van de zeilboters. Dat is een veelomvattende studie en na een paar bladzijden wist ik al dat ik dit als landrot nooit voor elkaar zou krijgen. Ik gaf mijn opdracht terug, dat wil zeggen dat ik het oversloeg. Dat was natuurlijk niet de bedoeling. Er ontstond tussen mijn studiebegeleider en mij nu een zekere frictie. Hij moet volgens mij ook wel hebben voorzien dat ik de volgende opdracht zou weigeren. Het was namelijk een advertentietekst schrijven voor een bontzaak. Dit stuitte me zeer tegen de borst. Enige jaren ervoor had ik nog mee gedaan aan een handtekeningenactie van de toen nog jonge Greenpeace tegen de slachting van zeehondenjongen in Canada/Groenland. Ik kon er met mijn volle verstand niet bij dat mensen zich na het zien van de documentaire op de televisie over deze walgelijkheden nog in een bontjas konden hullen. Ik weigerde deze opdracht en stuurde een boze brief naar het instituut en zei per direct verdere deelneming aan de cursus op. Er kwam nog een brief terug waarin de cursusbegeleider voorstelde om onderwerpen die mij tegen stonden te schrappen, maar ik had de zin er voorgoed van af.

Enige tijd geleden las ik een boek over de gehaaide wereld van de reclamemakers. Hoe gehaaid bedrijven elkaar naar het leven staan en hoe ze succesvolle copywriters bij elkaar weg kapen. Het is een smerige wereld. Wist ik dat toen nog niet? Nee, niet voldoende. Ik werd betoverd door de voordelen die middels glanzende plaatjes en gloedvolle marketingpraatjes tot mij kwamen. Ik zag copywriters achter het stuur van cabrioletjes die niet van hen waren. Ik las over schrijvers die van hun pen konden leven, omdat ze er zo af en toe voor grof geld een reclameschnabbel bij deden. Dat dit weinigen gegeven was, stond er niet bij. De meeste copywriters werkten echter in saaie kantoorgebouwen, met op geld en roem beluste snelle jongens. Zou ik het in zo’n omgeving lang hebben uitgehouden? Ik weet wel zeker van niet. Mijn schrijven zou altijd een onbezoldigde nevenfunctie blijven.

9.9.21 Geval van zandjutterij Het oprijpad aan de zijkant van ons huis is aan inzakking onderhevig. Het werd toen mijn grootouders nog in dit huis woonden enkel maar befietst en belopen. Sinds mijn komst in dit huis, heb ik een garage aan het eind van het pad gebouwd en wordt het voornamelijk door de auto bereden. Dat heeft zijn keerzijde. Ik heb de ingezakte geulen al meerder keren met grind opgevuld. Dat helpt wel voor een paar jaar, maar langzamerhand rijdt het toch weer in. Nu werd jaren geleden de straat voor ons huis opnieuw beklinkerd. Daarvoor werden enige 3-assige dumpers zand voor ons huis gestort. Op een avond vergreep ik mij aan die enorme berg. Men zou die paar kruiwagens niet missen. Ik verdeelde het zand in de geulen en welaan, het hielp geweldig. Het was een speciaal soort zand dat hard als klei werd. Dat was dus jaren geleden en langzaamaan zakten de sporen toch weer in. Ik maak nu een sprongetje naar voren, naar een paar maanden geleden. Het was een stralende dag geweest. Tegen de avond voer er een heteluchtballon onze kant op, iets wat vaker gebeurt in de zomertijd. Geen nood, zou je zeggen, maar voor ons is dit altijd een spannende aangelegenheid. Als ze ver van ons huis overdrijven is er inderdaad geen vuiltje aan de lucht, maar als ze recht op ons afkomen, ontstaat er bij ons toch wel enige paniek. Die ballonnen worden namelijk op een of andere manier door onze tuin of door ons huis aangetrokken en niet zelden maken ze een duikvlucht en hoor ik continu de branders aan slaan om weer enigszins op hoogte te komen. Niet zelden hoor ik dan paniekerige geluiden vanuit de mand neerdalen. Meerdere keren maakte ik mee dat een mand de toppen van de grove den of de douglas raakte en dan hoorde ik ijselijk gegil. Waar dat aan ligt weet tot op heden niemand. Er zijn al wiggeroedelopers wezen wiggeroeden en zelfs een aardstralenexpert is langs geweest, maar hun conclusies zijn steeds: Het is hier zo dood als een pier. Geen magnetisme, geen onderaardse waterstromen, niets dat een ballon zou kunnen beïnvloeden. En toch moet er iets zijn. Het is niet zo dat wanneer er een ballon vanuit het Noorden op ons afkomt, wij in grote vreze in de kelder kruipen om het naderend onheil (lees: catastrofe) voor te zijn. Meestal gaat het goed en soms moeten wij de piloot aanwijzingen geven een stuk verderop voorbij te varen. Enige maanden geleden ging het echter toch weer bijna mis. Het was een windstille dag. De ballon en de mand gleed rakelings langs de top van de grove den en zou zeker het dak rammen. De bemanning van de ballon en ik waren op nog geen tien meter van elkaar verwijderd. ‘Gooi die zakken dan ook naar beneden, klojo!’, schreeuwde ik naar boven. ‘Gooi alle ballast overboord’. ‘Neenee!’, schreeuwde een passagiere in doodsnood. De ballon was nu helemaal stil komen te hangen. Ik hoorde alleen nog de brander en paniekgeluiden en de piloot die hen tot kalmte maande. Toen zag ik hem inderdaad bezig gaan de zandzakken die rond de mand hingen los te snijden. De zakken kwakten op het pleintje in onze tuin. Boem! Daar ging er eentje, en Boem! weer eentje. Het was een spervuur van zandzakken. De piloot probeerde ondertussen de brander te laten loeien, maar de ballon steeg niet op. Pas toen de laatste zak op het pleintje was neergeploft, begon het gevaarte langzaam in beweging te komen. Het duurde nog geruime tijd voor hij opsteeg en wegvoer, totdat hij tenslotte veilig voorbij de Hunze landde.

Ik heb die avond lang gewacht opdat iemand van de ballonvaardersclub de zakken zou ophalen. Maar nee hoor. Misschien zagen ze wel in dat ik ze aansprakelijk zou stellen voor eventueel aangerichte schade. Die viel best mee. Een gammel stoeltje in puin en een bloembak aan diggelen, meer was het niet. Ik heb daags erop met het zand de gaten van ons pad gedicht. Het is zand van een uitstekende kwaliteit. Precies de goeie structuur. Het pad ziet er weer spic & span uit en kan weer jaren mee. De lege zakken had ik bewaard voor het geval er toch nog iemand langs zou komen. Dat is niet gebeurd. De reden hiervan werd mij onlangs duidelijk toen ik een schrijven kreeg van de Landelijke Ballonnenvaart Vereniging, de LBV, waarin ze ons hun welgemeende excuses aanboden. De betreffende piloot was op staande voet geroyeerd. Hij bleek er als beunhaas bij te klussen en met een ouderwetse ballon te varen. Het soort dat nog met zandzakken werkt, terwijl ieder weldenkende ballonnenvaarder weet dat dat allang uit de tijd is. Weer wat geleerd, dacht ik en gooide de zakken in de grijze container.

6.9.21 Overbodige kennis Op zeker moment kan iemand zonder dat hij of zij wordt tegen gesproken, de uitdrukking ‘naarmate ik ouder wordt’ gebruiken. Als een jongere dat doet, dan klinkt dat koddig, alsof hij of zij dit nog niet kan stellen. Alsof hij of zij voorloopt op de tijd die nog moet komen. Een soort anachronisme. Maar als je bent opgegroeid in een land dat door hongersnood en oorlog wordt geteisterd, kun je als tiener al een veel zwaardere ballast meezeulen dan iemand die z’n leven lang dobberde op een rimpelloos wateroppervlak. Mij ontglipt die uitdrukking echter ook weleens en dan met de toevoeging dat ik terugkijk op iets dat ánders had gemoeten of op de overbodigheid van zekere kennis. Niet dat mij die kennis in de weg zit, maar ik heb er niets aan. Mensen die het kunnen weten, zeggen dat het menselijk geheugen maar voor 10% wordt benut. Zou men het zo gesteld helemaal willen benutten, dan zou men op z’n minst 800 jaar moeten worden. Zo ver zijn we nog lang niet (de weinigen die zich onsterfelijk wanen even niet mee gerekend). Er ligt dus bij ieder van ons 90% braak. We halen alle herinneringen en alle kennis die we hebben vergaard uit dat kleine stukje en naar verloop van tijd slinkt dit zelfs. Namen van mensen en dingen verdwijnen, om maar iets te noemen. En dat is zonde. Het zou prachtig zijn als we door gebruik te maken van een soort transmitter bepaalde onnodige kennis op tijd van de ene mens over konden brengen op de ander. Dit kan van de een naar de ander zonder dat er iets voor terug hoeft te komen, maar ook visa versa. Een bedrijf als de NASA zou zich nu het universum wel voldoende doorgespit is, prima met deze materie bezig kunnen houden. Ik stel me het zo voor dat twee mensen zich via de transmitter verbinden en dat men van te voren goed aangeeft welke kennis men wil lozen, dan wel wil uitwisselen. Ik ken bijvoorbeeld heel veel automerken. Die spaarde ik al van jongsaf. Ik stond met mijn schriftje bij de snelweg en noteerde alle merken die mij passeerden. De verkeersdrukte was toen nog van dien aard dat ik het makkelijk kon behappen. Nu zou dat niet meer gaan. Maar hoewel ik dat met verve deed, heb ik er nooit een moer aan gehad. Hetzelfde had ik met filmsterren en zangers en zangeressen, nu popsterren genoemd. Ik verzamelde fanatiek plaatjes van toenmalige sterren als Bing Crosby, Lorne Greene (pa Cartwright van Bonanza), Jim Reeves, Rock Hudson, Conny Froboess, Peter Alexander, Freddy Quinn, als ook van Willeke Alberti, Anneke Grönloh, The Blue Diamonds en kort daarop van The Beatles, The Swinging Blue Jeans, The Rolling Stones, The Kinks, The Who, enzovoort. Ik herkende elk van hen aan de mond, aan de oogopslag, aan de neus, aan de haardracht. Maar wat moet ik er vandaag de dag nog mee? Ook aan de opgedane kennis als metaalbewerker heb ik niets meer. Ach, soms in een kruiswoordpuzzel komt het nog weleens van pas. Metaal, met 7 letters: mangaan, platina, wolfram. Dat dis ik dan zo op. Maar verder? Ik heb er niets meer aan. Dat zou een prachtige blok kennis zijn voor iemand die van metaalbewerken zijn (of haar) beroep wil maken. Wij moesten daarenboven van al die materialen ook nog het smeltpunt weten en welke materialen al die legeringen bevatten. Lastig hoor. Ik sta het gratis en voor niks af!

Hoe kom ik daar zo op? Ik loop meer dan eens met Rossi een rondje door de natuur en meer dan eens passeert mij iemand ook met een hond. Nu ken ik wel enige hondenrassen van naam, maar er komen steeds meer soorten bij. Kruisingen van dit of van dat. Dat lijkt niet alleen zo, het ís ook zo. In mijn grote hondennaslagboek staan al 324 soorten en dat boek dateert van 1980. Dat getal kan men nu rustig verdubbelen. Wie kent al die soorten? Martin Gaus, misschien. Soms vraag ik zo iemand wat voor soort hond hij of zij meevoert. Dat deed ik laatst ook eens. ‘Dit is een Lichtensteiner Schnauzer’, zei de mevrouw die eraan vast zat. En later trof ik iemand met een Vaticaanse crassander. Had ik ook nog nooit van gehoord. ‘Komt heel weinig voor’, zei de man. ‘Teefjes van dit ras zijn een zeldzaamheid’. Deze kennis zou mij nu veel beter passen dan die automerken en filmsterren. Zo mijmerde ik wat voort. Maar toen bedacht ik ineens dat dit uitwisselen van kennis natuurlijk ook een vreselijke schaduwzijde zou kunnen hebben. Want wát als het in verkeerde handen terecht zou komen? Dat mensen elkaar kunnen hersenspoelen, dat ze iemand als deeg kunnen kneden, op lust zinnende mannen of vrouwen weleens willen weten hoe het er bij de andere sekse toegaat (een kwalijke vorm van voyeurisme), dat men geheimen uit elkaars brein kan trekken, dat men ongewenst kan rollebollen in andermans 90% ruimte. Daar heeft de evolutie dat toch niet voor bedoeld? En ik probeerde er meteen vanaf te komen. Maar hoe? Ik begon van de weeromstuit voor me uit te zingen. Dat schijnt namelijk te werken als een soort reset. Junge, komm bald wieder, bald wieder nach Haus begon ik luidkeels te zingen en Heel veel jaren geleden op de diligence (want ook de liedjes van De Selvera’s behoren tot mijn totaal overbodig geworden kennis) en Spiegelbeeld, vertel eens even ben ik heus zo mooi als jij en Zwei kleine Italiener die träumen von Napoli… Ik kreeg er gaandeweg steeds meer plezier in. Rossi keek mij echter verschrikt aan. Basie zingt nooit tijdens het lopen, zag ik hem denken. En inderdaad verdwenen langzamerhand die rare hersenspinsels over dat uitwisselen van kennis.

Ik kwam weer op de openbare weg. Er reed een klassieker voorbij. ‘Wartburg 312, bouwjaar 1962’, zei ik hardop. Gelukkig, het was er nog. Even later kwam een man mij achterop gefietst. Toen hij bij mij was, groette hij. Ik groette terug met ‘Moi Gijs’. De man schrok zichtbaar, remde af, draaide zich om en zei: ‘Kent u mij?’ ‘Nee, niet echt’, zei ik ‘maar heet u dan geen Gijs?’ ‘Ja, ik heet Gijs’, zei de man, ‘maar hoe weet u dat?, ‘Dat weet ik niet’ zei ik, ‘een vorm van telepathie zeker’. ‘Goh, daar zou u iets mee moeten doen’, zei hij, ‘daar kunt u rijk mee worden’. Hij vervolgde zijn weg. Wonderlijk, dacht ik. Rijk worden? Dat wil ik helemaal niet. Laat ik het maar vergeten. Al zingend kwam ik thuis. Mijn vrouw keek verrast op. ‘Vanmorgen was je nog zo neerslachtig’, zei ze. ‘Ja, zo’n wandelingetje doet een mens goed’ zei ik en ik schoof aan tafel en at met smaak een broodje.

5.9.21 Een stille reismiddag Soms heb je een toermiddag waarin heel weinig gebeurt. Dat kun je van tevoren niet plannen, want als je daar op uit bent, dan zal het heel anders verlopen. Het was windstil, droog en licht bewolkt, wat ik met autorijden erg plezierig vind. We hadden niet echt een plek om naar toe te gaan, maar togen op goed geluk richting Zoutkamp. Maar zien hoe ver we zouden komen. We reden op Winsum aan en hier voorbij richting Schouwerzijl. Ik zag het kerkje weer waarin jaren geleden een tweedehands boekenwinkeltje huisde. Ik heb er toen een paar boeken van Orwell en Mirbeau gekocht. Zo te zien was het winkeltje er niet meer. We reden langzaam door het pittoreske (zou de VVV in de folders schrijven) dorpje. Geen mens op straat, zelfs geen kat of hond. Meteen na Schouwerzijl kwamen we bij Schaphalsterzijl. Aan mooie namen ontbreekt het in Groningen niet. Het komt als plaatsnaam niet voor in het boek 323 x Groningen, zoals wel meer streekjes en gehuchtjes ongenoemd blijven. Schaphalsterzijl bestaat uit niet veel meer dan het Waarmanshuis en een sluisje. Tevens is het het keerpunt van de Reitdiepveer, een pontje dat vanaf mei tot november een aantal keren per dag door vrijwilligers van Aduarderzijl naar hier vaart en terug. We hebben de oversteek al een paar keer gemaakt. Het is één van de vele verrassingen die je hier treft. We zouden ook nu een retourtje kunnen nemen. Ik parkeerde bij de sluis. Mijn vrouw zette thee. Ik liep even naar de plek waar de veerpont aan zou leggen. ‘Pontje komt zo’, riep een man vanaf de overzijde van het water, die een woonboot aan het opknappen was. Een retourtje kostte 4euro, voor ons beiden dus 8euro. Elektronisch betalen is niet mogelijk, liet het informatiebordje weten. Ik telde mijn euro’s en kwam tot 6euro55. Net niet genoeg. Mijn vrouw had helemaal niets. Het kon dus niet doorgaan. Onder mijn stoel vond ik nog een euro. We dronken onze thee. Er kwamen vier kanovaarders aangevaren. Ze moesten door de speciale kanostuw. Dat ging met veel moeite. Daarna naderde er een motorjacht. Vanaf de brug keken een zestal fietsers toe. Aan de andere kant legde nu de veerboor aan. Ik zag er niemand afstappen en zag ook niemand op het dek. ‘Hij had ons voor 7.55 vast en zeker wel meegenomen’, zei ik. Ik vond het sneu dat dat bootje dat in verband met de coronaregels maximaal maar zes passagiers mee mocht nemen, nu voor de poelegrap heen en weer voer. De motorjacht manoeuvreerde door de sluis. De fietsers sloegen het zwijgend gade. Ik wilde wel iets naar beneden roepen, zoiets als Schip Ahoy. Ik deed het niet. Het zou de stilte maar verbreken en wie weet zagen ze mij voor een halve gare aan. We pakten onze spullen weer in en reden verder en kwamen in Zuurdijk. Daar stond bij het kerkje een bord met OPEN. Oude kerken trekken me altijd aan. Ik liep er naartoe. Bij het hekje dat toegang gaf tot het kerkterrein stond een tafeltje waarop een aantal potjes met waarschijnlijk door een Zuurdijker gemaakte jammen te koop werden aangeboden. Ik zou er eentje van kunnen kopen. Zou. Maar ik ben een beetje huiverig voor eigen gemaakte jammen. Ben er weleens misselijk van geweest. Het was geen vetpot, want het geldbakje ernaast was nog leeg. Ik trad het kerkje binnen. Er brandde geen enkel licht. Zelfs geen kaarsen. Ik was de enige. Een simpel eeuwenoud gebouwtje. Indrukwekkend. Weinig sier. Doods. Als het in Ierland zou staan, zou men beter kijken, dacht ik, naar het versje van K. Schippers. Langs de wanden en in de nissen stonden en hingen tientallen schilderijen en aquarellen. Vooral natuurlandschapjes. Best heel aardig. Kennelijk stonden die er ook voor de verkoop. Ik zou zo een paar mee kunnen nemen. Niemand die het zou merken. Een bordje bij de deur wees op het lichtknopje met ‘U mag het licht aandoen. Gelieve bij het verlaten aub weer uitdoen’. En een ander bordje: ‘Bij het verlaten van de kerk de tussendeur sluiten ivm vogels’. Vogels, dacht ik. O, natuurlijk, ze zouden misschien nesten bouwen en de boel bevuilen. Net toen ik het gastenboek wilde tekenen, betrad een oudere dame het kerkje. Ik vroeg of zij de boel hier in de gaten hield. Ze schudde krachtig nee en verliet spoorslags weer het gebouwtje. Kennelijk had ik de magie verbroken. Ik zag dat ik de eerste en mogelijk ook de laatste was die die dag tekende. Ik gooide een twee-eurostuk in het bakje voor de onderhoud van de kerk. Toen ik weer naar de auto liep, schetterde bijna als een vloek de claxon van een rijdende winkel me tegemoet. Mijn vrouw liep er naartoe. Waarschijnlijk vanuit sentimenteel oogpunt, want die wagens zie je bij ons niet meer. Ik verwachtte dat er een stortvloed aan Zuurdijkers op de rijdende supermarkt af zouden komen, maar wij waren de enigen. Ik kocht een oudewijvenkoek en een zak met zes krentenbolletjes. Vers van een warme bakker uit Kommerzijl. Dan verdiende de rijdende winkel tenminste nog iets. Maar er kwam geen sjoege van zijn kant. Toen we weer buiten stonden, zei mijn vrouw: ‘Die vent stinkt een partij naar rook, zeg. Niet mooi meer! Geen wonder dat er niemand op af komt’. Ik at twee bolletjes. De wagen bleef heel de tijd staan en al die tijd zat de man achter het stuur voor zich uit te kijken en te roken. Dat zou hij in een gewone winkel niet kunnen. Mogelijk overdacht hij zijn zonden of voorzag hij welke gruwelijke zonde hem binnenkort het vrije leven zou benemen. …. We reden verder. Naar Houwerzijl. Ik parkeerde in het straatje naast antiquariaat Zolderman. Het bord ‘In en verkoop van boeken’ stond op het trottoir, maar in de winkel was het donker. Misschien moest je hier bij binnenkomst ook zelf het licht aandoen. Er kwam een man langsgelopen met een elektrische boormachine. Hij hoorde bij een huis een eindje verderop waar bij de ingang van zijn tuin een bankje stond en een boekenkastje. Een heel mooi kastje. Ik liep er naartoe en keek langs de rijtjes. Ik liep terug naar onze auto en nam een vijftal boeken uit mijn ruildoos en schoof ze in het kastje. Daarna nam ik het boek De Romeinen op hun weg naar de Lage Landen als ruil. Het enige dat me nog wel paste. De man met de boormachine kwam weer terug en passeerde ons andermaal. Ik groette hem, hij groette terug met ‘Oi’. Mijn vrouw kwam met Rossi en een kop thee naar het bankje en ik at nog een bolletje. Zo verpoosden wij hier een kwartiertje. Er kwamen een paar auto’s en evenveel fietsers langs. Terwijl we terugliepen om verder te gaan, hoorden we in de verte de claxon weer van de rijdende winkel. We reden nog even langs De Theefabriek. Ook een plek waar we meerdere keren zijn geweest. Dan was het er altijd druk, kon je amper een plek vinden. Nu zaten er verspreid op het grote terras een stuk of vijf mensen. We reden door naar Leens. Mijn vrouw wilde wat groente kopen voor een eenvoudig maal. Ineens een heel andere wereld. Het was er glad druk aan de Nije Nering. Sinds enige uren -behalve natuurlijk dan van mijn vrouw- hoorde ik weer mensen vrijuit en hardop praten. En toch…., onderweg naar huis zeiden we dat we toch wel erg hadden genoten. Dat we helaas het boottochtje hadden gemist (in het vervolg wat meer cash geld meenemen), dat dorpjes als Zeedijk en Houwerzijl zo heerlijk zijn om even in te vertoeven en dat we weliswaar Zoutkamp niet hadden bereikt. Nou ja, dat hebben we dan nog tegoed.

’s Avonds sneed ik de oudewijvenkoek aan. Het bleek onder en boven beschimmeld te zijn. Dat krijg je als je als rijdende winkel zo weinig afname hebt, zei ik en mikte het in de vuilnisbak. In Zuurdijk en Houwerzijl wonen veel kunstenaars en die eten denk ik heel weinig oudewijvenkoek. Het was de enige domper. Ik houd het maar stil.

3.9.21 Dubbelganger Vanmiddag dacht ik opeens Harrie O. te zien lopen. Mijn vrouw was bij de Jumbo voor een paar dingetjes en omdat het land weer code-rood gekleurd is, was ik voor de veiligheid in de auto blijven zitten. Dat vind ik nooit een straf, want je kunt vanuit je schuilhut zo heerlijk naar mensen kijken en ziet dikwijls de grappigste dingen. Van iedereen kun je bovendien onbekommerd vinden wat er aan mankeert. Dat doe ik dan ook volop. En toen zag ik dus ineens Harrie O. Hij kwam uit de winkel en stak een paar meter naast het zebrapad over. Eerst twijfelde ik, want wat moest die vent hier? Maar het was precies dat stuntelige loopje en die neerwaartse blik, alsof hij permanent op zoek is naar iets. Hij was natuurlijk zo’n 20 jaar ouder geworden, maar dat ben ik ook en dus moest ik mijn beeld van hem razendsnel bijstellen. Hij was ooit een collega van mij. Een rumoerige, onsympathieke vent, die ik graag op afstand hield. We werkten in een beperkte ruimte en zodoende kwamen we of we wilden of niet regelmatig met elkaar in aanraking. Zijn loensend kijken maakte mij altijd erg onrustig. Ik wist dat hij veel dronk en vanwege zijn roken kon hij ongenadig en vooral smerig hoesten. Nee, hij was geen prettige verschijning. Het gebeurde -ik zou het nog in een van mijn dagboeknotities op kunnen zoeken wanneer precies- dat hij mij vroeg of ik hem een beetje geld kon lenen. Voor het eerst toonde hij zich deemoedig tegenover mij. Hij zat even heel erg krap, zei hij, en hij had zijn vrouw beloofd dat hij met zijn zoontje de stad in zou gaan om schoenen voor het jong te kopen, maar zijn vrouw had het geldpasje bij zich en zij kwam pas tegen de avond terug en ze moesten die avond naar een feestje en dan moest het jong die nieuwe schoenen aan…. en zo ging het verhaal nog even door. Het was allemaal zeer beklagenswaardig en zeer gelogen en doortrapt. Hij was natuurlijk al bij meerdere collega’s langs geweest, maar die hadden hem wijselijk afgewezen. Nu was enige dagen ervoor jarig geweest en we kregen van dat bedrijf bij een aantal feestdagen en de verjaardag een gratificatie. Dat werd cash uitbetaald, hetgeen belastingtechnisch voordelig voor het bedrijf was. Dat geld had ik nog niet opgehaald, het lag nog op kantoor. Kennelijk wist hij dat, want hij zinspeelde er brutaal als hij was op. Ik had natuurlijk meteen moeten zeggen: Je kunt de pot op Harrie, maar ik stond onder druk en na veel gezeur heb ik hem van die 70 gulden die ik kreeg 50 geleend. Op het moment dat ik hem het toestak en hij onder ede beloofde het volgende week terug te zullen betalen, wist ik dat dit nooit zou gebeuren. Ik heb er een paar keer naar gevraagd en telkens schreeuwde hij mij verrot, het liefst met iemand anders erbij, dat hij nooit en te nimmer geld van wie dan ook leende en van mij zeker niet! Menigmaal laaide later het gevoel van onmacht, van onrecht zo hoog in mij op, dat ik hem terwijl hij op zijn ouwe fiets van de parkeerplaats reed, ternauwernood ontweek. Op het laatste moment hield ik mij in, realiseerde mij dat ik er de rest van mijn leven onder zou lijden. Dat is die ploert mij helemaal niet waard, zei ik dan als mijn woede weer wat was bekoeld. Ook kreeg ik zeer regelmatig wraaklustige dromen, waarin ik hem finaal in elkaar sloeg en terwijl hij op de grond in doodsangst schreeuwde en zijn tanden bij elkaar zocht, zei ik dat dit nog maar de helft was van wat hij tegoed had en dat hij mijn rotcenten in zijn reet mocht schuiven. Heftig? Zeker. Maar in mijn dromen ben ik een verschrikkelijk beest, in mijn nachtmerries is geen geschut mij te zwaar.

Op een gegeven moment werd Harrie ziek. Ik weet nog dat men van de afdeling rondging om een fruitmand voor hem te kopen. Dat was zo de gewoonte. Zonder pardon liet ik weten dat hij al eens 50 gulden had gekregen en dat ik deze keer hartelijk bedankte. Het mocht zo langzamerhand wel bekend worden hoe ik over hem dacht. Ik was overigens niet de enige. Het werd een mandje van niks. Korte tijd later verliet ik het bedrijf. Het voelde als een verademing. Harrie zag ik daarna nooit meer terug. Nou ja, ik heb mij zonder die 50 pietermannen ook heel goed kunnen redden. Maar sindsdien heb ik nimmer-nooit-meer iemand een stuiver geleend.

Harrie was de straat over en kwam mijn kant op. Ik werd onrustig, voelde mijn hartslag in mijn keel. Het lag bijna in mijn bedoeling om hem flink te laten schrikken. Maar toen hij vlakbij was zag ik tot mijn verbazing dat het Harrie helemaal niet was. Hij leek wel verdacht veel op hem. Hij keek net zo lodderig en nors als Harrie O. maar was beslist een stuk jonger. Meer de leeftijd die Harrie had toen ik hem voor het laatst zag. Ik zou die man een doodschrik hebben bezorgd. Hij zou een misstap hebben kunnen maken en komen te vallen en iets breken. Gelukkig was dat niet gebeurd. Maar aan de kop van die man zag ik dat het net zo’n misbaksel was als Harrie O. Hij had zonder meer heel veel met hem gemeen. Dat liet ik mij niet ontnemen.

31.8.21 Wat’n kunst In Assen, aan de kop van de Vaart, is op dit moment een nogal wonderlijk kunstproject gaande. Het project bestaat uit een huisje van 3.5 bij 2.5 meter gestald op een ponton waarin de maker ervan zich een week gaat opsluiten. Hij wil ervaren hoe het voelt om een week lang zonder zijn naasten te leven. De angst om alleen te zijn, zelfconfrontatie, basisangsten, dat zijn een paar van de emoties waar hij tegenop denkt te lopen. Ik heb het bericht hoofdschuddend tot mij genomen. Niet dat ik het de man niet gun om dit uit te proberen, maar ik vind het een totaal zinloze onderneming. Over de kosten wil ik het niet hebben. Dat is in de kunstwereld nu eenmaal een tot frustraties lijdend dingetje. Ik moest toen ik het las meteen denken aan levende kunstwerken, zoals het Belgische lopend kunstwerk Fabiola, aan Marina Abramovic met haar performance The Artist is Present en aan Henk Jurriaans. De kunstenaar, Arjen Boerstra, laat zich vanuit zijn huisje echter zo weinig mogelijk zien. Althans, dat is de bedoeling. Het gaat hem om de isolatie, de totale afgeslotenheid. Mij lijkt het dat hij daarvoor niet in een opzichtig huisje op de kop van de Vaart in Assen moet verblijven, maar ergens op de Dwingelose Heide en dat-ie het vooral tegen niemand moet zeggen. Dán zou het kunnen dat hij inderdaad helemaal op zichzelf is aangewezen. Zoals hij het doet is het juist een hele goede manier om van je aardse aanwezigheid gewag te maken. Het is een soort verkorte remake van de tv-serie Big Brother, met dien verstande dat hij alleen is en dus plat vertoon uitblijft. Ik vind dat deze maniakale zelfexploitatie de benaming kunst niet echt verdient, tenzij ook het paalzitten, het verorberen van zoveel mogelijk frikandellen, het zwemmen langs alle Friese elf steden of het mediteren in een bak ijs daaronder vallen. Want ook deze mensen leveren een buitengewone prestatie en ontvangen er hoogstens een welgemeend applausje voor. Moet kunst dan altijd zintuigelijk zijn? Nee, dat hoeft niet. De grens tussen wat kunst wordt genoemd en wat juist niet, is in nevelen gehuld. Er is geen boek waarin staat wat tot het ene hoort en wat tot het andere. Jeff Koons en pornoster Cicciolina lieten zich fotograferen terwijl ze seks bedreven, Piero Manzoni liet zijn poep inblikken en Andres Serrano vertoonde plasseksfoto’s in het Groninger Museum. Deze vunzigheid verdeelde volk en vaderland. Was dit nog wel kunst, vroeg links en rechts zich walgend af? Moest de subsidiekraan van het Groninger Museum niet ogenblikkelijk worden dichtgedraaid? Het is maar net hoe je het bekijkt. Rembrandt schetste ook piesende en poepende mensen. Weliswaar niet zo extreem als Koons, Manzoni en Serrano, maar toch…. En het is een publiek geheim dat het Vaticaan door de eeuwen heen heel veel libertijnse lectuur en plaatwerk op grond van de goede zeden in beslag heeft genomen en onder de naam Codex Vaticanus achter slot en grendel verborgen houdt. Verboden kunst, maar dus wel kunst. Zo beschouwd is alles kunst. In Rotterdam loopt een zich kunstenaar noemende man elke dag om enige minuten voor twaalf naar een zich in een glazen kastje bevindende toeter, haalt het eruit en roept om precies twaalf uur door de toeter dat de wereld naar de knoppen gaat. Daarna plaatst de kunstenaar de toeter weer in het kastje en gaat naar huis. Hij doet dit al jaren. Het is een nooit eindigende kunstuiting. Als ik elke dag mijn gang naar boven, mijn geworstel om een stukje voor mijn blog te schrijven, mijn gezoek in boeken en in mijn archiefje en het af en toe langdurig uit het raam staren zou laten filmen, zou het ongetwijfeld in aanmerking komen voor de opdruk kunst. Want scheppende schrijvers (of dichters) laten zich zelden filmen. Ze moeten dit in afzondering doen, anders komt het niet goed. Ze hadden dan ook beter een schrijver in dat hokje kunnen opsluiten en maar zien met welk meesterwerk hij of zij na een week tevoorschijn komt. Wie weet maak ik iemand wakker als-ie mijn stukje leest.

29.8.21 Een zeer ingewikkelde motor Enige tijd geleden heb ik nogal onbesuisd de mens vergeleken met een benzinemotor. Vooral het idee van de cilinders is in de verte te vergelijken met ons pompend hart. Nikolaus Otto, de uitvinder van de viertactmotor, heeft vast en zeker goed gekeken naar de werking van het menselijk lichaam. Uitvinders kijken sowieso heel goed naar hoe planten en dieren in elkaar steken voor ze zelf aan de slag gaan. Maar mijn boude vergelijking raakte kant noch wal. Wie Woutertje Pieterse van Multatuli heeft gelezen, weet dat de mens tot de zoogdieren behoord. In zijn tijd was er nog geen sprake van benzine- of dieselmotoren. Men stond nog met beide benen op de grond. Maar de industriële ontwikkeling ging pijlsnel. Er waren mensen die de auto en de vliegmachine een ziel toedichten en dat laat zien dat het niet veel heeft gescheeld of zij waren als een nieuwe stam opgenomen in het Rijk der Dieren. Misschien beland ergens tussen de gordeldieren en de vliegend honden. Gelukkig is dat nooit gebeurd. Maar aan die kale staketsels van de allereerste voer- en vliegtuigen kon je van wege al die kabels heel duidelijk een spierenstelsel zien. Kijkt men echter verder, dan gaat elke vergelijking mank. ‘Heeft een verbrandingsmotor een milt, een lever en een vatenstelsel?’, zeg ik meester Pennewip van bovengenoemd boek na, en ‘Legt een vliegmachine eieren en heeft het een zelfherstellend vermogen?’ Nee, daaraan ontbreekt het ten enen male. Bij het kleinste breukje valt de motor al stil. Geen beweging meer in te krijgen. Dat is bij de mens in bepaalde gevallen ook zo, maar als men er op tijd bij is, kan men het eeuwige zwijgen soms nog jaren uitstellen. Daarvoor hebben we deskundige dokters, medicijnen en ziekenhuizen nodig. Nog een laatste vraag van meester Pennewip: ‘Kan een machine ook last hebben van allergieën?’ Nee, dat kan het niet, want een machine heeft geen gevoel en kan dus ook niet overgevoelig zijn. Misschien is dat in essentie wel het grootste verschil (behalve dan dat ze ook geen stemrecht heeft). Ik ben nog nooit een Volkswagen-kever met hooikoorts tegengekomen of een intolerante Ford-Mustang. Dat hebben alleen mensen en soms dieren. Ik weet er alles van. Ik ben namelijk heel erg allergisch voor iets, maar weet niet voor wat. Je kunt in principe overal allergisch voor zijn, zei de arts al eens in het ziekenhuis die mij onderzocht. Om die overgevoeligheid enigszins te temperen, schreef mijn huisarts mij jaren geleden fexofenadine voor, maar dat hielp niet voldoende en nu slik ik 3 x daags desloratadine. Dat gaat heel lang goed, maar dan ineens breekt de kwelgeest dwars door de opgebouwde barrière heen en doet mijn mond hevig opzwellen en soms mijn handen. Het is een vervelende zaak. Er de straat mee opgaan kan ik niet. In de tijd dat mondkapjes verplicht waren, was dat nog enigszins te verhullen. Vanmorgen was het in alle hevigheid terug. Na een aantal uren en na inname van deslo (zoals ik het noem) zakte het langzaam af. Ik had vanmiddag een voorlezinkje gepland, maar afgaande op het slechte weer had ik van de week al afgezegd. Wat had ik moeten zeggen als ik nu afbelde, ik heb een dikke mond en kan niet verstaanbaar praten? Dat heb je met machines niet. Ik begrijp ineens iets meer van de liefde die sommige motorfanaten voelen voor hun Chevrolet, hun Harley of hun Norton. Het is natuurlijk een koud soort liefde, soms zelfs een overgevoelige, maar geen allergische.

27.8.21 Een dozijn lezers Van meet af aan, en dat is nu ruim twee jaar, heb ik niet willen weten hoeveel mensen mijn site (of blog) inzien of lezen. Dat klinkt misschien ongeïnteresseerd, maar dat is het niet. Met inzien bedoel ik dat ze een keer hebben gecheckt hoe mijn site eruit ziet en bij al die stukjes hebben gedacht: allemachtig, dit ga ik allemaal niet lezen hoor! en de site voor eeuwig sloten. Kan ik mij wel iets bij voorstellen. Het merendeel van de mensen die ik terloops attendeer op mijn site maakt er geen geheim van dat het hen aan tijd ontbreekt. Ik wil daar niet kribbig over doen. Het lezen voor plezier wordt immers steeds meer gezien als een reen beetje elict uit de vorige eeuwen. Met het lezen van mijn stukjes bedoel ik mensen die dit zo nu en dan ook werkelijk doen en die mij er zelfs weleens op aanspreken. Dat voelt goed. Zelfs al zouden dit de enige lezers zijn, dan zou ik het er nog voor doen. Maar mijn laptopje begon ineens kuren te vertonen en omdat ik er niet meer uitkwam, wendde ik mij tot de plaatselijke computerwerkgroep. De man -laat ik hem Jan noemen- was meer dan een uur bezig de boel weer goed op de rails te krijgen en ondertussen spijkerde hij mij op zacht pedagogische wijze bij. Want dat moet. ’t Is net als in de artsenij. De cyberontwikkelingen gaan supersnel. Zo’n computer bevat zo idioot veel mogelijkheden dat het mij voor mijn ogen duizelde. Jan zoefde met raketsnelheid langs de pagina’s als een volleerde astronaut en in de wirwar van gegevens flitste plotseling een getal voorbij die Jan aanmerkte als het aantal keren dat mijn site was geopend. Dat had ik dus liever niet geweten. Het was desalniettemin een heel mooi getal. Dat wil zeggen; een moderne influencer zal er waarschijnlijk heel hard om lachen. Maar dat is een wereld waar ik mij graag verre van houd. Dit getal bleef gaandeweg door mijn kop suizen en ik vroeg mij steeds meer af of het hier gaat om verschillende mensen of om steeds dezelfde. Dit zou namelijk kunnen betekenen dat het bij een dozijn al op zou kunnen houden. Dat is heel bemoedigend en ik koester dat dozijn als mijn beste vrienden, maar dan is natuurlijk niet veel. Ik zal er niet anders om gaan schrijven en ook zal ik mijn geliefde dozijn niet mailen of ze in hun kring van vrienden en kennissen niet eens een appje kunnen doen rondgaan om mij wat meer lezers te bezorgen. Ik denk hierbij aan het oude systeem van de kettingbrief. Als tien/elfjarige kreeg ik eens een briefkaart van mijn liefste schoolvriendinnetje toegestuurd met het verzoek drie andere vriendjes een kaart met dezelfde opdracht te sturen. Het mirakel zou zijn dat ik dan na verloop van tijd een enorme stapel kaartjes zou krijgen. Dat leek mij prachtig. Ik deed precies wat zij vroeg, per slot van rekening stond er meer dan die overstelpende berg kaarten op het spel en ach, drie briefkaarten kosten evenveel als een Pep. Dat was te doen. We zijn inmiddels zo’n zestig jaar verder en ik heb nog steeds niets ontvangen. Het heeft mijn vertrouwen in de mensheid een aardige knauw gegeven. Nee, dit kon ik mijn lezers toch niet aandoen. Zo zit ik niet in elkaar en dat weet mijn dozijn ook wel! Ik ga er maar van uit dat het een soort combinatie is, een optelsom van kijkers en lezers en daar valt best mee te leven. Jan heeft mij al met al een aardig inkijkje gegeven in de oneindige mogelijkheden van mijn wondermachientje. Het voelt alsof ik eigenaar ben van een 24-delige encyclopedie waarvan ik tot nu toe nog maar één deel heb ingezien en daarvan slechts één lemma tot in de finesse heb doorgenomen. Kortom, er valt nog heel veel te leren. Ik kom nog weleens terug, zei ik, toen ik wegging. Jan knikte goedig. Hij wist het al wel.

26.8.21 Vluchteling ’t Is avond en ik probeerde te lezen. Zo-even ben ik in het licht van mijn zaklantaarntje door de schuur naar buiten gelopen om te zien of de egel er ook was. Onder de oude granieten aanrecht heeft mijn vrouw al jaren een bakje met voer staan voor eventuele nachtbrakers. Ze vult het elke dag en elke ochtend als ik er met Rossi langs loop, is het leeg. Dat spotten moet voorzichtig gebeuren, anders sprint-ie weg. Van de week op een avond was het bakje helemaal overladen met slakken. Die mogen van mij de rambam krijgen. Maar mijn vrouw heeft een groot hart als het dieren betreft, zelfs voor slakken. Nou ja, het zijn geen dure brokken, het kan er wel af. Soms tref ik een kat aan bij het bakje. Het is een parallelle wereld die gretig van onze goedheid gebruik maakt. Want dat ís het, in alle bescheidenheid. Die slakken kunnen ook best elders hun kostje bij elkaar scharrelen en die kat (of katten) horen ’s avonds ergens thuis te zijn, maar wordt kennelijk aan zijn lot overgelaten. Blijft over de egel en daar vat ik grote liefde voor op. Ik scheen met mijn lantaarn onder de aanrecht door, maar zag niets. Het bakje was zo goed als leeg. Wie weet heerst er onder de genoemde dieren wel een soort hiërarchie; eerst de kat(ten), dan de egel, dan de slakken. Ik scheen nog even door de tuin, langs de twee hokjes. Het was er volkomen stil. Een rilling doorvoer me. Ik liep weer naar binnen en deed de deur op slot. Uit de kelderkast pakte ik een blikje bier en schonk het uit in een glas. Daarna zette ik mij in mijn stoel, legde mijn leesplank over de leuningen en sloeg het boek ‘Nieuw Nederlands Hanenboek’ op. Een prachtige verzameling verhalen, gedichten en grafisch werk dat ik onlangs voor 2euro50 bij de Inbreng kocht. Een mens kan soms haast te gelukkig zijn. Ik had eerder op de avond de krant aan de kant gelegd. Even genoeg van alle ellende in de wereld. Even geen schrijnende reportages over vluchtelingen en ontheemden in Afghanistan, Ceuta of Syrië. Maar terwijl ik met mijn lantaarn onder de aanrecht scheen, dacht ik plotseling: Stel dat er nu ineens iemand opduikt? Iemand die ik niet ken. Wat zou ik doen? Had ik misschien daarom zo-even en minder onbewust dan ik dacht met mijn lamp door de tuin geschenen? Dat kan. Soms heb ik mijn hoofd niet helemaal in de hand. Die twee hokjes dienen nergens voor. In de ene stallen we in het najaar onze tuinstoelen, de andere wordt langzamerhand een door klimop overgroeide folly. Die tuinstoelen kan ik ook in de schuur opbergen en de folly afbreken. Er zijn duizenden stakkers die een moord voor zo’n hutje zouden willen doen. De vluchteling die ik in mijn verbeelding zag was dit stadium echter al voorbij. Het was een jongen en hij zocht een onderkomen, dat was duidelijk. Maar ik kon hem geen bed aanbieden, we hebben maar eentje en die is voor onszelf. Mijn vrouw sliep trouwens al. Ze zou een rotschrik krijgen als ze voor haar sanitaire stop (want slapen is een soort van werken) tegen middernacht mij hier zou zien zitten met een wildvreemde jongen. Die jongen had mij inmiddels op mijn kleine globe aangewezen waar hij vandaan kwam. Regio Syrië. Maar het kon evengoed Iran of Saoedi-Arabië zijn, want ik verstond niets van wat hij mompelde. Hij rookte niet, dat scheelde. Hij zou kúnnen roken, maar geen tabak hebben. Terwijl ik de bedeesde vluchteling bemerkte, begon het ineens hard te regenen. Daarom nodigde ik hem uit binnen te komen en liep naar voren. In de keuken griste ik de nogal opzichtige davidsster van de muur en wierp het op de kast. Het was een volkomen idiote impulsieve handeling. Het door velen zo gehate symbool kon bij hem iets onaangenaams losmaken. Zijn vinger gleed over het gebied van Turkije en Libanon. Een gebied waar joden niet geliefd zijn. Ik voelde een soort opluchting. Het is toch wat, zal ik later zeggen, dat ik mij in mijn eigen huis de wet laat voorschrijven door een vreemdeling.

Maar het is allemaal niet gebeurd. Alleen de regen is wel echt. En ik dacht aan al die arme sloebers die op tientallen plekken in de wereld nu, op dit moment, in regen en wind in een tent of zelfs nog minder proberen te overleven en ik geneerde mij zoals ik mij zo vaak geneer voor mijn/onze rijkdom. Rossi was naast me op het kussentje gaan liggen en keek naar me op. Ik nam mijn glas en zei: Als de bodem er nu uitvalt, dan heb jij een kop vol schuim. Hij keek mij aan alsof hij het begreep. Daarna zei ik dat er miljoenen honden over heel de wereld zijn die het duizend keer slechter hebben als hij. Toen zuchtte hij diep en legde zijn koppetje neer. Ik sloeg het boek op en begon een verhaal van Nescio te lezen. Het gaat over een paar zwerfjongens die honderd jaar geleden rond het IJ schuimden. En de regen maakte er hele treurige muziek bij.

25.8.21 Van de wereld Ik was plotseling afgesloten van het net. Onze modem, of hoe zo’n ding ook mag heten, viel zomaar uit. Een mankement die naar ik al meer hoorde eerder regel dan uitzondering is bij de nieuwe aanbieder. In een kwartseconde was alles weg. Geen nood, dacht ik, het zal wel een foutje van de aanbieder of de netbeheerder zijn of een medewerker van het elektriciteitsbedrijf heeft per ongeluk (gebeurt nogal eens) te diep gegraven of wie weet was het deze keer een sympathisant van de complotgroep War against the Word, die het op mij heeft voorzien. Allemaal niet het geval. Het bleek gewoon ons eigen kastje, dat als een cyberbrievenbus onze in- en uitgaande communicatie regelt. Een ding van niks, maar zonder stelt het leven weinig meer voor. Geen televisie, geen internet en geen telefoon. Mijn vrouw deed het transistorradiootje, die ik altijd binnen handbereik houd, aan, maar hoorde niets wat leek op eventuele malheur elders in het land. Wel hoorde ze dat Charlie Watts, de drummer van The Rolling Stones, dood is. De aardigste Stone, want geldwolf Mick Jagger en drank & drugsposeur Keith Richards zijn nooit mijn helden geweest en Bill Wyman heeft in 1993 zijn biezen gepakt en schreef een vernietigend boek over de band. Niet bepaald netjes. Charlie Watts vond ik altijd wel een kekke man. Strak in het pak, haartjes in de plooi, meestal wat lacherig kijkend alsof hij heel toevallig langsliep en het plaatje completeerde. Wars van de strapatsen van de andere Stones hamerde hij er lekker op los. Dood dus. Jammer, maar mooi 80 geworden. Voor een rock&roller een gezegende leeftijd. Drie dagen eerder ging Don Everly hem voor. Broer Phil ging al in 2014. De kranten deden er bescheiden verslag van. Dat had wel wat uitgebreider gemogen, want The Everly Brothers hebben ontzettend veel betekend voor de popmuziek. Artiesten als The Beatles, The Beach Boys, Peter & Gordon, The Searchers, The Bee Gees, Simon & Garfunkel en honderden duo’s en bandjes hebben de kunst van de broers afgekeken. Met Buddy Holly en Chuck Berry betekenden ze voor mij het begin van mijn liefde voor popmuziek. Ik heb The Rolling Stones met Charlie Watts op het verhoogde drumpodium in het midden van de steeds grotere en carnavaleskere podia, een keer of zes gezien. The Everly Brothers slechts één keer. In Groningen, op 12 oktober 1995. Op weg naar de Oosterpoort trof ik een collega die op mijn werk de taak van controleur uitoefende. Een scherpslijper eerste uur, maar ik kon uitstekend met hem. Aan het eind van het concert van ongeveer een uur, liet hij fijntjes weten dat de heren een gulden per minuut van elke bezoeker verdienden en dat elk liedje ons 3gulden50 had gekost. Twee geliefde popmuzikanten in een paar dagen zien verdwijnen is wel even slikken. Niet dat mijn muzieksmaak in de fifties of sixties is blijven hangen. Zeker niet. Mijn muzikale neef uit de stad kwam zondag eventjes langs met een stapeltje cd’s waarvan hij dacht dat ik ze wel leuk zou vinden. Daar heeft hij een goeie neus voor. Deze keer bijvoorbeeld de complete Morphine, Shane MacGowan met de Pogues en de Popes, Gomez en Jolie Hollland. Prachtige aanvullingen. Goed, terug naar nu. We deden net alsof het gemis van de televisie en internet ons niet stoorde. We hebben toch onze boeken, zeiden we menshaftig. Maar de telefoon was een ander verhaal. Want we zijn nogal digibetisch en we wisten dat áls ons iets zou overkomen, we niet precies zouden weten hoe we met dat toverdoosje om moeten gaan en dus belde mijn vrouw ’s avonds nog naar de aanbieder. Na veel heen en weer gesteggel zou er de volgende dag iemand langs komen. Hij zou ons bellen wanneer hij ons kon inplannen. Wij vreesden dat dit een langdurige kwestie zou worden -Gieterveen is voor een Schiedammer immers niet naast de deur- en daarom belde mijn vrouw vanmorgen opnieuw. Ze zette de zaak nu krachtig uiteen; dat het oude kastje niets meer doet en dat we vóór het weekend een goedwerkende modem moeten hebben, want dat ons leven in geval van nood op het spel staat. Dat hielp. Er zou ons, nadat we door een woud van reclame waren geloodst en de steeds herhaalde kreet dat dit gesprek voor studiedoeleinden gebruikt kan worden, alsof wij ons daardoor zouden laten afschrikken of dat er ook maar één aspirant televerkoper iets zou opsteken van ons ruraal gestuntel…. een nieuwe modem worden toegestuurd. Mooi. En daar is het wachten nu op. Vanmiddag heeft mijn vrouw bij PhoneHouse te Stadskanaal haar mobieltje extra opgewaardeerd voor het geval de boel andermaal in de soep loopt. Van de aardige employé leerde ze hoe ze de telefoon moet opnemen. ‘Jij zou eigenlijk ook zo’n ding moeten nemen’, zei ze bij het verlaten van de winkel. ‘Mij veel te ingewikkeld en te duur’, zei ik. Ik kocht een krantje om toch iets van het nieuws van gisteren na te lezen. En zo schrijden wij, getekend door de nodige levensrimpelingen, stilletjes voort.

22.8.21 Een plakkerig verhaal Mijn favoriete theemerk drukt al jaren als een soort gebbetje op het label van elk zakje een vraag af. Het zijn mallotige vragen en ze zijn kennelijk bedoeld om de conversatie een duwtje te geven, want dat wil kennelijk nog weleens vastlopen en boven een kop thee zou men mogelijk tot luchtige beschouwingen kunnen komen. Ik heb mij daar eerder al eens badinerend over uitgelaten, maar nu wil ik het toch iets serieuzer aanpakken. Want we leven in tijden dat we gestimuleerd worden overal op te gaan beknibbelen en dan is het de vraag of dit soort gekkigheid nog wel door de milieubeugel kan. Het is maar een heel klein labeltje en het zal niet veel bomen de kop kosten. Maar toch, alle beetjes helpen.

Een tijdje geleden las ik iets over de stickers die tegenwoordig elk stuk fruit sieren. De schillen van al die appels, bananen, sinasappels, ananassen enz. komen als men grijs en groen bij de bron scheidt op de gemeentelijke composthoop terecht. Maar wat gebeurt er met al die stickers? Meestentijd gaan ze mee met de schil in de groene container en dat betekent een heel miniem stukje milieuvervuiling. De vraag was dan ook waarom de aanvoerder van al dit fruit niet overgaat op stickertjes van papier. Want papier vergaat snel en men zou dan enkel nog kunnen vallen over de gebruikte inkt en dat is zo las ik op natuurlijke wijze te fabriceren. Problem solved, zoals Peter Sellers in de rol van inspecteur Clouseau zou zeggen. Zo simpel ligt het echter niet. Die papieren stickertjes plakken namelijk slechter dan de plastic exemplaren en bovendien als het papier nat wordt vervaagt de tekst. Zegt de fruit producerende branche. De informatie op de sticker betreft meestal alleen het soort fruit en een code die belangrijk is voor de kassière. Vooral bij appels is dat belangrijk, want daar heb je heel veel soorten van. Nu kun je overal een probleem van maken, maar al die plastic stickers van al die fruitjes bij elkaar opgeteld vormen zo’n 125 ton per jaar. En dan heb het toch wel over iets. De winkel zou de appels beter kunnen rangschikken en afzien van stickers, maar houdt al die soorten maar eens uit elkaar en niet elke klant is even eerlijk.

Nee, dan zijn die labeltjes met die Libelle-achtige teksten toch een stuk milieuvriendelijker. Ik lees ze gewoontegetrouw altijd. En altijd zie ik dan iemand voor me die of thuis of op kantoor die vragen zit te bedenken. Zo’n vraag als ‘Welk dier geeft jouw karakter het beste weer?’ Tjee! Hoe komt iemand daarop? Ik zóu het met mijn onafgemaakte opleiding copywriter niet kunnen bedenken. Of de vraag op het labeltje aan het zakje dat nu voor me aan mijn mok bungelt: ‘Bent u bijgelovig?’ Nee, dat ben ik niet. Ik loop onder alle ladders door en heb geen enkele angst voor welke vrijdag de 13de dan ook. Dat gesprek aan tafel bij Bakker Bart of in de koffiecorner van Appie Heijn loopt dus al gauw vast. ‘Waarom niet?’ ‘Nou, omdat ik ook niet gewoon gelovig ben, dus waarom zou ik dan bíjgelovig zijn’. Einde conversatie. Zo zal het gaan, denk ik. Maar misschien zijn het wel een aantal mensen die die teksten bedenken; de theelabelsbedenkclub. Ik zou daar best deel van uit willen maken en het dan willen verheffen tot een soort slimste mens competitie. Zoiets van: Wie bedenkt de beste theelabeltekst van het jaar? Het mag wat mij betreft onbezoldigd. Wel met dien verstande dat de bedenkers levenslang gratis hun thee mogen drinken. Want voor niets gaat alleen de zon op.

19.8.21 Aan de praattafel Plotseling kregen ze het over genderdiversiteit. ‘Hè, wat?’, zei Koen. Geen domme jongen, maar hij sluit zich nogal gauw af voor iets wat niet in zijn straatje past. Vraag hem iets over bijvoorbeeld ‘Hè, wat?’, zei Koen. Geen domme jongen, maar hij sluit zich nogal gauw af voor iets wat niet in zijn straatje past. Vraag Amerikaanse geschiedenis of over muziek en dan met name over zijn eigen bandje Mark Boon & de Poepetonen en hij lult je de oren van de kop. Toos hielp hem uit de droom. ‘Dat is dat reeksje van afwijkende geslachtsoorten, van homo’s tot dragqueens en van lesbo’s tot transgenders’. ‘Oh dat’, zei Koen, ‘en wat is daar mee dan?’ ‘Nou ja, op zich niks, ze doen maar lekker’, zei Bram die het woord min of meer onbedoeld had laten vallen. ‘Wat ik zo vreemd vind is dat al die varianten allemaal iets vrouwelijks hebben. Of je nou een homo neemt of een bi of een queer, er zit totaal geen man meer in, terwijl ze toch in de grond van de zaak man zíjn’, zei Bram. Mandy schoof onrustig op haar stoel. Wip je even aan bij je kluppie, en dan krijg je dit soort gesprekken. Daar zat ze niet op te wachten. ‘Ja, jíj bent een man!’, zei ze tegen Bram. ‘Wat ben jij nou meer dan een doorsnee man. Ik keek laatst naar een praatprogramma en daar hadden ze het ook over dat de échte man helemaal niet meer bestaat, dat-tie uit beeld is verdwenen. ’t Zijn allemaal watjes aan het worden, zeiden ze, en waar is de échte man gebleven? Alsof dat er toe doet?’ ‘Nou, dat doet er zeker toe. Maar het moet natuurlijk niet via genetische manipulatie, met rare ingrepen. Dan krijg je van die Brazil Boys-achtige toestanden. Maar d’ er mag wel eens iets aan gebeuren, vind ik’, zei Bram en keek daarbij naar Koen voor wat steun, maar die zweeg. ‘Ik kan me heel goed indenken dat wanneer je je een échte man voelt en die zijn er heus wel, dat je je buitengesloten voelt wanneer je dat lijstje ziet. Ik bedoel, hetero is toch ook een bestaand geslachtstype en waarom staat die er dus niet bij?’ ‘Hou toch op. Wat een flauwekul allemaal’, mopperde Koen. ‘Wat wil je dan, dat er voor de hetero een H-tje bij komt in dat toch al wonderlijke rijtje? Maar dan kom je in de war met de H van homo en dat wil je ook niet’. ‘Nou nee, maar nu voel ik mij ook niet erkend. Je zou aan beide uiteinden van die kleurenregenboog, van dat spectrum zeg maar, de hetero’s kunnen plakken, zodat alles wat er aan afwijkingen -ja, ik blijf het toch afwijkingen vinden-…’. ‘Protest!’, zei Mandy, ‘die mensen kunnen ‘d er ook niks aan doen dat ze zo zijn. Ik bedoel dat ze zijn zoals ze zijn. Dat is nu eenmaal aangeboren. Ik vind het allemaal prima…’. ‘Oké, oké, ik neem dat woord terug, maar dat die mensen dus als het ware ingesloten worden, en vat dat niet verkeerd op, eh door de échte mannen en de échte vrouwen. Want die heb je ook: échte vrouwen’. ‘Oh god wat ben je genereus’, sneerde Mandy. ‘Hoor je dat Toos, wij échte vrouwen worden ook benoemd, halleluja!’. ‘En wat is in jouw visie dan wel een échte man en een échte vrouw?’, zei Toos grimmig. ‘Ja, hoe moet ik dat zeggen. Nou gewoon, mannetje-vrouwtje, huisje boompje beestje, gezinnetje, autootje voor de deur, geen gekkigheid, op die manier’. Mandy stiet een bulderlach uit. ‘Tjonge, wat ben jij ouderwets zeg. Nou, dat idee van mannetje-vrouwtje, daar ben jij dan tot op heden nog niet echt in geslaagd, als ik zo vrij mag zijn’, zei ze. ‘En had je ook nog een idee hoe je dat dan moet benoemen?’ zei Toos. ‘Jawel. Ik denk dat ze Ultra’s moeten worden genoemd en dan maakt het niet uit of ze U1 voor mannen en U2 voor vrouwen noemt, of andersom….’. ‘Daar zal Bono blij mee zijn’, schaterlachte Koen. ‘Ik vind het he-le-maal niks’, zei Mandy fel. ‘Een échte vent kan mij gestolen worden. Heb je die reclame weleens gezien van dat onderbroekenmerk, ik weet even niet hoe het heet, maar dat voorpand bulkt een partij uit zeg… Alsof er goddomme het geslacht van een volbloed Friese stamboekhengst achter dat katoentje verscholen zit. Jezusmina! En dat zou in jouw optiek dan een onderdeel zijn van jouw beeld van de échte man? Lazer op zeg!’ Bram keek verstoord voor zich uit. ‘En je krijgt nog meer geslachtstypen hè’, zei Koen, ‘want ik las onlangs dat bijvoorbeeld een groepering die aan hekserij doet, zich tot geen enkele van de bestaande geslachtelijke groeperingen aangetrokken voelt. Die mensen zeggen dat ze enkel een relatie met de natuur hebben en als zodanig ook voortgeplant worden door par-the-no-ge-ne-se. Dat is een soort van voortplanting zonder gemeenschap. Die gaan onder een bepaald gesternte spiernaakt met de beentjes wijd in het bos liggen te wachten op een rukwindje. Onder het mom witch is witch. Dat is toch te zot voor woorden. Het komt nog een keer zo ver dat we beoordeeld gaan worden op onze geaardheid’. ‘Maar dat is toch allang zo’, zei Mandy. ‘Ja-nee, maar ik bedoel dat er op je id-kaart precies komt te staan hoeveel vrouwelijke en hoeveel mannelijke hormonen je lichaam bevat en onder welke letters van de geslachtelijke regenboog dat valt. Je krijgt dan zoiets als eh… U40-H10-Q13. Surprice, surprice, u bent voor 80% hetero, voor 15% non-binair en voor 5% lesbo, zoiets. Met zo’n wiskundige formule durf ik de grens van een land als Saudi-Arabië niet meer over. Ze zien me al aankomen’. ‘Alsof jij daar met jou punkbandje überhaupt welkom zou zijn’, kraaide Mandy. Bram en Toos schoten in de lach. Toen de rust weer een beetje was hersteld, zei Toos: ‘Zullen we effe naar VI kijken. Es zien wat die Derksen en Gijp te melden hebben. Dat is altijd lachen met die mannen’. ‘Maar eh, je wil toch niet zeggen dat dit het soort mannen is waar Bram op doelt hè, Toos?’, zei Mandy. Toos schudhoofde heftig met een ‘Oooohh god nee!!’. ‘Maar het blijft wel een dingetje’, sputterde Bram nog wat na. Toen kwam die grote snor al in beeld en namen ze allen een slok van hun biertje en zakten onderuit.

18.8.21 Kwestie van herinneren Ik hoor regelmatig mensen zeggen dat het leven voorbij schiet. Sommigen halen er zelfs een raket bij om aan te geven dat ik het woord schieten serieus moet nemen. Het is natuurlijk metaforisch bedoeld en tot cliché verworden en het feit dat het mij opvalt komt doordat ik nog bijna uitsluitend omgang heb met mensen van mijn leeftijd en dat komt dan weer doordat wij zelf geen kinderen hebben en bijgevolg geen kleinkinderen die ons het snelle verstrijken van de tijd insmeren. Misschien hierdoor heb ik minder het gevoel dat de tijd voorbij schiet. Natuurlijk zeg ik het ook weleens en dus ben ik eigenlijk geen haar beter. Het is ook niet zo vreemd dat je als oudere het gevoel hebt steeds minder vat op de tijd te hebben, want je hebt gewoon niet zo veel meer. Een kind heeft nog niet het besef van de eindigheid van haar bestaan. Het zou wat zijn als een kind al tegen de ouders zou zeggen dat zij er over pak-em beet tachtig jaar niet meer is. Zulke ouders zouden aardig in paniek kunnen raken. Omdat ik tijdens het schrijven regelmatig terugkijk en misschien daardoor makkelijk toegang krijg tot het verleden, waardoor er ook steeds brokjes herinnering als het ware worden meegezogen, is het net alsof de tijdsduur van mijn vroegste kindertijd tot nu steeds verder uitrekt. Soms werp ik bij de thee ter vermaak een stukje uit mijn oude doos ter tafel en dan merk ik de verbazing. ‘Dat jij dat allemaal nog wéét!’, hoor ik bij herhaling. Ik zou natuurlijk kunnen zeggen: ‘Het verbaast mij dat jij daar níets meer van weet’. Misschien is het bewust oproepen van herinneringen door oefeningen een beetje aan te leren. Het geheugen is weliswaar geen spier, maar je kunt het wel trainen. Ik heb daar middels een korte studie enig inzicht in gekregen. Het gaat niet met hypnose of iets van een tijdmachine, dat is allemaal veel te ingewikkeld, nee het komt puur aan op zelfwerkzaamheid. Men neemt hiervoor een voorwerp dat men al heel lang in bezit heeft en gaat in gedachten terug van wie men dit voorwerp heeft gekregen en daar bouwt men op voort. Mijn oudste voorwerp is -hoe kan het bijna anders- een boekje, getiteld op de boerderij dat ik van mijn tante Geertje voor mijn zesde verjaardag kreeg. Dat moet dus geweest zijn in 1957. Ik heb mij op aanraden van mijn leraar sterk geconcentreerd op het boekje, rook er langdurig aan en bestudeerde nauwgezet de krabbels die ik er als kind in heb gemaakt. Ik hoef niemand te vertellen dat de wereld er in 1957 totaal anders uitzag dan nu. Auto’s waren in onze omgeving een bijzonderheid, ons huis werd nog met turf en kolen verwarmd en verder dan een staartklok ging onze luxe niet. In die omgeving droomde ik als zesjarige weg van de avonturen die ik de dieren uit dat boekje liet beleven en waar ik natuurlijk zelf een belangrijk onderdeel van was. Door die geheugentraining ben ik daar heel ver in gekomen. Zover zelfs dat ik er enigszins geschrokken mee ben gestopt. Het geval was namelijk dat ik in tijden uitkwam waarvan ik met zekerheid wist dat ik toen als mens nog niet eens bestond. Ik zag mij bijvoorbeeld opduiken in films van het type die ik kende van Stan Laurel en Oliver Hardy als de Dikke & de Dunne en Charlie Chaplin. Ik kon mijn ogen niet geloven, maar ik was het wel degelijk. Ik had toen ook al die onmiskenbaar verbaasde blik, die ik tot op de dag van vandaag heb en ook koester. Want ik ben niet snel te overtuigen, vandaar dat geloof en bijgeloof weinig vat op me krijgen. Maar de herinneringen gingen nog verder terug en lieten mij meerijden op een stoomtrein en daarna bewoog ik mij voort op een paard om een in de verte naderende groep ridders te begroeten. Ik zag mijzelf gelukkig niet vechten. Dat zou ook weinig indruk hebben gemaakt, want ik heb in heel mijn hele leven zelden gevochten. En toen die groep ridders omkeerde en huiswaarts toog, toen zag ik mij bij een groot vuur omringd door heel veel mensen praten. Jammer dat ik niet kon horen wát ik zei, want dat is het vervelende; de herinneringen waren geluidloos. Van die stukjes film kon ik mij dat wel voorstellen. De Dikke & de Dunne en Charlie Chaplin waren in hun begintijd ook stom. Maar dat geluid van die trein en die paarden, dat had ik toch wel graag gehoord. Geluiden die niet teruggekaatst werden door hoge fabrieksgebouwen en torenflats. En mijn herinneringen dreigden nog verder terug te gaan als ik niet op dat moment had ingegrepen. ‘Ik wil niet verder!’, riep in lichte paniek tegen mijn leraar. Het zweet gutste over mijn voorhoofd. ‘Hoe ver was je al?’ zei hij. ‘Ik verbeeldde mij omringd te zijn door een groep wilden en ik vertelde een verhaal bij een groot vuur’. ‘Maar wat is daar mis mee? Als je niet had ingegrepen, was je waarschijnlijk bij de hunebedbouwers terechtgekomen. Je zou de eerste zijn die hier lijfelijk verslag van had kunnen doen. Jij zou de moderne wetenschap een academisch poepje hebben kunnen laten ruiken, maar nu is het sprookje uit. Oh-oh wat jammer, jammer, jammer!’ riep de man vertwijfeld. Ik zag mijn flater nu ook in. Teruggaan kon ik niet. Dan moest ik het hele traject opnieuw doorlopen en verbeeld je dat die ridders nu ineens een stuk minder mild met mij om zouden springen of dat ik de pokken of de pest zou krijgen. Nee, ik vond dat ik er nog genadig vanaf was gekomen. En die hunebedbouwers konden me wat…! ‘Laat ze daar in Borger maar de rambam krijgen’, zei ik luid en liep gramstorig naar buiten. Ik had ineens enorm veel zin in een sigaret. Wonderlijk, want ik rook al meer dan dertig jaar niet meer. Kennelijk is er een stukje herinnering dwars gaan liggen, schoot het door mijn hoofd. Of een klierig stukje tijd dat maar niet voorbij wil gaan. In ieder geval voelde het eventjes alsof het gisteren was. Dat ik in een seconde heen en weer was gevlogen en dat geheugen en tijdsbesef tot een warboel door elkaar werden gehusseld en dat we als het spaak loopt soms verzachtend slijtage noemen.

17.8.21 Dikke pillen Ik heb lang getwijfeld, maar ik ga het nu toch doen. Het moet wel. Als ik het niet doe, dan blijft het liggen en dan kan ik het beter een keertje ergens in Het Hogeland in een boekenkastje voor wat handzamere boekjes ruilen. Punt is dat ik het dan nóóit zal lezen en dat begroot me ook weer. Waar gaat het om? Op 19 januari 2015 kocht ik bij de Inbreng te Veendam voor de prijs van 1euro50 de paperbackeditie van In Europa van Geert Mak. Ik ben een Mak-lezer, heb bijna al zijn boeken gelezen, maar sloeg In Europa vanwege de dikte over. Ik ben namelijk geen dikke pillen-lezer. Dit wordt mij teveel, dacht ik, toen ik het in de winkel zag. Totdat ik de baksteen zes jaar geleden in een uitverkoopbak zag liggen en het uit een soort van redzucht meenam. Zover ben ik er mee gekomen. Nu zal ik de enige niet zijn die bij de aanschaf van zaken te weinig rekening houdt met tijd en ruimte. Tijd om die dikke pil te lezen (1166 pagina’s) + ruimte om het op te slaan. Daarbij gevoegd het gewicht van het ding. Ik kom regelmatig (bijna altijd vrouwen!) tegen die zonder blikken of blozen zeggen dat hun geen boek te dik is. Ze roetsjen in no time door turven van duizend pagina’s heen. Zeggen ze. Alsof het om Jip & Janneke’s gaat. Het kan bluf zijn. Dat ze zich tegen mij als man willen afzetten en er een schepje bovenop doen. Soms waag ik mij aan een pil, maar ver kom ik meestal niet. Van de week begon ik aan Louisiana van Maurice Denuzière. De flaptekst maakte mij nieuwsgierig. Het speelt zich af aan de oevers van de Mississippi. Ik moest erbij aan Mark Twain denken. Kan leuk zijn, dacht ik. Maar de eerste alinea bevatte meteen al een storende fout. Het verhaal speelt in 1830 en de cavalier draagt een panamahoed. Niets mis mee, zou je zeggen. Maar toevallig vorige week las ik een artikel over de geschiedenis van de panamahoed. De naam ervan kreeg de hoed pas zo rond 1880, ten tijde van de aanleg van het Panamakanaal. Voordien heette het geen panamahoed en dus heeft de schrijver van dat boek zijn voorwerk slecht gedaan. Ik probeerde verder te lezen, maar die hoed kwam als een vervelende boemerang steeds terug. Na twee bladzijden was ik het zat. Dat scheelt weer 628 bladzijden, zei ik tegen mezelf en kwakte het in de doos ‘wegdoenboeken’. Ja, ik ben streng in die dingen. Het verlokkelijke van gratis of bijna gratis artikelen is dat je je er geen buil aan valt. Ben je er zat van of kleurt het niet bij een nieuw verfje, dan doe je het gewoon weg. Met boeken en vooral langspeelplaten ligt dat anders. Die worden door liefhebbers verzamelt en daarmee behangen zij hun kamer- en zolderwanden. Of ze allemaal worden ‘geconsumeerd’ is niet van belang, maar hij of zij wil gewoon álles van een bepaalde schrijver of een muziekartiest hebben. Het liefst alle drukken. Sommige zijn niet eens bedoeld om te gebruiken. Niet losgesneden eerste drukken van bepaalde boeken zijn zelfs kostbaarder dan open gesneden en dus gebruikte. Hetzelfde geldt voor unieke platen. De soms duizenden euro’s kostende misdruk van een langspeelplaat wordt natuurlijk niet gedraaid. Daarvoor gebruikt hij of zij een goedkoop cd-tje. Zo gaat dat. Zo’n fanaticus ben ik niet. Maar die pil van Geert Mak wil ik toch wel eens lezen. Het boek bestaat uit 12 hoofdstukken. Het beschrijft Europa van 1900 tot 2000. Zoals het er nu ligt, blijft het erbij en daarom overweeg ik het boek in 12 partjes te separeren. Ik heb dit nooit eerder gedaan, niet eens overwogen. Maar dit is de enige mogelijkheid. Het boek is ook ooit uitgegeven in een mooie gebonden 2-delige editie. Waarom zoek ik dat niet? Het is een zwaar wegend dilemma. Het zit niet in mijn vermogen om boeken kapot te maken. Ik meen dat het Frits Bolkenstein was die ooit vertelde dat hij elke pagina die hij gelezen had uit het boek scheurde en weggooide. Dat kan ook een geval van bluf zijn. Toen ik dat hoorde dacht ik meteen aan boekenverbrandingen door de nazi’s en Beatles-platenverbrandingen in Amerika nadat John Lennon een voor de evangelisten moeilijk te verteren vergelijking had gemaakt met Jezus-Christus. Dan ben je idioot bezig. Verbranden is onomkeerbaar. Dan konden die fab-boys nog zo hard Help!! schreeuwen, het hielp ze geen bliksem. Met het van elkaar scheiden van de 12 hoofdstukken zou ik 12 behapbare boekjes krijgen, die ik zonder veel moeite tot me nemen kan. Het boek ziet er ook behoorlijk beduimeld uit. De rug is hol en het voorblad is lelijk. Voor de sier is het een waardeloos vod. Dus ja…, wat verpest ik er aan? Bij de Inbreng was het al afgeschreven. 1euro50! Dat is toch eigenlijk schandalig. Een volgende ronde haalt het niet. Doe het dan…, zegt het duiveltje in het verste hoekje van mijn geweten. Het stanleymesje ligt voor het grijpen. Ik blader er nog eens doorheen. Zonde. Dat wel. Een vorm van cultuurvandalisme of erger nog: barbarisme! Maar wát als het bij de Inbreng in de afvalbak was blijven liggen en er na een half jaar nog steeds geen liefhebber was? Of de eigenaar van een biebje die niet weet wat hij of zij met die turf aan moet? Wat dan? Het is maar papier hoor, teemt het duiveltje. Ouwe kranten en tijdschriften gooi je toch ook gewoon weg? Nou dan! Jawel, maar een boek is toch anders. Echt! Het boek ligt onschuldig naast me. Misschien is er nog een mogelijkheid te bedenken om het op een standaardje zodanig neer te leggen dat het te hanteren is. Ik hoor het duiveltje knarsetanden. Misschien moet ik Geert Mak eens voorstellen niet meer zulke dikke pillen te schrijven. Dit valt voor een gewone jongen bijna niet te behappen. Ik ga er toch nog maar eens een nachtje over slapen. Er is per slot van rekening geen haast bij.

14.8.21 Vreemd geluid Bij ieder mens zit wel een steekje los, is mijn overtuiging. Bij de een wat meer dan bij de ander, maar niemand is perfect. Want wat is perfectie? Is daar een sluitende definitie voor? Dictatoren kennen zichzelf bijna altijd buitengewone kwaliteiten toe die ze nog eens bekrachtigen door zichzelf allerlei eretekens en onderscheidingen op te spelden, waarvan ieder kind weet dat het pure kokeleko is. Zolang het volk er niet onder lijdt en we met elkaar de praalhans kunnen beschimpen en uitlachen, is er niets aan de hand, maar meestal valt met deze machtswellustelingen niet te spotten. Helaas! Gelukkig bestaat niet de hele wereld uit dit soort gedrochten. Maar laat ik dichtbij huis blijven. Ik heb niet de drang mij te willen onderscheiden. Dat ontbreekt er ten enenmale aan. Misschien is dat wel een van mijn plezierigste imperfecties. Een minder plezierige is dat ik erg geïrriteerd kan raken door bepaalde geluiden. Lange tijd haalde ik bijvoorbeeld ’s avonds als ik ging lezen de batterij uit de klok. Mijn gehoor was toen zeker nog veel beter óf ik ben er overheen gegroeid. Heel lang kan het goed gaan en dan ineens is er een storend geluidje. Het kan me danig dwars gaan zitten en me uit balans brengen. Vanmorgen was dat weer eens het geval. Ik zat amper in mijn buitenleeshoek of het was er. Een soort klingelen. Ik had het al eens eerder gehoord, maar nu was het ineens zo sterk dat het mijn hoofd helemaal in beslag nam. Misschien kwam het doordat er meer wind stond. Westenwind. Dit is van belang om te weten. Omdat ik dacht dat het geluid mogelijk uit de tuin van de overburen zou kunnen komen. Dat is minstens honderd meter verderop, maar het geluid van bijvoorbeeld een windgong kan heel ver dragen. Van lezen kwam op slag niets meer. Ik stond lichtelijk geagiteerd op en wandelde de tuin in. Dat is een van de nadelen van deze afwijking; het moeten willen weten waar het geluid vandaan komt. Ik liep naar de westerse hoek en bleef daar enige tijd doodstil staan. Al ik hoorde; geen tingelend geluid. Daarna liep ik heel de tuin door. Mijn vrouw heeft door de jaren heen allerlei frusseltjes aan de takken van de appelboompjes gehangen en dat zou zomaar de oorzaak van dat geluid kunnen zijn. Maar ik vond niets. Ik liep terug naar de tafel onder de luifel van onze veranda en nam weer plaats. Amper gezeten of daar was dat tingelgeluid weer. Het klonk het ene moment alsof er iemand ergens heel ver weg op een aambeeld sloeg en het volgende moment klonk het als blik op blik. Andermaal stond ik op en begaf me naar ons voorhuis om misschien hier iets van het geluid op te vangen. Maar ook hier hoorde ik niets. Ik liep nu langzaam en heel geconcentreerd luisterend terug naar mijn leestafel. Pas hier hoorde ik het. Heel zacht, maar het wás er. Het moest hier vandaan komen. Dat kon niet anders. Ik liep nu langs alle tierelantijntjes, maar niets bewoog en kon dus dat tingelgeluid niet voortbrengen. Het was om gek van te worden! Het enige wat nog overbleef was een oud fietswiel, dat tegen een van de staanders van de veranda stond en waar mijn vrouw met draadjes aan de spaken een aantal voorwerpen in had gemonteerd. Ik ging op mijn knieën voor het wiel liggen en wachtte net zolang tot ik iets hoorde. En toen, ja toen hoorde ik plotseling een heel zacht klingeltje. Het kwam doordat het van pyriet in elkaar gevlochten hartje tegen de spaak waaraan het was bevestigd tikte. Het was bijna niet zichtbaar en ook nauwelijks hoorbaar. Mogelijk kwam het geluid precies op de plek waar ik zat te lezen het beste tot zijn recht. In ieder geval precies hard genoeg om er tureluurs van te worden. Mijn vrouw stond in de achterkamer en zag mij raar ineengekrompen op de grindtegels en tikte tegen het raam. Ze dacht, zei ze later toen ze was uitgelachen, dat ik niet goed was geworden. Ik keek naar haar op als iemand die in de roes verkeert van een zeer belangrijke ontdekking en wiens hart van gelukzaligheid een sprongetje maakte en nu weer tot bezinning komt. Goed voorbeeld van een steekje los.

11.8.21 Erop of eronder De berichtgeving over het intergouvernementele klimaatonderzoeksrapport van enkele dagen geleden is alweer van de voorpagina van de krant verdwenen. Alleen een handvol briefschrijvers blaast nog wat na, daarna dooft het vuur. Alsof de media zeggen willen: wij hebben ons best gedaan, nu zijn jullie aan zet. Maar zal de burger er naar handelen? Ik betwijfel het sterk. Er zullen weinig mensen zijn die bijvoorbeeld vanuit milieuoogpunt niet meer onnodig gaan reizen en dus vlieg-, boot- of autovakantie laten voor wat het is. Dat is een verworvenheid die niet in te tomen is. En toch zal het als men het rapport leest wel moeten. We hebben te lang door gefeest, te lang roofbouw gepleegd, te lang van de aardse bodemschatten gesnoept en hebben niet geluisterd naar de Club van Rome in 1972 en alles wat hier aan waarschuwingen op milieugebied na kwam en daardoor is er een gigantische scheefgroei ontstaan. Puissante rijkdom tegenover schrijnende armoede, vergiftiging van water, lucht en bodem en verspilling van voedsel. Ja maar, zegt de scepticus, die zure regen van de jaren tachtig ging ook over en dus zullen de geleerden voor de opwarming van de aarde ook wel weer iets vinden. Dat is vooruit schuiven van het probleem. De sky is heel lang de limit geweest, maar nu komt de hemel toch aardig in zicht. Wat kunnen we daar aan doen? Veel, zeggen de wetenschappers die het rapport hebben opgesteld. Om te beginnen moeten we leren zuiniger met onze materialen om te springen en zorgen dat we het kunnen hergebruiken. Verder moeten we af van vervuilende energiebronnen zoals steenkool, bruinkool en olie. Dat is een lastig punt, want alles draait tegenwoordig op energie en probeer dat maar eens terug te stoppen. Gas en hout zijn eindigend. Nu al zijn de longen van de aarde door ongebreidelde kap aan het afsterven. Zonder energie, in welke vorm ook, staat alles stil en vervalt ons leven tot dat van een middeleeuwer. Natuurlijk zijn er veel nieuwe initiatieven, zoals zonne- , kern- en windenergie, waterstof en aardwarmte, maar het verzet ertegen is groot. Regeringen wijzen naar elkaar als het om vervuiling en verwoesting gaat en vervolgens geven burgers elkaar de schuld. Zo wordt het nooit wat. Er zullen strenge wetten moeten komen die het tij keren.

Zo zat ik boven mijn krantje te prakkedenken. Wat zou ik bijvoorbeeld zelf kunnen bijdragen om mijn voetafdruk te verkleinen? Kan mijn zaterdagse ritje met Rossi naar de oude stuw of naar De Bulten nog wel? Moet ik de kranten maar links laten liggen en geen nieuws meer volgen, want zowel het één (kranten) als het ander (internet, televisie) kost energie, aangeleverd door op gas, olie, houtpellets of kolen gestookte centrales. En al die materialen moeten weer worden aangevoerd door stalen pijpleidingen of met schepen, treinen of vrachtwagens en die gebruiken ook weer bakken energie. We hebben een nee-nee-sticker op de brievenbus, die nutteloze papierberg sparen we uit. Om de tuin in tijden van droogte te voeden, gebruiken we alleen regenwater. Houtstook komt bij ons niet voor en we proberen zo weinig mogelijk voedsel en andere spullen in plastic verpakkingen te kopen. Glas gaat in de bak, evenals gft. Het zijn zomaar wat kleine dingetjes. Maar ja, mag ik terwijl ik dit stukje in gedachten schrijf wel een cd’tje draaien? Ook dat kost immers energie. Ik houd mezelf voor dat de verstilde pianoklanken van Eric Satie minder energie kosten dan de bombast van Bruce Springsteen. Lariekoek natuurlijk! Onderdeel van het grote leugenspel. Kopen via internet doen we in principe al niet en de cryptomunt komt er bij ons al helemaal niet in. Bij kilheid trek ik een trui en extra sokken aan, maar mag ik als ik het echt koud krijg, de thermostaat wel opdraaien of een warm doucheje nemen? Een elektrische fiets hoef ik niet en ons autootje kan in feite nog jaren mee. Want onze plezierritjes door het Hogeland en Westerwolde laten we niet makkelijk vallen. Moet ik desondanks gaan afwegen waar ik/wij nog wel heen kunnen of zeggen we ‘Nee, dit kan onze voetafdruk er beslist niet meer bij hebben’? Allemaal vragen die ik me bijna dagelijks stel en waar ik heel eenvoudig op zou kunnen antwoorden als die het leven even plezierig zouden houden. Maar zoals gesteld dóen wij ook al het een en ander. Jaja, een veel gehoord excuus. Mijn vrouw koopt indien nodig meestal tweedehands kleding. Ik ruil boeken in kastjes of koop ze bij de inbreng. Wij vliegen niet en kennen cruiseschepen slechts van plaatjes. We komen de landsgrens zelden over. Onze territoir beslaat het gebied tussen De Reest en De Dollard, Bourtange en Vollenhove. We leven volgens sommige familiegenoten zo ouderwets dat een neefje al eens opmerkte dat we nog in de stenen tijdperk leven. Voor weer anderen zijn we ogenschijnlijke vrekken, enkel en alleen omdat we niet beantwoorden aan het beeld wat de maatschappij van de moderne mens verlangt. We laten het Oostindisch doof over ons heen komen. Per slot van rekening tik ik zo dadelijk deze gedachten op een laptop en stuur ze de wereld in, hoewel ik weet dat big tech ook een van de grootste vervuilers is. Of het ergens in de wijde wereld iemand zal treffen, weet ik niet. Ik hoop het stilletjes wel. En dat die iemand zich er iets van aantrekt en het verder zal rondbazuinen. Óf dat hij of zij wanhopig roept: ‘Oh oh, wat een pluimstrijkerij, wat een zelfgenoegzaam gebazel!’ Dat is evengoed mogelijk. Maar het is erop of eronder en dan is elk middel -behalve oplichterij en geweld- geoorloofd.

10.8.21 Generatiesprong Soms kan een woord je mal op het verkeerde been zetten. Dat had ik vanmorgen. Ik las in de krant het woord ‘generatiesprong’ en dacht hierbij automatisch aan de overgang die een mens maakt wanneer zij of hij voor het eerst ouder wordt. Het moment wanneer dit gebeurt, dus wanneer het kind waarvan men genetisch de moeder of de vader is ter wereld komt, zou je een soort overgang kunnen noemen van de ene generatie naar de volgende en daar koppelde ik het woord generatiesprong aan. Maar op internet zag ik dat het iets met erfenissen te maken heeft. Helemaal fout gedacht dus. Ik heb het ouderschap zelf niet beleefd en zal dat ook niet meer meemaken. In mijn jonge jaren heb ik weleens vrees gehad dat het er op aan zou komen, maar nee, het liep met een sisser af. Een leven kan er finaal door in het honderd lopen. Evenzogoed niet. Want ik heb jongens gekend die op hun achttiende moesten trouwen, dat hoorde nog zo, en die toch goed terechtkwamen. Wat als ik nu wél -gewenst of ongewenst- om het plat te zeggen, raak geschoten had? Daar kan ik onmogelijk iets over zeggen. Tot ongeveer mijn vijfendertigste heb ik menig vriendin gehad en het zou bij één van hen best tot een kind hebben kunnen leiden. Dat kind zou inmiddels ook al weer de leeftijd hebben voor de stichting van een volgende generatie en zo zou ik in die orde dus opa zijn. Dat is een nogal gratuite constatering, een soort losse flodder, maar toch. Ik denk er weleens aan als ik hier of daar een man met een kleinkind tegenkom. Of ik het dan mis? Nee. Dat kan ik rustig stellen. Want hoewel een opa niet meer de directe zorg heeft over een kleinkind, heeft hij wel de zorg gehad over het kind waar dit kind uit voortgekomen is en dat gaat lang niet altijd over rozen. Hoeveel kinderen zie ik niet ontsporen, hoeveel niet door ziekte lijden, hoeveel ouders zijn totaal niet opgewassen voor het ouderschap en hoeveel gezinnen vallen niet uiteen? Dat had mij ook kunnen gebeuren. Die vrees heb ik nooit gehad. Je zou het slap kunnen noemen, het vermijden van de zogenaamde plicht je voort te planten. Ik vind van niet. Een examen opvoedkunde voor het stichten van een gezin is er niet. Dat zou niet verkeerd zijn. Voor het kleinste maatschappelijke dingetje wordt men geacht de benodigde diploma of papiertje te halen, maar het voor het verwekken van een kind vraagt niemand iets. En daaraan dacht ik nu bij het woord generatiesprong. Niet aan fiscale bokkensprongen, het overmaken van geld tussen grootouders en kleinkinderen. Iets wat mij totaal niet aangaat en dus niet aan mij is besteed.

9.8.21 Het menselijk landschap Ik ben mij er niet van bewust, want ik kijk alleen als het echt nodig is in de spiegel en daar kan weken geen reden voor zijn, maar mijn vrouw zei vanmorgen met lichte bezorgdheid, dat ik de laatste tijd nogal pips zie. Vrouwen zien dat soort dingen, vermoed ik, veel eerder dan mannen. Bovendien drukken mannen zich langer als het met hen niet goed gaat. Uit angst dat ze naar de huisarts en vervolgens misschien naar het ziekenhuis moeten. Ik zal niet zeggen dat ik mannen die omslachtig kond doen van hun lichamelijke mankementen veracht, maar ik stel me wel enigszins gereserveerd op. Dat heb ik als kind al meegekregen. Mijn vader had hypochondrische trekken en wist daar berekenend mee om te gaan. Daardoor heb ik geleerd sporadisch met lichamelijke klachten te koop te lopen. Ook door de jaren heen heb ik met menig hypochonder gewerkt en dat maakte me wantrouwend. Matig je geklaag, had ik vaak willen zeggen. Zo simpel ligt het echter niet. Het menselijk lichaam is heel in de verte vergelijkbaar met een machine: bij misbruik of langdurige stilstand zullen er gebreken optreden. Machines hebben echter het voordeel dat wij ze geen psyche toekennen, al waren er in het verleden weleens wetenschappers die locomotieven en automobielen wel degelijk voorzagen van een mystieke kern. Die goddelijke bougievonk moest toch ergens vandaan komen? Misschien is dat ook de reden dat alles wat beweegt een naam moest hebben en in feite is dat nog steeds zo. Men kan tegenwoordig het geluk (of het ongeluk) hebben met een treinstel genaamd de Herman Brood of de Anton Geesink te worden vervoerd. Dat voelt vertrouwd. Het ontbreekt er nog maar net aan met welke sprinter men wil reizen, tenzij het niet uitmaakt op welk perron men eindigt. Het voordeel van een machine is ook dat het tot in lengte van dagen kan worden opgelapt. Zo nu en dan komt er een karavaan motoren uit het jaar nul voorbij. Ik mag dat graag zien. De oudsten zijn ouder dan een mens tot nu toe kan worden. Het is de hoogste vorm van nostalgie. Bij mensen ligt dat anders. Wij hebben een soort van houdbaarheidsdatum, met dien verstande dat iedereen een geheel eigen einde krijgt. Er bestaat wat dat betreft in de natuur geen consensus. Het wikken en wegen is een taak van medici én hoever de wetenschap is met het oplossen van lichamelijke problemen. In sommige landen speelt dan nog de waarde van een mensenleven mee en in weer andere landen het totale gebrek aan medische zorg. Maar hoe we ook oplappen en koesteren, op zeker moment is zelfs het sterkste lichaam af. Dat kan ook door een genetische fout of door een ondermijnende kankersoort. Het is beiden even erg. Nu gebruik ik al jaren de term ‘Het menselijk landschap’. Ik weet niet eens uit welk boek ik het ooit heb opgepikt (mogelijk uit Honderd jaar na Darwin van Stephen Jay Gould, een tijdlang mijn leerboek), uit welk interview (mogelijk uit de prachtige vierluik Nauwgezet en wanhopig van Wim Kayzer), uit een film of een documentaire of misschien ontsproot het op een maandagmorgen gewoon uit mijn eigen hoofd. Ik weet het niet meer. Hoe het ook zij; ineens had ik dat beeld voor ogen hoe wij als mensen in dat grote bos mannetje aan mannetje, vrouwtje aan vrouwtje onze tijd uitstaan. En als die tijd uitgestaan is, vallen wij om. De één na de ander. Dwars door elkaar heen. Boem! Weer een eik, een es, een populier, een zilverspar…. Wat overblijft is een lege plek. Na verloop van tijd ontspruit daar weer een nieuwe boom. Zo gaat dat. Zoveel te ouder een mens wordt, zoveel te meer lege plekken hij of zij te verstouwen krijgt. Iedereen die in de eindigheid van het leven geloofd, weet dat. Hier over denkend, zal ik inderdaad weleens pips uit mijn ogen kunnen kijken. Het bos mag dan een onsamenhangend geheel lijken, het hout hier en daar zwak, ik laat mij er niet door ontmoedigen. Kom op, de schoenen en de jas aan, de pet op de kop en het grote bos maar weer in.

8.8.21 Tegen het plafond Gisteravond maakte ik onder het lezen in Jeugdherinneringen van Jan Ligthart korte aantekeningen. Het boek bevat legio trefzinnen die niet zouden misstaan in deze tijd. Hij schrijft uitvoerig over het takakspruimen en vergelijkt de gehechtheid van de pruimer aan zijn pruimpje met de wonderschone Eva uit het paradijs en komt tot de bevinding: ‘Wellicht heeft menige Adam meer te danken aan zijn willige, zich altijd schikkende tabak, aan deze nooit eisende vriend, dan aan zijn Eva’. Dat zegt nogal wat over ‘de vrouw als medemens’. Veel verderop in het boek, zegt Ligthart: ‘O, die vrouwen! Laten wij ze zegenen! En loopt er al eens een kwade onder, ik vrees dat het een verhanselde man is’. Verhanseld? Ik heb dat woord opgezocht in de Van Dale, het betekend: * (verouderd) verstellen, opknappen, en ook *verknoeien, geheel vervormen, en als laatste *verkwanselen. Als Jan Ligthart in deze dagen van identiteitsverbreding, van regenboogvlaggen en pride-parades eventjes over de rand van zijn graf zou kijken, zou hij vrees ik een rolberoerte krijgen. Mogelijk zou hij zeggen dat de mensheid behoorlijk is verhanseld. Maar tussen dat lezen door, schreef ik over wat ons vandaag te wachten zou staan. Morgen moeten we op visite, schreef ik, op zich niets vreemds. De mens is nu eenmaal een sociaal dier en daar leeft-ie naar. Maar ik heb een zekere afkeer voor het op visite gaan. Thuis weet ik aardig goed wie ik als gast onder mijn plafond ontvang. Ik ken hun gedragingen, hun onevenwichtigheden en hun standpunten en weet daar handig mee om te gaan. Ik vind het dan ook bijzonder plezierig. Bij een ander weet ik dat allemaal niet. Het zijn meestal wel dezelfde mensen, maar ik voel geen aansluiting en dat maakt me onzeker. Nu las ik in een interview dat onzekerheid dichtbij arrogantie ligt. Dat geloof ik graag. Distantiëring wordt denk ik al gauw gezien als een vorm van hoogmoedigheid, van minachting voor de rest van het gezelschap. Het zijn grote woorden, maar toch zie ik wel een zeker verband. Goed, morgen moeten we dus visite. Aardige mensen, welzeker, en onder ons plafond kan ik heel goed met hun overweg, maar onder hun plafond voel ik mij spoedig unheimlich en niet op mijn gemak. Ik heb mij te schikken naar de aldaar geldende regels. Dat geldt evenzeer voor de andere gasten. Dat zullen dat er waarschijnlijk iets van zes zijn. Het probleem is dat ik er zo moeilijk een gesprek mee kan voeren. Dat ligt voornamelijk aan mij zelf. Ik stoot in het beste geval wat korte klanken uit en vrees dat ik als een spraakgebrekkige rare dingen ga roepen. In de kakafonie vind dat geen grond, het blijft in de lucht hangen. Eén van de gasten wordt heimelijk ‘dominee’ genoemd. Hij heeft er ook wel iets van weg. Maar zijn vrouw ontneemt hem steevast het woord en dat is niet waar zijn bijnaam in het gewone leven voor staat. Hij knikt voornamelijk als een beminnelijke, vermoeide geestelijke. Zijn vrouw roept bij tijd en wijle dat ze een heel gek mens is. Wij lachen bevestigend. Brigitte Kaandorp zou er van opkijken dat haar cabareteske personages gewoon in het wild voorkomen. Dominee bidt op zulke momenten met neergebogen hoofd en wenst dat hij eventjes in een voorwereldlijk monster mag veranderen. Een andere vaste gast meldt elke keer opnieuw als de kaasjes, pinda’s en chips op tafel komen, dat, hoewel er met gegronde reden geen plakjes worst tussen liggen, ieder mens genoeg vliegjes binnenkrijgt om zich niet helemaal vegetariër te kunnen noemen. Ik heb ooit eens uitgelegd dat insecten niet uit draadjesvlees bestaan en als zodanig moeilijk geschaard kunnen worden onder slachtvee. Dat was nog voordat sommige mensen sprinkhanen en ander eiwitrijk gewriemel als delicatessen ging promoten. Het zou, zo oreerde hij meer dan eens, daarom beter zijn dat indien wij werkelijk van het consumeren van gedierte gevrijwaard willen worden, wij ons net als boeddhisten zouden moeten voortbewegen met een mondkapje. Wat dat betreft zijn de regels ter bestrijding van het coronavirus aan hem wel besteed. Mijn moeilijke aansluiting komt zegt mijn vrouw omdat ik lijdt aan een milde vorm van autisme. Thuis of tijdens onze uitjes is daar totaal niets van te merken. Ik loop winkel in en uit, maak praatjes met voor mij volkomen onbekende mensen, ginnegap met kinderen, maar zodra ik ergens binnenshuis kom, klap ik dicht. Tegen auditief kamergeweld kan ik niet en kruip in mijn schulp. Het zal best kunnen dat men door mijn afzijdigheid denkt dat er iets hapert aan mijn bovenkamertje. De enige reden dat ik morgen uiteraard mee zal gaan heeft te maken met het reizen. Een taxirit is nu namelijk geen optie. Het is beangstigend zo dicht op elkaar te moeten zitten in een autocabine. Bovendien bezit mijn vrouw niet het juiste mondkapje en is het ook nog eens een kostbare zaak. Daarenboven beziet zij het samen verblijven in een tamelijk kleine woonruimte ook als een zwaar wegend punt. Met droog weer zouden we buiten kunnen zitten. We zouden die anderhalve meter afstand dan heel eenvoudig in acht kunnen nemen en aldus weinig last van elkaar hebben. Alles hangt dus af van het weer, van met name regen.

Na deze aantekeningen ben ik naar bed gegaan. En zie, vanmorgen bij het opstaan keek ik tegen een wolkenloze grijze hemel en zag de regen als een fontein neerdalen. Ik mocht niet juichen omdat mijn vrouw zo graag op visite wil en het bezoek nu afgelast ziet. Ik begrijp dit wel. Ze belt nu om te zeggen dat we vandaag liever niet komen. We stellen het een paar weekjes uit. Jammer, maar het is niet anders. Dan zijn we met hun alleen. Dat is goed te doen. En wie weet kunnen we in de tuin verwijlen.

4.8.21 Dichter in de dop Ons vorig reisje door het Groninger land mislukte jammerlijk. Kan gebeuren. We konden ons doel Woudbloem niet vinden, reden twee keer voorbij de afslag tussen Scharmer en Harkstede en kwamen uiteindelijk tussen Overschild en Appingedam tot stilstand vanwege de door de monteur van de ANWB vastgestelde afgebroken benzineleiding. Nu ging het gelukkig wel goed. Woudbloem, alleen de naam al, is een prachtig gehuchtje. We dronken er onze thee in de berm vlakbij de brug over de Scharmer AE. Ik liep een rondje ten einde een blik te werpen in de aan de hoofdweg gelegen uitstalling van spullen die we gepasseerd waren en plukte uit een doos boeken Jeugdherinneringen van Jan Ligthart. De volksuitgave uit 1949, met voorin, zoals toendertijds gewoonte was, een sticker met de naam van de zaak waar het exemplaar ooit is gekocht. In dit geval: Boek en Kantoorboekhandel Fa. Ploeger en Zonen, Wijkstr. 33 te Appingedam, telef. 4. Alleen al vanwege deze curieuze informatie nam ik het boek mee. Het was mij de helft van de prijs van een huidige vingerhoed koffie meer dan waard. Daarna reden we door naar Overschild, bonsden bij de ingang van dit dorp over een nogal steile verkeersdrempel en zagen daarin op slag de oorzaak van de breuk van de benzineleiding en passeerden de plek waar we uiteindelijk met panne bleven staan. Ik had eigenlijk een dankkaartje in de brievenbus van het huis moeten doen waar ik de gegevens had opgevraagd over de plek waar we stonden. Nu reden we probleemloos langs de plek des onheils. Even later arriveerden we in Appingedam. Mijn vrouw moest nodig naar de wc en verliet zich op de stadstuin. Toch een plek om even langs te gaan. Er zou daar toch wel een toilet zijn? Maar de tuin bleek verlaten. Het lag er niettemin keurig bij. We verpoosden er enige tijd, daarna liepen we de binnenstad in en overwogen een versnapering te nemen bij ‘De Koning van Groningen’. Helaas, die bleek gesloten. Dan maar een andere tent. Terwijl mijn vrouw zich naar binnen begaf, zette ik mij neer op het terras. Een tafeltje verderop zat een man, die mij al spoedig aansprak. Op mijn vraag of hij in Appingedam woonde, zei hij: ‘Al 92 jaar’. Dat had ik hem niet gegeven. Er ontspon zich een levendig gesprek, vooral van zijn kant. Duidelijk een man die zijn verhaal kwijt wilde. Gaandeweg bleek dat hij veel van de mensen die ons passeerden met naam groette. Mogelijk stadsgenoten van hem. Hij was vroeger kunstschilder geweest, zei hij, maar had het moeten opgeven, omdat en daarbij stak hij zijn rechterhand in mijn richting, hij geen kwast meer kon vast houden. ’t Was enkel een hobby hoor, maar na het sterven van zijn vrouw krap twee jaar geleden, was hij plotseling gaan schrijven en sindsdien had hij al 1500 gedichten geschreven, vertelde hij met nauw verholen trots. Hij had ook al een paar gedichten kunnen publiceren in Toal & Taiken, het blad voor Groninger proza en poëzie. Maar de redactie had ook een paar keer een gedicht van hem teruggestuurd met de aantekening dat het niet goed genoeg was voor het blad. Dat stak hem wel. De hoofdredacteur schreef dat de regels te lang en dan weer te kort waren. Ik zei dat ik het wel begreep, maar het ook sneu voor hem vond. Onderwijl rommelde hij wat met zijn mobieltje en reikte het me toen aan. ‘Dan moet u dit maar eens lezen, tenminste als u Gronings kunt verstaan’, zei hij. Zeker kan ik dat. Ik las het vers zo goed als ik kon hardop. Sommige passanten keken eventjes opzij. Het ging over een ritje naar Schildwolde, vormgegeven in (inderdaad) korte en lange gepaarde Schoolmeester-achtige strofen. Ik zou het een troostgedicht kunnen noemen, maar dat zei ik niet. Goed lopen deed het niet, daar zou aan moeten worden gewerkt. Zo had-ie er dus 1500 in elkaar gedraaid. ‘Soms schrijf ik er wel 4 of 5 op een dag’. Geweldig’, zei ik en dat meende ik van harte. Want het blijft een mysterie hoe de ene mens wél tot zoiets komt en de ander niét. Onderaan het vers stond zijn naam: Adam Voetman. Ik had mijn appelgebak en mijn twee slokken koffie op en wilde verder en wenste hem een glansrijke carrière als dichter. ‘U bent nog jong van geest. Wie weet wat er nog allemaal los komt’, zei ik. Hij lachte geluidloos. Daarna liepen we de Dijkstraat uit. 1500, dacht ik, in amper twee jaar. Allemachtig! Tegen hoeveel mensen zal hij dat al niet hebben gezegd, want hij verveelt zich sinds de dood van zijn vrouw. Logisch. Zou ik ook. Of dat goeie poëzie oplevert is van minder belang. Dichters als Bert Schierbeek, Anna Enquist en Pieter Boskma zullen dat om hun grote verdriet te verwerken op voorhand ook niet hebben gedacht. Veel tijd dat zijn verdriet beklijft en hij tot nuchter inzicht komt heeft hij niet en daarom zal hij tot zijn verstand vertroebelt als een razende troostgedichten blijven schrijven. Ongetwijfeld zijn er lezers die hier net als hijzelf troost en kracht uit putten. Het was al met al een prettige ontmoeting in het helaas steeds stiller wordend hart van Appingedam. Door die gedachtenstroom vergat ik echter waar de firma Ploeger zich vroeger bevond. Wijkstraat 33. Maar wie weet zijn de nummers door de jaren heen veranderd. Dat zal meneer Voetman vast wel weten. Mijn vrouw raadpleegde haar mobieltje en zie… Op nr. 33 bevindt zich nu Marskramer, winkel voor huishoudelijke artikelen. Internet is een machtig medium, maar het romantisch zoeken is er finaal door in het slob geraakt, of juister gezegd: van de baan.

3.8.21 Tijdsbeeld Ik lig op mijn rustbank boven te lezen in het eerste dagboek van Kees Buddingh’. Soms is het een hoop gezemel, heel veel titels van voornamelijk schrijvers en boeken waar ik nog nooit van gehoord heb, en soms ook heel waardevolle dingen. Ik zou in navolging van de kritiek van Jeroen Brouwers op Godfried Bomans gereis welhaast willen uitroepen: ‘Had je niet zoveel beziggehouden met dat dagboekgeouwehoer, maar was mooie boeken gaan schrijven’. Op 2 april 1968 schreef hij bijvoorbeeld: ‘Soms, ’s avonds, Stientje naar bed, alleen in de kamer, een glas sherry of rum binnen handbereik, krijg ik zoveel ideeën dat ik maar opsta en in bed kruip, met het verslagen gevoel dat ik ze toch nooit allemaal zal kunnen uitwerken’. Bij mijn eerste lezing van Wat je zegt ben je zelf in september 1990, heb ik bij deze notitie een dikke uitroepteken gezet. En nu zou ik er nog een tweede naast willen zetten. Want, moet je als schrijver, zélfs midden in de nacht, wanneer je overvallen wordt met ideeën niet júist pen en papier (nu computer of laptop) ter hand nemen en als de wiedeweerga aan de slag gaan? Al zouden het maar schetsen zijn voor gedichten of verhalen die daags erop of in tijden van geestelijke armoede uitgewerkt kunnen worden. Maar nee, de dichter/schrijver/boekensamensteller gaat naar bed! Oké, zand erover. Het aardige is natuurlijk wel dat je een wereld leest van 53 jaar geleden. Ik werd 17 dat jaar, ging van maandag tot en met donderdag naar de School voor Volwassenen aan de Peizerweg te Groningen om het vak metaaldraaier te leren. En , misschien ook wel een dingetje, ik rookte voor het eerst. Belinda, korte tijd later werden het sjekkies van Samson. Dat is iets wat nu bijna een doodzonde is geworden. Buddingh’ was verwoed pijproker. Hij schrijft er meer dan eens over. Op 17 april verhaalt hij over Jan Hanlo die zo vreselijk slecht tegen rook kon, dat zijn afkeer bij de rokers -en dan waren bijna alle schrijvers/dichters et cetera- groteske vormen aannam. Het reizen met de trein was voor Hanlo een kwelling, maar hij leek er iets op te hebben gevonden: de eerste klas met afgesloten compartimenten. Bij zijn eerste treinreis naar Amsterdam vroegen K. Schippers en Bernlef hem of de reis alzo naar wens was verlopen, waarop Hanlo zei: ‘Je zit daar natuurlijk wel goed en er wordt niet gerookt, maar af en toe komt de conducteur om de kaartjes te knippen en dan gaat de deur open en waait er toch weer rook naar binnen’. Wat moet Hanlo voor zijn collega’s een zeurkous geweest zijn. En dan te denken aan al die optredens voor culturele clubs in allerlei kleine achterzaaltjes en bibliotheken, waar in die dagen nog stug gerookt werd. Dat is nu echt niet meer voor te stellen. Alleen al de prijs van de sigaretten en de losse tabak (shag). Het moet ongeveer in dat zelfde jaar zijn geweest dat Koos Zwart de weekprijzen van hasj en wiet op de radio presenteerde. Vanmorgen vond ik een lege tabakszak voor ons huis en zag op het loodje de prijs van 15euro staan. 50 gram; dat is 30 cent per gram. De tijden van Koos herleven bijna. Maar het aardige van die dagboeken is wel dat ik soms haast de neiging krijg er een tijdsbeeld van nú naast te zetten. Nou ja, wie weet is dit een voorzichtige aanzet.

1.8.21 Kanonnenvlees Waar ik mij ook bevind, altijd is er de latente vrees plotseling tegen een oude geliefde op te lopen. Alsof dat gewezen vijandinnen zouden zijn, die nog een appeltje met mij te schillen hebben. Ik heb maar één keer een verkering echt met ruzie gebroken. Al de andere meisjes hadden zich domweg in mij vergist, denk ik. En soms ik in eentje van hen. Er zat gewoon niet meer in het vat. Soms was dat na twee weken verkering al zichtbaar, soms na acht maanden. Verkeerde keuzes zou je achteraf kunnen zeggen of gewoon geen levensvatbaarheid. Hoe dan ook, dat ongewenste verleden kan zomaar ineens openbarsten alsof er geen 20 jaren tussen liggen. ‘He, leuk jou weer eens te zien. Hoe is het?’, klonk het naast me, toen ik mij eens in Bourtange bevond. Het was een vrouw die ik na een paar seconden pas herkende als het meisje waar ik kortstondig maar heel spoedig intiem mee omging. Echte verkering wilden wij het niet noemen, daarvoor spraken we te weinig af. Alles gebeurde spontaan als het vlees gewillig was. Plotseling zag ik haar niet meer. Ze was een paar steden verderop verhuisd, hoorde ik van anderen. Dat was de consequentie van onze los-vaste verhouding: we hadden niets tegenover elkaar te verantwoorden. En nu stond ze ineens voor me. We zouden bij wijze van spreken zo weer verder kunnen gaan als er geen man en een paar kindjes tussen stonden. ‘Hoi’, zei ik terug en wilde het liefst ogenblikkelijk door de grond op die middeleeuwse markt zakken. Aan mijn verschrikte blik en houding zag ze dat ik niet echt in was voor een vriendschappelijk praatje. Zij en haar aanhang liepen dan ook spoedig verder. De vraag bleef hangen hoe wij beiden het er vanaf zouden hebben gebracht. Daarvoor hadden wij te weinig tijd genomen. Hoewel, ik zag mij ook niet in de plaats van die man. Als dat het ideaalbeeld voor haar was, dan had ze er inderdaad goed aan gedaan mij op tijd te verlaten. Ik werd door een krantenkop van de week ineens weer teruggezet in Bourtange. Die kop luidde: ‘Bourtange stelt kopen kruit voor veldslag uit’. Ik had daar de hele dag een beetje lol om. Het stukje verhaalde dat de jaarlijkse Slag om Bourtange door de coronaperikelen in het gedrang komt en dat de aanschaf van het kruit eventjes op een laag pitje is komen te staan, want het vormt een behoorlijke aanslag op het budget. Het zou betekenen dat een van de hoogtepunten van de Slag, het afschieten van het kanon, niet door zou kunnen gaan. Men kan dit gerust een aderlating noemen. Met dit bericht in gedachten denk ik aan landen waar het niet al te vredelievend toegaat en zie een legerleider voor me die op een dag tegen zijn troepen zegt dat de aanschaf van het kruit (lees: alles op het gebied van bewapening en munitie) in overweging wordt genomen. Reden: Het vormt een te grote aanslag op de staatskas. Zo ver zal het wel nooit komen, want we leven nu eenmaal in een gigantische, nietsontziende komedie van grensgeschillen, corruptie en machtsmisbruik en dat los je niet op met een ludieke pacifistische actie. Dat snapt elk kind. De nagespeelde Napoleontische rebulie in Bourtange is natuurlijk enkel ter vermaak. Zeker niet ter lering! En zonder geplof van het kruit krijg je met name de Duitsers de grens niet over. Je zou er als lawaaihekelaar het coronavirus haast dankbaar voor moeten zijn.

31.7.21 Aardig daggie Gisteren moest ik bijkomen van de zware arbeid van de dag ervoor. Tot in de loop van de avond ben ik bezig geweest de plinten te schilderen, daarbij voor mijn doen in een ongewone werkhouding. Vandaar: spierpijn. Rustig-an doen dus. Vandaag ging het al een stuk beter en daarom zijn we naar Veendam gereden om platen voor de vloeren te kopen. Die maak ik eerst op maat, verf ze en leg ze er volgende week op. Benieuwd hoe lang het goed blijft en hoeveel kou het doorlaat. Mocht dat erg zijn, dan leggen we er te zijner tijd alsnog vloerbedekking overheen. Daarna even langs de Inbreng. Voor 2euro tien cd’s gekocht. Die kosten een aantal jaren geleden al gauw 15euro per stuk. Cd’s zijn helemaal uit. Onbegrijpelijk! Voor een ouderwets singeltje vragen ze een euro en voor afgeragde lp 2.50. Het aanbod van tweedehands cd’s is enorm groot. Er zitten pracht exemplarentussen. Het is net alsof iedereen er vanaf wil. Streamen is het toverwoord. Ik zie veel mensen met zo’n wit staafje in hun oor (of oren). Wat de kwaliteit van het geluid van die dingen is hoef ik niet te weten. Ik wil het toch niet hebben. De muziek die ik voor die twee euro’s meenam varieert van Richie Valens, salonmuziek, cubaans, cajun, hawaïaans, blues, klassiek tot Johan Raspe. Hij was de helft van de vroegere Askay Brothers, de Groningse Everly Brothers uit Hoogezand, en is vorige week overleden. Henk Puister, ook uit Hoogezand, schreef enkele teksten voor de cd. Henk heb ik leren kennen door Pennestreken. Dat is die 25eurocenten meer dan waard. Geen enkel boek gekocht. Ik heb er ook nog zoveel liggen. Je vindt voor heel weinig geld of zelfs gratis de mooiste boeken. Ik ben gisteren voor het eerst sinds lange tijd weer bij Bruna in Stadskanaal geweest en dacht: wanneer heb ik voor het laatst een nieuw boek voor de volle prijs gekocht? Ja, voor goede vriend Ton onlangs, maar verder niet. Ik zag dat ze er ramsj per kilo verkopen. Ik heb er maar niet in de bak gekeken, er zat vast wel weer iets aardigs tussen. Ik moest automatisch aan de Buddingh’s denken. Op hun zomerreisjes door Engeland waren ze onophoudelijk op zoek naar boekenwinkeltjes en snuisterbakken. Dan arriveerden ze weer in Dordt in hun met boeken afgeladen eend. In één van zijn dagboeken telde ik iets van 165 boeken gekocht tijdens zo’n vakantiereis. De vraag waar die aanvoer te laten was een steeds terugkerende. Dié bezetenheid is mij vreemd, maar ik moet wel matigen. Op de terugweg vertelde ik mijn vrouw over een klein voorvalletje afgelopen donderdag. Terwijl de isoleerder Jan onder de vloer van onze achterkamer het inspuitwerk deed en op zeker moment riep dat de toevoerkraan dicht moest, haastte zijn collega zich naar de pomp in de auto om de slang af te sluiten, maar hierbij haakte hij achter het beeld van de twee stenen varkens op onze stoep. Ik had het daar uit voorzorg even weg moeten halen, maar ja… De man maakte een hele rare duikeling en bleef met moeite op de been. ‘Stel nou’, zei ik, ‘dat hij werkelijk was komen te vallen en iets had gebroken, dan had hij aan zijn werkgever en aan zijn familie en kennissen moeten uitleggen dat hij in aanvaring was gekomen met een koppel varkens. Leg dat in het geval dat hij moslim was maar eens uit’. Mijn vrouw kwam bijna niet meer bij van het lachen. Zo werd het ondanks de stevige regenbuien toch nog een heel aardig daggie. Muziekje en krantje erbij en voldoende voedsel. Wat wil een mens nog meer.

29.7.21 Identiteitsquesties We kregen vloerisolatie. Goed voor het milieu, dat wil zeggen, als je even niet uit gaat van het produceren van het materiaal dat men er voor gebruikt. Dat laat ik in tegenstelling tot wat er in de kleurrijke folders staat en de juichende aanbevelingen wel degelijk meewegen. En wat er gebeurt als bij het slopen van het huis over een tig aantal jaren al die bolletjes weer vrijkomen? Ja, die zullen worden weggezogen en hopelijk worden hergebruikt. Ik wil zelfs tot over mijn dood niet herinnert worden aan de totstandkoming van een Noordelijke Lekkerkerk. We stonden al vroeg op om de luikenmaker voor te zijn en ruimte te maken. Tegen negen uur maakte ik alvast koffie, want de man (vrouw!) zou uit Amersfoort komen en dan is een bakkie altijd welkom. Dacht ik. Maar ik had een verkeerd beeld. Om half tien kwam een bedrijfsbus voorgereden. Er stapte een jonge man uit die ik op het eerste gezicht uit de Tigris/Eufraat-hoek afkomstig dacht. Vragen deed ik hem dat uiteraard niet, want dat is tegenwoordig zeer ongepast en kan voor wrevel zorgen. Vroeger deed ik dat zonder enige moeite. Puur uit interesse, nooit met een bijbedoeling. De man van een jaar of dertig droeg het soort baard dat ik weleens bij orthodoxe immams zie, zo-eentje zonder snor. Het geeft het gezicht een streng aanzien. Hij kwam om een drietal luiken te zagen, zei hij, zodat de isolatieploeg later die dag met de slang het isolatiemateriaal naar binnen kon spuiten. Hij keek me tijdens het spreken strak aan. ‘Koffie?’, zei ik. ‘Nee, dank u’, zei hij. Hij begon te werken. Het ging allemaal wat moeizaam. Om wat te zeggen vroeg ik of het druk bij de weg was – in verband met de vakanties enzo. ‘Vanaf Amersfoort was het rustig’, zei hij wat vriendelijker. Misschien moest hij bij binnenkomst even acclimatiseren. ‘Maar je komt toch van Amersfoort?’, zei ik. ‘Nee, ik kom uit Leiden’, zei hij. ‘Uit Leiden helemaal’, zei ik verbaasd. Dat bedoel ik dus als onderdeel van de bijkomende schade. Komt er iemand helemaal uit Leiden om in Gieterveen (250 kilometer) een paar luikjes te zagen. Mijn vrouw en ik begonnen de vloerbedekking uit de kamer los te trekken. Nu we toch bezig waren, moest dat ook maar worden vervangen. Het was oud en vertoonde hier en daar forse beschadigingen. Mijn vrouw vroeg de man na een tijdje of hij misschien een kop thee wilde. Ook niet. Bij een later probleempje in de slaapkamer, riep hij ‘Meneer’. Ik was inmiddels in de schuur bezig de stukken vinyl in stukken te scheuren om het later die middag af te kunnen voeren. Ik rende meteen naar hem toe. Was er iets? Nee, hij wist niet precies waar de luik in de slaapkamer moest komen. Bij een oud huis als het onze treden altijd onverwachte bouwkronkels op. Later in de middag toen de hele klus geklaard was, zei mijn vrouw dat zij het een rare vent vond. Oh? Hij negeerde haar, had haar niet één keer aangekeken en riep mij erbij om te vragen waar de luik moest komen. Niet haar. Alsof zij dat niet wist! ‘Die man had duidelijk iets tegen mij als vrouw’, zei ze. Ik had dat niet gemerkt. Logisch, zou je zeggen. Nou ja, ik bedoel logisch dat ik dat als mán niet zag. Het stak mij meer dat er speciaal iemand helemaal uit Leiden was gekomen om een paar van die luikjes te zagen. Ik had het achteraf gezien beter door onze dorpstimmerman kunnen laten doen. Voor dezelfde prijs (misschien zelfs minder) had-ie het zeker zo goed gedaan. Halverwege zijn klus kwam de isolatieploeg binnen. Twee van de drie isolatieaanbrengers stonden afgelopen maandag ook al voor onze deur, maar toen was de luikenmaker nog niet langs geweest en gingen ze onverrichter zake naar een volgende klant. ‘Heerenveen’, zei de man die later Jan bleek te heten hij op mijn vraag. Allemaal extra rijbewegingen. Drie van de vier mannen waren zoals dat in de media weleens wordt gezegd, getint. Dit heeft dan meestal een negatieve connotatie. Ik wist natuurlijk niet wie of wat er zou komen. Ik laat mij steeds vaker in beide geslachten uit en zeg dan bijvoorbeeld ‘Ik weet niet welke man of vrouw er langskomt’. Vroeger was dat geen punt. Een timmerman was altijd een man. Het woord zegt het ook. Een vroedvrouw was altijd een vrouw. Idem dito. Een slager kon beide zijn. Maar tegenwoordig is dat geen wet van Meden en Perzen meer. Sinds de twee geslachten, te weten man of vrouw, aan het verschuiven zijn, is het zelfs link om er naar te vragen. Een 14-jarige mensje met de naam Frédérique heeft hier deze week in Amstelveen de nare gevolgen van ondervonden. Een even oude etterbuil vroeg naar haar identiteit. Daar had ze afwerend op geantwoord. Die jongen kon daar niets mee en takelde haar/hem/hen zwaar toe. De politie vermoed dat het om een lhbtiq+gerelateerde aanval ging. Lijkt me juist gezien. De vierde man was dezelfde van afgelopen maandag. Hij was een ietwat tengere witte man (het woord blanke mag van de identiteitspolitie, wokers genoemd, niet meer), die zich als Jan voorstelde. Hollandser kon het bijna niet. Hij voerde het woord. Soms prezen zowel mijn vrouw als ik het werk van de mannen. Het was ook niet niks; onder de vloer kruipen en met een gigantische slang een lawine van die bolletjes in alle uithoeken spuiten. Dat mocht wel worden geprezen, want formeel was de ruimte te gering om er onder te mogen. Maar Jan kroop er toch onder en voorzag ook die hoeken waar je vanuit het luikje anders niet bij kon, want we betaalden toch niet voor half werk. Nou dan! Ik zou subiet claustrofobisch worden. ‘Als er nu controle van de veiligheidsdienst zou komen’, zei zijn collega Daniël, toen Jan daar beneden als een worm lag te kronkelen, ‘dan zouden wij een stevige boete krijgen. Want dit mag niet. Maar we proberen het werk naar behoren te doen’. ‘Geweldig!’, zeiden mijn vrouw en ik. Toen Jan na een tijdje weer uit het ondervloerse tevoorschijn kwam, voelde ik sterke behoefte even voor hem te applaudisseren. Dat deed ik natuurlijk niet. Ik wilde de mystiek ook niet verbreken. Na een uur was de klus geklaard. Daarna begon het nawerk en toen vertelde mijn vrouw dus over die voor haar beledigende handelswijze van die luikenmaker. We dachten er allebei het onze van. Als hij werkelijk uit de hoek van de landen waar de ajatollah’s het voor het zeggen hebben komt, dan heeft hij een heel ander beeld van de vrouw als gelijkwaardige hoeder van huis en haard dan oud-Hollanders. Ik lees regelmatig over dit enorme verschil van leef- en handelswijze. ‘Misschien kon hij wel niet tegen jouw blote gezicht’, zei ik ter verzachting. Er was duidelijk sprake van minachting jegens haar en dat stond mij slecht aan, maar wat kon ik er aan doen? Hoe kon ik dit in de toekomst voorkomen? Een sticker op de deur plakken dat wij, bewoners van dit pand ‘qua rechten evenwaardig zijn’ en dat dit ons inziens ook geldt voor elke geaardheid en dat dit een huis met vele ramen is, maar dat wij geen god aanbidden, doch de mens in al zijn/haar naaktheid respecteren? Dat kan best allemaal op één sticker. Zo kunnen eventuele gasten of werklui (m/v enz.) meteen zien wie ze voor zich hebben. Nou ja, de luiken zijn weer dicht en we zitten er de komende jaren hopelijk ietsjes warmer bij.

26.7.21 Braaibecue Een bevriend echtpaar uit ons dorp organiseerde een barbecue en had ons ook uitgenodigd een vorkje mee te komen prikken. Leuk, zou je zeggen, want barbecues zijn erg in trek en je ontmoet er ook nog eens andere mensen. Maar wij zijn niet zo van die eet- en drinkgelagen en niet alleen omdat wij allebei een zwakke maag hebben. Vandaar dat wij lang overwogen wat te doen. Mijn vrouw gaf de doorslag; we zouden niet te lang gaan. Goed. Vanwege te verwachten buien, had het echtpaar een royale partytent opgezet. We werden door de alreeds aanwezigen hartelijk begroet. Mijn vrouw schoof al snel aan bij een nichtje van ons en ik ging aan het andere eind van de tent zitten. Daar bevond zich ook de barbecue- en de drankhoek. Ik herkende enige mannen uit het dorp, die allen met een bierflesje in de ene hand en een vleestang in de andere klaar stonden voor het grote werk. Vlak ernaast stond een tafel met daarop een aantal dozen van keurslager De Gulden Snee. Barbecueën is een typisch mannending. Mogelijk wordt het stamgevoel getriggerd, komt er een stukje oergevoel los, dat in het dagelijks leven onderbelicht blijft. Daarvoor zijn we te ver verwijderd van onze vroegere leefomgeving. Ik voelde dat ik het in die jagende wereld niet ver zou hebben gebracht. ‘Biertje Willem’, zei hovenier Boom, die zijn naam eer aan doet. ‘Nee, liever niet’, zei ik ‘doe mij maar een cassis’. ‘Cassic’, hoorde ik hem zeggen en tegen de andere mannen ‘Hebben we dat?’ Ja, het was er. ‘Ik krijg last van knobbelvrees van bier’, zei ik. ‘Van wat?’ zei hij. Ik legde hem uit dat ik lichtelijk allergisch ben voor alcoholische dranken en er bobbeltjes van op mijn handen en mijn gezicht krijg. Komt zeer zelden voor. De mannen keken me ietwat vreemd aan. De toon is gezet, dacht ik. De eerste stukken vlees gingen op het rooster en spoedig liep een van de mannen door de tent te venten met zijn handel. ‘Wie wil er een kippenfiletje. Niet allemaal tegelijk’. Hij deelde kwistig rond en kwam al spoedig terug voor een tweede lading. Ik wist dat ik weinig zou eten. Niet dat er niets van mijn gading bij zat, maar het stond me tegen. Al dat vlees. Wel schepte ik van een van de schotels een stevig hap salade en fruit bij elkaar en nam omdat één van de braaiers aandrong, een paar stokjes saté. Dat kon ik wel hebben. Het vlees vond gretig aftrek. Ik hoorde woorden als kogelbiefstuk, varkenshaas en spareribs. Ook het woord jodenhaas viel. Ik vroeg wat dat was. ‘Een soort rundvlees, maakt niet uit joh, ze eten alles’, zei Boom. Ik zou het als ik De Gulden Snee was liever niet op de advertenties in de plaatselijke krant zetten. Hier en daar klonk een klacht dat het vlees te zwart was, te aangebrand. Vooral van vrouwen. Mogelijk zoete wraak. Konden zíj eindelijk ook eens kritiek uitoefenen. Maar de mannen lieten zich er niet door uit het veld slaan. Ik prikte na mijn derde cassis van een nog onaangeraakte saladeschaal alle stukjes aardbei en ananas. Daarmee had ik mijn vitaminetaks wel gehaald. Tegen elf uur was het vlees op. De laatste gebraaide stukken gingen met de grootste moeite weg. Kort daarna gingen we op huis aan. Mijn vrouw had alleen een hamburger gehad en verder alleen stokbrood. Qua drinkerij ging het met de thee wat moeilijk. ‘Thee?’, zei een van de helpers. Maar ze had toch een pot voor haar gezet. Dat was heel fideel. ‘En jij?’ zei ze. ‘Oh, ik heb alle fruitjes weg zitten eten en twee stokjes saté gehad. Dat gevreet stuit me erg tegen de borst. Maar ja, ik wilde me ook niet teveel afzonderen. Ik heb gewoon gezegd dat ik nog weleens last van knobbelvrees heb’. Mijn vrouw schoot in de lach. ‘O jee, en wat mag dat dan wel zijn?’ ‘Ja, dat weet ik eigenlijk zelf ook niet, maar het hielp wel’. Het zou best eens een afdoend middel kunnen zijn om niet al te vaak uitgenodigd te worden voor barbecues of andere feesten. Want ik hoorde dat er mensen bij waren die bijna wekelijks zo’n vreetfeest hebben. Die zonder blikken of blozen zo’n pakket van la-maar zeggen 3 kilo inslaan en de eventueel de buren uitnodigen omdat ze er anders niet door komen. Dat is toch ziekelijk. Ze knikte instemmend. ‘Morgen is het weer een gewone dag’, zei ze ‘met soep en een tosti’.

23.7.21 Humorloos Vanmiddag de nieuwe Roet binnen gekregen. Ik had het verhaal De overschrijver geleverd.Staat er keurig in. Ik lees mijn bijdrage altijd even door. Een enorm storend fout gevonden: ik gebruik het woord tutoyeren als ik de hoofdpersoon uit het verhaal aanspreek, dat moet uiteraard vouvoyeren zijn. Ik hoop dat het aan het oog van de doorsnee lezer ontsnapt of dat de doorsnee lezer het wel zien, maar weet dat ik het wel goed bedoelde. Een blunder blijft het. Meteen de inhoudsopgave even doorgekeken. Geen nieuwe aanwinst. Roet is een heel aardig blad en het is een prima platform voor schrijvers en dichters, maar de inhoud laat nogal eens te wensen over en nieuwe auteurs blijven helaas uit. Vooral de laatste nummers bevatten vaak recensies en daarbij heeeeele lange. Dat verraadt naar mijn idee kopijarmoede. Ik lees ze wel, zoals ik (bijna) alle stukken wel lees, maar ze voegen niet veel toe. Een tweede makke is het ontbreken van humor. Zo nu en dan komt er weleens een als grap bedoelde woordspeling voorbij, maar het zijn toch vooral hele serieuze gedichten en serieuze verhalen die de boventoon voeren. Dat vind ik wel jammer. Het hoeft geen lach-of-ik-schiet-blad te worden, maar een beetje meer lichtvoetigheid zal het blad geen kwaad doen. Een tijd geleden heb ik mijn verhaal Tien geboden naar Roet gestuurd. Ik had het geschreven als een soort pastiche op de rubriek ‘De Tien Geboden’ van Arjan Visser in Trouw. Voor mij soms de reden om dit nummer er bij te kopen. Ik had in mijn verhaal mijn interpretatie van die tien geboden weergegeven. Het staat uiteraard los van de bijbelse geboden. Er komt ook geen god in voor. Maar ik kreeg een mailtje van de redactie dat ze van plaatsing afzagen, omdat Roet liever geen verhalen of gedichten wil opnemen die geassocieerd kunnen worden met een religie. Mij best, dacht ik, maar ik was ook wel verbaasd, omdat in het verhaal juist niets van dien aard voorkwam. Het was een overpeinzing met die tien geboden als richtlijn. Eerder een afzetten. Maar goed, ik respecteerde de zienswijze van de redactie. Hoe vreemd keek ik dan ook op toen ik in het nieuwe nummer een nogal wonderlijk verhaal trof van Frank Meijer, waarin God en de Duivel min of meer op de vuist gaan. Ik kende de naam Frank Meijer niet. Ik bladerde even door de laatste jaargangen van Roet en kwam hem slechts één keer eerder tegen. Ook dat verhaal speelt zich af met veel lijden en christelijke symboliek. Die verhalen kunnen de toets bij de redactie kennelijk wel doorstaan. Toch vreemd. Ik mag natuurlijk niet klagen, want ik heb door de jaren heen 12 gedichten en 21 verhalen in Roet mogen publiceren. Daardoor behoor ik tot de meest productieve aanleveraars. Niet om daar trots op te zijn, want ik beschouw het schrijven als een onschuldige tijdsbesteding. Mijn hoofd pikt onderweg van alles op en mijn laptopje fungeert dan als een doorgeefluik, een soort biechtstoel. Kom ik toch via een omweggetje bij dat vermaledijde geloof uit. Om voor het volgend nummer weer iets te hebben, ben ik zojuist begonnen aan een verhaal getiteld In de marge. Het zal een beetje in navolging op het vorige Roet-verhaal een aspect van het schrijven behandelen. Hoe het eruit gaat zien weet ik nog niet. Wie weet komen er nog elementen van de afgelopen dagen in voor. Want we hadden een pechweek. Onder andere met de auto. Somberte komt bij mij vaak traag, maar kan lang aanhouden, niet zelden uit zich dat in milde spot of ironie. Maar zien wat er van komt.

18.7.21 Een mens in de tijd In het voorgaande stuk heb ik de naam C. Buddingh’ laten vallen. Ik heb de titel van het boek niet genoemd, deze is Wat je zegt ben je zelf. Het is het eerste deel van de uiteindelijk vijf delen tellende dagboeknotities. De eerste notitie is van 23 november 1967. C.Buddingh’ -de C. staat voor Cornelis, maar iedereen kende hem als Kees- was in die jaren een gevierd dichter van wat men noemt light verse poëzie. Versjes waar om kon worden gelachen, hoewel er toch niet zelden een duister laagje onder zat. Die light verse – en no-nonsense poëzie beviel me beter dan die serieuze en vooral sobere poëzie van bijvoorbeeld Achterberg, Bloem, Gorter of Kloos. Ik ontdekte deze vorm van poëzie in een paar verzamelbundels en was meteen verkocht. Mijn eerste schrijfpogingen dateren van eind ’60. Eind jaren ’70 begon ik langzaamaan steeds vaker op dichtersavonden voor te lezen. Ik had inmiddels twee bundeltjes uitgebracht en via het blad Pennestreken publiceerde ik regelmatig nieuwe versjes. Op zaterdagmiddag 24 november 1985 organiseerde het blad haar jaarlijkse leesmiddag in het dorpshuis te Zuidbroek. Iedere dichter kreeg 5 minuten voorleestijd. Er kwam een stroom pulp, goedbedoelde rotzooi en soms ook hele aardige verzen voorbij. Laat ik eerlijk zijn: als ik nu lees wat ik toen fabriceerde, schrik ik. Niettemin beloonde de hoofdredactrice en eigenlijk ook de maakster van het blad, Linda Luchies, mij regelmatig met het gedicht van de maand op het achterblad. Het publiek op die middagen bestond -zou ik later merken- voor een groot deel uit deelnemers + aanhang. Het was een hele zit. Na afloop van die middag, en ik was een van de laatste voorlezers, kwam er een mevrouw naar me toe die zei dat mijn stem en dictie wel iets weg hadden van Kees Buddingh’. Ik voelde me vereerd. Het was echter niet mijn stiel om wie dan ook na te doen en ik kende de stem van Buddingh’ amper en als er dan iemand op die gelijkenis wijst, is dat wel apart. Ik reed tegen vijf uur in lichte jubelstemming naar huis. Edoch… Ik zette zoals gebruikelijk later die avond de televisie aan om het Journaal te kijken en wie schetst mijn verbazing dat daarin melding werd gemaakt van de plotselinge dood van Kees Buddingh’. Dat was een zeer bijzondere coïncidentie. Het was het begin van mijn zoektocht naar zijn werk. Bovengenoemde titel kocht ik op 28 september 1990 bij Hummelen in Assen. Het is de derde druk, een uitgave in de serie ‘Bibliotheek Thuis’ van De Bezige Bij. Ik heb het aardig stuk gelezen. Dat is geen verdienste, want het boek is bijzonder slecht gelijmd. De tweede druk verscheen in de gebonden (met leeslint!) editie samen met Verveling bestaat niet, het tweede deel van de serie. Dit boek kocht ik bij De Slechte in Leuven (B) op 2 juli 1994. Het kostte maar liefst 1200 frank. Omgerekend was dat ongeveer 65 gulden. Het lag in een vitrine en toen ik er naar vroeg, zei de al wat oudere verkoopster dat ik er wel voldoende belangstelling voor moest hebben, want hierin bevonden zich allemaal hele bijzondere boeken. Alsof ik dat niet had gezien. Ik zei dat ik het wilde kopen. Toen nam ze een sleutel van een haakje en deed de schuifdeur open. Ik was in Leuven omdat wij -zwager, zus en kids- daags ervoor naar het TorhoutRockFestival waren geweest. Zo zie je maar hoe vreemd het kan verlopen. Gaandeweg heb ik die andere delen ook opgesnord. En in een mum is het avond in Amsterdam, Een mooie tijd om later te worden in Haarlem. Het laatste deel kwam pas jaren na zijn dood uit en werd bezorgd door Ares Koopman. Het betreft de notities die Buddingh’ tijdens zijn leven niet meer had uitgegeven. Deels had dit te maken met de nekslag die W.F. Hermans Buddingh’ had verkocht. Hij sabelde die huiselijke leuk-leuk-leuk praatjes van Buddingh’ onbarmhartig neer, waardoor Kees lange tijd uit de roulatie was. Heel triest. Nu ik er weer in lees denk ik dat Hermans niet helemaal ongelijk had, maar ik volhard tegen beter weten in dat hij gelijk had, omdat hij nu eenmaal altijd gelijk wilde hebben en daar hou ik niet van. Het ís vaak ook niet veel meer dan gekeutel, maar ik kan er hoe dan ook nog steeds van genieten. Mijn Buddingh’-verzameling bevat een 40-tal bundels en boeken. Zo nu en dan vlas ik nog eens door zijn gedichten. Het is nog steeds zeer genietbaar, maar of het nog veel gelezen wordt is de vraag. Eén keer per jaar komt zijn naam nog prominent voorbij; als een aanstormende dichter de naar hem genoemde prijs wordt toegekend. Zolang dát gebeurt, is C. Buddingh’ nog niet vergeten. Het deel dat ik van de week kocht is de eerste druk. Mooi uitgevoerd, nog goed in de band en een sieraad naast die andere delen. Leuven, Haarlem, Assen, Amsterdam – Buddingh’ zou er wel een klein versje aan hebben kunnen wijden.

16.7.21 Stadse fratsen Toch niet zo vreemd dat ik weleens het gevoel heb dat iets niet goed komt. Toegeven aan dat gevoel kan moeilijk, omdat je dan niet te weten komt of het gevoel het bij het juiste eind had. En toch is dat misschien wel het beste. Ik moest zoals gezegd voor de keramiste naar Huis ter Heide. Dat had ik beloofd. Het adres was mij bekend; Norgervaart 10a. Ik heb deze weg jaren bereden. Vanuit Oosterwolde, waar ik woonde, naar mijn werk in Assen. Soms reed ik binnendoor via de Domeinweg of via de Koelenweg, maar meestal ging ik gewoon rechtdoor langs de Norgervaart. De beide genoemde wegen zijn niet meer voor doorgaand verkeer in gebruik omdat Assen in die richting uitbreidt. Wat ik in al die jaren niet wist is dat de straatnaam Norgervaart uit twee gedeelten bestaat, het eerste stuk valt onder Bovensmilde en het tweede gedeelte onder Huis ter Heide. Dat moet je net weten. Ik reed naar 10a omdat dit pand -een in de lengte langs de weg staande boerderij- een galerie bevat en het leek me niet onlogisch dat ze daar zou wonen. Toen ik hier echter niemand aantrof en ook in het gebouw geen licht zag branden, reed ik terug om op nummer 10 aan de Bovensmilder kant te checken of zich daar ook een a-nummer bevond en of bijgeval daar de keramiste woonde. Dat bleek niet het geval. ‘U moet 3 kilometer verderop zijn’, sprak een moeilijk Nederlands sprekende mevrouw. Daar kwam ik dus net vandaan. Ik reed nog eens terug, parkeerde andermaal en liep nu helemaal rond het gebouw. Er stonden een aantal werktuigen die gebruikt worden om in de winter de wegen schoon te houden en er stonden heel veel verkeersborden. Het zal wel een dependance van de gemeente zijn, dacht ik. Geen mens te zien. Ik voelde mijn irritatie stijgen en belde mijn vrouw. Als troost om dit voor-niks-ritje zei ze dat ik, nu ik toch in de buurt was, maar even naar Assen moest gaan en een boek of een cd moest kopen. Dat kon ik wel gaan doen. Er was een nieuwe Dylan en een nieuwe Springsteen. Ik parkeerde aan de Oude Beilerstraat en liep naar de binnenstad. Bij warenhuis Vanderveen kocht ik beide cd’s en stak nog even over naar de nieuwe locatie van boekhandel Van der Velde en kuierde daarna naar de Kerkstraat. Daar is een alleraardigste Terra des Hommes-winkeltje. ‘50% korting op alles!’ schreeuwde een uithangbord. Even kijken bij de boeken. Ik had mijn kop amper opzij gelegd om de titels te kunnen lezen, toen een al wat oudere dame vanuit het niets sprak: ‘Gek hè, mijn grootvader had een boekenwinkel, mijn vader en ik zelf later ook. Ja, nu niet meer hoor. Maar ik moet toch altijd even kijken als ik zo’n boekenkast zie’. Ik had nog niets teruggezegd of een tweede dame -al even oud en uitgemergeld- zei: ‘Goh, ik ben opgegroeid in een fruitwinkel en mijn man kwam ook uit het fruit, toevallig hè’. ‘U bent allebei erfelijk belast’, zei ik met gespeelde verbazing. ‘Dat kunt u wel zeggen’, zei de eerste. ‘Mijn vader was boer’, zei ik ‘maar ik houd ze zelf graag binnen’. Er viel even een stilte, toen begon dame een te lachen. ‘Ik heb ‘m door’, schalde ze door het winkeltje. ‘Meneer houdt zijn boeren binnen’, legde ze uit aan dame twee. ‘Oh ja, wat knap van u om zo ad rem te reageren’, zei ze. Het is een gave, zou ik André van Duyn kunnen nazeggen, maar ik hield me in. Ik ontdekte tot mijn verrassing nog een deel uit de dagboekenreeks van C. Buddingh’ en liep ermee naar de kassa. Dame twee paste een broek en liep op kousenvoeten door de winkel. ‘Zes euro maar’, zei ze heupwiegend en terloops vroeg ze mij hoe het stond. Was ik me daar ineens keurmeester. Met die 50% korting in gedachten, zei ik ‘U kan het hebben en voor die drie pietermannen zou ik het niet meer uitdoen’. Ze lachte krakerig en zei dat het bij hun in Rotterdam toch allemaal een stuk duurder was. Dame een zei nu dat ik zou mogen willen dat ik zo’n vrouw als haar getroffen had. Ik zei dat ik zo’n vrouw heb en dat zij ál haar kleding hier koopt. De al even oude kassajuffrouw keek geschrokken op en glimlachte vertederd. Ik nam nog een mooi kleedje van een stapel. Daar kon mijn vrouw nog wel iets mee. Voor twee euro had ik kleedje en Buddingh’. Het debacle van Huis ter Heide was gaandeweg opgelost. In de auto op de radio hoorde ik dat Drenthe vanwege het coronavirus als code rood gemerkt is. Dat zou kunnen betekenen dat binnenkort iedereen zich in winkels weer mondmaskeren moet. Met zo’n lapje voor mijn snufferd en zonder bril is het niet plezierig winkelen. Ik had op tijd gescoord en het was nog leuk ook.

15.7.21 Voortschrijdend inzicht De EU scherpt de regels wat betreft de uitstoot van CO2 en andere schadelijke stoffen aan. De zogeheten Green Deal moet de ergste malaise waar de mensheid voorstaat op den duur wegnemen. Ik geloof eerlijk gezegd nog niet zo in die globale omslag. Over een jaar of tien zal in die nieuwe opzet benzine verleden tijd zijn en moet daardoor elk vervoermiddel aan de oplaadpaal. Mooi idee, maar de infrastructuur kan dat niet aan, zeggen de experts en hackers zo blijkt nu kunnen naar het schijnt makkelijk inbreken in deze energievoorzieners en dan ligt heel Nederland op zijn gat. Dan heb ik het nog niet eens over het opwekken in centrales van de elektriciteit voor al die voertuigen. Nu zijn we daar gas, kolen of hout voor nodig, want het aandeel zonnepanelen en windmolens is lang niet voldoende om ons van genoeg stroom te voorzien. Geen juichend vooruitzicht. Hoezeer ik elke verandering om zuiniger om te gaan met de natuur toejuich, zal het toch uit de mens zelf moeten komen om de wereld (lees: de mensheid) te redden. De wereld gaat niet ten onder, maar een catastrofe dreigt. Dieren en natuur zullen na de instorting welig tieren en hier en daar zullen enkele kleine mensenstammen voortleven. Zo zie ik het voor me. Is dat grotesk doemdenken? Zou kunnen. Maar afgaande op de berichten, kan ik niet anders. De oplossing ligt denk ik alleen in zuiniger leven. Zolang dat niet gebeurt, zal er niet wezenlijk veel veranderen. Ben ik zelf een voorbeeld om het tij te keren? Nee. Ik zeg het in alle eerlijkheid. Ook mijn vrouw en ik rijden voor ons plezier naar het Hogeland of naar Meppel. Het zijn geen monstertochten, maar al die ritjes bij elkaar opgeteld zorgen toch voor een behoorlijke belasting op ons leefmilieu. Dat moet anders, denk ik dan, maar het gebeurt niet. En ook wij schaffen weleens niet essentiële zaken aan. Het is te makkelijk om naar anderen te wijzen, naar al die potverteerders die zo nodig een hottub in de tuin moeten hebben of met hun campertje naar Spanje of Griekenland afreizen. Wij ondersteunen geen enkele sportgebeurtenis, om iets te noemen, en sporters gebruiken heel veel energie om hun liefhebberij te kunnen beoefenen en genereren daarnaast enorm veel afval. Denk maar aan al die drankjes, waarvan ik en zovele andere zwerfafvalopruimers de omhulsels tegenkomen. Maar het zou regelrecht oorlog worden als de Staat een evenement als de Grand Prix die Zandvoort op de kaart moet zetten om milieureden zou verbieden. Het zou hypocriet zijn om dit alles als één van de grote boosdoeners aan te wijzen. Want ook wij verteren meer dan goed voor ons is, hoewel we onszelf -ik voorop!- prijzen door regelmatig voedsel te kopen dat vanwege de houdbaarheidsdatum voor een prikkie in een grabbelbak ligt. Natuurlijk, alle kleine beetjes helpen, maar niet genoeg om ons op de borst te slaan. Het is tegen elven, het stortregent en mijn vrouw zag tot haar schrik lekkage in onze slaapkamer. Lichte paniek! Er zullen en sneller dan we voorhielden nieuwe ramen moeten komen. Ook dat vergt weer het nodige materiaal. Kunststof, want hout wordt onbetaalbaar, moet bovendien worden geverfd en is dus extra milieubelastend. Vanmiddag heb ik een afspraak met een keramiste in Huis ter Heide, bij Assen. Ik heb beloofd een stukje schrijven voor een kunstproject, maar ik moet het werk van haar eerst zien om er iets over te kúnnen schrijven. Is het nodig dat ik hiervoor heen en weerom zo’n 70 kilometer rijd? Ik heb het weliswaar toegezegd. En eind augustus heb ik ook toegezegd enige verhaaltjes voor te lezen tijdens een kunstmanifestatie te Gees. Ik doe dat graag, daar niet van, maar kán het wel, is het moreel nog wel verantwoord? Moet ik mijn voetafdruk juist niet kleiner maken? Het ophokken door corona heeft mij nog meer doen inzien dat we moeten minderen. Ik denk wel dat ik er naartoe ga en dat ik dan misschien dit stukje voor ga lezen. Opdat al die schrijvers en dichters en kunstenaars weten dat wat ze doen prachtig is, maar dat we tevens moeten inschikken. Dat het belachelijk (verwerpelijk?) is dat een dichter of schrijver voor een optreden van een kwartiertje, zoals afgelopen weekend in Haren, helemaal uit België komt of een doorsnee popbandje of liedjeszanger uit Amerika of zelfs Australië. We moeten ons realiseren dat indien we de opwarming van de aarde serieus nemen, het zo niet langer kan. Hopelijk worden ze niet gemotiveerd om juist nog meer werk te leveren, onder het mom Nu Kan Het Nog! Zo bezien kan ik mij maar beter gedeisd houden.

13.7.21 Te vergeten dag Er zijn dagen die een mens, als hij er voortijdig weet van zou hebben, met plezier zou overslaan. Gisteren was zo eentje. Ik kijk er nog slechts met achting op terug. Hoe culmineerde die dag tot wat het werd? Daarvoor moet ik terug naar de vrijdag er voor of eigenlijk nog veel verder terug. Mijn vrouw had al weken last van een kies en er was middels enkele behandelingen het een en ander aan gedaan, maar het probleem loste zich niet op. Vorige week leidde dit tot verhevigde pijn in de kaak en daarvoor ging ze andermaal naar de tandarts. Deze constateerde dat de wortel ontstoken was en dat zij de kies in deze toestand niet kon trekken. De verdoving zou niet goed werken. Daarom schreef zij haar een antibioticum voor die ze bij de plaatselijke apotheek kon afhalen. Het was tegen halfvijf toen we bij de apotheek arriveerden. Mijn vrouw kreeg de antibioticum en las op het bijschrift dat het middel lactose bevatte. Daar is ze enorm allergisch voor. Ze liep terug naar de apotheek, waar men haar te verstaan gaf dat zij daar niets aan konden doen, want de tandarts was immers de voorschrijver en zij hadden enkel het genoemde middel te verstrekken, daarmee hield hun taak op. Ook de geraadpleegde doktersassistent kon verder niets doen omdat er geen bevoegde arts aanwezig was. Inmiddels was de tandartsenpraktijk gesloten en belde mijn vrouw het weekendnummer van de tandartsenij. De dame aan de lijn zei dat mijn vrouw toch het middel maar moest gebruiken, er zat eenvoudig niets anders op. Het enige wat de apotheek kon doen was haar het middel domperidom adviseren, maar daar moest de arts permissie toe geven. Maar dat middel bevat óók lactose. Het is bijna ondoenlijk om een medicijn te vinden waar geen lactose in zit. Het moet een hel zijn voor veganisten om aan de nodige diervrije medicijnen te komen. In lichte paniek keerden we naar huis. Met veel maagpijn en braakneigingen kwam mijn vrouw het weekend door. Gistermorgen belde ze meteen naar de tandarts om te overleggen hoe dit verder moest, want zonder afname van de ontsteking zou trekken van de kies morgen moeilijk gaan. Hij zou een ander middel voorschrijven en dat kon ze meteen halen bij voornoemde apotheek. Nu kom ik in beeld. Tegen een (13.00) uur reed ik naar de apotheek, zei voor wie ik kwam en kreeg te horen dat mevrouw de voorgeschreven medicijnen vorige week toch al had gekregen. ‘Maar dat zijn niet de goeie. Daar zit lactose in en dat kan zij niet verdragen. Ze heeft zo-even met de tandarts overlegd en die zou haar andere voorschrijven en het aan jullie doorgeven’, zei ik. Apothekersassistente no.1 zei dat er nog geen mail was binnen gekomen en dat ik er eventjes op kon wachten. Of indien ik nog een boodschap in het dorp te doen had over een halfuurtje eventjes terug te komen. Ik had niet meteen een boodschap, maar liep een ommetje. Ik vermoedde problemen. Na dat halfuurtje was er bij de apotheek nog geen bericht van de tandarts en toen dat er na een extra telefoontje wél was, bleek het precies hetzelfde medicijn te zijn als welke mijn vrouw al thuis had. ‘Dat kan zij juist niet verdragen’, zei ik met groeiende irritatie. Maar als ik een ander middel wilde hebben, dan zou ik contact op moeten nemen met de tandarts, want díe had het voorgeschreven en alleen díe kon het recept wijzigen. Ik wilde haast zeggen dat je in Nederland makkelijker aan een kilo cocaïne komt dan aan een pijnstiller. Ik reed naar het tandartsenbedrijf dat gelukkig niet zo ver van de dokterspost annex apotheek gevestigd is. Ik legde het probleem aan de receptioniste voor. Ze had al gebeld met de apotheek, maar mevrouw had afgelopen vrijdag het juiste middel gekregen. ‘Neehee’, zei ik ‘ze moet een middel hebben waar geen lactose in zit’. De receptioniste zou het nu expliciet doorgeven. Ik weer terug naar de apotheek, waar plotseling een rijtje wachtenden stond. Het was kennelijk apotheekspitsuur. Na een halfuurtje was ik aan de beurt. Ik deed met bijna overslaande stem verslag van de tandartsassistente. Apotheekassistente nr. 2 kon weinig anders zeggen dan dat mevrouw afgelopen vrijdag de juiste medicijnen had gekregen en dat apotheekassistente nr. 3 toevallig net de receptioniste van de tandarts aan de lijn had. Dus even geduld aub. Na enige tijd legde nr. 3 mij uit dat zij had overlegd met haar baas, want in het bestand stond niet dat mevrouw geen lactose kan verdragen. Ze zou kijken of er toch iets anders te vinden was. Mooi. Na weer enige minuten kreeg ik van haar te horen dat er geen antibioticum voorradig was zonder lactose. Wél zei ze waren er pilletjes te verkrijgen die de lactose onderdrukken. ‘Misschien is dat wat’, zei ze. ‘Doe maar’, zei ik gelaten. Ik wilde niet met niets thuiskomen. Disolact-lactase, heet het spul. Voor 27euro50 was ik de man. Ik ben beslist niet van het adagium baadt het niet dan schaadt het niet, daarmee spek je in de regel alleen de beurs van een op geld beluste kruidenboer. Het was inmiddels halfvier. Ik had om drie uur een afspraak met de garage. Dat werd dus een uurtje later. Mijn gemoed stond nog steeds op zwaar weer. De garagehouder was mild. Dat scheelde. En de pilletjes hielden bleek later de beroerdheid enigszins tegen. Daarna legde ik me eventjes te ruste. Wordt vrees ik vervolgd, dacht ik en viel met een boek in de hand in slaap.

11.7.21 Opgelegde isolatie Precies vijftig jaar geleden bevond Godfried Bomans zich op Rottumerplaat. 11 juli 1971, net als nu een zondag. Ik herinner me die over-en-weer-praatjes op de radio nog goed. Aan de ene kant Bomans, aan de andere kant Willem Ruis. Wat ze precies zeiden weet ik niet meer, maar omdat ik mij in die jaren begon te interesseren voor boeken -dat is een groot woord voor lectuur en/of literatuur- kon ik niet om Bomans heen. Simon Carmiggelt en Toon Kortooms gingen hem al voor. En dichters als Buddingh’ en Leo Vroman uit Dichters van deze tijd. Gekocht bij M.A. van der Kuijl, Kruisstraat 20 te Assen, die er als een baken tegen de verinternetting nog steeds huist. Ik was in alles een beetje laat; met de literatuur, met de poëzie, met de liefde en wie weet met het ontwikkelen van hetgeen men ambitie of eerzucht zou kunnen noemen. Voor MAVO 3 -pas in 1975 via NTI gevolgd- moest de pupil voor Engels een Engelstalige schrijver kiezen. Ik koos Tortilla Flat, The Pearl en Cannery Row van John Steinbeck. Voor buitenlandse literatuur koos ik Eén dag uit het leven van Ivan Denisovitsj van Alexander Solzjenitsyn en voor Nederlandse schrijvers Kort Amerikaans van Jan Wolkers en van Bomans de Pinkelman-serie. Ook een beetje uit grammietigheid, want op de lijst van voorgeschreven schrijvers en boeken kwamen Kortooms en Carmiggelt niet voor en daar baalde ik van. Wél Bordewijk, Mulisch en Elsschot, maar dat was zware kost en zei me toen nog niet veel. Voor het vak aardrijkskunde vertelde ik over mijn eerste reis naar de UK en we kregen een discussie -half in het Engels, half in het Nederlands- over het waterpeil tussen de Noordzee en het vaste land, dat zeer in het oog springt als men in de sluis in de Humber ligt. Op alle vakken slaagde ik met vlag en wimpel. Best opmerkelijk, want op de lagere school ging ik meestal met moeite over en heb zelfs de vijfde klas moeten overdoen, ‘gedoubleerd’, zoals ik later uit een verhaal van Godfried Bomans leerde. Dat had voornamelijk te maken met de wijze van lesgeven van de meester en met mijn gebrek aan interesse voor de leerstof. Maar dat is een andere kwestie. Bomans stierf kort na het verblijf op Rottumerplaat. Er is heel wat nagepraat of het wel verstandig was Bomans in zijn uppie op die zandplaat te laten verblijven. Hij was nogal onhandig en kon zo zei men nog geen conservenblikje open krijgen. Door het gekrijs van de meeuwen kon hij slecht slapen en voelde hij zich doodziek. Jan Wolkers deed het daarentegen uitermate goed. Misschien heeft dit grote verschil in overlevingskracht er mede voor gezorgd dat Bomans extra sterk twijfelde aan zijn eigenwaarde. Een andere reden is misschien de dreiging die Bomans de laatste jaren te verwerken kreeg van een communistische groepering die zich ‘De Rode Jeugd’ noemde en die hem serieus met de dood bedreigde. Het experiment heeft zich na Bomans en Wolkers gelukkig niet voortgezet, dat wil zeggen op Rottumerplaat. Hoe zou ik mij redden op zo’n van mensen verlaten plek? Ik weet het niet. Ik ben nooit in de omstandigheid geweest een week alleen te zijn. Weleens een paar dagen, maar als het mij te gek werd, fietste ik even naar het dorp of maakte een rondje in de omgeving. Echt alleen en geen mogelijkheid iemand te treffen is wel eventjes iets anders. En de wereld is er sinds ’71 ook niet vriendelijker op geworden. Doorgeschoten egocentrisme en materialisme, levensgevaarlijke drugshandel en -gebruik, openbare bedreigingen, messentrekkerij en moordaanslagen van onder andere jeugdige raddraaiers maakt menigeen nerveus en somber. De maatschappij wordt, voor een deel mede veroorzaakt door de onzekerheid van het coronavirus en de van de staatswege opgelegde leefregels, steeds onrustiger. Maar zelfs op een onbewoond eiland weet elke idioot je tegenwoordig te vinden. Met die particuliere drones heeft wegkruipen geen enkele zin. Daar is geen kruid tegen gewassen. Of die rebelse groepering Bomans nog bedreigde nadat hij Rottumerplaat had verlaten is mij niet bekend, evenmin of de toenmalige BVD stappen heeft ondernomen om de belagers op te pakken. De aantekeningen van zijn verblijf op zondag 11 juli stemmen niet vrolijk. Dat het verstikkend heet is, dat hij koortsig is en zeer moe. Als je het leest krijg je vijftig jaar na dato nog bijna met hem te doen. Nee, ik zou het er geen dag uithouden. Ik zou sterven van ellende, zelfs zonder gevoel dat er aan de overkant iemand wacht om mijn leven gewelddadig te willen bekorten. Ik weet nog dat ik in de bus op weg naar mijn werk hoorde dat Bomans was overleden. Lichtelijk geschokt kocht ik bij Bé Ritchie in Assen -zoals ik vaker deed- het Algemeen Dagblad en las het met eigen ogen. Iedereen had het over de dood van Bomans. Het was alsof de bekendste, de beroemdste, de meest geliefde Hollander om zeep was gebracht. Zo voelde dat en zo voelde het van de week ook na de moordaanslag op Peter R. de Vries. … Aan het eind van het Dagboek, toen hij weer thuis was, schrijft Bomans: ‘Ik voelde mij als een deserteur die weer genadig ontvangen wordt’. Een deserteur? Een wegloper, een afvallige? Maar hij was niet weggelopen. Hij had zich er met zijn laatste krachten doorheen getrokken. Over overlevingskracht gesproken! Hij kon, zoals zijn literaire vriend Simon Carmiggelt zei, domweg geen nee zeggen. Hij was daar niet toe in staat en dat is hem misschien uiteindelijk noodlottig geworden.

5.7.21 Ruimtemannetjes én -vrouwtjes Af en toe raadpleeg ik mijn knipselarchief over iets waar ik op internet mogelijk in een wip uit zou zijn. De reden voor deze werkwijze is tweeledig: 1) het onderwerp op internet is dermate uitgebreid dat het me heel veel tijd kost de juiste informatie te vinden en 2) ik weet wat ik in mijn archiefje heb en het lezen van die stukken verschaft mij bovendien een hoop plezier. Ik lees bovendien liever van papier dan van een lichtscherm. Vorige week las ik dat Richard Branson binnenkort een ruimtevlucht gaat maken en dat hij hoopt een week eerder dit onzalige plan te realiseren dan zijn concurrent Jeff Bezos. Beide heren zijn rijk genoeg om dit soort bizarre plannen ten uitvoer te laten brengen. Ik ben mordicus tegen deze grootschalige materiaal- en geldverspilling. Nu is er de laatste tijd nogal wat te doen over ufo’s, ongeïdentificeerde vliegende objecten, ook weleens aangeduid met vliegende schotels. Daar kun je van alles van denken en dat doen er dus ook heel veel. Ze noemen zich ufologen en onderzoeken elk vreemd hemellichtje. Dat er in het onmetelijke universum uit zichzelf bewegende creaturen voorkomen, geloof ik graag, maar of wij er in dit ondermaanse ooit mee in aanraking zullen komen, iets minder. Niettemin lees ik er graag over. Boeken van zogeheten kenners als Charles Berlitz, Erich von Däniken, Allen Hynek en Julien Weverbergh las ik altijd met plezier. Het was vooral het stripblad Pep dat voor mij een voortrekkende rol speelde. Ruimtevaart was in die jaren zeer in trek, ik kon mij er helemaal aan overgeven. 20 juli aanstaande is het precies 50 geleden dat de eerste mens op de maan landde. Of er toen ook al werd gesproken over buitenaards leven, weet ik niet meer, maar het populair wetenschappelijk tijdschrift Kijk deed dat wel. Mogelijk is door dit blad mijn interesse voor dit facet van deze moeilijk te bewijzen wetenschap ontstaan. Het was trouwens één van de vele mysteries die de mensheid omgaven die me bezig hielden. Wat te denken van de piramiden, van Stonehenge, van onze eigen hunebedden en van zoveel immense bouwwerken… Hoe hebben mensen dat ooit kunnen maken? Er zijn geen verklaringen hoe ze dit hebben gedaan. Als lezer van Het Beste kocht ik in 1977 het boek De grootste mysteries aller tijden. Hierin staan een aantal van de letterlijk duizenden wonderen van menselijke bouwkunst. Maar omdát het maken ervan en uitgaande van het ontbreken van goed gereedschap een onmogelijkheid is, bestuderen mensen elke kras, inscriptie of astronomische aanwijzing om tot een oordeel te komen. Dat er mensen zijn die zeggen dat zulke bouwwerken niet door mensen, maar door goden zijn vervaardigd, is dus zo gek nog niet. De kosmonauten van toen, zijn de Bransons en de Bezossen van nu. De grafmonumenten van de Egyptische koningen, waar duizenden slaven wie weet honderden jaren aan hebben gewerkt, die het graniet met bovenmenselijke kracht van mijlen ver haalden om het met diezelfde bovenmenselijk kracht te bewerken en tot fabelachtige bouwwerken in elkaar te zetten…, datzelfde slavenwerk verrichten kinderen nu in de mijnen van onder andere Kongo, om de hoogwaardige materialen te delven waar die grote mannen hun wanstaltige, totaal overbodige kunstje mee willen uitvoeren. Eén van hun concurrenten, de door velen alreeds heilig verklaarde Elon Musk, heeft enige jaren geleden als een soort totem een automobiel uit eigen werkplaats de ruimte in geschoten. Een reisje naar Mars ligt in het verschiet. De vraag of er leven in de ruimte is kan ik dan ook positief beantwoorden, alleen; het is leven vanaf de Aarde. Niet vanuit de ruimte. Het idee dat de wereld ooit nog eens door marsmannetjes overspoeld zal worden, lijkt me voorbarig. En dan, waarom alleen marsmannetjes, waarom ook geen marsvrouwtjes? Dit kan niet anders dan uit de koker van een zeker soort mannen -jagers- zijn gekomen. Bij een mogelijke Marsbewonersinvasie zal dit raadsel als eerste moeten worden opgelost. Dat maak ik natuurlijk niet meer mee. Als Jules Verne nu zou leven, zou hij denk ik dezelfde vraag stellen. En in de geest van deze oervader van de science-fiction, zou hij de rotzooi van deze aardbewoners terugsturen met de opdruk ‘RETOUR VERVUILER!’. Inclusief de gemummificeerde paladijnen van Musk. Groen van kwaadheid zal de dan levende mens het opnemen als een stukje erfenis uit die bedenkelijke 21ste eeuw. Wij worden alvast bedankt!

3.7.21 Q-koorts Het valt me de laatste tijd steeds meer op dat de letter q met een opmars bezig is. De letter zal er zelf geen weet van hebben, want letters zijn tamelijk domme dingen. Wij mensen gebruiken ze alleen maar om te communiceren, zoals dat heet. Als praten niet voldoende is, communiceren we en dan is het oppassen geblazen. Voor al dat praten hebben we de facto aan 23 letters genoeg, de q, de y en de x hangen er een beetje voor pietjansnot bij. De maker van het welbekende leesplankje liet ze ook links liggen. Men zou in een nieuwe opzet Jet kunnen veranderen in Max, Teun in Yvo en weide in aquarium, ik doe maar een gooi. Maar de laatste jaren zie je steeds vaker bedrijfs- of merknamen met een q opduiken. Ik denk daar nu ineens aan omdat ik vanmorgen, terwijl ik de bermen van op- en afritten van de N33 aan het schoonmaken was omdat de weg voor onderhoud enige dagen is afgesloten, een busje op me af zag komen waar met grote letters Q-CUNX op geplakletterd stond. Daarnaast stond in kleine letters ‘onderhoud en reparatie van vangrails’ en een QR-code. Logisch dat er zo’n bedrijf moet zijn, want er wordt regelmatig en niet zachtzinnig tegen vangrails gereden. Het woord q-cunx deed me denken aan het boek De Quincunx van Charles Palliser. Mogelijk had de bedenker van de bedrijfsnaam deze titel in zijn of haar kop. Ik kon het de medewerker vragen, want het busje stopte naast me. Vanwege het mooie weer had de bestuurder zijn ramen open. ‘Goedemorgen meneer’, zei hij, ‘u bevindt zich op voor voetgangers verboden terrein’. Dat wist ik als geen ander. Ik zei goedemorgen terug en dat ik, nu de kans zich voordeed, bermafval raapte. ‘Dat is geweldig goed van u, maar u mag zich hier toch niet bevinden’, echode hij uit het boekje behorend bij de cursus vangrailonderhoud. Hij keek mij hierbij streng aan met een blik van wegwezen hier en vervolgde rustigjes zijn weg. Ik ook. Vanaf dat moment bleef de naam Q-CUNX door mijn hoofd malen. En stilaan ook andere q-namen en q-woorden, zoals Quasimodo, Quo Vadis?, Quad, Q65, Quadrophenia, qwerty, Queen, q-factor, Q-koorts en Q-Music. Ondertussen vulde ik mijn zak met rotzooi en liep tot het uiteinde van de oprit. Een honderdtal meters verderop stond het busje van Q-CUNX. Het was duidelijk dat de man mij in de gaten hield. Ik kruiste de rijweg, nam Rossi op de arm, klom over de vangrails en hervatte mijn werk van de afrit naar beneden. De man zou mij nu niet meer kunnen inhalen, tenzij hij als een dolle via de rotonde de andere baan zou nemen, heen en weerom al gauw zo’n kilometer of twaalf. Tegen die tijd zou ik allang weer terug zijn. Rossi huppelde rustig naast me. Toen ik dit stuk had gedaan, liep ik naar de andere kant en begon mijn tweede klim naar boven. Ook de auto-industrie de q heeft ontdekt. Ik viste uit mijn geheugen de Nissan Qashqai, de Skoda Enyaq en de Kodiaq, de Audi Q-serie en de Volkswagen Touareq. Dat waren er nog maar een paar. In de coronatijd was het woord quarantaine natuurlijk topic, werd Q-anon een gevreesde complotdenkerssite en was er veel te doen met de letters lhbtiq+. En in de medische wereld wordt het kennelijk intelligent gevonden om woorden te vervormen in cliniq, psyq en dentiq, wie weet schrijft die poenclub kut en pik ook al met een q, dacht ik verschrikt. Van de andere kant kwam nu inderdaad het busje terug. Dat had hij verdomd rap gedaan, of was er ergens een voor vangrailwerknemers geheim tussendoortje? Maar ik was al terug bij mijn eigen auto (een merk zonder q in de naam) en had de plastic zak met zwerfvuil in de afvalbak gedeponeerd. Hoewel ik wist dat ik in het zicht van enkele aanpalende huizen stond, trok ik toch mijn oude plunje uit en hees me in een nette broek en shirt. Nu kon die meneer van q-cunx me niks meer maken. Daarna zette ik koers naar V. om een paar boodschapjes te doen. Ik vond dat ik wel een traktatie had verdiend. Een kop koffie met een quarkgebakje. Bij qualiteitsbakkerij Quintus stond een queue. Dan maar even naar Querido voor een krantje en bij Quicky de aanbieding van de week een blik Quality Street, qua afstand een sprintje van niks. Toen was het mooi geweest. De ku begon op te spelen en wee als die plotsklaps de quarter-back zou krijgen. Dus gauw op huis aan!

30.6.21 Een fijne baan Je zou het zuur kunnen noemen of onredelijk, want ik had toch op zijn minst voor ander, lees: leuker werk kunnen kiezen, in plaats van achteraf te knorren. Da’s best waar. Maar de kachel moest nu eenmaal branden, er moest brood op de plank komen, voor pensioenopbouw gezorgd, plezierig geleefd en daarom nam ik banen aan die ik verantwoord achtte. In een kippenslachterij (wat een medewerker van het arbeidsbureau mij eens opdrong) zou ik het bijvoorbeeld nog geen minuut hebben volgehouden. Echt aangenaam waren de meeste van die tolerabele baantjes allerminst. Toch kijk ik er niet minachtend op terug. Waarom zou ik? Gedane zaken nemen immers geen keer, ik ondernam ook niet iets wat me misschien beter zou hebben gepast en heb er bovendien niemand kwaad mee gedaan. Oud-collega’s zullen als ze dit lezen mogelijk zeggen: ‘Maar ik heb bij jou nooit iets gemerkt van enige weerzin’. Ach nee, er gebeurt zo onnoemlijk veel onder onze ogen waar we geen weet van hebben. In het carrière najagen raken de groten der aarde niet zelden het spoor volledig bijster en telt het menselijk kapitaal slechts als inwisselbaar vlees. Ik heb het altijd zo gevoeld. In mijn werkzame leven, en ik bedoel met ‘werkzaam’ dat ik ervoor betaal kreeg volgens bepaalde richtlijnen, ben ik nooit door een werkgever gevraagd voor hem te werken. Afgezien van mijn eerste werkgever, die de gok waagde mij een bedrijfsopleiding aan te bieden, waarvoor ik contractueel drie jaar moest blijven, was er daarna geen enkele werkgever die op een of andere manier via een uitzendbureau of via mond op mond-informatie zei: ‘Die man wil ik hebben. Die heeft een uitstekende reputatie en een briljante cv. Dat is een topper!’. Ik had welbeschouwd niet hoeven bestaan, voor jou tien anderen, smeet een alreeds lang overleden personeelschef mij bij een strubbelingetje eens voor de voeten. Dat bedoel ik met ‘inwisselbaar’. Ik zeg dit omdat ik nu ruim zeven jaar uit het betaalde werkproces ben en voor het eerst min of meer voor een baantje ben gevraagd. Ik keek er lichtelijk onthutst van op. Het is een onbezoldigd baantje, dat moet ik erbij zeggen. Misschien had ik het in mijn werkzame leven ook meer op die toer moeten gooien, maar ja, wat moest er dan in die kachel en waar haalde ik het brood vandaan? Nu kan ik met een aardig opgebouwd pensioentje + aow toch nog een beetje voor spiegelglaskoning spelen. Het baantje betreft het bijhouden van de bibliotheek van ons dorp, dewelke zich bevind in het dorpshuis. Dat zet ik hier even ruim neer, want het betreft slechts een kast van een meter of zeven-acht lang en zo’n twee meter hoog. Binnen deze van planken voorziene opslag bevinden zich enige uitsparingen waar een paar lampjes en snuisterijtjes staan, want het oog wil ook wat en voor lang niet iedereen is een met boeken behangen wand een kostbaar sieraad. Ik zou kunnen protesteren, dat deze voor mijn gevoel loze ruimte het complete oeuvre van een Jan Wolkers zou kunnen bevatten, maar Wolkers’ werk staat de laatste tijd nogal onder druk en ik wil dit veenbrandje liever buiten de deur houden. Maarten ’t Hart zou ook kunnen, alleen die steggelt teveel met het geloof. Met schrijvers van voor de oorlog hoef ik niet aan te komen. Het grote gros van de collectie bestaat uit streeklectuur, misdaad en detectives. Hoewel de meeste andere vrijwilligers spreken over de bieb, houd ik het woord bibliotheek in ere. Ik ben maar wat blij met dit baantje en schaar mij in het rijtje grootheden als Annie M.G. Schmidt en George Orwell, die hun carrière ooit in een bibliotheek begonnen. Zoals gezegd, het aandeel streeklectuur is opvallend. Dit zijn verhalen die zich voornamelijk afspelen op het platteland waar een nogal nukkige boer het opneemt tegen onrecht en overgeërfd kapitaal, waarna er zo halverwege het boek een vrouw opduikt waarmee hij geen omgang mag hebben maar het toch doet. Die vrouw trekt de boel met de nodige bezieling vaneen en zorgt tegen een ondergaande zon voor een gelukkige afloop. Einde verhaal. Evenzogoed speelt het zich af tegen de kade van een vissersplaatsje of aan de rand van een uitgestrekt natuurgebied. Het patroon blijft ongeveer hetzelfde. Over dit genre doet de literaire goegemeente in de regel erg neerbuigend, wat mijns inziens onterecht is, omdat ook de boeken van grote schrijvers als William Faulkner of John Steinbeck grotendeels spelen op het platteland. Daarmee houdt verder elke vergelijking op. Naast misdaad en detectives sluit de rij af met het aandeel literatuur. Heel precies is de scheiding ook weer niet, want men vindt er naast de eigendunkelijke H. Mulisch ook werken van de grote Tukkerse denker H. Finkers. Ik heb om de uitleen van de boeken in goede banen te leiden voorgesteld één middag per week in de bibliotheek aanwezig te zijn. Een echt uitleensysteem heeft de bibliotheek niet, maar daar zou ik aan kunnen werken. Ik heb nog wel paar schriften liggen die ik hiervoor graag ter beschikking stel. We gaan echter in principe uit van het vertrouwen van de lezers. Mochten er toch gaten in de rijen vallen, dan vul ik die eventueel aan met boeken uit mijn eigen collectie. Zo houden wij beiden dit verstandshuwelijk op de been. Met een beetje geluk kan ik hier heel oud mee worden. Ondertussen besteed ik mijn tijd er lezend, schrijvend of in volkomen ledigheid.

25.6.21 Einde van het mondkapje Vanaf morgen vervalt de mondkapjesplicht. Mensen die het ding nog willen dragen zijn daar vrij in en ik vermoed dat dat er nog weleens heel veel zouden kunnen zijn. Mijn vrouw is bijvoorbeeld niet zo blij met deze rigoureuze versoepeling, eerder angstig, want voorziet een nieuwe virusgolf nu de deltavariant vanuit Engeland en Portugal onze kant op komt en we weer ongebreideld gaan reizen en tegen elkaar aan kruipen. Het schijnt dat onze twee prikken deze doerak aan kunnen, maar helemaal zeker weet men het niet en daar zit ‘m de crux. Een beetje ingegeven door de vrees voor een massale knuffelhoos, gingen we vandaag op de valreep op pad. De provincie in. Daar is het nooit echt druk. Ik behoorde gans de crisis niet meteen tot de angstigen, maar hield me wel strikt aan de voorgeschreven regels. We hadden gekozen voor Pieterburen. Niet vanwege de aldaar gevestigde zeehondencrèche, maar om Domies Toen weer eens te zien. Eerst even aan in Winsum, vorig jaar door de ANWB gekozen tot mooiste dorp van Nederland. Ik weet niet recht waar dit op gebaseerd is. Aardig dorp, meer ook niet. Het was er inmiddels al een stuk drukker dan vorige zomer toen we hier voor het laatst waren. De onderlinge anderhalvemeter afstand kon je wel schudden. Bij de Bruna kocht ik een NRC. Daarna reden we door naar Domies Toen, een pareltje in het verder onopvallend dorpje. Het is dat het zeehondenopvangcentrum veel bezoekers trekt, anders zou het niet veel meer zijn dan een doorrijdorp zoals Kloosterburen of Eenrum. Maar Domies Toen is prachtig. Het is de naast de Petruskerk gelegen eeuwenoude pastorietuin, waar naar het schijnt de vroegere dominees naast de schrift de plaatselijke boeren plantkunde onderwezen. Twee vormingen voor de prijs van één, zeg maar. Bij de Groninger boeren waren vooral slingertuinen vanuit het oogpunt van status in de 19de en 20ste eeuw enorm populair. De vroegere pastorietuin wordt door slechts een handjevol vrijwilligers onderhouden en herbergt een grote verscheidenheid aan stinzen- en heemplanten, een rozen- en een kruidentuin, een hele oude muur met de nodige planten en een vijver. Het wemelt er van de insecten en vlinders. Terwijl mijn vrouw zich na enige tijd met Rossi op een van de vele bankje nestelde om te genieten van de kleuren, de geuren en het gezoem, liep ik even naar de Petruskerk. Ik houd van die solide bouwwerken. Groningen stikt ervan, de één nog mooier dan de ander. Maar het geloof neemt af, dominees worden schaars en de godshuizen krijgen andere, veelal culturele bestemmingen. Niets mis mee. Op de toegangsdeur hing het beruchte gebod ‘In de kerk is het dragen van een mondkapje verplicht’. Er ontsnapte me een milde vloek, meende dat ik geen lapje bij me had, maar vond gelukkig een verfrommeld exemplaar in mijn kontzak. Dat zegt veel over hoe ik er in stond. Ik zeg ‘stónd’, want het is bijna en hopelijk voorgoed verleden tijd. Het moest nog even. In de kerk heerste totale rust. Ik was de enige aanwezige. Om het beslaan van mijn bril tegen te gaan deed ik mijn lapje onder de kin. Wie zou mij ook berispen? In het registerboek telde ik voor vandaag 21 bezoekers. Ik zette mijn presentstreepje als 22ste. Afgelopen zondag waren er 127 mensen geweest, las ik. Maar daar zouden natuurlijk ook de reguliere kerkgangers bijgeteld kunnen zijn. Ik liep de prachtige kerk door. Op een tafeltje stond een mandje met waxinelichtjes. Daar kon je voor 50 eurocent eentje van op steken. Voor iemand’s zielenheil of iemand’s lichamelijk herstel of voor een kwijngeval. Daar kwam ik niet voor, hoewel er genoeg naasten zijn om een kaarsje voor op te steken, áls ik er in zou geloven. Dat is natuurlijk verkeerd gezien, want het is niet de aansteker, maar degeen die het licht, de kracht of de warmte van de kaars ontvangt of om even middels dit kleine gebaar een geliefde te gedenken. Ik ben aardser ingesteld en heb meer fiducie in een kaartje of een praatje. Wat ik wel regelmatig doe -als zich de kans tenminste voordoet- is iets in het gastenboek schrijven. De laatste bezoeker (m/v?) schreef: Life is short, death is shure. Sin is cause and Christ the cure. Een Engelse gebedje of gewoon een verdwaalde Hollander die slim uit de hoek wilde komen? Kan beide. Of ben ik nu wat al te aanmatigend? Er stond verder niets bij. Ik hik een beetje tegen dit soort verheven taal aan en zonder verder bij een mogelijke consequentie stil te staan (eenzame opsluiting, verbranding, steniging?) schreef ik op een leeg plekje elders in het schrift: Als het leven kort is en de dood voorzegt, waarom dan u er niet meteen bij neergelegd. Ik keerde terug naar mijn vrouw, sprak nog even met een van de vrijwillige tuinonderhouders en daarna gingen we verder. Richting de kust. We zochten een bankje om een kop thee te kunnen maken en drinken en vonden die voor het geel geschilderde kerkje en de vroegere pastorie ‘De Weem’ in Westernieland. De naam weem deed me denken aan kunstschilder Henk Helmantel in Westeremden. Ook zo’n prachtige plek. We pakten onze handel uit en genoten. Ineens realiseerde ik mij dat dit het kerkje is waar de vader van Freek de Jonge heeft gepreekt en waar Freek als kind dus moet hebben rondgedwaald. Hij heeft er weleens over geschreven. Ik liep het kerkje binnen en ontwaarde één van die pareltjes waar Groningen zo bekend om staat. Naast ons waren er nog twee mensen. Zij kwamen uit Driebergen en zeiden dat ze ieder jaar naar Groningen reden om kerken, museums en andere zaken te bekijken. Dat is toch wel heel bijzonder. Ik hoorde op de radio eens een Amerikaan over Groningen zeggen dat het aardig leek op Montana, de staat waar hij vandaan kwam. Zo zie je maar dat je helemaal niet ver van huis hoeft om iets bijzonders te zien of te ervaren. We dronken in alle rust onze thee en snoven de lucht op van het Hogeland. Daarna reden we door naar de Linthorst Homanpolder, deden aan de dijk een groep van 16 jeugdige wadlopers uitgeleide en vervolgden onze weg richting de Eemshaven. Een totaal andere wereld. We passeerden Daam. Een bezoekje zat er niet meer in. Een andere keer misschien. We moesten op huis aan. Morgen kunnen de mondkapjes in de kast blijven, zei ik toen de windmolens bij Meden in zicht kwamen. Maar de drukte in Winsum deed mijn vrouw er nog niet toe besluiten. Zij zal vast niet de enige zijn. Ik houd het bij voorzichtigheid en bij twijfel ga ik een bepaalde winkel of gelegenheid niet binnen. Het is bovendien een goeie barrière voor mogelijke impulsaankopen. Dat is niet alleen goed voor het milieu, want ieder mens leert te zijner tijd het beginsel van spaarzaamheid. Tjee, heeft die ouwe Petrus me stiekem toch een lichtstraaltje ingeblazen…?

23.6.21 Strijden en lijden Ik was bezig in één van mijn Dagaantekeningen te zoeken naar het begin van de allergische verschijnselen die er uiteindelijk voor zouden zorgen dat ik het werk op de bloemenveiling niet meer kon doen en ontslag kreeg. Aanleiding van die zoekerij was het nieuwsbericht dat er op de meeste planten en bloemen van de verkoopzaken insecticiden zijn aangetroffen die al jaren niet meer in de EU gebruikt mogen worden. Ik lees zoiets wel vaker en denk dan altijd: Oh, maar dat weet ik al jaren. Gaandeweg het onderzoek betreffende de verschijnselen van de allergische reacties die ik ondervond, hoorde ik van mijn UMCG-dermatoloog steeds meer bijzonderheden over de bestanddelen waaruit de stof die mij besmette bestond. De grote boosdoener bleek vooral chloorthalonil te zijn. Een schimmelwerende stof. Een stof die naar ik later hoorde in Europa al sinds jaar en dag verboden is. Maar de bloemen kwamen uit Kenia, Afrika en de telers, waaronder veel Nederlandse, gebruikten het wel. In een toendertijds uitgezonden documentaire op de Belgische televisie bleken er in die kwekerijen meerdere mensen met precies dezelfde klachten en huidverschijnselen rond te lopen als ik. Ik voelde een sterke band met deze mensen, maar toen ik het daags erna tegen mijn afdelingschef zei, haalde hij zijn schouders op. Ik was des duivels. Het probleem met die mensen in Kenia was echter dat ze Zwart waren en Onmondig. Met andere woorden: ze vlogen er gewoon uit. Bij mij lag dat anders. Ik had een krachtdadige UMCG-arts achter me staan, die zelfs mijn werkplek bezocht en naar mijn handelingen keek en naar míj luisterde en niet naar mijn werkgever. Ik zei hoe ik de dozen met rozen opentrok, ze per bos in de snijmachine legde en ze daarna fustte en dat hierbij naar mijn idee de stof vrijkwam waar ik zo ziek van werd. Enfin, lang verhaal kort: Ik kon het werk niet meer doen en moest uiteindelijk de tent verlaten. So far, so good! Daar wilde ik over schrijven, over de onderzoeken die ik hiervoor in het UMCG onderging, over de jeuk en de op brandplekken lijkende wonden over mijn lijf, zelfs op plekken die helemaal niet in aanraking kwamen met die bloemen. Maar ik liep tegen een heel ander verhaal aan en dat verhaal vertel ik nu.

27.1.2008 Goede vriend Ton P. belde me vorige week of ik genegen was op zaterdag de 26ste een paar gedichten te willen voorlezen op het terrein van voormalig Kamp Westerbork. De reden is dat op 27 januari 1945 het vernietigingskamp Auschwitz werd bevrijd. Kamp Westerbork herdenkt dit met een avond vol sprekers en muziek. Het is natuurlijk een eer om hier een paar van mijn eenvoudige versjes te mogen voorlezen. Ik zei dus meteen ja op het verzoek dat iemand van de organisatie hem had gedaan. Men had mijn adres niet. Belangrijk was dat men indien ik toestemde wist wat ik ging voorlezen, zodat het in het draaiboek kon worden opgenomen. Ik noemde een paar titels. Ik was een van de deelnemers van de Zeuvendaagse-wandelaars, die enige maanden hiervoor het herinneringscentrum van het voormalige kamp hadden bezocht. Deze groep doorkruiste Drenthe en bezocht markante plekken, onder andere die waar schrijvers en dichters hadden gewoond. Maar ook het Herinneringscentrum. Wij zouden ons literaire licht over het Kamp laten schijnen en er over schrijven. Die opdracht kregen we van meneer Mulder mee. Ik had met die Zeuvendaagse amper meegedaan en het verbaasde mij dus dat ze mij er ook voor uitnodigden. Eigenlijk bezopen, dacht ik, om voor die paar gedichten, hooguit vijf minuten, helemaal naar Westerbork te rijden. Later trok ik die bromtoon weer in. Een hele trits mensen maakte hun opwachting en velen van hen kwamen helemaal uit het verre Westen. Dus ja, wat had ik dan te zeuren? De uitnodiging kreeg ik gisteren. Er zat echter geen gastenlijst bij. Ik had verwacht er op de avond zelf eentje te krijgen, maar dat lukte op een of andere manier niet. Ik wist dus niet wie er voorlazen en belangrijker nog: wanneer ik zelf moest. Ik heb ’s middags nog gewerkt en was tegen zes uur thuis. Het was bijzonder slecht weer; regen en wind. Dat kan nog wat worden, in zo’n tent, dacht ik. Want op de uitnodiging werd gesproken van een tent, vandaar. De locatie was bij de steentjes, de bijzondere plek waar door middel van 102.000 rechtopstaande steentjes de slachtoffers van de naziterreur wordt verbeeld. Van bovenaf bezien vormt het geheel de plattegrond van Nederland. Op elk van de steentjes is een Davidsster of een Vlammetje voor de omgekomen Joden, Sinti of Roma bevestigd. Bij dit zeer indrukwekkend monument zou de herdenking van de Bevrijding van Auschwitz zijn. Wij konden er met de auto niet komen. De uitnodiging vermeldde: ‘Auto’s parkeren op het parkeerterrein bij het Herinneringscentrum. Vanaf hier gaan er bussen naar de ingang van het voormalig kampterrein’. Maar bij de bus aangekomen bleek dat niet iedereen er in mocht. Hadden wij weer. ‘Mijn man moet zodadelijk voorlezen’, zei mijn vrouw nogal fel tegen de medewerkster die ons de toegang belette. Ik liet de uitnodiging zien. Toen mocht het wel. Een beetje een domper. Wij bevonden ons in een soort uitzonderingspositie en dat stond mij slecht aan. Dat zou je hier toch niet verwachten. Het handjevol uitverkorenen voelde zich wat ongemakkelijk, daar er buiten een aardige club gegadigden stond te blauwbekken. Er was bovendien ruimte genoeg in de bus. ‘De tent zit al bomvol’, liet de bovengenoemde medewerkster aan de mensen in de bus weten. Mooi is dat, dacht ik. Zou ik mijn plek afstaan aan een slecht-ter-bener buiten? Er werd overlegd, zo te horen. En toen ging de deur ineens weer open en met een ‘Sorry’ mocht iedereen toch mee. Vreemd. Terloops legde ze enkele programma’s voorin de bus om rond te delen, maar die bereikten ons niet. Bij de slagboom aan de ingang van het voormalig kampterrein bleef de bus staan en de chauffeur zei dat we naar de verlichte tent in de verte moesten lopen. Het was gelukkig opgehouden met regenen. Langs het pad er naartoe brandden fakkels. We liepen door de kledder naar de tent. Een man stond in het licht van een fakkel te urineren. Niks schuldige grond, gewoon afgeplagde Drentse heide. We liepen naar de ingang van de ‘voor’-tent, waar een dame onze namen vroeg dewelke ze aankruiste. Ze wees naar de tafel voor koffie en thee. Hiervan voorzien liepen we door een sluis en werden door meneer Mulder (Dirk) fluisterend verwezen naar twee lege stoelen achterin de ruimte. De ene stond echter twee rijen van de ander af, zodat we niet bij elkaar zouden zitten. Ik merkte echter toen ik mij al bukkend onder het schuin neerhangende tentdoek naar de aangewezen stoel verplaatste, dat er nog een tweede stoel vrij was en wenkte mijn vrouw naar mij toe te komen. Dat viel nog niet mee. Het bleek echter dat de mevrouw naast de stoel die ik voor vrij hield er half op zat. Ze was nogal breed uitgevallen. Mijn vrouw kon er nog met moeite bij. Ik zweefde op het randje van de buitenste stoel. Vlak naast me hing een knalrode brandblusser. Ik kon geen kant op. Hoe moest dat wel worden als ik plotseling werd aangekondigd? Maar die kans bestond niet, want er werd niets aangekondigd en ik had nog steeds geen programma kunnen bemachtigen. Aan de andere kant van het pad naast me zat Marga van Praag, die kende ik van de televisie. Ze zou later voorlezen uit De ontdekking van de hemel van Harry Mulisch. Verder had ik nog geen enkele bekende gezien. Die zaten zo later bleek allemaal vooraan. Ed van Tijn was net uitgelezen toen we binnen kwamen. Daarna zong Lianne Abeln met haar prachtige stem enige Groningse liederen. Alles wat er na kwam was onbekend voor me. Af en toe verlieten er wat mensen de tent. Er waren sprekers waarvan sommigen naar het mij toescheen de tijd ver overschreden. Niet zelden klonk er gezucht. De stoelen zaten ook niet lekker. Ik had een droge keel en onderwijl hadden we van onze buurvrouw, die godszijdank de stoel links van haar erbij had gecharterd, zodat we iets beter konden zitten, vernomen dat het programma uitliep en ik schatte dat ik pas tegen middernacht aan de beurt zou zijn. My God! Marga van Praag keek mij voor ze eindelijk aan de beurt was, vertwijfeld aan. Bovendien tochtte het onguur langs de ondernaad van de tent. Mijn vrouw was al spoedig versteend van kou. Toen de kans zich voordeed, liepen wij de tent uit. Deels om iets te drinken en deels om misschien ergens een warm plekje te vinden. We kropen aan een tafeltje die nog het dichtste bij een heteluchtblazer stond. In de tent las nu Pauline Broekema. Dat hoorden we via een luidsprekertje. Ik trof nu ook de eersten van onze schrijversclubje: Jan Glas en Suze Sanders. Al net zo verkleumd als wij. We praatten kort bij en ik ontving een pakketje met daarin een paar boekjes en een serie gedichten, waaronder die welke ik speciaal voor het boek van de Zeuvendaagse had geschreven. In de tent begon de Shtetl Band te spelen. Dat klonk heel aardig. We gingen weer naar binnen en konden ineens zitten waar we wilden. De regen kletterde op het zeil en overstemde zelfs de muziek. De sprekers hierna kwamen niet boven het lawaai uit. Door de plastic ramen keek ik naar de hel verlichtte steentjes. Een sinister gezicht. Heel af en toe haastte zich iemand onder een paraplu voorbij. Wij hielden het vol omdat ik nog op moest. Toen was het dan eindelijk zover. Van de Zeuvendaagse schrijvers en dichters waren er maar acht uitgenodigd. We moesten een beetje voortmaken, want het programma was meer dan een uur uitgelopen, zei iemand van de organisatie. Alsof wíj daar iets aan konden doen. Iedereen kweet zich aardig van zijn taak. Het was al even na middernacht toen ik eindelijk op moest. Ik zag Meneer Mulder bij de ingang staan luisteren. Dat deed me goed, want het gedicht dat ik voorlas speelt voor een klein deel in Wildervank en daar komt hij vandaan. Het gaat over ons paard dat de Duitsers wilden vorderen. Ze bedreigden mijn vader die het paard niet wilde afstaan met een karabijn. Maar mijn moeder sprong ertussen en de heren taaiden af. Allemaal echt gebeurd. Kort daarop kwamen -mogelijk andere soldaten of nsb-ers, wie zal het zeggen?- het paard toch halen. Het belandde uiteindelijk in Wildervank, waar mijn vader het direct na de oorlog weer vandaan haalde. Daarna deed ik nog een paar korte versjes. Mijn vrouw zei dat het goed over kwam. We gingen meteen naar de voortent, in de hoop vervoer te krijgen naar het Herinneringscentrum, want mijn vrouw moest nodig naar de wc. Zanger Egbert Meyers stond zijn gitaar te stemmen. We wachtten niet meer op zijn optreden. Ik kreeg op de valreep nog een tas met informatie als aandenken aangereikt. De fakkels waren uit, het voormalig kampterrein was aardedonker. Na een tijdje naderde er een pendelbusje. Hier zouden we mee terug kunnen. De tamelijk onervaren chauffeur manoeuvreerde moeilijk tussen de steentjes en de tent door en stopte bij de zijingang. De reden was dat de leden van de klezmerband inclusief hun instrumenten ook mee moesten. Het duurde enige tijd voordat iedereen een plek had. Zodoende zagen en hoorden we toch nog een staartje van Egbert’s optreden. Daarna waggelde het overbeladen busje naar het Centrum. Bij het uitstappen wensten we de jongens een goede reis. ‘Waar moeten jullie naartoe?’, vroeg ik. ‘We blijven vannacht in Westerbork, we gaan morgen wel weer terug naar Amsterdam’, zei een van hen. Eens, laten we zeggen 65 jaar geleden, moet dat heel vreemd hebben geklonken. Eenmaal in Westerbork betekende voorgoed afscheid. Al met al was het een hele bijzondere avond. Gelukkig hadden we nog een paar broodjes in de auto. Voor het geval dat… De hele avond had ik niets anders gehad dan twee bekertjes koffie, een gevulde koek en een flesje water die ik vlak voor mijn optreden kreeg aangereikt. Maar gezien de opzet en de reden van de avond zal ik niet klagen. Tegen twee uur waren we thuis. Mijn vrouw dook meteen onder de wol. Ik warmde mij op middels een doucheje, nam daarna een kop thee en keek de gekregen boeken en informatie eventjes door. Voor lezen was ik te moe. Drie uur was het toen ik voorzichtig naast haar schoof.

De kanker die ik enige jaren geleden kreeg te verduren werd, zo zei mijn arts, veroorzaakt door een verkeerd gen. Het kan zijn, dacht ik, maar die schimmelverdelgingsmiddelen vertrouwde ik ook niet. Ik zei al dat de wonden over heel mijn lichaam te vinden waren. Misschien had dit er toch wel mee te maken. Drie dagen na die herdenking op voormalig Kamp Westerbork maakte ik in mijn Dagaantekeningen voor het eerst melding van lichamelijke problemen. Mijn vingernagels gingen los zitten en bloedden regelmatig. Rara hoe kon dat? Ik tapete ze elke dag in met pleisters en droeg dikke werkhandschoenen. Ik kreeg ook last van vermoeidheid en daardoor bleef ik voor het eerst thuis. Dat was het begin van alle ellende. Een relatie kon ik nog niet leggen. Later wel en die bleek juist. Het gebruik van insecticiden en schimmelwerende stoffen vergroot de kans op kanker, zeggen meerdere wetenschappelijke rapporten. Hommels, vlinders en bijen sterven hierdoor bij bosjes. Misschien kreeg ik elke dag een ziekmakende dosis van deze troep in mijn lijf. Ik zal het nooit te weten komen en misschien is dat maar goed ook.

21.6.21 Gevolgschade Met het herstel van mijn broer Heildert, waar ik eerder al over berichtte, wil het niet echt vlotten. Hij heeft een drie weken durende bestralingskuur gehad, hetgeen hem heeft uitgeput en nu is hij zijn smaak ook nog kwijt, met het gevolg dat hij weinig eet. Hij ziet er al met al niet bijster gezond uit. En dat in nog geen half jaar tijd. Vorige week woensdag, tijdens de koffieochtend, legde onze coördinatrice hem de ‘kaart’-vraag (zie Smerig weer) voor of hij een mooie pubertijd had gehad. Alsof er bij hem een brisantbom afging. Zij wist natuurlijk ook niet wat ze veroorzaakte. ‘Nee’, zei hij Heildert zonder aarzelen, ‘ik heb een rotjeugd gehad. Ik moest al van jongsaf van alles en nog wat doen. Ik heb nooit echte vrijheid gekend. Het was een drama. Mijn ouders hadden vaak ruzie en mijn opoe en mijn moeder konden mekaar wel schieten. Nee, het was beslist geen mooie tijd’. Tot dan toe was de ochtend vrolijk verlopen. Nu viel er plotseling een diepe stilte. Dat is het risico van dit soort ogenschijnlijk leuke spelletjes. Het kan ineens verkeerd uitpakken en radicaal omslaan. ‘Of was het niet zo dan?’, zei Heildert mij aankijkend. Ik knikte lichtelijk geschrokken. Hij had volkomen gelijk en als zij mij die vraag had gesteld, dan zou ik er waarschijnlijk ook iets dergelijks van hebben gebakken. Maar niet zo fel en ook niet zo trefzeker. Want mijn jeugd is heel anders verlopen dan die van hem. Hij was min of meer veroordeeld het bedrijf op te volgen. Mijn vader bestierde een gemengd boerenbedrijf. Dat iemand van zijn zoons het moest overnemen was duidelijk. De oudste zoon zou er primair voor in aanmerking komen, maar die had plannen voor een eigen boerderij. De jongste zoon was er nog niet aan toe en dus moest Heildert ermee verder. Met het vee en met het land. Weliswaar in zekere maatschap met, maar toch… Heildert was noodgedwongen met het vee bezig, omdat oudste broer daar niets voor voelde. En Heildert moest wel voort met het vee omdat pa dit wilde. Hij zat aan handen en voeten gebonden. Dat bedoelde hij met onvrijheid. Oudste broer was een machineman. Hij deed het trekker-, het rooi- en het combinewerk. Ik zei eens tegen mijn vader dat Heildert dat toch wel kon leren. ‘Nee’, zei mijn vader stuurs, ‘dat kán hij niet’. Waar bemoeide ik mij ook mee. Hij achtte Heildert daar niet toe in staat, daar was hij niet capabel genoeg voor. Dit overduidelijke onderscheid heeft Heildert tot op het bot gekrenkt. Altijd, elke dag opnieuw was die man er die boven hem stond en die hem precies vertelde wat hij moest doen. Daar wordt een mens kriegel van. Heildert heeft dat langdurig van hem moeten verdragen. Want ook toen mijn vader allang uit uitgewerkt was, kwam hij om de haverklap nog langs en ventileerde de nodige kritiek en/of geklaag over zijn gezondheid. Vroeg of laat zou zich dat gaan wreken. Dat hij mijn vader nooit is aangevallen verbaasd me nog altijd. Die hele kapschuur vol sores kwam met die ene vraag los. Het ontblootte de aangetaste zenuw. Ja, wat moest ik zeggen? Ik hakkelde dat hij het van ons allemaal het slechtste had gehad. Mijn broer Harm, de muzikant, ging na psychisch te zijn toegetakeld, het huis uit en daarna langzamerhand wij allemaal. Op Heildert na. Hij was eventjes elders gaan wonen, maar zou in het huis van opoe komen wonen als zij verhuisde in een ander huis van mijn vader. Alzo bleef hij zijn onderhorige. ‘Ik was niet meer dan zijn slaaf’. Als een eruptie knalde de woede eruit. Het was deerniswekkend. Ik knikte bedremmeld, voelde me ongemakkelijk door deze rauwe bekentenis en ook medeschuldig aan zijn slopende bestaan. Maar had ik er ook maar iets aan kunnen doen? Had ik hem ander werk kunnen verschaffen? Nee, ondubbelzinnig nee! In een fabriek zou hij niet hebben kunnen aarden, in loondienst bij een agrarisch bedrijf evenmin en omdat hij weinig scholing had genoten bleven de mogelijkheden beperkt. Mijn vader, zijn baas, had het gewoon heel anders moeten doen. Hij had Heildert in zijn waarde moeten laten. Hij had hem óók het werk kunnen laten leren waar hij alleen zijn oudste zoon geschikt voor achtte. En, misschien wel het belangrijkste; hij had zoveel mogelijk weg moeten blijven. Zich niet elke dag met hem bemoeien. Maar ik heb makkelijk praten. Ik ging elke dag om zeven uur de deur uit en kwam tegen half zes terug. En ’s avonds zat ik in de voorkamer te lezen of te studeren en platen te draaien en ’s woendags, vrijdags en ’s weekends ging ik zo vaak als het mogelijk was naar een jeugdsoos in de buurt of naar een popconcert in Veendam, Assen of Groningen. Ik hoorde Heildert nooit over dit soort dingen. Misschien durfde hij het onder invloed van onze strenge vader ook niet. Ik distantieerde mij zoveel mogelijk van mijn vader, wat tot gevolg had dat ik ook mijn moeder steeds minder zag. Dat is de schrijnende, bijkomende schade. Maar was ik hierin een uitzondering? Nee, niet echt. Ik heb mijn vader zelden en dan nog voorzichtig lovend over één van de de aangetrouwden gehoord. Mijn vrouw stond ontegenzeggelijk op de laagste plek in dit rijtje. Er was een onverwachte stilte gevallen. Heildert keek me nog eens aan en zei ‘Of is het niet zo, Willem?’ Ik knikte en zei dat vooral hij het het allerslechtst had gehad. Misschien deed deze bevestiging hem goed. Misschien ook omdat ík het zei en niet iemand anders, want ik heb gevoelsmatig altijd vrij dicht bij hem gestaan en hoewel we overduidelijk in alles verschillen, hebben we toch dezelfde genen. Toen ik ruim drie jaar geleden met kanker te maken kreeg, kwam hij regelmatig langs om te vragen hoe het ermee ging en nu is het andersom. Zoiets kun je niet voorzien. Heildert had zijn hart gelucht. Er zat nog veel fysieke en psychische pijn, dat voelden we wel, maar we moesten voort, het liep immers al tegen halftwaalf en ik moest mijn verhaaltje ook nog voorlezen… en dus bleef het erbij. Laat nou eerst die tumor maar es verschrompelen. Dan zien we wel weer.

18.6.21 Kouwe ontmoeting Mijn vrouw moest haar tweede prik en dus op naar Assen. Nou ja, dat is te zeggen, feitelijk is het vaccinatieterrein een eind buiten Assen, naast het TT-circuit. Bij de ingang van het circuit waren mannen druk bezig reclamedoeken op te hangen, want hoewel met een beperkt aantal bezoekers, gaan de motorraces in tegenstelling tot vorig jaar nu wel door. De laatste keer dat ik een trainingsdag meemaakte was in 2005. Ik weet dat, omdat ik een aantal foto’s maakte van de solitaire boom die achter de Strubben stond. Als een soort aandenken. Want dat hij niet zou overleven was mij wel duidelijk. Kort erna kwamen de geruchten dat het braakliggend terrein bestemd zou worden voor een evenementenhal en/of een outletcentrum. Vanwege de mengeling boosheid en verdriet had ik geen zin meer in die TT. De nawee voor het sneuvelen van een boom ten gerieve van het menselijk genot, kan bij mij jaren door sudderen. Maar zo’n racedag met alles erop en eraan werd me ook te veel en vooral te druk. Het outletcentrum ging gelukkig niet door, de hal wel. Ik ben er tot op heden nog nooit in geweest. Een gedeelte van het enorme parkeerterrein naast de hal wordt nu voor zolang het nodig is gebruikt als vaccinatielocatie. Ik zette mijn auto op een van de gravelstroken en we stapten uit. Mijn vrouw deed haar mondkapje voor en liep naar de vaccinatietent. Ik zei dat ik in de tussentijd even naar de hal wilde lopen. Ik wilde het, nu ik voor de vierde keer zo dicht in de buurt was, weleens van dichtbij bekijken. Ik liep op de enorme doosvormige hal af. Het was nog een aardige tippel. Negen parkeerbanen telde ik, de brede weg rond de hal niet meegerekend. Hier aangekomen keek ik door een van de ramen naar binnen. Een enorme lege ruimte was al ik zag. Binnen liep een vrouw die mij zag kijken. Ik groette haar door mijn hand op te steken en liep verder. Bij het bord INGANG stond een hokje met twee stoelen ervoor. De deur van het hokje stond wagenwijd open. Achter een tafeltje zat een man die meteen opstond en naar me toeliep. Het was een zwarte man, de kleur zwart die ik ken van mensen uit de hoek van Eritrea. Ik boog me iets naar voren om hem beter te kunnen verstaan en hoewel ik minstens een meter of drie van hem verwijderd was, gebaarde hij verschrikt op afstand te blijven. Ik zei nu dat ik gewoon even wilde kijken, meer niet. Hij begreep het niet en gebaarde mij andermaal afstand te bewaren. De vrouw die ik binnen had zien lopen trad nu ook naar buiten en vroeg de man kennelijk wat die snoeshaan wilde. Hij haalde zijn schouders op. Ik vroeg nu of er binnenkort al weer iets stond te gebeuren. Ze keek me enkel aan en gaf geen sjoege. Wonderlijk, dacht ik. Was dit conform hun instructies: Ga met niemand in gesprek? Ik voelde me een indringer, een vijand in een verboden gebied, terwijl toch nergens borden stonden. Misschien waren de eerste ordetroepen al onderweg. Niet als een oversprongreactie, maar omdat ik dat nu eenmaal gewend ben, raapte ik een paar blikjes en petflesjes op en gooide ze in een prullenbak. Ze bekeken mijn handeling met wantrouwen. Dat rommeltjesrapen zouden zij ook kunnen doen, maar daar waren ze denkelijk niet voor ingehuurd. Waarvoor wél, ja dat wist ik ook niet. Lichtelijk aangeslagen liep ik terug naar de auto. Het voelde alsof ik iets onoorbaars had uitgespookt. Naast onze auto stond nu een Peugeot 207CC met open dak. Er zat een al wat oudere man achter het stuur. Ik groette hem, hij groette amper terug, hij keek strak op zijn mobieltje. Ik nam een boek, maar van lezen kwam niet veel. Dat gevalletje bij die hal hield me nog te zeer bezig. Bovendien, als ik ergens op een terras of in de auto zit te wachten, vang ik teveel beelden en geluiden op. Voorbij lopende mensen, snippers gesprekken en welke auto’s mij passeren. Na een aantal minuten stapte er een man van middelbare leeftijd in bij de man in de Peugeot. Ze begroeten elkaar luid. Daarna reden ze weg. Meteen schoof er een Volvo XC40 op de ontstane plek. Tegenover mij stond ook een Volvo, een V60 en daarnaast een Volvo XC60. Het stikt in Nederland van de Volvo’s. Het werd nu zelfs met alle ramen open bloedheet in de auto. Gelukkig kwam mijn vrouw al snel weer terug. Terwijl we het enorme parkeerterrein afreden vertelde ik van het voorval bij de hal. Ze vond het gek. ‘En dan zulke levensgrote borden met in koeienletters WELKOM erop en toch zo afstandelijk doen, ja dat is vreemd’, zei ze. Terug op de grote weg was ik het gevalletje spoedig kwijt. Ik dacht nog wel even aan de boom. Zou ik nog kunnen uitvogelen waar-ie precies had gestaan? Ik denk het niet. Het voelde een beetje als een schuldig terrein. Nou ja, we zullen er misschien wel nooit meer komen, want we waren allebei gevaccineerd. Er viel me plotseling een slogan in om eventueel op een oud T-shirt te kalken: ‘Zegt het voort – ik ben gevacciNOORD!’. Kan iedereen het zien. We zouden als we willen binnenkort weer naar van alles toe kunnen, maar we huldigen al jaren het standpunt ‘oost west- thuis best’. Dat zal ook na de coronapandemie denk ik niet echt veranderen.

16.6.21 Smerig weer Officieel nog niet eens zomer, maar toch al bloedheet. Ik kan er slecht tegen, heb weinig weerstand. Ik denk met groot respect aan wegwerkers, boeren en bouwvakkers et cetera die onder deze barre omstandigheden hun werk moeten doen en dan komen onbewust ook altijd beelden op uit concentratiekampen. Wat moet dat met zulke hitte een ongekende hel zijn geweest. Ik wil er niet aan denken, maar het zit door de vele films en boeken in de genen van mijn geheugen. Niets aan te doen. Vanmorgen was de koffiegroep weer bij elkaar. Bijna anderhalf jaar was dat met een korte onderbreking niet mogelijk. De coördinatrice had een spelletje bedacht om ons een beetje los te maken. Ze trok uit een trommel steeds een kaartje met een vraag en daar dienden wij op volgorde op te reageren. Dat gaf naast de nodige hilariteit ook ongemakkelijke aarzelingen. Wat te denken van de vraag: Wat zou je er van vinden als je buren je mee zouden vragen naar een nudistencamping? Eerst lachten wij onze gêne luidruchtig weg, maar daarna ontstond er een levendige discussie over nut en noodzaak van het dragen van kleding. Ik hield me er onder het mom slippery when wet wijselijk buiten. Ik ken mijn uitglijers. Als ik de vraag had gekregen en dus genoodzaakt was het te beantwoorden, zou ik misschien het verhaal hebben verteld hoe wij ooit nabij Callantsoog op een stukje strand dat bedoeld was voor naaktbaders verzeild raakten. Wisten wij veel. We zeggen zo makkelijk dat wij ongekleed allemaal hetzelfde zijn. Ik ben het daar toch niet mee eens. En dat als men eenmaal uit de kleren is alle schaamte wegvalt. Lijkt me sterk. Anatomisch gezien mogen we dan op elkaar lijken, ik houd toch het liefste op zijn minst één kledingstuk aan. Die bewuste middag stroopte ik mijn broekspijpen op en rende het Noordzeestrand over de branding in. Ik had het waterpeil echter fout ingeschat en tegelijkertijd spoelde een golf tot aan mijn middel. Mijn vrouw lag te brullen op een strand. Ik sjokte enigszins geschrokken terug en trok mijn drijfnatte kleren uit. Vanachter een paar rechtopstaande pallets zag ik nu de hoofden van een jongen en een meisje. Ze hadden denkelijk mijn kamikaze met plezier gadegeslagen. Nog slechts gekleed in onderbroek legde ik mijn broek en shirt te drogen. Mijn vrouw voer aan dat ik best ook mijn onderbroek uit kon doen. ‘Er is geen mens die je kan zien’, zei ze. Maar ik deed het om bovengenoemde reden niet. Na een uurtje waren mijn kleren weer droog genoeg om verder te gaan en we liepen het duinpad op. Toen ik alzo achter die pallets kon kijken zag ik dat die twee mensen spiernaakt lagen te zonnebaden. Dat was even schrikken. Boven gekomen zag ik een bordje staan met de mededeling dat er hier naakt gebaad kon worden. Of het naakt baden was al op zijn retour of het was te koud, want het was er akelig stil. Bij het er naast gelegen strandhotel was kleding op het terras verplicht. Een hele geruststelling. Een tijdje geleden zag ik een Engelse documentaire over een naturistenvereniging in de UK. Deze mensen kon je met recht diehards noemen. Ze flyerden op straat en spraken mensen aan langs te komen op hun natuurcamping. In een nachtclub enthousiasmeerden ze bezoekers zelfs om hun kleren uit te trekken. Daardoor ontstond er gedoe en werden ze de tent uitgezet. Ook op de natuurcamping was het verplicht altijd naakt rond te lopen. Zelfs mensen die aanvoerden het koud te hebben, werden door de baas van de vereniging eventjes ernstig toegesproken. Dat ging wel heel erg ver. Hun naaktloperij werd een obsessie. En ’s avonds rond de barbecue, met die blote, voor het merendeel te zware lijven, waarvan degeen die de stukken vlees ronddeelde met zijn tokes soms tot boven iemands bordje hing… Huh! Ik huiverde van weerzin. Nee, daar zag ik toch graag een stuk katoen tussen. Maar iedereen is natuurlijk vrij om er bij te lopen zoals hij of zij wil. Zolang het geen plicht wordt houd ik mij daaraan.

13.6.21 Automannen Op onze regiozender was een item over een rijtoertje van heren met Rolls Royces. Ik zeg heren, want de paar dames die ik zag, figureerden slechts als bermbloemetjes. Oldtimers en classics zijn speeltjes voor mannen (er zullen allicht uitzonderingen zijn) en in dit geval voor welgestelde heren. Het wordt door mensen die er verstand van hebben weleens gezien als een verlengstuk van hun ego, in extremo; een opzichtige compensatie voor wat ze in de praktiserende liefde tekort schieten. Ik vind dit een bedenkelijke zienswijze. Het zou namelijk betekenen dat hoe kleiner het autootje wordt, de berijder ervan een steeds verdienstelijker lady-killer, casanova, rokkenjager of hartenbreker zal worden en dat weiger ik te geloven. Ik spreek uit ervaring, want ik heb altijd klein gereden en ben nooit aangemerkt als een vrouwenversierder. Maar er zit wel iets in van exploitatie van ’s mans succes, niet voor niks staat het woord geslaagd in het woordenboek zo dicht bij het woord geslacht. Verdere connotatie mag u zelf invullen. Met ‘klein’ bedoel ik overigens een auto van onder de ton in gewicht en geschikt voor vier personen. Mijn eerste auto was een Fiat 850, de tweede evenzo een Fiat, type 127. Daarna kwam de Renault 4, vervolgens Ford Escort, Toyota, Suzuki, Mazda, Seat, wederom Suzuki en nu een Chevroletje. Allemaal tweedehandsjes. Ik ben slechts een keer afgerekend op mijn autootje. Dat was in de tijd dat ik een korte relatie had met een meisje uit Soesterberg. Ik zal haar naam niet noemen, je weet nooit wat voor akeligs er achter vandaan komt. Zíj was echter niet de steen des aanstoots. We zouden een zondagmiddag naar de Loosdrechtse Plassen en mijn liefje vroeg of ik het goed vond dat ze een vriendin meenam. Mij best. Voor een kouwe Noorderling is deze hoek van Nederland er eentje die men graag ontwijkt. Dat wist ik toen nog niet. Zelden heb ik zo’n omhooggevallen volksstam egotrippers bij elkaar gezien. Ik was er na een uurtje spuugzat van, temeer dat vriendinnetje het zo duidelijk en vooral luid voorzien had op zongebruinde surfplankers in voor mij belachelijke strandkleding. Het was indirect een aanval op mijn nogal stijve voorkomen. Nu kan ik veel hebben, maar toen het vriendinnetje op de terugweg mijn Renault ook nog eens belachelijk begon te maken, was de maat vol. Ik stopte bij een bushalte die aansluiting had op Soesterberg en sprak de historische woorden: ‘En nou ‘d eruit, opgesodemieterd!’. Tot mijn verbazing deed ze het ook nog. Mijn vriendin was geschokt. De verkering hield geen stand, dat spreekt voor zich. Later had ik een beetje spijt van deze drieste actie, want je leest wel eens dat meisjes op deze manier verkeerd terechtkomen en daar zou ik dan medeschuldig aan zijn. Het was natuurlijk een opeenhoping van frustraties. Sedertdien kom ik niet meer in de buurt van Soesterberg. Komt een man van eenvoudige afkomst als ik ooit in de buurt van een Rolls Royce? Dat is niet onmogelijk. Toen ik in 1973 voor het eerst op vakantie was in Engeland en in de stad York verbleef, nodigde een vriend van mij die in het naastgelegen Naburn woonde mij uit. Geheel onkundig met de timetable van de bussen en mogelijk ook door de gezelligheid kon ik die avond niet meer met de bus terug naar York. Jan zei, dan ga je toch liften. In die jaren was dat nog een heel gangbare manier om ergens te komen. Ik ging aan de uitvalsweg van het dorpje staan en al spoedig stopte er een joekel van een auto. Het werd bestuurd door een chauffeur met naast hem naar ik aannam de eigenaar van het vehikel. Dat merkte ik door hoe ze elkaar aanspraken. Ik had niet kunnen zien welk merk auto het was. Wel weet ik dat het een kasteel van een ding was en dat ik er zeer breed achterin zat. Op de vraag van meneer voorin waar ik heen moest, zei ik: ‘Eborstreet in York, sir’. Daar schrok hij lichtelijk van. Ebortstreet was namelijk niet het rijkste deel van York en zijn auto zou er nogal uit de toon vallen. Hij liet weten dat hij mij tot aan de rotonde wilde brengen. Daar ben ik uitgestapt en naar mijn logement gelopen. Ik streel mijn geweten met de gedachte dat het een Rolls Royce was. Op zich geen bijzonderheid, want in York was een Rolls Royce-dealer gevestigd en ik zag er elke dag meerdere rondtuffen. Gek hoe snel je daar aan went. Toen ik twee jaar later met mijn vriend Nico in zijn gloednieuwe Lada Engeland en Schotland doorkruiste, hadden we meer bekijks en aanspraak dan de doorsnee Rolls Royce-rijder. Zo zie je maar. De Rolls-rijders in het filmpje waren meer van het gewone slag. Het waren sleutelaars en liefhebbers. Bovendien is Rolls Royce allang niet meer het merk wat het ooit was. Het is eerder het symbool van een land in verval en vooral van oud geld. Nieuw geld verplaatst zich liever in een Maserati, een Jaguar of een Porsche. Hoe dan ook, voor mij blijft een auto gewoon een vervoermiddel, niet meer en niet minder.

10.6.21 Viskerman Op het bruggetje over wat de Nieuwe Hunze genoemd zou kunnen worden, stond een man met een hengel. De hengel zag ik eerst nauwelijks. Het leek een beetje alsof hij het voor mij verborgen wilde houden. Doordat de oude, gekanaliseerde Hunze verruigd is tot een moerassig bekken en het stromende water nu via het veel smallere nieuwe gedeelte haar weg zoekt, heb je vanaf dat bruggetje een mooi overzicht over het gebied en op de iets verderop gelegen vispassage. ‘ t Is een prachtige plek. Op mijn loopje met Rossi sta ik vanaf dat bruggetje als vanzelf een ogenblik te kijken naar het landschap en over het klotsende water. Denk er een horizon van bergen bij en je waant je in Schotland. Aan de verderop grazende runderen zal het niet liggen. Mensen die via dit pad lopen, zie ik vaak op het bruggetje eventjes stilhouden en tegen de houten leuning staan kijken. Nu stond er dus een viskerman op het bruggetje. Het was een ietwat plompe, oudere man met een zonnebril die een groot gedeelte van zijn gezicht bedekte. Misschien hoort het wel tot de moderne uitrusting van viskermannen. Het deed me meer denken aan het soort brillen die motorrijders dragen. Ik bleef zoals gewoonlijk op de brug staan en groette de man. Hij groette zuinigjes terug. Was ik wel oké? Was ik geen radicale dierenbeschermer? Dat zou hij best kunnen denken. ‘Wil’t wat?, zei ik. ‘Neeh’, zei hij en hij keek mij een halve seconde aan. Ik vroeg waar hij op viste. ‘Winde, ik vis op winde’, zei hij. Kennelijk was de kou uit de lucht, want ik zag hem een beetje ontspannen. Hij merkte nu wel dat ik geen visser ben, want echte vissers kunnen aan de kleur en de beweging van het water zien welke soorten er voorkomen. ‘Winde? Is dat een beetje te eten?’, zei ik. ‘Nee’, zei hij ‘het smaak niks, naar grond’. Ik zei nu dat ik hier vroeger ook weleens viste. Op brasem of op stekelbaars. Hij snoof. ‘Snoek is wel lekker’, zei hij toen, ‘maar zoetwatervis smaakt eigenlijk niks’. Ik zei er niet bij dat ik bijna nooit iets ving en dat ik al vrij snel met vissen was gestopt. Omdat ik het zielig voor die beestjes vond. Ik liep verder, raapte wat rommeltjes en was een half uurtje later weer terug. Toen stond hij een eind verderop bij de oever. Aan de andere kant van het bruggetje stond een inklapstoeltje dat ik eerst niet had gezien. Het was het model dat ik ken van filmregisseurs. Vooral van Alfred Hitchcock. De man had ook wel iets weg van een Hitchcock-personage. Ik zou hem zó in een film naar een boek van Agatha Christie kunnen plaatsen. Murder on the bridge, of zoiets. De kans om hem nu iets te doen leek me vrij klein, maar zo-even óp dat bruggetje, zou ik hem met enige moeite wel in het water hebben kunnen kieperen. Ik heb zo af en toe van die bizarre dwaalgedachten. Gelukkig nooit lang, want met de uitwerking ervan krijg je onherroepelijk gestront en de gedachte dat iemand als Peter R. de Vries zich met de oplossing van het drama zou gaan bemoeien, doet mij ogenblikkelijk tot de alledaagse realiteit terugkeren. Bij dat stoeltje lag ook een hengel. In mijn jonge jaren knoopten wij jongens weleens een ouwe schoen of iets dergelijks aan een onbewaakte hengel. Dat had mij nu heel aardig geleken. Geintje, meneer. Maar waar haalt een mens zo gauw een ouwe schoen vandaan? De man stond strak naar zijn dobber te kijken. Ik liep hem ongegroet voorbij. Alfred Hitchcock en Agatha Christie waren alweer op hun retour. Ik ging op het bankje bij het uiteinde van het oude gedeelte van de Hunze zitten. Onder de overbodig geworden stuw scharrelden enige waterhoentjes en er klonk een kakofonie van kikkergeluiden. Heerlijk. Het water ligt er stil en is roestkleurig. Het is er zeer vredig. Een mens kan er zijn gedachten vrijelijk laten gaan. Geen mens die hem er stoort. In het beste geval komt hij helemaal tot rust.

8.6.21 In memoriam A.L. Snijders is dood. Ik hoorde het van een mevrouw terwijl ik bezig was de voorraad boeken van de bieb, die hoog lagen opgetast op een carré van tafels, uit te zoeken. We stonden even te praten over ja waar anders over dan over de bulk voor ons en toen zei ze ineens dat A.L.Snijders dood is. ‘Hè!’, zei ik. Ik kon het niet geloven. ‘ ’t Is toch zo’, zei ze en ‘We hebben hem onlangs nog gezien in Deventer en heb dat laatste boek van hem gekocht, met handtekening’. Ik vertelde dat ik onlangs de vpro-gids heb afgezegd, onder andere omdat A.L. Snijders met zijn column stopte. En ook omdat we steeds minder televisie kijken. ‘Goh, wat jammer’, zei ik. Daarna hing er soort grauwsluier over de rest van de middag. Ik probeerde door te gaan met sorteren en we praatten onderwijl nog wat, maar het verzandde. Tegen vijf uur ging ik naar huis. Ik zei het tegen mijn vrouw. Ook zij schrok ervan. ‘Ach, wat sneu voor zijn vrouw’, zei ze. A.L. Snijders was na de dood van zijn vrouw Yvonne Sweering, getrouwd met Ineke Swaneveldt. Dat was in 2019. Ze waren samen in een van de laatste uitzendingen van ‘De wereld draait door’. Het geluk straalde ervan af. Gisteravond vertoonde de televisie een documentaire over het leven van A.L.Schnijders. De eeuwig keutelende, houthakkende, aanrommelende eigenaar van een paar huizen plus schuren. Alles in tamelijk verlopen staat. Als een verarmde landdrost die niet weg wil, morrelend aan een stokoude Massey Ferguson die niet wil starten, ploeterend in een stukje bos waarvan het zegt pseudo-eigenaar te zijn en tussen de bedrijven door korte stukjes schrijvend. Voor het geld. Want anders zou hij het niet doen, zei hij. Daar geloof ik niets van. Dat hij geen Mulisch was, dat wist hij wel. Daar had hij het zitvlees niet voor en daarom vond hij zijn eigen genre uit: het zeer korte verhaal, het zkv-tje. Helemaal uniek is dit niet, want er zijn meer schrijvers geweest die zich hebben bekwaamd in korte stukjes. Maar zijn manier van schrijven was wel bijzonder. Het leuke aan hem was zijn totale ambitieloosheid. Waar iedere schrijver hogerop wil, de ene pil na de andere fabricerend, van poëzie, beschouwingen tot en met toneel, hield A.L.Snijders zich maar aan één discipline: het korte verhaal. Het liefst niet langer dan een A-4tje. Hij heeft ooit een novelle geschreven en daarna nooit meer. Het schrijven deed hij naast het aan de praat houden van zijn houtkachel. Hij zette zich dan even achter de computer en tikte een beleving op. Dat hij een ree had gezien of een haas en daar borduurde hij een gedachte omheen. Ik las zijn stukjes altijd met plezier en vergeleek ze niet zelden met de NRC-stukjes van Koos van Zomeren. Ook het beste als schrijver op de korte baan. Of Martin Bril. Simon Carmiggelt heeft in het begin van zijn carrière ook een roman geschreven. Hij was er ook niet geschikt voor. Net als Godfried Bomans. Het zijn mijn meesters. Veel doden, dat wel. Toen ikzelf met die 169woordenstukjes begon, had ik geen enkele van die meesters voor ogen. Ik koos een eigen vorm en het consequent aanhouden van dat getal. Ik weet nog goed dat ik op een van de bijeenkomsten van de Drentse Schieverskring een paar van die stukjes voorlas en zei dat ik bijna elke dag zo’n stukje schreef en toen zei er iemand dat het zogeheten zeer korte verhaaltjes (zkv-tjes) waren in de stijl van A.L.Snijders. Dat vond ik wel mooi, maar daar was het me totaal niet om te doen. In de documentaire van gisteravond herkende ik wel een paar zaken die overeenkomen met mijn eigen bestaan. Ook ik ontbeer ambitie en loop eveneens regelmatig weg van mijn werktafel om iets anders te doen. De afwas, de was, stofzuigen, wat rommelen in de tuin, wandelen met Rossi, boodschappen doen, het ordenen van ons dorpsbiebje, het lezen van kranten en boeken, het bijhouden van mijn archiefje en soms ook gewoon helemaal niets. Ook ik zal nooit een roman schrijven. Heb ooit een novelle gemaakt, maar het later bij het oud papier gedaan. Ik kán het eenvoudig niet. Is dat erg? Nee. Totaal niet. Ik heb gisteren een aantal boeken weggegooid; beduimelde, vervuilde, nooit gelezen of versleten onbekende werken. Dat doe ik met moeite, dat u niet denkt dat ik moedwillig cultuur aan het vernietigen ben. De schrijvers zijn er mogelijk jaren mee bezig geweest. Ik had ze kunnen aanbieden aan een Kringloopwinkel en dan zouden zíj dat weggooien voor mij hebben gedaan. Zo is het tegenwoordig met oude boeken gesteld. Misschien zou de erkende boekenwinkel er naast ramsj tweedehandsjes bij moeten doen. Net zoals Zeeman en sommige andere kledingwinkels vintage aanbieden. De omloopsnelheid van boeken loopt op en schrijvers die amper dood zijn zijn we steeds sneller kwijt. Gedelete. Over een tig aantal jaren weet niemand meer wie A.L.Snijders was. Dat is treurig. Misschien lag het ook wel besloten in zijn landelijk gedrag. Ver van de gestreste buitenwereld. Wie ben ik om daar dan over te oordelen.

5.6.21 Postpakket Het is boekenweek. Vanwege de coronaregels ruim drie maanden uitgesteld en inspelend op derving van omzet, mag de winkelier het boekenweekgeschenkboekje langer aan de koper meegeven. Omdat ik, nu het weer kan, naar een boekenwinkel wilde, nam ik me voor een boek voor mijn goede vriend T. te kopen. Hij stuurde me onlangs voor mijn verjaardag de nieuwe vertaling van Under Milkwood van Dylan Thomas. Daar dient iets tegenover te staan, vond ik, en dus had ik een paar titels van boeken opgeschreven die hij naar mijn mening wel graag wilde lezen. Bij de Bruna te Veendam hadden ze geen enkele van die drie titels. ‘Ik kan ze wel voor u bestellen’, zei de verkoopster. Maar bestellen van producten doe ik zelden. Ik zei dat ik hier niet woon en er te ver voor zou moeten rijden. Onzin natuurlijk. Ik keek nog even rond en vond al spoedig een boek met essays en analytische verhalen van Maarten en Kees ’t Hart over hun grote schrijfheld Simon Vestdijk. T. is daar ook een fervent liefhebber van en dus leek mij dit een perfecte keuze. De volgende dag verstuurde ik het pakketje naar T. Dat is inmiddels vier dagen geleden. Maar al ik hoor: niets. Dat is toch werkwaardig, dacht ik. Normaal komt een brief of een pakketje daags erop al aan en dan bellen we even. Nu niet. Bij het versturen ervan vroeg het meisje van het postagentschap of het track & trace verstuurd moest worden. Ik wist niet wat dat is en dat weet ik feitelijk nog niet. Ze legde even snel uit dat ik het pakketje dan middels het qr-systeem precies kan volgen. Het koste iets meer, maar als er met het pakkeltje onderweg iets gebeurde, dan wist ik waar het was. Alsof ik daar veel aan zou hebben en ik zei: ‘Maar het is altijd goed gegaan en ik heb geen mobieltje waar ik dat op kan zien, dus is het niet nodig’. ‘Oké’, zei ze glimlachend. Toen moet het al mis zijn gegaan. Ergens onderweg moet er iemand zijn geweest die kon zien dat de verstuurder geen track & trace had toegepast. Misschien uit zuinigheid of gewoon om het systeem te dwarsbomen. Hij zou die krent wel-es even en mikte het stuk in een doos ‘moeilijk te bestellen handel’ die ze als ze er de tijd voor hebben pas gaan afhandelen. Zo kan het best gaan. Met systemen heb ik nu eenmaal vaker overhoop gelegen. Bij het vroegere postkantoor te Stadskanaal werd ik jaren geleden voor het eerst geconfronteerd met het toen juist in zwang gekomen klantennummertjessysteem. Ik liep ook toen met een pakketje naar een van de loketten en legde het op de balie. ‘Heeft u geen nummertje?, zei de lokettiste. ‘Nummertje?’, zei ik en keek even rond. Er stond inmiddels een dame achter mij die triomfantelijk een geel bonnetje met een nummer erop omhoog stak. ‘U moet eerst een nummertje trekken’, zei de lokettiste en wenkte de dame achter mij dat ze haar wilde helpen. Een andere klant wees me naar het nummertjesapparaat. Ik liep ernaar toe en gaf verhit door deze schoffering een harde ruk aan het bonnetje, zodat er een hele trits naar buiten kwam. ‘Goddomme’, zei ik en dat kun je beter niet in Stadskanaal zeggen. Iemand schoot in de lach. ‘Ja, zo moet het dus niet’, riep de gehaaide lokettiste vanuit haar toko. Ik scheurde mijn nummertje eraf en liep naar een ander loket. Deze lokettist bediende me prima. Maar sindsdien ontwijk ik zoveel mogelijk apparaten die de meute in toom proberen te houden. Ergens in me huist een onverbeterlijke anarchist. Plotseling hoorde ik de telefoon. Ik keek naar het nummer. Het was van van T. Hè, eindelijk!

4.6..21 Zoekgeraakte Roemenen Het was bloedheet. We reden via G. want mijn vrouw moest nog een paar dingetjes hebben. Ik zei dat ik wel in de auto zou wachten. Ik had bij de benzinepomp een krant gekocht en kon mijn tijd wel vullen. Omdat het bij de supermarkt altijd dringen geblazen is, zette ik de auto bij de ingang van de parkeerplaats neer. Mijn vrouw moest nu wel iets verder lopen. ‘O, dat is niet erg’, zei ze. Extra voordeel was dat ik hier onder een paar bomen in de schaduw stond. Ik hield de ramen open en bladerde door de krant. Pagina vijf berichtte middels de kopregel ‘Moderne slavernij in het Limburgse plaatse Linne’. Ik las het bericht vluchtig door. De vreemdelingenpolitie en de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid hadden een inval in een boerderij gedaan en er vijftig Roemenen in mensonterende omstandigheden aangetroffen. Velen van hen maakten een verzwakte en/of ziekelijke indruk. Ik had er al iets van op het Journaal gezien. Je zag ze in het donker weglopen. Want aangezien Roemenië lid is van de EU, mogen die mensen hier gewoon werken en de politie kon niet anders dan ze weg te sturen. Niemand die zich verder om hen hoefde te bekommeren. Maar de kwestie was: waar waren die Roemenen na die inval gebleven? Had de politie of de burgemeester van de gemeente die mensen geen onderdak moeten bieden? Er is, en dat is bekend bij de bovengenoemde instanties, een illegaal netwerk van seizoenarbeiders en mensensmokkelaars, maar daar krijgt met name de politie geen vat op. Ik lees vaker over deze wanpraktijken en zou het liefst zulke uitbuiters in de bak willen slingeren. Ik zat hier nog wat over na te denken, toen ik schuins tegenover mij een wit busje zag parkeren, een Renault Trafic. Amper tot stilstand gekomen vlogen de zijdeuren open en rolden er een mens of acht uit. Ik keek naar het witte nummerbord en naar het blauwe vakje aan de linkerzijde ervan. RO stond er. Roemenië. Noem het toeval. De chauffeur stapte nu ook en gebaarde de -op het eerste gezicht- mannen, dat ze wijzend op zijn polshorloge, op een bepaalde tijd terug moesten zijn. Ik hoorde oké-achtige klanken. Daarna dwarrelde de groep uit elkaar. Sommigen liepen richting de Action, anderen richting de slijter en weer anderen naar de Lidl. Daarna bleef het enige tijd rustig. De rondbuikige chauffeur rookte een sigaret en leunde tegen het busje. Zou hij ook zo’n criminele mensenonderdrukker zijn? Dat kon best. De eerste twee mannen kwamen al vlot terug. Ze waren klein van stuk en de tassen die ze droegen sleepten bijna over de klinkers. Allebei droegen ze een knaloranje minisombrero, één van die afzichtelijke artikelen uit de onzindiarree dewelke altijd opduikt als Nederland doorstoomt naar de EK of de WK. Wellicht was het voor hun een middel om eventuele Nederlandse collega’s voor zich te winnen. Want in de slavernij wordt veel gekropen. Ze dolden wat met de chauffeur. Eén van hen deelde drankblikken uit die ze opentrokken en gulzig leeg begonnen te drinken. Het tweede groepje kwam nu ook naderbij en zeulde een kratje bier mee. Kort erop waren alle acht mannen terug. Ze lawaaiden over en weer, trokken bierblikken open, proosten luidruchtig en daarna stegen ze op aandringen van de chauffeur weer in. Er kwam een vrouw van middelbare leeftijd in een kort broekje en singletje naar de auto die naast die van ons geparkeerd stond gelopen. Ze bekeek het tafereel met fronsende blik en zei over haar dak heen naar mij: ‘En dat gaat zó de weg op’. ‘Ja’, zuchtte ik, ‘maar wij willen nu eenmaal goedkope aardbeien en asperges en bloemen’. Ze knikte. ‘ ’t Is meer dan treurig’, zei ze. Het busje reed langzaam weg. Ik vroeg me bezorgd af waar ze naartoe zouden gaan. Misschien gingen ze wel naar één van die vele kwekerijen die nogal eens aan de kant van de straat een stalletje hebben waar de voorbijganger voor een paar euro’ s een bakje verse aardbeien kan kopen. Dat doe ik ook weleens. Kan ik dat nog wel doen? Of moet ik in het vervolg eerst vragen of ze wel slaafvrij gekweekt zijn?

3.6.21 Op visite Een vroegere buur van ons werd 70 en mijn vrouw vond het leuk een felicitatiekaart bij hem in de bus te doen. Goed, zei ik. Ik schreef de kaart en fietste derwaarts. Een jaar of tien geleden overleed zijn vrouw. Enige jaren erna ging hij latten met een vrouw uit ons buurtje wier man in diezelfde tijd ook overleed. De oudste zoon van de buur nam de veehouderij over en de vader verhuisde naar een woning iets verderop, maar elke ochtend om een uur of acht gaat hij toch als een onbezoldigde werknemer naar zijn vroegere boerderij om wat hand en spandiensten te verrichten. Dat is een nobele trek. Ik fietste het oprijpaadje van zijn huis in om de kaart te bezorgen. Er liep net een vrouw naar de brievenbus. Ik kende haar niet. Ik zei dat ik een kaart voor de jarige had. Ze lachte. ‘Hij is binnen, geef ‘m maar aan hemzelf, dan kuj ‘m meteen feliciteren’, zei ze met een zoete Drentse tongval. Ik belde aan. De jarige kwam meteen. Eigenlijk mocht ik hem in verband met de nog geldende coronaregels geen hand geven, toch deed ik het en ik zei erbij dat dat virus nu wel zo’n beetje uitgewoed was en dat het mijns inziens wel kon. Of ik er verder nog iets bij zei weet ik niet meer. Zoiets als ‘nog vele jaren’ of iets van dien aard. Hij lachte hard en ging mij voor naar de keuken waar zijn latvriendin en dochter zaten en nog een andere mevrouw. Ik nam plaats aan de grote keukentafel. ‘Koffie?’ zei hij. ‘Ja, lekker’, zei ik. We praatten wat over en weer. Hij opende de kaart en las hardop wat ik er een half uur eerder in had geschreven. ‘Mooi zegt’, zei hij en legde de kaart op tafel. Na een kwartiertje stond ik weer op en zei dat ik nog een stuk wilde fietsen. Dat van dat fietsen was wel waar, maar een andere reden was dat ik mijzelf slecht gezelschap vond. Ik wist niet wat ik moest zeggen, kon me moeilijk een houding geven en al fietsende vroeg ik me af of ik de andere gasten wel had gefeliciteerd. Misschien lag daarin de kern van het ongemak. Dat had geen hand hoeven zijn, maar ik had het toch op zijn minst even met een handzwaai in de lucht moeten zeggen. Mijn vrouw is daar veel beter in. Die vergeet zulks nooit. Maar mijn souffleuse zat thuis woonbladen te lezen. Vroeger, als ik naar een verjaardag moest, zei mijn moeder nog weleens: ‘Denk d’ erom dat je je rechterhand geeft’. Dan fietste ik naar de jarige -mijn opa of mijn oma of tante Geertje- en dan hield ik strak mijn rechterhand in gedachten. Dat was een steuntje in de rug. Nu kom ik een kamer binnen en ben spontaan alles kwijt. Val in een soort zwart gat. Achteraf verwijt ik me dan niets goeds te hebben gezegd of gedaan. Wat moesten die mensen wel niet van me denken? Ik heb weleens gezegd dat kinderen al op de lagere school les in vormelijkheid zouden moeten krijgen. Hoe ze zich in gezelschap moeten gedragen, hoe ze zich moeten uiten, hoe ze elkaar bij binnenkomst moeten begroeten, welke manieren ze dienen te bezigen, hoe ze een gesprek op gang moeten houden. Dat soort dingen. Dat is duizend keer belangrijker dan de kennis van de stelling van Pythagoras of hoe het Napoleon verging na de Slag bij Waterloo, ik noem maar iets. Nu blijft het een hiaat in onze opvoeding. Ik kom weliswaar bij weinig mensen over de vloer, ik ga zelden ergens op verjaardag en wie weet zien ze mijn houterigheid ook wel als een vorm van verstrooidheid en kunnen ze er nadien hartelijk om lachen. Dan heeft het toch nog betekenis. Misschien heb ik het wel een beetje meegekregen van mijn oudoom die kerkorganist was te Veendam. Die kwam zo eens in de paar jaar in zijn eentje bij ons op visite. Hij zette zich dan neer naast de kachel en straalde een voor ons onbekend soort geluk uit. Hij was een voorzichtige prater en soms hij enige tijd stil. Misschien zoemden er dan wel de mooiste melodieën door zijn hoofd. Wij vonden hem wel een beetje apart, maar er werd niet raar over gedaan. Dus, met die oom in gedachten valt het met mijn gedrag misschien nog wel mee en maak ik van een lastige steekmug een beminnelijke olifant.

1.6.21 Geen anekdotes Bij thuiskomst van mijn tweede coronaprik, vond ik bij de mailpost een verzoek van een dorpsgenote of ik het leuk zou vinden om verhalen, het liefst met smeuïge anekdotes, over de jeugdsociëteit The House of the Rising Sun te Gieten met haar te delen. Zij maakt, zo schrijft ze, deel uit van meerdere toneel- en theatergezelschappen en bij één ervan zijn ze druk doende plannen te maken voor een voorstelling over dit vroegere jongerencentrum. Ik mailde meteen terug dat ik hier in het verleden al meerdere verhalen over heb geschreven en dat zij daar wat mij betreft uit mag putten. Ik zal ze opzoeken en ze jou toesturen, besloot ik mijn antwoord. In haar mail haalde ze een Gieterse chroniqueur aan die over het onderwerp jaren geleden een boek bestaande uit stencils van krantenberichten en andere notities had gefabriceerd. Ik wist over wie zij het had en ken wel enkele van zijn lollige anekdotes. Dat deed mij toen ik met Rossi kort erop een ommetje maakte enigszins afremmen. Moest ik mij hier eveneens mee bezighouden? Ik heb al niet veel op met dat ongebreidelde vermusicallen van oude meuk. Hoe verheffend die jaren waren, hoe vernieuwend, shockerend en tegen de schenen schoppend, maar er theatershows van maken gaat mij soms te ver. Ik ben net bekomen van de verbazing dat zelfs het leven van Harry ‘Cuby’ Muskee tot een theatershow wordt verbeeld. Ik gun het de man van harte, daar niet van, maar wat voegt het toe aan de magie van Cuby & the Blizzards? En blijft het bij deze ene productie of krijgen we straks van iedere artiest die er in die jaren toe deed een theatrale uitdraai? Armand, the musical!, Tee-Set, the musical!, Golden Earring, the musical! enzovoort. Daar moet ik toch niet aan denken. Terugkomend op het verzoek van die mevrouw en dan met name op het door haar genoemde boek, moet ik zeggen dat mijn verhaal heel anders is. Dat zou dan juist wel weer een andere kijk op de zaak geven. Een objectief verhaal zal het niet worden, omdat ik bij veel zaken die in dat boek een hoofdrol spelen niet aanwezig was. Laat ik beginnen bij het begin. In het najaar van 1967 ging ik naar dansles dat elke maandagavond plaatsvond in café Hartzmann op de Brink. Ik schrijf dit met lichte gêne, want nadat ik later dat jaar of in de winter van 1968, deze mislukking afrondde, heb ik mij nog slechts als luisteraar van livemuziek op een dansvloer begeven. Tijdens deze danslessen leerde ik enkele cursisten kennen die nogal enthousiast opgaven over een te realiseren jongerensociëteit. Daar waren onder andere zij mee bezig het in te richten. Op een avond na dansles begaven zij zich naar dat gebouw waar druk werd getimmerd en geschilderd en ik mocht wel even mee. In januari 1968 werd de sociëteit geopend. Ik begon er al spoedig als bezoeker te komen. Mijn ouders en dan met name mijn vader, was zeer gekant tegen dit centrum en verbood mij er een voet over de drempel te zetten. De naam The House of the Rising Sun was afkomstig van een liedje dat door de Engelse rhythm & bluesgroep The Animals was gecoverd naar de opname van Bob Dylan. Het is een oude traditional en verhaalt van een huis waar ontucht wordt gepleegd en waar menig jong meisje gebroken vandaan komt. Voorts verhaalt het lied nogal romantisch over het zwerversbestaan en over gokken en drinken. Niet bepaald zaken waar een dorpsgemeenschap op zat te wachten. Ik hield mij eigenlijk alleen met muziek bezig. Ik rookte en dronk niet. Dat kwam pas later. Ik was naar mijn weten ook de enige van mijn dorp die er kwam, hoewel er spoedig allerlei wilde verhalen de ronde deden van mensen die ik er nooit heb gezien. Het ging er vooral gezapig toe. Noem het de tijdgeest. Ik merkte weinig van ophef. In het begin stond er in een uithoekje van de bar een jukebox met singles. Dat was meer mijn ding. Ik draaide soms wel drie keer achter elkaar één van de singles van Bob Dylan. Dit tot afgrijzen van de andere bezoekers. Die jukebox schijnt op een nacht door enkele dronken of stonede bezoekers van het platte dak van het gebouw te zijn gesmeten. Een tijdje daarvoor was er een stereo-installatie aangeschaft en draaide de barkeeper langspeelplaten. Die muziek week nogal af van hetgeen de radio bood. Bluesmuziek van John Mayall & The Bluesbreakers, Fleedwood Mac (de oude Mac met Peter Green) en Elmore James; psychedelische muziek van The Mothers of Invention, Clearwater, Pink Floyd en Led Zeppelin. De jukebox deed toen al geen dienst meer. Maar ondanks dat: toch een treurig eind. Toen begonnen ook al de eerste scheuren zichtbaar te worden. Ik moet nu even terug in de tijd. Ik was al erg veel met muziek bezig en leerde mijzelf een beetje gitaar spelen. Daarnaast begon ik versjes (gedichten is een groot woord) te schrijven. Zo af en toe nam ik mijn spaanse gitaar mee naar The House en speelde daar was voor me heen. In het najaar van 1968 was er een student uit Leiden, Willem Biervliet, die onderzoek deed naar hoe de jeugd in een plattelandsgemeente zich vermaakte. Hij wilde voor zijn ‘scriptie’ een film maken en bood mij de gelegenheid om hiervoor enige liedjes te spelen, want ik was toch ook een exponent van die jeugdgroep. Op te treden dus! Het zou de eerste keer worden dat ik voor publiek liedjes zong en gedichten voorlas. Dit vond plaats op 19 januari 1969. Ik zal niet beweren dat het een eclatant succes werd, maar het leverde wel een aantal optredens elders in de provincie op. Daardoor vloog ik uit en begaf me ’s weekends in steeds vaker naar andere jeugdsozen, zoals Tor in Borger, Bistro in Rolde, Rajakimoes in Stadskanaal en heel af en toe Rammanask of Outkast in Assen. Vooral in de laatste twee werd toen al hash en wiet gerookt. Daar moest in niets van hebben. Ik rookte amper gewone sigaretten, laat staan die troep. Het liefste ging ik naar De Kolk in Assen, waar regelmatig goeie artiesten/bands optraden. Van de heisa met de politie-inval en de sluiting van The House of the Rising Sun in mei 1970 heb ik niets mee gekregen. Pas toen The House (nieuwe naam) weer open ging en soft drugs en ook drank niet meer werden toegestaan, ging ik er weer naartoe. Door deze regels kwam er ineens een heel ander publiek. De oude groep was voor studie uitgevlogen naar bijvoorbeeld Groningen. Weer anderen zochten het meer in barretjes waar je wel kon drinken en blowen, zoals Patje in Veendam. Dat The House een nieuwe start maakte liet zich ook horen door totaal andere muziek. Pink Floyd werd Status Quo, Deep Purple en Uriah HeepVanIs én door een nieuwe jongerenleider: Piet Jansen. Kan ik iets vertellen over mijn ervaringen in dit jongerencentrum, iets met anekdotes en sterke verhalen? Nee, ik geloof het niet echt. Wie weet schiet mij nog iets te binnen. Dan zal ik het melden. Voorwaar, geen spannend verhaal dus.

28.5.21 Lammergier Met de mens/dierverhouding is het moeilijk gesteld: pas-ie wel in het schoonheidsplaatje of helemaal niet? Ik heb geen top-tien van meest geliefde dieren, maar ook bij mij staat de olifant hoog in aanzien en de orang-oetang en de chimpansee en verder allerlei klein grut. Vleeseters hebben bijvoorbeeld niet mijn voorkeur. Dit is aanvechtbaar, want panters of tijgers vind ik prachtige dieren, maar hun voedselkeus staat me tegen. Liever het vreedzame geknabbel van gedrochten als de giraffe of de gnoe. Helemaal onder aan mijn lijstje staan de aaseters. Afzichtelijke dieren vind ik dat. Daar kunnen zij zelf niets aan doen. De Schepper van al wat leeft was kennelijk niet in staat een biologische stofzuiger te ontwikkelen en daarom creëerde hij (of zij – dat is mij om het even) de lijkenpikker. Want er wordt royaal gestorven in het dierenrijk en die lichamen kunnen niet eeuwig blijven liggen. Het zou een stinkende bende worden. In strenge winters willen vleeseters als de vos of de wolf zich nog weleens aan een kadaver wagen, maar ze eten liever verse prooi. Bij vogels ligt dat wat makkelijker. Die kijken en proeven niet zo nauw. Kraaiachtigen kunnen mij nog wel bekoren, maar helemaal onderaan mijn ladder staat de aaseter bij uitstek, de gier. Hij heeft zijn naam ook al niet mee. Over de gier is in de literatuurgeschiedenis alleen maar lelijk gesproken. Dat is niet eerlijk, want hij doet er wel degelijk toe. Maar vanwege het feit dat hij in het verre verleden ook weleens een nog levend en draagbaar zoogdier weggriste, kreeg hij een slechte naam en daarom begon men hem massaal te bejagen. Vooral de lammergier was de klos. Hij was lange tijd in heel Europa op een haartje na uitgestorven, maar het gaat de laatste jaren wat beter met de vliegende bottenkraker. Nu zijn er onlangs enkele exemplaren boven Nederland zijn gesignaleerd. Dwaalgasten welteverstaan, want ze komen hier normaal niet voor. Eerst was er het vrouwtje met de naam Eglazine (er zijn mensenvrouwen die het met minder moeten doen) en daarna was er het mannetje Angèle. Deze laatste is in gevangenschap in februari 2020 in Tsjechië uit het ei gekropen en drie maanden later uitgezet in de Franse Alpen. Mogelijk is hij uit koers geraakt, wilde hij helemaal niet naar een lage land, want lammergieren verblijven het liefst in bergachtige streken, en daarna is hij te pletter gevlogen tegen een windmolen in Wieringerwerf. Middels een gps-zender hebben vogelspotters het dier precies kunnen volgen. Toen ik dit bericht vanmorgen in de NRC las kromp mijn borstkas eventjes samen. U hoort mij niet zeggen dat dit dier door dit noodlottig ongeval ineens hoger op mijn ranglijstje zal komen. Dat niet. Hij heeft nu eenmaal niet het voorkomen van een panda of de sierlijkheid van een kemphaan en van aaibaarheid is al helemaal geen sprake. Nee, het gaat om die monsterlijke mega-hakselaars, een ware schrik voor alles wat vliegt. Áls ik al mensen aanspreek op de nadelen van deze energie-opwekkers, dan noemt men steevast zaken als planschade, slagschaduw en geluidsoverlast. Soms valt het woord horizonvervuiling, maar nooit hoor ik iemand over het sterven van talrijke vogels. ‘Dat zal toch wel meevallen’, voegde mij vorige week nog een buurtgenoot toe. Ik zei dat de slachtoffers vaak niet gevonden worden en dat de eigenaren van de grond waarop die molens staan -over de molens op zee wil ik het even niet hebben- er denkelijk geen melding van zullen maken. Het zou hun broodwinning misschien kunnen schaden. Daarom blijft het onder de pet. Het is al lastig genoeg met al die vogelbeschermers die elke kieviets- of gruttonest van een piketje willen voorzien en daar zouden dwaalgasten als de lammergier dan nog bij komen. 50% van de in Nederland voorkomende is alreeds door een windmolen gemold. Pas als het helemaal stil wordt, zal het de landeigenaren misschien ook opvallen. Dan is het te laat. Als ik vogel was zou ik me maar bergen.

26.5.21 Thuisgekapt Je weet nooit hoe het uitpakt, ook niet bij een professional. In mijn vorige woonplaats woonde een manusje-van-alles die als de nood aan de man was mensen knipte. Aanvankelijk vroeg hij niets voor dat karweitje. Het gerucht ging dat iemand uit zijn kennissenkring zich door de plaatselijke kapper bekocht voelde en er bij manusje gewag van maakte. ‘Dan kan ik het beter’, zei manusje en twee maanden later ging de ontevreden klant bij hem onder zijn mes. En daar bleef het niet bij. Langzamerhand kwamen er steeds meer grappenmakers toevallig bij hem over de vloer en gingen met een kortgeknipte schedel weer weg. Dit speelde in de tijd dat lange mannenharen er niet echt meer toe deden. Punk was de nieuwste mode. Ik behoorde met mijn lange manen in mijn kring tot de laatsten der Mohikanen. Aan een baard of snor heb ik mij nooit gewaagd. Een man kan zich toch wel fatsoenlijk scheren, was als het ter sprake kwam mijn verweer. Dat een man zijn haren ook kan laten knippen en er niet als een bosbeer uit hoeft te zien, was natuurlijk het standaard repliek. Ach, in ijdelheid doen veel mannen niet onder voor de andere sekse, maar van hen kan ik het hebben. Door de jaren heen werd mijn kapsel steeds ingetogener, noem het burgerlijker. Dat had voornamelijk te maken met mijn leeftijd; ik wilde er niet als een overjarige hippie bij lopen. Zo eens in de drie/vier maanden moest ik toch wel weer onder het mes, totdat corona ons leven op z’n kop zette en onder andere de kappersdeuren sloot. En ineens zag ik ook andere mannen met een ruige bos haren. Soms keek zo’n renegaat me uitdagend aan. Alsof hij door het coronaongemak in mij plotseling een bondgenoot zag. Ik kon mij er wel iets bij voorstellen. Sommige mannen zien hun kans schoon er op oldtimerleeftijd nog als frisse Willy Nelson uit te willen gaan zien. Mij best. Niet hierom, maar eenvoudigweg omdat mijn haren me begonnen te irriteren, vroeg ik vanmorgen mijn vrouw er iets af te willen knippen. Dat was niet tegen dovemans oren gezegd. Nu vereist dit wel enige vaardigheid, maar die bezit ze, want ze knipt ook altijd haar eigen haren. En allebei zijn we wars van modes, dus een model heb ik niet. Dat spaart een mens enorm veel geld uit en is bovendien goed voor het milieu. En niet onbelangrijk: ik blijf verstoken van de plichtpraat van de kapper. Dat zijn de laatste dertig jaar nooit anders dan vrouwen geweest. Maar ik ben, zelfs met de meest aangename coiffeuse, na een minuut of tien wel uitgepraat. Persoonlijke gesprekken (als ik dat al zou willen) ga ik er niet mee voeren, want er luistert altijd wel een nieuwsgierige klant mee en (tegeltjeswijsheid) een kapperszaak is even virulent als de volgesnoten zakdoek van een grieppatiënt. Bovendien verdraag ik met moeite een spiegel voor mijn hoofd. Thuis heb je daar geen last van. Ik zat midden in de kamer en mijn vrouw bewoog zich al knippend rond mij. Ze knipte hier wat weg en ze knipte daar wat weg en ik onderging het zonder wrevel. Aan de haar regelmatig ontsnapte oh-oh’s en oh-jee’s moest ik wel eventjes wennen. Na een kwartiertje was de dikste hap eraf. ‘Moet je nog even van achteren zien?’, zei ze. ‘Nee!’, zei ik verschrikt. Want dat is ook z’n kappersgril; ik kom er de deur niet uit zonder mijn achterkant te hebben gekeurd. Ik voelde eventjes met mijn hand in mijn ontblote nek en zei ’t is goed zo. Ik kan er weer maanden tegen. Dan ga ik wel weer eens naar een professionele kapper. Die zal ik op haar vraag antwoorden wie mij de laatste keer heeft geknipt. Ze zal glimlachend zeggen dat dat coronavirus een hoop extra werk oplevert. Wees er blij mee, zal ik denken en het misschien ook zeggen. En dan zullen we het over het weer hebben of over iets onbenulligs.

24.5.21 Bob Dylan 80 jaar De Volkskrant-Magazine van zaterdag had John Hiatt als weekendgids. Ik ben wel een fan van John Hiatt, heb hem een aantal keren live gezien. Hij hoort voor mij bij het clubje Amerikaanse musici die je zelden op radio en tv hoort of ziet, maar er zeer beslist toe doen. Mensen als Randy Newman, Ry Cooder, Jerry Jeff Walker, John Mellencamp, Tom Waits, Townes van Zandt, Van Dyke Parks. In dat artikel noemt hij Bob Dylan als zijn grote voorbeeld en noemt dan Another side of Bob Dylan zijn mooiste plaat. Niks mis mee. Hij zat op een dag in de auto te wachten op zijn moeder die even naar de apotheek moest. Op dat moment klonk Like a Rolling Stone uit de autospeaker. Hij was verbijsterd. ‘Op dat moment ben ik iemand anders geworden’, vertelt hij. Hij ging alle muziek van Bob Dylan verzamelen en -al zegt hij dat niet- ging zelf mogelijk hierdoor ook gitaar spelen en zingen. Dit verhaal heb ik vaker en van verschillende artiesten gelezen of gehoord. Hij was een jaar of dertien toen de Dylan-bliksem insloeg. Dat kan, want John Hiatt is geboren in augustus 1952 en Like a Rolling Stone kwam uit in augustus 1965. Ik denk dat mijn kennismaking met de muziek van Bob Dylan tegen diezelfde tijd moet zijn geweest. Ik hield al spoedig een plakboek bij en dat begint ongeveer in ’65. Plaatjes en artikeltjes uit MuziekParade en PopFoto en kort erop knipsels uit Hitweek. De eerste plaat die mij van de sokken blies was Bringing it all back home. Mijn broer speelde in een bandje en hij nam die plaat mee om er enkele liedjes voor zijn bandje van te leren. De kant met de akoestische liedjes vond ik prachtig. Vooral It’s alricht ma (I’m only bleeding) en The Gates of Eden. Ik ging over hem lezen en kocht voor het weinige zakgeld Bob Dylan-singles. Ik volg hem dus nu al zo’n 56 jaar. Wat zou er van mij zijn geworden als ik die Dylan-manie niet had doorgezet? Dat denk ik weleens. Van wat voor muziek zou ik dan hebben gehouden? Zou ik me verder met The Beatles & The Stones hebben bezig gehouden, want die volgde ik vanaf hun doorbraak begin jaren zestig heel fanatiek. Maar na Strawberry Fields Forever en Brown Sugar doofde die liefde ongemerkt. Misschien zou ik het meer in de psychedelische rock van bijvoorbeeld Pink Floyd, King Crimson, Tangerine Dream of in de muziek van Frank Zappa hebben gezocht of was ik hoe dan ook in de folkhoek beland. Want de muziek van met name Pete Seeger vond ik als kind al prachtig. In de blues- en jazzhoek had ook gekund. Mijn toenmalige schoolvriend was bezeten van de blues. Van mensen als John Lee Hooker, Howlin’ Wolf en Muddy Waters en natuurlijk onze eigen trots Cuby & the Blizzards. Maar toen ik Billy Holiday begin jaren zeventig voor het eerst hoorde was ik ook meteen verkocht en wat te denken van Bruce Springsteen. Hoewel, zonder Bob een hele andere Bruce. En wat te denken van countryrock, van The Eagles, Dan Fogelberg, Neil Young enz.? Dus ja, Bob Dylan had best wel een aantal concurrenten en dat heeft hij altijd gehouden. Dat is maar goed ook, want het lijkt me verstikkend als je je helemaal vastpint op één artiest. Voor totale overgave ben ik een beetje te nuchter. Er is nu eenmaal meer in muziekland dan Bob Dylan. John Hiatt is ook een grootheid geworden. Het moet hem goed hebben gedaan dat zijn grote voorbeeld The Usual van hem opnam. Hij heeft niet de onaantastbaarheid die Bob Dylan al een halve eeuw min of meer nekt en kan dus gewoon door de Gijsbert Kamer van de Volkskrant worden gebeld. Het is zeer de vraag of iemand de kans krijgt Bob Dylan vandaag te feliciteren. Randy Newman zong het al: It’s lonely at the top. Dat zou best eens waar kunnen zijn.

20.5.21 Shelter from the storm. We waren weer eens aan de reis. Dat klinkt spectaculair, maar afgaand op de verhalen van beroemde reizigers die ik de laatste tijd graag lees, zijn onze reizen daarbij vergeleken nogal saai. Geen odyssee of overlevingstocht of iets wat daarop lijkt. We blijven ook altijd in de buurt, dat wil zeggen in de buurt van wat? Want voor een Macedoniër of een Spanjaard is Groningen ver van huis, dus het is maar net vanuit welke hoek van de wereld je het bekijkt. We namen ons voor weer eens naar Noordpolderzijl te gaan. Het weer was er naar, de terrassen zijn open en de Noorderkust trekt altijd. Die kust is echter niet overal makkelijk te bereiken. Op de meeste plaatsen wordt het belet door hekken om de schapen die op de dijk grazen binnen te houden en op sommige plaatsen is het gewoon verboden de dijk te betreden. Dit heeft denk ik te maken met de vrijpostigheid van sommige bezoekers. Toen we in maart vorig jaar, vlak voor er vanwege het coronavirus, een algehele reisverbod in de lucht hing, naar de Noordkaap gingen, stonden er twaalf auto’s geparkeerd en telde ik ondanks het duidelijke verbodsbord voor honden bij de toegangshek, in totaal vijf exemplaren op de dijk, waarvan er drie los liepen. Bij alle eerdere bezoeken aan de Noordkaap, telden we meestal twee, hooguit drie andere bezoekers. Bij de Noordkaap waren we nu wederom niet de enigen, maar bij ’t Zielhoes te Noordpolderzijl op een paar gasten na wel. Dat gaf ons de gelegenheid wat te kletsen met de uitbaatster van het huiskamercafé. Zij bleek de derde generatie die het café bestiert. We praatten over de lockdown en de consequenties die dat heeft voor de horeca en in het bijzonder voor dit bijzondere café. En toen vroeg ik haar of er weleens mensen vragen of Bob Dylan hier ooit geweest is. ‘Oh, bijna wekelijks’, zei ze. ‘Is het waar?’, zei ik. Het verbaasde me werkelijk. ‘En ís die man hier ook geweest dan?’, liet ik erop volgen. ‘Mijn grootvader runde toen het café en die zegt dat Bob Dylan hier geweest is’, zei ze. ‘En jaren later is de manager van Bob Dylan hier ook geweest. Die wilde het café kennelijk ook weleens zien’. ‘Jeff Rosen’ raadde ik, maar ze wist niet hoe die man heette. ‘Alleen, er is geen documentatie van en daarom kun je het niet bewijzen’, zei ze. Ik vertelde nu dat de Dagblad van het Noorden-journalist Herman Sandman er jaren geleden een column aan had gewijd en dat het daarna een eigen leven was gaan leiden. Daar wist ze niets van. Dat zou kunnen betekenen dat zij niet door dat artikel was aangezet om de eventuele mythe in stand te houden. Maar elke Bobcat die naar deze uithoek afreist, betekent al gauw een uitsmijter en een paar biertjes extra. Daar kun je moeilijk nee tegen zeggen? Het stuk van Sandman is heel komisch. Of ik het bezoek van Bob Dylan aan ’t Zielhoes geloven moet is eigenlijk niet eens van belang. Elk woord eraan besteed vergroot de mythe. Het had eigenlijk bij de kale mededeling moeten blijven dat de Amerikaanse zanger op 18 of 19 maart 1995 op een fietstochtje door het Groningse land in café ’t Zielhoes te Noordpolderzijl een versnapering had genoten en dat hij er later in zijn Kronieken een paar lovende woorden aan had besteed. Dat zou mooi zijn geweest. Het wonderlijke is dat hier toch een beetje de geest van Bob Dylan hangt en zijn aanwezigheid is nog licht voelbaar. Het voer me weer eventjes terug naar St. Goarshausen op de Loreley in juli 1981, waar ik op hooguit vijf meter afstand recht voor het podium tegen het dranghek door nietsontziende diehard Dylanfans stond geperst en alleen maar hoopte levend uit deze hel probeerde te komen. De ziekelijke aanbidding voor His Bobness toen hij opkwam is niet te beschrijven. Vermeld moet worden dat er ook van alles over onze hoofden naar het podium vloog wat niets met affectie voor de man te maken had. Een rare contradictie om iemand voor de toegangsprijs van 40 D-Mark met fruit of blikjes te gaan bekogelen. Loreley had overigens al een eigen mythe. Ik heb me bij latere Bob Dylan-concerten uit veiligheid ietsjes verder van het podium opgesteld. Die vijf meter is ongeveer de diagonale maat van het huiskamercafé ’t Zielhoes. Van de deur tot aan de krantenbak in de hoek. Ik bedankte de mevrouw voor de informatie en zat er nog over te mijmeren, maar ik wist dat ik er niet verder mee kwam. We liepen de dijk op. Daar trof ik een tamelijk recent geplaatst bankje aan met tegen de rugleuning een vierregelig Gronings versje. Ik las het hardop en keek daarna enige tijd over het bijna lege haventje en het drooggevallen Wad. Er is een tijd geweest dat deze plek er werkelijk toe deed. Dat hier elke week een vissersvloot uitvoer en plotseling zong die heimweeïge, nasale stem mij tegemoet: I got a letter on a lonesome day, it was from a ship a-sailin’. Saying I don’t know when I’ll be comin’ back again. It depends on how I’m a-feelin’ (uit Spanish boots of Spanish leather). Dat bijna pijnlijke verlangen vindt je in meerdere liedjes van Bob Dylan terug. Zo’n strofe zou heel aardig op zo’n bankje passen. Beter dan BD was here op de toiletdeur.

Toen we terugreden kon ik de gedachte dat hij hier niet geweest is amper verdragen. Pas voorbij Usquert ontwaakte ik. Laat iedereen maar denken wat-ie wil, dacht ik. In Uithuizermeeden wilde mijn vrouw een paar boodschapjes doen. Terwijl zij naar de Coop liep, dwaalde ik ter verpozing met Rossi door de hoofdstraat en zag bij de ingang van een herenhuis een prachtig boekenkastje. Ik zoefde langs de mij bekende boekenkastjestitels -veel detectives, opvoedkundige frutsels en misdaad- en schrok op bij de titel Shelter from the storm. Het zou toch niet…? Nee, het was een verzameling reisverhalen. Wel een van mijn geliefde genres, dus nam ik het mee. Wie weet kwam die titel ooit nog eens van pas.

18.5.21 Idioot rijk Bill en Melinda Gates gaan scheiden. Op zich geen bericht om kond van te doen als ze net als u en ik tot de lagere- of de middenklasse behoorden. Want er wordt bij het leven gescheiden en in Amerika is het helemaal raak. De kwestie is dat de Gatesjes exorbitant rijk zijn en dan valt het op. Zó idioot rijk, dat ze werkelijk niet weten wat ze met al die miljarden dollars aan moeten. Als het zover met een mens komt, dan is-ie heel arm van geest en dient hij opgenomen te worden in een gesticht. Om daaraan te ontsnappen hebben de Gatesjes een fonds opgericht waar ze een deel van hun overtollige dollars in kunnen overhevelen. Bij dit bedrijf werken zo’n 1500 mensen. Die bepalen naar welke goede doelen dit geld gaat. Hun eigen vermogen wordt geschat op 130 miljard dollar. Hun goede-doelenfonds beschikt over zo’n 50 miljard dollar. Daarnaast bezitten ze nog stapels aandelen in onder andere Bill’s oude bedrijf Microsoft en in een luxe hotelketen. Zijn ze in het bezit van ongeveer 1000 hectare landbouwgrond, verzamelen ze kunst, bezitten ze privévliegtuigen, huizen en ranches en zijn ze eigenaar van een van Amerika ’s grootste afvalverwerkingsbedrijven. Ik schat dat er met dit alles nog wel enkele tientallen miljarden bijkomen, zodat de uiteindelijke teller ruim boven de 200 miljard uitkomt. Dan heb je niet slecht geboerd. Maar nu vinden ze het welletjes. Hun neuzen staan kennelijk niet meer dezelfde kant op en ze kiezen elk een andere weg. Daardoor moet de boedel uit elkaar getrokken worden. Ze hebben beloofd dat hun Fonds daar niet onder mag lijden. Het zou ook wat zijn als de arme kindjes in Afrika onder hun strapatsen moeten lijden. Dat is een nobele gedachte. Het maakt Bill & Melinda bijna tot normale mensen, mensen zoals u en ik.

Ik werd heel opstandig toen ik dit las en ik peinsde me stug hoe het anders kan. Er zou een plafond moeten komen voor iemands inkomsten. Alles wat een mens boven dat plafond verdient, zou automatisch moeten worden afgeroomd en naar de staatskas gaan. De hoogte van de belastingen van alle landen moet gelijk zijn, zodat er geen verschil meer bestaat waardoor ook het woord belastingparadijs uit het woordenboek kan worden geschrapt. Geld dat iemand niet bij de belasting opgeeft en dat iemand wil gebruiken bij de aanschaf van laten we zeggen een hele dure auto, versnippert zich voor de ogen van de verkoper en koper. Een beetje zoals Banksy dat met zijn schilderij kind met rode ballon deed. Hij is in deze een lichtend voorbeeld. Na een paar van zulke witwaspogingen laat de schoft het wel uit zijn/haar hoofd. De enige manier om de overtollige bankbiljetten kwijt te raken is aan goede doelen. Filantropie wordt hierdoor tamelijk onzichtbaar. Het wordt zoiets als btw. Daarvan weet je het bestaan ook nauwelijks, tenzij je bij de aanschaf van een product in plaats van 6% ineens 23% moet betalen. Maar dit is natuurlijk een totaal ontspoorde wensgedachte. De mens is niet geboren als altruïst, dat weet ik best. Het zakkenvullen is de oermens al zijn ingegeven. Hij heeft mogelijk een gen van een op een mensachtige gelijkende hamster meegekregen en dat zorgt er voor dat we rovers zijn geworden en dat we nooit tevreden zijn met hetgeen we hebben. Er kan altijd nog wat bij. Dat zullen aanvankelijk schelpen en stenen zijn geweest en duizenden eeuwen later abstracte middelen als munten en bankbiljetten en met het opkomende cryptobetaalsysteem is zelfs dat verleden tijd. Dat vind ik een griezelige ontwikkeling. En nu ik het daar toch over heb: Hoe is het met onze rijkdom gesteld? We mogen niet klagen. De hypotheek is afgelost en we kunnen zo nu en dan ook nog wel een potje breken. En we leven zuinig om onze voetafdruk klein te houden. Onze kennissen en vrienden leven ongeveer net zo als wij. We hebben naar ik meen geen miljonairs in onze kring. Maar dat weet ik niet zeker, want met het stijgen van de huizenprijzen, wordt een huizenbezitter of-ie het wil of niet rijker, opgeteld bij de roerende goederen en het gespaard vermogen zou het best eens kunnen dat er zich plotseling een of meerdere miljonairs in onze kring bevinden. Ik schrik bij de gedachte. Van staatswege is zelfs al voorgesteld om mensen die meer dan 5 ton aan roerend en ontroerend goed en spaargeld bezitten jaarlijks te verplichten een zeker bedrag te schenken aan een goed doel. Je houdt zoiets niet bij en plotseling komt er een aanmaning in je brievenbus met een filantropenrekening. Ik huiver al bij de gedachte. Je hebt je hele leven zuinig geleefd, hebt alles goed voor elkaar en moet je op je ouwe dag nog gaan bijklussen om niet in het rood te komen. Ingewikkeld hoor. Tot het zover is ga ik nog zo rijk mogelijk leven. Reken maar!

16.5.21 Nut en noodzaak van het mondkapje Vanaf het begin van de coronacrisis had ik al de pest aan het mondkapje. Dat had ook te maken met de ophef en de controverse inzake dit kledingstukje dat schertsend gereduceerd was tot schaamlapje. Sommige deskundigen zeiden dat het ding nergens toe diende, dat de viruslichaampjes er ongehinderd gelijk muggen door kippengaas doorheen vlogen. Andere deskundigen betoogden dat dragen van het ding wel degelijk nut zou hebben, want het zou mensen beter attenderen op de geadviseerde anderhalve meter afstand. Ik was wel een beetje van beide kampen. Ik geloofde niet zo in de preventieve werking van het kleinoodje, maar de gedachte dat social distancing erdoor bevorderd zou worden, stond me wel aan. Toen draagplicht ervan dreigde, sloeg mijn vrouw meteen een grote doos mondkapjes in. Ze wilde, de toiletpapierhamsterwoede nog vers in het geheugen, voorkomen dat ze achter het net zou vissen. Nog voor het ding van staatswege in winkels en andere gebouwen verplicht werd, eiste mijn krantenverkoopster al dat ik in het vervolg bij het betreden van haar toko een mondkapje voor moest doen. Even overwoog ik de krant voortaan elders te kopen. En toen werd het plicht. Terwijl mijn vrouw boodschappen deed, zat ik die ochtend in de autocabine te kijken hoe moeizaam het koopvolk zich verpakte achter dat kleine lapje. Dat ging nog niet van harte en het zou de virussen ook niet werkelijk tegenhouden. Het ding hing bij menigeen als een slabber onder de kin. Maar langzaamaan infiltreerde het ding in de garderobe. Ik vergeleek het met de introductie van de onderbroek voor vrouwen. Ook dat schijnt de nodige deining veroorzaakt te hebben. Hoe verging het mijzelf? Kort na de mondkapjesplicht moesten alle niet essentiële winkels op slot, dus dat scheelde overbodige winkelgang. Op straat hoefde je het ding gelukkig niet voor, ofschoon sommige mensen het continu gingen dragen. De voedselwinkels mochten een uurtje eerder open. Dit om de 70-plussers en kwetsbaren de gelegenheid te geven in alle rust boodschappen te doen. Daar hoorden wij ook bij, vonden wij. We gingen meteen om zeven uur en stelden tevreden vast dat we de eersten waren. Het feit dat mijn bril meteen beslaat als ik het mondkapje draag en ik zonder bril de artikelen op de schappen amper kan lezen, maakt dat ik sindsdien haastig door de winkel race en de nodige artikelen vlot afreken. Voordeel van deze werkwijze is dat ik niemand hoef aan te spreken en niemand mij. De weinigen die ik tegenkom leven in eenzelfde soort bubbel. Daarna wacht ik buiten tot mijn vrouw bij de kassa opduikt, waarna ik de boodschappen van de band in de meegebrachte bak laad. Dat is het dan. Vorige week gingen de goederenwinkels weer open. Weliswaar met toezicht op het aantal klanten. De eerste ochtend zag ik al ver voor de openingstijd een rijtje kooplustigen bij de entree van de Voordeelshop. Bij andere winkels zou het niet anders zijn. Ik liet het voor wat het was. Maar gisteren -we waren even in G. voor een paar dingetjes- zag ik dat er geen enkele wachtende voor de Voordeelshop stond en nam ik de gelegenheid te baat. Ik hoefde niet speciaal iets te hebben, wilde gewoon even de winkel door crossen. Ik had hier met zekere schroom eens kniekousen gekocht. Geen gewone kniekousen, maar kniekousen niet bedoeld voor mannenbenen. De foto van een hooggehakte damesbeen liet aan duidelijkheid niets te wensen over. Met de doorsnee mannensokken kon ik mijn nieuwe Ecco-schoenen onmogelijk aan. Wonderlijk, want ik had zelfs al één maat groter genomen. Zou het zijn dat mijn voeten langer waren geworden door al dat gewandel? Maar met die dunne dameskousen ging het perfect. Zouden ze niet verpakt zijn in dat bovenbeschreven doosje, dan zou ik ze zonder schroom op de kassaband leggen. Geen mens zou mij er op aankijken, evenmin de kassière. Ik had bij die aankoop toentertijd gewacht tot ik de enige klant was, liep daarna vastberaden op de kassa af, betaalde vlot en verliet spoorslags de winkel. Nu wordt ik abusievelijk weleens aangesproken met mevrouw en nu mijn haren, doordat ook de kappers lange tijd gesloten waren, woester en langer zijn dan voorheen, gevoegd bij het lapje voor mijn bakkes, nu kon ik rustig enige doosjes inslaan. Ik overwoog niet eens te wachten op een stiltemoment, nee, ik legde de doosjes bijna demonstratief op de band en lette heimelijk op de dame die zich schuin achter mij aansloot. Maar die keek in het geheel niet naar de damesbenen op hoge hak. Het zou haar kennelijk worst zijn. Ook de kassière vertrok geen spier. Ik betaalde en liep rustig de winkel uit. Dat stomme lapje had ineens zijn nut bewezen. Ik zou nu ook makkelijker een extra legging kunnen kopen of indien nodig een maillot. Niets lekkerder dan lopend bij koud weer de benen strak te hebben omhuld. Met dat mondkapje voor zou het een fluitje van een cent zijn. Ineens viel alle schroom weg en waande ik mij in een wereld waarin geen sekseverschil in kleding meer is. Of hield ik mij nu zelf voor het lapje?

14.5.21 Troostrijk vertier De afgelopen dagen veel gemijmerd door en over de ziekte van mijn broer. Leek het in eerste instantie te blijven bij een tumor aan, rond of in de ruggegraat, plotseling ontdekte het ziekenhuis dat hij ook nog de ziekte van Kahler heeft, hetgeen een extra aanslag betekent op zijn al zo broos geworden gestel. Ik wip tegenwoordig elke dag wel even aan. Ik zie dat het met zijn bloemenhandel -mede dank zij de hulp van een legertje vrijwilligers- voorbeeldig loopt en dat dit hem nog wat opmontert. Maar toen kwam die klap van Kahler. En gisteren tijdens het intakegesprek de knock-out-mededeling dat de toestand van zijn ruggegraattumor zeer ernstig is en een dwarslaesie niet ondenkbaar. Om triest van te worden. Maar dat hoorden we pas toen we terugkwamen van ons rondje Noord-Drenthe. Want hoewel we allebei onbewust het plezier van uitgaan opzij hebben gezet, is het een goede manier om even van de ergste sores afgeleid te worden. Vorige week reden we om in Assen te komen langs Grolloo, Amen en Ekehaar. Bij een miniboekenkastje parkeerde ik en we genoten er van ons eerste theetje. In het kastje was niets van mijn gading. Ik liet er wel een aardig stapeltje boeken achter. Na in Assen mijn bestelde toner afgehaald te hebben, reden we via Loon, Balloërveld, Gasteren en Anloo naar huis terug. We zijn hier al zo vaak langsgereden, maar het is en blijft een mooi gebied. Nu de coronaregels voorzichtig versoepelen, komen de eerste backpackers en fietsers weer los. Ik parkeerde aan de rand van het Balloërveld. Aan de overkant van de weg stond in een tuin een stalletje met eten en drinkerij. Ik nam voor een paar euro’s twee cakejes en wat snoepgoed. Thee konden we zelf wel voor zorgen. ‘Het geld aub in het bakje deponeren’, stond op een A4’tje geschreven. Ik liet van enige hoogte de munten in het bakje kletteren, zodat mocht iemand in het aanpalend huis heimelijk toezicht houden, hij of zij het zou weten. Op de schoorsteen van het huis signaleerden we een ooievaar. Er kwam een meisje op een paard voorbij. Ik vroeg me af onder welke plaats Visvliet -de straat waaraan we stonden- valt, want het Balloërveld is een natuurgebied, geen plaats. Er staan weliswaar een tiental huizen. In de provincie Groningen zijn legio plaatsen met minder inwoners en die staan wel als plaats/gehucht aangegeven. Dus ja. Ik zou even kunnen aankloppen bij het huis met de ooievaar en vragen. Op de Falk-provinciekaart zag ik later dat het onder Gasteren valt. We stonden bijna op de scheiding van de gemeenten Aa en Hunze en Assen. Er gebeurde niets. Vooral voor stadsmensen die de drukte ontvluchten moet dit pure weelde zijn. We reden door. Bij de benzinepomp in Annen kocht ik een krantje. Tegen vijf uur waren we weer thuis. Van deze vrijdag tot gisteren gebeurde er niet veel. Ik schoof de planken in de u-balkjes op de veranda, zodat ik weer overdekt kon lezen en sloeg een aantal palen in de grond langs de heg en herstelde het gaas als extra beveiliging voor Rossi. Gisteren moest mijn vrouw voor de vaccinatie wederom naar Assen. Hierna reden we via Witten, Smilde (boekenkastje, niet veel soeps) langs het Oranjekanaal naar Oranje en Hijken waar mijn oudste zus woont. Ik weet echter niet waar en houd het daar graag op. Richting Zwiggelte stopten we bij een bankje aan het natuurgebied De Broeken om thee te drinken. Er liepen regelmatig duo’s mensen en soms wat grotere koppels voorbij. Mijn vrouw moest even een plasje plegen, maar zag nergens een aardig plekje om dit te kunnen doen. ‘Als jij nou eens voor mij gaat staan’, zei ze bij een kleine inham in het struweel. Ik volgde haar instructies, onderwijl het wandelpad in de gaten houdend. Het liep goed af. Ik zou het met mijn handicap in het hoognodige geval precies eender moeten doen. Dat is tot op heden gelukkig nog niet gebeurd. Daarna reden we door naar Zwiggelte, alwaar ik in de boekenkast voor het dorpshuis een vijftal boeken ruilde voor Dijkshoorn van Nico Dijkshoorn en Onder dieren van Ton Lemaire. Mijn voorraadje ruilboeken slonk nu al aardig. Het boek van Ton Lemaire is op het oog splinternieuw. De eerste eigenaar, die het waarschijnlijk voor zo’n 25 euro kocht, heeft het tot bladzijde 48 gelezen. Dat is goed te zien doordat hij/zij het heeft ontsiert door met een balpen bepaalde passages en soms hele regels ruw te onderstrepen. Na bladzijde 48 houdt dit op. Ik onderstreep of markeer alleen met potlood, zodat een volgende lezer het eventueel weg kan gummen. Balpenstrepen in boeken zijn een gruwel, moest bij de wet verboden worden! Niettemin mag ik dit gegeven paard niet in de bek kijken. We togen verder, langs wegen met rijkelijk bloeiende brem en bossen koolzaad en volgden het Oranjekanaal naar Schoonoord en sloegen nabij Kibbelveen af richting Odoorn. We moesten toch maar weer eens op huis aan. In Borger zaten de terrassen boordevol en was er veel koopvolk op de been. We reden door. In Gasselte bij ’t Moatie hetzelfde en in Gieten evenzo. We waren nog niet toe aan deze vrijmoedigheid. Tegen vijf uur reden we nog even bij Heildert aan en hoorden het onheilspellende nieuws waar ik dit schrijven mee begon.

8.5.21 Bekend over heel de wereld Mijn site of blog is nu bijna een jaar in de lucht. Het is en blijft voor mij een volstrekt mysterieus fenomeen. Dat is het draadloos overbrengen van geluiden of beelden voor mij sowieso. Wetenschappers kunnen heel beeldend uitleggen hoe het werkt, maar voor mij blijft het een raadsel. Als jongen las ik zeer geïnteresseerd het boek over het leven van Thomas Edison, uitvinder van onder andere de fonograaf en de wasrol, de voorloper van de grammofoonplaat. Alles wat een mens of een dier hoort wordt voortgebracht door geluidstrillingen. Dat valt nog wel te begrijpen. Maar voor die trillingen ben je lucht nodig en de luchtlaag houdt na zo’n 15,20 kilometer op. Hoe kan het dan dat men vanaf de Aarde ruimterobotjes bestuurt, die duizenden, wat zeg ik, miljoenen kilometers van ons vandaan staan? ‘Via elektrische signaaltjes, simpel zat’, zegt de wetenschapper. Maar hoe werkt dát dan weer? Vergelijk het met de afstandsbediener van de televisie of de geluidsapparatuur. Je stuurt aan de ene kant een signaal weg en op het zelfde moment ontvangt de ontvanger aan de andere kant jouw opdracht en voert het uit. Andere zender, hoppa – geluidssterkte, volume, helder of dof, enzovoort. En toch blijf ik het een wonder vinden dat men van vanuit Amerika een signaal stuurt naar de Maan of naar Mars om daar een apparaat iets te laten doen. Ik heb met dit soort onzichtbaarheden altijd moeite gehad. Ik herinner me bijvoorbeeld dat de meester van de lagere school mij eens -mogelijk in lichte radeloosheid- vroeg of ik wel geloofde dat ik hersens had, want die kon ik toch ook niet zien. Daar had-ie een punt. Ik denk dat verreweg het grootste deel van de mensheid ook helemaal niet stilstaat bij dit soort mysteriën. Ze maakt er wellicht zonder enige vorm van dankbaarheid gebruik van. Het is even onmisbaar geworden als water en lucht. Als alle lijntjes tussen dies en gene in een grote stad zichtbaar zouden worden, dan zou het een ondoordringbare oerwoud van draden worden. Een mycelium dat zich uitstrekt over heel de wereld en ons zou verstikken. Want dat is het bedenkelijke bij-effect van deze ontwikkeling: Overal op de wereld vangen ontvangers signalen op die feitelijk niet voor hen bedoeld zijn en ze sturen ongewenste boodschappen terug. Gelukkig hoef je die boodschappen niet te zien, sterker nog; je zou er een dagtaak aan hebben. Een tijdlang kreeg ik meerdere keren per dag berichten die door een maasje van het beveiligingsnet van de weblog waren geglipt. Mijn beveiliger wist ze er tenslotte uit te vissen en sindsdien is het opgehouden. Het waren steeds berichten van lieden die mijn blog beter en vooral voor heel de wereld wilden stileren. Sommigen wilden er filmpjes bij maken of een hippe opmaak. Over het algemeen was de taal van die sprinkhanen vrij slecht en kostte het ook nog een aardige duit. Ik zat (en ik zit nog steeds) helemaal niet te wachten op wereldwijde verspreiding van mijn stukjes. Mocht er bij toeval toch iemand aan de overzijde van de Noordzee of voorbij de Zwitsere Alpen tegen mijn wederwaardigheden aan lopen en er ook nog plezier aan beleven, dan is dat natuurlijk prachtig. Om u een beeld te geven hoe vaak iemand ter wereld mijn blog bestookt, hier enige cijfers. Het aantal mislukte aanmeldingspogingen per land is tot op heden (8 mei 2021, 9.40 uur): USA – 47.292; China – 11.582; India – 9883; Filipijnen – 7134 en Brazilië – 4970. Dit is slechts de top-5 van de meest gemelde landen. Er moeten nog veel meer landen zijn van waaruit lieden constant bezig zijn mijn blogje aan te vallen. En uiteraard niet alleen mijn blog, maar over heel de wereld. Soms roep ik weleens als ik op de televisie iemand iets belachelijks zie doen (influencers bijvoorbeeld): zoek in godsnaam normaal werk! Want van een hoop bezigheden zie ik absoluut het nut niet in. Ik zou het ook tegen al deze weblogvervuilers willen roepen: Doe iets nuttigs! Laat je niet langer in met deze onzin!! Gelukkig heb ik een bedrijfje kunnen inhuren die al deze spam en andere zooi tegenhoudt. Ik heb ze eens een mailtje gestuurd om ze er hartelijk voor te bedanken, maar het adres klopt niet, het kwam niet aan. Misschien is mijn beschermer tevens mijn vijand en houdt hij of zij het hele netwerksysteem om den brode in stand. Het zal me niets verbazen. Bij de post zie ik dat er alweer een paar mislukte inlogpogingen zijn gedaan. 24/7 gaat het door. Alleen kakkerlakken slapen zo nu en dan , maar die kun je in het beste geval nog een mep verkopen. Dat kun je bij die invaders from space helaas niet. Het lijken wel ufonauten en niet eens aardige.

5.5.21 Zenuwlijer Mijn vrouw moest voor de tweede behandeling, het afwerken van een zenuwkies, naar de tandarts. Dat heet tegenwoordig geen tandarts meer, want het bevat naast tandheelkundige ingrepen ook reiniging en andere gebidsverzorging. Ze kon er vanwege een afzegging tussen geschoven worden. Perfect! ‘Kwart voor een, schikt dat?’ ‘Jazeker!’ Het kon een halfuurtje duren. Nauwelijks op weg zag ik overal de grijze kliko’s staan. Ik was vergeten het aan de straat te zetten. ‘Kun je niet even weerom gaan’, zei mijn vrouw verschrikt, want de container was aardig vol en moest absoluut worden geleegd. ‘Nee joh, dan kom jij te laat’, zei ik ‘bovendien die auto komt pas tegen halfvier, dus geen paniek’. Er rausde ineens een geweldige stortbui op ons neer en de wind rukte aan ons autootje. ‘Ik ga zodra jij binnen bent wel eventjes terug en zet het bij de straat’, zei ik. Tegen de tijd dat mijn vrouw zo’n beetje in de tandartsstoel zat, was ik alweer thuis. Ik besloot de vlag nu ook maar uit te hangen. Ik vertrouwde het eerst niet zo met die wind en bovendien met de ziekte van mijn broer vind ik vlaggen nu niet zo gepast, maat ik voelde me bij het zien van al die vlaggen haast wel verplicht. Aan de andere kant staat het vieren van de Bevrijding natuurlijk los van andere aardse zaken. Daarna reed ik terug. Ik stopte voor een snelle blik nog eventjes bij het boekenkastje aan de Bonnen, plukte er een boekje van Gerrit Krol uit, reed verder en parkeerde op het pleintje bij de tandartsengroepspraktijk. Het was precies kwart over een. Mijn vrouw zou zo wel klaar zijn. Dat viel tegen. Het werd twee uur. Onderwijl had ik het boek Ach, moedertje van Hugo Borst uit. De ene na de andere bui trok over. Ik zou bij de schoenenwinkel een eindje verderop allang een paar nieuwe stappers hebben kunnen kopen, want die ik aanhad worden minder. Naast een drogisterij zijn er verder geen winkels in de straat. Alleen eentje met ruitersportbenodigdheden. Vóór die winkel, onder de luifel, had een rek met jassen gestaan, maar die lag ineens ondersteboven. Ik zou het even overeind kunnen zetten. Nou ja, het leek me dat de winkelbediende toch wel kon zien dat die rek ondersteboven lag en dat de kleding nat werd. Het werd halfdrie en nog steeds liepen er mensen bij de tandartsenpraktijk naar binnen en naar buiten, maar niet mijn vrouw. Ze zou toch niet allang klaar zijn en naar een van de winkels in de volgende straat zijn gelopen? We hadden dat niet afgesproken en ik kon me het ook niet voorstellen, maar het duurde toch wel akelig lang. Zou er iets anders aan de hand zijn? Ze zou iets hebben kunnen krijgen, iets met het hart of een toeval en dat ze nu langzamerhand aan het bijkomen was. Dat kan soms een tijdje duren. Die tandartsen wisten natuurlijk ook niets van een chauffeur op de parkeerplaats en dat die in geval gewaarschuwd moest worden. Het werd drie uur. Ik had het boekje van Gerrit Krol onderwijl al bijna uit. Zou ik naar binnen gaan en vragen waar mijn vrouw bleef? ‘Oh meneer, die is allang weg’. Schrik, schrik! Je hoort weleens verhalen van mensen die zeggen een pakje sigaretten op de hoek te kopen en die nooit meer terugkomen. Daar kun je eindeloos op variëren. Zoiets doet mijn vrouw niet, ken ik van een oud-collega wiens vrouw zonder boe of bah met de noorderzon vertrok. Ik kon me het van mijn vrouw niet voorstellen. Toch flitsten er steeds meer duistere scenario’s voorbij. Ik begon me verwijten te maken dat ik soms wat kort door de bocht tegen haar was geweest, dat ik soms teveel op de centen lette en weleens kritiek had op huishoudelijke zaken. Misschien had ze wel gelijk om mij eens flink de oren te wassen. Misschien was dit wel een lesje onbedoelde correctietherapie. Ik werd met de minuut somberder, was amper nog in staat een letter te lezen. Ze was inmiddels meer dan twee uur binnen. Eindelijk, hèhè, kwam ze naar buiten. Het was een zware bevalling geweest, zei ze. Ik was opgelucht. We gingen meteen naar huis. Heel de tijd had ik me ook afgevraagd of de vlaggenstokhouder bestand zou zijn tegen de harde wind en of de vlag nu niet ergens in de tuin lag of zelfs over straat waaide. Maar gelukkig, de vlag wapperde fier in de wind en de kliko was nog niet geleegd. Het leven lachte ons weer toe.

4.5.21 Grijs gebied Vandaag zou moeder 103 jaar zijn geworden. 4 Mei. Altijd een beladen dag geweest vanwege mijn foute oom. Het koude, winderige en regenachtige weer noopte mij de halfstok vlag niet uit te hangen. Dat is lang niet gebeurd, want de Doden dienen te worden herdacht. Mijn vrouw heeft moeite met de bulk aan programma’s over de Tweede Wereldoorlog en dan vooral die over de herdenking. Haar moeder maakte de verwoesting van Rotterdam van dichtbij mee en heeft er de rest van haar leven zwaar mee geworsteld. Samen met de oorlogswinter en het daarna stelselmatig hamsteren van voedsel, om dit nooit meer te laten gebeuren. Ik keek twee documentaires, de eerste over Jetty Pearl, in de oorlog beroemd vanwege haar antimoffenliedjes en de tweede over Etty Hillesum. Mooie docu’s, zeker. Maar toen vond ik het wel genoeg. Vooral het verhaal over Jetty Pearl hakte er behoorlijk in. Ze trouwde na de oorlog met de kunstschilder Cees Bantzinger. Wat ze niet wist is dat Bantzinger toen de oorlog uitbrak kort lid was geweest van de nsb en hoewel in de oorlog deze smet weggewist door verzetsactiviteiten, had hij het na de oorlog angstvallig verzwegen. Totdat nsb-jager Adriaan Venema er in de jaren tachtig achter kwam en het wereldkundig maakte. Hij nam contact op met Bantzinger en hoewel deze zei dat onthulling hiervan zijn gezin ernstig in de problemen zou komen, zette Venema toch door en publiceerde het in één van zijn boeken. Die Venema ging met het verdenken en zwart maken van iedere schrijver of kunstenaar zó ver, dat hij zelfs Kees Buddingh’ nog aanmerkte als fout, terwijl die voor een groot deel tijdens de oorlog in het sanatorium lag te genezen van tbc. Ook Bert Voeten, echtgenoot van Marga Minco, merkte hij ook aan als fout. Wat hiervan waar is, is onduidelijk. Cees Bantzinger maakte kort na de openbaring van hun nsb-lidmaatschap een eind aan zijn leven. Het greep me ineens enorm aan. Temeer Venema hier in het programma van Sonja Barends uitgebreid verslag van deed. Natuurlijk, fout was fout, maar er bestond wel degelijk verschil tussen de een en de ander. Bantzinger had zich tijdens de oorlog aardig gerehabiliteerd. Zo iemand kun je toch moeilijk fout noemen. De onthulling op het Journaal en in de kranten zou zijn vrouw en dochter in grote gewetensnood brengen, dat was hem wel duidelijk. Hij koos voor de meest radicale weg en verdronk zich. Ik was geschokt. Mocht het al zo zijn dat zowel Cees Bantzinger als Bert Voeten niet helemaal zuiver op de graat zijn geweest, in verhouding tot heel veel bruinhemden stelde dat niet veel voor. Ik heb het dagboek van Bert Voeten ooit gelezen en vond er niets in dat tegen zijn rechtschapenheid pleit. Een zelfde historie bevat het boek Potgieterslaan 7 van Sytze van der Zee. Er zijn regelrechte schurken met minder straf weggekomen. Mijn vrouw hoorde mijn verweer aan en zei ‘Je bent wel veranderd wat betreft je boosheid over nsb-ers’. Ik zei dat dit zo was. Voortschrijdend inzicht misschien. Maar de smerige nsb-ers blijven natuurlijk zo fout als wat, alleen de directe familieleden en nageslacht hebben daar natuurlijk niets mee te maken en die moet je er ook niet mee belasten. Dat deed Venema wel en hij verdiende er ook nog goed geld mee. Hoe fout ben je dan?! Hij wist daarbij dat hij hiermee heel veel ellende veroorzaakte. Ik had altijd al een hekel aan die man, maar nu nog meer. ‘Ze moesten die vent aanpakken’, zei mijn vrouw. Ik zei dat Adriaan Venema zich jaren geleden al van kant had gemaakt. De grond werd hem te heet onder voeten. Hoe dan ook, het kleurde wel mijn avond. De documentaire over ‘jodenredder’ Willem Mengelberg liet ik voor gezien. Het vaatje oorlogsellende liep al aardig over. Gezien de weersverwachting hang ik morgen de vlag denk ik niet uit.

1.5.21 Dag van de arbeid Ik heb er zelf nooit aan meegedaan, wist amper van het bestaan ervan, maar bij mijn eerste werkgever (Stork, Assen) werd het bescheiden ‘gevierd’. Sommige collega’s namen een snipperdag op om naar een bijeenkomst van de Partij van de Arbeid te gaan of naar een andere festiviteit. Ik heb de Dag van de Arbeid altijd beschouwd als een bedenksel van het communisme, van Lenin en van Fidel Castro, en wilde er liever verschoond van blijven. Maar het is ontstaan in Amerika. Niks Rusland, niks Cuba. Herdacht werd de bloedige afloop van de staking op 3 mei 1886 in de McCormick-fabrieken te Chicago. Er werd gestaakt voor de achturige werkdag. Voor de martelaren van Chicago staat 1 mei sindsdien voor de arbeidersstrijd in de hele wereld. Leest men over de Dag van de Arbeid (heb ik even gedaan) dan treft men al snel het woord socialisme, naast communisme en anarchisme. Socialisme is volgens de Van Dale: 1; een wijze van samenleving gericht op afschaffing van privaat kapitaal, socialisatie van de productiemiddelen en gemeenschappelijke voorziening in de behoeften van haar leden. 2; Maatschappijvorm die hier naar streeft. Op papier ziet dit er nog wel vriendelijk uit, maar de praktijk is anders. Het woord socialisme is vooral verweven met onderdrukking en van het gemeenschappelijk gebruik van de middelen heb ik nooit veel gezien. De Vredeswerkgroep van Ooststellingwerf, waar ik enige jaren lid van was, bestond voor een deel uit overtuigde socialisten, maar die waren in de praktijk niet veel anders dan hen die zich geen socialist noemden. Ik herinner me een ouder echtpaar dat zich in een Lada voortbewoog en volhardde in een socialistische heilstaat. Een ander lid was overtuigt anarchist en ook daar lag ik regelmatig mee in de clinch. Het feit dat ik als uitzendkracht regelmatig overwerkte bij het metaalbedrijf Furigas te Assen zorgde bij hen voor scheve gezichten. Ik stootte hierdoor brood uit de mond van een werkloze, maar als ik in de hitte van de discussie voorstelde hen te laten solliciteren, gaven ze niet thuis. Dat wil niet zeggen dat ik het strijden voor goede werkomstandigheden en gelijke betaling voor mannen en vrouwen voor hetzelfde werk niet goed zou vinden. Meer dan eens kreeg ik toen ik een tijdje van de steun trok -werkloosheid was erg hoog in die jaren- juist van lieden die het anarchistische of communistische gedachtengoed onderschreven te horen, dat werken in een fabriek niets voor mij (lees: voor hen) was. In mijn latere werkkringen hoorde ik nooit iets over de Dag van de Arbeid. Nu, met het niet bij elkaar mogen komen van grote groepen vanwege de angst voor corona, gaat het allemaal niet door. Er zijn bovendien andere bewegingen ontstaan die meer aandacht vragen voor de problemen van deze tijd. Black Lives Matter bijvoorbeeld en de miljoen Oeigoeren in strafkampen China, die als slaven een deel van onze goedkope winkels van kleding voorzien. Maar ik zie werknemers van die bulkwinkels de straat nog niet op gaan om voor die mensen op te komen. De brand in een kledingfabriek in Bangladesh op 24 april 2013, waarbij meer dan 500 doden en meer dan 1000 gewonden te betreuren vielen, zou, refererend aan de bloedige staking in de McCormick-fabrieken in Chicago, een goeie aanleiding zijn voor het organiseren van een jaarlijkse dag tegen Kinder- en Slavenarbeid. Of het zou helpen deze misstanden op den duur uit de wereld te krijgen, is zeer de vraag. Daarvoor moet de mens eerst bevrijd worden van zijn/haar bijna niet te temmen koopzucht. In het begin van de coronapandemie waren er nog wel mensen die dachten dat het woekerend consumentisme een zware klap te verduren zou krijgen, maar de online-bedrijven bewezen het tegendeel. Ze konden de vraag naar goederen amper aan en met het versoepelen van de regels lopen ook de straten weer vol en staan er lange rijen voor de stenen winkels. De Dag van de Arbeid heeft in mijn optiek alleen betekenis als het naast de strijd voor goede arbeidsvoorwaarden en behoud van koopkracht, ook strijdt tegen de import van producten uit landen die het met de humane – en de milieuregels niet zo nauw nemen, waardoor de aanschaf van deze goederen automatisch zou teruglopen. Maar dat is denk ik te hoog gegrepen. Dat zal pas gebeuren als de grondstoffen om deze producten te maken, zoals olie, metalen, mika, coltan enzovoort schaars worden en daardoor ook de elementaire behoeften peperduur. Moet ik mij daar als uitgewerkte, prille 70-jarige nog druk over maken?

29.4.21 Zwart gat Nee, de avond begon met een schok. We waren amper thuis toen mijn zus belde dat het met onze geliefde broer Heildert helemaal mis is. Komt allemaal zeer plotseling. Hij moest vanmorgen voor een scan naar het ziekenhuis, want hij had de laatste tijd geweldig veel pijn in zijn rug en in zijn benen. Het lopen ging in korte tijd bijna niet meer. Uit de scan bleek dat hij een tumor aan zijn ruggegraat heeft. Mijn corrector zegt dat ruggegraat met een tussen-n geschreven moet worden, maar een mens bezit slechts één ruggegraat. Had-ie er maar twee, dan kon hij er in het ergste geval eentje afstaan. Net als een nier of een long. Maar helaas. We waren door deze tijding behoorlijk van de kaart. Hij had meteen na dit inktzwarte bericht gemompeld dat zijn leven erop zat. Het eind was hem rigoureus aangezegd. Ik kende deze reactie maar al te goed. Ik verzette mij er heftig tegen. Alles deugd nog mij, zei ik in lichte paniek. Ik heb nooit een bot gebroken, heb de laatste dertig jaar voorbeeldig geleefd en nu dit! Dit Kan Toch Niet Mogelijk Zijn! Iederéén schijnt zo te reageren als hem of haar wordt gezegd dat kanker je aan het uithollen is. Langzaam krabbelde ik overeind. Ik opperde dat de dokters tegenwoordig zo knap zijn dat dit een akkefietje van niks is. Zo lulde ik mijzelf uit de gevarenzone. Bij onze geliefde broer zou dat ook wel zo gaan, hoopte ik bijna hardop. Vanavond was ik bij hem in het ziekenhuis. Hij maakte een montere indruk. Door onze mondkapjes kon ik zijn gezicht niet aftasten. Ineens blijkt hoe belangrijk iemands mond is. Taal is meer dan geluid, meer dan de juiste betekenis van woorden. Het is ook de mimiek en de voor een onbekende niet gekende rillinkjes. Die zijn achter zo’n katoenen lapje niet zichtbaar en daardoor kwam niet alles van zijn emoties bij mij over. Maar hij klonk tamelijk opgewekt. Kon natuurlijk ook zijn dat hij eindelijk iemand uit zijn directe omgeving tegenover zich had. Want door de coronabeperkingen mogen patiënten maar twee keer per dag slechts één bezoeker per keer ontvangen en vanmiddag was er niemand geweest en dan duurt een dag héél lang. Hij was enigszins van de ergste schrik bekomen en zat nu zijn kansen af te wegen. De tumor kon mo-ge-lijk worden weggehaald en de uitzaaiingen, waar sprake van was, bestraald. Alle hoop was dus nog niet verloren. Zo spraken wij in alle rust de zaken door. Er was verder niemand in de buurt. Ziekenhuiskamers deprimeren mij in hoge mate. Gelukkig zaten wij in een tussenruimte. Mijn vrouw mocht met voorzichtige instemming van de bewaking in de restauratie beneden wachten. Ik had gezegd dat ik ongeveer een halfuur weg zou blijven. Tegen half acht keek Heildert even op zijn horloge. We waren bijna al een uur aan het kletsen. Ik moest maar terug voor iemand van de bewaking mij zou sommeren. ‘Maandag gaan ze een botscan en een biopsie doen’, zei hij. Ik zei niet dat die biopsie mij ongelooflijk pijn had gedaan. Als het maar weer goed komt. Het ‘einde verhaal’ kwam niet over zijn lippen, maar het feit dat hij nooit meer goed zou kunnen lopen wel. Het is 50/50. Wij geloven allebei niet in hogere machten. Hij moet het hebben van deskundige artsen en een flinke dosis geluk. Ik heb de mijne na de operatie niettemin een hemelse status toebedacht. Ik hoop dat Heildert net zo’n magiër treft, zodat hij over enige tijd weer redelijk uit de voeten kan. Toen wij het ziekenhuis verlieten en ik eindelijk dat vermaledijde mondlapje af kon doen, haalde ik diep adem. Het werd mij even zwart voor de ogen. Daarna voelde het alsof ik uit een hele griezelige bubbel was gestapt.

27.4.21 Gouden randje Dagen die zonder smetje verlopen komen zelden voor. Er is altijd wel een minkukel die of een gevalletje dat roet in het eten gooit. Maar vandaag liep alles op rolletjes. Ondanks dat ik tot voorbij middernacht aan het tikken was geweest, was ik toch al weer vroeg uit de veren en kort erop met Rossi wezen lopen. Er hing een roodwitblauwe vlag omstreeks nr 20. O ja, het is vandaag Koningsdag, realiseerde ik me. Ik ontvouw mijn vlag alleen op 5 mei en halfstok op 4 mei ’s avonds. Ik deed mijn rondje langs het dorp, sprak terloops enige passanten en was tegen negen uur weer thuis. Inmiddels hingen er al meer vlaggen. De rest van de ochtend Krasschade doorgenomen en tikfoutjes hersteld. Tijdens het schrijven ervan geraakte ik in mineur. Ik overwoog zelfs even het hele verhaal te wissen. Soms kan een ernstige zaak een mens behoorlijk bij de lurven pakken. Maar het was nu wel weer over. Tegen de middag naar G. voor wat boodschapjes en een krantje. De Jumbo was echter om twaalf uur al gesloten van wege Koningsdag. Voor de verandering naar de Lidl. Bij de parkeerplaats stond een jonge vrouw kranten uit te delen. Dat wil zeggen, ze was gerekruteerd om nieuwe abonnees te werven. Terwijl mijn vrouw uit de auto stapte wees zij mij erop. Kort erna kuierde ik zo achteloos ik kon in haar richting en zei bij haar aankomende ‘Zo, geef je ze weg vandaag?’ Ze keek van schrik op van haar mobieltje en zei ‘Oh, wilt u een krantje mee meneer?’ ‘Ja, doe maar’, zei ik. ‘Ik wilde net eentje bij de Jumbo halen, maar die zijn al gesloten. Vette pech dus. Maar jij hebt nog genoeg, zie ik’. Ze lachte en zei ‘Welke wilt u?’ ‘Ja, doe trouw maar’. Ze stak me een exemplaar toe. Ik zei dat ik de Volkskrant ’s weekends lees en het soms doordeweeks los koop. ‘Wilt u geen volledige abonnement dan?’ zei ze. ‘Nee joh, ik heb nog andere dingen te doen’. Onderwijl stak ze mij ook nog een Volkskrantje toe. Zo, dat waren er twee voor niets. Verder had ze alleen het AD in haar winkeltje. Ze waagde nog een poging mij aan een aanbiedinkje te verkopen, maar ik bedankte beleefd en liep terug naar de auto. Mooi, dat was dik zes euro verdiend. Ik liep daarna nog even naar het Kruidvat en vond tussen de ramsjes twee titels van Hugo Borst. Ma had ik al eens gelezen -mooi boek-, Ach, moedertje is het vervolg erop, las ik op de omslag. Ik wist niet dat er een vervolg was. Nog minder dan de prijs van mijn kranten. Wat wil een mens nog meer? Plus twee dozen theezakjes voor de prijs van één. Toen ik de winkel uitliep, was het meisje weg. De stapels kranten lagen er nog. Misschien was ze even een boterhammetje eten. Ik weet dat sommige colporteurs er na een paar uurtjes schijtzat van zijn en de boel de boel laten. Ik nam een AD van de stapel -kon er nog wel bij- en liep naar de auto. Genoeg leesvoer voor de rest van de dag.

Eind van de middag reden we naar Assen, voor mijn eerste coranaprik. Ik zag er een beetje tegen aan. Niet tegen de prik zelf, maar tegen het gedoe en het alleen-zijn in die hal. Op zulke momenten heb ik mijn vrouw graag bij me. Maar het ging van een leien dakje. Volgt u de pijlen en hup… voor ik het wist zat ik in een hokje en binnen een halve minuut was ik gevaccineerd en mocht ik weer doorlopen. Er schijnen coronaontkenners te zijn die denken dat er in het vaccin een voorgeprogrammeerd chipje zit van de bv Bill Gates en dat dat chipje de drager ervan precies kan volgen en allerlei opdrachten kan laten uitvoeren, zodat hij of zij een soort robot wordt. BigTech avant la lettre. Ik geloof er geen snars van. Er was een tijd dat met name kinderen zakken chips kochten vanwege de meegeleverde flippo’s. Het zal me niet verbazen dat er lieden zijn die nu met een eigenzinnig soort voortschrijdend inzicht zeggen dat de chips tóén ook al niet deugden. Maar het is uitermate vervelend dat er mensen zijn die in deze roerige tijd voor onrust zorgen en de boel zo opstoken. Als het geen gevaar opleverde zou ik er beter mee kunnen leven. Ik moest na de prik nog een kwartiertje wachten in de zaal ernaast, voor het geval mijn lichaam vreemde kuren zou vertonen. Dat deed het niet. Na precies 15 minuten liep ik weer naar buiten. Ik was al voor de tijd die op het formulier stond terug bij de auto. Het viel honderd procent mee, zei ik tegen mijn vrouw. Bijna euforisch reden we weg. De zon deed zijn uiterste best om Koningsdag tot een waar feest te maken. Overal hingen vlaggen te wapperen. Het was tot dan toe een dag met een gouden randje.

26-27.4.21 Krasschade Het is de avond voor de corona-avondklok wordt afgeschaft. Ik besefte het pas toen ik tegen middernacht een eindje de straat opliep. Het was alsof ik het gevoel kreeg dat ik er de tijd voor moest nemen, zoiets als het maximaal genieten van de zonsverduistering, van iets wat zelden of nooit meer terugkomt en waar je, nu het nog kan, alles uit moet halen. Wat je het vreemde gevoel geeft uniek te zijn en waar ik eigenlijk helemaal niet van houd. Ik liep een eindweegs, nam er de tijd voor en keerde op zeker moment weer terug. Ik deed het hek van onze tuin dicht en ging er tegenaan staan en keek het veld over. Door het heldere maanlicht en de vrieskou glinsterde het bijna sprookjesachtig. Ik hield me voor dat niemand ter wereld dit nu zou ervaren. Alle minuten die ik had gelopen en tegen het hek stond had ik niet het minste geluidje gehoord. De N33 lag er verlaten bij, de hemel was een fluorescerende gewelf waar de maan als een lamp onder hing. Geen enkele windmolen achter ons huis draaide. Het dorp sliep de slaap der onschuld. Ik begreep ineens de betekenis van het woord maagdelijk. Maar hoewel ik mij gelukkig voelde, kreeg ik, toen ik mij enkele honderden meters van huis had verwijderd, ineens een signaal om niet verder te gaan en ik keerde hoewel met lichte tegenzin terug. Mijn voornemen een langere wandeling als normaal te maken veranderde hierdoor. Dat irriteerde mij eerst maar nu ik tegen de binnenkant van het hek stond was het weg. Ik wist wel waar het door kwam. Het gevaar school hem in de combinatie van zaken. Als het zou hebben geregend of als er een licht bries zou zijn, zou het gevoel van angst anders of misschien wel helemaal niet zijn ontstaan. Maar alle bouwstenen om de angst, míjn angst, waren aanwezig om het maximaal aan te zetten. Zelfs de vage contouren van de bomen van het bosje waar ik mij die nacht enige uren had verscholen totdat mijn bloeddorstige belagers naar alle waarschijnlijkheid vloekend en tierend waren afgedropen, speelden mee. Daar waren enkele levensbedreigende uren aan vooraf gegaan. Ze staan in mijn geheugen gegrift. Ik heb er krasschade van opgelopen. Dat is het. Ik begaf mij in mijn vrijgezelle jaren op zaterdagavond weleens naar het enige dorpscafé. Het was niet meer dan een verzetje. Wat babbelen met een paar dorpsgenoten, wat nieuwtjes horen, pilsje erbij, dat werk. De eigenaar en uitbater van de zaak kon men met geen mogelijkheid kastelein noemen. Daarvoor is op zijn minst mensenkennis en de gave van het woord nodig. Daarnaast uiteraard enige werkdrift. Hij ontbeerde al deze eigenschappen. Er heerste dan ook regelmatig een zekere wanorde, wat toe te schrijven is aan zijn indolentie, zeg maar: luiheid. Soms stond er iemand anders achter de tap. Laat ik hem Koos noemen. Ik durf dit aan, omdat ik geen enkele Koos in mijn kennissenbestand heb en dus niemand kan belasteren. Koos was evenmin kastelein, maar werkte wat vlotter. Daar is al het goede over hem mee gezegd. Want als hij niet achter de tap stond maar aan de voorzijde van de bar hing, was hij zeker na een aantal glazen bier een onuitstaanbare, heethoofdige vent. De avond waarover ik reeds sprak was ik in het café. Ik moet erbij zeggen dat ik in die dagen goed gekleed ging. Meestal een wit overhemd en een donkerrood colbertje. Meer had ik trouwens ook niet. Misschien was dit achteraf gezien mede de reden voor de woestheid waarmee Koos -en later ook zijn trawanten- zich aan mij vergreep. Op het moment dat Koos met nog drie andere kerels met veel herrie binnenkwam, zat ik aan de bar en sprak met een vrouw die ik vrijwel elke keer als ik hier kwam aantrof. Ik had nog niet eerder met haar gesproken. Voor de goede orde; ze was reeds bejaard en haar echtgenoot zat een eind verderop aan dezelfde bar. Van enige romance was geen sprake. Soms brengt het lot mensen voor een uurtje bij elkaar. Ze vertelde dat ze onlangs een kleinkind kort na de bevalling had verloren, dat had ze vreselijk veel verdriet om gehad en dat bracht haar in een huilerige stemming. Nu wist ik uit eerdere avonden dat de tranen bij haar nogal vlotjes kwamen, maar dat ze als een windvaan kon draaien en uit de band springen en iedereen voor slome donders kon uitmaken. Zulke mensen vind ik niet te benijden. Enige weken hiervoor had ze, wellicht door overmatig drankgebruik en daardoor van elke schaamte ontbloot, op deze zelfde toog een striptease opgevoerd. Ook daar had ze het met mij over. Dat ze zich daar zo voor schaamde, dat ze mensen in het enige kruidenierswinkeltje in het dorp er over hoorde fluisteren en dat ze soms zo somber was dat ze wel van het leven af wilde. Nou ja, zo’n gesprek hadden we. En toen vloog dus de deur open en kwamen die vier mannen binnen stuiteren. Koos kwam al vrij snel op het vrouwtje dat naast mij zat af en ging wijdgearmd over ons heen hangen. ‘Hou op Koos’, zei ze bozig ‘je doet mij zeer’. Maar Koos bleef gewoon hangen en noemde haar zijn duifje. Opnieuw ‘auw-auwde’ ze. Ik ergerde mij aan zijn gedrag. Ik rook zijn sterke drankgeur, ik was op mijn hoede. Was het omdat ik haar wilde bevrijden van zijn bruuskerende houding of was het omdat ik er zelf ook onder leed? Ik weet het niet meer. Hij hing met zijn halve lijf op mijn schouder en omklemde mijn hals. Er was duidelijk sprake van agressieve woeling. Door het aanklemmen van zijn arm kwamen zijn vingers nu gevaarlijk dicht bij mijn mond en plotseling, als een uiting van ondoordachte verweer, beet ik in één ervan. Niet hard, maar ik beet. En inderdaad als door een slang gebeten sprong hij op en rukte mij schreeuwende dat ik hem gebeten had van de barkruk en wilde in diezelfde seconden met mij op de vuist. Mijn witte overhemd was reeds gescheurd. Nu is het bijten in andermans vingers geen gewoonte van mij en in het algemeen lees ik daar ook zelden iets over, dat was denk ik oorzaak dat er meteen grote consternatie ontstond. Het vermeende duifje was razendsnel van plaats veranderd en bekeek mij vanaf de overkant van de bar met diepe afgrijzen. Ik was door de brute aanval gevallen, stond voorzichtig op en ging weer zitten. Ik wist op dat moment dat mijn leven er nooit meer zou uitzien als het leven een paar minuten daarvoor. Een soort rust overviel me, mogelijk eenzelfde een rust waar ik weleens over had gelezen als iemand voor het vuurpeloton heeft gestaan en door een wonder aan de dood is ontkomen. Wat er daarna gebeurde was uiterst curieus. Het was alsof de aanwezigen zich langzamerhand opdeelden in twee groepjes: mensen die voor me waren en mensen die tegen me waren. Een soort inquisitie volgde. Dit duurde toch zeker een uur. Al die tijd zat de eigenaar van het café op zijn vaste kruk achter de bar en greep geen moment in. Het was nog niet de tijd van de mobieltjes, anders zou er zeker iemand stiekem de politie hebben gebeld, want het was een uiterst ontvlambare situatie. Temeer de drie vrienden van Koos zich aan zijn zijde schaarden en steeds dichter op mij af kwamen. Ik heb al gezegd dat ik voor mijn doen keurig gekleed was. Misschien was dit wel een reden dat een van die drie vrienden mij plotseling uitschold voor ‘Poot’. Ik heb nooit enig verband kunnen zien tussen mijn outfit en mijn ongewone verweer en een uiting mijnerzijds van herenliefde. Dit woord werd door die jongen als moordwapen tegen mij gebruikt, als een mantra om de ruzie verder op te stoken, totdat het pijn aan mijn oren deed. Ik zal het kort houden: op zeker moment kwamen er een paar mannen het café binnen. Zij moeten in een oogwenk de situatie hebben overzien en op een teken van een van hen kon ik het café ontvluchtten. Daarna begon mijn ontsnapping door het veld. Ik hoorde kort erop twee auto’s starten en wegrijden. Ik zag de lampen als ze de bocht om kwamen over het veld schijnen en dan dook ik zo plat mogelijk in het natte gras. Daarna draafde ik voort en belandde naar het voornoemde bosje aan een bocht in de Hunze. Zeker een tiental keren raasden de twee auto’s rond. Ze zouden mij hier onmogelijk kunnen bereiken, tenzij lopend en daar zag ze niet toe in staat. Het zou kunnen dat iemand vanwege het rumoer en de nachtelijke overlast de politie heeft gebeld, want ineens hield het op. Het moet toen een uur of drie zijn geweest. Ik hield me schuil in het bosje en bleef alert. Pas bij het ochtendgloren kwam ik tevoorschijn. Ik strekte me uit, was versteend van kou. Ik liep met moeite dwars door het veld naar huis. Koos en zijn schreeuwende vrienden dreigden in het hevigst van de woordenstrijd alle ramen van mijn huis in te gooien en aan het eind van de terechtstelling zou zelfs het hele huis in de fik gaan. Maar alles stond nog overeind. Er was geen zichtbare schade. Ik ging naar binnen. Pas toen kwam de ontlading. Eerst in tranen, door het vreemde gevoel dat ik het overleefd had, en toen in ongemene woede. Ik overwoog alsnog de politie te bellen, maar zag wel in dat ik niemand achter mij zou krijgen. Ik kleedde mij uit, smeet het verscheurde overhemd in de vuilnisbak, weifelde nog even met het colbertje die door gras en zand besmeurd was, douchte langdurig en ging naar bed. Tegen de middag liep ik naar het dorp om de niet betaalde rekening te vereffenen en om mijn auto op te halen. Ik zag dat mijn belagers een band hadden laten leeglopen. Hiermee was het als vluchtauto buiten gebruik. Ik liep het café binnen. Er was niemand, behalve de eigenaar. Ik betaalde zwijgend de rekening en zei bij het verlaten dat ik hier nooit meer een poot over de drempel zou zetten. Hij knikte en mompelde dat het toch allemaal niet zo erg was geweest. Ik knikte van wel, liep weg en heb woord gehouden. Op een enkele begrafenis na, omdat dat niet anders kon.

Korte tijd na deze aanranding deed ik op een zaterdagavond na mijn werk in de middagploeg een cafetaria in mijn gemeentedorp aan voor een patatje en trof daar tot mijn schrik dezelfde man die mij die bewuste avond voortdurend en steeds luider uitschold voor poot. Men zegt weleens dat krijsend antihomogedrag niet zelden een dekmantel is voor eigen wankele geaardheid. Het is bekend dat homo-erotische mannenheldendom een grote rol heeft gespeeld bij de eind 1930 opgerichte Sturmabteilungen (kortweg SA) in Duitsland. Ernst Röhm, de leider van deze gewelddadige beweging, was een zeer gevreesde vechtjas én homoseksueel. Samen met openlijke vrouwenhater Dietrich Eckart werden zij Hitler’s mentoren en zorgden ervoor dat hij zijn rassenwaan ten uitvoer kon brengen. Uit angst voor de ontmaskering van zijn dubieuze geaardheid liet Hitler in 1934 Ernst Röhm en 150 andere mogelijke homoseksuele SA-functionarissen vermoorden en werd kort hierop de jacht geopend op homoseksuelen in heel Duitsland geopend. Velen werden gearresteerd, gemarteld en in concentratiekampen vermoord. Waarom zeg ik dit? Waarom betrek ik die vervloekte oorlog erbij? Naast die jongen die mij zo naar het leven stond, zat de plaatsgenoot Rikkert Maas. Ik noem zijn naam, omdat hij op de verkiezingslijst stond van de Centrum Partij van Hans Janmaat, een rechtse club met bedenkelijke opvattingen over afkomst en cultuur. En ik zeg dit ook omdat Rikkert Maas (hij is reeds lang uit de tijd) de herenliefde aanhing. Daar wil ik geen kwaad woord over zeggen. Ik kende Rikkert als een ietwat eigenzinnige niet onaardige jongen, tot hij zich manifesteerde als lid van de Centrum Partij. Ik heb hem mijn afkeer voor deze club laten weten. Maar zou Rikkert ook hebben geweten met wat voor mispunt hij zich die avond inliet? Zou hij hebben geweten dat mocht hij zelf die avond om wat voor reden aan de beurt zijn, hoe makkelijk zijn tafelvriendje zich tegen hem zou keren? Ik denk het niet. Toen die jongen mij zag trok hij bleek weg en dook in zijn jas. Ik keerde mij om en verliet spoorslags het pand. Ik ben hier daarna nooit meer geweest. Ook cafés en andere gelagzalen ging ik steeds meer ontzien. En ofschoon ik niet kan zeggen dat mijn outfit de beschreven avond extra reden was tot de aanvaring, heb ik toch colbert en overhemd voorgoed in de ban gedaan. Elke vorm van kledingcode is mij sindsdien een gruwel.

Ik was intussen steenkoud geworden. Al die tijd had ik geen enkel geluid gehoord. Morgenavond zal het wel anders zijn, dacht ik bijna hardop. Ik rilde en liep naar binnen, draaide de deur op slot en besloot naar bed te gaan.

25.4.21 Wachtende mannen Ik zie ze regelmatig, ik zal niet zeggen vaak, want dan zou ik het moeten turven: wachtende mannen. Zo-even tijdens mijn ommetje met Rossi bij de stuw zag ik er twee. De een zat in een Golf strak naar zijn mobieltje te kijken. Mogelijk naar iets wat thuis bij vrouw of vriendin niet op prijs werd gesteld of naar een filmpje van een verre geliefde. Dat zou in principe geen wachtende hoeven zijn. De andere wel. Hij stapte toen ik naderde uit zijn Opel Karl en liep uiterst traag naar de er tegenover staande informatiepaneel. Ik kon mij zijn houding taxerend niet voorstellen dat hij iets over de veldleeuwerik, de gentiaan of de knobbelzwaan wilde weten. Toen ik hem passeerde en groette, kreeg ik een zachte brom terug. Hij las ook niet zag ik, hij keek langs het bord het natuurterrein in. Zou hij op iemand wachten? Ik zie je vanmiddag, twee uur, stuw zuidzijde. Zoiets. Bij het woord wachten denk ik altijd onbewust aan Wachten op Godot, dat wonderlijke stuk van Samuel Beckett. Dit stuk gaat alleen over wachten, maar als kijker of lezer weet je niet op wie. Een beetje vergelijkbaar met deze mannen. Voor winkels zie ik ook regelmatig mannen staan wachten. Tenminste, ik ga er vanuit dat ze wachten. Soms komt er als ik passeer een vrouw naar buiten en dan hoor ik die man wat strak zeggen ‘Ben je nu klaar, heb je nu alles?’ Het zijn mannen die zo’n winkel niet in willen. Ze willen wel een winkel in, maar dan eentje die boormachines, racefietsen of biertjes verkoopt. Maar geen drogisterij annex discounterie. Meestal leunen voor-de-winkel-staande-mannen ergens tegen aan. Soms zitten ze op een richel of op een toevallig aanwezig bankje. Vaak roken ze. Dat is meteen een goeie reden om die winkel niet in te hoeven. Nu winkels vanwege de coronaregels bezoekers adviseren niet met z’n tweeën te winkelen, is het buiten wachten natuurlijk helemaal een uitkomst. Ik doe het overigens zelf ook. Mijn vrouw doet de boodschappen bij winkel 1, terwijl ik naar winkel 2 loop. Als ik eerder terug ben dan zij, dan wacht ik in de auto. Dat is niet anders dan wachten op een bankje voor de winkel. Ik ben in wezen regelmatig net zo’n wachtende dan al die andere wachtenden. Toen ik een eindweegs was, hoorde ik de deur van de Opel dichtslaan. Daarna reed de auto heel langzaam weg. Er ging iets treurigs van uit. Maar evenzogoed was het een man met een zee van tijd en maakte hij die voor mijn gevoel nogal slordig op. Als dat zo was kon ik hem benijden, want ik kom altijd tijd te kort en dat is iets wat we niet van elkaar kunnen overnemen. ‘Heeft u een momentje voor mij, ach nee, doe maar een uurtje’. Dat gaat niet. Als je er goed over nadenkt loopt het leven over van wachten. Je zou er een leerschool voor kunnen oprichten hoe we wachttijd nuttig kunnen besteden, want er zit naast een biologische vast en zeker ook een hogere bedoeling achter. Net als met dromen tijdens slapen. Het zal me niet verbazen dat er een instelling is die het wachten als een soort mindfulness gestalte geeft. Wachten om meer verdieping in je leven te krijgen. En dat zo’n instelling wijst op de mogelijkheid dat ook vrouwen wel wat beter zouden kunnen wachten. Want het zijn voornamelijk mannen. Toen ik de Golf andermaal passeerde, zag ik de jongeman dromerig voor zich uitstaren. Hij wachtte wel degelijk. Ik wilde hem bijna vragen waarop. Misschien was hij te vroeg voor een afspraak en doodde hij zo een stukje tijd. Maar amper gepasseerd startte de jongeman en reed haastig weg. Ik was toch even verrast. Het blijft kortom een vreemd fenomeen: wachten.

22.4.21 In Frankrijk We waren weer eens naar Appingedam. Nooit een straf en zeker niet daar de zon strak aan de hemel stond en wij zittend op een bankje aan de kade van het Nieuwe Diep uitkeken op de haven vol boten die spoedig voor de nodige reuring zullen zorgen. Bij de muziekkoepel zat als gewoonlijk een clubje oudere mannen, enkelen op hun scootmobiel en enkelen op de bank ernaast. Ze rumoerden op z’n Daams. Verder was het er stil. Het wonderlijke is dat we eigenlijk naar Termunterzijl wilden, maar nabij het verkeersplein Noordbroek ineens besloten rechtdoor te gaan. Onze reis was hier overigens bijna geëindigd, doordat ik op het laatste moment zag dat de bomen voor de brug over het Winschoterdiep dicht gingen. Een auto naast ons schoot zelfs nog iets verder door en moest een stukje terug. Toch een gevaarlijk punt. We lachten het weg. In Appingedam kocht mijn vrouw -onderdeel van ons Daamritje- bij Pet’s place een extra voorraad vogelvoer. Misschien door de ons in het vooruitzicht gestelde versoepelingen van de coronaregels was het ook hier rustig. Wie weet wachtte men thuis af om straks massaal los te gaan. Nog even doorbijten, zoiets. We liepen de Dijkstraat uit en sloegen het hoekje om. ‘Moet je nog een krantje?’ zei mijn vrouw bij Primera, wetende dat ik bij ons vorige bezoek vanwege de regels niet naar binnen wilde. ‘Nee, hoeft niet’, zei ik. Hoewel het me meteen speet, want wie weet bleef de winkelier aan het eind van de dag met een paar mij dierbare titels zitten. Niet alleen zonde, ook een gewetenskwestie. Toen de Solwerderstraat in. De mooiste straat van Appingedam. Ook hier totale rust. Vooral het stukje met een Dickensiaanse voorgevel en uithangbord met Eben Haëzer is prachtig. Langzaam kuierden we terug naar de auto. We wilden ergens verderop een kop thee drinken. Een plekje zoeken waar we konden parkeren, krukjes in het gras, kopjes, heet water, theezakjes… wie doet je wat. Bij het Schildmeer, naast het vroegere paviljoen leek ons wel wat. Er stond slechts één auto. Het meer lag er rimpelloos bij. Het paviljoen oogde verlaten en troosteloos. Ook de parkeerplaats had zijn beste tijd gehad. Het zou een prachtige plek kunnen zijn. Ik begaf me na een poosje op één van de steigers en zag een kano aankomen. Toen hij dichterbij kwam zag ik dat er ‘Jaap’ op de steven stond. ‘Moi’, zei de roeier. Ik wilde ‘Moi Jaap’ terugzeggen, maar dat leek me een beetje te vrijpostig. Wie weet heette hij helemaal niet Jaap. De roeier legde aan bij de kade en hief zich met moeite uit het bootje. Daarna trok hij het op de kant. Mijn vrouw begon al vlug een praatje met hem. Hij bleek uit Appingedam te komen, woonde in de binnenstad en vond het helemaal niet bijzonder. Het kanoën was een liefhebberij. Vroeger schaatste hij. Meestal kanode hij met een of meerdere van een clubje, maar iedereen moest ineens met zijn tuintje bezig. ‘Die aardappelen kunnen morgen de grond ook nog wel in’, zei hij. Zijn -zo we aannamen- vrouw en zoon kwamen nu ook aangekuierd. De vrouw hoorde nog een staartje van het gesprek en zei ‘Met zulk mooi weer moet je alles gewoon eventjes uit je handen laten vallen’. Dat vonden wij ook. Ik vroeg hoe het kanoën ging. ‘Goed’, zei hij ‘maar ergens in het midden van dat brede stuk daar -en hij wees naar de bedoelde richting-zit je ineens in een soort draaikolk. Heel apart. Daar moet je goed op verdacht zijn. Niet dat je omslaat, maar het blijft oppassen geblazen. Het maakt het varen ook zo leuk. Je weet nooit wat je tegenkomt. Ik ben zo-even nog een surfplank tegengekomen. Dreef daar ergens. Misschien door iemand achtergelaten of losgeraakt van de steiger’. ‘Kan het niet zijn dat die surfer door die draaikolk van zijn plank is geslagen en in de diepte is verdwenen?’, waagde ik. Want bij het woord draaikolk flitste de Bermuda Driehoek met die geheimzinnige verdwijningen door mijn hoofd. ‘Hou op zeg!’, schrok de vrouw. Ik raakte kennelijk een gevoelig punt. De man tuurde over het water. ‘Nee, dat is onmogelijk’, zei hij toen resoluut. Ik vroeg of zij ook kanode. ‘O nee, geen denken aan’, zei ze, ‘ik wandel liever’. Ze pakten nu de kano elk aan een uiteinde vast en tilden het op de auto. We laadden onze spullen in, wensten hen verder een mooie dag en reden richting Schildwolde. Het was een ritje van niks, amper 75 kilometer. Zo dichtbij huis, maar met het gevoel alsof we eventjes in Frankrijk waren geweest.

20.4.21 Dichter van Sta(n)d Vandaag is Jean Pierre Rawie 70 jaar geworden. Ik wist dat hij van hetzelfde bouwjaar is als ik, maar niet of hij vóór of ná mij de zeven kruisjes zou halen. Ik had al eens in het onvolprezen naslagwerk over het literaire leven in Groningen tussen 1945 en 2005 van Herman Sandman gezocht naar de geboortedatum van Jean Pierre Rawie, maar Sandman heeft wijselijk alleen geboorte- en eventueel sterfdata van de besproken auteurs weergegeven. Het zou Arcadia der Poëten minstens tien bladzijden dikker hebben gemaakt. Sommige schrijvers zijn daarenboven zo ijdel dat ze hun geboortejaar, laat staan hun geboortedatum niet willen prijsgeven. Via internet was het een fluitje van een cent. Vandaag dus, 62 jaar na de geboorte van Adolf Hitler. Ik zeg dit niet zomaar, want Jean Pierre Rawie houdt zich naast dichtwerk veel met geschiedenis bezig en dan vooral die van royalty’s en staatslieden. Daar kan de lezer van de vrijdagse editie van het Dagblad van het Noorden over mee praten. Of zijn geboortedatum iets met die van de grootste misdadiger van de moderne geschiedenis heeft te maken mag ik hopen van niet. Ik heb Jean Pierre Rawie nooit ontmoet, daar was nooit een reden toe. We staan bovendien in elk opzicht mijlen ver van elkaar af. Ik zag hem vanavond op tv-Groningen in een itempje vanwege zijn verjaardag. ‘Is die man nog maar zeventig!’, zei mijn vrouw. Ik zei ja, wetende dat Jean Pierre Rawie en ik slechts tien dagen schelen. Nu heeft hij ook heel anders geleefd dan ik en heeft hij een aantal jaren geleden een beroerte gehad en dat knakt een mens. Een ander punt is dat hij vanwege zijn schrijfwerk een zittend bestaan leidde en ik juist bewegelijk en zwaar. Wat uiteindelijk het minste is voor lijf en leden weet ik niet. Een ander feit waar hij in zijn columns nogal eens mee koketteert zijn de drankgelagen. Hij heeft deze als stevige innemer in zijn jonge jaren bijna met de dood moeten bekopen. Wie de gedichten en de columns van Jean Pierre Rawie leest, kan niet ontkomen aan de gezwollen, archaïsche taal. Gevoegd bij zijn niet alledaagse verschijning zou dit voor de niet-verstaander een maniertje kunnen zijn dat in de verte lijkt op een vorm van re-enactment. Sommige uitdrukkingen staan soms zo ver van het alledaagse af, dat als ik niet zou weten dat het uit de pen van Jean Pierre Rawie is gekomen, ik zou denken dat het een zinsnede betreft van een tijdgenoot van Conrad Busken Huet, Lodewijk van Deyssel of J.H.Leopold. In die zin zou je Jean Pierre Rawie gerust een anachronistisch fenomeen kunnen noemen. In het ene jaar dat ik te Groningen schoolging (1967/68), trof ik eens de zo men zei ‘dichter’ Plopatou. Wij botsten bijna tegen elkaar op de hoek van de Gelkingestraat -Grote Markt. Ik schrok mij te pletter. Het was een griezelige, bijna buitenaardse verschijning, die al het mij bekende op het gebied van lang haar en vreemde kleding ver overtrof. Hoewel ik mij toen al fanatiek met de liedteksten van Boudewijn de Groot (eig. Lennnaert Nijgh), Armand en Bob Dylan bezighield, leek mij deze man geen dichter die mij zou bevallen. Maar de enige keer dat ik Jean Pierre Rawie, getooid in een fladderende cape en met wandelstok, nogal driest langs de Vismarkt zag stappen, deed mij toch eventjes aan Plopatou denken. De laatste keer dat ik Jean Pierre Rawie zag was bij de onthulling van een gedenksteen ter nagedachtenis aan de schrijver Jacob Israël de Haan te Smilde. Het was een warme dag en de dichter van dienst was hoewel voor zijn doen gewoontjes toch in stijl gekleed. Ik zei dat wij slechts tien dagen schelen. Dat is ook zo. Op de verjaardag van wijlen onze oude vorstin Juliana, word ik zeventig. ‘Dat is je niet aan te zien’, zei vanmorgen een mij bekende dorpsgenote halverwege mijn ommetje, die vanwege de coronavaccinaties naar mijn leeftijd vroeg. Ik bedankte haar voor het compliment. Nee, ik heb mij nooit geconformeerd aan leeftijd en het daarbij bedachte uiterlijk en gedrag. Misschien is dat wel een reden dat men mij zo terloops niet zo hoog aanslaat. Met het cliché ‘het oog wil ook wat’ kan ik helemaal niets. Onopvallendheid kan in zekere kringen beslist averechts werken. Het zal best, maar zoiets kan mij geen lor schelen. Elke dag in zo’n driedelig pak hijsen lijkt me ook geen pretje. Een andere uiterste is Maarten ’t Hart. Hij trekt zich misschien wel het minst van alle Nederlandse schrijvers iets aan van een decorum. Ik zag hem eens bij het tv-programma ‘De Wereld Draait Door’ aan tafel. Hij was gekleed in een bruine werktrui, zijn verweerde, aardgrauwe knuisten recht voor zich wekten ontzag of juist afgrijzen bij de andere nogal frêle aanzitters. Hij kwam, vertelde hij niet zonder schroom, rechtstreeks uit zijn moestuin. De schrijfsels van Jean Pierre Rawie lees ik -soms weliswaar met licht gekrulde tenen- met plezier. Het is vakwerk waar veel schrijvers en dichters een voorbeeld aan kunnen nemen. Op naar de acht kruisjes, zou ik zo zeggen.

17.4.21 Hondenfokkerij Een voor mij vreemde meneer stuurde mij een mail met een foto erbij van een hondje dat in de buurt kwam van het model van Rossi. Hij voegde erbij dat het een bastaard-maltezer is, zes jaar oud en van een oud vrouwtje dat er niet langer voor kan zorgen. Er volgden nog wat gegevens, maar ik wist genoeg. Het verhaal van het oude vrouwtje én het hondje kan voor honderd procent waar zijn, het verhaal erachter acht ik beslist twijfelachtig. Ik loop al langer mee om te weten dat veel van die honden uit met name de Balkan en Spanje komen en dat ze daar bijna industrieel worden gefokt en in vreselijke omstandigheden zijn gehuisvest, voor onder andere de Nederlandse markt. Ik heb er al vaak over gelezen en er op de televisie over gezien. Aan het eind van de rit zijn het zielige dieren en tuinen er altijd mensen in en iedere aankoop híer legitimeert een geboorte dáár. Want wij vragen er toch om, wij Nederlanders willen die arme stakkers toch?! Dat die honden vaak onzindelijk en niet gesocialiceerd zijn is een dingetje, maar daar valt wel een mouw aan te passen. Zo denkt menigeen die ingenomen wordt door dat aardige snuitje en die waterige ogen. Zou men echter aan de voorkant van deze handel kijken, dan zal men wel twee keer nadenken alvorens tot aankoop over te gaan. Let wel: niet vanwege het dier, maar vanwege de schurkerige handel die deze inteelt ruimte biedt. Het is een vorm van commerciële dierenfokkerij die enkel door het eindproduct af te weren een halt kan worden toegeroepen. Het is heel triest voor de dieren, maar we moeten ze eenvoudigweg niet willen hebben. In de tijd dat ik nog vrijwilligte in een museum, werkte er ook een hele aardige mevrouw die zich ter goeder trouw bezig hield met deze handel. Ze zag in mij een ‘dierenvriend’ en handelde overeenkomstig. Wij bezaten toen één hondje (Trudie – bastaard vlinderhondje) en er zou best een tweede bij hebben gepast. Mogelijk heb ik dit in een moment van zwakte geopperd. Vanaf dat moment werd ik bestookt met refugies uit met name Spanje en de Balkan. Zij importeerde deze dieren in samenwerking met een legale dierenopvang aldaar en haalde ze met haar vriend af van Schiphol. Best heel spannend wat ze deden. Je zou er als je niet beter wist meteen mee in zee gaan. Toen wij vanmiddag even over de zojuist binnengekomen mail praatten, zei mijn vrouw en niet ten onrechte, dat ik wel voor één van die hondjes waarvan die mevrouw mij een serie foto’s stuurde voelde. Dat wás ook zo. Het was een prachtdier en ik gunde het een goed leven. Aan die dieren ligt het ook niet. Het gaat om de criminelen die in Spanje, in Griekenland of in Roemenië aan de touwtjes trekken. Je zult nooit op het Journaal horen en zien dat er een lading illegaal gefokte honden op Schiphol of op een van onze autowegen is onderschept. Het is een totaal oninteressant onderwerp. Waar Trudie (de hemel hebbe haar ziel) vandaan kwam is mij ook vreemd, evenzo Rossi. Zij had een paspoort, evenals Rossi, maar dat zegt niet alles. Ook hij heeft zijn mankementjes en daar valt voor beide kanten mee te leven. Ik ben niet in gegaan op het aandringen van die mevrouw en zei dat Trudie niet best met andere honden kan. Korte tijd later heb ik om een heel andere reden ontslag genomen en heb haar sindsdien niet meer gezien. Maar wie weet staan mijn gegevens nog ergens in een bestand en is die aardige mevrouw de aanreiker. De door de angst voor coronabesmetting van staatswege opgelegde quarantaine zorgde ervoor dat er grote vraag kwam naar honden. De dierenasiels kunnen hun borst nat maken voor dumping van dieren die over enige tijd ongewenst zijn en/of niet aan het interieur voldoen. Het is de misselijkmakende uitwas van onze moderne retourmaatschappij. Maar een dier is geen broek of een paar schoenen die qua maat of model verkeerd kunnen uitvallen en binnen tien dagen kunnen worden teruggestuurd. Het is met dieren altijd eenrichtingsverkeer, met dien verstande dat er (gelukkig) opvangcentra zijn. Zij weten als geen ander dat het dier uiteindelijk altijd het grootste slachtoffer is.

14.4.21 Tijd doden Mijn vrouw had erge kiespijn, iets met een zenuw, en had een afspraak gemaakt bij de tandarts om kwart voor elf. Ik parkeerde de auto op een van de uit tien vakken bestaande parkeerhaven. Mijn vrouw stapte uit. ‘Wat ga jij nou zolang doen?’ zei ze. Ik zei dat ik een ommetje ging maken en daarna een beetje lezen. Ik wist nog een boekenkastje te staan en mogelijk zat daar nog iets aardigs tussen. In het kastje stond niet veel anders dan Konsaliks en een rijtje Bouqueteboekjes en na een kwartiertje was ik alweer in de auto terug. Onder mijn stoel vond ik een boek van Youp van’t Hek. Ik las twee columns en wist waarom ik het, na een tijdje in onze auto te hebben gelegen om als de gelegenheid zich voor zou doen gelezen te worden, voor een ander zou ruilen. En toen begon ik me een beetje te vervelen. Dat komt niet echt in mijn woordenboek voor. Ik spotte de auto’s die voorbij reden en raadde de merken. Daarna keek ik hoe vaak iemand iets in de naast staande brievenbus deponeerde (3x) en hoeveel mensen er passeerden met een hond (11x). Vijf van de zes auto’s op de parkeervakken stonden met de neus naar voren, eentje met de kont. Dat zou iemand kunnen zijn die niet graag achteruit de straat oprijdt, dacht ik. Recht voor mij bevond zich het vroegere postkantoor dat nu een aantal bedrijfjes bevat. Nou ja, bedrijfjes… Ik las de namen op het bord aan de voorgevel: Vital Works, Yoga Studio, The 1:1 Diet, Dansschool Out of Control, Acupressuur en Massagepraktijk Gerda, Klankmasseur.nl en InspiratieCoaching bv. Allemaal zaken waar ik niet veel mee kon. Er waren nog drie borden blanco. Wat zou er nog bij kunnen? Ik dacht aan mijn idee van een schrijfbedrijf. Een winkeltje waar iedereen met schrijf- en/of leesproblemen terecht kon. Daar heb ik eens iets over gelezen. Er zijn landen met veel analfabetisme. Vooral tegen sinterklaas en kerst hebben zulke mensen het vreselijk druk met gedichtjes schrijven. Een beetje Willy Alfredo, de sneldichter van ‘roept u maar’. Ik zou me er best mee kunnen vermaken en je hoort nog es wat. Aan inspiratie zou het mij niet ontbreken. In het aardigste geval zouden er mensen komen voor liefdesbrieven en liefdesgedichten. Allemaal zeer vertrouwelijke mevrouw, hij zal heus niet merken dat u de a niet van de b kunt onderscheiden. Want dat is het: er wordt steeds minder geschreven en gelezen en dus zal er ook steeds minder begrepen worden van de informatie die mensen door allerlei instanties krijgen toegestuurd. Om maar niet te spreken van de ambtelijke taal. Ik zou het nog weleens druk kunnen krijgen met mijn eenmansbedrijfje en dat zou weer de nodige kinnesinne geven bij de nevenbedrijfjes. Acupressurist Gerda zou weleens heel lelijk kunnen gaan te prikken, de schalen bij overbuur gemeen vals kunnen gaan klinken en de dansers van out of control zouden hun naam eer aan doen. ‘Al dat geloop naar die schrijfwinkel, ik krijg er het heen en weer van’, zouden ze zeggen en ze zouden de koppen bij elkaar steken en mij er uit willen gooien. Dat begrijp ik wel, maar ik bezie mijn onderneming ook als zeer essentieel. Zeker in deze tijd. Want wat is een wereld zonder taal en dan zonder die taal te begrijpen? Een puinhoop zou het worden. Daar zat ik ernstig over na te denken, toen mijn vrouw zich weer meldde. Haar mond was verdoofd. Het bleek een ontsteking te zijn en dat moest worden behandeld. Een pijnlijke zaak. ‘Ben je wezen wandelen?’ zei ze moeilijk articulerend. ‘Nee, ik heb een tukkie gedaan’, zei ik en ik startte de auto en reed voorzichtig achteruit. Er passeerde een mevrouw met een poedel. ‘Twaalf’, zei ik. ‘Ja, het duurde nogal lang’, zei ze sonoor. De torenklok begon te slaan. De zon brak door. We gingen weer op huis aan.

12.4.21 Duister verleden Ik belde Cor, ik was benieuwd hoe het met hem ging. Hij heeft slokdarmkanker met uitzaaiingen naar de lever en de bijnieren. Cor behoort tot het groepje oude vrienden. Ik zeg oud, want wij zoeken elkaar niet echt meer op. Doen al jaren niet meer aan verjaardagen. Vooral mannen permitteren zich tegenwoordig een zogeheten mancave. Een hok voor hemzelf en zijn eventuele vrienden. Om een biertje te drinken, wat te kletsen. Met posters van rock&roll-sterren en emailborden van BSA en Norton aan de wanden en een koelkastje met biertjes en etenswaar. Het heimelijk vasthouden van een inmiddels ver verleden. Noem het nostalgie. Maar niemand van ons groepje heeft geloof ik zulks. Ik ook niet. Wat zou ik in zo’n hokje ook moeten bespreken en met wie? Mijn vriendschappen sleten en dat is wederzijds. Toen ik enige jaren geleden een ernstige vorm van kanker kreeg en mijn kansen eventjes leken verkeken, hoorde ik ook maar weinig van dat oude clubje. Niet dat ik daar meteen wakker van lag; zo gaan die dingen u eenmaal. Soms kom ik iemand van dat oude clubje tegen. In een winkel of op straat naar een winkel toe of er net vandaan. We hebben altijd een soort van haast. Meer dan een minuutje of vijf, hoogstens tien hebben we om bij te kletsen. Dan is de kou een reden om verder te lopen of staat er thuis een potje te pruttelen. We moeten voort. ‘Nou moi hè’. Terug naar onze eigen omgeving. Zo gaat dat. Ligt dat aan mij? Mogelijk. Ik verhuisde dik veertig jaar geleden vijftig kilometer verderop en stopte toen ik terugkwam in het oude dorp geleidelijk met roken en drinken. Daarmee wierp ik een drempel op. Voor met name rokers is dat ongemakkelijk. Zo maak je op den duur een heremiet van jezelf, een kluizenaar. Goed. Ik hoorde dus dat Cor ziek was. Kanker. Een donderslag. Zou er niet best uitzien. Ik hou niet van halve of suggestieve verhalen en daarom belde ik Cor om het uit de eerste bron te weten te komen. Hij klonk vrolijk als altijd. Ja, het leek eerst niet best, maar de tumor in zijn keel was vanmiddag bij controle niet gegroeid en de uitzaaiingen in lever en bijnieren ook niet. Dat klonk in ieder geval enigszins gunstig. Had bij de eerste onderzoeken chemo geen zin, nu was er een programma opgestart en was zijn vooruitzicht aanmerkelijk beter. Gelukkig, zei ik en dat meende ik. Er viel een pak van mijn hart. Het woord levensverlenging viel. Een angstaanjagend woord, want je weet dat de dood onverminderd om het hoekje blijft loeren. Die chemokuren zijn beslist geen lolletje, maar je grijpt elke strohalm. Het bood hem weer enig houvast. Er zijn mensen die bij het vooruitzicht van de chemopijn de pijp aan Maarten geven. Dat zei ik natuurlijk niet. We praatten nog enige minuten en hingen toen op. Ik voelde me opgelucht. Als een soort verademing voelde ik hoe mijn geheugen zich opende. Want mét het langzamerhand verdampen van het actieve vriendschapsleven, sloot gaandeweg ook het innerlijk archiefje van gezamenlijke belevenissen zich, maar soms, ineens opent het zich. Wat hadden we allemaal niet meegemaakt? Op de enkele op reünies lijkende samenkomsten bij iemand van het clubje thuis verzandde het al gauw in alledaagsheden. Vooral de pijnlijke blunders werden omzichtig vermeden. Dat zal overal wel zo gaan. De mond is de poort die moet zorgen dat wat het brein ontglipt onzegbaar blijft. Dat de regels van het fatsoen niet al te zeer worden overschreden, dat niemand ergens aanstoot aan neemt. Want iedereen weet donders goed dat een gezellig uitje in no time kan exploderen. Over scharrels bijvoorbeeld. Ik had er meerdere. Soms refereerde iemand aan een van die vage amourettes. Dat waren onaangename momenten. Zoals deze. Op de avond vóór Pinkpop -welke Pinkpop was het nog maar weer?- had ik een meisje getroffen. Een Duits meisje van ongeveer mijn leeftijd. Dat is alles wat ik nog van haar weet. Geen naam, laat staan haar adres. Alles vervaagd of is door de drank niet binnen gekomen. We gingen ver in de nacht naar de tent van Cor, want daar zou ik ook slapen. Cor lag al te pitten. Geen nood. We bedreven de liefde, terwijl hij denkelijk gewoon doorsliep. De volgende morgen zag ik mijn stommiteit in. Mijn kapitale blunder. Dat Duitse meisje. Ik kon hier niet mee verder. Met moeite maakte ik mij van haar los. Het was harteloos, ronduit hufterig. Ik was zelf meer dan eens aan de dijk gezet, maar wist niet hoe hier mee om te gaan. Het heeft mijn Pinkpop dat jaar voor een goed deel verpest en is mij tot op vandaag bijgebleven. Het was zeer beschamend. Zou zij een Limburgs meisje zijn geweest, dan zou het zeker anders zijn verlopen. In de benevelde toestand van de feestnacht voorafgaand aan het festival, was dat Duits-zijn geen probleem (we babbelden weinig en in het Engels), maar de katerige realiteit plantte mij ’s ochtends met beide benen op de grond. De gedachte dat er uit die slipper een kind is ontstaan is nooit geweken. Hij/zij zou dan nu iets van 40 moeten zijn. Het was, nu ik er over nadenk, de editie waarbij Peter Wolf van de J. Geilsband als een bezetene een gigantische bos rozen op het podium tot moes sloeg tijdens het nummer Love Stinks. Het voelde alsof hij het tegen mij persoonlijk had. Alsof het een straf, een afrekening betrof. Maar liefde heeft nooit schuld. Het was een bad trip, die nog na-echoot tot op de dag van vandaag. Maar Cor heeft er nooit iets over gezegd en zal inderdaad wel vermoeid zijn geweest of plat geslagen door de drank. Zo ging dat ik die dagen. Menigeen zal een dergelijk verhaal hebben. Misschien willen mannen daarom wel een eigen ruimte om bij een biertje en een houtvuurtje het leven te overpeinzen en de mafste voorvallen weg te lachen en het daardoor beter aan te kunnen. Een soort aflaat. Misschien is mijn werkkamer zo bezien ook een soort mancave en praat ik -fluisterend dat wel- tegen mijzelf en roep af en toe scènes op uit een duister verleden. Nou ja, met Cor gaat het gelukkig ietsjes beter. Laat ik daar nog een theetje op nemen.

9.4.21 Voorzichtige omslag Misschien geen nieuws dat de wereld meteen vrolijk zal stemmen -mij in ieder geval wel- is dat er steeds meer mensen gaan rommelrapen. Ik weet niet of het al een op zich staand werkwoord is (afvalrapen wel), anders munt ik het hierbij. Waar deze bedrijvigheid ineens vandaan komt weet ik niet, vermoedelijk heeft het mede te maken met Greta Thunberg, het meisje met de zwavelstokjes. Mogelijk ook met de langzamerhand veranderende maatschappij. Niet dat er uit milieuoogpunt gezien al van een omslag kan worden gesproken, dat er zogezegd iets te merken is van schaamte betreffende onze ongebreidelde spilzucht, verre van, maar het inkijkje dat we de afgelopen paar weken kregen over de megastroom onzinnige handel vanuit met name het verre oosten liet zien hoe onverzadigbaar wij zijn. Ik hoorde vaak het woord ‘kwetsbaar’ vallen. Hiermee werd bedoeld dat onze winkels niet bevoorraad konden worden met heel veel onnodig spul en dat dit dus ten koste gaat van de omzet en uiteindelijk arbeidskrachten. Maar ik denk niet dat die grootgrutters in wegwerpspeelgoed en derderangs huis-, tuin- en keukengerei daar echt wakker van zullen liggen. Zij geven een andere betekenis aan dat woord. Alleen vanwege een verkeerde scheepsmanoeuvre of een iets te strakke zijwind (men is daar nog niet helemaal uit) liggen havens plat en kraakt een groot deel van het niet-essentiële winkelsegment. Zelfs Pasen leed eronder, want de heidense vruchtbaarheidsgedachte schijnt steeds meer opgang te vinden en dat uit zich met name in de aanschaf van seksspeeltjes. De woordvoerder van het megabedrijf sprak tenminste van een ongekend drama. Pasen is voor het seksspeeltjesimperium wat bijvoorbeeld de TT-week voor de Asser horeca is. Alsof iedereen uit de winterdepressie getrild moet worden. Er bevonden zich zo’n tien containers met ‘erotica’ aan boord van het schip. Tien containers van elk zesenhalf bij tweeënhalf bij tweeënhalve meter. Hoogwaardig Chinees handwerk, wie weet voor een deel door slavenarbeid in elkaar geflanst. Omdat wij in Europa op elk moment van de dag en voor een schijntje orgastisch willen worden verwend. Eigenlijk om te huilen. Maar het goede nieuws is dus dat er steeds meer mensen gaan rommelrapen. Steeds meer mensen ergeren zich aan achteloos weggesmeten rommel in de vrije natuur en in de wegbermen, dat ze gewapend met grijpertje en vuilniszak op pad gaan en de boel opruimen. Daar word ik heel blij van. Ik lees er regelmatig over diverse kranten. Vaak staat er een foto bij, want het is nog wel een bijzonderheid. Ook wordt er geplogd. Dat is een sportieve vorm van rommelrapen. Beetje over de top, maar het doel heiligt het middel. Men rent hierbij en plukt ondertussen blikjes, petflesjes en ander vuil van de straat of uit de berm. Een vermoeiende sport, lijkt me. Zelfs ‘De Kampioen’, het ledenorgaan van de ANWB, besteedt deze maand aandacht aan het rommelrapen. In dit artikel wordt ook gesproken over iemand die precies bijhoudt wat hij vindt. Heel mooi natuurlijk, maar dat zou nog meer zin hebben als de betreffende bedrijven er op kunnen worden aangesproken en er iets preventiefs mee moeten doen. Biologische afbreekbare verpakkingen ontwikkelen en gebruiken bijvoorbeeld. Ook staan er twee lijstjes bij met a: Meest gevonden spullen en b: Meest gevonden merken. De bron hiervan is de World Cleaning Day 2020 en niet meteen representatief voor bijvoorbeeld mijn looproutes. Ik vind vooral halveliter bierblikken van goedkope merken, blikjes van energiedranken en sigarettendoosjes. Daarnaast bijna elke ronde afval van McDonald’s (altijd meerdere zakken, doosjes en ijsbekers) en regelmatig bier- en wijnflessen. Verder is het een ratjetoe van klein spul. Ik heb nooit de behoefte gehad de boel te tellen of te noteren. Er zijn mensen die dit wel doen en het via Instagram, Facebook of een ander kanaal de wereld in sturen. Weer anderen maken er kunst van. Heel aardig. Ik doe dat allemaal niet. Het gaat mij puur om het opruimen. Het blijft niettemin dweilen met de kraan open. En zeker nu veel Nederlanders dit jaar met vakantie in ons land blijven en hun vertier in bos en veld zoeken, zal het leger schoonmakers het erg druk krijgen. Er komen gelukkig wel steeds meer en wie weet is het het begin van een voorzichtige omslag. Pas de volgende generatie zal daar iets van merken.

7.4.21 Nieuwe Wereldorde Van een goede kennis ontving ik een video over hoe doortrapt en corrupt de zakenwereld in elkaar steekt. Ik heb de band bekeken en ik verbaasde mij over het gigantische web van wereldbekende bedrijven die allemaal toe behoren aan een handjevol eigenaren en hun aandeelhouders. De eigenaren bezitten gezamenlijk meer geld dan de hele Europese Unie bij elkaar. Onder die bedrijven vallen ook bijna alle televisiezenders en kranten, waardoor ze alle berichtgevingen in de hand hebben. Met zo’n almacht is het een peulenschilletje om de bestaande wereldorde omver te gooien voor eentje die hen beter past. Een totalitair systeem zoals we dat bijvoorbeeld van Noord-Korea kennen. Of wie weet nog strenger. Het is een schrikbeeld van jewelste. De video suggereert dat deze conglomeraat van supermachtigen ook het virus covid-19 doelbewust op ons los heeft gelaten met het doel de lagere maatschappij te ontwrichten en het daarna aan hun regels te binden. De oude middenstand moet daartoe eerst worden vernietigd, zodat voortaan alle goederen nog slechts via hun internetwinkels te verkrijgen zijn. Het geduchte complotdenken ligt natuurlijk op de loer als je dit leest. Maar daar verzet de maker van de video zich uitdrukkelijk tegen. En weer stort er een serie bewijsmateriaal op de kijker neer. Dat het coronavirus spil is in dit denken laat zich weten. Weigeren je te laten vaccineren is een manier om je nog enigszins tegen deze boevenbende te verzetten, want zij hebben alles betreffende de vaccins in handen. Een andere manier is om gewelddadig tegen de door de staat opgelegde regels in te gaan. Ik zal beiden niet nakomen. Ik verafschuw geweld en ga af op wat naar mijn bescheiden kennis het beste past. Kwaad met kwaad bestrijden lijkt mij niet goed. Die onafhankelijkheid heb ik nog wel. Evenzo druk ik alles weg wat maar enigszins lijkt op klantenwerving. Helemaal tegenhouden kun je het niet. Dat kunnen ook mensen niet die met ogenschijnlijk goede bedoelingen argeloze burgers willen waarschuwen voor de gevaren van deze geldwolven en machtswellustelingen. Ook zij maken gebruik van de apparatuur en de infrastructuur dat bijna allemaal in handen is van die supermachtigen. Na het zien van de video kan ik niet anders dan verzuchten dat het met de mensheid nog veel erger gesteld is dan ik altijd al dacht. Dat het verschil tussen rijk en arm en de wreedheid en de hebzucht mijn voorstelling ver overtreft. Het grootste schrikbeeld is dan ook dat deze nietsontziende club de genoemde wereldorde op poten zet en daarna feitelijk ieder mens precies kan laten doen wat het wil. Robotisering dus. Een afgrijselijk vooruitzicht, maar volgens de video geheid ons voorland. Het zou al rond het 2030 in kunnen treden. Dat doet mij toch enigszins denken aan de eeuwige voorspellingen van de ondergang van de wereld die de Jehova’s Getuigen al jaren plegen te maken en die keer op keer wordt uitgesteld. Maar wat zeiden veel mensen halverwege de vorige eeuw toen de wereld in brand stond en er geruchten doorsijpelden over zogeheten concentratiekampen: Zo erg zal het toch niet zijn. Maar het wás zo erg, sterker nog, het was nog duizend maal erger. Soms is ellende niet meer in gradaties weer te geven. Dit mocht toch werkelijk nooit meer gebeuren. En nu lezen we pas op pagina 7 dat zo’n miljoen Oeigoeren in Chinese werkkampen voor onze discounterafdelingen en bulkwinkels slavenarbeid verrichten. We mogen die kampen geen concentratiekampen noemen, het zijn zegt de centrale overheid ‘heropvoedingskampen’. Heropvoeden vanwege wat? Kinderen vanaf 6-7 jaar, wat hebben die misdaan? Ergens ruikt dat toch naar volkerenmoord. De Joden werd ook voorgespiegeld zich geen zorgen te maken over hun bestemming in Duitsland of in Polen. En er zijn ook toen mensen rijk geworden van de levering van de attributen om van een lastig volksdeel af te komen. Dat kan ik mij met het verspreiden van het coronavirus niet voorstellen. Evenmin dat de verspreiders ervan tévens de engelen zijn die het vaccin om te herstellen aanleveren. Ik kan dit moeilijk geloven. Dat er superslechte exemplaren onder ons verkeren geloof ik graag en dat die superslechte exemplaren grof aan ons willen verdienen, geloof ik zeker en verder weet ik niet precies wat ik met de inhoud van deze video aan moet. Met al dat fake news weet je het tegenwoordig niet meer. Ja, dat ik nog voorzichtiger moet leven en internetwinkels moet mijden en stenen winkels waarvan ik niet weet waar hun handel vandaan komt. Maar dat is haast nog moeilijker dan strikt veganistisch te leven, omdat er vaak geen land van herkomst op hun spullen staat en zeker niet dat er slavernij aan te pas is gekomen. Men kijkt wel link uit. En omdat de Nieuwe Wereldorde de opvolging van de Bestaande is, staat het er niet best voor. Maar dat weet ik al jaren.

5.4.21 Zwerfkoffer In een eerder stukje heb ik verteld over een tamelijk groot mes dat ik vond bij een bosje aan de Hunze bij Spijkerboor. Gisteren liep ik met Rossi bij een van de stroomafwaarts gelegen bosjes. We liepen zoals gebruikelijk om het bosje heen en zagen zo’n twintig meter vanaf het pad gerekend tussen het opgroeiend geboomte een koffer liggen. Eigenlijk doe ik nu voorkomen alsof dit nieuw voor me was, dat is het niet. Ik heb die koffer daar al eerder zien liggen, maar er geen aandacht aan geschonken. Een koffer… soit! Maar normaal is het natuurlijk niet. Wie laat hier nu een koffer achter. Een vraag die mij nu ineens wel nieuwsgierig maakte. Ik wrong me door het struikgewas. Het was een donkerblauwe koffer met kleine wieletjes. Een rolkoffer dus. Ik was zo’n ding nog nooit in het echt tegengekomen, had er natuurlijk op het Journaal meer dan eens van gehoord en dan alleen in de hoedanigheid van overlast in de grote steden, totdat ik afgelopen zomer twee ogenschijnlijk verdwaalde reizigers in het centrum van Winsum zag staan. Alsof ze van grote hoogte waren neergeworpen. Amerikanen, dacht ik meteen. Winsum was enige dagen daarvoor gekozen tot mooiste dorp van Nederland. Daar zijn onder andere Amerikanen gek op. Ze keken niet weinig belazerd om zich heen, want hoewel Winsum een heel leuk plaatsje is: het is geen Volendam. Ik liet ze zeggen: Is this the place where Abel Tasman is born? No, that’s some twinty miles further on. Die mensen hadden ook zulk soort koffers bij zich en sleepten ze achter zich aan. Het gaf inderdaad een irritant, voor Groninger begrippen, onalledaags geluid. Ik schopte eventjes tegen de koffer aan. Het klonk hol. Stel dat het wel een dof geluid maakte, dat er iets in zat. Dan zou ik me meteen afvragen, wat dan? Kleding? Misschien een uit de hand gelopen echtelijke ruzie, op weg ergens naartoe en ineens was de bom gebarsten. ‘Je bekijkt het maar met die ploertige zus van jou, hier…. ‘ en met een reuzenzwaai had hij haar koffer met alle flannelletjes en bovenkleding het bosje in geslingerd. Maar dat zou moeilijk gaan vanwege die opgroeiende boompjes. Erger zou het zijn als de ruzie zó erg was opgelopen dat hij zijn eega in stukken had gesneden en in de koffer had gestopt. Woede kan immers ver gaan. In misdaadseries op de televisie is het de gewoonste zaak van de wereld. Maar een compleet mens zou er niet in passen. Dat kon ik nog wel inschatten. Dus, nee ik hield deze mogelijkheid voor onrealistisch. Het was duidelijk een lege koffer. Wat wel zou kunnen was dat een inbreker zijn buit in deze toevallig aanwezige koffer had gesmeten en het hier in dit bosje als nutteloze verpakking had achtergelaten. Moest ik daarvoor de politie niet even bellen? Van dat mes verwachtte ik ook het een en ander. Niets meer over gehoord. Dit zou mogelijk een tweede misser worden. Niet doen dus. Ik zou het mee kunnen nemen en het ergens neerzetten. Gewoon door iemand vergeten mee te nemen. Dat komt voor. Wat mensen allemaal niet in treinen of bussen achterlaten. Maar wat als het gezien werd als een bomkoffer en de vliegensvlug opgeroepen explosievendienst een lege huls aantrof. Gevaar geweken. Dat grapje kon maar beter achterwege laten. Ik schopte nog eens tegen de koffer. Het bewoog gemakkelijk. Er kon niets in zitten. Ik keerde het met de voet om en hoorde binnen niets rinkelen. Het bevatte dus geen slordig achtergebleven zilver of goud, evenmin glas of iets anders dat lawaai kan maken. Ik stond nog even in twijfel wat te doen. Rossi trok ongeduldig aan zijn riem. Ik liet het erbij en liep terug naar het pad. Een volgende keer zou ik het meenemen en naar de vuilstort brengen. ‘Ga je niet meer met vakantie?’, zou de man bij het inleverstation lachend zeggen en op mijn vraag in welke container ik het moest storten zou hij naar één van de restafvalbakken achteraan op het terrein wijzen. Ik zou er heen rijden en zien dat er tientallen koffers in die container lagen. Men wilde er kennelijk allemaal van af. Ik kon me het wel voorstellen. De even door mijn hoofd flitsende optie dat ik zelf iets met de koffer kon, werd hiermee voorgoed de kop ingedrukt.

4.4.21 Lijdensweg Ieder jaar rond deze tijd dezelfde mik: de Matthäus Passion. Ik heb er niets mee. Niet dat ik niet van de muziek van Johann Sebastian Bach houd, hoewel het in mijn platen- en cd-kast een zeer bescheiden plaatsje inneemt. Beethoven en Mozart hebben mijn voorkeur. Het is mij allemaal te kerks, te veel muzikale fruitmand. Ik heb niets met enig geloof en al helemaal niets met de lijdensweg van Jezus Christus, laat staan met zijn kruisiging. Te morbide allemaal. Of er werkelijk zo rond het jaar 33 tijdens zijn kruisgang iets dergelijks gebeurd is weten we niet eens goed. Veel verhalen zijn apocrief en voordat ze werden opgetekend waren ze al aardig verwaterd. Misschien is de waarheid nog wel gruwelijker dan het bijbelse verhaal en komt het in de buurt van de rauwe verfilming door Mel Gibson over de laatste dagen van deze rebel. Want dat is Jezus ingeval denk ik geweest: een soort Che Guevara, een strijder tegen onrecht. Zo beschouwd kan ik hem nog wel verdragen. Was het daar maar bij gebleven. Het verhaal -of zo men wil parabel- van de geldwisselaars die hij uit de tempel joeg, zou je heel gemakkelijk als metafoor voor de hedendaagse woekeraars, bloedzuigers, geldrovers, uitbuiters en profiteurs kunnen gebruiken. De grootkapitalisten die het niet uitmaakt hoeveel bloed er vergoten wordt om de rijkste bandiet van de aardbol te willen zijn. Zou hij in onze tijd ook maar een schijn van kans hebben gehad om deze boevenbende een halt toe te roepen? Ik denk het niet. De hoofdzonden waar wij zo hardnekkig tegen vechten zullen pas met de allerlaatste homo sapien verdwijnen. Maar, terug naar de passion. Ik werkte enige jaren op de grammofoonplatenafdeling van een warenhuis en tegen Pasen werd mij door vertegenwoordigers van de diverse maatschappijen geadviseerd enige passions in huis te hebben. Dat deed ik. Prachtige uitgaven waren het, verluchtigd met veel leed aan het kruis. Ik heb dat beeld van die hangende mansfiguur nooit kunnen verdragen. Misschien was het liedje en vooral de clip van The bright side of life van Monty Python hier mede debet aan. Van de edities -een klant wilde graag kunnen kiezen- die ik bestelde, heb ik er slechts eentje verkocht, maar de mevrouw bracht haar aankoop daags na Pasen terug met de klacht dat de plaat oversprong. Op mijn verzoek dat ze het mocht ruilen voor een andere uitvoering, ging ze niet in. Ik gaf haar het betaalde bedrag terug. Om zeker te zijn dat zij me niet bedroog -mensen namen het stiekem op en brachten het de volgende dag met verzonnen klacht terug- nam ik de dubbelelpee mee naar huis en draaide het helemaal af. Ik hoorde geen enkele tik en overslaan deed-ie ook niet. Zodoende kwam ik aan de weet wat de Matthäus Passion was. Niet mijn kopje thee. Later ben ik het nog eens met een andere uitvoering gaan proberen. Hetzelfde laken een pak. Het was domweg niet aan mij besteed. Enige jaren later werd de passion een hype en moest iedereen die dacht iets voor te stellen naar een uitvoering ervan. Om door de society gezien te worden of om het zondeleed er uit te wenen. In ongeveer 350 kerken en andere zalen zou zonder corona de passion nu zijn uitgevoerd. En de live uitgevoerde kruisgang van Jezus te Apeldoorn of Den Bosch of elders zou door duizenden mensen op de voet worden gevolgd en thuis door miljoenen worden bekeken. Jezus Christus is big business geworden. Volgend jaar in de herkansing, want God’s zoon blijft sterven voor de christelijke en de culturele zaak. Dat had Johann Sebastiaan Bach -misschien niet eens bewust- wel goed gezien. Mijn zegen hebben ze, maar ik hoor er niet bij.

2.4.21 Goede Vrijdag Sommige dingen verzin je niet of sterker nog mág je niet verzinnen, tenzij je een pathologische leugenaar bent of een schrijver, want die doen alles. Dat staat in de ongeschreven wet. Maar wat er de afgelopen dagen allemaal in de landelijke politiek gebeurde is van een ongehoorde kontdraaierij. Daar zou twistkoning Chubby Checker welhaast duizelig van worden. Alles begon met zekere Pieter Omtzigt die bij de keuze van de lijsttrekker van zijn partij het CDA, op een lage manier aan de kant werd geschoven. Het had mijns inziens te maken met de kort ervoor spelende belastingtoeslagenaffaire. In deze hoogst laakbare zaak kwam veel leed van duizenden eerlijke burgers boven water. Pieter beet zich er jaren geleden al in vast, maar kreeg weinig medewerking van het Rijk. Toen de zaak werkelijk aan het rollen kwam en de verantwoordelijke personen op het matje werden geroepen, begon het gekonkel en het moddergooien. PvdA-lijstaanvoerder Lodewijk Asscher koos eieren voor zijn geld en Pieter verloor het lijstaanvoerderschap nipt van Hugo de Jonge. Maar Hugo de Jonge schoof de functie door naar nieuwkomer Wopke Hoekstra (die dit baantje in eerste instantie helemaal niet ambieerde) met als reden dat hij toch beter de begeleiding voor het intomen van het coronavirus afhandelde. Daar was wel iets van te zeggen. Alsof iemand anders dat niet zou kunnen. Bovendien wist Hugo natuurlijk al ver voor de verkiezing van de lijstaanvoerder van zijn club dat hij die taak helemaal níet ambieerde. Maar zonder zijn deelname zou Pieter het lijsttrekkerschap gemakkelijk hebben gewonnen, maar dat wilden de wijze heren en mogelijk ook dames van het Christelijk Appél niet. Kortom: Pieter zat ze lelijk in de weg. Bij de gesprekken over hoe het nieuwe kabinet er uit moest gaan zien, gooide corona andermaal roet in het eten. Mevrouw Kajsa Ollongren van het verkennersduo, bleek coronabesmet en in de haast weg te komen uit Den Haag, schermde zij haar kladjes niet goed af, waardoor een wakkere fotograaf en daags erop half Nederland kon lezen dat Pieter Omtzigt naar een andere functie moest uitzien. Buitengewoon slordig (of was het opzet!). Niet dat Pieter zijn verder levensdagen bij de bloemenveiling in Aalsmeer of bij de stadsreinigingsdienst van Amsterdam moest slijten, want na heel veel wikken en wegen (zie boven: Chubby Checker) toverde onze Minister President een functie als minister van het één of ander uit zijn hoed. Nou, dan heb je het toch helemaal niet slecht gedaan, lijkt me. Orderpicker bij de bloemenveiling of afvalprikker in het Vondelpark heeft beslist minder niveau. Maar Pieter nam hier geen genoegen mee en liet dit luid en duidelijk weten. Gelijk had-ie. Hij voelde zich zwaar verneukt en dat was-ie. Tja, wat moet je hier als eerzaam levend burger nu mee aan? Ruim een jaar ligt de halve wereld vanwege de strapatsen van het coronavirus op z’n kant en onze MP en Hugo de Jonge proberen er alles aan te doen om het onwillige deel van het volk mee te krijgen vol te houden zodat we binnenkort weer terug kunnen naar het oude normaal. Maar in plaats dat ze terrein winnen, bladdert het vertrouwen steeds meer af en vooral bij de jongeren raken de hormonen danig overspannen. Die lieden daar in Den Haag kunnen ze wat! En er zijn zelfs kamerleden die ze volkomen gelijk geven en ik vrees na dit debacle steeds meer. Kortom: het is een zooitje daar in Den Haag. Daar kunnen die palletbouwers van het oudejaarscomité nog een puntje aan zuigen. Er zullen in christelijke kring mensen zijn die op momenten als deze God’s lijvige kroniek ter hand nemen en enige troostende strofen nalezen. Ik ben echter niet thuis in dit werk, maar sloeg uit arren moede het Woordenboek der Nederlandsche Taal op en keek onder het lemma omzicht. Ik vond hier enige opmerkelijke strofen van oude dichters. Zoals deze: Laet omzicht of voorzichtigheid, staeg staen aan ’t roer van uw beleid van Jeremias de Decker, wiens belangrijkste werk (maar dat is schier toeval) Goede Vrijdag uit 1651 is getiteld. Of van de dichter van Jantje zag eens pruimen hangen, o! als eieren zo groot Hiëronymus van Alphen: In armoe rijk, met zorgen blij, omzigtig in’t begeren of tenslotte van S.M. Coninckx Wel hoe! mag een omzigtig man, voor and’rer menschen heil niet zorgen… Grappig is wel dat juist deze laatste een vertaling is van één van de fabels van Jean de la Fontaine. Ik wil geen vergelijk trekken met het bovenstaande politieke verhaal, maar het komt aardig dicht in de buurt. O, mijn vrouw roept van beneden, ze heeft eieren op tafel staan. Het is Goede Vrijdag. Men kan het voorjaar niet vroeg genoeg aanroepen. We willen er op onze manier iets aardigs van maken.

30.3.21 Theater zonder publiek Even buiten Sellingen bevindt zich in een knik van de rivier de Ruiten Aa het Theater Van De Natuur. Het is echter geen bouwwerk waarin men met enige regelmaat theaterstukken opvoert, maar een met gras begroeide heuvel en op de top ervan een platform met een bankje en een metalen zogeheten bühnekader op een draaibaar statief waar de kijker doorheen kan kijken en zodoende een wisselend decor kan aanschouwen. Om daar te komen dient men een natuurstenen trap te beklimmen. Op elk van de aantreden van de trap is een gedicht van een Nederlandse dichter gebeiteld. Staat men voor de trap, dan is er van die gedichten niets te zien – men moet er enige moeite voor doen. Een paar jaar geleden hebben wij dat kunstwerk ontdekt. Wij zagen dat de stenen treden erg vuil waren. ‘We moeten de volgende keer een veger en een mesje mee nemen om de boel schoon te maken’, zei ik. En dat deden we. Daarna las ik alle gedichten hardop voor omdat mijn vrouw ze niet goed kon zien. Van Kees Stip tot en met Jan Mulder. Vanmiddag gingen voor de derde keer. Het was immers een prachtige zonovergoten dag. Ik ging de treden met onze veger te lijf en mijn vrouw zette intussen op het platform thee en genoot van het uitzicht en liet dat merken ook. Regelmatig kwamen er fietsers of wandelaars langs, want de heuvel bevindt zich in een web van wegen. Op het kunststof paaltje recht voor de heuvel zag ik pijltjes van drie verschillende wandelroutes. Verder loopt er een weggetje langs de heuvel door een stukje natuurgebied, dat aan de andere kant van Sellingen uitkomt. Na het afvegen van de treden las ik in alle rust de gedichten. Ze namen bezit van me, waren eventjes van mij alleen. Veel van de dichters leven nog slechts voort in herinnering. Zoals Kees Stip, Rutger Kopland, Harry Muskee en Adriaan Morriën en die hebben hier toch werkelijk ooit gestaan. Hun bijdrage heeft zich middels een vrees in steen gestold. Twee wandeldames keken naar ons op, zeiden iets tegen elkaar, maar kwamen de gedichten niet lezen. Om K. Schippers te citeren: De dingen hebben jou nodig om gezien te kunnen worden. Een oudere man zette zijn fiets op de stander en liep het bos in om -denk ik- te piesen. Drie racefietsers in fel gekleurde tenues, dronken vlak voor de trap hun bidons leeg en fietsten daarna weer verder. Wij zaten als twee sfinxen op de top van onze eigen mastaba. Vanuit elke hoek van de wereld reist men naar Egypte om haar reusachtige zussen te aanschouwen, maar dit kleine wondertje in Westerwolde laat men links liggen. Ooit waait het onder en wie weet graaft men het over 5000 jaar bij toeval op en dan zul je eens wat zien. Wij wachten daar niet op. Wij zijn onze tijd al ver vooruit.

29.3.21 Stukkie oud zeer Als schrijvertje aan de zijlijn pak ik vrijwel alles aan. Zo ontving ik onlangs van de Vereniging van Veenkoloniale Voetbalclubs (de VvVV) een mailtje of ik wilde meewerken aan een boek over de geschiedenis van de vereniging vanwege hun 100-jarig bestaan. Ik hapte meteen toe. Veel traktement zou het niet opleveren, maar het ging om de eer. Kort daarop kreeg ik van de vereniging het verzoek een vraaggesprek te voeren met de heer Dadelmans. Hij was jarenlang lid geweest van de voetbalvereniging ‘Sta In Je Kracht’ (SIJK) uit Oringermond. Deze club stond ooit hoog in de regionen en zou zelfs kunnen doorgroeien naar een plek in het Drentse Amateurvoebal, het D.A.V. Om daar aan te kunnen voldoen moest men beschikken over een door de landelijke voetbalbond goedgekeurd speelveld. Er werden sponsoracties en loterijen georganiseerd en de middenstand taste diep in de buidel en in 1973 was het geld bij elkaar en werd het veld aangelegd. Omdat men toch graag een spectaculaire entree naar de hogere divisie wilde maken, werd er een wedstrijd geregeld tussen ‘Sta In Je Kracht’ en het Rotterdamse ‘Feijenoord’. Zulke clubs deden dat vaker. Beetje reclame kan geen kwaad. FC. Meppel bijvoorbeeld had kort ervoor een wedstrijd gespeeld tegen het Amsterdamse ‘Ajax’ en hen tot ieders verrassing compleet van de kaart geveegd. Dat wilden de SIJKers ook wel. Het zou meteen een goeie start betekenen. De nodige voorbereidingen werden getroffen en er werd stevig getraind. Maar hoe rampzalig pakte het uit. De Rotterdammers kwamen, zagen en overwonnen… ‘Gehakt maakten ze van ons’, verzuchtte de heer Dadelmans, toen ik tegenover hem zat op zijn kamer in het ouderenhuis ‘Kwiek & Fit’ te Kampen-Oost. ‘Gehakt is nog te veel gezegd. Pulp zou beter zijn. We waren totaal geradbraakt. We gingen met 37-0 het schip in. Zo wil je je feestje niet vieren. Daags erop kregen we vanuit Rotterdam een mooie fruitmand met een opbeurend schrijven toegestuurd. Ach, aan die jongens lag het niet. Het was overmoed van ons. We waren broekies bij die mannen vergeleken. En het was ook niet terecht dat ze met pek en veren uit ons dorp zijn gejaagd en dat ze dan toch nog een fruitmand stuurden is op z’n minst heel sympathiek. Daar is later door het Oringer-monstertje nog heel melig over geschreven. Ja, het was voor alle geblesseerden te wéínig. Daar kan ik nog kwaad over worden. Moesten ze met een kruiwagen vol fruit deze kant op komen dan? Want ja, de meeste spelers waren aardig toegetakeld na die twee keer drie kwartier. U begrijpt wel dat wij dat seizoen niet hebben kunnen spelen. Het jaar daarop werden we als we uit speelden door toeschouwers en supporters van de tegenpartij om onze hoogmoed bespot. Sommige van onze spelers konden daar slecht tegen en niet zelden gingen ze al voor de wedstrijd begon op de vuist. In Bargerwesterveld liep de treiterij zo hoog op, dat een van onze spelers, eh Bertus Boving was het, dat kan ik nu wel zeggen, tijdens de eerst helft drie spelers van de ‘Bargerwesterveldse Boys’ tegen de vlakte schopte. Wij speelden op het laatst met 11 tegen 6 man. Nou ja, die wedstrijd hebben we dan gewonnen, maar het verdient geen pluim. Nog steeds krijg ik de kriebels als ik er aan denk. Bertus is voor de rest van zijn leven geschorst, dat spreekt voor zich. Het heeft nog wel tot halverwege de jaren tachtig geduurd voordat ‘Sta In Je Kracht’ weer enigszins tot rust was gekomen. Ze hebben zich een andere naam aangemeten en of het daaraan heeft gelegen weet ik niet, maar ineens ging het allemaal wat beter’. De heer Dadelmans zweeg. Ik keek uit het raam over de IJssel. ‘Woont u hier graag?’, vroeg ik. ‘Jawel hoor, maar wat moet je? Ik kan mij in Oringermond niet meer vertonen’. ‘Waarom niet?’, zei ik. ‘Nou ja, ik ben één van de weinige oud-SIJKers die wél is doorgestoomd, die wél de goeie training en alle steun heeft gekregen en uiteindelijk heb ik nog twee seizoenen bij Feijenoord kunnen spelen. Dat wil toch elke voetballer? Een prachtige tijd was het, maar voor de ouwe Oringmonders was ik voor de rest van mijn leven uitgekakt. Landverraad vonden sommigen het. En nu zit ik hier. Of het hier mooi wonen is? O, jawel hoor. Maar soms mis ik ineens het Oringerbos of de Achtermondse Duinen. Maar ja, dat zit er niet meer in’. Ik klapte mijn notitieboekje dicht en stond op. ‘Dus daar schrijft u nou een stukkie over?’, zei hij. ‘Ik zal het proberen’, zei ik. ‘Eh, laat dat van Bertus maar weg’, zei hij. ‘Hij is weliswaar al eventjes uit de tijd, maar je weet niet hoe zijn nageslacht reageert. Oud zeer, weet u’. Ik beloofde dat ik dat zou doen.

27.3.21 Boekenjacht Het nadeel van het ontzien, ja zelfs verachten, van tweedehands boeken is dat je weinig tegen schrijvers en hun werken aanloopt die allang uit de tijd zijn. Tenzij ze door een bepaalde omstandigheid en meestal voor korte duur opnieuw in de picture komen. Dat zagen we de afgelopen paar jaar met De Pest van Albert Camus en Dag en nacht feest van Ernest Hemingway. Ik las een artikel in de krant dat wetenschappers al in het begin van de jaren tachtig wisten dat er een klimaatcrisis zat aan te komen. Dat wetenschappers toen al bij regeringsleiders aanklopten om te waarschuwen voor de opwarming van de aarde. Maar de hoge heren ondernamen feitelijk niets. Veertig jaar geleden dus. Ik groef eventjes terug in mijn geheugen. Ik woonde toen in het Stellingwerfse Oosterwolde, wijdde veel tijd aan archeologie, paleo-antropologie, natuur en dieren. Ik kocht naar gelang mijn beurs het toeliet vooral boeken over De Oude Wereld, over de evolutie en aanverwanten. Een tweedehands boekenwinkel was er niet in mijn dorp. Wel een kraam op de weekmarkt en zomers scharrelde ik nogal eens op de rommelmarkt in Makkinga. In dat voorjaar stond er een artikel over een zekere B. Traven in ‘Kijk’, een wetenschappelijk tijdschrift voor de jeugd. Die B. Traven was een mysterieus figuur. Men wist niet wie hij was. Een gevluchte Duitser of gevluchte Zweed? Het intrigeerde me. Boeken van hem waren niet of nauwelijks te krijgen. Het was die zomer dat ik op de markt in Makkinga liep en bij een rommelhandelaar in een doos met tijdschriften en boeken de naam B. Traven zag. Het stond op de rug van een met bruin papier gekaft boek. Verrast -uiteraard liet ik dat niet blijken- plukte ik het tussen de meuk uit. Het was een totaal afgeragd boek met de titel De Witte Roos. Ooit in bezit geweest van een bibliotheek in het westen van ons land. De voorpagina stond stampvol stempels van lezers. De handelaar zei ‘Guldentje meneer’. ‘Neeeh’, zei ik en schoof het terug. Een boek heeft ook een houdbaarheidsdatum en deze was duidelijk ver over tijd. Maar in de doos bevonden zich ook een zestal kaften met duidelijk leesbaar de naam W.Bölsche en die kende ik. Het was een Duitse natuuronderzoeker uit eind 19de – begin 20ste eeuw. De fin de siècle. Ook daar plukte ik een exemplaar van uit de doos. Wederom hoorde ik ‘Guldentje meneer’. Na nog een paar boeken uit de bananendoos te hebben ingekeken gooide de man het over een andere boeg en zei ‘De hele doos voor een tientje’. Nu ben ik nooit zo van het bulkinkopen van boeken geweest. Bij een verhuizing of schoonmaak kom je de helft weer tegen en besluit je ze dan alsnog weg te doen. Ik overwoog dus even. Ik had mijn autootje minstens een kilometer verderop staan en een doos vol boeken weegt niet niks. Ik zei ‘Zeveneneenhalf’, ergens hopend dat hij nee zou zeggen, dan had ik tenminste het gevoel mijn best te hebben gedaan en kon ik rustig verder lopen. Maar hij zei ‘Goed’ en toen zat ik eraan vast. Er zat uiteindelijk genoeg waardevols tussen. Ik las De Witte Roos het eerst. Het was een magistrale roman. Kort erop kwam bijna al het werk van deze mysterieuze schrijver opnieuw uit, behalve juist dit deel. Het werk van B. Traven is min of meer één geheel. Het speelt zich allemaal af in Midden-Amerika, meestal in de jungle, in de houtkap of in de oliewinning, waar vooral de arme inlanders uit die streken onder erbarmelijke omstandigheden werden uitgezogen en niet zelden vermoord. Geen wonder dat B. Traven onbekend wilde blijven. Hij was een soort navolger van onze Multatuli of een voorloper van Günter Wallraff. De grootkapitalisten zouden zeker de pik op hem hebben. Hij wist toen al waar het met de wereld naar toe ging. Al die andere delen vond ik later ook op markten en een paar kocht ik nieuw. Nee, dan Wilhelm Bölsche. Toen was het nog koek en ei met de wereld. Henry Ford kwam al aardig op stoom, Thomas Edison experimenteerde er lustig op los en het beulswerk in de mijnen en in de katoenfabrieken bleef nog keurig onder de pastorale pet. Het stof van de deining rond de evolutietheorie was amper neergedaald. Bölsche verhaalt erover in deel 8. Je zou al die ruggen zonder schaamte te pronk zetten naast de eerste drukken van Couperus. Van de serie misten enkele delen. Een aantal jaren geleden zag ik ze alle tien in perfecte staat in een vintagewinkel. Dat is de verfijnde opvolger van de aloude vlooienmarkt. Er hing een papiertje bij: ‘12.50 euro per deel. Alleen hele serie in 1 koop’. Dat zou dus 125 euro zijn. Beetje veel als een eyecatcher. Want vintage is vooral nostalgie en gevoel. Je zou voor dit doel evengoed authentiek uitziende dummy’s kunnen kopen, van die plastic doosjes met titels van wereldklassiekers die meubelwinkels gebruiken. Nou ja, dat soort frustraties voorkom je als je alleen nieuwe boeken voor de vaste prijs koopt. Maar verreweg de meeste tweedehandsjes zijn blijvertjes. En nog steeds kan ik moeilijk een boekenstal ongezien passeren.

26.3.21 Liefde in tijden van corona Vanmiddag waren we aan de reis in het Grunningerland. We moesten er even uit. Al die soms onnavolgbare regels om het coronavirus de kop in te drukken benemen ons welhaast de adem. We zeggen grootmoedig dat we weinig last hebben van de maatregelen, maar ondertussen kunnen we net als iedereen nergens naartoe en behalve de weinige mensen die we treffen tijdens ons loopje met Rossi, spreken we bijna niemand. We togen richting Appingedam. Ons nichtje verjaart vandaag en hoewel aan de late kant wilden we haar nog een kaartje sturen. Maar waar konden we een kaartje kopen? Bij Bruna kon je alleen op afspraak terecht, idem dito bij Read Shop en Primera. Bij Appie Heijn misschien. Maar daar was het erg druk. Ik zei ‘Laat maar. We hebben thuis nog wel iets’. De koude wind blies over de parkeerterrein. We liepen Daam even in. Er was bijna niemand op straat. Alles was gesloten of in het beste geval kon je er alleen op afspraak terecht. Eetcafé De Koning van Groningen was ook potdicht. Ik at er zo graag een broodje kroket. In de luwte, zonnetje erbij, op de hoek van de St. Annastraat/Dijkstraat namen we plaats op het stenen bankje, schuin tegenover Primera, naast het bronzen beeldje van de stadsomroeper. De boven de ingang van de Dijkstraat aangebrachte banier met iets van ‘Winkelstraat Appingedam’ was als een douchegordijn slonzig naar het midden verschoven. Waarom zou iemand moeite doen het weer netjes glad te strijken als er toch geen mensen onderlangs kwamen? De winkels zijn al een jaar slechts beperkt open of helemaal dicht. Er is veel leegstand en er treedt al verkrotting op. Waarschijnlijk is dat in elke stad het geval, ik weet het niet, want we komen bijna nergens meer. De paar mensen die we tegenkwamen bewogen zich schichtig. We zijn allemaal potentiële virusdragers en dat laat zich voortdurend voelen. Hoe vaak hebben wij ons hier niet door de mensenmassa moeten wringen als er wat te doen was. Het muziekfestival ‘Bie Daip’ bijvoorbeeld. Ik werd er treurig van. We liepen via de Wijkstraat terug naar het plein waar onze auto stond. We reden door naar Garrelsweer en vandaar naar boven. Ik wilde naar Doodstil. Waarom eigenlijk? Geen idee. Het feit dat de naam van dit gehucht in 2005 als mooiste in Nederland werd gekozen kon moeilijk de reden zijn. En we moesten er toch zeker ook wel eens door gekomen zijn. In het naast Doodstil gelegen Zandeweer parkeerden we voor ‘Het Klokhuis’, een buurtgebouw, dat zo te zien zijn beste tijd had gehad en gesloten was. Mijn vrouw maakte thee, terwijl ik met Rossi de Hoofdstraat instak. Een nogal groteske naam voor een smal straatje. We dronken onze thee. Enige fietsers bekeken onze verrichtingen. Daarna reden we via een omweg naar Doodstil. Of nee, ik kan beter zeggen, we reden ongemerkt dóór Doodstil. Want Doodstil is vooral niet meer dan het pretendeert te zijn: doodstil. De naam schijnt voortgekomen te zijn doordat een man genaamd Doede de vroegere brug hier bediende. De naam Doede komt hier meer voor. Die naam is later verkort van Dode tot Dood en til is het Groningse woord voor brug. Men dient het dus eigenlijk uit te spreken als: Doods-til. De enige mij bekend zijnde oom die ik in Groningen had, heette ook Doede. Dat kan toeval zijn. Misschien dat dit een (niet erg plausibele) reden was, dat ik die andere Doede, al was het maar in gedachten, eens wilde opzoeken. ‘Nou dat is het dan’, zei ik toen we stapvoets door het gehuchtje waren gereden. Stapvoets ja, want je bent toch bang dat je iets mist waar je thuis ineens achter komt. Daarna togen we richting Garsthuizen, Loppersum, wederom naar Appingedam en via de N33 terug naar huis. Onderweg vroeg ik me af: Hoe lang zal de naam Doodstil nog kunnen blijven voortbestaan? In de verte immers rukt het Eemsgebied op. De kuststrook is bezaaid met reusachtige windmolens die de horizon verknallen en de hemel in stukken slaan. Ontelbaar veel overtrekkende vogels vinden hier hun Waterloo. Daar hoor je niemand over. Het propellergeluid zal op den duur ook de rust van Doodstil aantasten, het kan niet anders. De liefde die wij beiden voelen voor het Grunningerland wordt aangetast door de schreeuwende vooruitgang. Van energiegrootgrutters tot bigtech. We blijven gaan, zeker, en als dat gemene virus ons er niet onder krijgt, gaan we te zijner tijd ook weer naar Appingedam. Net als nu, op een doordeweekse – of op een zaterdagmiddag en dan koop ik zónder afspraak vooraf en zónder mondkapje bij de Primera op de hoek een NRCtje of een Volkskrantje. En als het zo uitkomt, een kaartje voor een jarige. Dat staat zo vast als wat!

25.3.21 Zusters van barmhartigheid In het ochtendnieuws hoorde ik dat er miljoenen datagegevens van garages zijn gelekt en mogelijk in handen zijn gekomen van de georganiseerde misdaad. Op zich maakte ik mij nooit druk om dit soort berichten, want het betreffen meestal gegevens van banken waar wij geen cliënt van zijn of zaken die ons totaal onbekend zijn. Maar bij de garage kom ik wel en die heeft voor de afrekening van de apk en andere reparaties uiteraard persoonlijke gegevens van mij en daarom schrok ik. Ik heb natuurlijk geen idee wat zulke dieven met de gegevens willen, maar vast weinig goeds. Ik heb sowieso een hekel aan het zonder toestemming doorgeven van gegevens. Alsof mijn irritatie nog eens extra gevoed moest worden, kreeg ik zo-even van een charitatieve instelling genaamd ‘Stichting Maryknoll Zusters van St. Dominicus’ een bedelpakketje toegestuurd. Ik krijg die dingen regelmatig. Soms zit er een balpen met inscriptie bij, soms een bloknootje. De Zusters trakteerden op 8 wenskaarten + enveloppen. Het is bijna de enige post die wij naast de tv-gids en de weekendkrant nog ontvangen. Ik ken bovengenoemde stichting niet, heb nooit eerder iets van hen ontvangen en ik vraag me dan ook af van welke instantie zij mijn adres hebben verkregen. Dat dit zo is geven ze zelf toe, want onderaan het schrijven staat in hele kleine lettertjes vermeld: Om nieuwe donateurs voor onze stichting te vinden, zijn uw adresgegevens voor eenmalig gebruik aan ons ter beschikking gesteld. Dan is mijn vraag welke instantie dit is en voor hoeveel geld zij mijn gegevens hebben overgeseind. Want daar schijnt handel in te zijn. Ik geef bijna niets meer aan zogeheten goede doelen. Dat heeft die namenverkoper natuurlijk niet tegen die Zusters van barmhartigheid gezegd. De begeleidende brief vertelt in het kort over het werk van de stichting. Het betreft een schrijnende uitwas van onze maatschappij; namelijk vrouwenhandel, met misbruik en uitbuiting, in dit geval in Cambodja. Het is me wel wat waard dit kwaad uit de wereld te krijgen. Er staat een fotootje bij met zeven vrouwen ten voeten uit. De brief schrijft: Ik zie verdriet en pijn in hun ogen (onderstreept). Dat is niet mogelijk, want de hoofden van de vrouwen zijn vervaagd. De brief vertelt over het afschuwelijke slavenleven van deze prostituees. Voor slechts 20 euro zou ik één zo’n meisje een week veilig kunnen laten opvangen, voor 40 euro twee weken. Elk ander bedrag is ook welkom en getuigt van uw naastenliefde en compassie. Daarna wordt de brief afgesloten met nog een ruiker smeekbeden, wederom naastenliefde, compassie en goedheid en tot slot dat ondertekenares zuster Helene O’Sullivan diep dankbaar is voor mijn gulle gaven.

Ik weet nooit goed wat ik hier mee aan moet. Ik herinner me ooit een dame op de stoep te hebben gehad die voor een stichting voor speelgoed voor arme kindjes in Afrika zei te collecteren en die korte tijd later door de politie werd bekeurd omdat de beoogde collecte alleen haar belang diende en zoiets is nu eenmaal bij de wet verboden. Sindsdien geef ik alleen nog aan collectanten die ik persoonlijk ken. Maar de meeste moeite heb ik met het feit dat de stichting van de Zusters een katholiek stempel heeft en hoewel ze zegt geen enkel onderscheid in mensen te maken, hetgeen ik graag geloof, wil ik niets te maken hebben met kerk- of missiewerk dat in de verte verbonden is met het Vaticaan. Men kan dat kortzichtig vinden, maar ik heb teveel gelezen en gezien over de brute en smerige uitwassen van paapse leidinggevenden. Ik ben blij dat deze bedelbrief aan mij gericht was en niet aan mijn vrouw, want zo voorkom ik dat de wond die zij heeft opgelopen in de jaren die zij heeft doorgebracht in een katholieke internaat, niet onnodig wordt opengereten. Ik hoef de stichting niet te verwittigen dat ik geen belangstelling in hun goede werken heb. Misschien behoor ik na morgen gewoon weer tot het niet barmhartige volksdeel en verwijdert men mijn naam. Blijft over dat ik erg te doen heb met het geweld tegen vrouwen. Om dit te veranderen zouden god en de evolutie moeten fuseren en alle menselijke karaktertrekken tegen het licht houden en zo nodig inruilen voor betere. Maar dat maak ik niet meer mee.

23.3.21 Tussen kaften Goede vriend mailde of er ooit een boek met stukjes of verhaaltjes van mij uit zal komen, zeker nu met al die gesloten stenen winkels en de razendsnelle teloorgang van het lezen van de jongeren en dementerende ouderen. Ik mailde terug dat ik het bij god niet wist en dat er hoe dan ook boeken verschijnen, maar dat de recettes van verkochte exemplaren dit jaar wel eens behoorlijk kunnen tegenvallen. Van de meeste uitgaven mag de uitgever blij zijn er één druk van te verkopen. Ik hoorde Adriaan Morriën ooit eens snedig zeggen, dat hij een schrijver van louter eerste drukken was, maar dat is nu heel gewoon. Voor mij ligt niet geheel toevallig een uitgave van Giovannino Guareschi’s Don Camillo uit 1951. Op de titelpagina staat in bijna onleesbaar kleine letters: 3e druk/ 29e – 40e duizendtal. Alsof het gênant was, dat men zich zo kort na de oorlog al weer verpoosde met een lichtvoetig leesboek. Alsof men zich nog jaren moest wentelen in de naweeën van die afschuwelijke bezettingstijd. En ik mailde ook dat ik een geweldige angst heb voor recensenten. Ik zal niet de eerste schrijver zijn die na een vernietigende recensie geen letter meer op papier krijgt. Is het me dat waard? Niet echt. Ik huldig het standpunt van Mark Twain: ‘Ik houd van kritiek, maar ik moet het er wel mee eens zijn’. Een blog is een tamelijk veilige methode om mijn gedachten te spuien. Ik weet niet hoeveel lezers er zich aan de overzijde bevinden, maar dat weten de meeste schrijvers van papieren boeken ook pas bij de afrekening. En dan is er nog de angst voor de zogeheten restpartijen. Als koper scharrelde ik graag tussen de ramsj en haalde er de meest prachtige werken uit. Van John Fante, Jules Renard tot Raymond Carver, van Maarten Biesheuvel, Johnny van Doorn tot Koos van Zomeren. Zo maar een wilde greep. Maar ik wil er natuurlijk zelf niet tussen liggen. Dat spreekt voor zich. Ook boekenstalletjes op de markt hebben mijn interesse. Het aardigste zijn de kleine boekenstalletjes. Om uit mee te nemen of aan te leveren. De vriend schreef mij eerder al eens dat hij nog nooit een Don Camillo-boek had gelezen. Het complete oeuvre van Simon Vestdijk zit in zijn kop, idem dito Willem Frederik Hermans en Harry Mulisch, maar nog nooit één Don Camillootje in gezien. Niet dat dit een schande is, want het werk van Vestdijk is mij vreemd en de boeken van WF en Harry die ik bezat heb ik jaren geleden al eens en zonder milligrammetje spijt in zo’n kastje gezet. Mede door zijn vraag waar die boeken van Don Camillo over gaan, werd ik weer geprikkeld en nu ben ik ze allemaal aan het herlezen. Het verschaft meteen een mooi inzicht in mijn fluctuerende smaak. Kon ik mij in de jaren zeventig/tachtig langzamerhand vergrijpen aan pillen van Alexander Solzjenitsyin, James Joyce of William Faulkner, nu verdwaal ik in die ellenlange alinea’s en zoek mijn toevlucht steeds vaker tot de meesters van korte zinnen en korte verhalen. Misschien heeft het te maken met mijn verergerende aamborstigheid. Ik loop naar de 70 en refererend aan één van de vele personages uit een Don Camillo, zeg ik: ‘Als je zeventig bent, heb je maar één angst, namelijk; hoe lang nog te mogen leven’. Zo is het. In mijn kleine boekenwereldje kan ik deo volente nog jaren vooruit, maar aan sprinten doe ik niet meer.

22.3.21 Opstand der horden De avondklok, die eind van deze maand zou aflopen, wordt verlengd. Officieel nog niet bekend, maar het was vanavond toch al op het Journaal. Dat wordt heibel, daar kun je donder op zeggen, zei ik tegen mezelf. Mijn vrouw knikte. Mensen pikken het niet meer, gaan tegen de regels in de straat op, bezetten pleinen, plunderen winkels, slopen auto’s, straatmeubilair en wie weet vallen ze straks onschuldige burgers aan. Maar willen ze dan toestanden zoals in Brazilië? Daar staan ze kennelijk niet bij stil. Bij ons mag het dan rustig zijn, maar voor hoe lang nog? Je weet niet hoe ver de tentakels van de revolte zich uitstrekken. Ik merk het als ik ’s avonds na negen uur de straat op ga. Vanaf de eerste lockdownavond is het al heel stil en met de avondklok erbij voelt het zelfs beangstigend aan. Ik loop elke avond met Rossi de straat uit tot de bocht en weer terug. Geen lichtje op de N33 te zien. Geen auto, geen brommer, niets. En dat al weken achter elkaar. Ongekend. Ik liep vanavond tegen elf uur mijn loopje richting het dorp. Plotseling, als vanuit het niets, sloeg er een motor aan. Een bijna onwerkelijk geluid in dit tijdsgewricht. En ik hoorde meteen ook een hoop geschreeuw. Het hart sloeg me even over. Een echtelijke ruzie? Kan. Mensen zijn opgefokt. Zou ook het begin kunnen worden van een opstand. Daar ben je niet meteen een stad voor nodig. Dat kan evengoed op het platteland ontstaan. Even later hoorde ik de motor wegrijden en snel optrekken, mijn kant op. Ik hield Rossi tegen me aan en sprong verschrikt achter een boom. Wat voor een losgeslagen idioot was dit wel? Hij schoot mij in volle vaart voorbij. Toen hoorde ik een tweede motor aankomen, die mogelijk nog harder reed. Ik had mijn zaklantaarn al uit gedaan en hield het onbewust als een wapen in de aanslag. Voor het geval er plotseling een of ander sujet zou opduiken en mij als vijand zou zien. Hopelijk zouden de batterijen er bij de eerste de beste klap niet uitvliegen. Met de lege metalen buis zou ik niet veel kunnen uitrichten. Ik hoorde nu de motoren de N33 opdraaien. In het dorp werd vuurwerk afgestoken. Ook al zoiets… En geschreeuw en het slaan op zo te horen een olievat. Mijn hart had het zwaar te verduren. Daarna werd het weer stil. Welke kant zou ik moeten kiezen als het erop aan kwam; de regeringskant of de kant van de revolutionairen? Wat viel er te winnen? Vooral nog meer onrust. Ik haastte me naar huis. Rossi was ook merkbaar van slag. Hij had net als ik nog nooit een opstand meegemaakt. Even overwoog ik nog mijn vrouw wakker te maken en in te lichten over de gang van zaken. Ik liet het erbij. Ze slaapt toch al zo slecht. Wel schoof ik de grendels van de achter- en de zijdeur extra goed aan en dimde het licht, zodat het leek alsof er niemand thuis was. Daarna maakte ik mij klaar om naar bed te gaan. De rust was weer teruggekeerd. Het was inmiddels middernacht. Wie weet sloopte een furieuze meute het Catshuis, radbraakte het Minister Hugo de Jonge op de kop van de Lange Poten als gewezen nazaat van de gebroeders De Witt en was het voltallig Koningshuis haastig ondergebracht in een boerderijtje ergens in één van de grensprovincies. Ik lag nog lange tijd gespannen te luisteren en moet zachtjesaan in slaap zijn gevallen.

Nu ik dit schrijf -schrijven is vaak achteraf kijken- weet ik dat het zo’n vaart niet heeft gelopen. Er waren rellen, ja, en de ME moest hardhandig optreden, maar een ieder houdt zich toch min of meer aan de regels. Bevel is bevel, ook al staat menigeen het water aan de lippen en is volhouden een ontvlambaar woord geworden. Helaas.

17.3.21 Doorslaggevend stemmetje Vandaag was het Tweede Kamer-verkiezingsdag. De exitpoll van 21.00 uur liet zien dat Wilder’s PVV gezakt is ten faveure van D66. Elke keer dat Wilders Kaag in het debat van gisteren uitschold voor verrader, dacht ik, daar gaat weer een zetel naar de overkant. Ik had met Kaag te doen en na het aanhoren van de winst van D66 kon ik een juichje niet onderdrukken. Ik heb heel lang getwijfeld: moest ik mijn hart volgen en zoals gewoonlijk op de Partij voor de Dieren of op GroenLinks stemmen, of moest ik zoals men dat noemt strategisch stemmen? Ik wist het niet. Uiteindelijk heb ik voor het laatste gekozen. Misschien ook wel een beetje ingegeven door Maarten van Rossem, die voor hetzelfde dilemma stond. Niet dat ik achteraf treurig ben op D66 te hebben gestemd. Er zijn beroerdere partijen en mensen als Hans van Mierlo en Jan ter Louw hadden eertijds mijn stem makkelijk kunnen krijgen. Fantastische kerels. Maar nu ze zo dik hebben gewonnen, had ik best op één van die andere genoemden kunnen stemmen. Weliswaar had Rob Jetten nog niet de helft van het aantal stemmen gekregen en omdat ik hoe dan ook op een vrouw wilde stemmen, was het een goede keus. Zo leg ik mijn geweten het zwijgen op. Want Nederland omarmt Sigrid Kaag. Zij is ook een bijzondere vrouw. Zij heeft meer uitstraling dan enige van al de andere lijsttreksters. Maar dat ik overliep had vooral te maken dat ik wilde meehelpen Geert Wilders van zijn tweede plek te duwen en dat is gelukt. Nog liever had ik gezien dat er zich nog een tweede of derde partij tussen Geert en Sigrid had gemanoeuvreerd. Het hoeragevoel van zo-even zakt nu weer een beetje en ik begin me zoals wel vaker af te vragen wat nu eigenlijk het nut is van dit hele spektakel. Heb ik als burger ook maar een greintje invloed op dat circus? Het zou me niets verbazen als ik op mijn sterfbed vanuit het Hoge ingefluisterd krijg dat een aantal zaken die ik zonder na te denken altijd voor waar heb gehouden, totale onzin zijn. Zoals bijvoorbeeld: de eerste mens op de maan. Eén grote grap, zal die Hogere stem zeggen. Wie heeft de eerste maanstappen van Neil Armstrong van een afstandje kunnen filmen? ‘Even wachten hoor Neil, even de camera goed instellen’. Allemaal in een studiootje geënsceneerd. Staaltje filmkunst van Stanley Kubrick. Allemaal inbeelding, zal de stem zeggen en met een glimlach zal ik voorgoed inslapen. Zo denk ik ook weleens over de invloed van mijn stem bij al die verkiezingen die ik heb meegemaakt. Maar als iedereen zo zou denken, dan zou onverschilligheid de overhand krijgen en niemand nog gaan stemmen. Een Chinese zegswijze moet ons doen geloven dat de plenging van slechts één druppel water aan de ene kust ontegenzeglijk invloed heeft op de kust aan de overzijde en zelfs een tsunami kan veroorzaken. Als dat zo is en laat ik dit voor het gemak even aannemen, dan zou mijn stem die van een tegenstander elders in het land kunnen wegvegen. Dat stemt mij erg tevreden. Want zo gesteld zou ik een Forum-stemmer in laat ik zeggen Urk monddood maken, of een PVV-stemmer in Oude-Pekela. Een windhoos verwacht ik niet, met een briesje neem ik al genoegen. Ik ben ook geen voorstander om elke stemgemachtigde uit zijn/haar stoel te trekken, want stemplicht heeft iets totalitairs. Daarmee zou men de bulk blanco- en ongeldige stemmen alleen maar vergroten. Gelukkig zijn er genoeg mensen die zich de dingen die ik mij afvraag níet afvragen en die onopvallend en zonder gedachte aan een plengende Chinees hun stem uitbrengen. Dat noemen ze plichtsgetrouwheid. Daar kan elke stemweigeraar of dwarsligger lullig over doen, maar ons land vaart er wel bij. Nergens immers is de democratische gedachte en de uitvoering ervan zo ver door gevoerd als in Nederland. Het nadeel is dat er zich vandaag 37 partijen verdringen (of eigenlijk verdrongen) op een lijst ter grootte van een tafellaken. De helft zie je gelukkig nimmernooitniet in Den Haag. Het zijn Hadjememaar-idealisten en boze burgers. Dat wil niet zeggen dat er zich in die vergaarbak van grappenmakers en schreeuwers geen serieuze kandidaten bevinden. Van de Partij voor de Dieren verwachtte ook niemand iets. De potentiële stemmers werden belachelijk gemaakt met mopjes als ‘En bij de volgende verkiezing krijgen honden en katten zeker ook stemrecht’, enzovoort, en zie de partij kruipt bij iedere verkiezing een treetje hoger en daarmee laat ze steeds meer lachers achter zich. Bij de volgende verkiezing zal ik de dieren mijn stem weer geven, dat staat vast. Niet vanuit strategisch oogpunt, maar omdat Kaag het dan zonder mijn stem wel af kan. En bovendien speelt mijn geweten ook nog een rol.

15.3.21 Bewust kinderloos Soms -en dan bedoel ik echt héél soms- hebben we het weleens over het feit dat wij geen kinderen hebben, over waarom wij dit toch niet onbelangrijk aspect van het huwelijkse leven hebben laten liggen, hebben verslonterd, onbenut gelaten of zoals sommige mensen zeggen, hebben verzaakt. Dat laatste klinkt een beetje als een bewuste onthouding en dat is het ook. Wij zijn allebei astmatisch, hebben vervelende luchtwegaandoeningen en zijn voor allerlei zaken allergisch. Wij noemden ingeval deze redenen. Dat werd niet altijd begrepen. Het wil niet zeggen dat kinderen deze ziekten altijd overnemen, was soms een verweer. Maar erfelijk is het zeker en één plus één is twee. Het zou kunnen betekenen dat nageslacht het dubbel zo erg kan krijgen dan wij. Uitproberen kun je het niet. Is het zaad eenmaal gezet dan dien je er als ouders voor de volle honderd procent voor te gaan. Daar heeft iedereen zo zijn eigen menig over. Mag je dat riskeren? Wij vonden toen wij de kans op nageslacht nog hadden van niet en wij zijn daar nu allebei blij om. Ik voegde stilzwijgend nog weleens het motief van overbevolking toe, maar dat is discutabel, want in mijn jonge jaren speelde dat niet en zou ik toen getrouwd zijn, dan was ik nu ongetwijfeld vader en wie weet trotse grootvader. Ik tik dit met droge ogen. Dat de wereld aan overbevolking (lees: overlast van de homo sapiens) ten onder gaat, begon pas later bij mij binnen te dringen. Toen zou het voor de eerste leg al te laat zijn geweest. Daarmee kom ik automatisch bij het motief dat voor ons speelde, namelijk: mijn leeftijd. Ik was 45 toen wij gingen samenwonen en 46 toen wij trouwden. Er zijn legio mannen die dan nog aan een eerste of tweede broedsel beginnen, mijn zegen hebben ze. Maar ik houd me aan de gedachte dat gelijkelijk met het afnemen van de vruchtbaarheid van de vrouw ook de man uit een vorm van piëteit terugtreedt. Op mijn 46/47ste jaar nog aanvangen met de rol van jonge vader, leek me teveel gevraagd. Mijn vrouw dacht er net zo over. Ik liet mij kort daarop steriliseren. Zo waren we van het probleem van ongewenste ouderschap verlost. Mocht het toch anders zijn verlopen, dan waren onze kinderen -want dan zouden er toch ‘als het wilde lukken!’ op zijn minst twee zijn gekomen- nu tussen de 20 en 23 geweest. Hoe zouden wij zijn omgegaan met die kinderen en -volgend punt- hoe zouden wij hun aanhang omarmen óf juist niet? Uit ervaring weet ik dat er van opbouwende gesprekken met mijn toekomstige schoonouders nooit veel terechtkwam. Menig verkerinkje liep stuk op irritatie van ouderzijde jegens mijn antiburgerlijke houding. Al was het meisje nóg zo vrijgevochten, al kwam ze nóg zo modern over, na kennismaking met haar ouders kreeg ik meer dan eens te horen dat het hun niet was meegevallen. Zo’n verkering hield daarna nog twee weken stand, verzandde in gemok en uiteindelijk met de telefonische bons. Zo ging dat. Er zijn naar mijn weten geen boeken over hoe toekomstige schoonouders zich dienen te gedragen tegenover de aanhang van hun kinderen. Er zijn wel boeken geschreven over hoe het mis gaat. En hoe zouden wij reageren als één van onze kinderen thuis zou komen met een verkerinkje van hetzelfde geslacht of uit welk andere lade van die kleurenkast hij of zij zou komen? Hoeveel zweet zou het ons kosten om ons daar naar te voegen? Maar zo’n machojoch waar onze dochter mee thuis zou komen zouden wij ook niet appreciëren, om maar te zwijgen over de eelske trut van onze zoon. En dan heb ik het nog niet eens over de bijkomende factoren die het leven vandaag de dag zo lastig en ingewikkeld maken. Het zal best zo zijn dat als alles goed verloopt en je als ouders zonder veel problemen grootouders wordt, je de hemel te rijk bent. Dat geloof ik graag en ik gun ze dat ook van harte. Maar voor hetzelfde geld tuimelen ze van het ene drama in het andere. Wij hebben voor de veilige weg gekozen. Het levert een ietwat ingetogen leven op maar daar kunnen we beiden heel goed tegen.

12.3.21 Een moeilijk verhaal Een paar weken geleden schreef ik over de teksten op enige melkpakken en hoe lovend de fabrikanten over hun product redekavelden. Op zich niets mis mee, want het is hun broodwinning. De teksten bulkten van levenslust en liefde voor de dieren. Er zijn zelfs bedrijven waar de consument melk van een bepaalde koe kan krijgen. Mijn vader had veel Dora’s in zijn kudde en alzo kan ik stellen dat ik voor een groot deel door doramelk ben opgevoed. Maar nu lees ik in een artikel dat de koeienmelk van vandaag de dag allang niet meer de kwaliteit heeft die het vroeger had. Dat het vanwege het bijvoeren van mais en soja veel meer slechte en veel minder goede vetzuren bevat. Dus al die praatjes over bloemen en kruiden en eerste klas gras zijn maar deels waar. Supergras bestaat niet, ja er is een rockgroep met die naam, maar dat heeft vermoed ik met gras niets te maken. Met het glaasje melk dat ik mij zo nu en dan permiteer zal dat zo’n vaart niet lopen, vergoelijk ik mij. Maar wat te denken van al dat melk dat als poedermelk naar bijvoorbeeld Afrika wordt gestuurd? Tweederde van de wereldbevolking is lactose-intolerant. Wat moeten die mensen met onze zogenaamde gezonde melk? Onze fabrikanten bewerken het, halen de vetten eruit en stoppen er palmolie en suiker in en zo wordt het ook voor hen een lekkernij. Dat lees ik. Van die oermelk is dan al niet veel meer over. Men kan net zo goed een blikje cola of energiedrank bij het ontbijt nemen, enfin, dat gebeurt dan ook. Even voortbordurend op de komende verkiezingen: bij geen enkel programma heb ik het woord palmolie en in de betekenis van het produceren hiervan teruggevonden. Overal ter wereld worden elke dag vele vierkante kilometers oerwoud vernietigd om plaats te maken voor palmolieplantages en bijgevolg verwoest men hiermee al het leven in de bomen en op de bodem. Over weinig jaren zijn al die gebieden onvruchtbare woestijnen. Dus na mijn parfumallergie, krijg ik sinds enige tijd ook de kriebels van palmolie. En dat is labels nakijken geblazen. Want in een groot aantal artikelen zit dit wondergoedje. Van bijna alle zepen tot en met pindakaas. En ben je daar klaar mee, dan is soja aan de beurt. Want de sojabedrijven gaan niet veel beter met het milieu om dan de palmoliebedrijven. Ook zij zijn voor de productie van heel veel grond afhankelijk. Wat blijft er dan nog over? Veganproducten maken maar een heel klein deel uit van de menselijke consumptie. Het mag waar zijn dat het niet meer eten van vlees en het links laten liggen van producten die palmolie bevatten een stap in de goede richting is, maar het is slechts het begin van de enorme omslag die we moeten maken om de wereld weer net zo gezond te krijgen als voor de industriële revolutie. Ik weet het, op bijna elk gebied is er enorm veel bereikt, dat laat onverlet dat we de welvaartsteugels nu teveel laten vieren. Ik net zo goed! Ik rijd ook regelmatig een ommetje voor een tierelantijntje. Bij geen van de gelezen verkiezingsprogramma’ s vond ik iets dat leek op het matigen van onze spilzucht. Het zou wat zijn als er een partij opstond die vakantievluchten in de ban zou doen, die het gebruik van gas, benzine en elektriciteit zou rantsoeneren en die een maximale grens zou voorstaan aan het bezit van geld en goederen. Daar zouden zelfs de fanatiekste milieuactivisten de hik van krijgen. Als straks het coronavirus is overwonnen, wil meer dan helft van de Nederlanders (en evenzo de inwoners van de landen waar het c-virus ook heeft huisgehouden) hun van rijkswege ‘gestolen’ vakantie en andere geneugten inhalen. Daar kun je donder op zeggen. Men zal blind en doof zijn voor al die praatjes over de opwarming van de aarde en andere plezier afremmende zaken. Het eigen recht zal zegevieren, daar kun je gif op innemen. Kom, ik neem een koffietje, een koffie verkeerd. Zie je, ik ben net zo verziekt, maar zoek wanhopig en tegen beter weten in een stukje wal om het schip te keren.

8.3.21 Scheve verhouding Vandaag is het Internationale Vrouwendag. Eigenlijk een schande dat dit er ooit moest komen. Het ontstond naar aanleiding van een staking in Amerika op 8 maart 1908 vanwege de roep op algemeen stemrecht. Dat was waar men mocht stemmen wereldwijd voorbehouden aan mannen. Vrouwen dienden zich daar niet mee te bemoeien, ze werden te dom geacht voor het politieke spel. Ze waren voorbestemd om hun leven achter het aanrecht te slijten, zorg te dragen voor de opvoeding van de kinderen en zich te verpozen tijdens theekransjes. Ze moesten vooral niet zeuren over het reilen en zeilen van de grote buitenwereld. Ik ga niet de geschiedenis van de Internationale Vrouwen aanhalen, ik beperk me tot de Tweede Kamerverkiezingen van 17 maart a.s. De ons vorige week toegestuurde kandidatenlijst geeft een aardig inkijkje in de verhouding van de mannen en de vrouwen. Ik ben alle partijen langs gelopen en heb in zoverre mogelijk (want van sommige namen weet ik niet of het een vrouw of een man betreft, daar ze evenmin allemaal op internet zijn te traceren) de verhouding man/vrouw geturfd. Dat is bij de meeste kandidatenlijsten niet moeilijk omdat het staat aangegeven met een v-tje of een m-etje. Bij sommige staat de voornaam aangegeven + het v-tje of m-etje, Forum voor Democratie bijvoorbeeld vermeldt alleen de initialen. Je weet dus als kiezer niet wie er achter C.A.Dieudonné schuilgaat. De man/vrouw woont overigens in Zwitserland en zal gezien de beroerde voorspelling van het Forum niet over hoeven komen. Ik heb eerst gekeken naar de verhouding van de lijstaanvoerders. Van de 30 partijen die dit jaar aan de verkiezing meedoen, worden er 21 aangevoerd door een man en 9 door een vrouw. De D66-lijst telt de meeste vrouwen. Ze geven niet aan of het vrouwen of mannen zijn, maar ik ga af op de namen die ik ken en maak mijn telling. Er staan 12 namen tussen waarvan ik niet weet of het mannen of vrouwen betreft. Maar van het merendeel weet ik het wel en dus kan ik gerust aannemen dat ze met kop en schouders wat betreft de verhouding man/vrouw boven de andere partijen uitstijgen. Christen Unie staat verrassend op nummer twee en op nummer drie Partij van de Arbeid. Daarna zakt het snel af tot de Staatkundig Gereformeerde Partij met alleen mannen (34). Ook Jezus leeft bestaat uit in dit geval drie baardige discipelen. Mijn eerste stemmingen waren op de toenmalige PSP (de pacifisten), later met CPN,PPR en EPV samengegaan tot Groen Links, maar nadat Andrée van Es voor vrijlating van de 2 van Breda stemde, heb ik de PSP laten vallen. Ook op Ria Beckers van de PPR, evenmin als op Ina Brouwers van de CPN heb ik nooit gestemd. Geen denken aan dat ik op een communist zou stemmen. Ik zeg dit omdat half jaren zeventig lezers van met name Vrij Nederland en Opzij werden aangeraden op een vrouw te stemmen. Dat heb ik sindsdien zoveel mogelijk gedaan. Hiervan uitgaande zou ik nu ook weer op een vrouw moeten stemmen. Dat zou dan Sigrid Kaag, Lilian Marijnissen, Lilianne Ploumen, Esther Ouwehand, Liane den Haan, Sylvana Simons, Femke Merel van Kooten-Arissen, Caroline van der Plas, Esther van Fennema of Anna van Zeven moeten zijn. Van dit rijtje van tien vallen de laatste zes af; omdat de door hen aangevoerde partijen mij niets zeggen. Het wordt dus kiezen uit D66, PvdA, SP en PvdD. Dat wordt nog moeilijk, want alle vier zijn kranige tantes. Jammer dat Groen Links geen vrouwelijke lijsttrekker heeft, geen Femke Halsema, dan zou ik het wel weten. Ik denk dat ik nu zal moeten kiezen tussen Ouwehand en Ploumen. Sigrid Kaag zal ik met spijt laten vallen, hoewel haar partij getalsmatig de meeste vrouwen levert. Maar de verhouding man/vrouw in de Tweede Kamer blijft hoe dan ook scheef en dat zal nog jaren zo blijven ook. Daar is niet eens een Internationale Mannendag voor nodig. Dat spreekt voor zich.

6.3.21 Oververhitte huizenjagers Jaren geleden schreef ik een stukje over een man die ons huis meende te kunnen kopen. Het was in de tijd dat de huizenprijzen in een dip zaten en de WOZ-waarde met wat zakgeld nog te vereffenen was. Dat is nu wel even anders. In dat verhaaltje situeerde ik een nogal patserige man in een cabriolet precies recht voor ons huis. Hij parkeerde daar met een doel en dat verstond ik woord voor woord. Ik was namelijk in de tuin bezig enige bijzettafeltjes te schilderen. De man zag mij niet, ik hem wel. ‘Nummer 52, ja daar sta ik nu vóór’, hoorde ik hem zeggen. Mijn nieuwsgierigheid was gewekt. ‘Anderhalf’, zei hij. Anderhalf wat? dacht ik. Ik kwastte rustig door en wachtte af. Nu hoorde ik de autodeur open gaan en even later hoorde ik zijn stem. ‘Goedemiddag’, zei de man. Ik goedemiddagde terug. ‘Bent u de eigenaar van dit pand?’ zei de man. ‘Ja meneer’, zei ik. ‘En heb ik het goed dat u het wilt verkopen?’ zei de man. ‘Nee, dat heeft u niet goed’, zei ik. Ik was enigszins verbluft, maar liet dat niet merken. ‘Ooh’, zei de man ‘het staat op mijn gegevens’ en hij wapperde met een vel papier. ‘Dan deugen die gegevens niet’, zei ik. ‘Anderhalve ton is de richtprijs’., zei hij. Anderhalve ton. Hmm, dat is meer dan de gemeentelijke taxatie, dacht ik. De man liep nu terug naar zijn cabrioletje en begon weer te bellen. Ik hoorde wat heen en weer gemopper. Daarna stapte hij weer uit en liep opnieuw naar mij toe. ‘Mijn excuses, ik ben abuis’, zei hij, ‘ik moet op de Tjassenswijk zijn’. ‘Oké’ zei ik ‘en eh, ook op nummer 52?’ ‘Ja, nummer 52’ zei hij. ‘Succes’ zei ik. De man reed weg. Voor de goede orde: de nummering van Tjassenswijk gaat tot en met 16. Dit verhaaltje heb ik ooit -ik geloof in 2005/06- grotendeels verzonnen. Die patserige man in die cabriolet stond inderdaad voor ons huis nogal brallerig te bellen. Het ging ook over huizen, het was mogelijk een makelaar. Maar met ons huis had het niks te maken. Maar dat zo’n verhaal reëel kan zijn blijkt wel uit een bericht dat ik van de week las; namelijk dat een makelaar in Hoogeveen bepaalde huizenbezitters een schrijven laat bezorgen of zij weleens hebben nagedacht over het verkopen van hun huis. Er is een enorm gebrek aan huizen en de markt is totaal ontspoord. Mensen doen er alles aan om iets te vinden. De prijzen vliegen de pan uit. Het doet me enigszins denken aan de televisiekinderserie Mik en Mak uit de beginjaren zestig, waarin oma Tingeling een hoofdrol bezette. Oma Tingeling woonde op het kruispunt van de vier windstreken. In dat huisje gebeurde van alles, dit tot afgrijzen van de nieuwsgierige buurman Hum Drum. In elke aflevering wilde hij het huisje van oma Tingeling kopen. Oma Tingeling zei dan altijd ‘Nee, meneer Hum Drum, mijn huisje is niet te koop’ en dan rukte meneer Hum Drum zijn sigaar uit zijn mond en brak het aan stukken. Big fun! Ach, een kinderhand was in die dagen nog gauw gevuld. Maar dan, wat zullen we doen als er plotseling zo’n brief in de bus ligt waarin te lezen staat dat een wanhopig paar hun vier ogen hebben laten vallen op ons stulpje, ja het heeft zelfs hun voorkeur en daarbij wappert met een exorbitant geldbedrag…? ‘Zie het als een mooi compliment voor je huis’, schuimbekt de makelaar in het krantenartikel. Nee, ik denk niet dat we het gaan doen. Die man in de cabriolet uit dat verhaaltje liet ik overigens vertrekken na hem toevertrouwd te hebben dat wij ons huis nog voor geen miljoen willen verkopen. Door deze orale carbitknal was hij totaal uit het veld geslagen. Maar het zal me niets verbazen als zich er te zijner tijd een soortgelijke situatie voordoet. Misschien moet ik dat absurde bedrag voor alle zekerheid toch maar verhogen, want met die oververhitte huizenjagers weet je niet hoe de ballen rollen. Uit voorzorg kan ik ook een bord in de tuin zetten met ‘Dit huis is NIET te koop – doe geen moeite’ erop. Dat kan geen kwaad, lijkt me.

3.3.21 Over consuminderen Gisteren de hele dag bezig geweest knipsels te sorteren en in de juiste mappen te bergen. Heel plezierig werk, maar als ik het goed bekijk -en dat doe ik laatste tijd steeds meer- is het een totaal nutteloze bezigheid. Maar, verdedig ik me dan, er zijn heel veel totaal nutteloze bezigheden, misschien wel meer dan nuttige. Alles waar competitie aan te pas komt is in de grond van de zaak nutteloos. Het meeste op het gebied van topsport bijvoorbeeld is totaal nutteloos. In het ergste geval ruïneert men lichaam en geest voor tijdelijke roem. Ja, er gaat veel geld in om en daar kun je weer aardige dingen van doen, maar puur en alleen om het lichaam enigszins in vorm te houden is wandelen, zwemmen of fietsen meer dan genoeg. Dat uitknippen en verzamelen van stukjes heb ik van jongsaf al gedaan. Eerst plaatjes van muzieksterren (het woord popster bestond nog niet) en gaandeweg hele reportages uit Panorama, De Revue en damesbladen als Margriet en Libelle. Die viste ik uit de dozen oud papier dat ik verzamelde voor de lagere school. Ik plakte het in schriften, later in plakboeken en sinds jaar en dag in plastic hoesjes per onderwerp in ordnermappen. De oudste berichten dateren denk ik van rond 1970. Reportages en recensies van geliefde muzikanten en platen uit muziekkrant Oor en Aloha, de latere naam voor Hitweek. Uit de oude Hitweeken knipte ik de berichten over Bob Dylan en The Band, de plakboeken liggen in de boeken-over-muziekartiesten-kast. Met die ordners begon ik toen ik krantenberichten over de Tweede Wereldoorlog begon te verzamelen. Uit met name Nieuwsblad van het Noorden, de Volkskrant en Vrij Nederland. Daarna volgden velerlei onderwerpen en nu staan er zo’n 60 stampvolle mappen in twee rijen van elk drie meter. Reken ik mijn eigen werk -ook opgeslagen in dezelfde mappen- mee, dan kom ik op zo’n 80. Wat is het nut ervan? Het is het plezier van het lezen, het uitknippen -hoeveel kilometer papier zal ik in mijn leven niet verknipt hebben?- en het in de mappen doen. Wat is het nut daarná? Niet aantoonbaar. Als ik op een regenachtige middag wil weten hoe het zit met het mysterie graancirkels of wie Appie Alberts ook al weer is -twee puur willekeurige items-, dan grasduin ik even in mijn particulier archiefje en pluk het er moeiteloos uit. Ik zou het natuurlijk ook kunnen opzoeken op internet. Dat kán als het lemma er is en als het iets oplevert. Dat is lang niet altijd het geval. Maar nu dringt zich toch steeds meer een venijnige roep op om een en ander af te stoten. Ik heb in het verleden weleens een ordner weggedaan en prees mezelf uitbundig, maar vulde het gat nog dezelfde dag met een andere ordner. Dat werkte niet. Een aanhanger van de Japanse opruimgoeroe Marie Kondo zal ik echter nooit worden. Daarvoor zijn me mijn spullen te dierbaar. Mijn boeken, mijn langspeelplaten en cd’s en dus ook die mappen. Daar doe ik zomaar geen afstand van. Ik moet ineens denken aan Max van Weezel, de radiopresentator/schrijver, die ongeneselijke ziek was en die gevraagd werd hoe dat nu met al die boeken en kasten vol kranten in zijn werkkamer moest. Hij wist het niet, maar kon er zelfs met de dood in zicht geen afstand van doen. Ik begrijp dat wel. Laten we ook niet vergeten; dat ontruimen is een hype en zoiets waait vroeg of laat weer over. Op internet staan niettemin tientallen boeken die handelen over het ontspullen en het in een totaal leeg huis tot jezelf komen en vooral veel mindfullnessen. En gegarandeerd zullen er mensen zijn die boeken over het ontruimen, door insiders purgen genoemd, verzamelen. Die vindt je over niet al te lange tijd terug in de huis&tuinboekenkastjes. Om een daad te stellen heb ik de mappen ‘Papenlust’ & ‘Kerkelijke Ontucht’ aan de kant gelegd. Zaterdag halen vrijwilligers van de basisschool het oud papier op. Zo is de cirkel weer een beetje rond. Maar ik wil ze nog eventjes doorspitten, hoewel… Ik vrees dat ik ze dan onder het mom ‘weggooien kan altijd nog’, weer terugschuif. Het blijft een verdomd lastig dilemma.

28.2.21 Uitzingen Ik had het voorgaande stuk amper afgeschreven, toen ik een telefoontje kreeg dat een van mijn oude vrienden een ernstige vorm van kanker heeft. Slokdarmkanker, hoorde ik vallen. In eerste instantie schrok ik niet eens. Ik zei iets van shit en hoorde het verder aan. Het lijkt alsof elk bericht steeds langzamer bij me binnenkomt. Alsof mijn cognitief geheugen het nog even moet checken. Ik googelde later op de avond de oorzaken van deze kankersoort. Niet dat ik er niets van wist. Ik hoorde de zanger Bob Fosko kort voor zijn slokdarmkankerdood verzuchten: ‘ja, ik dronk veel, ik rookte en ik had een grote bek’. Volgens het lijstje op 1: roken, op 2: drinken van alcohol, op 3: eten van weinig groente en fruit en op 4: weinig gevarieerd eten. Ik zweeg. Er heeft zich langzamerhand een laagje eelt op mijn ziel afgezet. Sinds ik niet meer rook en nog zelden een flesje bier drink, veroordeel ik onbewust mensen die het roken en drinken en zeker op oudere leeftijd niet gaan beëindigen of op zijn minst matigen. Je moet toch beter weten, denk ik dan. Die gedachte valt niet te prijzen, ik weet het. Het heeft deels te maken met vervelende ervaringen en deels met bezorgdheid aangaande de gezondheid van mensen die ik niet graag verlies. Ik ga niet zo ver de al dan niet verslaafden tot de orde te roepen. Mijn ergernis beperkt zich tot het direct geconfronteerd worden met bijvoorbeeld een roker. En zeker op plaatsen waar dit niet is toegestaan. Een andere reden is dat mijn vrouw er ernstig onder lijdt, hoewel zij er een gefundeerdere mening op na houdt dan ik. ‘Roken is een verslaving en dat is een ziekte’, zegt ze dan ‘en dat is heel moeilijk te verhelpen’. Ze heeft gelijk. Ik heb er makkelijk mee kunnen stoppen, maar hoe anders ligt dat bij mensen die met een peuk of sjekkie op staan en er mee naar bed gaan? Ik ben nooit zo’n roker geweest en dat scheelde enorm bij het stoppen en ontwennen. Al spoedig kon ik helemaal niet meer tegen de lucht van tabak en rook en dus moest ik ook steeds meer afzien van omgang met rokers, hoe vervelend dat ook was. Ik hoorde meer dan eens dat mensen die stoppen met roken zich tot de fanatiekste (lees: de vervelendste) tegenstanders ontwikkelen. De jehova’s van de antitabakslobby, de braveriken, de deugdzamen. Dat zou best kunnen. Maar ik heb er nooit een punt van gemaakt als iemand roken wil; alleen liever niet in mijn directe omgeving. Dat was natuurlijk geen reden dat de oude vriendenclub langzamerhand verstilde. Ieder had zijn of haar zaken (druk,druk,druk!), had een gezin om voor te zorgen en een baan. Er waren jaren dat ik niemand van het clubje zag en áls ik al iemand tegenkwam dan praatten we snel even bij en voort ging het weer. Pas toen de kinderen de deur uit waren, kwam er wat meer ruimte. Dan kwam er ineens een uitnodiging voor een tuinfeestje of een etentje. Zo zag je elkaar weer eens en lachte je als vanouds om de moppen met een baard van een halve meter. En dan vlamde dat oude vuur weer eventjes knetterend op. Ik denk dat het met veel vriendschappen zo gaat. Er moet al iets in de relationele sfeer plaatsvinden of met de gezondheid van iemand uit het clubje dat ze weer samenbrengt. Zoals nu. Ik belde de oude vriend op. Hij klonk monter, nuchter. Ik vroeg hem hoe het ging. Naar omstandigheden goed. De bijnieren, de lever en de slokdarm zijn aangetast. Dat wel. Chemo of bestraling heeft geen zin. Genezing is niet mogelijk. Er viel een korte stilte. Kloten, zei ik. Ik slikte, hield me groot, maar inwendig voelde het als een dreun en een moment kwam de onheilstijding weer boven die ik zelf nu drie jaar geleden te verwerken kreeg. Ik dacht toen: het is voltooid, volbracht, het leven zit erop, finito. Ik wilde het uitschreeuwen dat bijna alles aan mijn lijf nog in puike staat was en dat ik godverdegodver om reden van één aangetast orgaan toch niet de pijp uit hoefde? Bij hem ligt het allemaal een stuk ingewikkelder. Ik zocht bij mijzelf ook een reden waarom ik juist dáár op die plek kanker kreeg. Een genetisch foutje, noemde de arts het. Ik zocht het extern, ging al mijn vrijerijen na, de venerische butsen en de paar slippertjes. Allemaal heel lang geleden, maar toch… ‘Dat kan het niet zijn’, vertrouwde de arts mij vriendelijk toe. Maar ik was er niet gerust op. Ik zocht een diepere oorzaak, kon mijn dna niet de schuld geven. Dat voelde als verraad. Heel langzaam doodde de tijd mijn strijd om gerechtigheid; ik legde mij er bij neer. Goed. We spraken nog wat over dies en gene. Ja, wat viel er verder ook te zeggen. Het ga je goed? Sterkte ermee? Dooddoeners van niks… ‘Ik zing mijn tijd wel uit’, zei hij tenslotte met zijn rauwe stem. Het is het begin van het afscheid. Een afscheid dat ik niemand gun. Natuurlijk, het maakt wel degelijk uit hoe iemand heeft geleefd, maar ik ben niet degeen die daar over moet oordelen. Waar het om gaat is hoe je van elkaar hebt genoten en niet dat je af en toe buiten de paden fietste. Mensen die zeggen zuiver op de graat te zijn moet men ernstig wantrouwen, is mijn mening, en ver uit de buurt blijven. Ik wenste hem sterkte en zou binnenkort weleens weer bellen. ‘Doe maar’, zei hij alsof er niets aan de hand was. Misschien was het noodlot nog niet helemaal ingedaald. Verdwaasd stak ik telefoon in de houder.

26.2.21 Voltooid leven Ik ben zelden op iets of iemand jaloers. Ik heb dat kennelijk niet echt in me. Het is een nare trek en als blijkt dat een kind dat in zich heeft, zou het meteen grondig moeten worden aangepakt. Maar soms steekt het bij mij toch ineens de kop op. Ik zal ten bewijze een onaangenaam voorbeeld aandragen. Als ik ’s ochtends voor ons ommetje met Rossi naar het dorp loop, passeer ik altijd het huis van de Krelissen. Ik noem ze zo, omdat ze door iedereen zo worden genoemd. De oudste van de Krelissen zat bij mij op de lagere school. Ik geloof dat we tegelijk in de eerste klas begonnen en dat hij na enige jaren overging naar de christelijke school. De reden was dat er onenigheid ontstond tussen zijn vader en het schoolbestuur over de belabberde prestaties van de jonge spruit. Afgezien hiervan wist hij later wel zijn vrachtwagenrijbewijs te halen. Dat beroep heeft hij ook lange tijd uitgeoefend. Tot het bedrijf zoals hij zei ‘over de kop ging’. Daarna werkte hij niet meer. Dat was al jaren voordat ik in de ww kwam en gelukkig genoeg zonder problemen kon doorstomen naar mijn pensioen. Als ik ’s ochtends met een van onze reeds lang overleden honden langs zijn huis liep, stond Krelis in negen van de tien keren als een man van de wereld aan de straatzijde van zijn huispad. Altijd een sjekkie aan en omdat zijn vrouw allerchisch is en ziekelijk moet hij ervoor naar buiten. Dat zei hij me weleens. Sommige mensen hebben een dagtaak aan roken. Jaar in jaar uit stond hij er, zijn jas open, een steeds kleiner lijkend mutsje op zijn hoofd. Ik werkte in die dagen nog bij de bloemenveiling en had vanwege het zware werk vaak last van mijn schouders en armen. Dat zei ik niet, maar het schuurde wel als ik Krelis vroeg naar zijn sollicitatiepogingen. Want dat moest hij. Hij deed dan voorkomen dat hij wekelijks op zijn minst één brief schreef en verstuurde. Dat vond ik hoog gegrepen, want na de lagere school kon hij qua leeftijd meteen aan het werk en zo’n brief schrijven valt nog niet mee. Krelis woont al sinds hun trouwen in een huurhuis van de gemeente. Het is een huis van vlak na de oorlog. Hij had het jaren geleden al voor een schappelijke prijs kunnen kopen, omdat de gemeente er vanaf wilde, vertelde hij eens, maar hij wou het niet. Om reden dat hij dan het onderhoud zelf moest uitvoeren en ik kon mij wel indenken dat hij dat niet beliefde. Nu was één telefoontje genoeg om te zorgen dat een mankement werd opgeknapt. Dat ‘één telefoontje’ zei hij een gewichtigheid alsof het hele gemeentelijke apparaat op stel en sprong in het geweer kwam. Hij zwol van voldoening. Dat zwellen mag men gerust letterlijk zien. Want een mens die voornamelijk van het roken, het vrijwel constant in de zakken houden van de handen en het ’s avonds nuttigen van enige blikken bier leeft, groeit gelijk een ballon die men heel langzaam met water vult. Vooral zijn buik begon steeds meer over te hellen. Ik heb hem in al die jaren dat ik hem op dezelfde plek en in dezelfde houding zag staan nooit één keer een handeling zien verrichten. Ik bedoel een handeling waarbij men zijn handen laat wapperen. Een aantal jaren geleden kwam de broer van zijn vrouw bij hen inwonen. Het is een schriele, zwijgzame man die eveneens rookt. Hij had problemen met zijn huisbaas, zei Krelis, en dan doe je dat. Dat was nobel van hem. Die man past goed bij Krelis, want hij ontneemt hem een aantal karweitjes zoals het naar de straat brengen van de kliko en het regelmatig vegen van het straatje. ‘Hij moet toch wat doen voor de kost’, zei Krelis tegen mij, toen ik hem ermee complimenteerde. De man lachte als een boer die kiespijn heeft. Krelis en de vrouw hebben een zoon die ook Krelis heet en die ze uit gemakzucht of om verwarring te voorkomen Junior noemen. Hij werkt niet, want er is iets met een van zijn knieën, waar zelfs de beste professor niet achter kan komen, zei Krelis mij onlangs nog. En daarom kan hij niet werken. Wat ik wonderlijk vind, want ik moest met mijn versleten schouders en armen wel op alles wat maar denkbaar is solliciteren. ‘Het zal wel iets anders zijn’, zei me van de week een buurtgenoot, ‘want hij ligt wel languit onder zijn auto te sleutelen’. ‘Die Mercedes van em’, zei ik. ‘Nee hij heeft nu een Volvo, zo’n grote’, zei ze en in haar stem hoorde ik met recht enige verbazing. ‘Waar doe-ie het van?’ zei ik. ‘Dat bedoel ik’, zei ze. Vanmorgen stonden ze er met z’n drieën. De handen diep in de zakken en allen voorzien van een sjekkie. Ik moest ineens denken aan zo’n groepje beelden op Paaseiland. Waarom weet ik niet. Ieder mens heeft weleens gekke gedachten. Ik had een zakje bermrommel bij me. Krelis groette mij als gewoonlijk met het noemen van mijn naam. Ze keken me alle drie enigszins meewarig aan. Ik groette terug, zei iets onnodigs over het weer en liep door. Ik wist dat ze mij zwijgend tot aan de vuilnisbak in de bocht zouden volgen. En ik dacht: Dat er mensen zijn die zonder ook maar een spat te doen, zelfs geen krant of boek lezen ‘want daar staat toch alleen maar onzin in’ tevreden zijn met het leven… Ik zou er gek van worden. Amper thuis greep ik de stofzuiger, sorteerde de was, zette de machine aan, veegde de schuur, harkte een deel van de tuin en knoopte het oud papier tot een bundel… Krelis, soms vergezeld van zijn zwager, soms van zijn zoon en soms van beiden, loopt 25 keer of vaker per dag naar de straat met het enige doel om te roken. En als het regent staat Krelis alleen of met zwager of zoon onder de tuimeldeur van de geopende garage. Wat moet het heerlijk zijn om helemaal niets te willen doen en dat met volle overtuiging ook te kúnnen. Mijn hoofd en handen jeuken al bij de gedachte eraan. Om als het ware een voltooid leven achter de rug te hebben en toch nog niet dood te hoeven gaan. Daar kan ik soms stinkend jaloers op zijn.

24.2.21 Lake Wobegon, Groningen Vanmiddag zijn we voor het eerst dit jaar wezen rijden. Dat is opmerkelijk vroeg, want vorig jaar gingen we op 22 maart ons eerste rondje Groningen doen. Het weer is er dan ook naar: tussen 14 en 17 graden. We togen eerst naar de zus van mijn vrouw in Stad-Groningen, die met het hele gezin geveld is door de corona. Een hart onder de riem steken middels een fruitpakket. Daarna door naar Zuidwolde waar we ooit koffie dronken aan de kade van het Boterdiep bij Moeke’s Eetcafé. Nu was het er uitgestorven. De corona veroorzaakt een hoop ellende. We reden over een keitjesweggetje langs het water richting Ellerhuizen. Aan het Plattenburg stond een royale boekenkast. Toch even kijken. Ik neem op onze reisjes altijd een stapeltje ruilboeken mee, want voor wat hoort wat. Tot mijn verrassing vond ik Het leven in Lake Wobegon van Garrison Keillor. De hilarische kroniek over het fictieve plaatsje ergens in Minnesota. Het boek stond al jaren op mijn wenslijstje en zo ineens lag het voor mijn voeten. Het leukste boek van een Amerikaanse schrijver van de laatste kwart van de 20ste eeuw, herinner ik mij ooit te hebben gelezen van een bekende Nederlandse geinschrijver. Humor is een gevoelige kwestie. Maar het zou mijn kop niet kosten, dus ruilde ik er zonder spijt mijn stapeltje boeken voor in. Toen reden we door naar Thesinge. Ik parkeerde onze auto naast de Kloosterkerk. Mijn vrouw maakte in de achterbak twee koppen thee. Normaal zouden we ergens een terrasje nemen, maar dat is nu uitgesloten. Het voelde niettemin weldadig aan. Ik zette mij intussen neer naast een kindhoog bronzen beeld van een jongen op de stenen rand aan de oever van het riviertje het Geweijde. Rossi kroop naast me. Tegen de kaderand bevond zich een plaquette met een poëtische tekst over zand. Ja, zand. Waarom ook niet. Vlak ernaast lag een bruggetje. Ik liet mijn gedachten de vrije loop. Een wonderschoon plekje. Er kwamen meerdere wandelaars voorbij, meestal in koppeltjes van twee. De kop van Nederland is ontdekt, dat blijkt uit alles. Ietsjes verderop zaten twee al wat oudere dames op een bankje te snateren over het stadse leven. Zij moesten nog wennen aan de stilheid van het platteland, dat was wel duidelijk. Toen ze opstonden liepen ze in mijn richting en bleven vlak bij me staan. ‘Zo’, zei één van beiden ‘is dit nou die befaamde zandbak’. Ik wist niets van een zandbak, zag het nu pas en was onbekend met de roem van het ding. Kan een zandbak überhaupt befaamd zijn? Het zal wel in een VVV-foldertje hebben gestaan, dacht ik. ”t Zal wel’, zei de ander vrouw smalend. Het was inderdaad niet veel, er groeiden wat plukken bies in en iets grassigs. Maar ik wilde ‘onze’ befaamde zandbak niet afdoen als een lullig ding en ik zei: ‘Ja zeker, hier heeft Wubbo Ockels als kind nog gespeeld en Ben Feringa heeft hier zijn eerste nanomachientjes uitgeprobeerd. U weet wel, die van de Nobelprijs’. ‘Eerlijk?’ zei de eerste vrouw. ‘Eerlijk is de waarheid mevrouw’, zei ik en ik knikte eventjes naar het beeldje. ‘Komt u van hier dan omdat u dat allemaal weet?’ zei de tweede vrouw. ‘Bijna’, zei ik, want ik verbeeld me weleens dat mijn woongebied van de zuidelijke Hondsrugpunt Erica tot aan de Dollard van Nieuwstatenzijl loopt. Ze namen allebei een handjevol zand uit de bak alsof het plotsklaps een heilige substantie was. Ze wreven het in hun handen en wierpen het terug en wreven hun handen schoon aan hun jaspanden. Toen liepen ze de Kapelstraat in. Ik hoorde hen de naam Wubbo Ockels nog enkele keren noemen. ‘Wat hadden die vrouwen?’ zei mijn vrouw die naast me kwam zitten met de twee koppen thee. ‘Ze dachten dat dit een heilige zandbak is en toen zei ik dat Wubbo Ockels hier nog gespeeld heeft en nu denken ze dat die hier geboren is en zoeken ze naar zijn geboortehuis, wat ik je brom’. ‘Is die hier geboren dan?’ ‘Niet dat ik weet, maar het had toch wel gekund’. Ze proestte het uit. We genoten van onze thee en reden korte tijd later richting Ten Boer, Ten Post, overstaken het Eemskanaal en tuften aan op Schildwolde. Overal liggen onze sporen. Er is bijna geen weg in de provincie Groningen die we nog niet hebben bereden en toch verveelt het nooit. En verder naar Slochteren, over de Broeken Noord- en Zuid naar Muntendam richting de N33 en zo op huis aan. Nauwelijks drie uren weg geweest en toch voelde het als een mini-vakantie. Vanavond ga ik lezen in Garrison’s Lake Wobegon. Ik hoop maar dat hij met zijn fantasie niet al te zeer op de loop gaat. Het moet wel een beetje geloofwaardig blijven.

22.2.21 Haarkloverij Vanwege de strikte coronaregels mogen naast honderden soorten winkels en culturele instellingen ook kappers en aanverwanten niet open. Met aanverwanten worden onder andere nagelateliers, massagesalons en sekshuizen bedoeld. Beroepen die niet op de voorgeschreven anderhalvemeter afstand van elkaar kunnen worden uitgeoefend. Maar er piept weer licht aan het eind van de tunnel, want de kapperszaken mogen binnenkort weer open. Op het Journaal hoorde ik een mevrouw jubelend oreren dat het ook nodig tijd werd. ‘De ouwe kleur komt’r weer door’, zei ze en de haarverfindustrie sprong er meteen na Gerrit Hiemstra op in met een wervende reclamespot. Ik zal het merk niet noemen, hoewel het regelmatig paginagroot opduikt in de glossy van mijn zaterdagkrant. In het filmpje zwierezwaait een dame heftig met heur haren gelijk een paard dat last heeft van een leger horzels. Aan het eind zingzegt ze I’m worth it. Ik was even perplex. Hoe bedoelde ze, ik ben het waard. Wat een overdreven verwaandheid. Ik heb het verven van ’s mensens hoofdharen altijd een uiting van perversiteit gevonden. Dat een mens zich dagelijks reinigt met zeep, oké – dat hij zijn tanden poetst, prima en dat hij zijn haren eens in de zoveel dagen wast met een parfumloos shampootje… , dat is mij allemaal duidelijk, maar de haren verven..? Wat is er mis met ’s mensens naturelle haarkleur? Ik ben niet thuis in de wereld van de cosmetica en de lichaamsververij en om er toch iets van te weten bezocht ik meteen de hoogste instantie die hier over gaat, namelijk de World Society of Hairsplitting. Ik las op hun site dat alreeds de eerste mens zich met kleuring van hun haar bezighield. Dat in de oudste graven sporen van henna waren gevonden. Het haarverven is dus niet iets van de laatste tijd. Afgezien van gruwelijke ziekten die mensen van stoffen als waterstofperoxide en ammoniak kunnen krijgen, is er natuurlijk ook nog de vervuiling van het milieu dat een rol speelt. Want zoals die mevrouw op het Journaal zei ‘het kleurt uit’. Waar blijft die kleurstof dan? was mijn vraag. ‘Somewhere around us’, zegt de WSofH. Net als fijnstof van diesels en op hout gestookte kachels dwarrelt het in de ether. We snuiven het op en we proesten het uit. De uitgewassen verfresten komen in het oppervlaktewater terecht en uiteindelijk in de waterdieren. Geen goeie zaak, maar ja, zeg maar eens dat je vindt dat je het niet waard bent. Dat je content bent met je melkboerenhondenhaar en het aan moeder natuur overlaat er eventueel een ander kleurtje aan te geven. Nee, ik waag me er niet aan. Ik doe net alsof die vrouwen en ook die mannen hun kastanjebruine, zuurstofrose fluoriserende of helgroene haren al van kindsaf hebben. Dat het een spelinkje der natuur en gewoon zo bedoeld is. En nu ik het erover heb; enige tijd geleden vroeg een mij volslagen onbekende man mij of mijn haarkleur naturel is. Ik herstelde snel en zei dat het in een potje te koop is, alleen niet wist hoe het heette. Eventjes dát gevoel, dát moet het zijn wat mensen aantrekt om uit de grijze middelmaat op te stijgen. Als straks al die kuiven worden uitgewassen en opnieuw gekleurd, zullen de vissen in het duister oplichten. Je kunt het misdadig vinden, maar uitsterven zal het niet. Daar durf ik mijn pruik om te verwedden.

20.2.21 Jaarlijkse gedachtenis Mijn vader zou vandaag 101 jaar zijn geworden. Dat is weinig mensen gegeven en ook hem niet. Hij is al jaren uit de tijd. Ik las laatst het verhaal van iemand -een man, ongeveer mijn leeftijd- die zei dat hij naarmate de tijd verstrijkt (en dat doet het nu eenmaal) steeds vaker aan zijn oude vader dacht. Dat hij hem als hij in een moeilijk pakket zat, eventjes naar boven koekeloerde en hem om bijstand vroeg. Dat kan. Ik heb dat niet. Daarvoor was de band met mijn vader te problematisch. Ik heb hem bij mijn weten nooit om raad gevraagd. Alles ging zoals het ging en lang niet altijd van een leien dakje. Aan raad of hulp vragen kleeft het nadeel dat de gevraagde zich ook met jouw denkt te mogen bemoeien als je dat liever níet hebt. Ik ben altijd graag onafhankelijk geweest en heb een hekel aan inmenging van anderen, zelfs al staat die genetisch gezien vlakbij. Vanaf het verlaten van het ouderlijk huis is de relatie met mijn vader in het slop geraakt en later zelfs vijandig geworden. Dat is niet iets om trots op te zijn. Zulks groeit. Maar het dient gezegd. Het huwelijk met mijn vrouw vormde de treurige finale van zijn afkeer van mijn ongebonden levensstijl. Nu zou het wel goed komen met ’t jong. Maar het kwam niet goed. Mijn vrouw en mijn vader lagen elkaar niet. Wat we ook probeerden, het was boter aan de galg gesmeerd. Elk bezoek eindigde in gemor. Ik was het zat en besloot tot de definitieve breuk. Mijn moeder was door haar dementie al niet meer in staat deze scheuring te begrijpen. Het zou anders verlopen zijn als het haar onnoemelijk verdriet had gedaan. Nu moest ik kiezen tussen mijn vader die mijn vrouw regelmatig stijf schold en haar. Daar had ik weinig moeite voor nodig. Ik heb me later weleens afgevraagd waarin de boosheid van die man zat. Hij had het in aanvang van zijn leven niet makkelijk gehad. Zijn vader overleed in hetzelfde jaar als zijn geboorte en daardoor groeide hij op met zijn strenge moeder. Zij was als kind opgenomen door een kinderloos echtpaar en werkte bij hen op de boerderij. Na het sterven van dit echtpaar namen zij de boerderij en enig land over. Mijn vader was toen al oud genoeg om mee te draaien. Hij moet zich uit de naad hebben gewerkt om er iets van te maken. Dat moet ik hem nageven. En hij verhief zich daardoor boven andere boeren van het dorp. Maar de wereld bestond niet alleen uit boeren, gaandeweg landbouwers genoemd. De vooruitgang ging met rasse schreden en al die producten, ook de producten waar hij zelf mee werkte, moesten worden gefabriceerd door arbeidersvolk, volk waar hij op neerkeek. Dat bleek maar al te waar als ik met een vriend thuiskwam en later een vriendin. Ik had weinig tot geen omgang met kinderen van boerengezinnen. Het waren altijd kinderen uit arbeidersgezinnen en dat stond hem slecht aan. Mijn vrouw was niet anders. Ook zij kwam uit een rood nest en van begin af was er een overduidelijke vijandschap. Vandaar dat er geen enkel plezier aan bezoekjes over en weer te beleven viel en vandaar die definitieve stap. Dat is nu al heel lang geleden en er gaan maanden voorbij dat ik er niet aan denk. Maar zo-even las ik een artikel waarin een zoon van zekere leeftijd als een vriend met zijn oude vader optrekt. Dan denk ik, zó had het mij misschien ook kunnen gaan. Je hebt niet alles voor het zeggen. En hoe zo’n vader had ik zelf kunnen zijn? Ik weet het niet. Ik heb de kans en dus ook niet het risico niet genomen dat te weten. Ik hoef daardoor aan niemand rekenschap af te leggen. Dat is aan de ene kant slap, aan de andere kant bevrijdend. Ik ben me hier goed van bewust en heb er geen moeite mee. Hoe dan ook; toch wel gek dat ik ieder jaar op de 20ste februari denk, vandaag zou mijn vader zoveel jaar zijn geworden.

17.2.21 Melk & hartstocht Ik heb weleens iets geschreven over de teksten die op de labeltjes van een bepaald merk thee staan. Ze zijn bedoeld om een gesprek los te weken. Niets om het lijf regeltjes. Alsof we ons continu vervelen, wat ook zo is. Zonder mobieltje weten een hoop mensen niet wat ze met zichzelf, laat staan met een metgezel, aan moeten. Dat valt mij altijd op als mijn vrouw en ik ergens zitten. Maar nu zag ik tot mijn schrik dat er ook zoiets op een pak melk stond. Vroeger waren dit tamelijk saaie omhulsels, nu wemelen ze van kreten als ‘puur’ en ‘natuurlijk’. Ik ontdekte op één zo’n pak vijf keer het woord ‘biologisch’. De dierenbescherming doet ook mee en de koeien die de melk -halfvolle- hebben aangeleverd eten wel 60 kilo gras per dag, hebben volop ruimte en als het even kan lopen ze buiten. Zo leer je nog es wat. Een extra blikvangertje stond afgedrukt in een vrolijk omrand blokje met: ‘Heeft u spijt van iets wat u niet heeft gedaan?’ Kennelijk vermoedt de melkleverancier dat er tijdens het nuttigen van een glas uiervocht geen tijd is om het met wie dan ook te bespreken en daarom vermeldt het blokje een email-adres waar de gedupeerde haar of zijn verhaal kan droppen. Keukenproza avant la lettre. Het zou dan bij geschiktheid op een speciale site komen te staan. Voor de leuk! Ik was zo vrij. Hier mijn stukje. Ik werkte enige jaren als vrijwilliger in een filmwerkgroep. Eens per twee weken draaide er in het buurtcentrum van mijn woondorp een door het filmbestuur uitgezochte rolprent, steevast aangeduid als ‘cinematografisch verantwoord’. Dat was een breed begrip. Het waren meestal films die de gewone bioscopen links lieten liggen en in het alternatieve circuit of de filmliga terechtkwamen. Moeilijke, artistieke en niet zelden scabreuze films. Dat laatste was weleens een dingetje. Ik bracht regelmatig de ons toegestuurde raamaffiches voor de filmvoorstellingen naar een aantal winkels en ik herinner me dat er eens een duidelijk zichtbare blote borst op stond afgebeeld. Ik hing die affiches meestal zelf op, maar bij de volgende keer wilden enige winkeliers er geen ruimte meer voor inruimen. Ook eens gebeurde het dat er tijdens een nogal gewaagde scêne een al wat oudere man opstond en ‘das pure pornografie!’ roepend de zaal uitstiefelde. Onze werkgroep die alleen uit mannen bestond, werd op zeker moment aangevuld met een dame van ongeveer mijn leeftijd. Ik zal haar Lena noemen, want stel dit verhaal komt ooit op die bovengenoemde site terecht en ze zal het lezen… Ach, wie weet is ze al niet meer onder ons. We waren spoedig goed bevriend en kwamen zelfs bij elkaar over de vloer. Het zal mogelijk een film van Scola of Fellini, van Bergman of Fassbinder zijn geweest, waarin een zelfs voor ons tamelijk pikante scêne voor kwam. Het speelde in een grote stad. Rome, Milaan, Berlijn, Stockholm? Een nogal vereenzaamde man was door een vrouw uitgenodigd een avondje bij haar door te brengen. Hij mocht haar graag en het leek hem wel wat. Wat hij niet wist was dat zij een vriendin die als stripdanseres in een nachtclub werkte, ook uitnodigde. Het avondje ontaardde al spoedig in een wilde vrijage. Maar daar kreeg je als filmkijker uiteraard niets van te zien. Dat was voor sommige kijkers enigszins een domper. Tijdens het opruimen van het zaaltje ging Lena daar over door. Ik zei dat je dat aan de verbeelding moest overlaten, daar is kunst in bijzonderheid film voor bedoeld. Laat onverlet dat zij door het spel begeesterd was en verhit. Zó goed kende ik haar inmiddels wel al. En toen stelde ze plotsklaps voor straks bij haar thuis een afzakkertje te nemen. Ze was op de fiets en ging alvast vooruit. ‘Kom je dan zo?’ zei ze. Nadat ik alles had opgeruimd, zonk mij de moed in de schoenen. Ik wist precies waar het op uit zou draaien. Daarom belde ik naar haar huis. Stilzwijgend wegblijven leek me niet sportief. Ze nam op. Ik zei hakkelend dat ik niet zou komen. Een goede reden had ik niet. Op de achtergrond hoorde ik de giechelstem van een vriendin die op de filmavonden op de kinderen paste. ‘Slappeling’ hoorde ik zeggen. We hebben er naderhand nooit over gesproken. Misschien maar beter ook. Wat hadden we moeten zeggen? Maar in latere tijden, toen alleenheid mij somtijds de zin van het leven benam en ik met mijn innerlijke gevoelens geen raad wist, kreeg ik weleens spijt deze buitengewone kans te hebben laten liggen.

14.2.21 Einde Earring Schrik en ontreddering. Dat was wat ik voelde toen ik op het Journaal van vrijdag 5 februari hoorde dat George Kooymans ernstig ziek was en niet meer zou kunnen optreden. ‘Dat is het eind van de Golden Earring’, zei ik tegen mijn vrouw. Ze weet dat ze ingeval van sterfte van een van mijn idolen niet meteen hoeft klaar te staan met een teiltje, maar enige voorzichtigheid is wel op zijn plaats. Toen Herman Brood gelijk een brisantbom ten einde kwam, bagatelliseerde zij dit nogal. t’ Was een ouwe junk, so what, maar daar kon ik gevoelsmatig geen genoegen mee nemen. Ik had een deeltje ‘Brood’ van Bart Chabot gelezen, daar was mijn beeld van Herman niet beter door geworden. Niettemin had ik prachtconcerten van hem en zijn Wild Romance gezien. Memorabele, zelfs met Nina Hagen. Dat nam niemand mij af. En zijn dood mocht dan voorbeschikt zijn, dat maakte de schok er niet minder om. Ik was er, niet in het minst gevoed door de media, dagen door van mijn stuk. Van alle Nederlandse bandjes die ik vanaf mijn jeugd volgde en bezocht, was The Golden Earrings mijn favoriet. Ik zeg Golden Earrings, want dat was de naam vóór Barry Hay de overstap maakte van The Haigs naar The Golden Earring. Het is altijd wat lastig gebleven met die naam. In zinsverband bekt Golden Earring zonder The niet lekker en dus werd er meestal ‘de’ voor gezet. Later werd het voor de fans verkort tot de Earring. De eerste keer dat ik ze zag was het nog The Golden Earrings, met Frans Krassenburg als losse zanger en Jaap Eggermont als drummer. Kort daarna volgde de wissel en werd hun geluid ook veel harder. Vooral de show met de bassolo van Rinus Gerritsen in Eight miles high was spectaculair. Ik heb ze in die tijd regelmatig gezien. Ik was toen nogal ijverig om de artiesten die ik adoreerde ook te willen spreken. Van handtekeningen ben ik nooit geweest. Met Rinus Gerritsen en Jaap Eggermont lukte dat in het begin heel goed, maar naarmate de populariteit steeg, vluchtten de heren steeds vaker meteen na hun optreden -of zoals in het begin na een set- naar de kleedkamer en daar had ik niks te zoeken. Jammer dan. Een popjournalist zat er niet in. Toen langzamerhand mijn muzieksmaak veranderde, bezocht ik steeds minder vaak pop & rockconcerten. De laatste keer dat ik de Earring heb gezien moet ergens eind jaren tachtig zijn geweest. Ook de theatertours van de Earring heb ik nooit bezocht. Is dat achteraf jammer? Nee, niet echt. Ik was geen diehard fan zoals ik onlangs las over iemand die zo’n 500 lp’s & cd’s van de Earring heeft (alleen al van Moontan met de wereldhit Radar Love uit 80 verschillende landen) en alle mogelijke boeken & krantenknipsels. Ook van Bob Dylan ontbeer ik die verzamelwoede. Wél krantenknipsels en een aantal boeken, maar de toch al royale muziekcatalogus is mij voldoende. De Earring is toch een niet onbelangrijk vakje in mijn collectief geheugen, dat bleek wel hoe ontdaan ik door dat nieuwsbericht over gitarist George Kooymans was. ‘Je weet dat ze een keer stoppen’, hoorde ik iemand die dag op de radio zeggen. En je weet ook dat als iemand van de band er mee wilde stoppen, je dat ook meer dan reëel moest vinden. Die jongens zijn 72/73. Mogen ze? En dat als er ééntje zou willen stoppen, dat de rest dan ook zou stoppen. Dus geen junior invaller. De Earring is George, Barry, Rinus & Cesar. Punt. Tuurlijk, wist iedereen dat. Ik ook. En toch… Het alleraardigste van de Earring is misschien wel dat ze in tegenstelling tot al die stoere Amerikaanse en Engelse bands die constant on tour waren, na een paar weken Amerika al heimwee kregen. Dat is toch heerlijk!! Voor zulke eigenheimers moet je een standbeeld oprichten. Alleen al hiervoor zouden zij de jaarlijkse popprijs hebben moeten krijgen. Omdat ze zo oer-Hollands zijn. Dat dit niet gebeurd is is een schande. Wie weet komt er ooit nog eens een Golden Earring-parkje in Den Haag.

11.2.21 Verkeerd lichaam Ik blijf het een wat rare en ook onaangename uitdrukking vinden: geboren zijn in een verkeerd lichaam. Ik las er zo-even iets over in een al wat ouder nummer van mijn krant. Een populaire make-upartieste en influencer, waar er tegenwoordig geloof ik meer van zijn dan goeie bouwvakkers of installateurs, had onlangs via deze ik zal maar zeggen ‘sympathieke weg’ haar volgers laten weten dat ze regelmatig belaagd werd door een kennis die haar vroegere geslacht wereldkundig wilde maken, tenzij zij een bepaald niet onaanzienlijk bedrag op zijn rekening zou storten. Ploertige chantage dus. Krachtdadig had ze daarop een filmpje de virale wereld in geslingerd, waarin zij haar verandering van jongen naar meisje bekend maakte. Dat niemand dat wist verbaasde mij bij het zien van haar foto. Deze outing zorgde voor veel commotie en maakte van haar een niet alleen voor vloggers bekende Nederlander. Klasse dat zij haar kwelgeest het nakijken gaf. Maar wat is er nu zo verkeerd aan geboren te worden als een jongetje, maar het gevoel te hebben een meisje te zijn en liever met meisjes dan met jongens te spelen en zich ook als een meisje te willen kleden en te gedragen? Alles, zal hij/zij zeggen. Pesterij en spot ligt op de loer. Op zeker moment zal het kind -of misschien inmiddels oudere- de wens uiten die andere ik te willen worden, niet langer twee ikken te willen zijn en dat zogeheten verkeerde deel rigoureus te willen afsnijden. Dat klinkt eenvoudiger dan het is. De wereld zou er al een stuk beter uitzien als er geen regels zouden bestaan hoe leden van het mannelijk geslacht, respectievelijk van het vrouwelijk geslacht, zich moeten kleden. In vroegere tijden moeten beide geslachten er ongeveer gelijk hebben uitgezien. Het tweepijpige kledingstuk dat wij kennen als broek, is een vinding van de vroegste herders uit de streek dat we nu kennen als Iran/Irak. Wie echter volhoudt dat het hoeden van bijvoorbeeld schapen en het scheren ervan een specifieke mannenbezigheid was, krijgt steeds minder gelijk, nu archeologen onlangs vondsten hebben gedaan waaruit blijkt dat de rollen bij die volkeren helemaal niet zo gescheiden waren. Het zou dus best kunnen dat de broek een uniform kledingstuk was. Waarom verdedig ik deze zienswijze? Ik heb er geen associatieve binding mee. Ik heb mij nooit publiekelijk in kleding van het andere geslacht vertoond, maar had evenmin iets met mannelijke stoerheid. Maar ik was wel stikjaloers op de toen door menig meisje gedragen kleppers. Waarom mochten jongens die niet dragen, vond ik. In zekere gevallen beter dan klompen. Ik hield mij zonder het te weten op in het grensgebied dat men tegenwoordig fluïde noemt. Zou ik het hebben aangedurfd, als de kans zich toen zou hebben voorgedaan, mij er op het schoolplein mee te vertonen? Je moest wilde je meedoen behoorlijk stevig in je eh… schoenen staan. Verder dan die vrolijke klepperdekleppers ging mijn meisjeskledingliefde niet. En toch, ik vraag me af, was ik echt de enige? Ik heb nooit een schoolvriendje getroffen die dit naar mijn weten ook had, hoewel ik er natuurlijk ook naar vroeg. En het waaide over. Enige jaren geleden kocht ik in een opwelling een legging. Het was ijzig koud weer. We waren in Coevorden naar de synagoge geweest. Er was een tentoonstellinkje over de vroegere Joodse gemeenschap alhier. Op oude foto’s zag ik Joodse mannen helemaal in het zwart, van hoed tot kousen en schoenen. Iets later liepen we langs een bekende schoenenreus. Mijn vrouw stapte naar binnen. Ik ook. ‘Oeoeh, lekker warm’, zei ik. Meteen vooraan in de winkel stond een rek met leggings en maillots. Ik liep er al bijna aan voorbij. Toen zag ik in een flits het opschrift for her & him. Huh! Op zich geen bijzonderheid. Met dat koude weer en schaatshonger in de lucht wil een mens niets liever dan zich goed inpakken, maar ik had die aanduiding nog nooit eerde gezien. Ik eventjes van slag. Ik heb nogal eens last van koude bovenbenen. Dit zou een oplossing kunnen zijn. Ik weifelde en maakte er gewag van bij mijn vrouw die zich elders in de winkel bevond. ‘Tuurlijk, moej gewoon doen!’, zei ze. En alzo kocht ik die middag van elk een paar. Toch kreeg ik toen ik ze thuis voor het eerst aantrok het gevoel iets uit te spoken wat niet hoorde en zag ik de woorden voor me van een bekende sportcolumnist die toevallig diezelfde week sneerde zich in geen geval in een voor vrouwen bedoelde legging of -nog erger- maillot te steken. ‘Vriezen mij de benen ‘d eraf, dan is dat maar zo’, pochte hij. Maar uit tal van berichten en meerdere boeken weet ik hoe moeilijk de voor echt door willen gaande man het tegenwoordig heeft. Hij hoeft helemaal niet in de war te raken door zich warm aan te kleden, zelfs al zou hij de garderobe van zijn eega er voor een keertje op aanspreken. Met carnaval of zomerse dorpsfeesten gooit hij wat dat betreft zonder enige moeite alle remmen los, want dan mág het. Niemand kijkt ervan op. Ze kennen zijn fratsen. Mensen, kinderen vaak nog, die zich opgesloten voelen in een verkeerd lichaam, moet deze tot jolijt aanzettende exploitatie een gruwel zijn. En ik bedoel nog niet eens dat die machomannen zich in deze dagen als rondborstige Beiersen (dirndls) manifesteren, maar hoe ze ná het feest weer gewoon doen en hetgeen afwijkt van hun burgerlijke norm nawijzen of zelfs belachelijk maken. Ik heb te doen met mensen, die zich moeten inhouden voor de regels van deze wrede buitenwereld. Want de transitie van man naar vrouw (en andersom) is één, maar de acceptatie van de omgeving als hij of zij de straat op gaat, is twee. Daar is geweldig veel moed voor nodig. Die zou ik nog niet voor één zo’n klepper hebben gehad.

8.2.21 Bewegend vlees Ik ben geen vogelaar. Dat heb ik ook nooit beweerd, maar ik wil het toch even zeggen, omdat ik weleens een vogel bij naam noem en dan denkt u als lezer misschien dat ik een kenner ben. Bepaald niet. Nou ja, enige kennis bezit ik wel. Ik ken de soorten vogels die onze tuin bijna dagelijks bezoeken. Dat durf ik gerust te zeggen en als er zich een nieuweling aandient en ik ken het niet, dan zoek ik het op in Het Beste Vogelboek of via een vogelsite. Nu met de berg sneeuw en strenge vorst en onze royale vogelvoedselstrooierij trekt het ineens van alles aan wat normaliter onze tuin met opgetrokken snavel passeert. De kool- en pimpelmezen, vinken en mussen zijn als gewoonlijk paraat. Daarnaast de roodborst, het winterkoninkje, twee spechten, een boomkruiper, enige houtduiven, een vlaamse gaai, een kraai en een paar merels. Dat is zo ongeveer het clubje dat ik elke dag zie. Mogelijk vergeet ik nog iets. Maar ineens zie ik ook viertal goudvinken, kort erop een fazanthaan, een ekster en nog een paar bladverspreiders die ik zo gauw niet thuis kan brengen. Vóór ons huis aan de slootwal staat als zo vaak een reiger en iets verderop foerageert een paartje nijlganzen. Mijn vrouw is sterk begaan met de dieren in het open veld en oppert die arme beesten ook wat te geven. Maar wat? Het zou wat zijn met een emmertje haring op pad te gaan. Op mijn dagelijks rondje zie ik dan nog de nodige ganzen, wilde zwanen, zilverreigers en zo nu en dan een buizerd. Dat is het wel zo’n beetje. Waarom zeg ik dit? Ik hoorde vanmorgen op de radio een leutige presentator lallen over dat wij onze gevederde tuinvrienden moeten bijvoeren. Daar is niets op tegen, maar op de vraag van een collega of hij verstand had van vogels, zei hij ‘Nee, ik kan nog geen meeuw van een mus onderscheiden’. Hij zal licht hebben overdreven, het allitereerde lekker, maar het is denk ik beroerd gesteld met ’s mensens vogelkennis. Ik zou graag willen dat kinderen op de lagere school op z’n minst een vijfentwintigtal vogels moeten leren kennen. Dat is in alle opzichten véél nuttiger dan de stelling van Pythagoras of wanneer en waar zeg Floris V is vermoord. Nu ik dan toch bij de kou ben aanbeland en evenzo bij de pedagogie, zou ik in hetzelfde lespakket ook aandacht willen vragen voor de verzorging van onze huisdieren en het goed onderbrengen ervan. Dat blijft een voor veel dierenbezitters veronachtzaamd thema. Het laat velen koud hoe hun paard(en), schapen of andere dieren deze pooldagen en vooral nachten doorkomen. Van Staatswege dient iemand die tot de aanschaf van een dier wil overgaan aan te tonen dat hij of zij over een degelijk onderdak beschikt om het dier (of dieren) tegen felle zon, tegen vocht en tegen koude te beschermen. Heeft de potentiële koper deze mogelijkheid niet, dan mag hij of zij geen dier bezitten. Punt! Ik zou daar zeer streng in zijn. Stelt men ter verdediging dat de ons omringende landen deze wetsregel niet kennen, dan zal ik ze zeggen dat die landen het schompes kunnen krijgen en dat ik uitsluitend voor de dieren spreek en niet voor het genot van de eigenaren. Voor veel mensen is het houden van met name staldieren bovendien enkel een geldkwestie. Daarom ben ik ook voorstander van het kweken van vlees in laboratoria. Hiermee voorkomt men onderliggend lijden en kan men toch genieten van een biefstuk of een blinde vink. En zo ben ik via een ommetje weer terug bij onze fladderende tuinvrienden. O, zie ik daar niet een groepje lijsters? Ja zeker! En verderop een paar groenlingen? Nee hoor, ik noem mij geen vogelaar en dat wil ik ook graag zo houden.

6.2.21 Vergulde middenweg Vanmorgen tegen halftien ging ik met Rossi op pad. Ik wilde gaan lopen bij de Hunze, maar merkte dat Rossi niet in zijn mandje op de achterbank ging liggen, een teken dat hij moest plassen of poepen. Bij het vroegere pompgemaaltje aan de Elzemaat parkeerde ik en stapte uit. De harde wind blies me bijna omver. Ik wilde wel even bij het gemaaltje kijken, maar ik had amper het klaphekje dat het natuurgebied omgeeft geopend, of er stopte een Volvo stationcar. Het raam aan de bermkant ging open en iemand riep iets naar mij. Daar ik het door de wind niet verstond, liep ik terug. Ik trok het hekje weer toe. ‘Wat zegt u?’ zei ik tegen de bestuurder, een jonge vrouw. Op de achterbank handzwaaide een wurmpje vanuit haar zitje. ‘U mag daar niet met de hond in. Dat is verboden. Wij hebben daar koeien lopen en die krijgen daardoor schadelijke bacteriën binnen’, riep ze. ‘O’, zei ik ‘maar dat geldt toch alleen voor het broedseizoen?’ ‘Nee, dat geldt altijd’, zei ze nu duidelijk geïrriteerd. ‘Ik loop er wel vaker, over de dijk en dan ruim ik meteen blikjes en andere rommel op’, zei ik. ‘Dat is hartstikke goed, maar u mag daar niet met de hond lopen. Wel alleen’. Maar ik loop nooit alleen. Als ik loop, dan met mijn hondje. Ik zei dat ik het niet meer zou doen. Ze sloot het raam en reed verder. Ik voelde me een beetje betrapt, want ik probeer het juist altijd goed te doen en stoor me aan het foute gedrag van andere mensen. Zo zie je maar. We liepen de straat een eindje af en gingen terug. Het was ijzig koud. Daarna reed ik naar de Bulten en liep daar nog een stukje. Rossi deed onderwijl zijn poep en plas en we gingen terug. Het zinde me niet dat die mevrouw, die overigens volledig in haar recht stond, want ik had het bordje voor de zekerheid op de terugweg even gelezen, mij nogal korzelig had toegesproken. Ik had nog kunnen laten vallen: ‘Maar nú toch niet?’ Ik bedoelde dat er nú toch geen koeien lopen en dat er in hetgeen mijn hondje zou laten vallen door de verwachte strenge vorst geen enkele bacterie het voorjaar zou halen. Dat deed ik niet. Want we eten vlees, onder andere koeienvlees. Niet veel, maar toch… Ik heb bovendien geen hekel aan boeren. Waarom zou ik? Elke dag rijden er trekkers en landbouwwerktuigen langs ons huis om ons via een grote omweg van voedsel te voorzien. Dat prijs ik zeer. En toch heb ik ook zo mijn kritiek. Want vanwege het dierenleed en vanwege de stikstofschade die voor een niet onbelangrijk deel door de grootschalige dierenhouderij wordt veroorzaakt, eten wij steeds vaker plantaardige burgers. Die bestaan uit onder andere soja. 27% zegt de wikkel, die ik hiervoor uit de oudpapierdoos heb gelicht. Maar kort geleden las ik dat consumptie van Nederlands vlees milieutechnisch gezien niet schadelijker is dan het vanuit Zuid-Amerika geïmporteerde soja om nepvlees van te produceren. In de berekening was het verwoesten van het Amazonegebied voor de verbouw van soja en andere oerwouden op de wereld voor de verbouw van palmolie meegenomen. Dat de veeboer die dit vertelde zijn aandeel in de soja voor zijn koeien niet meetelde, wil ik hier niet onvermeld laten. 100% eigen voedselteelt is voor de doorsnee veeboer namelijk bijna niet mogelijk, omdat het hem/haar aan voldoende grond ontbreekt. Vandaar ook de roep van hogerhand om de veestapel in te krimpen. Of dit bij het bedrijf waarvan de eigenares mij aansprak ook het geval is, weet ik niet. Aan de Elzemaat groeien ieder jaar grote percelen mais. Daar zouden die tientallen koeien van haar een heel eind mee kunnen komen. Ik heb het natuurlijk niet over de miljoenen megaburgers van al die foodrestaurants, waarvoor een nog veel groter deel van die oerwouden moeten wijken. Een oplossing is: Strikt biologisch veganistisch voedsel – geen alcohol, tabak of narcotica – geen houtstook of onnodig gemotoriseerd bewegen en vooral niets extra’s zoals opschik en versieringen voor huis, tuin en lijf aanschaffen. Je maakt jezelf daarmee mogelijk het lijdend voorwerp van spotternij. Het vereist een hele sterke wil. Ik respecteer dat enorm maar ik houd het voorlopig op de vergulde middenweg.

5.2.21 Een briljant ‘kinderboek’ Bij een vorige videotelefoongesprek met het clubje dorpsgenoten, liet ik mij ontvallen dat ik een liefhebber van het werk van Multatuli ben. Dat is niet onwaar, maar ook een gevaarlijke bekentenis. Ineens staat er iemand achter je die je met haar/zijn kennis volledig van de sokken blaast. Want al ik ben: beslist geen multatuliaan! Ik trok na deze ontboezeming meteen het boetekleed aan en liep het rijtje uitgaven van een van mijn favoriete schrijvers langs. Allemaal gelezen, behalve Woutertje Pieterse. Wel ooit aan begonnen, maar weggelegd. Mogelijk omdat ik het een kinderboek vond, hoewel die door volwassenen ook prima te lezen zijn. Wonderlijk, want alleen al de eerste hoofdstukken, waarin meester Pennewip met grote schrik het Roverslied van Woutertje onder ogen krijgt en juffrouw Laps laat weten dat ook zij tot de orde der zoogdieren behoord, heb ik bijna hardop lachend gelezen. Daarna moet ik het hebben weggelegd. Woutertje Pieterse was niet voorbestemd een op zich staande roman te worden. Het vormt een onderdeel van de Ideeën, dewelke zou bestaan uit ‘Vertellingen, geschiedenissen, toneelstukken, verhalen, herinneringen, parabelen, opmerkingen, romans en stukjes van verscheiden aard’, zoals de schrijver bij aanvang aangeeft. Ik vat het even kort samen. Uiteindelijk werden het zeven delen en binnen dit raamwerk vormt Woutertje Pieterse een belangrijk onderdeel. Pas in 1890 is het als op zich staande roman uitgebracht. Gisteravond heb ik het uitgelezen. Ik heb er om de avond lezend twee weken over gedaan. Het is met de vele oude uitdrukkingen en uitheemse woorden bijna een studie, maar zeer de moeite waard. Sterker nog: ik vind Woutertje Pieterse niet minder dan zijn bekendste boek Max Havelaar. In bepaald opzicht zelfs beter. Een gedurfde uitspraak? Misschien wel. Nooit eerder las ik een boek van een Nederlandse auteur waarin hypocrisie en kortzichtigheid, blaaskakerij en hoogmoed zo subtiel maar soms ook onomwonden worden aangepakt als in dit boek. Maar oké, het is een kwestie van smaak. De persoon Multatuli, voor de burgerlijke stand Eduard Douwes Dekker, was in het leven denk ik geen aangename man. Als ik van zijn zwalkerijen had geweten, zou ik de pest aan hem hebben gehad. Hij maakte vaak amok, liet hotelrekeningen onbetaald, had grote speelschulden en hield er naast zijn vrouw Tine met medeweten van haar een liefje op na. Zij en hun twee kinderen hadden zich er maar naar te schikken. Hij probeerde zijn belangrijkste roeping na te komen, namelijk: mens te zijn, en dat buitte hij ten volle uit. Daar mocht een ander kennelijk onder lijden. Zulke doerakken zullen nooit mijn vrienden worden. Maar goed, hij schreef en dat dient gezegd, prachtige stukken, laat ik het daar op houden. En hij heeft het Nederlandse volk en dan met name de Droogstoppels, de Ouwetijds & Kopperlith’s en vele andere personages ‘die zo bijzonder fatsoenlijk zijn’ tot stereotiepen gemaakt en ze een allesverzengende spiegel voor gehouden. Of de dommeriken hun doorlopende geblunder hebben ingezien is zeer de vraag. De wereld is er sinds Multatuli namelijk niet beter op geworden. Er zijn staatslieden wier vermogen tot nadenken alreeds halverwege het embryonale stadium is gestopt. En daar moet je, om Woutertje Pieterse na te spreken, de strijd mee winnen.

3.2.21 Een pareltje Het leven hangt van toevalligheden aan elkaar, daar helpt geen lieve Vadertje aan. Zo af en toe verlaat ik weleens het geëffende pad, maar ik keer steeds zonder dwang of drang terug en loop dan tegen die niet voorziene toevalligheden aan. Dat kun je, lijkt me, niet toeschrijven aan een voorzienigheid. Zo was ik vanmiddag bezig een doos oude cassettebandjes na te kijken om ze eventueel daarna weg te doen, toen ik op eentje stuitte waar ik jaren geleden de lp Rainman van Frank Nuyens op had gezet. De reden dat ik het had overgetapet was omdat ik de plaat grijs gedraaid had en het met behulp van alcohol had gereinigd om het daarna op een bandje te dupliceren. Ik heb het daarna nog regelmatig gedraaid. Toch kwam het bandje op een onbewaakt moment in de voorraaddoos terecht. Er waren in de hoogtijdagen van de hifidelity snobs die hun lp’s meteen na aanschaf op tape zetten en de plaat als verzegelden. Zo ver ging mijn luisterliefde niet. Maar Rainman was me zo dierbaar dat ik het niet verborgen wilde houden tussen de vele andere grijs gedraaiden, vandaar deze noodgreep. Ik draaide het als een teruggevonden juweeltje. Een golf weemoed overstroomde me. Wat toch een prachtplaat! Ik plukte het orgineel uit de platenkast. Het aardige met de voorwerpen die ik bezit en dat zijn voornamelijk platen en boeken, is, dat ik van heel veel nog precies weet waar en wanneer ik ze verkregen heb. Die plaat van Frank Nuyens bijvoorbeeld heb ik gekocht op 21 januari 1973 (heb ik erop geschreven) bij André’s Platenbar aan de Marktstraat te Assen. Dit laatste staat er niet op, maar dat weet ik. Ik kwam af en toe bij André’s en trof er soms Harry Muskee, die toen door iedereen nog Cuby werd genoemd. Dat was niet bij de aankoop van deze plaat het geval, maar wel bij de aanschaf van Jack-knife Gypsy van Paul Siebel. Dat weet ik nog goed. ‘Das’n goeie plaat’, zei Harry. Voor mij een soort verzekering dat ik geen rommel kocht. Frank Nuyens was gitarist van de uitermate ruige Haagse beatgroep Q65. Hoewel ik in die jaren verwoed de Nederlandse beat- en bluesmuziek volgde en ook veel bandjes meer dan eens heb zien optreden, heb ik de Kjoe helaas gemist. Na een verschrikkelijk slecht optreden bijgewoond te hebben van hun even ruige en rellerige tegenhangers The Outsiders uit Amsterdam, wilde ik niet nog eens zo’n debacle meemaken. Tenslotte kostte een toegangskaartje voor een muziekmiddagje ‘Parkzicht’ in Veendam 3gulden50. Je had daar dan wel een toporkest (zoals de advertentie in de zaterdagkrant altijd keurig vermelde) als The Sandy Coast, Tee Set, The Motions, Golden Earring, The Shoes, The Ro-d-ys, Cuby & the Blizzards et cetera voor. Plus soms een extra act, zoals Armand of Boudewijn de Groot, de eerste optredens van Earth & Fire in het programma van de Golden Earring en Assers trots The Sound of Ymker in het programma van C+B. Nu kun je er om lachen, nu betaal je grif het tienvoudige voor een avondje Kayak of Jan Akkerman’s Brainbox in een keurige theater, maar ik had in die dagen hooguit 5 gulden per week te besteden. Dat ik de Kjoe nooit heb gezien is dus een jammerlijk hiaatje. De meeste leden van de band zijn inmiddels al gaan hemelen. Mogelijk bevinden Frank en Peter Vink zich nog beneden. Frank was vermoed ik de rustigste van de Kjoe. In 1971 nam hij zoals veel van zijn vakgenoten in die dagen, een soloplaat op. Het week totaal af van het werk van de Kjoe. Na Q65 trad hij toe tot het gezelschap Red,White & Blue van… Harry Muskee en weer later vormde hij met ex-C+B-gitarist Eelco Gelling een tijdje The Freelance Band. Ik heb beide bands enige keren gezien; de eerste onder andere op Lochem-Pop en de tweede tijdens de Giethoornse Bluesdagen, begin jaren tachtig. Daarna werd stil rond hem. Maar met Rainman heeft hij een monumentale plaat afgeleverd. 50 jaar geleden opgenomen en onverslijtbaar. Nou ja, dat is te zeggen….

1.2.21 Bloeddoorlopen oog Ik heb een bloeddoorlopen oog; het linker. Ineens. Zaterdagavond nog niets aan de hand. Nog in een boek van schrijver/bioloog Leo Vroman over bloed zitten lezen, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is. Niet dat bloed mij interesseert, verre van, maar Vroman kon prachtig over zijn onderzoek naar de bouwstoffen van bloed en de werking ervan schrijven. Een en ander verfraaid door maffe tekeningetjes en gedichten. Leo Vroman was een veelzijdig en groot talent. Toen ik de volgende ochtend wakker werd, voelde ik iets in mijn oog. Kan een stofje zijn, dacht ik nog. Ik stond op en keek in de spiegel. Mijn linkeroog was o schrik helemaal rood doorlopen! Het wit was knalrood. Ik zag er wel normaal mee. Een adertje gesprongen, was mijn eerste gedachte. Ik zocht op google bij ‘Bloeddoorlopen oog’ en kreeg het geruststellende antwoord ‘Niets aan de hand. Gaat uit zichzelf weer over’. Mooi, dacht ik. Maar in de zomer van 2017 spoot er op zeker moment ineens een straaltje bloed uit mijn penis. Zomaar ineens. Ik was eerder verbaasd dan geschrokken. Had ik toen meteen contact gezocht met de huisarts en die meteen met de internist, dan had het misschien niet tot de totale penectomie hoeven komen. Dan was het misschien gebleven bij een partiële penectomie of in gewone taal: een gedeeltelijke amputatie van de penis. Nu werd naast het plaveiselcarcinoomgezwel een gevaarlijk kankercel ontdekt en moest de hele boel eraf. Oei! Wat zo klein was begonnen, groeide uit tot een drama. Hetzelfde zou kunnen gebeuren met mijn oog. Eenmaal kanker, altijd kanker, leerde ik mij aan. Er bestaat al een eeuwenoude ziekelijke (of moet ik het morbide noemen?) relatie tussen ’s mans geslachtsorgaan en zijn gezichtsvermogen. Vroeger werd men door een geslachtsziekte blind, evenals door onanie. Dat was de duivelse mare. Natuurlijk was dit een gemene schrikaanjaging om het mannenvolk uit de hoerenbuurten en van het solistisch beroeren af te houden. Edoch; had zich door mijn kankervrij verklaard lichaam toch een kwaadaardig celletje naar boven gewerkt? Dat leek me helemaal niet onmogelijk. Straks moet mijn linkeroog eruit en mag ik als een 21-eeuwse Moshe Dayan mijn laatste levenskwart volmaken. Vanmorgen toch maar even contact opgenomen met mijn huisarts. Vanwege het gevaar voor coronabesmetting hoefde ik niet te komen. ‘Stuur maar even een foto van uw oog op’, zei de assistente. Dat deden we. Ik kreeg zo-even bericht terug dat het een normale oogbloeding betreft. ‘Adertje gesprongen. Komt vaker voor. Geen reden tot zorg’, zei ze. Ik ben weliswaar opgelucht, maar dat begrip ‘adertje gesprongen’ ligt nog aardig koud op mijn maag. Er gebeuren dingen in het lichaam waar ook wijlen Leo Vroman geen weet van had en waar de moderne wetenschap zich mee blijft bezighouden. Gelukkig wel.

31.1.21 Over consuminderen 2 Al enige maanden weinig tot niets kunnen kopen. Niet dat het nodig was, maar ik was er zo aan gewend eventjes bij de Action of de Hema binnen te lopen. Niet eens om bewust iets te kopen, misschien toevallig iets te scoren, iets wat nodig zou kúnnen zijn. Want afgezien van voedsel zijn we weinig nodig. Alles is aanwezig. Pannen, potten, noem maar op. We zouden lange tijd zonder al die winkels kunnen. Maar het is het extraatje na de Jumbo of de Lidl. Een soort toegevoegd cadeautje. En vanwege het ommetje. Je bent er nu eenmaal toch – het geld moet rollen – wie weet loop je tegen iets onontbeerlijks aan. Zulke redenen lieg ik mezelf voor. Want ik weet heus wel beter. Ik ben wat dat betreft niet anders dan wie ook. Tenzij je een vrek bent en elk ding tot op de draad verslijt. Daar is de maatschappij niet op ingesteld. De eerste weken waren nog even lastig, daarna begon er iets van gewenning te ontstaan. En na weer een tijdje dacht ik: Ach, ik ben al die zooi ook niet nodig. De wereld wordt overstelpt door wanstaltige troep. Dát zouden ze van hogerhand eens moeten aanpakken, dacht ik, en zag weer de beelden op de televisie van een kledinginzamelbedrijf dat zich bijna geen raad meer weet waar ze met al die balen van 500 kilo elk naartoe moeten. ‘We kopen veel te veel kleding’, zei de licht wanhopige directrice van het bedrijf. Door de coronacrisis leerden we ook de ware betekenis van het woord essentieel kennen. Essentieel zijn voedsel en medicijnen, verder bijna niets. Kleding niet? Nee, kleding hebben jullie genoeg, fluisterde de minister in ieder’s oor. Ik neem in die plezierige omloopjes ook weleens iets extra’s mee, al beschouw ik mij geen veelkoper. ‘Draag alles wat je in de kast hebt hangen eerst maar eens af en kijk dan eens weer’, echode onze MP. Ik begon uit een soort van schaamte meteen mijn garderobe na te lopen en vond er (gelukkig) weinig overbodigs tussen. Niet essentieel zijn ook de boekenwinkels. Net als de kleding-online-winkels, doen ook de boeken-online-winkels goede zaken. Stenen winkels hebben het moeilijk. Ik heb boeken genoeg om 100 jaar oud te worden, maar een boekenwinkel in een dorp of stad loop ik zelden zomaar voorbij. Moet die minister nu ook zeggen: ‘Beste lezers, lees nou eerst al die boeken maar eens uit die je in een opwelling hebt gekocht en waar je zogenaamd nog steeds niet aan toe komt’? Het is waar, er zijn weinig boekenkopers die alles wat ze in de kast hebben staan ook werkelijk hebben gelezen. Maar doet dat er toe? Je wilt van je geliefde schrijver toch alles hebben, wetende dat je er misschien wel niet door komt. Maakt het verschil of iemand zijn of haar kast met 100 boeken vult of met 100 paar schoenen? In wezen niet. Het is in beide gevallen veel. Omdat onze jaren gaan tellen (samen zijn we bijna 130) en wij mogelijk in de toekomst verhuizen naar een bewinkeld dorp, zullen we noodgedwongen moeten scheiden van een deel van onze inboedel en dat betekent vrijwel zeker enige boekenkasten met inhoud. Met deze gedachte voor ogen overwoog ik onlangs de 100 geliefdste boeken uit mijn verzameling te selecteren en het daar de rest van mijn leven mee te doen. Maar ik ging stiekem sjoemelen. Bijvoorbeeld: Voskuils ‘Bureau’ (7 banden) is eigenlijk één boek, evenals de ‘Ideeën’ van Multatuli en al die boekenweekgeschenkboekjes konden best wel onder één nummer mee. Eén doos meer of minder kon geen kwaad. Men dient zaken als deze met coulance te behandelen, niet te hard zijn voor zichzelf. Het was niettemin een duivels dilemma. Of ik het ooit ga en kan doen is dus de vraag. En er is vast en zeker een zeer geliefde honderd-eerste boek en wat doe je dan? Alzo zijn negen van de tien huizen tjokvol met niet direct noodzakelijke waar-men-geen-afstand-van-kan-doen spullen. Het consumentisme draait ons voortdurend een loer. Het kan niet wachten de deuren weer te openen en ons verblind op de rekken ballast af te zien rennen.

29.1.12 Haagse bronnen Een vriend van mij die woonachtig is in Den Haag, verstrekt mij zo nu en dan de jongste plannen ter bestrijding van het coronavirus. Ik heb mij in mijn stukjes tot op heden weinig met deze ongrijpbare ziektemaker bezig gehouden. Deels omdat het land er zo verdeeld door is geraakt; je weet niet hoe je kennissen en vrienden over de kwaadaardigheid van de ziekte denken. Ik ben nu eenmaal een mens van goede wil en houd graag iedereen te vriend. Dat is een zwakte, ik geeft het eerlijk toe. Voorts lijkt het me nuttig om de opgelegde quarantaine tot een lifestyle-stroming te verheffen, net zoals jaren geleden een tijdje het cocoonen zo in was. Hierop vooruit lopend houd ik mij liever schuil. Al wat de mens niet bereisd en buitenshuis verteerd is vanuit milieuoogpunt immers pure winst. Maar goed, ik kreeg weer een mailtje van mijn goede vriend uit het Haagse. Omdat hij nieuwsgierig van aard is, begeeft hij zich iedere ochtend al op tijd naar de Ridderzaal, want daar gonst het van de geruchten. Geruchten die de nieuwsgeile journaille veelal vanaf de fiets van onze MP als confetti krijgt toegeworpen. Soms zijn ze waar, meestal is het aanzet. Zo wist hij in november al te vermelden dat er hoe dan ook een avondklok zat aan te komen, maar dat het kabinet het over Sinterklaas heen wilde tillen, daarna over Kerst en ten slotte over Oud en Nieuw. Om onrust te voorkomen. Dat is natuurlijk slap vertoon. Ze keken eerst de kat uit de kastanjebomen van België, Frankrijk en Duitsland en half januari leek het de heren en dames de beste tijd ons er ook maar voorzichtigjes aan te wagen. Dat was fout ingeschat. Evenzo het op afstand winkelen. Om lokketbesmetting te voorkomen, dienen afhalers van de producten vanaf heden 3 meter afstand aan te houden. Die anderhalve meter was een lachertje. Een beetje roker hoest makkelijk tweeënhalve meter weg, vandaar. Ook wil het kabinet een zoenverbod in stellen. Dat wordt nog lastig, want zoenen laat zich lang niet altijd zien. Men dacht met de avondklok al een groot deel van het stiekeme zoenen onder controle te hebben. Haagse bluf, bleek al spoedig. Geliefden zoeken elkaar om negen (21.00) uur ’s avonds gewoon op en blijven tot het verstrijken van de spertijd binnen. Omdat een ieder slechts 1 bezoeker mag ontvangen, is een betere dekmantel tot ongeremde vrijerij en kans op zwangerschap niet denkbaar. Dit nu zag het kabinet te laat in en daarom heeft de afgevaardigde van de CU gesteld dat ook het vrijen nog slechts op een afstand van 3 meter mag gebeuren. D66 en Groen Links vonden dit te ver gaan en wilden het vrijen toestaan enkel met gebruikmaking van een mondkapje. Ook het penetreren is uit den boze. Dus… Daar had de SP dan weer moeite mee. Als aan die laatste voorwaarde niet wordt voldaan, kán zich dit aan het einde van het jaar in de vorm van een nakomeling(en) laten zien en zullen de gelukkige ouders zich hiervoor met terugwerkende kracht moeten verantwoorden. Wordt het een boom, dan zal een enquêtecommissie zich er later over buigen. Er wordt in de wandelgangen al melig gesproken van een Vierde Golf. Voor wat betreft het carnavalsgebeuren wil met name het CDA coulance betrachten. ‘Je moet af en toe de teugels kunnen laten vieren’, oreerde de lijstaanvoerder op het plein van het Binnenhof, sindsdien het Voorhof genoemd . Voor het Pasen zal worden gezocht naar een oplossing. Mogelijk wordt het uitgesteld tot augustus, omdat augustus wat betreft religieuze feestdagen nogal armoeiig is. En met een hittegolf in het vooruitzicht kan het uitgroeien tot een feest van Braziliaanse proporties. Mits uiteraard het virus tegen die tijd is gesmoord. Zo zie je maar welk een winst het oplevert een vriend te hebben die zich zo dicht bij de bron van het landsbestel bevindt. Een verre vriend is in dit geval beter dan een onwetende buur.

27.1.21 Punten scoren Korte tijd na het aanleggen van de glasvezelkabel, kwam er een controleur van het bedrijf dat de kabel in ons dorp exploiteerde om te vragen of alles naar wens was gegaan en of we toevallig nog klachten hadden. Klachten bij de aanleg en/of bij de werking en de ontvangst van de zenders en van internet. Het was een zo op het oog niet onaardige man van een jaar of 40, gezonde postuur en stevig op de voet. De eerste aanblik deed me vermoeden dat hij al de nodige sores achter de knopen had. We hadden de vezeloorlog op het scherpst van de snede uitgevochten en waren er klaar mee. We hadden beeld en ofschoon het elke dag wel een paar keer uitviel, verzwegen wij angstvallig onze ergernis hierover. Ook de vernielingen aan de plint en de vloerbedekking hadden we mee begraven. We zouden het er nooit, maar dan ook nooit meer over hebben. Toen kwam die man en die vroeg zoals zijn beroep dat betaamde, hoe de zaak er voor stond. Mijn vrouw en ik keken elkaar een seconde aan. Hier hadden we niet op gerekend. We hadden ons voorgenomen het contract uit te zitten en dan terug te gaan naar onze vroegere aanbieder. Na wat geaarzel zei ik dat er toch wel een paar dingetjes aan schorten. Ik vertelde over het regelmatig uitvallen of blijven staan van het beeld en over de achter een van onze radiatoren weggefrommelde bos kabel en over het beschadigde vloergebied. De man nam alles in ogenschouw en oordeelde mompelend. Hij maakte notities en verkortte daarna de kabel tussen de router en het televisiescherm. Daarmee was zijn werk gedaan. Tenslotte vroeg hij of wij zijn bezoek met een cijfer wilden beoordelen. Ik keek hem verbaasd aan. ‘Dat moet ik doen, omdat ik daar naar wordt ingeschaald’, zei hij met een glimlach. Ik kreeg een zure smaak in mijn mond. Alsof ik hier ook maar iets mee te maken had. Het deed me denken aan die zo verfoeide functioneringsgesprekken bij mijn vroegere werkgevers. Dat kan alleen objectief met een externe interviewer, maar dat gebeurde nooit bij de bedrijven waar ik heb gewerkt. Daardoor paste jij je aan ten faveure van de vragensteller (meestal je eigen afdelingschef) en indirect ook van het bedrijf. Op die manier krijg je vanzelf een redelijk hoog tevredenheidscijfer. Ik heb daardoor altijd een enorme hekel gehad aan dit soort pseudo-onderzoek. Misschien is dat wel het aardigste van het op pensioen zijn; je hoeft namelijk niemand meer tevreden te stellen. Ambitie bestaat niet meer. Goed, de dood komt iets dichterbij, maar de gevaren van halfwakker werkverkeer zijn ook voorgoed voorbij. Het is mij ook weleens overkomen dat mij na een mailtje van een of ander bedrijf werd gevraagd een waardering aan te stippen voor de al dan niet geleverde informatie. Alsof ik mede moest zorgen voor de hoogte van iemands salaris. Bij het opzeggen van het contract met de vorige internetaanbieder, had ik in tegenstelling tot mijn sombere boodschap, wonderlijk genoeg een zeer genoeglijk gesprek met de telefoniste van dienst en ook zij vroeg na afloop haar een waardering te geven. Ik was in een euforische stemming en ik riep: ‘Een tien’. Zij blij, ik blij! Maar nu maakte ik de vergissing door het bedrijf waar onze bezoeker voor werkte Alkaajda te noemen. Dat komt doordat wij dat bedrijf, waarvan de naam fonetisch ietsjes lijkt op Alkaajda, altijd zo noemen. De man schrok niet weinig en werd grimmig en zei dat wij de naam van zijn bedrijf niet moesten bezoedelen. Daar had-ie gelijk in. Maar het kwaad was al geschied. Om de boel niet nog meer op de spits te drijven, gaf ik hem in de schaal van 1 tot 5 een 3. Dat leek mij ruim voldoende. Hij bedankte ons zuinigjes en vertrok…. We zijn nu een jaartje verder. Het uitvallen en het stoppen van het beeld neemt gestadig af. Bevreesd dat terugkeer naar de vorige aanbieder opnieuw aanlegproblemen en gedoe met zich mee zal brengen, hebben we besloten Alkaajda vooralsnog aan te houden. Dat betekent geen terugkeer van StadGroningen-tv en geen ondertiteling voor slechthorenden en daardoor minder kijk- en luisterplezier. Men moet wat over hebben voor de lieve tv-vrede.

26.1.21 Dank zij de hond De avondklok is nu enkele dagen, in werking. Ik hoef me er niet aan te houden als ik met Rossi na negen uur ’s avonds een eindje zou willen lopen. Wat te doen? Het is een lastige kwestie. Zou ik mij zonder mijn loopmaatje aan die overheidsregel houden? Er zal op dit tijdstip wel niemand in het dorp lopen en áls er al iemand loopt (met hond), dan zal die mij er niet op aanspreken. Ik ken mijn pappenheimers. Het is nu 0.10 uur en ik heb vanaf het door de overheid ingestelde opsluituur geen enkel teken van leven (lees: verkeer) vernomen. Wat dat betreft is het nu nog stiller dan in de eerste weken van de lockdown toen de horeca dicht moest, alsmede bezoeken aan elkaar werden afgeraden en de vliegvelden werden gesloten. Toen was er nog enige beweging. De stilte is nu bijna beangstigend. Dat las ik ook in de krant. Mensen zijn gewend aan een soort onderlaagje herrie. Valt dat weg, dan raken ze ontregeld en voelen zich onveilig. Alsof lawaai ons een soort bescherming biedt. Ik heb zojuist een eindje gelopen en zag gedurende die tijd één auto op de N33. Het zou een politie kunnen zijn. Ik hoorde de auto afremmen bij afslag De Hilte en mijn kant opkomen. De gedachte dat iemand mij zou aanspreken deed me onbewust iets sneller teruglopen. Het idee van Big Brother is watching you zoemde door mijn hoofd. Maar er kwam geen auto mijn kant op. Ik bleef nog enige tijd tegen de binnenkant van ons hek geleund staan kijken en vooral luisteren. ’t Is dat het licht vriest, anders zou ik een uurtje blijven staan. Het is vergelijkbaar met een natuurverschijnsel, alleen heeft het universum hier part noch deel aan. In steden als Eindhoven, Amsterdam en Urk braken rellen uit. Corona-ontkenners, ordinaire relschoppers, raddraaiers, ophitsers en zelfs aanhangers van ultrarechtse groeperingen gingen de straat op en vielen de politie aan. Alsof zij hiermee het virusdenken wel even zouden kunnen verjagen. Onwerkelijke taferelen. Ik was duivels. Sluit ze op, dacht ik, toen ik het op het Journaal zag. Stop ze met z’n vieren in een cel en laat ze niet eerder vrij tot het virus uitgewoed is. Krijgen ze de ziekte: pech gehad! Mag ik zo denken? Als ik corona zou krijgen, zouden ze ook niet mild over mij denken. Het is een beetje oorlogje spelen in spertijd en zij plegen onheus verzet. Wat zal er van de coronatijd nog over zijn als we 10 jaar verder zijn? Mondkapjes, social distancing, veelvuldig handen wassen en de ellende van gesloten winkels, restaurants en cafés. Zeker! En de stilte. Wis en waarachtig. ‘Dank zij onze hond konden we na negen uur ’s avonds toch nog een eindje lopen’, zullen velen zeggen. Per hond maximaal twee begeleiders, dat wel. Anders zou het uit de klauw lopen. Zo zie je maar hoe onze huisvriend te allen tijde van pas komt. We zouden er in het algemeen beter mee om moeten gaan.

24.1.12 Hedendaagse archeologie Nu en dan moet ik even mijn zinnen verzetten. Doordeweeks loop ik mijn vaste rondes, maar zaterdags neem ik altijd een andere ronde. Vaak via het pad tussen Herenweg-Zuid en Noordveensedijk, een andere keer rijd ik naar De Bulten of strand bij de bosjes aan de Hunze achter Eexterveen en loop daar een eindweegs. Vanmiddag ging ik naar De Bulten. Er stonden vier auto’s, maar ik zag aan de oever geen hengelaars, wat me nieuwsgierig maakte waar die op zijn minst vier eigenaren van die auto’s uithingen. Ik stopte en liet Rossi -aan de lijn uiteraard- uit en liep langs het bosje naar de achterkant ervan, waar het uitmondt in een landbouwveld. Op dat veld zag ik wijd verspreid van elkaar een aantal mensen bezig met naar het me toescheen metaaldetectoren. Ze zwaaiden tenminste met een staaf gelijk de gebruiker van een tast- of een blindenstok. Ik bleef even toekijken. Het is een hobby van met name mannen, las ik onlangs nog in een blad over hedendaagse archeologie. Soms vinden ze minuscule, maar hele belangrijke aanwijzingen, die de historie van het gebied op zijn kop zet. Nooit geweten dat hier Romeinen zijn geweest, plukt zo’n amateurarcheoloog op een winterse middag een beeldje van Venus uit de modder of een dozijn munten uit de tijd van Valentinianus. Het is geschiedenis die me erg interesseert, maar mij toch niet aanzet ook zo’n zwaaiapparaat aan te schaffen en het veld in te trekken. Ik keek het nog even aan. Niemand van hen keek op, een eventueel praatje zat er niet in. Ik liep met Rossi terug naar de auto. Ik reed door naar De Bulten en nam een plastic broodzak mee om rommeltjes in te doen. D’ er ligt altijd wel wat. Nu ook. In de wal van de naastgelegen sloot vond ik een chipszak, die, toen ik het had opgevist, nog inhoud bevatte. Thuis gekomen schudde ik het boven de kliko leeg en vond er een tweede chipszak in en twee enigszins ingedeukte blikken en een wikkel Maoam – pinballs. De grootste chipszak was van het merk Lays en bevatte Hamka’s, het kleinere van het merk Gwoon bevatte Skymix. Ik ben niet zo thuis in de wereld van de in vet of olie gebakken aardappelschijfjes. De blikken -elk een halve liter- waren van het merk Monsterenergie en Energy GY. Stoer uitziende blikken. De drankjes bevatten extreem veel suiker en worden vooral door jonge mensen genuttigd. Daar ik vermoed dat de bovengenoemde Pinballs ook door jonge mensen werden gekocht, krijg ik toch een beetje een beeld wie dit afval heeft achtergelaten. Het zullen waarschijnlijk niet meer dan twee, hoogstens drie personen zijn geweest. Twee jongens, denk ik en misschien een meisje (vanwege de pinballs). Vermoedelijk waren ze op de fiets. Ze hebben de chips mogelijk nabij het iets verderop gelegen picknick-bankje verorberd en daarna de lege zakken + de blikken in de grootste zak gestopt en daarna niet hebben geweten wat ze met die rommel aan moesten. Een fietstas zullen ze niet hebben gehad. Hoewel er iets verderop een afvalbak staat, bevatte die op dat moment geen plastic binnenzak. Dat heeft te maken met het alomtegenwoordige vandalisme tijdens de jaarwisseling. Nou ja, dan maar in de natuur gemikt! Zo moet het denk ik zijn gegaan. Als het lang zou blijven liggen en de sloot zou mettertijd worden opgemaakt, zou het vanzelf onder de grond terechtkomen en dan zou het op de lange duur door iemand met een detector gevonden kunnen worden en zou een wetenschapper van die dagen zich een beeld kunnen vormen hoe men anno 2021 leefde. Dát men het in die eeuwen niet zo nauw nam met het milieu, was allang bekend, maar dat het zóóóó erg was, zelfs tot in dit tamelijk onbewoonde gebied, dat is nieuw. Mogelijk heb ik dit toekomstbeeld een ietsiepietsie weten bij te sturen, al kost het me moeite hier blijk van te geven. Ik klapte de containerdeksel dicht en ging naar binnen. Nee, een archeoloog zit er niet in. Laat ik mij maar bezighouden met opruimen van ons zogeheten zwerfvuil.

22.1.21 Verdwijnende schrijfvaardigheid Dat de borelingen van pak’m beet 1980 het lezen van boeken verwaarlozen of het zelfs verachten is al heel lang bekend, maar nu las ik dat steeds meer kinderen van de generatie hierna zelfs het schrijven niet meer beheren. Dat stemt mij droevig. Ze zijn helemaal vergroeid met hun mobieltje en hebben daardoor middels hun elektronische schrijfhand en een soort straattaal ontwikkeld die voor een groot deel uit afkortingen en pictogrammen bestaat. Die ontwikkeling gaat zo snel dat de volgende generatie de internettaal van nu mogelijk niet meer zal begrijpen. Alles wordt overgelaten aan de Grote Schrijver aan gene zijde, waar dat ook zijn mag. Met het veronachtzamen van de schrijfvaardigheid verliest de wereld een handeling die al duizenden jaren oud is en die zich door de eeuwen heen gelijk het rijpen van een olijfboom heeft ontwikkeld tot wat het vandaag de dag is. Ik weet best dat maatschappelijke veranderingen, de evolutie, niet tegen te houden zijn, maar de basiselementen van onze spreek- en schrijftaal moeten overeind blijven. In tijden van nood of bij afwezigheid van een mobieltje, kan iemand die het schrijven als iets onnodigs beschouwde, geen kant op. Je kunt natuurlijk stellen dat er maar zelden iemand is gered door een briefje in een fles of door middel van een spandoek op een verlaten eiland en dat er aan de andere kant meer boeken worden uitgegeven dan ooit. Dus wat zeur je dan?! Oké, maar de oplagen worden steeds geringer en evenzo de horde lezers. Daarom verbaasde het me dat onlangs in een advertentie van een bedrijf vermeld stond dat de sollicitant naar benoemde vacature een door hem of haar zelf geschreven brief moest sturen. Dit in verband met eventueel mondeling of telefonisch aan te nemen boodschappen en/of opdrachten. Ik keek er van op, want het gebrek aan goed leesbaar kunnen schrijven was mij nooit zo bekend. Wél dat er een groeiende groep analfabeten is, maar dit wordt mede veroorzaakt doordat ons land multicultureler is geworden en veel van de nieuwe Nederlanders beheren, ofschoon inburgering hen dit verplicht, de Nederlandse taal niet goed. Je zou kunnen zeggen dat het een vorm van institutionele discriminatie is, want veel makkelijker als dit is een schifting niet te maken. Nogal discutabel. Het is zeer de vraag of ik ingeval ik in bijvoorbeeld Polen, Bulgarije of Tjechië was gaan werken, de taal van dat land wel onder de knie had gekregen. Ik heb afgezien van mijn liefde voor Engeland en de daar gebezigde taal, slechts kort de wens gehad mij daar blijvend te vestigen. En als het moest, dan in Yorkshire, Cornwall of in Schotland. Jersey of Guernsey had ook nog gekund. Punt is dat er over zeg vijftig jaar nog maar weinig mensen zullen zijn die hun naam kunnen schrijven, dat zelfs het gebruik van een balpen niet meer tot de alledaagsheden zal behoren en dat de schrijftaal is verworden tot een soort morsecodestaal. Het kunnen lezen en het in bezit hebben van boeken is dan nog slechts voorbehouden aan een bevolkingslaag die men vroeger aanduidde met De Elite. Al zijn de signalen ernaar, ik hoop toch dat het nooit zover zal komen.

20.1.21 Polariserende elementen Een uur geleden is de 46ste president van Amerika ingehuldigd. Dat is een historisch moment, zoals de inhuldiging van elke president van Amerika een historisch moment is, maar deze is historischer vanwege het schandelijke spektakel vooraf. Amerika staat namelijk op het punt in tientallen stukken uit elkaar te vallen en daar kunnen geen duizend Joe Bidens wat aan doen. Het land is van jongs af een lappen deken van staten die ieder voor zich zegt de beste te zijn en zich daar dood voor wil vechten. Het is een in geen enkel opzicht verenigd geheel. De nieuwe president moet zorgen dat die boel bij elkaar komt. Onder de 45ste president is de boel zo ver uit elkaar getrokken dat er mensen zijn die zeggen dat ze de Verenigde Naties maar op moeten doeken. Zouden deze mensen gelijk krijgen dan houdt je duizenden kilometers binnengrenzen over om te bewaken en dat is geen doen, vandaar dat dat logge gevaarte toch maar weer verder moet. In Amerika wonen ongetwijfeld de liefste democraten, maar ook de meest fanatieke democratiehaters van heel de wereld en probeer die maar eens op één lijn te krijgen. En nu ga ik iets zeggen dat me niet in dank zal worden afgenomen, maar ik moet het toch kwijt: ik denk dat president Joe Biden zijn klus niet zal kunnen klaren. Niet omdat hij geen goede politicus is of geen goede strateeg, nee, hij zal halverwege de rit het leven laten. Misschien door een hartverlamming of een hersenbloeding, want de leeftijd om dat te krijgen heeft-ie, maar veel erger en niet ondenkbaar in zijn nieuwe functie: door een scherpschutter. Daarvan lopen er op dit moment duizend dozijnen in Amerika rond, die, aangevuurd door de slechtste president ooit een geschikte plek zoeken om Joe Biden neer te knallen. Het moet wel. Vanaf John F. Kennedy is het op wat haperingen na altijd goed gegaan en Amerika heeft nu eenmaal de reputatie zo nu en dan een president te verspelen door de kogel van een huurmoordenaar of een lid van de boze tegenpartij. Dat zijn er tot op heden vier geweest. Het zou statistisch gezien dus nodig weer eens moeten gebeuren. Daarbij komt dat Joe Biden goeie papieren heeft. Hij is niet meer in staat bij een aanslag fluks weg te duiken. Het kan ook best goed gaan, want hij krijgt een sterker en groter team beschermers om zich heen dan enige president voor hem. Als het goed gaat -wat ik in ’s hemelsnaam hoop, laat daar geen misverstand over bestaan!- dan hebben we het er niet over en mag u dit als ongelezen beschouwen, maar als het fout gaat, dan noemt u mij iemand met een vooruitziende blik. Met beiden ben ik niet echt blij. Biden is nu anderhalf uur president. Ik heb nog geen onderbreking op de radio gehoord. Wél dat Nederland een tijdelijke avondklok krijgt, iets dat sommige mensen aan de Tweede Wereldoorlog doet denken en die daar even fel op reageren. Wij hebben extreme corona-ontkenners. Mensen die zich niets van welke regel ook aan willen trekken. Die elke nieuwe poging het virus te stoppen verwerpen en die onze Minister-President als een groot gevaar zien. Als ik Rutte was zou ik maar uitkijken. Zo, en nu ga ik This land is your land, this land is my land, de enige echte van Woody Guthrie, draaien en niet gehinderd door mondlapje en betraande ogen keihard meezingen.

18.1.21 Man met verhaal Ik was op het houten bankje bij de stuw gaan zitten. Rossi liep wat heen en weer te darren. De zon brak door. Ik loop hier regelmatig, maar ik zit hier bijna nooit. Er naderde een man die op het andere eind van het bankje plaatsnam, zeggend ‘mag ik er even bij komen zitten?’ Ik kon moeilijk zeggen ‘Nee, dat mag u niet, want ik zit graag alleen’, wat feitelijk zo was. Ik kende de man, had hem wel vaker gezien. Waar en wanneer wist ik me zo niet te herinneren. Hoe het kwam weet ik niet, maar we kregen spoedig een toch wel aangename conversatie. Ik zeg dit omdat ik niet altijd een makkelijke prater ben. In groot gezelschap waar jolijt de boventoon voert, zwijg ik liever. Maar als het gesprek over serieuze dingen gaat, haak ik meestal wel aan. Ik heb ervaren dat gesprekken weleens willen ontaarden in geruzie en betweterij, daardoor blijf ik op mijn hoede. Die bank staat aan het eind waar de oorspronkelijke Hunze eindigt. Voorbij de stuw houdt de rivier op en gaat over in een nieuw gecreëerde moeras. Daardoor heeft alleen het bruggetje erover nog betekenis. Het was in vroegere tijden een prachtige plek om te vissen. ‘Ik heb er nog een keer op gevreeën’, zei de man nu voorzichtig. ‘Zo-oh’, zei ik. Hij vertelde nu waar hij was opgegroeid, dat zijn vader een kleine boer was, niet uitzonderlijk natuurlijk, want de meeste mensen in deze streek waren boer en dat je vroeger op het gebied van seksualiteit weinig tot niets van je ouders meekreeg, is mij ook bekend. Het was me echter nooit eerder overkomen dat een verder onbekend iemand zo makkelijk over dit soort zaken sprak. Ik had al willen doorlopen, want Rossi wordt meestal snel ongeduldig, maar nu lag hij aan mijn voet in het zonnetje. Daarom bleef ik nog even zitten. Zolang hij mij niets vroeg over het een en ander aangaande intimiteiten, vond ik het best en het was geen vervelende vent. Toen deed hij een wonderlijke uitspraak. ‘Ik was nog een jongetje van misschien een jaar of negen toen ik mijn vader op een dag, terwijl ik in de tuin aan het spelen was, tegen de zijmuur van ons huis zag te plassen. Nou ja, dat deed je vroeger gewoon hè. Niets wc met waterspoeling ofzo, gewoon tegen een boom of tegen de muur of in de heg. Hij moet mij niet hebben gezien, anders had hij het niet gedaan. Ik dacht echter dat hij plaste, zo leek het ook. Hij had zijn leuter uit zijn broek, maar hij sjorde er aan. Later begreep ik dat hij zich eehh, dat hij zich zeg maar van zijn zaad ontdeed. Ik kan het anders zeggen, maar dat doe ik liever niet’. Ik knikte. ‘Kennelijk was hij daar zó aan toe, dat hij het voor het oog van de buitenwereld deed. Ik zei al ik was een jaar of negen en wist nog niets van dat soort dingen. Dat moest allemaal nog komen’. De man keek vooruit naar het staartje water in de Hunze. ‘En als ik hier zit dan komen die dingen soms weer bij elkaar; mijn vrijerij op dat bruggetje en dat beeld van mijn vader in de tuin… ‘. Hij zweeg. Ik voelde mijn hart sneller bonzen. ‘Wij zijn denk ik ongeveer van dezelfde leeftijd’, zei hij toen, ‘en we zullen ook wel dezelfde strubbelingen hebben gehad. Met lang haar enzo, gedoe met brommers en kleding. En de ruzies die daar door ontstonden’. ‘Ja’, zei ik, want alleen knikken volstond niet langer. ‘Ik kreeg het op een dag met mijn ouwe heer zo aan de stok dat ik hem te lijf ging en ik heb hem toen in een onbewaakt moment laten weten wat ik als kind van negen had gezien. Dat had ik beter niet kunnen doen. Hij keek me met grote schrik aan en zeeg als door een hartverlamming getroffen ineen en begon als een kind te huilen. Ik wist niet hoe ik het had. Ik ben weggevlucht en we hebben elkaar sindsdien nooit meer recht aangekeken. Ik had hem een schaamte bezorgd die niet uit te wissen is. En als ik hier zit dan komt dat soms weer terug. Heel levendig. Schaamte is overerfbaar, zeggen de geleerden. Mijn vader is allang dood, dus ja, waarom zou ik er nog om treuren? Mijn moeder is er vermoed ik nooit achter gekomen waarom het tussen mij en hem ineens mis ging. ‘Hij sprak altijd heel aardig over jou’, zei ze laatst nog. Ze is 98′. De man stond op. ‘Ze willen die stuw afbreken, hoorde ik laatst. Eeuwig zonde’, zei hij. Toen liep hij verder.

16.1.21 Moderne slavernij In een al wat oudere krant zag ik een foto van een meisje dat met een tamelijk kleine, welhaast zelfgemaakte hamer stenen aan het stuk slaan is. Ze zit wijdbeens en heel haar gezicht is van een deerniswekkende droefheid. Ze draagt geen beschermende kleding, handschoenen of een bril. De foto is volgens het bijschrift gemaakt in Nairobo, Kenia en dateert van september 2020. Het is allervreselijkst dat er nu nog mensen zijn die voor dit beulswerk worden ingezet. Het meisje heet Irene Wanzila en is 10 jaren oud. Ik moest toen ik de foto zag denken aan de tentoonstelling over de Drentse keienkloppers in het Hunebedmuseum een aantal jaren geleden. Vanaf halverwege de jaren vijftig van de 19de eeuw gebeurde dat veel in onze provincie. Veldkeien van allerlei formaat waren er in overvloed. Ze werden door seizoenarbeiders en ook bedelaars met zware hamers en beitels kapot geslagen totdat het gruis klein genoeg was om te dienen als één van de lagen voor nieuw aan te leggen wegen. Men noemde dit macadamwegen, naar de Schot John Mc Adam. Het meest schrijnende was dat deze mensen, naast het zware werk, geen enkele gezichtsbescherming hadden. Oogbeschadiging en daardoor blindheid kwam door rondspringend steengruis in die dagen veel voor, stond op één van de borden op de tentoonstelling te lezen. Die macadamwegen werden na 1900 niet meer aangelegd en daarmee verdween dus ook het keienkloppen. Maar Afrika loopt ver achter op bijvoorbeeld Europa en China. Afrika bezit heel veel grondstoffen waar met name China belang bij heeft. Die grondstoffen worden veelal opgedolven door kinderen, daarvoor krijgen ze een hongerloontje. China vervoert die grondstoffen vanuit landen als Oeganda, Rwanda en de Republiek Congo naar de havenstad Mombasa. Daar zijn goeie wegen voor nodig en die stenen worden onder andere gebruikt om wegenbeton te maken. Zij, en ook haar moeder, haar broertje en haar zus zijn moderne slaven van het Chinese grootkapitaal. In één van de vele fabrieken in China worden deze grondstoffen verwerkt in I-padjes, telefoontjes en andere speeltjes waar Irene Wanzila alleen maar van kan dromen. De steengroeve waar ze dit slavenwerk doet is officieel gesloten, zegt het bijschrift. Ze doet het dus nog illegaal ook! Hoe erg wil je het hebben. En onze jeugd maar klagen dat ze vanwege de coronacrisis niets anders kan dan thuishangen en appen, zappen en spelcomputeren. Het is om je dood te schamen. Maar niemand denkt bij de aanschaf van een nieuw telefoontje aan de wijze waarop en hoe al die materialen bij elkaar zijn gebeuld en hoeveel bloed er aan dat leuke speeltje kleeft. Dat is een te-ver-van-onze-bed-show. Eigenlijk zou er groot op de verpakking moeten staan dat ingesloten apparaat door slaven- en kinderarbeid en onder de meest hartverscheurende omstandigheden is vervaardigd. Net als op sigarettendoosjes. Of de koper hierdoor tot inkeer zal komen is zeer de vraag, maar dan heb je in ieder geval je best gedaan de blinde consument even de ogen te openen.

14.1.21 Een klets om de oren Afgelopen zondag deed ik een bekentenis. Dat ik mij vorig jaar enige maanden psychisch niet goed voelde. Dat ik het leven soms niet meer zag zitten en bizarre levenseinden bedacht. Dat is schokkend als je er niet op voorbereid bent. Mijn vrouw schrok er behoorlijk van. Dat was vorig jaar en ik voel mij nu weliswaar een stuk beter, maar ik verlegde ongewild het probleem. Ik had de uren daarop een beetje het gevoel alsof ik het emotioneel te zwaar had aangezet. En ook voelde ik een zekere schrik en schaamte, omdat ik in mijn vertoning bepaalde gedragingen van mijn vader bespeurde waar ik niet fier op ben. Helemaal uitsluiten kan ik dit natuurlijk niet. Ik ben nu eenmaal voortgekomen uit zijn dna en ik realiseerde mij gaandeweg die perioden van somberheid en meestentijds overkwamen mij die tijdens mijn wandelingen met Rossi, dat ik die overeenkomsten herkende en mij er met moeite van probeerde te distantiëren. Dat gaf soms enige verlichting. Maar de grootste verlichting kwam toch steeds als ik weer thuis was en m’n vrouw begroette en m’n gewone dingetjes weer oppakte. Zou ik zonder ons hondje, zonder die noodzakelijke wandelingetjes tot hetzelfde inzicht zijn gekomen? Dat is moeilijk te zeggen. Zou ik die zwaarte in mijn werkkamer middels geschriften van het-geeft-niet-wie hebben opgedaan of juist hebben weggelezen? Mijn vader had niets met boeken en dat fanatieke gelees van mij en hier van uitgaande zou je kunnen zeggen dat het mogelijk de ultieme antidepressivum was. Maar al dat gelees kan je evengoed de kop kosten. De psychiatrische inrichtingen weten hier alles van. En alsof het zo moest zijn was er na deze sombere introspectie op de televisie een geval van veel ernstiger aard. Een garagehouder wist zich door de coronacrisis niet meer staande te houden en sprak met rauwe stem over dat hij uit het leven wilde stappen. Hij zag geen uitweg meer. Hij had op zeker moment 113 gebeld en lang gesproken met een hulpverlener. Maar er moest niet dát bijkomen of het zou alsnog mis gaan. Zó ver is het bij mij nooit geweest. Mijn buien waren soms aardedonker, zeker, maar ik keerde steeds op tijd terug. It’s not dark yet, but it’s getting there, zeg ik Bob Dylan maar na. Ook hij moet af en toe zulke duistere tijden hebben gekend, anders schrijf je er niet zo over. Bovendien wat voor reden had ik in vergelijking tot die man om mijzelf naar de donder te helpen? Geen enkele! Alles reilt en zeilt goed bij ons. Ik heb weinig lichamelijke klachten, behalve dat leeftijd -het gevoel van ouder worden, het gevoel er niet lang meer te zijn- een belangrijke, defaitistische rol speelt. In het ergste geval sprak ik mijzelf toe mij niet zo te moeten aanstellen. Dat hielp soms nog het beste. Het mezelf een stevige klets om de oren geven. Maar dat zal wel niet in de boeken van de psychiatrie staan. Dat is wat al te simpel. De zon schijnt bijna onbarmhartig, de wind is gaan liggen, het is prachtig . Kom ik ga lopen. Dat helpt.

11.1.21 Kind op komst Wat ik zoal niet tegenkom bij het rommelrapen…! Soms hele bruikbare dingen zoals een muts of een handschoen. Of onbedoeld van karretjes gewaaide plastic emmers of gereedschap. En ik vind ook regelmatig een balpen. Je zou toch denken in deze tijd van iPadjes en mobieltjes dat niemand nog schrijft. Wel dus. Maar verreweg het meeste is troep, disposables. Ik zeg het even op zijn Engels, want dan schijn je qua zeggingskracht beter te scoren. Ik bedoel natuurlijk ‘omhulsels die slechts één keer te gebruiken zijn en die wanneer de inhoud geconsumeerd is niet gehinderd door statiegeld of een andere reden tot hergebruik nogal eens onverschillig van zich worden afgeworpen’. Zo staat het niet in het woordenboek, maar zo zóu het er wel in moeten staan. Wat ik ook vaak tegenkom zijn doordrukstrips van medicijnen. Of iets wat daarop lijkt. Want bij naspeuring bleken het meestal vitaminepillen of spierversterkers. Niet voorgeschreven door een arts en verkrijgbaar bij de drogist. Vanochtend vond ik een aantal ongeschonden strips met de opdruk Ethinylestradiol/Levonorgestrel Mylan. Het waren er, uitgaande van een twintigtal pillen per strip, minstens tachtig. Ik wist niet om wat het ging. Een eindweegs vond ik het doosje dat er bij hoorde. Nogal slordig, maar de moderne mens, de homo mcdonaldus, kijkt niet op een rommeltje meer of minder. Het bevatte de gegevens van de vroegere bezitster, te weten Mw. M. Westerloo, wonende te Beilen, het adres laat ik ongenoemd, de datum van verstrekking: 25 juni 2020. Zij schroomde niet haar gegevens letterlijk op straat te gooien. Wat zou hiervan de reden zijn? Ik stak het doosje bij me om thuis na te zien welk middel Mw. Westerloo zo radicaal van zich af had geworpen. Ik had wel een idee en dat bleek ook juist. Het waren anticonceptiepillen. Op de sticker was dat niet goed meer te lezen. Ik vroeg me af hoe zoiets hier nou terecht komt. Had ze het in een extreme boze bui uit de auto gegooid? Het lag verspreid bij een houten bankje. Was er met Men. Westerloo hier op dit punt, misschien met een drankje erbij, over gepraat? Had zij hem hier haar prille zwangerschap bekend of had hij een flitsende carrièresprong gemaakt wat gezinsuitbreiding mogelijk maakte en had zij daarom geheel buiten zinnen de resterende pillenstrips van zich afgeworpen? Er was geen voorbehoeding meer nodig, halleluja..! Zou best kunnen. Of had mevrouw Westerloo plotsklaps het licht gezien en liet ze het er op aankomen? Ze was de dertig reeds gepasseerd, er moesten spijkers met koppen worden geslagen. Weldra zou het te laat zijn. Ik heb over deze babywensdrang meer dan eens gelezen. Mochten al die vermoedens waar zijn, dan zou het kunnen betekenen dat de Beiler bevolking zeer onlangs met een zieltje is toegenomen. Niettemin blijft het een slordige handelswijze. Een gemeentelijke dienaar zou haar vanwege dit milieudelictje vrij makkelijk een stevige bon kunnen geven. Maar een kind kost al voedsel en kleding genoeg. Dus soit, zand erover.

8.1.21 Prostadium Tijdens het schoonmaken van de achterkamer, alle kerst- & nieuwjaarskaartjes langslopend, kwam ik het kaartje tegen van een deelneemster van de koffieclub. Ze vertelde ons dat haar partner prostaatkanker heeft. We schrokken. Hoe oud zal hij zijn, zeiden we, toen het bericht was ingedaald. Alsof dat er toe doet. Nou ja, wél dus. Mannen op leeftijd krijgen nogal eens te maken met prostaatklachten. Bij mijn laatste controlebezoek, dat ik na mijn penisoperatie -hoe moeilijk valt het me dit nu neer te tikken- geregeld aan het ziekenhuis bracht, vroeg ik mijn arts hoe het met mijn prostaat staat. Die bezoeken onderga ik meestal met een zekere gelatenheid. Ik heb hem tijdens mijn eerste bezoek zonder dwalen laten weten hoe ik in het leven sta en bemerkte bij hem een zekere geruststelling, een zekere verlichting. Als het leven geen kwaliteit meer heeft, zei ik tegen hem, mag het van mij afgelopen zijn. Er is in mijn leven geen god die mij tegenhoudt anders te denken. Ik vind dat ik al heel lang mee ga en begin langzamerhand het gevoel te krijgen overbodig te zijn. Geen dor hout, om de donder niet!, maar ook niet iemand waar de wereld op zit te wachten. Na controle zei hij dat mijn prostaat oké is. Een zorg minder. We spraken er nog even over door. Bijna alle mannen boven de tachtig sterven mét prostaatkanker, maar slechts een enkeling dóór. Thuis zocht ik nog even verder. Want de werking van het lichaam is mij na de galblaas- en de penisoperatie meer gaan interesseren. Waartoe dient dat rare kastanjevormige ding in ’s mans lijf. Het wordt ook wel de voorstanderklier genoemd. Vanwaar deze naam? Geen idee. Het produceert een sap, die zorgt voor een goede zaaduitstoot. Zonder prostaatsap weinig kans op nageslacht. Het is in mijn optiek het enige kruit dat zonder direct gevaar voor mens- en dierenleven wordt afgeschoten. Maar met het ouder worden is elke praat van hen hierover onderhevig aan overdrijving. Neemt niet weg dat het mechaniekje dat mede voor nageslacht zorgt, tevens zoveel narigheid veroorzaakt; ja, zelfs tot de dood kan lijden.

7.1.21 Weer niet normaal Het is een bizarre wereld aan het worden. Afgezien van wat er gaat gebeuren in Amerika na de rellen van gisteren, nadat Donald Trump senior en Donald Trump junior de lont in het olievat hadden aangestoken en aangewakkerd en hiermee een rel hadden geënsceneerd die zijn weerga niet kende…. Nou ja, op de trappen van en in het Capitool dan, want in het land zelf zijn dit soort rellen aan de orde van de dag. Ik moest ineens denken aan de moord op President Abraham Lincoln in 1865. Waarom weet ik niet. Toen stond Amerika écht in brand en nu is het er op weg naartoe. Alles door die vreselijke Trump en de door hem opgehitste aanhang. Dit voorspelt niet veel goeds voor de komende jaren. Maar, ik bedoel; het weer. Het is 7 januari. Het zou normaal gesproken winter moeten zijn. Het is nu een graadje of vijf boven nul, helder en stil. Dat is op zich voor een winterse dag niet vreemd, maar een winter zoals ik dat ken van mijn schooltijd, is het allang niet meer geweest. Dat was heel lang normaal. Beetje sneeuw, beetje vorst, beetje schaatsen; zo zag een winter er lange tijd uit. Daar is door de KNMI ook heel lang vanuit gegaan, maar ze hebben het hoofd in de moede schoot gelegd, want de weerdeskundigen kunnen niets meer het woord normaal. Ze willen er van af. Het oude normaal moet het ‘nieuwe normaal’ worden en dus verdwijnt het woord uit hun vocabulaire, omdat er geen normaal weer meer zal bestaan. De veranderingen zijn zo extreem dat er geen pijl meer op valt te trekken en de werkelijkheid wordt hierdoor verhuld. Het laat te meer zien hoe snel de Aarde opwarmt en wat dit met het weer doet. We konden ons na het opzij trekken van de gordijnen en het beluisteren van de radionieuwsdienst nog altijd vasthouden aan de gevleugelde woorden dat hetgeen we zagen ‘normaal’ was voor de tijd van het jaar. Dat is nu dus voorbij. We staren tegen een meter sneeuw aan en weten niet hoe we dit moeten vertalen. Dat wordt oppassen geblazen, want hoe vaak zeggen we niet dat een bepaalde temperatuur of een bepaald soort weer (regen, wind, storm) normaal is voor de tijd van het jaar. Het weer van nu (7 januari) kan evengoed weer zijn van half april en wie weet is het straks in april weer dat vroeger normaal was in juli of augustus en is het zelfs in oktober nog tropisch warm. Het gaat in ieder geval helemaal de verkeerde kant op met het weer. Ik beleef het nog dat Groenland haar naam eer zal aandoen en dat de Eskimo’s (Inuit) op zoek naar ijs en sneeuw naar de Zuidpool trekken. Óf, en dat is een spontane ingeving, is het een opportuun buitenkansje van het KNMI nu er bijna dagelijks gezinspeeld wordt met het ‘nieuwe normaal’ en krijgen we straks allerlei zaken die hierop meeliften? Ik hou m’n hart vast…

4.1.21 Houd afstand Eén van de vreselijkste kwellingen gedurende mijn eerste arbeidsjaren was zonder twijfel het elkaar een gelukkig nieuwjaar wensen. Deze malle gewoonte moet ooit in vroegere tijden zijn ontstaan en wellicht door de eeuwen heen gesublimeerd. Het handen schudden was nog tot daar aan toe, maar vooral het zoenen ontzette me hevig. Dat gebeurde voornamelijk tussen mannelijke en vrouwelijke collega’s. Ik kende nog niet het bestaan van homoseksuele liefde en hoewel dat in die jaren nog een abjecte afwijking was, werd het zoenen van vrouwen onderling niet bijzonder gevonden, al werd er van een al wat oudere kantoordame gezegd dat ze van ‘de verkeerde kant’ was en als zodanig verloren voor het mannenvolk. Mannen hielden het onderling bij een nogal eens veel te ferme handdruk. Ik haatte dit ritueel, deels omdat ik in de liefde nog zeer schuchter was en deze handeling als een erotiserend gebaar zag, daarbij aantekenend dat dit gebruik bij ons thuis nooit plaatsvond. Wij gaven elkaar een slap handje of wensten elkaar zonder verdere aanraking een gelukkig nieuwjaar. Het zou onderdeel moeten zijn van de opvoeding hoe men elkaar feliciteert of geluk wenst. Nu was het gewoonte om de snipperdagen aan het eind van het jaar op te maken. Ik overlapte niet zelden het staartje oudjaar plus de eerste dagen van het nieuwe jaar. Dan was ik van het gedonder af. In latere jaren kwam er wel steeds meer verzet tegen het al te vrijmoedig aanpappen van sommige mannen. Wilde je niet toegeven aan dit onsmakelijke gebeuren, dan diende je je arm uitgestoken te houden. Ik deed dit gaandeweg steeds meer. Een soort social distancing dus. Ik ben al enige jaren uit de betaalde arbeidsroulatie en die social distancing is door het coronavirus van staatswege algemeen geworden. Dat zal vandaag ook wel de regel zijn. Ik had toendertijd ook wel een soort van anderhalvemeterafstandregel gewild, uiteraard niet vanwege een vreselijke ziekte. Over enige tijd zal men bij aanvang van het nieuwe werkjaar spreken over de jaren vóór de coronacrisis en met vreugde dan wel met weemoed dat er sindsdien niet meer gezoend wordt. Dat geeft me met terugwerkende kracht een zalig gevoel.

3.1.21 Slagersmes Ik heb al drie weken geen NCR meer gekocht. Wél gelezen, want ik had nog een stapeltje nummers uit 2020 liggen. Wat klinkt dat ineens oud. De vraag wat voor jaar 2021 gaat worden zoemde de hele ochtend door mijn hoofd. Die vraag werd gesteld bij OVT en daarna zette ik de radio uit. Daardoor bleef die vraag hangen. Om mijn zinnen even te verzetten ging ik met Rossi naar De Bulten en wilde bij garage Stadman in Annen de NRC te kopen. Ik was nog het meest benieuwd of je bij hen met al die maatregelen nog wel iets anders dan benzine kon krijgen, want vallen kranten onder essentiële levensbehoeften? Geen idee. Er zijn mensen die geen radio en televisie hebben en die zullen toch bepaalde noodkreten van het rijk moeten kunnen ontvangen. In zo’n geval kan een krant pure noodzaak en dus essentieel zijn. Bij De Bulten stonden op de parkeerplaats vijf auto’s. Dat is uitzonderlijk veel. Daarbij is een deel van de parkeerplaats gelijk een bouwput, tenminste dat zou je denken als je niet beter weet. Ik weet beter. Vorige zomer lagen op die plek plotseling een groot aantal vaten met chemische drugsafval. Dat is een misselijkmakende gewoonte van dit criminele volk. De goegemeente draait voor de onkosten op. Mijn autootje kon er nog net bij. We liepen naar de Hunze en daarna weerom. Er was niets te beleven. Stadman was open, maar de NRC was al uitverkocht. Of het misschien kwam door deze kleine tegenvaller, weet ik niet, maar ik had zin om nog even de Spiekerhoek te nemen. Ik noem dit zo, omdat het een hoekje betreft aan de Hunze bij Spiekerboor (Spijkerboor, voor niet ingewijden). Het is een bekende vissersplek met een door de Europese Unie gesponsorde aanlegsteiger voor kano’s en gehandicapte vissers. Kunnen ze in hun karretje tegen het hek van de houten vlonder hun lijntje uitwerpen. Zomers duiken kinderen vanaf hetzelfde vlondertje het water in. Hier stonden ook al vier auto’s. Er wordt in de coronatijd veel gewandeld. We liepen langs de slecht bijgehouden kade en langs het bosje. Bij terugkomst vond ik aan de buitenzijde van het hoekje een mes. Een groot slagersmes. Ik wilde het eerst laten liggen, want het overkwam me als een besmet attribuut en dan; wat moest ik ermee? Misschien had een visser het laten liggen. Maar dan zou je het eerder bij het terras verwachten. Misschien had een drillrapgroep hier een onderonsje uitgevochten en had de dader, geschrokken door zijn overmoedige ondaad, het steekwapen weggesmeten. Vanwege het rommelrapen had ik handschoenen aan, ik zou dus geen sporen wissen of mijn eigen sporen op het wapen aanbrengen. Ik nam het op en legde het in de bagageruimte van de auto. Thuis mat ik het: 20 centimeter lemmet en 12 centimeter handvat. Daar lopen tegenwoordig van die gastjes van 12 jaar en ouder mee rond en steken rivaliserende drillrappers ermee lek. Of bedreigen er hardwerkende middenstanders mee, zoals vorige week nog in Emmen. Ik sta in twijfel wat ik met dat stuk gereedschap aan moet: naar de politie brengen of het in de vuilnisbak gooien. Want houden doe ik het niet. Geen sprake van!

1.1.21 Niets veranderd Het oudejaar zit er weer op. Ik ben nog aan het bijkomen van het vuurwerkgedonder van de overburen. Het mocht dan wel verboden zijn, maar dat was hen kennelijk ontgaan. De jaarwisseling is voor een hoop mensen een feestje om alle fatsoensremmen los te gooien. Daarenboven vormt het gevecht tussen recalcitrante jongeren en de politie voor veel toeschouwers een aangename ontlader. Hadden ze daar zelf vroeger immers ook niet aan meegedaan? Dit jaar zou het allemaal anders gaan. Vuurwerk was verboden, maar het exploderen van carbid niet. Dit goedje wordt namelijk ook verkocht om mollengangen op te blazen en ja, wat is daar nou schadelijk aan! Maar al heel lang wordt het vooral gebruikt om de kwade geesten van het afgelopen jaar weg te blazen. Vooral op het platteland. Als een bepaald gebruik lang genoeg stand houdt, wordt het vanzelf geschaard onder tradities en die zijn heilig. Dat is met carbid ook het geval. Zouden er ieder jaar tientallen mensen door het gebruik en het helse knallawaai de geest geven, dan zou het gauw gebeurd zijn met het gebruik ervan. Daar de wetgeving wat betreft het carbidschieten een oogje dichtkneep, zagen bewoners ten westen van de Vecht hun kans schoon en stortten zich op dit boerenknalgerecht. Er kwamen zelfs buurtwerkers uit het westen van het land naar Drenthe om de grondbeginselen van het veilig carbidschieten onder de knie te krijgen en het alzo door te geven aan die bravourige stadsrakkers. ‘Godverdomme, wat geeft dat een klap zeg!’, hoorde ik één van hen op de televisie zeggen. Burgemeesters en andere ordebewakers hielden hun hart vast voor de komende jaarwisseling. Maar wonder oh wonder, het viel mee. Kennelijk hadden die stadsmensen geen melkbussen kunnen versieren en dan houdt het spel op. Het was zo te horen dus een gewone jaarwisseling. Er gingen een aantal auto’s in de fik, de politie, brandweer en andere hulpverleners werden belaagd met stenen, bierflessen en zwaar vuurwerk en de ME moest hier en daar uitrukken. Hoe groot de schade is die wij met zijn allen via de gemeentelijke – en de staatsbelasting moeten betalen, is nog niet duidelijk. Maar de ziekenhuizen hadden het aanmerkelijk minder druk dan anders. Nou ja, dat scheelt, want daar was het uiteindelijk om te doen.

__________ ……….__________

OPDRACHT

(vanuit de keuken) Scha-at. (vanuit de schuur) Ja-aah. Kom je even. Waarvoor? Ik wil mijn boek aan jou opdragen. O leuk. Maar dan moet je mijn naam toch ook noemen? Mmhha, dat hoeft niet per se. Dan is het goed. Nou, bij deze draag ik mijn boek op aan jou. Omdat je eh altijd achter me staat en eh omdat het leven niet altijd even makkelijk gaat. Dat zou ik zo niet zeggen. Het rijmt ook heel lelijk. Nou ja, je weet wel zo ongeveer wat ik bedoel, toch? Ja-aah. En krijgt het boek ook een motto? Motto? Nee, geen motto. We doen niet aan zelfverheerlijking. Ja, dat vind ik ook. Dat was het? Ja, dat was het. We zouden het nog even kunnen bezoenen. Da’s goed. (zoennn) Dan ga ik weer aan het werk. Met wat? Duivenhok schoonmaken. Zal ik zodadelijk even stofzuigen? Oja, fijn. En daarna ga ik schrijven. Nou succes ermee. Ja, jij ook.

__________……….__________