Ongeneeslijk drentig (ook in ’24)

26.2.24 Het einde van de papieren krant Dat er sprake is van een terugloop in de verkoop van de papieren kranten en tijdschriften, is oud nieuws. Voor met name de jongeren ís het geeneens nieuws. Want jongeren, en dat wil zeggen ook de generatie die na mijn generatie komt, nemen het nieuws even fluks tot zich tussen de filmpjes en reclame door op hun mobieltje. Zo bekeken ben ik een ouderwetse nieuwsvergaarder. Geen schermpjekijker. In de papieren krant onderstreep ik zaken of namen om ze verderop indien nodig makkelijk op te kunnen pakken. Ik knip ook stukjes uit en bewaar ze in mappen om ze eventueel in te kijken en te gebruiken voor bijvoorbeeld een column. Dat gebeurt weinig, maar weg is eeuwig weg! Met een mobieltje zal dat denk ik ook wel gaan. Van papier lezen geeft meer rust. Als de krant uit is en niet meer bruikbaar, doe ik hem in de oudpapierdoos. Mijn delete. Ik kan onmogelijk zeggen dat een schermlezer het nieuws minder goed tot zich neemt dan een krantenlezer, maar vluchtiger gaat het wel.

Ik ben serieus kranten gaan kopen en lezen ongeveer vanaf mijn 20ste. Ik reisde nog met de bus naar mijn werk en stapte bij de tunnel uit. Net voorbij de tunnel, aan de Rolderstraat te Assen, bevond zich de tabakswinkel van Bé Ritchie. Tabakswaren en leesvoer vormden een stabiel huwelijk. De bus van 7uur40 liet nog wel enige ruimte om bij Bé Richie aan te wippen en een krantje te kopen. Het Algemeen Dagblad. Vanwege het nieuws én de puzzel. En ik was beginnend roker die dagen. Met een baal van 50 gram kon ik zo’n drie weken toe. Kosten: 1gulden50, inclusief vloei. Kom daar nou eens om! Ik wam dus voornamelijk voor de krant. Ik herinner me nog goed dat ik de dood van Godfried Bomans (22 december 1971) op bovengenoemde manier bij Bé Richie vernam. Het stond groot op alle voorpagina’s. Het gaf me een geweldige schok. Bomans dood, jee! Tot aan het eind van mijn loopbaan bij Stork heb ik het AD aangehouden. Daarna ging ik over op de Volkskrant. Omdat hier mooie stukken in stonden van onder andere Kees Fens, Jan Blokker, Hugo Brandt Cortius en Ed Schilders. Over nieuwe boeken, over geschiedenis en kunst. Daarnaast begon ik Vrij Nederland te lezen. De VN-boekenbijlage was geweldig studiemateriaal. En weer later De Groene Amsterdammer. Mijn boekaankopen deed ik vooral door de recensies in die kranten en bladen. Schrijvers als Raymond Carver, Kurt Vonnegut, John Fante, William Burroughs, George Orwell, John Berger, James Joyce, T.S. Elliot enzovoort, leerde ik kennen door de uitgebreide artikelen van onder andere Kees Fens. Weer later kwam Trouw erbij en als laatste de NRC. Abonnementen nam ik niet. Daarvoor was ik te selectief. Eens belde mij een verkoper van een krantenbureau. Of ik geen abonnement wilde? Ik legde de man uit dat indien ik hiertoe zou overgaan, ik maandag en woensdag de Volkskrant wilde, donderdag Trouw, vrijdag de Volkskrant en NRC en zaterdag, voor het nodige regionieuws, Nieuwsblad van het Noorden (later werd dat Dagblad van het Noorden) of de Drents en Asser Courant. Dat ging de arme man boven de pet. Zo’n raar pakket kon hij me niet bieden. In de zomertijd nam ik weleens een tijdelijk abonnement; zes weken voor een tientje, zoiets.

Nog steeds koop ik regelmatig een los nummer. Ik kan het nu eenmaal niet verdragen dat na sluitingstijd de overgebleven exemplaren in de shredder verdwijnen. Vlak voor sluitingstijd pikte ik nog weleens een Trouw, een Volkskrantje of een NRC-tje mee. Soms alle drie. Dat doe ik al lang niet meer. Je moet het ook kunnen behappen en met de nodige boeken en schrijfwerk erbij ….. Men zou de overgebleven exemplaren de volgende dag voor de helft van de prijs neer moeten leggen in de bak met THT-producten, die vanwege het ‘weggooien is zonde’-idee overal opdoken. Nieuws kent namelijk geen houdbaarheidsdatum. Ik graaf met plezier door een stapeltje veronachtzaamde bijlagen en kom nummers tegen van een jaar oud. Niets mis mee! Oud nieuws is nieuw nieuws als je het voor het eerst leest. Misschien red ik het nog net met de papieren krant. Daarna is het over en uit!

24.2.24 Stairway to heaven Vanmorgen hebben we Klaas van der Heijde weggebracht. Ik schrijf een beetje tegen mijn gewoonte in een naam, zijn naam, voluit, omdat hij de telefoon altijd aannam met: Van der Heijde, aan deze zijde. Zou ik dit weglaten, dan doe ik hem tekort, het was zijn handelsmerk. Klaas was een vriend van mij. Maar het begrip vriend is nogal fluïde. Je bent jong, trekt met elkaar op en zult elkaar nooit uit het oog verliezen. Dat zég je uit gewoonte, maar het is een illusie, zo blijkt steeds. Ik ging verhuizen en zag het vriendenclubje waartoe Klaas behoorde niet zo vaak meer. De meesten van ons gingen trouwen. Er kwamen kinderen en tijd voor uitjes was ineens ver te zoeken. Niets ten nadele van wie ook. Soms kwam je elkaar nog eens tegen, in de supermarkt, zomaar ergens op straat. Je praatte even kort bij en dat was het. Met Klaas ging het niet anders. En dan hoor je ineens dat er iemand uit dat inmiddels oud te noemen vriendenclubje ziek is en je belt. We worden ouder hè, is over en weer de teneur. We zullen elkaar weer es opzoeken. Maar ineens kan dat niet meer. Zo ging dat bij Klaas en zo zal het bij mij waarschijnlijk net zo gaan. No hard feelings.

‘U kunt, als u wilt, nu nog even afscheid nemen van Klaas’, zei de uitvaartbegeleidster. Dat wil ik eigenlijk nooit. Het is kort door de bocht te zeggen dat er aan een dood lichaam weinig te bekijken valt. Toch deed ik het. Klaas was een man van grappen en grollen, het staat zelfs op de kaart. Het verbaasde mij dan ook niet dat hij gekleed lag in een helderrood shirtje met daarop iets van Het is moeilijk bescheiden te blijven. Hij moest het laatste woord hebben. Het was hem gegeven. Nog leuker zou zijn geweest: Van der Heijde, aan deze zijde. Iets te macaber misschien. We namen plaats in de aula. Joe Cocker zong With a little help from my friends. Niet de Woodstock-uitvoering. Díe ondergingen we als vriendenclubje in het City-theater te Veendam, ergens in 1970/71. Klaas hield van stevige muziek. Later zou nog Window of my eyes van Cuby & Blizzards passeren en Stairway to heaven van Led Zeppelin. Maar het krijsen van Robert Plant (zanger van Led Zeppelin) bleef mij gelukkig bespaard doordat wij toen al bij de garderobe waren aanbeland. Na het verlaten van de aula, het passeren van de kist, kreeg ik het ineens moeilijk. Stoer, zoals wij dat hier zeggen. Nu was het echt afgelopen. Dat gevoel. Mijn vrouw ving mij op. Het was niet eens de dood die me liet snotteren, het waren vooral de mensen om me heen die me meezogen in hun verdriet. Eén snik is dan voldoende. Daar kan ik niet tegen. Een dna-handicapje. Een andere oude vriend overkwam hetzelfde. We snotterden tegen elkaar in. Ik moest weg, eruit. We verlieten spoorslags het gebouw. Ik herstelde in de beslotenheid van de auto. We reden weg en we dronken korte tijd later de koffie-na bij Bakker Job.

Ik begon dit stukje met het woord ‘weggebracht’. Wij hebben weggebracht ….. Eigenlijk is dat uit de tijd, zoals ook dat vroeger werd gezegd van de overledene: hij of zij is ‘uit de tijd’. Met andere woorden: tijd bestaat voor de dode niet meer. Een waarheid als een koe. Dat wegbrengen van een dode werd gezegd als eufemisme voor het ter aarde bestellen. Voor cremeren klinkt dat onwezenlijk. Het wordt nog zelden gebezigd. Over de keuze van muziek die tijdens een uitvaartdienst ten gehore wordt gebracht, kan men van mening verschillen, maar er iets aan doen is moeilijk. Ik heb nog nooit meegemaakt dat tijdens een uitvaartdienst iemand zijn of haar ongenoegen luid en duidelijk liet horen. Onder het voorwendsel dat het de wil van de overledene is, kan de stille getuige de uitvaartgasten op de valreep nog stevig de oren wassen door bijvoorbeeld de Negende symfonie van Beethoven te laten draaien. En waag het niet er na een minuut of vijf een punt achter te zetten! En dus mocht Joe Cocker zijn 4.54 minuten durende versie van het Beatlesliedje tot de laatste snik uitzingen. Ikzelf zou liever voor iets korts kiezen. Het liedje van Jeroen van Merkwijk Ik hoef je niet te zien, ik kan je dromen bijvoorbeeld. Misschien wel het allermooiste liedje dat de Nederlandse taal heeft voortgebracht. Of iets van Jules de Korte. Romeo en Julio of Wat jammer toch dat alles altijd overgaat. What a wonderful world van Louis Armstrong is een idee of iets van Billie Holiday (This is heaven to me). Of toch maar een rock&roll vluggertje van Buddy Holly (Not fade away), een vroege Bob Dylan (House of the Rising Sun) of een meezinger van Pete Seeger? Mag allemaal. Als het maar kort is. En geen saaie spreker(s) graag! Nou ja, hetgeen gezegd moet worden, meer niet. En toen was de koffie en de koek (appeltaart met slagroom) op en gingen we een beetje bedrukt -dat wel- boodschappen doen en daarna naar huis. We mogen ijs en weder dienende nog een paar jaartjes voort.

23.2.24 Pestgedrag Een mens krijgt via de krant, de nieuwssites op het mobieltje of de televisiejournaals elke dag een niet te verstouwen hoop bagger over zich heen. Het ligt natuurlijk voor 100% aan de mens zelf die roddel en achterklap gulzig tot zich te nemen óf een duidelijke scheiding maken in hetgeen hij wel of niet belieft. Van beide groepen is het een en ander te zeggen. Helemaal verstoken van het nieuws is niet goed, lijkt mij, maar voor heel veel nieuws kan men het moede hoofd beter niet lenen. Misschien is het daarom dat ik nog steeds geen zak-encyclopedie heb. Het zal er ooit weleens van komen, maar zolang het niet hoeft, doe ik het er zonder. Ik ben hierin geloof ik een eenling – niet halsstarrig, eerder op mijn rust gesteld. Want waar ik mij ook bevind, lopend ergens op een achterweggetje, in een dorp of in een middelsteedse winkelcentrum, overal zie ik mensen met oortjes in en/of een telefoontje in de hand. Het is verworden tot een stukje anatomie, tot een lichaamsdeel dat zich vanaf elke plek op aarde laat aansturen. Ook in musea valt het me op hoe gebiologeerd mensen bezig zijn met hun mobieltje en niet met de kunst, waarvoor men toch kwam en -niet onbelangrijk- betaalde. Deze stroom aan cyberinformatie -al dan niet onwaar- kan ertoe leiden dat men geen oog meer heeft voor de alledaagse realiteit en dat het leven daardoor verstoord raakt.

Dat gevoel kreeg ik toen ik in de krant een artikel las van een man die enige tijd geleden met zijn auto was ingereden op een paar jongens die hem en zijn moeder stelselmatig pesten, waardoor hij door het lint was gegaan en een van de jongens met zijn aanval had verwond. Niet ernstig, maar toch …. De dader had vele malen de politie gebeld, maar die waren er getuige het krantenbericht nooit op ingegaan. Zelfs de burgemeester en de Nationale Ombudsman had hij erover gemaild. Geen sjoege! Ik ken de beweegredenen van de pesters niet, als er al een reden mag zijn, want pesten vind ik altijd fout! Ik heb er gelukkig nooit last van gehad en kan me ook niet heugen ooit aan een pesterij te hebben meegedaan. Misschien daarom werd ik ook kribbig toen ik dit bericht las. Goed begrijpen: iemand bewust aanrijden is natuurlijk heel erg fout. Maar hier zijn meer daders in het spel. Waarom heeft de politie en zelfs de burgemeester deze mensen in de kou laten staan? Of wordt pesten oogluikend toegestaan in de plaats waar ik de naam niet van zal noemen? Vast niet! Het is een structureel probleem. In elke klas vindt je op zijn minst 1 pester. In het televisieprogramma Klasgenoten kwam regelmatig een slachtoffer aan het woord die door pestgedrag monddood was gemaakt en niet zelden voor de rest van hem of haar leven was beschadigd. Die man die die jongen aanreed, lijdt volgens het bericht, aan psychische problemen. Wat voor problemen dat zijn, gaat de lezer niet aan, maar die man is dus beschadigd. Misschien wel door pesterijen op school of op zijn werk en is de bom mede door de pesterijen van die jongens gebarsten. De rechter ging een beetje mee met de dader en achtte hem verminderd toerekeningsvatbaar. Dat scheelt de dader enige maanden straf, maar hij krijgt ook een minpuntje op zijn cv. Geen woord echter over de pesters. Ik neem het niet op voor iemand die beneveld door woede op een knul van 12 inrijdt, maar zou toch wel iets tevredener zijn geweest als de rechter tegen de aanwezige jongen (of jongens) een stevige reprimande had afgestoken. Dat pesten iets is uit de boeken van Dik Trom en dat dat vandaag de dag krachtig moet worden bestreden. Waarom Dik Trom? Ik herinner me een voordracht van de schrijver Willem Wilmink, waarin hij nogal af gaf op deze vrolijke polderjongen. ‘Dik Trom was altijd degene die goeie dingen deed en Bruin Boon altijd slechte en daarom was hij altijd aan de beurt als het op pesten en vechten aankwam. Dat kon ik als kind al niet uitstaan. Ieder kind doet stomme dingen, net als volwassenen’, zei hij. Ik dook diep weg in mijn kraag, want ook ik heb met de nodige plezier de strapatsen van deze olijke dikkerd gelezen. Ook ik heb me niet ingehouden toen ik als elf/twaalfjarige de film zag waarin Bruin Boon door Dik Trom op zijn falie kreeg. Nu weet ik beter. Die rechter had die jongen(s), de ouders én de officiële instanties die doof bleven voor de hulproep van de dader, een flinke oorveeg moeten geven. Want pesten is een groot kwaad. Er zijn wereldleiders die er een gewoonte van maken. Die zijn helaas niet meer tot de orde te roepen. Deze jongens wel. Men zou van kinds af al les in sociale omgangsvormen moeten krijgen om pesters in de dop bij te sturen. Het zou mogelijk ook de bulk aan treiterberichten op de mobieltjes flink reduceren. Helemaal uitroeien is niet meer dan wensdenken. Ik hoop in ieder geval dat die jongens ervan hebben geleerd. Die man zal zich waarschijnlijk ongehoord voelen en hierdoor nog meer in zijn schulp duiken. Een trieste zaak, met alleen maar verliezers, zoals dat heet.

17.2.24 Grauwsluier Een middagje Appingedam is altijd aardig. Maar nu ik had het gevoel alsof het hier niet om ging. Alsof het een andere bedoeling had. Het weer zat mee, de zon scheen, daar lag het niet aan. Niet meteen voor ons plezier, maar door een soort overmacht moesten we even de deur uit. Dat had te maken met de gewelddadige dood van Aleksej Navalny. Vrijheidsstrijder en luis in de pels van het Russische regime. Dát hij de dertig jaren hem door de schurkenstaat opgelegde gevangenschap niet vol zou maken, was een uitgemaakte zaak, maar dat hij nu al zou bezwijken hadden weinigen voorzien. Toch gebeurde het. Tijdens een wandelingetje gistermorgen zou hij onwel zijn geworden en te plekke gestorven. Je zou haast medelijden met de bewakers krijgen die voor zijn gezondheid moesten instaan, ervoor moesten waken. Alsof Aleksej Navalny een kwetsbare nazaat was van de laatste tsaar, die de huidige president van de Sovjet Unie koste wat kost in leven wilde houden. Niets is minder waar. Aleksej Navalny is op vrijdag 16 februari 2024 vermoord! Dat is zo klaar als een klontje! En niet op een manier zoals wij doorgaans zien in een detective of lezen in de krant; met een mes, een revolver, een tafelpoot of iets dergelijks. Nee, door hem uit te putten, hem te onthouden van voedsel, van medicijnen, van duisternis om te slapen, van warmte, van rust en van ruimte. Daardoor gaat ieder mens op zeker moment dood. Daar zijn duizenden boeken en verslagen over geschreven. Zijn dood hing sinds het moment dat wij het hoorden als een zware mist om ons heen en daarom moesten we de deur uit. Verse lucht inademen.

Ik parkeerde op een plaats waar het eigenlijk niet mag, bij de Staeteflat. Bij de toegangsweg staat een bordje dat parkeren alleen is toegestaan voor de bewoners en bezoekers aan de flat. Ik waande mij bezoeker. Ruimte zat trouwens. We liepen de stad in. Bij de Damster Boekhandel kocht ik de NRC en daarna gingen we thee drinken en wat eten bij de Koning van Groningen. Een fijne plek, we komen er graag. Langzaam trok de grauwsluier op. Er heerste een zekere luchtigheid in Daam. De eerste terraszitters uitten zich in zweterige vrolijkheid, maar hun strak om het lijf getrokken duffels deed toch anders vermoeden. Wij hadden als altijd Rossi bij ons. Passanten keken naar hem, zeiden dat het een mooi hondje is en kinderen wilden hem aaien. Dat is regel. Zijn aanwezigheid maakt ons minder zichtbaar. Rossi laat zich het allemaal welgevallen. Bij de viskraam op het marktplein roemde een zonbebrilde man van eind zestig Rossi ook. ‘Was dat voor een soort hondje?’, vroeg hij. Ik zei dat ik het een schietstoel noem. ‘Schietstoel! O das’ n goeie’, lachte hij. Ik zei dat ik het zelf bedacht had en dat het natuurlijk een shih tzu is. ‘Leukleuk! Ik maak ook altijd woordgrapjes, vin ik leuk’, oreerde hij. Er kwam nu een stortvloed van kraaktaal op me af. Was te verwachten. Hij was in het dagelijks leven pianostemmer en had in het verleden veel opgetreden als liedjeszanger. Akoestisch, met gitaar. Bob Dylan, Ralph McTell, Pete Seeger, beetje in die richting?, zei ik. Ja ook, maar nu was hij vooral bezig met muziek van The Cramps. The Cramps? Of ik die kende? Jazeker, maar die muziek kun je toch niet alléén spelen. Spijkerharde rockabilly, punk & horrorrock …! O jawel hoor en om dat te demonstreren, smeet hij een paar strofen van Lux Interior (de hooggehakte zanger van de groep) in mijn richting. Ik bemerkte een sterke lucht van tabak en vis. Ik keerde verschrikt mijn hoofd af, bang een naar griepje op te lopen. ‘Maar ik speel ook muziek van Tom Petty hoor’, zei hij om aan te geven dat hij van meerdere markten thuis was. Kom ik ga verder, zei ik. De man wimpelde ons een prettige dag toe. De weldadige geur van vers brood bij de kraam iets verderop liet ik als een reinigende douche over me heen komen. Op de steiger van het Nieuwe Diep zat een groepje vroege drinkers elkaars kennis te betwisten. Bij de muziekkoepel was het stil. Als we Daam aandoen, hangt hier meestal een groepje ouderen te teuten en te roken. Enkelen met een scootmobiel. Zeker nog te koud. Onze auto stond nu op een bijna lege parkeerblok. Niet weggesleept of bekeurd. Ik had niet anders verwacht. We waren immers, net als de weinige bezoekers van de flat, gewoon eventjes op visite geweest.

15.2.24 Frankrijk in het Noorden Het verbaast me iedere keer weer als ik lees hoeveel Nederlandse schrijvers -ik beperk me even tot deze beroepsgroep- zo lovend verslag doen van hun tochten door of hun verblijf in Frankrijk. Menig woordkunstenaar bezit (levend) of bezat (dood) er een optrekje. In de vele dagboeken en verzamelbundels komt deze bijna kwijlerige liefde voor Frankrijk steevast naar voren. Ik ben enkele keren in Frankrijk geweest en ik kijk er geenszins met plezier op terug. Niet alleen verstond niemand mij (dit was overigens wederzijds), maar het trok mij ook helemaal niet aan. Ik ben geen enkele aardige Fransman/vrouw tegen gekomen. In Schotland en in het Lake District had ik al de nodige bergen gezien en ik vond die van Frankrijk niet meteen mooier. Rudy Kousbroek, één van die idolate francofielen, beschrijft in zijn reisverslag Ondergronds toerisme zijn autorit van Bordeaux naar Parijs. Omdat het enigszins op zijn route ligt, besluit hij een bezoek te brengen aan de ruïnes van de abdij van Thélème. Er volgt dan een ANWB-achtige beschrijving met de nodige wegaanduidingen en doorkijkjes. Het gekke is dat zo op het oog totaal onbelangrijke gebeurtenissen door hem sterk worden uitvergroot. Bij het plaatsje La Roche-Clermault bijvoorbeeld, werd het Picrochole verslagen. Hij verborg zich hier toen de dood dreigde, maar werd toch gevonden. Dan heb je je niet goed verschanst, lijkt mij. Bij nader onderzoek kom ik niet verder dan dat die Picrochole een verzinsel is van de schrijver Raibelais. Mooie boel! Mijn hoofd begon een beetje te tollen van al die couleur locale en onbewust begon mijn kennis van onze Vaderlandse Geschiedenis, en dan met name de heldendaden, de Franse te overtreffen. In gedachten reed ik een rondje als Rudy Kousbroek in 1978, maar dan in mijn eigen omgeving.

Rijdend op de N33, sla ik af richting Meeden. Ik kijk even in het boekenkastje aan rechterzijde omstreeks huisnummer 70. In Meeden vindt men prachtige herenboerderijen. In de beginjaren van de 21ste eeuw vonden hier landelijk bekend geworden sabotageacties plaats tegen de komst van de windmolens aan de Noordzijde van dit dorp. Meeden is ook de woonplaats van de Groningstalige zanger Edwin de Vries. Het grote tuincentrum Foltz aan de rechterzijde van het dorp blijkt tijdelijk gesloten. Daarna rijdt men Westerlee binnen, vervolgens Heiligerlee, dat vroeger Oosterlee werd genoemd. In 1568 vond hier een gevecht plaats dat de geschiedenis in zou gaan als de Slag bij Heiligerlee. In de flauwe bocht van de hoofdstraat knalt mij het grote barokke beeld tegemoet dat de gedachtenis aan dit gevecht in ere moet houden. Ik parkeer de auto en loop er even op af. Zoals altijd tref ik een plaatselijke bewoner die in kleuren en fleuren vertelt wat er hier heeft plaatsgevonden. Bij een eerder trof ik er eens een gemeentewerker, die met een heel ander verhaal kwam. Overkomt u dat, leg beide verhalen over elkaar heen en maak er zelf een geloofwaardig geheel van. Feit is dat op de plek van het monument vroeger het premonstratenzer klooster ‘Mons Sinaï’ stond. Kloosterlingen en boeren beheerden en ontgonnen dit gebied. Na de reformatie zijn de meeste kloosters afgebroken. Mooi. Met de dood van graaf Adolf van Nassau op deze plek (die bestond wél echt) begon de Tachtigjarige Oorlog. Kijk, dan praat je ergens over! Dat is andere koek dan dat verstoppertjespelen van Pirocholle. Doorrijdend komen we langs het museum dat aan de importantie van deze slag is gewijd. De keer dat mijn vrouw en ik dit museum bezochten, waren wij de enigen. Maar daar gaat het niet om; het museum is er dan toch maar! Er tegenover bevindt zich het Klokkenmuseum. Dat bleek telkens als wij er aanklopten gesloten. Desalniettemin is het bestaan ervan bekend en zet het Heiligerlee mede op de kaart. Las ik in het verhaal van Rudy Kousbroek over zulke belangrijke bezienswaardigheden? Nee, driewerf nee! Wij zetten onze reis voort en naderen het ‘Parijs van het Noorden’: Winschoten. Vroeger noemde men het een vlek, toen een dorp, maar sinds 1825 mag Winschoten zich een heuse stad noemen. De toerist zal hier weinig van merken. De Sodommers zijn namelijk bescheiden van aard. Het paviljoen ‘Het Rosarium’ is beslist een bezoekje waard. In de binnenstad zijn aardige optrekjes te vinden. Het is wel even zoeken, ik geef het toe. Heeft Winschoten grote zonen voortgebracht? O zeker! Wat te denken van de beroemde voetballer Jan Mulder. Van hem zal te zijner tijd een levensgroot bronzen beeld op het Israëlplein verschijnen. Voorgesteld is hem richting het beroemde uitgaansgelegenheid ‘Het Pleintje’ te laten kijken. Ook steggelt het gemeentebestuur al jaren over een in gietbeton uitgevoerde naamplaat voor de veel gelezen dichter en vroegere stadsgenoot J.P. Rawie. De dichter is zelf mordicus tegen. Wat moet je dan als B en W? Doorzetten, lijkt mij! Zet je neer op een van de wrakke stoelen op het plein en laat je vergasten op een broodje Winschoot. Het is eenvoudige kost. ‘Parijs van het Noorden’, mijmer ik, terwijl ik het broodje probeer weg te werken. Ik weet het, het is een plaagstoot in de richting van haar zuidelijke evenknie. Men kan er van denken wat men wil.

Na zoveel toewijding en lof over het gebied waar Rudy Kousbroek zich bevindt, denk je als lezer af te stomen op een klinkende apotheose. Niets is minder waar! Van dat vorengenoemde abdij blijkt niets meer over. Een stukje kelder is al wat rest. Daar moet hij het mee doen. Van het Heiligerleester klooster is óók niets meer over, maar niemand noemt het. Bijna niemand weet van het bestaan ervan. Een enkele gemeentewerker of een toevallige buurtgenoot en op hun kennis kun je als onwetende toerist niet recht vertrouwen. Daarom mijn vergeefse vraag aan Rudy Kousbroek; Waarom zo veel ophef gemaakt over iets dat er niet is? Waarom afgedaald naar een restje kelder? Vanwege Frankrijk? La me toch nie lache!

14.2.24 Hutje op de hei (een modern sprookje, de korte versie) Een mens wil altijd wat, daarvoor is hij mens en bijvoorbeeld geen hond. Onze hond (‘Rossi is de naam’) vraagt niets. Hij kijkt zo tegen halftien vanuit zijn legerstede op omdat hij meent dat ik hem uit ga laten. Das des honds of eigenlijk des diers. Wij mensen stellen doelen. De hond was ooit zo’n doel. Als bewaker, als metgezel, als lastdier. Zonder Bello, Bijtgraag of Komhier zag de wereld er heel anders uit. Maar daar wil ik het niet over hebben. De goede GOD (het Grootste Onnoembare Dilemma) heeft hier Midas Dekkers voor geschapen. Die weet er wel raad mee. Ik nam mij echter in een gedachtenflits voor elke maand een sprookje te schrijven. Want we leven steeds meer in een wereld waarin we door in sprookjes te geloven nog enkel kunnen overleven. Dat klinkt dramatisch en dat is het ook. Geloven we nÍet in sprookjes, dan krijgen we het moeilijk. Laten we eerst eens kijken hoe lang sprookjes al bestaan. Hee-eel lang. Het is misschien wel de oudste vertelvorm en de weergave van onoverwinnelijkheid. Goed tegen Kwaad. Altijd hetzelfde gedonder. Het is bedoeld als zegeviering van het goede, het kwade moet de klip op de neus krijgen. Stel dat de wolf als winnaar uit het sprookje Roodkapje was gekomen. Of de reuzen in de volksvertelling Ellert & Brammert? Geen denken aan! Maar helaas worden sprookjes bijna altijd -in een iets andere vorm weliswaar- realiteit. Kan even duren, dat wel. Dan gaan de kwelgeesten rammeien, gaan ons het leven zuur maken en het goede verdrijven. Over de wolf wil ik het niet hebben, want hij heeft hoe dan ook reden van bestaan. Over het aanbod te scoren prooidieren zou ik het wél kunnen hebben, hoe goed we ons best ook doen de wolf er uit de buurt te houden. Maar geen dier houdt zich aan de door de mens opgelegde regels en gebaande paden. Hij zal gelijk een olifant steeds nieuwe (lees: makkelijker, begaanbaardere) doorgangen forceren. Dat doet de mens ook. Het Suez- en Panamakanaal zijn zulke voorbeelden. Doordat wij mensen de leefwereld van schier alle dieren, bomen en planten elke minuut van de dag verkleinen en vergiftigen, gaat zich dit ook steeds meer tegen ons keren en worden wij uiteindelijk slachtoffer van onze eigen hebzucht en schreeuw om leefruimte. Daar hoef je geen hogere wiskunde voor te hebben gestudeerd.

Ja, wilde ik een sprookje schrijven, dwingt mijn hoofd zich tóch weer richting de grote boem. Hoe is dat toch mogelijk?! Ik doe juist alle moeite om dat te voorkomen. In gedachten had ik mijn huis geruild voor een hutje op de hei, om van het onnodige consumptisme gevrijwaard te worden. Ik leef op wat de natuur mij te bieden heeft. Slechts de vogels zijn mijn leefgenoten. Af en toe komt er een eekhoorn voorbij, maar dat is logisch, zo zijn die dieren. Of een ontsnapte damhert en dan nog eentje en nog eentje, want als er eentje over de dam is …. Hoe lang zal ik dit rauwe leven volhouden? Een week, een maand? Sommige mensen wagen het. Niet uit vrekkigheid, maar omdat ze terug willen naar de natuur, naar het barre bestaan. In mijn sprookje gaat dat ook zo. Maar op een dag komt er een man langs. Hij belt aan (want het is een modern hutje, met een voordeur en een koperen bel) en overhandigt mij een formulier met de woorden: ‘Asteblief. Morgen stemmen. Verplicht’. Stel ik mij dan op als anarchist of als autonoom en zeg ‘rot op, krijg de klere!?’ Daarmee verspeel ik mijn recht op kritiek en zorg voor tweespalt. Het schaap mag meedoen, de wolf niet. Op een avond steekt iemand, na zich meester te hebben gemaakt van mijn bel, mijn hutje in de fik. Ik was bessen en kruiden aan het zoeken in het bosje iets verderop. Een mens moet nu eenmaal eten. Mijn enige gedachte bij het smeulende restje is ‘ Hoe nu verder?’ Hier eindigt mijn sprookje. Sprookjesbedenkers besluiten bijna altijd met: ‘En ze leefden nog lang en gelukkig’. Ze krijgen nooit last van aambeien of voetjicht of etalagebenen, zelfs geen kriebelhoest. Ze klagen niet over buren die snoeiharde muziek draaien of over de rook van halfdroog hout. Lekker makkelijk! En sprookjes gaan altijd over feeën en booswichten. Schaap tegen Wolf. De ene heet bijvoorbeeld Taylor Swift en de andere Donald Trump ….

Ik wilde mijn sprookje kort houden. Ik lees het voor aan mijn vrouw. ‘Waar ben ík in dat hutje-verhaal?’, zegt ze. Ze heeft gelijk. Ik was haar even vergeten. Kan gebeuren. Ik zeg dat het ook een raar sprookje is, eigenlijk een non-sprookje. Rossi steekt zijn kop (‘hoofd’, gromt hij) op. ’t Is halftien. Hij is aan de beurt. Einde gefantaseer. Aan de slag maar weer.

12.2.24 Kunst op hol! Lammert is een hoogst intelligente man die nu en dan in de plaatselijke bieb mijn laptopje onder handen neemt, omdat het ding af en toe een eigen koers vaart. Lammert brengt de boel als een cyberkapitein weer op orde. Ik ben hem hiervoor zeer erkentelijk. Onlangs vertelde hij wat je tegenwoordig viraal al niet kunt en hij noemde hierbij de ongekende mogelijkheden van Artificiële Intelligentie, in de volksmond A.I. (uitspraak: Ee Aai) geheten. Een beetje knutselaar bakt in een oogwenk een Nachtwacht-lookalike in elkaar. Hij kwam daarop doordat wij allebei naar de expositie over Vincent van Gogh in het Drents Museum waren geweest. Nu moest ik van de week weer eventjes naar de bieb en Lammert liet mij in het voorbijgaan op zijn mobieltje enige tafereeltjes zien die me sterk deden denken aan de schilderstijl van Seurat, Gauguin en Van Gogh. Maar ik had al snel door dat hij mij een poets probeerde te bakken en dat was ook zo. Hij had die ‘schilderijen’ zelf in elkaar geflanst. Eigenlijk is dat nog teveel gezegd, want nadat de opdrachtgever aan A.I. heeft doorgegeven welk soort schilderij en in welke stijl hij het wil hebben, braakt het mobieltje het al uit. Een schilder die met olie- of waterverf een dergelijk tafereeltje wil produceren, kan er zijn of haar verfdoos amper voor open maken. Ik bekeek de plaatjes en zei ‘Aardig’. Lammert had waarschijnlijk iets meer verwacht en onthulde dat híj de maker ervan was. Juist ja.

Artificiële kunst is het nieuwste speeltje van de cybercowboys. Wat volgt? De eerste verhalen en gedichten komen er ook al aan. Over niet al te lange tijd zal men het verschil niet meer lezen tussen een doorsnee A.I-verhaal en een nagelaten werk van de bijna Nobelprijslaureaat Harry Mulisch. Dat wordt nog oppassen geblazen voor jury’s van literaire wedstrijden. Een computerfreak geeft zijn machine opdracht tot het fabriceren van een roman. Hij (altijd mannen die zulk soort dingen doen!) voert de nodige ingrediënten in en terwijl de computer er een amalgaam van maakt, drinkt hij onderwijl een latte of koffie verkeerd en kort erop ratelt zijn printer er een 300-tal pagina uit. De man leest het geheel door, corrigeert hier en daar een spellingsfoutje, wist een paar minder geslaagde personages en voegt enige stijlblunders toe. Voilà …., klaar is Kees! Hij stuurt het geheel anoniem naar een uitgever en die geeft het meteen uit. De uitgever plaatst advertenties op de voorpagina van alle bekende kranten en binnen een maand staat het boek op nummer 1 van de lijst van meest gelezen boeken. We hebben het gezien met Hendrik Groen. De schrijver van deze inmiddels 3 of 4 vervolgboeken hult zich in stilzwijgen. Vanwege enkele secuur ingebrachte stijlfouten, waarderen de kranten het boek met maximaal 4 sterren. De schrijver is laaiend enthousiast, het kan niet beter, want hij weet dat boeken met 5 sterren heel moeilijk worden verkocht. 5 schrikt af, het is te veel. 4 sterren is ideaal! Als de verkoop terugloopt, laat hij wederom een boek verschijnen. En weer is het kassa! Maar de computer is ook niet gek en bij boek 3 begint hij te jennen en voegt opzettelijk structuurfouten toe die de schrijver -gemakzuchtig als hij geworden is- over het hoofd ziet. Misschien ligt daar ook wel mijn eigen falen en ben ik af en toe iemand nodig als Lammert om de boel weer in het gareel te brengen. Boek 3 belandt spoedig in de uitverkoopbakken. Einde succesverhaal. En zo zal het ook gaan met al die artificiële kunstproducten: het is even mooi, maar de grap is er gauw af. De jaarlijkse vrijmarkten zullen worden overspoeld met afzichtelijke prullen en kunstig in elkaar geflanste flutromans. Zo ver is het nog niet. Bij mijn eerstvolgend bezoek aan de bieb verwacht ik van Lammert op z’n minst een gedichtenbundel van middelhoog niveau en daarna een spannende avonturenroman. Ik kan niet wachten…

10.2.24 Laakbare uitwassen Toch nog even over het carnaval, want op de televisie zag ik bij meerdere regionale omroepen praalwagens en optochten voorbij trekken en gezwierezwaai van dansmariekes en gehos van duizenden feestgangers. Ik ben niet gek op het ingeklemd staan tussen mensen die ik niet ken en wiens uitgeblazen lucht ik noodgedwongen moet inademen. Dat had ik al als kind. Afstand houden was niet eens een door mijn ouders of juffen en schoolmeesters ingegeven advies. In de vroegere bussen moest ik ook regelmatig staan. Een gruwel. Zodra er een stoel vrij kwam dook ik erop af. Niet omdat ik iemand anders deze zitplaats niet gunde, maar om iets vrijer te kunnen ademen. Terug naar het carnaval, want onlangs las ik dat frotteurs in een als boven geschetste situatie nogal eens hun vunzige slag slaan. Ik wist lange tijd niet wat een frotteur was, tot ik op een dag het woord tegenkwam in een rechtbankverslag. Het woord is afgeleid van het Franse frotter, wat wrijven betekent. Een frotteur wrijft in genoemd geval met diens lichaam ongewenst tegen dat van een ander. Daar krijgt hij een kick van, windt hem op. Ik zeg hij, want het zijn bijna altijd mannen die deze afwijking hebben en bijna altijd die vrouwen hier het slachtoffer van zijn. Toen ik het woord las, kon ik de afwijking meteen plaatsen. Er reisde ten tijde dat ik met de bus naar mijn werk in Assen ging, regelmatig een miezerige vent mee. Het was een loensende, van vettig haar voorziene prototype van de latere ‘Vieze man’, dewelke bedacht en tot leven werd geroepen door Kees van Kooten. Die griezel nam als het kon plaats naast een alleen zittende vrouw. Na enige tijd begon zij te schuiven en dan wist je dat die griezel tegen haar aan schurkte. Een vorm van aanranding. Soms leidde zijn gewrijf tot beroering en verbaal of handelend optreden van het slachtoffer. Die vent was natuurlijk gestoord, maar even erg was het dat de andere passagiers -waaronder ikzelf!- er weinig aan deden. Daar denk ik nog weleens aan. Slechts één keer heb ik er wat van gezegd. Dat was toen die griezel naast een vrouw plaats wilde nemen, terwijl er nog genoeg lege banken waren. Hij keek me geschrokken met zijn rattenoogjes aan en ging een paar plaatsen verderop zitten. Zo makkelijk had het dus al die andere keren ook gekund, dacht ik later. Het voelde niet als een overwinning, verre van zelfs. En één keer heb ik meegemaakt dat de chauffeur hem de bus uitzette. De chauffeur had hem kennelijk via zijn spiegel in de gaten gehouden en toen hij zag dat die vent aan het donderjagen was, zette hij hem er bij Anderen uit. Voor niet bekenden met de plaatselijke situatie; dat is ongeveer 3 kilometer van Rolde en er lag toen nog geen fiets/wandelpad.

Toen ik dit gegeven in de krant las, moest ik denken aan het verhaal Een vakman van Simon Carmiggelt. Het staat in de bundel Duiven melken. Het is de eerste door mij gekochte bundel van Carmiggelt (aankoopprijs: 3gulden90 – jaar: 1970). Dat verhaal gaat over een modeontwerper die een tegenover hem zittende vrouw als het ware op haar kleding, haar uiterlijk en haar maniertjes taxeert. Niets deugt aan die vrouw. Hij doet het zoals Carmiggelt schrijft ‘met klevende blik’. Zij voelt zich in de geschetste situatie erg ongemakkelijk en als de trein stopt en zij uitstapt, smijt ze hem op de drempel van de coupé recht in het gezicht ‘Smeerlap!’ toe.

Iets van een andere orde, maar passend in het thema carnaval. Het betreft hier het carnavalsfeest dat door de p.v. van mijn eerste werkgever enige keren werd georganiseerd in de kantine van de fabriek. Die kantine bevond zich boven, de brede betonnen trap op, rechts. Ik zie het nog zo voor me, hoewel ik er na oktober 1978 nooit meer ben geweest. Het ging er bij dat feest bepaald niet preuts toe. De tijd was er naar, begin jaren zeventig, alles moest zogenaamd kunnen. Pop-art, Twiggy, minirok, hotpants, monokini, vrije seks & de NSVH. Er zijn verkeringen uit die feesten voortgekomen. Een keurige kantoormedewerker -getrouwd, plusminus vijftig jaar- ging als vrouw verkleed naar dat feest. Hij wist deze maskerade zo precies uit te voeren en gedurende de hele avond te volharden, dat tijdens de schrikkeldansen enige mannelijke gasten er met open ogen intuinden. Dit tot grote hilariteit van zijn collega’s, die allang door hadden dat het meneer G. van de administratie was. ’s Maandags werd er nog lang nagepraat over die gek van kantoor en viel niet zelden het woord travestiet (ook nieuw voor mij!). Sindsdien werd hij met ontzag door de één en hoofdschuddend door de ander bekeken. Maar een dergelijk optreden kun je moeilijk laakbaar noemen. Sterker nog; mocht het zijn dat een ieder door het ver- of omkleden iets meer gewaar wordt van de leefwereld en de roerselen van de andere sekse, dan kan ik dat alleen maar toejuichen. Daar ben je geen carnaval voor nodig. Een beetje moed en het accepteren van het risico voor paal te staan. Maar dat risico loop je ook als je je als carnavalsvierder in een bananenpak hebt gestoken en elke onverlaat je onzacht wil afpellen. Bijt dan maar es van je af!

8.2.24 Het laatste sprookje Er was eens een sprookjesschrijver wiens sprookjes over heel de wereld werden gelezen. Hij woonde in het stadje Tulpendam in een kast van een huis, maar dat viel helemaal niet op, omdat bijna alle inwoners van Tulpendam in een kast van een huis woonden. Het was daarmee een van de mooiste en rijkste steden van de wereld. De sprookjesschrijver wist dat want hij had de stad zelf bedacht en duizenden arbeiders hadden meegewerkt om het te bouwen. De sprookjesschrijver had 872 sprookjes geschreven. De meeste van die sprookjes begonnen met een arm meisje dat met een paar vingerknippen idioot rijk was geworden en jongens die idioot rijk waren geboren en na een paar vingerknippen ….. Nou ja, kort gezegd; het draaide altijd om prinsen en prinsessen en op een dag had de sprookjesschrijver het wel gehad met die troela’s die steeds maar weer strijd leverden met kikkers en boze heksen of gemene stiefmoeders. ’t Is klaar, dacht-ie. Nu bestonden er geen leerboeken hoe men sprookjes moet schrijven, evenmin hoe een sprookjesschrijver zich kan opwerken tot een saaie romanschrijver. Diep bedroefd keek hij uit het raam naar de kast van het huis tegenover dat van hem en de kast ernaast en verder en verder tot hij geen huis meer kon zien maar nog slechts de kerktoren in de vorm van een reusachtige bruidstaart. Die was gemodelleerd naar zijn sprookje Het suikerhuwelijk (sprookje nummer 108 uit de verzamelde werken). Het was vertaald in bijna alle talen die er op de wereld werden gesproken en had Tulpendam, omdat de stad er een belangrijke rol inspeelde, op de kaart gezet. Daarom had de schrijver gemeend van de opbrengsten van dat sprookje dit gedrocht te laten bouwen. Hij bezag het nu als een jeugdzonde. Toeristen uit de hele wereld vergaapten zich eraan. Elk uur van de dag klonk vanuit de toren een suite van een bekende componist. Van Bach tot Vivaldi en andersom. Het kwam hem zijn neus uit! Terwijl hij zo stond te somberen en te mijmeren en na te denken over een beginnetje van wat sprookje 873 zou moeten worden, naderde er een meisje. De sprookjesschrijver zag het meisje de straat oversteken en voor zijn raam halt houden. Toen frommelde ze wat in haar linnen schoudertas en haalde er iets uit dat een spandoek bleef te zijn. In krachtige letters stond erop: ‘Al uw sprookjes zijn leugens!’ De sprookjesschrijver las het enige keren en dacht ‘Ja, dat meisje heeft gelijk, maar het is natuurlijk al eeuwen bekend dat sprookjesschrijvers alles uit hun duim zuigen’ (zie sprookje nr. 219 De duimzuiger). Daarna draaide het meisje haar spandoek om en daar stond te lezen: ‘Schrijf eens een WAAR sprookje!’ De sprookjesschrijver opende zijn raam en zei: ‘Dat kan ik niet meisje. Ik kan geen WAAR sprookje schrijven. Sprookjes zijn leugens om kinderen zoet te houden en grote mensen het gevoel te geven dat de wereld maakbaar is. Als ik de waarheid zou schrijven, ga ik dood. Begrijp je dat?’ Het meisje keek hem strak aan en schudde het hoofd. Haar twee vlechten zwaaiden mee. ‘U zou kunnen beginnen met “Er zijn twee heel ongelukkige mensen …. ” en dan moet u zorgen dat ze aan het eind van het verhaal gelukkig zijn en goed te eten en te drinken hebben en geen ontroerende belasting hoeven te betalen. Zoiets. Als u dát kunt, dan bent u een echte sprookjesschrijver. Nu niet’. Verhip, dacht de sprookjesschrijver, ze heeft wel een beetje gelijk, en hij knipperde met zijn ogen, omdat een vliegje hem plaagde en toen hij weer opkeek was het meisje weg.

Die nacht sliep de sprookjesschrijver heel slecht. Dat kwam bijna nooit voor, want zelfs daarin had hij de hand. De enige keer dat hij beroerd had geslapen was omdat Paaseiland zijn sprookje De gemene langoorduiker (nr. 381) in de ban had gedaan. Daar was hij niet tegen opgewassen geweest. En nu dan vanwege dat meisje. Het was ook een brutaal meisje, vond hij, door zomaar voor zijn raam te gaan staan met een spandoek. Dat had hij nog nooit beleefd. Maar toch had ze wel een punt vond hij na lang draaien en halfslapen. Omdat er van slapen toch niets terecht kwam, stond hij op en keek naar de Bruidstaarttoren en zag dat het kwart voor vijf was. De hele stad sliep nog. Het leek hem een goed moment een ommetje te maken. Dat was hij niet gewend, want zoals het een sprookjesschrijver betaamd, hoefde hij feitelijk de deur nooit uit. Eén vingerknip was voldoende om verzekerd te zijn van een volle koelkast en aan schoonmaken deed hij niet. Een schrijver mag wel een beetje smoezelig te leven, vond hij. Hij kleedde zich aan en stapte de straat op. Hij liep naar de grote markt, waar enige mannen bezig waren de met goud geplaveide klinkers schoon te vegen en te poetsen. Hij vroeg de mannen hoe het kwam dat er zoveel rommel lag. Ze zeiden dat er een groot feest was geweest en dat mensen de gewoonte hebben drinkglazen en etensbakjes te laten vallen waar ze staan en dat zíj het nu opruimden. Dat was hun werk. ‘Juist ja’, sprak de sprookjesschrijver, die voor de mannen totaal onbekend was. ‘Maar zijn jullie gelukkig?’, zei hij. De mannen keken elkaar een seconde aan en barstten toen in een homerisch gelach uit. Toen ze langzaam weer bedaarden, zei een van hen: ‘Kom jij uit de kroeg ofzo of zit’r een schroeffie bij jou los?’ ‘Nee, ik bedoel het uiterst serieus en precies zoals ik het zeg’, zei de sprookjesschrijver streng. Nu kalmeerden de mannen en eentje werd een beetje bozig. ‘Ik zou er best wel een paar centen bij willen hebben’, zei-die en een ander zei dat hij wel een beter huis wilde, want het zijne was een krot. De sprookjesschrijver hoorde de klachten aan en voorkwam nog net te zeggen ‘Komt voor de bakker’, want dat zou weleens als grootspraak kunnen worden verstaan. Daarom zei hij: ‘Ik zal het aankaarten bij de burgemeester’ en liep richting het stadhuis. De mannen lachten en riepen hem na dat hij dat zéker moest doen. En hij dééd het! ‘Ik eis dat u alle straatvegers dubbel zoveel gaat betalen als nu het geval is’, zei de sprookjesschrijver tegen de burgemeester, ‘en anders ga ik verhuizen en gelast dat die spuuglelijke Bruidstaarttoren wordt afgebroken, waardoor de toeristen in het vervolg gewoon weer naar Urk of Giethoorn gaan. Ik hoop dat ik duidelijk ben!’ De burgemeester schrok zich een hoed met veren en gaf de penningmeester meteen opdracht dit uit te voeren. ‘En ik dan?’, zei de sluwaard. ‘Nou vooruit dan, jij ook’, zei de burgemeester. Tegen een toevallige passerende ponstypiste die het hoorde, zei hij met een mondje-dicht-gebaar hetzelfde. Edoch, tegen de koffiepauze wist het hele ambtenarenbestand dat er een behoorlijke loonsverhoging op til was.

Die avond -de sprookjesschrijver zat in zijn lounge wat weg te dutten- stond plotseling het meisje weer voor het raam en ontrolde wederom een spandoek. Er stond slechts ‘EN?’ op. De sprookjesschrijver opende het raam en vertelde haar wat hem was overkomen. ‘Goed werk’, zei het meisje, ‘maar ik hou het in de gaten’. Daarna verdween ze in een knipoog. Bizar, dacht de sprookjesschrijver, en ik heb haar niet eens zelf bedacht. Op dat moment kreeg hij een ingeving, want zó begint elk verhaal: met een ingeving. Hij zette zich achter zijn Remmington en tikte: Het laatste sprookje. De hele nacht tikte hij zich de blaren op de vingers en toen hij honger kreeg bleek zijn koelkast op een beschimmeld broodje na leeg. En toen hij op de klok van de Bruidstaarttoren wilde kijken, bleek ze weg te zijn. Al wat restte was een groot gat met een stukje horizon. En de huizen aan de overzijde waren krotten. Maar in de verte hoorde hij gezang en dat stemde hem tevreden. Hij gaapte zoals hij nog nooit had gegaapt en legde zich neer op zijn canapé en viel ogenblikkelijk in slaap. Het laatste wat hij dacht was dat hij voortaan altijd de waarheid zou schrijven en als het meisje weer zou komen zou hijhijijijijijzzzzzzz…..

nb. De sprookjesschrijver hield woord. Hij leefde nog lang in een weliswaar eenvoudig stulpje en moest zijn eigen boodschappen doen, maar hoefde nooit af te wassen of te stofzuigen. Dat gebeurde gewoon. Hoe? ??

6.2.24 De Gaiterzwierders ’t Is februarimaand en dat betekent dat er in heel het land carnaval wordt gevierd. Ik zou het kort kunnen houden en volstaan met de mededeling dat ik niets met dit volksfeest heb, want dat ik niet in een deel van het land woon waar je je moeilijk kunt onttrekken aan het gedruis en dus ook niet overgeleverd ben aan de regels die hiervoor gelden. Want als je het carnavalsfeest goed wil spelen (belijden zou ik haast willen zeggen), dan zul je na die drie dagen van ongebreideld lallen en vreemdgaan óók de Aswoensdag moeten vieren en daarna 40 dagen vasten. Zó was het dacht ik ooit bedoeld. Maar dat laatste schijnt nog slechts sporadisch plaats te vinden en zelfs in de weinige kloosters gaat men hier soepel mee om, las ik. Vroeger werd met deze regel de hand niet gelicht en zagen zij deze overdadige voedsel- en drankinname als pure noodzaak. Zij moesten immers 40 dagen zónder! Aan het eind van de vastentijd troffen zij elkaar in deplorabele toestand voor de deur van de bakker of de slager. Ze waren sterk vermagerd en amper in staat een woord te wisselen. Dat getal 40 duidt op de 40 jaren van rampspoed dat het volk van Israël in ballingschap had moeten doorstaan. Dat is veel later aan het carnavalsfeest toegevoegd om het een diepere betekenis te geven en de reden tot de exuberante inname van drank en voedsel te vergoelijken. Het beeld dat ik schets is natuurlijk niet algemeen en mag u als lezer met een korreltje zout nemen. Neemt niet weg dat het nog steeds de flair heeft van een vrijmoedig gebeuren. Op een foto die ik vanmorgen in de krant aantrof, poseert de Raad van Elf + de Vorst en de Prins van de carnavalsvereniging De Gaiterzwierders. Het is een kloek gezelschap van oppassende mannen. Wat ik echter mis zijn een paar vrouwen. Het besturen van een carnavalsfeest wordt nog steeds voorbehouden aan mannen, omdat het deel uitmaakte van de kerkelijke dogma’s. Er zijn zo hier en daar uitzonderingen, maar net als in de paapse kerk maken mannen de dienst uit. Da’s jammer. Ook die pronkerige veren mogen gezien de stand van de wilde vogels wat mij betreft wel afvallen. Voor de rest geen kwaad woord er over.

Mijn dorp heeft ook enige jaren een carnavalsvereniging gekend. Omdat het inwonertal te gering was om uit het potentieel ieder jaar een nieuwe Raad van Elf + Prins te formeren, maakte het niet uit wie zich ervoor aan melde. Er was denk ik van ballotage geen sprake. Op de middag vóór de carnavalsavond (zaterdag) dat in het dorpscafé plaatsvond, reed de Raad van Elf + Prins op een boerenwagen door het dorp. Ik heb één van die carnavalsavonden meegemaakt. Omdat verkleding zeer op prijs werd gesteld, had ons vriendenclubje zich in ons stamcafé te Gieten geschminkt en in witte flanellen jassen gestoken en die met ecoline besmeurd, zodat het macabere beeld van een clubje slagers ontstond. De eigenaar van ons stamcafé was doordeweeks namelijk werkzaam als controleur bij de vleesverwerkingsfabriek Udema en bezat een aantal van die hagelwitte jassen. Iemand stelde voor als een ranzig stelletje controleurs naar het feest te gaan. We togen tegen een uur of elf derwaarts. We hadden de lach aan de kont, maar onze grap werd niet begrepen en we werden subiet de zaal uitgeboesjoerd. Einde carnaval! Nu was ik donateur van de vereniging -enkel uit sympathie voor de activiteit als zodanig, zoals ik om dezelfde reden lid ben van de ijsvereniging- en na het uittrekken van mijn ‘bebloede’ jas, werd ik zonder problemen toegelaten. De andere jongens deden hetzelfde, betaalden entree en werden toen zonder verder protest gedoogd.

Geen ecolinevlek, maar een andere vlek bedierf voor mij toch nog de vreugde die avond. Op zeker moment verliet ik de zaak om huiswaarts te keren, toen vlak nadat ik de deur achter mij had dichtgetrokken, deze opnieuw en ruw werd geopend en een man naar buiten struikelde die languit op het trottoir viel. Hij was hard terechtgekomen, dat zag ik meteen. Ik wende mij vlug naar hem en vroeg hoe het ging. Hij kreunde. Gelijk kwam ook zijn vrouw naar buiten. Ook zij zwalkte. We overlegden wat we met hem aan moesten. Ik bood aan hen naar huis te brengen en reed daartoe mijn auto voor en samen sleeptilden we hem op de achterbank. Dat ging bepaald niet zachtzinnig. Bij hen thuis hielp ik haar mee binnen te krijgen. Daar zou het wat mij betreft bij zijn gebleven. Edoch, zondag tegen de avond belde de vrouw van die man om mij te bedanken voor mijn hulp. Op mijn vraag hoe het met hem ging zei ze dat hij zijn rechterbeen op twee plekken had gebroken. Dat was wel even schrikken! Hij hield tot in het ziekenhuis vol niets van de valpartij te hebben vernomen. Mogelijk omdat hij straalbezopen was, had dit gezorgd voor een goede verdoving. De pijn kwam pas toen hij later die ochtend ontwaakte, waarop zij de dokter belde. Enfin, een rauw staartje. Het jaar erop kon de vereniging kennelijk geen capabele Raad van Elf meer voor elkaar krijgen en hield ze op te bestaan.

Nog even over dat vreemdgaan. Er deden ook in mijn dorp aangaande deze nevenactiviteit allerlei schimmige berichten de ronde. In het verslag uit de jaren zeventig dat ik hierover las, maakte 75% van de mannen zich hieraan schuldig en 65% van de vrouwen. Waar dat verschil in zat is mijn niet duidelijk. Of tot het vasten ook het vleselijk genot gerekend moet worden, weet ik niet. We zijn 50 jaar verder. Op het gebied van de omgangsregels zijn de normen aangescherpt en is het morele paspoort onder een vergrootglas komen te liggen. De mannen op de foto zijn zich hier duidelijk van bewust. Ze houden devoot hun handen voor hun kruis en lachen op aanwijzing van de fotograaf breeduit. Na woensdag zijn ze weer gewoon monteur of metselaar of verkoopchef in een garage en kijken met plezier terug op een geslaagd feest. Ik zou er bijna jaloers op worden!

3.2.24 Stamboom Van de weinige amusementsprogramma’s die ik op de televisie kijk, behoort steevast Verborgen verleden. Hierin wordt de stamboom van een bekende Nederlander nagetrokken. Voor mij zijn die zogeheten bn-ers lang niet altijd bekend en daarom is een inleidinkje geen overbodige luxe. Het verrassende is dat de wortels van de gestamboomde personen niet zelden buiten Nederland liggen. Een verre voorouder is bijvoorbeeld als scheepsjongen in de Noordelijke landen gestrand of als loteling ontvlucht aan zijn oproep. Zo iemand kon daarna niet meer naar het land van herkomst terug. Het kan ook zijn dat hij het leven hier plezierig vond en dat hij na wat rondzwerven en aanmodderen een vrouw trof, ermee trouwde en zo ontvouwt zich de familiegeschiedenis. Van sommigen is dat tot in de duistere middeleeuwen terug te lezen, van anderen houdt het bij Napoleon al op.

Gisteren was Ilse Warringa aan de beurt. Ik kende haar alleen van de rol van strenge juf in de serie De luizenmoeder. Die serie werd mij enige jaren geleden door een kennis aangeraden. Ik heb er geloof ik twee afleveringen van gezien, toen wist ik het wel. Wat mij opviel was die strakke blik van die juf, Ilse Warringa dus. Maar de naam Warringa deed bij mij toen geen belletje rinkelen. Vanavond wel. Dat zit zo. Van de Haandrikman-kant woonden er meerdere leden in het dorpje Ees. Eén van die mensen heette Jan Warringa. Hij was getrouwd met Annechien Haandrikman. Het was haar tweede huwelijk. Zij had een dochter uit het eerste huwelijk, Margje, die trouwde met Harm Smeenge. Zij woonden allen in Ees, zelfs naast elkaar. Tussen beide huizen lag een weilandje. Harm en Margje hadden twee zonen: Henderikus en Jan. (Ik heb ze onlangs nog in een stukje genoemd). Annechien overleed op 19 mei 1957 te Ees. Slechts 55 jaar oud. Jan Warringa bleef in het huis wonen en hertrouwde niet. En zo kende ik hem ook; een ietwat eenzame, stille, niet onvriendelijke man. Hij was tamelijk lang, liep stijl rechtop en had zoals de Ierse dichter Dylan Thomas zichzelf in een prozagedicht beschrijft: bulging eyes. Licht uitstulpende en daardoor fel aandoende ogen. De link tussen Ilse en mijn oud-oom had toen nog niet postgevat. Dat begon toen zij in het Asser archief stukken onder ogen kreeg over een zekere Egbert Warringa. Deze man had in 1893 zijn ex-vriendin Rika Wenning om het leven gebracht. Egbert kon niet verkroppen dat de vader van Rika de verkering had verboden -‘Egbert was nogal een doerak, hij had zelfs een pistool’, liet de archivaris weten- en dat zij het intussen met een andere jongen had aangelegd. Dat moest worden gestopt. Op een ochtend vervoegde Egbert zich ten huize van Rika, waar een worsteling ontstond en waar Egbert 2 á 3 keer op Rika schoot. Een crime passionnelle met dodelijke afloop. Dit nu vond plaats in het dorpje Ees. ‘Nabij Borger’, zei de archivaris, ter verduidelijking. Als Ilse hier meer van wilde weten, dan moest ze daar naartoe. Ik zat intussen op het puntje van mijn stoel, want de naam Warringa was nu toch wel binnen gekomen. Ilse liep door de hoofdstraat van het kleine dorpje en stopte voor het huis dat ik onmiddellijk herkende als het huis van mijn oud-oom. Weliswaar geheel en in oude luister gerestaureerd en van binnen onherkenbaar veranderd. Ik ben er gedurende mijn logeringen in Ees niet vaak geweest, maar wist nog wel iets. Ik moest van tante Margje bijvoorbeeld weleens een doosje eieren naar Warringa (zoals ze hem noemde) brengen. Want ome Jan en tante Margje dreven een -in verhouding tot vandaag de dag- bescheiden kippenboerderij. Zij woonden hooguit een halve kilometer van elkaar vandaan. ‘Dan kom je daar tenminste ook nog eens’, zei mijn tante een beetje streng, want eerlijk gezegd bezocht ik mijn oud-oom niet gauw uit mezelf. Tante Margje was de zus van wijlen Annechien Haandrikman. Zo eens per twee jaar (denk ik) kwam dat hele Haandrikman-circus uit Ees bij ons op visite. Altijd op een zondag. Ze kwamen in drie plukjes over het smalle tuinpad geschoven, alle perkjes bewonderend. Tante Margje en tante Alie voorop, dan aangenomen dochter Siny met verloofde Anne en Ziens, de inwonende broer van tante Alie en achteraan druppelden ome Jan en Jan Warringa. De laatste de handen stijf gekruisd op de kaarsrechte rug. Mijn moeder wachtte in de achterkamer op het juiste moment tot ze de deur kon openen en hen kon verwelkomen. Dat stak nauw. De huidige bewoner wees op de met brandstippen gemarkeerde jaartal van het huis. Het was mij bekend. Mijn oud-oom heeft mij er weleens op gewezen.

Danig onder de indruk, eerst al die moord en nu dat huis, rolde Ilse de stamboomlijst uit. In de gauwigheid zag ik enkele keren Borger en Odoorn voorbij komen. Die plaatsen kwam ik ook regelmatig tegen toen ik jaren geleden onderzoek deed naar onze/mijn stamboom. Jan Warringa overleed op 28 mei 1992 op 82-jarige leeftijd en ligt begraven in Borger, net als ome Jan Oostra en tante Margje. In de krantenadvertentie van Jan Warringa wordt geen enkele Warringa genoemd. Misschien was de smet van Egbert te groot en was hij na zijn gevangenschap van 10 jaar Ees en Drenthe ontvlucht en ergens in Sallant, Overijssel terechtgekomen. Zou best kunnen. En mogelijk is uit die tak driekwart-eeuw later Ilse Warringa geboren. Maar die ogen, ja die ogen heeft zij toch wel een beetje van mijn oud-oom. Niet uitstulpend, maar wel fel ….! Met stijle rug schreed zij uit beeld.

31.1.24 Zwaartekracht Mijn vrouw is jarig en daarom gingen we vanmiddag rijden. Dat is niet in lijn met hoe de meeste mensen hun verjaardag vieren. Die nodigen familie en vrienden uit, er wordt taart gegeten of juist niet omdat dit ongezond zou zijn, er wordt gekakeld met een wijntje of een biertje en een knabbeltje van Duyvis of een ander merk en na het opruimen zo tegen middernacht (doordeweeks) of een uur of twee (in het weekend) gaan ze uitgeput naar bed. Daar doen we niet meer aan mee. Ik had er een hekel aan en mijn vrouw zag er ook steeds meer van af. Noem het voortschrijdend inzicht. We reden naar Hoogezand. In dit landsdeel bevindt zich het Nationale Busmuseum en daar wilden we al eens naar toe. Na enig zoeken bleek het te staan op een voor musea niet alledaagse plek, namelijk op het industrieterrein. We waren de enige bezoekers. Dat had als voordeel dat we niet in de weg werden gelopen door een meute overenthousiaste vakantievierders. Ik kon de bordjes met bijschriften nu ook in alle rust lezen zonder dat iemand in mijn nek ademde en bovendien konden wij passagiertje spelen in drie open gestelde exemplaren. Een beetje memory lane was het wel. Tot ik in het bezit was van een eigen autootje, ik zeg bewust autootje, want het betreft een Fiat 850 en die parkeer je met enig gewrik in de achterbak van een hedendaagse SUV, liet ik mij vervoeren de GADO. Jaren later, toen ik in Oosterwolde woonde, met de FRAM. Van beide maatschappijen staan er rollende exemplaren opgesteld. Dat ik mij in Friesland weleens met de bus liet vervoeren, kwam doordat ik als bestuurslid en medewerker van het FriesFilmCircuit nogal moeilijk vergoeding kreeg voor gemaakte autokilometers als er in Leeuwarden weer eens een vergadering was belegd. Met zo’n buskaartje ging dat een stuk makkelijker. Bovendien rijd ik niet graag in een stad. Al die opgewonden medeweggebruikers en het vinden van een parkeerplaats. Niks voor mij. Nee, dan was de bus een uitkomst. Ik praat in een ver verleden tijd, het lijkt een eeuw geleden. Ook mijn bezoeken jaren later aan het UMCG, deed ik om dezelfde reden met de bus. Na een versnapering te hebben genoten in het museum, gingen we Hoogezand nog even in. We komen hier af en toe en telkens zucht ik dat ik hier nog niet dood gevonden zou willen worden. Maar aan de Sluiskade troffen we in een oude graanschuur een kringloopwinkel waar ik voor een habbekrats een paar splinternieuwe boeken scoorde en doorrijdend over de Hoofdstraat nog eentje, waar ik een mooie uitgave vond van Heinrich Böll’s Groepsfoto met dame. Hiermee in de hand staande, hoorde twee mannen aan de andere kant van de boekenstelling redekavelen over wereldse zaken. De ene zei dat de aarde niet anders dan plat kon zijn. Van zulke gietijzeren beweringen houd ik. ‘Want hoe verklaar het dat er op die ronde planeten in de ruimte nooit leven wordt aangetroffen? Nou! Die donderen er anders toch gewoon af?!’ ‘Dat komt door de zwaartekracht man’, zei de andere, ‘dat houdt ons op de been’. De eerste schudde zijn hoofd en liep verder. Ik had er veel plezier om. Mijn middagje was weer gemaakt. Daarna parkeerden we aan een eindweegs aan de Noorderstraat en zagen er een oud uitziende winkel die in textiel handelt. We bleven even staan en keken in de etalage. Het leek erop dat de winkel uitverkoop hield, want alle producten bevatten met viltstift beschreven kaartjes, waarvan de oude prijs was doorgestreept en voorzien van een nieuwe veel lagere prijs. Mijn vrouw smachtte de geur te ruiken van al die stofjes. ’t Was haar dag, dus gingen we naar binnen. Ze zoog de geur in als een parfumwolk. De geur van schorten, dweilen, doeken, kousen, sokken enzovoort. Zaken die een mens broodnodig heeft, maar meestal op de kop tikt bij de goedkoopste encounter. Ik kocht twee boxershorts van het oeroude merk Ten Cate, die hoewel niet afgeprijsd, toch voor de helft van de prijs van eigenaar wisselden. Bijzonder aardig. Onderhand vertelde de eigenaresse dat ze de winkel aan het beëindigen was. Tenzij er eerdaags nog een geïnteresseerde op dook. Zonde, zeiden we bijna in koor. ‘Ja van zonde kan ik niet eten’, zei ze stroef. Ook dat begrepen we. Ik overwoog nog haar enigszins tegemoet te komen door er een tweede stel shorts bij te nemen, maar mijn vrouw had ook al een paar dingetjes te pakken. Onder andere voor de somma van 10euro een Gronings vlaggetje, die aan onze vlaggenstok geknoopt vanaf de straat amper te zien zal zijn, maar mijn zegen had ze. Het was immers voor een goed doel. Wij wonen strikt gezien in Drenthe maar voelen ons evenzeer Groningers. Bij thuiskomst pakte ik het boek van Heinrich Böll. Ik dacht weer aan die mevrouw in die textielwinkel. Het boek stamt uit 1972. Toen moet die zaak al allang hebben bestaan. De avond vullen we met lezen.

26.1.24 Melanie Als ik een lijstje van favoriete zangers en zangeressen zou moeten opstellen, dan zou Melanie Safka daar zeker onder vallen. Is dat bijzonder? Nee, niet meteen, maar Melanie Safka (artiestennaam: Melanie) behoorde niet echt tot de podiumvrouwen waar je als jongen achteraan liep. Ja, achter wie eigenlijk wél, nu ik erover nadenk? Janis Joplin, Grace Slick, Tina Turner, Cilla Black, Dusty Springfield ….? Zo maar een paar namen. Want de popwereld en zeker die in de jaren 60 -70 bestond bijna volledig uit mannen. Stoere mannen, mannen met veel hoofd- en baardhaar. Melanie was een vreemde eend in de bijt. Ze had niet de naam een gebruikster te zijn van drank of stimulerende middelen en trok ook niet op met lieden uit communes of andere alternatieve leefgroepen. Dan werd je al snel afgedaan als saai. Je deed niet mee met de scene. Haar eerste plaat kwam uit in 1969 en was getiteld Born to be en bevatte een staaltje hoge zangkunst. Vooral hoog. Weinig zangeressen in haar genre haalden dit niveau. Joan Baez – maar die ging op zekere hoogte over op die vreselijke falsetstem en Janis Joplin – die schreeuwde vooral.

Ik ging in die jaren veel om met een jongen die ik via mijn werk bij Stork had leren kennen en wiens zus ik dientengevolge ontmoette. Ik kwam al spoedig veel bij hen over de vloer. Het klikte tussen haar en mij en enige tijd verkeerden wij zelfs. Het moet in die tijd geweest zijn dat zij met Born te be op de proppen kwam. Wij hebben die plaat grijsgedraaid. Het bleef bij die ene. Dat had denk ik te maken met het feit dat Melanie een fremdkörper was in onze muziekwereld. Die bestond toch vooral uit blues of blues-gerelateerde muziek. Wat daartoe hielp was dat je stadsgenoot Cuby (zanger van the Blizzards) zomaar in het wild in de stad kon treffen. Komend van Outkast en op weg naar zijn stamcafé Dekker, of andersom. John Mayall and the Bluesbreakers, Fleedwood Mac, The Free, Led Zeppelin …. Dat was de muziek die je in de barretjes en in jeugdcentra overal hoorde en waar wij naar luisterden. Moderne, snoeiharde, witte blues. Tegen dat oergeweld kon die frêle Melanie met haar ietwat burgerlijke uitstraling niet op. Toch circuleerde het gerucht dat zij op Woodstock had gezongen en door het uitvallen van de geluidsinstallatie in het Amsterdamse Concertgebouw had zij zonder microfoon midden tussen het publiek het concert afgewerkt. Een prestatie waar de kranten lovend verslag van deden. Maar ze had ook iets kinderlijks en daardoor kreeg ze als componiste van bijna al haar gezongen liedjes niet de waardering die ze verdiende. Dat kregen vakvrouwen als Joni Mitchell en Carole King wel. Zij scoorde een paar hits en daar bleef het bij. Daarna raakte ze een beetje in de vergetelheid. Haar man produceerde haar platen, ze richtte eigengereid als ze was, haar eigen label op en bracht tientallen elpees en cd’s uit.

Het kinderlijke van haar begintijd sleet, mede daardoor de verkoop van haar platen, die in de ramsj verdwenen. Voor een paar gulden kon je ze bemachtigen. Amerikaanse persingen, met prachtige klaphoezen. Ik scoorde er in korte tijd een tiental. Melanie werd volwassen, dat mocht niet. Het grote succes van liedjes als Beautiful People, What have they done to my song, ma? en Lay down was voorgoed voorbij. Gisteren is ze overleden. 76 jaar geworden. Ze was één van de iconen uit de late hippietijdperk en heeft mensen over de hele wereld laten genieten van haar liedjes. Op gevorderde leeftijd is ze meerdere keren in Nederland geweest. Van Amsterdam tot Roswinkel en Veendam. Op kleine podia, met een van haar drie zonen als tweede gitarist en stem. Haar voornaam was in haar toptijd erg populair. Er lopen heel wat Melanies rond. Misschien dat ze daardoor nog lang in ons geheugen zal blijven. Vanwege de paar evergreens die ergens in de Top2000 jojoën en dat ze tot de Woodstockgeneratie behoorde. Vooral dat laatste is een niet te onderschatten gegeven om nog lange tijd mee te kunnen. Dat is mooi, maar we doen haar als componiste/muzikante van haar latere werk tekort.

22.1.24 Royalties Het zou weleens een debat kunnen worden waar het pas gevormde regeringsteam over struikelt, zodat zij te boek komt te staan als het kortst zittend kabinet ooit. Het betreft de kwestie of de leden van ons koningshuis al dan niet inkomstenbelasting moeten betalen. Dat speelt eigenlijk al sinds de jaren 60. Meer dan eens werd de wens voor het opheffen van deze belastingvrijdom op de drempel van de Trêves- of de Ridderzaal gedeponeerd, maar even rap door een der suppoosten ‘als betrof het een drolletje’ verwijderd. Het was evenals bij zijn voorgangers een splinter in de voet van M.P. Rutte. Getergd verdedigde hij vrijstelling van belasting voor het Koningshuis en kwam er steeds mee weg dat het een veel te ingewikkelde materie is. In die zin zou het vergelijkbaar zijn met het gasdossier. Maar nu dreigt er toch een meerderheid te zijn voor heffing van inkomstenbelasting voor leden van het koningshuis. Het schijnt dat onze Koningin stampvoetend oreerde dat dit in geen enkel sprookje van Andersen of Grimm het geval is, dus waarom dan wel in het hunne? In andere landen gebeurt het -hetzij verkapt- overigens wel. De winkel van Oranje ( getooid met het wapen Hofleverancier) heeft echter een streepje voor en hoewel de wetgever op de allerkleinste lettertjes let, maakt hij zonder enige moeite voor hen een uitzondering. En dan, áls het zover komt dat ze moeten dokken voor ontvangen royalties; hoever zal men dan terugrekenen? Mag men met terugwerkende kracht de nachtelijke uitstapjes van prins Hendrik nog aanslaan, de houthandel van de gevluchte Wilhelm te Doorn én de dubieuze transacties van Benno? Op die manier valt er nog aardig wat te halen. Toch even een goed woordje voor de Oranjes, want ik heb persoonlijk niets op hen tegen. Het systeem is natuurlijk enorm uit de tijd, maar zij zitten wel met die verdomde erfelijke afkomst in de maag en kunnen zich er onmogelijk aan onttrekken. Een groot deel van het volk wil bovendien de monarchie koste wat kost in stand houden. We staan er doorgaans niet bij stil dat onze Koning & Koningin met hun reizen naar het buitenland, als ook bezoeken aan bedrijven in ons eigen land, heel wat inkomsten genereren. Men schat dit per jaar op ongeveer anderhalf miljard euro’s. Toch geen kattenpis. Daar mag best een royaal loon tegenover staan. Bovendien, wie zou dat werk willen doen (m/v) ? Altijd áán staan, 24/7. Want er zal ergens een dijk doorbreken, een parlementariër zijn aangevallen …. En hij/zij kan nooit eens uitvallen tegen een ploert van een interviewer of aanschuiven bij Op1 om zijn/haar zegje te doen. Steeds maar de vrolijkerts uithangen en grote belangstelling tonen, ook al interesseert het je geen bal. Dus ja, petje af!

Dit en meer las ik in een artikel over deze netelige kwestie. Tot mij in dezelfde krant een bericht opviel die de zojuist geuite lofrede weer enigszins teniet deed. Dat bericht betreft een bijstandsgerechtigde mevrouw uit Apeldoorn, die volgens de gemeentelijke uitkeringsinstantie de afgelopen maanden te weinig geld zou hebben uitgegeven aan eten. Men had in haar bankafschriften bijna geen uitgaven kunnen aantreffen van voedselaankopen. Zij werd hiervoor aangeklaagd. Barbertje moest hangen! Zo ver was het gekomen! Zij had, betoogde de klagende partij, haar inlichtingenverplichting geschonden. ‘Een mens kan amper rondkomen van zo weinig geld en zal toch moeten eten’, was de klacht. Hoe deed zij dat? Dit riekt naar fraude of frauduleuze handelingen. Het moet een beschamende vertoning zijn geweest: deze mevrouw die ten overstaan van justitie en een mierenneukende gemeenteambtenaar door het stof moest, maar niet anders had te melden dan dat ze heel zuinig leefde. Dat ze regelmatig bij haar buurman at, dat ze restjes invroor en bij vrienden of kennissen ook weleens een vorkje mee prikte. Okéoké! Maar dit is natuurlijk geen manier van doen, dit brengt het hele systeem in de war! Stel dat iedereen zo zou gaan leven, waar blijven we dan? De Apeldoornse ambtenaar zag de bui al hangen. Gelukkig was de rechter mild en sprak haar vrij. Barbertje mocht weer naar huis.

Wij zouden deze mevrouw natuurlijk moeten prijzen. Wie zo goed met geld om kan gaan dat de gemeente van de weeromstuit dreigt met uitkeringskorting of totale uitkeringsstop, verdient alle lof. En toen ik dit bericht had gelezen, dacht ik: ‘Ja, het kan ook best wel wat minder bij die Oranjes’. Ze mogen dan onder publiekelijk erfgoed vallen, met de daaraan verbonden rigide regels en handboeien en bewegingsbeperking, dat wil niet zeggen dat zij zover boven de have-nots -de bezitlozen- moeten staan en dat zij zich kunnen onttrekken aan de voor iedereen geldende belastingregels. Laat de nieuwe regering die vrijdom dus maar afschaffen. Want hoe geloofwaardig ben je als je met ingestudeerde bezorgdheid over grote inkomensverschillen spreekt (bijvoorbeeld tijdens de troonrede en de kersttoespraak) en zelf bij elk wissewasje in een nieuw ensemble verschijnt en bij de rijken der aarde aanschuift? Ik denk dat die teruggefloten ambtenaar uit Apeldoorn die ingewikkelde belastingkluwen van de Oranjes wel tot op de laatste cent zou kunnen ontwarren. Nu M.P. Rutte zijn heil zoekt in Brussel, lijkt mij de weg hiertoe vrij. Maar een struikelblok zal het zeker worden.

20.1.24 Leef met mate Arie Boomsma -wie kent hem niet- heeft een nieuw boek geschreven. Door middel van 50 hoofdstukjes verschaft hij de lezer evenzoveel tips om gezond oud te worden. Want dat wíllen we. Niet alleen gezond, maar vooral oud! Arie begint de dag met een ijsbad of een koude douche en meditatie. Daarna volgt een ontbijt van een dubbele omelet, aangevuld met champignons, paprika, bacon, kaas en fruitsalade. Ik zou van die hele mikmak omvallen en de rest van de dag braak doorbrengen. Deze zaken staan vermoed ik allemaal goed beschreven in het boek, zodat de Boomsma-volger dit nauwgezet in de praktijk kan brengen.

Ik ben een beetje allergisch voor dit soort gezondheidsgoeroes. Natuurlijk moet je niet tegen de klippen op leven en liever geen drugs, tabak en drank gebruiken, hoewel een wijntje in casu een borreltje op zijn tijd weinig schade aan kan richten (denk ik ). Ontkenners zeggen nogal eens dat ze iemand hebben gekend die een baal tabak per dag weg rookte en de teer wegspoelde met zwarte koffie of liters bier en die desondanks deze lichaamsverwoesting de negentig met gemak passeerde. Op de keper beschouwd zijn dit soort verhalen meestal sterk overdreven. Arie is verder druk doende met zijn sportscholen en brengt er vele uren door. Ik heb het daar niet zo op. Heeft een mens teveel energie of zit’ m zijn of haar gewicht in de weg, laat’ m eens proberen nuttig werk te verrichten die spierkracht en beweging vraagt. Vrijwilligerswerk bij een natuurwerkgroep is een mogelijkheid. Laat je handen wapperen, zeiden ze vroeger. Het is zonde van al die opgebouwde energie om dat middels rek- en duwtoestellen weg te laten zweten. Sportscholen zijn in dit opzicht dubbele energievreters. De handel springt natuurlijk gretig in op deze manie door allerlei producten te fabriceren die de bewegende mens nóg sterker en nóg gezonder doet lijken. Proteïnepoeder is daartoe een der nieuwste supplementen uit de vitaliteitswinkel. Het is een prijzig goedje, dat, zo las ik van een voedingsdeskundige: ‘niets toevoegt aan de dagelijkse behoefte van 85 gram eiwit per dag’. Een gemiddelde maaltijd bevat dat namelijk zo’n beetje. Maar het poeder schijnt een weldadige werking te hebben op de spieren en dat is tovertaal voor lichaamobsessivelingen. Bij nader onderzoek blijkt die spieropbouw vooral vastgehouden vocht (het zusje van gebakken lucht) te zijn. Maar het oog wil ook wat! Het heeft allemaal te maken met wat men schaart onder de term body enhancers. Dat zijn grof gezegd: lichaamsverbeteraars, lichaamsmooimakers, lichaamsopvijzelaars en lichaamsversterkers, zodat de gebruiker ‘beter in het leven staat’ én gezien wordt. Want ijdelheid, het onaangeraakt gestreeld worden, is de mens die aan lichaamsverbetering doet, bepaald niet vreemd. Dat ijdelheid in het lijstje van menselijke zonden voorkomt, doet uiteraard niet ter zake. Begeerte en jaloezie zijn andere zonden die in de sportzalen eveneens moeilijk te onderdrukken zijn. Ik weet dat ik met dit Maarten-van-Rossem-achtig praatje geen vrienden maak, maar het moet me toch van het hart. Daarover gesproken: dat van mij is, na cardiologisch onderzoek enige tijd geleden, niet meer in perfecte staat en zóu ik al de behoefte gevoelen aan een naar buiten toe gezond lichaam, waardoor bezoeken aan de sportschool bijna een verplichting zouden worden, dan zou dat weleens desastreus uit kunnen pakken. Ik beweeg echter voldoende, wandel nu en dan een eind met Rossi, die ongeweten een rustgevend effect veroorzaakt. Noem het kokeleko of placebo, maar ik juich deze vorm van beweging van harte toe. Daarbij drink en rook ik al jaren niet meer, eet geen vet of frituur en weinig vlees. Dit alles, het moet gezegd, mede dankzij mijn vrouw. Van groot belang verder is regelmaat en het ontzien van drukte. Een beetje stress is niet erg, hoorde ik Erik Scherder (hersendeskundige) meermaals zeggen, maar overdruk zorgt voor allerlei inwendige complicaties. Tenslotte is huiselijk geluk een niet te onderschatten pijler. Helaas is dit niet voor iedereen weggelegd. Tevreden zijn in een wereld stampvol verlokkingen is de kunst. Er schreeuwen bovendien allerlei feestjes, uitjes, barbecues en vakantielanden om bezocht te worden. Daarna moet men weer aan de rek- en duwtoestellen. Kortom; sportscholen zijn een niet meer weg te denken onderdeel geworden van onze consumptiemaatschappij; welhaast een schijfje van de vijf. En ik? Ik houd me liever aan de strijdleus van Kees van Kooten en Wim de Bie: Leef met vlag en wimpel, maar houd het simpel. Daarmee kan een mens voorwaar heel oud worden.

17.1.24 Een dik verhaal In het wandelbulletin Lopenderwijs, dat ik bij mijn tandarts inzag, las ik een artikel waarin werd gesteld dat de Nederlander anno 2023 door de bank genomen veel te dik is. Ik zeg het zonder omhaal, want in het artikel van het nummer over overgewicht, gebruikte de schrijfster van het stuk woorden als corpulent, gezet en zwaarlijvig. Van oudsher gebruikten wij voor iedereen die aan de zware kant was het woord dik. Daar was toen nog niets mis mee. Nu kunnen wij dat woord bijna niet meer zonder tik op de neus bezigen. Het heeft een zogenaamde nare bijklank. Eén van mijn tantes was bezitster van een royale voorgevel. Dat laatste woord was schertsend bedoeld, als betrof het een afzichtelijke aanbouw. In haar nabijheid hield je het wel uit je hoofd hier iets over te zeggen. Met weinig gevoel voor theater propte ze haar zakdoek na gedane arbeid in de klieving tussen haar borsten. Ik bezag het steeds met grote verbazing. Ook daar werd toen niet moeilijk over gedaan. Nu ligt dat allemaal een stuk anders. Elk pondje dat boven het gestelde BodyMassIndex-getal komt, gaat nu ontegenzeggelijk door het mondje. Men Zal Er Van Weten! Helemaal eerlijk vind ik dit niet. De verleidingen in de supermarkten en tankstations zijn immers geweldig groot, zodat je al een enorme afkeer van voedsel of het eten op zich moet hebben, wil je je hier aan kunnen onttrekken. Daar zal de voorgestelde belastingheffing op zoetwaren weinig aan veranderen. Om de ongewenste pondjes kwijt te raken, raadde het bulletin de lezers aan elke dag op zijn minst een halfuurtje te rennen of te wandelen. Gewoon lopen mag ook. Als men maar in beweging is. Ik bladerde verder…..

Ene meneer P. Doordouwer uit Klapsterzijl suggereerde in de rubriek ‘Ingezonden stukken’, dat het bedrijven van seks voor hem een weldadige gewichtsonderdrukker (?) is. Hij voegde middels een diagram de bijzonderheden aangaande bloeddruk, hartslag enzovoort tijdens deze activiteiten toe. Van een sparringpartner werd geen melding gemaakt. Bij de ‘Weetjes’ stond dat de gemiddelde Nederlander 20% te zwaar is. Als kind dacht ik als het over hele zwarte dingen ging, dat de aardbol op een of andere manier een keertje naar beneden moest zakken. Waarheen? Daar was ik nog niet uit. Maar het bleek gelukkig niet waar te zijn. En nu ik het toch over die oude tijd heb: Deed er toen íemand moeilijk over de strip Billie Turf? Er zat een jongen bij mij in de klas die weleens zo werd genoemd. Geen haan die er naar kraaide. Kom daar nu maar eens om …! Op de achterpagina stonden contactadvertenties, waarvan die van een volle gezelschapsdame het meeste opviel. ‘Om af te vallen’, stond er boven. Hoe moest je dit lezen? Ik legde het blad opzij.

Er kwam een man binnen die ik zonder enig overdrijven zwaarlijvig mag noemen en die tegenover mij plaats nam. Hij zei ‘moi’. Hij nam het wandelblad op en begon er ruw in te bladeren. Hij humde een beetje voor zich uit. Aangekomen bij de achterpagina, werd ik door de tandarts geroepen. 20%, dacht ik. Gemiddeld. Ik ben precies op gewicht. Al jaren. Ja, dat zeggen er zoveel. Vanuit de wachtkamer hoorde ik de man plotseling lachen. De tandarts glimlachte. ‘Zo, die heeft dikke pret’, zei ze. Ik lag inmiddels met mijn mond open en kon niets zeggen, maar lachte inwendig mee. En dat bij de tandarts!

15.1.24 Westerkwartier, Groningen Het is meer dan verschrikkelijk! Iedere keer als ik lees of hoor over de oorlog in Gaza en aansluitend over de Gazastrook, denk ik: ‘Hoe kan het dat er op zo’n klein stukje aarde zoveel mensen wonen?’ Nou ja, van wonen is sinds de oorlog totaal geen sprake meer, maar vóór 7 oktober 2023 woonden/verbleven hier zo’n 2.2miljoen mensen (ongeveer 7400 per vierkante kilometer). Nu met die vreselijke oorlog wordt dat beeld alleen nog maar absurder en daarom ben ik eens gaan kijken naar die getallen. De hele Gazastrook is 365 vierkante kilometer in omvang (voor de goede orde, ik rond de getallen af). Bij aanvang van de oorlog in dit gebied, werd de lezer en de tv-kijker voorgehouden dat de Gazastrook qua grootte te vergelijken is met Texel, een ander sprak over de helft van de Flevopolder. Ik houd het even op Texel. Dit eiland is volgens de kaart 170 vierkante kilometer groot. Dat is nog niet de helft van Gaza. Leest men verder, dan worden de binnen- en de buitenwaters als behorend bij de gemeente ook meegenomen en dan blijkt het gebied onder deze naam 586 vierkante kilometer groot te zijn. Een stuk groter dus dan Gaza. Een beetje een warhoofd die met deze vergelijking voor de dag kwam, lijkt mij. Volgens de lijst der gemeenten van Nederland komt het Westerkwartier nog het dichtst in de buurt van de 365 vierkante kilometers van Gaza, namelijk: 363. Een andere bron spreekt van 369 vierkante kilometers. Omdat bij Noordelingen de waarheid meestentijds ergens in het midden ligt, komt het Westerkwartier dus qua grootte dicht in de buurt van het zo belaagde strookje land in het Midden-Oosten. Daar houdt verder elke vergelijking mee op. Maar hoeveel kranten lezende en televisie kijkende Nederlanders zullen ooit van het Westerkwartier hebben gehoord en er ook nog een beeld bij hebben? Ik wel. Wij komen er graag en nadat ik deze overeenkomst had ontdekt, keek ik, toen wij er onlangs weer eens door reden, nog beter om me heen. We deden Winsum, Garnwerd en Oldehove aan. Prachtige plaatsen. Weliswaar is dit gebied enige jaren geleden ontdekt door de ANWB, maar dat is kennelijk geen reden dat het gebied populair werd voor de doorsnee toerist. Die reizen makkelijker af naar Zuid-Frankrijk dan een keertje noordwaarts te tuffen. Het verschil tussen Groningen en de Gazastrook is natuurlijk dat het in het eerstgenoemde gebied tamelijk stil wonen is. Groningen telt ongeveer 600.000 inwoners. Daar komt bij dat die 2.2miljoen mensen in Gaza van hot naar her worden gejaagd. Velen kwamen door bombardementen van de Israëliërs al om het leven. Zuid-Afrika heeft Israël gedagvaard, omdat het genocide op de Gazaanse burgers zou plegen. Ik wil me niet in deze discussie mengen, want voor je het weet wordt je beschuldigd van antisemitisme of racisme. Van die 365 vierkante kilometers Gaza gaat ook nog eens 17% af omdat dit een buffer, een soort gedemilitariseerde zone, betreft, waar de bewoners van Gaza niet mogen wonen. Wat blijft er dan nog over voor die mensen? Waar kunnen ze in hemelsnaam naartoe? Ik kijk nog eens naar de kaart van Groningen. Op ons laatste ritje kwamen we er bijna geen mens tegen. Was het overal maar zo rustig als hier, dacht ik toen. Uitgaande van de grootte en de bevolkingsdichtheid van Gaza zouden in de provincie Groningen ruim 20miljoen mensen moeten wonen. Meer dan in heel Nederland. In de stad Groningen al een miljoen. Stel je dat eens voor! In elk geval lijkt het mij verstandig dat duiders goed om gaan met vergelijkingen. Texel mag dan bij iedere Nederlander bekend zijn, het Westerkwartier heeft daar evenveel recht op. Waarom zou men dat in het Westen tegenhouden? Een soort elitaire tunnelvisie zou je die duiders wel kunnen aanrekenen.

12.1.24 Onverwacht bezoek Tegen tien uur dacht ik, kom laat ik achternicht Jeanette S. uit Assen even bellen. Haar vertellen hoe het gisteren gegaan is. Ze is een van de laatste nog levende nazaten van onze familie en is 92 jaar. Ik wilde haar niet vroegtijdig opzadelen met het verdriet van de aanstaande dood van Harm, maar nu kon het. Ze is nog aardig vitaal, reist nog -het volgende tripje naar Duitsland staat alweer gepland- en heeft goede omgang met andere bewoners van de flat waarin zij woont. Kortom; een genoegen om zo nu en dan met haar van gedachten te wisselen. Na krap een uur waren we bijgepraat. Ik zou daarna een doos eieren naar mijn zus tien huizen verderop brengen. Ik trok mijn jas aan, opende de voordeur en trof een man die juist van plan was onze stoep te betreden en aan te bellen. Ietsjes verderop stond een modern geklede mevrouw met een koddig gebreid, mosterdkleurig mutsje. Dat alles zag ik in een oogopslag. ‘Goedemorgen’, zei de man, ik zei het hem na. Wat nu volgde deed zich voor in een paar seconden. Ik had op dat moment nog niet door dat het Jehova’s Getuigen waren. De reden is dat ik die onheilsbrengers de laatste 10-15 jaar niet aan onze deur heb gezien, ze waren kortom uit mijn geheugen gewist. Niet bewust van deze omissie, passeerde mijn vrouw op dat moment het halletje en riep vol vuur: ‘Wij-Zijn-Anti-Bijbel, Wegwezen!’ Ik was op slag wakker. Zo kordaat had ik haar zelden meegemaakt. Het kwam mij niet vreemd voor dat zij, als kind gemangeld tussen een geloofsgestoorde vader en een godvruchtige doch zwevende moeder, zo driftig knalde. De gruwelstreken van met name de katholieke kerk zetten haar bij elke uitwas in vuur en vlam. De vrouw op het pad stotterde: ‘Poepoe, nounou, u durft’. De twee geloofswerkers maakten dat ze weg kwamen. We lieten deze ultrakorte vertoning nog even bezinken en schoten toen in een bevrijdende lach. Het had iets Monty Python-achtigs. Ik startte de auto en even later reed ik de twee Jehovah’s voorbij. Ze liepen met gebogen hoofden alsof ze de waarheid op zoolhoogte zochten en praten wellicht nog na over de schrobbering op nummer 52. In vroegere tijden belden er regelmatig Jehova’s bij mij aan. Dat ging van kwaad tot erger en daarom plakte ik een kaartje op het raam dat ik geen interesse had in bezoek van welke geloofsgemeenschap dan ook. Dat hielp. Ik kwam mogelijk op de zo begeerde zwarte lijst, want die schijnt in zulke kringen te bestaan. Kort nadat mijn vrouw bij mij introk, kwam er stilaan toch af en toe weer een tweetal langs. Na de barse mededeling ‘Geen interesse’, hierbij de deur ongewoon hard dicht slaand, hield het op. Tot nu dus. Men waagde het weer es. Ik vertelde mijn zus nog nagenietend over het voorval en dat die Jehova’s nu onderweg waren naar hier. ‘Oh’, zei ze ‘dan zeg ik ook dat ik anti-bijbel ben’ en zo geschiedde. En ze zei daarenboven dat ze anti-geloof was en nog een paar hele erge dingen voor hun al aardig gekrenkte zielen. Dat zou ze leren! Ik had de gezichten van die mensen dolgraag willen zien.

Nu krijgen die mensen vermoed ik heel wat voor de kiezen en ik ben niet haatdragend, maar zij vragen er ook wel een beetje om. Alleen al het feit dat een Jehova’s Getuige van mening is bóven alle aardbewoners die hun leer niet aanhangen te staan en dezen als duivels of satanisten neer te zetten, die, ‘wanneer hun koninkrijk op aarde kome’, zullen branden in de hel ….., tja, daar mag je je als nuchter mens toch wel stevig tegen verzetten. Dat schreeuwt om een milde vorm van wraak. In vroegere tijden, toen met name vrouwen -maar evenzogoed mannen- die enigszins afweken van de christelijke norm, door de inquisitie als ongedierte (ketters) werden gebrandmerkt, gemarteld, gewaterboard tot de dood er op volgde of levend verbrand, zouden die Jehova’s Getuigen aardig in het straatje van die sadisten hebben gepast. Hun buitenissige leer ontstond weliswaar veel later en Nederland kende toen reeds vrijheid van godsdienst, dus ja …! Over de hele wereld zijn er enige miljoenen volgers, googelde ik. Hun theocratische leer zegt echter dat er bij de ineenstorting van de huidige wereldorde precies 144.000 (wie houdt de tel bij, mensen?!) Jehova’s zullen overblijven. Eén of andere Palingboer heeft dat uit zijn (het zijn bijna altijd mannen!) losse pols laten rollen. De vraag is wat die andere Jehova-leden te wachten staat. Net als wij via een achterdeur ook afgevoerd worden naar de hel? Ik zou als ik lid van dat genootschap was alvast maar zorgen dat ik op tijd ergens onderdak kreeg voor de kladderadatsch begint. Ik ben er van overtuigd dat de mens ooit uit zal sterven, daar ben ik geeneens een bijbelboek voor nodig. Het heeft te maken met de evolutie en gezien de gewelddadige en destructieve aard van de homo sapien, is dit proces niet te stoppen. En dan; leggen dieren, zonder gebruik te maken van atoombommen en ander schiettuig, na zoveel miljoenen jaren vrolijk rond gehuppeld te hebben, ook niet het lootje? Alleen de orde der pissebedden overleefde sinds het krieken der dierenrijk zonder schrammetje alle geologische tijdperken. Die zijn dus min of meer onsterfelijk. Kennelijk weten de Jehova’s dit en trekken zij zich hier zonder aanzien des persoons (diers?) aan op. Petje af! ps. Ik denk dat ik dat kaartje, om een volgende confrontatie te voorkomen, eerdaags toch maar weer achter het raam plak.

11.1.24 Een dag met een randje De beheerster van de Bruna in winkelcentrum Angelslo zoemzong vrijelijk voor zich uit. Ik had een krantje af te rekenen en luisterde heimelijk vanachter een van de boekentafels. Ik hoor graag mensen onbeschroomd toegeven aan het plezier in hun werk, zoals ook mensen die op straat ongemerkt voor zich uit zingen of fluiten. Ik zou in een sombere stemming moeten zijn, want had net met de andere familieleden ons aller Harm weggebracht. Maar het was geen verdrietige uitvaart. Harm lag in zijn laatste behuizing omringt door een paar gitaren, een aantal foto’s en bloemstukken. Op twee schermen kwamen foto’s voorbij en zelfs een filmpje van een optreden van hem ergens in de buitenlucht. Tussendoor werden er een paar liedjes van zijn cd Harvest Home gedraaid. Jacko memoreerde Harm in kort bestek zijn werkzame leven, ik deed zijn muzikale aandeel. Voor we het door hadden was het voorbij. Omdat ik als eerste de rouwzaal (aula) verliet, deelde de uitvaartbegeleider mij mee dat de plechtigheid voort kon worden gezet in De Serre. ‘Waar is dat?’ zei ik. Ik had wel iets vernomen van een nazit, maar de benaming Serre deed vermoeden dat er iets veranderd was in het programma. Het zou weleens afgerond kunnen worden in dit gebouw. Liever niet! ‘Dat is een vijfhonderdtal meters verderop, richting Barger-Oosterveld’, zei hij. Gelukkig! Wij reden in colonne derwaarts. De Serre is een modern eetcafé. Wij schoven aan en gebruikten een soort lunch. Het laatste beetje somberheid trok al spoedig uit mij weg. Dikwijls heb ik mij afgevraagd of wij dit ooit zouden beleven: de hele familie broederlijk bijeen, vredig aan de maaltijd. Dat was dus nu het geval. Goed, eentje van onze club miste, maar dat was eerder een voordeel dan een gemis. Ik heb haar naam ook niet horen vallen, hoewel we rekening hadden gehouden met het feit dat zij er plotseling wél bij zou zijn en dan zou zeggen: ‘Waarom staat er niet Zussen op het lint van het bloemstuk, in plaats van Zus!?’ Dat zou rampzalig zijn. We hadden dit ingecalculeerd en waren voor zussen gegaan. We zaten lekker te smikkelen. We redekavelden dat het allemaal perfect was verlopen en dat we elkaar komende zomer bij een van ons met een barbecue of zo weer zouden treffen. Ja, doen we! Nou tot dan dan.

In het winkelcentrum liep mijn vrouw naar de Jumbo en ik naar Action. Op het schap Vogelvoer stonden twee potten vogelpindakaas waarvan de dekseltjes kapot waren en er naast lagen. Die zouden mogelijk vanavond nog in de kliko verdwijnen, want een plakbandje aanbrengen kost tijd en tijd = geld. Ik drukte de dekseltjes zo goed en zo kwaad als het ging op de potjes en zette ze op de kassaband, waar de dekseltjes er door het bewegen weer afvielen. Het meisje achter de kassa zag het gebeuren, keek er luiig naar en zei: ‘Waren er geen hele potjes meer?’ ‘Jawel’, zei ik ‘maar ik wil deze, anders gooit iemand van jullie ze vanavond misschien weg en dat vind ik zonde en onze vogels hebben er toch geen weet van’. ‘Ook weer waar’, zei ze met een glimlach.

Daarna liep ik naar de Bruna, waar die mevrouw zo vrolijk zoemzong en daarmee ongeweten een aardig sfeertje creëerde. Bij het afrekenen, zei ik dat ik dat leuk vond. ‘Wat?’, zei ze verbaasd. ‘Dat u plezier uitstraalt van uw werk’, zei ik. Ze keek ervan op. Ik zei niet dat de wereld bol staat van ellende en dat zóu er iets meer gezongen worden, de wereld er meteen een stuk aangenamer uit zou zien. Dat zou zijzelf ook wel weten. ‘Ja, zo ben ik nu eenmaal’, zei ze lichtelijk beduusd. ‘Houwen zo!’, zei ik en met een tot ziens verliet ik de winkel. Mijn vrouw had vier broden gescoord voor de prijs van twee en prees het winkelcentrum. ‘Nou, dan gaan we nog eens vaker’, zei ik. ’t Is even omrijden, maar dan heb je ook wat! We liepen terug naar de auto. Buiten begon het te miezeren. ‘De winter is alweer op zijn retour voor je er erg in hebt’, riep een man ongevraagd naar mij. Ik knikte. De eerste hazelaars staan in bloei, sommige vogels hebben de kolder al in de kop. Volgende week zal er sneeuw komen, roepen de Jan Pelleboeren en Gerrit Hiemstra’s in koor. De één zegt 10 centimeter, de ander 20. We zullen wel zien. Maar het was op de een of andere manier een hele vruchtbare dag, al wordt dat van een dag die voorbestemd is getekend te zijn met een zwarte rand, niet makkelijk gezegd.

8.1.24 Frisse neus halen Het is ijzig koud. Het koudst deze winter. Maar ik zal er tegen niemand over klagen, want het betekent dat de schaatsliefhebbers met nog drie zulke vorstnachten en -dagen voor de boeg hun kunsten kunnen vertonen. Dat is een machtig vooruitzicht. Dat ga ik niet bederven door te mekkeren over polige wind. Dan moet je thuis blijven, zal het weerwoord zijn. Ik heb nooit goed leren schaatsen -aanklooien was het, veel vallen en opstaan tot de noodzaak van dit geploeter op ging spelen. Dus ik ken ook niet dat ‘onbeschrijfelijke schaatsgevoel’, zoals iemand mij eens vertelde. Hij keek mij hierbij met langzaam troebel wordende ogen aan en ik had sterk de indruk dat hij overtuigt was dat de niet-schaatsende mens deze hoogst haalbare extase jammerlijk moet missen. Dat kan, dacht ik toen en dat denk ik nog steeds. Want ieder mens heeft andere kwaliteiten en daar de kans om in Nederland op open water te kunnen schaatsen steeds kleiner wordt, zullen zich er steeds minder momenten voordoen om tot dit bijna orgastische hoogtepunt te geraken. Ondanks de kou moest ik er toch wel even uit. Rossi wil het, hield ik mijzelf voor. Niet helemaal waar. Ik moest hem er toe aanzetten, anders zou hij de hele dag in zijn bakje voor de radiator blijven liggen. We gingen richting het bosje. Moeilijk lopen op de bevroren grond, de diepe sporen veroorzaakt door de aan- en afvoer van materiaal van het laatst gehouden muziekfeest op het veldje, zoveel mogelijk ontwijkend. Winter has me in its grip/ think I take a summer trip/ on a sunny sailing ship/ where the shells lie in the sand .., zong Don Mclean in zijn goeie tijd. Ik moest eraan denken en neuriede het voor me uit. Misschien heeft Harm dat liedje ook weleens gezongen, dacht ik. Ergens bij een vuurtje met dromerig kijkende, Melanie-achtige nimfen. Wie zal het zeggen. Zo komt hij toch steeds weer even om de hoek piepen. Een splinternieuw onderdeel in mijn leven. Dat moet nog indalen. Het water in de Beek stroomde nog volop. Aan de kant, tegen het dode riet, vormden zich wat glasachtige fritseltjes ijs. De ijsbaan was niet veel anders. Golvend water. Eind van de week gaat het alweer dooien. Er kwam een man aangefietst, bleef staan, trok zijn sjaal naar beneden om zijn mond vrij te maken, wachtte tot ik bij hem was en zei quasi dromerig uitkijkend over de waterplas dat een Elfstedentocht er nog niet in zit. Ik heb het gevoel dat hij mij verwelkomde om deze wereldgrap op uit te proberen. Ik gaf hem gelijk, maar schoot niet in de lach. ‘Die spruitjesboer uit Zuid-Holland blijft voorgoed de laatste Elfstedentochtwinnaar’, kopte ik terug. Hij knikte, mompelde iets van ‘Henk Alleman of zoiets’ en fietste verder. Henk Angenent heet-i, wist ik, maar riep het hem niet na. Wij liepen de Broek over, sloegen af richting de Veenakkers en gingen op huis aan. ‘Is’t erg koud?’, zei mijn vrouw. ‘Ja, fris’, zei ik rillerig. Ik nam een kop thee en ging naar boven om een stukje te schrijven. Enfin, dat heeft u net kunnen lezen.

6.1.24 I.M. Harm Haandrikman Het was een beetje te verwachten. Jacko belde vanmorgen of ik misschien iets zou willen zeggen tijdens de uitvaart van Harm. ‘Jij schrijft toch weleens een stukje of een gedicht en leest hier en daar toch weleens voor? Toch? Of doe je dat niet meer?’ Ik had kunnen zeggen dat mijn belangrijkste voornemen voor 2024 was met schrijven en ook met voorlezen te stoppen, dan zou ik mij onmiddellijk kunnen ontslaan van deze taak, maar dat zou onwaar zijn en daar hou ik niet van. De zaak is dat ik duvelsgoed weet dat ik geen praatje kan houden in een crematorium of op een trouwerij of zo’n soort gelegenheid. En geheel naar waarheid zei ik dat. Maar het idee iets van mijn hand voor te laten lezen door één van de andere aanwezigen, vind ik slap en moeilijk te harden. Na dat telefoontje van oudste zoon Jacko begon mijn hoofd te tollen. Van het lezen van de krant kwam niets meer terecht en dat is voor mij altijd een alarmerend teken. De kwestie is dat Harm en ik zoveel niet gemeen hadden en waar zou ik het dan over moeten hebben? Woorden als ‘vroeger’ en ‘anekdotes’ bleven hangen. Ik kon me eigenlijk geen voorval heugen die het navertellen op deze plek waard zou zijn. We leefden in een verstikkende omgeving, die weinig ruimte bood voor levensvreugd en dus viel er ook weinig op te slaan. Nou ja, dan maar focussen op de muziek.

Harm zijn eerste stappen in de muziek waren bij de Gieterveense banjo- en accordeonvereninging, onder leiding van Klaas de Vries (geheime roepnaam: Klaas Bokkie) uit Gieten. Kennelijk zagen mijn ouders daar het nut wel van in, maar na de muzieklessen van hun eerste kinderen, kwam de klad erin. Een accordeon was een duur ding en stel dat de volgende kinderen ook iets met muziek wilden …. Maar met een accordeon kwam je met de opkomst van de rock&roll niet ver meer. De meeste artiesten speelden piano of gitaar en de elektrische variant werd erg populair. Daarom maakte Harm de overstap van toetsen naar snaren. Zijn eerste lesgitaar was een Spaans dingetje, zijn tweede een elektrische van het merk Egmond en kostte 240 gulden, exclusief de hoes van bruin skaileer. De gitaar kon worden aangesloten op een radio en die tikte hij op de kop bij zijn eerste werkgever, de firma De Graaf in Veendam, groothandel in elektronica. Het was dezelfde radio via welke wij ’s avonds naar Radio Caroline en Luxemburg luisterden. Eind ’64 kwam Harm in aanraking met een bandje dat optrad in een cafeetje in Borger. Die jongens speelden vooral instrumentale liedjes. Bijvoorbeeld van The Shadows zonder Cliff Richard. Ze misten nog een goeie zanger. Misschien had Harm dat bandje al eens eerder gezien, maar op die zondagavond in Borger durfde hij het aan om voor publiek enige liedjes bij dat bandje te zingen. Ik herinner me nog goed hoe hij daar mee aankwam. Het moet een enorme kick voor hem zijn geweest. Kort erop werd hij de zanger van dat bandje en zo ontstond The Shapers. De naam was afgeleid van het oude woord scheper dat schaapsherder betekent, wat aardig paste bij de met heide omgeven Schoonoord waar de andere jongens woonden en waar ze ook repeteerden. Beetje oubollig was die naam wel en met Harm erbij werd dit veranderd in Buddy and the Shapes. De naam Buddy stond natuurlijk voor Buddy Holly, Harm zijn grote voorbeeld en waar ze veel liedjes van zouden gaan spelen. Daar schermde hij al mee vóór The Shapers überhaupt in beeld kwam door zich op zonovergoten dagen met net zo’n bril uit te dossen als Buddy Holly. Buddy and the Shapes hadden al snel succes, vooral ook omdat Harm die liedjes zo goed kon zingen. Ik heb ze geloof ik voor het eerst gezien en gehoord toen ze meededen met een talentenjacht in het openluchttheater van Gieten, waarschijnlijk in 1965, waar ze de eerste prijs wonnen met een Shadowsliedje en twee van Buddy Holly. Het publiek was laaiend enthousiast. Het plaatselijke krantje sprak echter smalend over muziek voortgebracht uit houten planken met stropakkendraad bespannen. Dat was heeele domme kwaadsprekerij. Wij wisten wel beter!

Buddy and the Shapes, later afgekort tot The Shapes, hebben in wisselende samenstelling tot eind jaren zestig bestaan. Jaren later werd de band op verzoek van mensen uit Schoonoord gevraagd of ze nog één keer bij elkaar wilden te komen om te spelen tijdens het jaarlijkse zomerfeest. Een soort reünieoptreden dus. Dat werd een daverend succes en het smaakte naar meer! Ze traden nog ettelijke keren op. Zoals tijdens één van de eerste grote sixiesfestivals in Veendam. Maar in 2000 was de koek op. Harm heeft zich tussendoor, alleen of met andere muzikanten, vooral met country& bluegrassmuziek bezig gehouden. In 2005 heeft dat geleid tot het opnemen van een eigen cd, Harvest Home getiteld. De titel is afgeleid van een liedje van Neil Young, een andere muziekheld van Harm. Langzamerhand echter ging zijn gezondheid hem parten spelen en tenslotte moest hij het muziek maken helemaal opgeven. De vele gitaren werden stille getuigen van zijn ontluisterende neergang.

Tenslotte dit: Kunstenaars (en muzikanten vallen daar uiteraard onder), halen zich met hun nogal eens onbedwingbare passie het een en ander op de hals. Er moet veel voor de kunst wijken. Bij Harm was dat niet anders. Misschien liep het daarom bij hem in het leven vaak zo stroef en had hij weinig oog voor de gevolgen. Niettemin ben ik door zijn enthousiasme voor muziek ook liefhebber van onder andere Buddy Holly geworden en daar ben ik hem postuum dankbaar voor. We herdenken Harm -ieder op zijn of haar eigen manier- zoals hij was. Hij heeft rust gevonden.

Nu komt het er nog op aan dit stukje ordentelijk voor te lezen. Ik bevind me gelukkig in goed gezelschap, dat scheelt.

3.1.24 Oploop Om even bij te komen van de malheur van de laatste weken (zie: Oké dan!, 2023), wilde ik wel graag naar de tentoonstelling in het Drents Museum over periode die Vincent van Gogh doorbracht in Drenthe. Ik heb al eerder geschreven over de enorme bulk aan activiteiten die zijn korte verblijf aan onze provincie 140 jaar geleden heeft opgeleverd en dat ik daar zo mijn gedachten over heb (zie op Oké dan! van 3 december). Ik ging dus met een zekere vooringenomenheid naar mijn geliefde stad. De parkeergarage aan de Torenlaan beduidt middels een bord en pijl dat het vooral bezoekers aan het Drents Museum zijn die hier hun mobiel stallen. Ik manoeuvreerde ons peanutje tussen twee kamergrootte exemplaren. Allebei te breed voor 1 parkeervak en als twee rivaliserende bad boys ruim afstand van elkaar houdend. Voor de entreebalie van het museum stond al een rijtje wachtenden. Een kakkerig uitziende dame, die al jaren van Drees trekt, ondervond moeilijkheden met het telefonisch betalen. Het frustreerde de kassière en het stokte de doorloop. Betaal dan ook gewoon met een pasje, dacht ik bijna hardop. Het schaamrood -of was het boosheid?- blinkerde aardig door haar opsmuk heen. Het kwam na enige vergeefse pogingen uiteindelijk voor elkaar. Daarentegen was onze betaling een peulenschil.

In de tentoonstellingsruimte heerste grote drukte al waren wij redelijk vroeg. Hoe moest dat ’s middags wel worden? Van de schilderijen heb ik niet zo heel veel meegekregen. In de ruimte bevindt zich een soort treinopstelling met bankjes, waarop de bezoeker plaats kan nemen en genieten van de voorbijschuivende landschappen en schilderijen/tekeningen die Van Gogh hier heeft gemaakt. Nou ja, in zuidoost Drenthe dan. Assen stelde in die tijd (1883) nog niet veel voor en hier is Van Gogh ook nooit geweest. In de trein was het druk, ik vond nog net één plaatsje. Mijn vrouw ging uit arren moede naar het andere deel van het museum. Tegenover me vertelde een vader aan twee kinderen over de armoede van de schilder. Het maakte indruk op de kindjes. Ze zaten met open monden te kijken. Er stónden ook veel mensen, gelijk er bij de echte treinen ook vaak mensen moeten staan. Aan de wanden van de trein hangen gedeelten uit brieven die Vincent aan zijn broer Theo schreef. Want in tegenstelling tot de rijkdom waarin wij als bezoekers van deze tentoonstelling verkeren, bezat Vincent van Gogh bijna niets. Nú is elke snipper van hem goud waard. De tentoonstelling laat vooral zien hoe het er in de tijd toen Van Gogh leefde door het werk van andere schilders uitzag. Van Millet, Breitner tot Jan Mankes. Maar zoals gezegd; veel van die schilderijen heb ik amper van nabij kunnen zien, omdat ik mee moest schuiven met de meute en die talmde nogal. Het was dan ook meer tussen de schouders en de hoofden van anderen door kijken, van de kleine toelichtingsbordjes kreeg ik daardoor bijna niets mee. Lichtelijk ontdaan begaf ik mij naar de museumwinkel om eventueel het boek te kopen met alle Drentse brieven + annotaties die Vincent vanuit Drenthe verstuurde. Maar dat boek lag er niet tussen. Ik heb het hier jaren geleden eens zien liggen en niet gekocht. Niemand had toen belangstelling voor Van Gogh. Ik heb eens voor de grap -want ik ben door de jaren heen vele keren in het Drents Museum geweest- gelet op hoeveel mensen er werkelijk keken naar het schilderij De Turfschuit, dat een beetje verloren in de ruimte tussen het nieuwe en het oude museumgedeelte hing. Dat waren er niet veel. Heel af en toe minderde iemand eventjes vaart en keek een paar seconden opzij naar het tamelijk saaie doek. Het museum had het schilderij voor zo’n 5miljoen aangekocht, maar een vrolijk landschapje van Evert Mus zou zeker niet minder kijkers trekken. Omdat ik in de winkel niets te zoeken had, snorde ik mijn vrouw op en daarna togen we de stad in.

Op het beklinkerde geitenpaadje van de Brink, troffen we als geroepen Harry Tupan, algemeen directeur van het museum. We kennen elkaar enkel van het in het voorbijgaan groeten. We maakten een praatje. Mijn vrouw zei dat ze het zo jammer vond dat die ouwe tegels uit de vloer van het kerkgedeelte van het museum zijn gehaald. ‘Ah, maar dat waren geen oude plavuizen hoor, dat waren nieuwe en die hoorden er eigenlijk helemaal niet in, dus vandaar dat we die eruit gehaald hebben’. Ik op mijn beurt zei dat ik het voornoemde boek over Van Gogh in de winkel miste. ‘Ja wij doen die merchandise niet, dus daar weet ik niets van’, zei hij. Wij hadden onze punten gemaakt, groetten met een glimlach en liepen verder. Bij boekhandel Van der Velde kocht ik voor een habbekrats Mijn Drenthe van Gerrit Jan Zwier. Hij klaagde weleens dat hij als schrijver ondergewaardeerd wordt; dat is ook wel een beetje zo. Ik lees hem graag. Misschien lezen mensen over honderd jaar zijn gestruin door Drenthe met evenveel genoegen als de epistels van het gezwoeg van Vincent van Gogh. Maar of Gerrit Jan Zwier evenveel oploop zal genereren als Vincent van Gogh is zeer de vraag. Daarvoor kun je het beste ongenadig hebben geleden en jong gestorven. Op de terugloop naar de parkeergarage kwamen ons tientallen mensen tegemoet. Velen van hen staken de Torenlaan over en liepen richting het museum. Wij waren al geweest.

>>>>>>>>>> <<<<<<<<<<

Vanaf januari 2024 ga ik op deze pagina verder. Het woord drentig bestaat volgens de woordenboeken niet. Ik bedoel ermee: het gevoel dat het mij geeft wanneer ik weer eens in een landelijk dagblad lees hoe een Westerling (geïnterviewde/journalist/columnist) over Drenthe en aansluitend over Drentenaren en Groningen in casu Groningers praat of schrijft. Voorbij Zwolle begint dat gevoel van drentigheid vanzelf binnen te stromen en vaste vorm te krijgen. ‘Ojee, helemaal uit Groningen!!’ (want Gieterveen ligt tegen de grens aan van Groningen) hoorde ik ooit op onder andere de Utrechtse markt, in een boekenwinkel in Leiden en in een café in Amsterdam, want ik verzwijg mijn afkomst niet. ‘Zozo, helemaal uit Groningen’, echode het dan nog eens. Dit ging meestal vergezeld met een blik die deed vermoeden dat een inwoner van Zuid-Afrika, Noord-Korea of Alaska niet op meer verbazing hoefde te rekenen, dan iemand uit Neerlands Noordelijk landsdeel. ‘Van de Randstad naar Assen is het even ver sporen als van Assen naar de Randstad’, zei ik weleens naar waarheid. Jaren later zou Daniël Lohues hoog met deze uitspraak scoren. Het is hem gegeven. Maar dat wil er bij de Zuide- en Westerlingen niet makkelijk in. Sinds jaren ben ik dus al ongeneeslijk drentig en dus ook in 2024 Tevens een beetje gronig, maar dat is logisch. Er bestaat geen pil of poeder tegen en ik heb er nog nooit iemand mee besmet. Een gloep wind op de diek bij Termunterziel wil nog weleens helpen het te verzachten, als ook een middagje Daam, Meppelt of Westerwôl. Het achtervoegsel –ig wijst op een ‘relativerende betekenis’, zegt de Van Dale en de grote WNT: ‘Sterk geneigd te zijn tot datgeen wat het grondwoord uitdrukt, bijvoorbeeld: knorrig, tuitelig, begerig, inhalig, droevig, schrikkig… enzovoort. Hopelijk is de Taalcommissie bij machte een aardige omschrijving van het woord drentig te maken, om het daarna op te nemen in de eerstvolgende druk van het Nederlandse Standaard Woordenboek. Ik verneem hier graag over. Met tuitelig welnemen verblijf ik …..