31.12.25 Einde jaar Het geknal neemt een aanvang. De hele middag is het tamelijk rustig geweest. Vergeleken bij andere jaren was het bijna stil. Misschien sparen de echte vuurwerkfanatici en de kinderen die daartoe op weg zijn, hun kruit tot de grote boem van vannacht. Want de volgende jaarwisselingen moet het stiller worden. Ik geloof er geen barst van en met mij een groot deel van het land. Maar ergens moet je beginnen. Komt er weer een vuurwerkminnende regering, dan draaien ze het verbod gewoon weer terug. We hebben het geprobeerd, zal hun verweer zijn. Voor het zover is, moeten we eerst nog door de zure appel heen bijten. Ik rond Van op site – blogboek 2025 hierbij af -heb weinig meer te zeggen. Niet veel anders dan dat het een zeer onstuimig jaar was, niet in het minst veroorzaakt door de baas van de Verenigde Staten van Amerika, wiens naam ik zeer ongaarne uitspreek. We zullen er nog lange tijd mee te maken houden. De inwoners van de VS worden zijn wereldse bemoeizucht met de dag zatter. Hadden ze niet gekozen voor een leider die het land na de corona verder op orde moest brengen? Nu zitten ze vast aan een patjepeeër die hen met de dag verder het moeras in duwt. Geef die brulboei in godesnaam die nobelprijs! roept een deel van de wereld. Wie weet houd-ie zich dan in. Hell no! roept het comité in Zweden. Die prijs is niet bedoeld voor oorlogscriminelen. Iemand die zonder reden vissersbootjes bombardeert moet je niet prijzen. Waar eindig je dan? Bij Netanyahu, bij Poetin, bij Assad? Iemand die wetenschappers verbant, die mensen zonder reden opsluit en martelt, die mensen die het met de wereld goed voor hebben onderuit schoffelt, verdient opgesloten te worden. En daardoor zal het nog heel lang onrustig blijven in Florida en in de rest van de wereld. Enfin, we moeten maar afwachten wanneer deze tornado afneemt. Vooralsnog wens ik u een gezond en vreedzaam 2026.
27.12.25 Namen tellen Ik kan er niet aan ontkomen, aan die vermaledijde Top2000. Ik heb er in het verleden (ís er een verleden zónder Top2000? Ja, die is er, zoals er ook een verleden is zonder dinosauriërs en stoommachines) nooit veel meer aan gedaan dan de lijst aflopen om te zien hoe vaak Bob Dylan er op voorkwam of Bruce Springsteen en liep dan tegen bijvoorbeeld Strange Fruit van Billy Holiday aan of We shall overcome van good-old Pete Seeger en dan voelde ik een euforie dat die voor volk & vaderland vergeten grootheden voor die hippe radioluisteraars nog bestonden. Maar zo arrogant mocht ik niet denken. Niettemin verdwenen er steeds meer opnamen van ome Bob uit de lijst en kwamen er steeds meer bij waar ik nog nooit van had gehoord. Je wordt ouder papa. Ja, die staat er geloof ik ook in. En omdat ik niks om handen had en de lijst op een haartje na al in de oud-papierbak was gegooid, dacht ik ‘Kom laat ik het weer eens doorlezen’. Het is de 27ste keer en het is ook de 27ste december. Naar luisteren doe ik niet, want ik verafschuw dat gekakel er tussendoor. En toen ging ik voor ik het wist aan het strepen welke van al die artiesten en bands ik ooit in levende lijve had aanschouwd. Dat bleken er nog best veel te zijn. Daarvoor moest ik eerst die hele lijst afwerken en dat kostte tijd.
(Een uurtje later) Zo, ik ben er door! Alles aangekruist. Van Pink Floyd (in de Kuip, 2 x) tot en met Sinéad O’Connor (op WerchterPop, België) en 61 andere acts. Ik zou een aardige bloemlezing van al die optredens kunnen maken. Hele bijzondere waren bijvoorbeeld het zogenaamde Rest in peace-concert van Steppenwolf in het Concertgebouw in Amsterdam op 29 september 1972. Misschien was het niet eens zo geweldig goed, maar vanwege de statige entourage heel bijzonder. Paul Simon en Ladysmith Black Mambazo in het Goffert Park te Nijmegen op zondag 18 juni 1989. Bruce Springsteen, die De Kuip op 12 juni 1985 letterlijk deed swingen. Maarten van Roozendaal. Voor het eerst gezien en gehoord in Krasnapolsky tijdens de Amsterdamse Uitdagen van 1996. Ik zeg niet voor niks ‘gezien’, want Maarten van Roozendaal was een zeer bewegelijke man. Hij is helaas al uit de tijd. Dat geldt natuurlijk voor veel artiesten op de lijst. Lou Reed, George Kooymans, Drs. P, Charley Watts, Clarence ‘Big Boss’ Clemens, Robbie Robertson, Keith Moon, Joe Cocker, Harry Muskee, Herman Brood, Herman Deinum … Je zou er een superband van kunnen samenstellen. Maar ik mis ook velen op de lijst die er wat mij betreft op zouden moeten horen. Een Leon Russell, een Jerry Jeff Walker, de grote Buddy Holly, Warren Zevon, John Cale, Woody Guthrie, The Nitty Gritty Dirt Band, Sandy Denny & Fairport Convention, The Cramps, Philip Goodhand-Tate, Tonio K., Willie Nile, Van Dyke Parks – ach zo veel! Maar ja, hadden zij hits? Hadden ze überhaupt wel singles om voor een plekje op die lijst in aanmerking te kunnen komen? Enfin, we moeten het er maar mee doen.
Een tijd terug vroeg een oude wandelvriend mij of ik niet naar het concert van Neil Young in Groningen moest. Nee, zei ik. Mij veel te duur en ook veel te druk. En er naartoe en weer terug; niets voor mij. Ik beluister Neil thuis wel. ‘Op streamer?’ ‘Nee, tuurlijk niet! Van lp’s of cd’s en soms zelfs nog van cassettes’. Ik weet het, ik loop achter of juist bij, gezien de terugkeer van de lp en zelfs de voorzichtige wederopstanding van de cd. Echte muziekliefhebbers willen de muziekdrager in handen hebben, wanneer opgenomen, de teksten kunnen lezen en wie erop mee spelen. Vandaar dat vinyl het weer zo goed doet. Alleen al bij het lezen van die 63 namen die ik in levende lijve aanschouwd heb en de vele tientallen die ik -al dan niet bewust- heb gemist, gaat mijn innerlijke jukebox als vanzelf open en geniet ik weer intens.
25.12.25 Een hele trits kruisjes Afgezien van het oeroude kerstverhaal en dat van Charles Dickens (A Chrismas Carol), kunnen de kerstdagen mij gestolen worden. Niet zelden echter op kerstavond kijk ik een wijle naar de sterrenhemel, want stel dat er iets magisch uit de kosmos op ons neerdaalt, dan kan ik tenminste met een gerust geweten van deze tijding kond doen. Zit de hele kerkschare rond de kerstboom het Grote Verhaal aan te luisteren en missen ze net het punt waar het allemaal om draait. En gisteravond was dat wonder mogelijk geweest, want het was helder en koud. Zo moet het ook zijn geweest tijdens de geboorte van Christus, al beweren historici en astrologen dat dat niet zo gebeurd kán zijn. Maar laten we in godesnaam dat wonderlijke verhaal heel houden, voordat een hedendaagse wereldleider zich de air van een nieuwe godenzoon aanmeet en het inpalmt. Dan heb je poppen helemaal aan het dansen.
Maar goed, Kerst dus. Ik denk toch ieder jaar onbewust wel even aan de Kerstdagen die ik in Engeland in 1975 doorbracht. In Selby, om precies te zijn. Het stadje waar Debby Nicholls woonde. Ik had haar kort daarvoor leren kennen aan boord van de ferry Norland. Het was van beide kanten meteen dik aan. Mijn liefde voor Engeland -het was mijn derde reis naar de overkant- werd er nog meer door aangewakkerd. In de necrologie las ik dat Chris Rea ook ergens in die hoek van Engeland was geboren en er mogelijk tot zijn dood woonde. Ik zocht het op. Middlesbrough. Ja, daar ben ik geweest. Wanneer weet ik niet meer, maar in mijn National Atlas of Great Brittain (op 3 augustus 1978 te Manchester gekocht) streepte ik alle plaatsen aan die ik vanaf toen passeerde en dus ook Middlesbrough.
Dat kerstfeest in Selby was geen groot gebeuren, herinner ik me. Na de maaltijd gingen we naar de pub, alwaar pa Nicholls mij trakteerde op een pint. Ik was meer van de halfjes, die vazen kreeg ik moeilijk op. Die halfjes werden nogal eens spottend aangeduid met ladies pints. Hoewel pa aardig in de olie was, wist hij mij nog wel op het hart te drukken dochterlief ’s nachts niet stiekem op te zoeken, want she was just seventien en nog lang niet klaar voor het grote leven. Ik hield me aan de belofte. De verkering hield geen stand, de afstand was te groot om elkaar goed te leren kennen. Desondanks stuurde Debbie mij nog jaren kaarten en brieven, altijd voorzien van een scala hartjes en kruisjes. Toen ik haar jaren later nog eens bezocht, waren we echter vreemden voor elkaar geworden. Enfin, zo gaat dat.
In de atlas heb ik ook Scarborough en Whitby aangestreept. En ook het kleine kustplaatsje Runswick. Ik zal er denk ik eventjes over de Noordzee hebben uitgekeken. Zal Chris Rea hier inspiratie voor het lied On the beach hebben gekregen? Zou best kunnen. Of op een strandterras in het veel populairdere Hartpool, iets verderop? Inspiratie laat zich moeilijk leiden. lk zou kiezen voor de eerste plek.
Hoe het met Debbie afgelopen is, weet ik niet. Kort na mijn laatste bezoek aan haar, kwam ze in contact met een veeboer die in de buurt van Birmingham een groot bedrijf bestierde. Nog jaren stuurde ze een mooie kerstkaart, met een steeds beknoptere levensschets en de namen van man en twee opgroeiende kinderen. De kruisjes werden allengs minder. Tot er geen kaart meer kwam. Dus hoe het verder met haar is gegaan; geen idee. De kinderen zullen onderhand het ouderlijk nest hebben verlaten en zij kan inmiddels oma zijn. Of schittert ze al tussen de sterren. Misschien ook wel daarom kijk ik op Kerstavond even omhoog. Als een onderdeel van mijn bestaan.
23.12.25 Driving home for Chrismas. Chris Rea is dood. Geen opzienbarend nieuws, want het was bekend dat hij al lange tijd ziekelijk was, maar toch bracht het nieuws me even aardig van de wijs. Ben ik een Chris Rea-fan? Da’s moeilijk te zeggen. Chris Rea was zo’n artiest waar je niet echt fan van kon zijn, domweg omdat hij wars was van het sterrendom en dat is noodzakelijk om een schare volgers te verwerven. Nooit iemand met ‘Chris Rea’ groot op een T-shirt gezien. Niettemin heb ik eens in de zoveel tijd een Chris Rea-muziekdag, net zoals ik eens in de zoveel tijd een Tom Waits-dag heb, een Van Dyke Parks-dag, een Ry Cooder, Shane McGowan … ach er zijn zoveel artiesten van wiens muziek ik houd. Ik heb drie keer een concert van Chris Rea bezocht; de eerste keer toen hij nog maar amper was doorgebroken, de laatste keer in De Oosterpoort op 11 april 1998. Hij was toen denk ik op zijn hoogtepunt. Kort hierna werd hij ernstig ziek. Het waren ietwat saaie, steriele optredens. Dat wil zeggen, voor wie veel show, licht en dans verwachtte. Maar ik wist wel dat dit niet zou gebeuren. In het voorprogramma van dat Oosterpoort-concert trad ene Eric Bibb op. Halverwege het concert riep Chris hem een nummer mee te spelen. Eric Bibb (ik had nog nooit van die man gehoord) wist niet goed wat hem overkwam. Ze speelden een paar bluesjes en de rest is -althans voor Eric Bibb denk ik- historie. Ik heb dat enkel meegemaakt bij hele grote sterren, maar die planden dit doelbewust als onderdeel in van de show. Een stukje empathie. Doet het altijd goed.
De meeste mensen en zeker die de top-2000 volgen en/of kerstpopliedjes hoog in het vaandel hebben, kennen Chris Rea uiteraard van de evergreen Driving home for Chrismas. Een lied waar hij stil van kon leven, las ik eens. Maar hij heeft toch een royaal oeuvre nagelaten. Ik vergelijk hem wat dat betreft een beetje met J.J.Cale, ook zo’n stille man die met onder andere Eric Clapton werkte. Geen grote zangers, beetje gruizig, ingetogen. Geen pleasers. Naast een handjevol hits, vind ik Gone fishing wel een van zijn mooiste liedjes. Misschien geschreven om de alledaagse hectiek even te ontvluchten, want I know nothing about fishing, but just watch me go. Laten weten dat je bestaat, maar vandaag uit beeld wilt zijn. I will look back and see peace on the shoreline. Ik ben ook geen visser, weet er evenmin iets van af, maar zoek af en toe ook eventjes de waterkant op. Naar Drentsdiep. Tot rust komen. Opladen.
Misschien moest het wel zo zijn dat hij vlak voor Kerst de geest gaf. In Borger, waar we zo-even waren, hoorde ik ineens zijn hese stem tussen die van Bing Crosby en Frank Sinatra uit een luidspreker op het marktje komen. Als je het in deze dagen tot het straatmeubilair hebt gehaald, ben je een hele grote. ‘Kom, we gaan op huus an’, zei ik rillerig.
18.12.25 Ketters Het kwam door dat woord ‘onrechtzinnig’. 7 letters verticaal. Wat kon dat zijn? Onrechtzinnig zei me niets. Rechtzinnig; oké. In de zin van eerlijk, open, mededeelzaam, niet achterbaks …. zoiets. Ik zocht het op. Het betekent ‘ketters’. Dat woord kwam ook overeen met de vakjes. Ik maakte de puzzel af en gooide het weg. Maar dat woord onrechtzinnig bleef door mijn kop spoken. Als een liedje dat niet meer weg wil. Ik heb dat woord nooit gebruikt, dat zou het kunnen zijn. Het woord ketter of ketters komt overigens in mijn taalgebruik ook zelden voor. Ik zocht ook daar de betekenis van op, ik werd er niet vrolijk van. Het werd de benaming voor hen die zich in het begin van het pausendom al verzetten tegen de dwingelandij van de Rooms-Katholieke kerk. Mensen die moedig tegen de strakke regels ingingen van die aardsvaders. Ketters waren zo te lezen vooral mannen. Óf die het ook opnamen voor vrouwen, is mij niet bekend. De Jean ‘d Arcen van die tijd (heksen) hadden zelf genoeg te verstouwen. Ik las een vraag uit de Verklaringen van de Katachismus der Nederlandsche Bisdommem, luidende: ‘Mogen we alle protestanten ketters noemen?’ Het antwoord luidt: ‘Nee, want zij zouden ter goede trouw kunnen dwalen’. Alleen al de arrogantie dat die R-K kerkmeesters dat níet zouden kunnen …. Breek m’n bek niet open!
Naarmate ik meer over dat woord ketter nadacht, leek het me voor de hand te liggen dat het bedacht moet zijn door een regelrechte mensenhater. Een geloofsidioot die het voorzien had op mensen die niet dachten zoals hij. Wat voorts blijkt is dat onder ketters ook zogeheten sodomieten vallen en toen kwam ogenblikkelijk het Groningse dorpje Faan in mijn gedachten. Faan ligt tussen Niekerk en Zuidhorn. Op 24 september 1731 werden hier 22 mannen gewurgd en verbrand. Allen werden in verband gebracht met het plegen van enige vorm van sodomie. Als je stukken daarover leest, blijkt dat het ook over het aanwijzen van schuldigen ging voor het in de ogen van de wrede borgheer en grietman (een soort rechter) Rudolf de Mepschede en de predikant Hendricus Carolinus van Bijler, van de in die dagen veel voorkomende veepest. Daar moest volgen deze wreedaards meer achter steken, dat kon niet het werk van hun weliswaar wrekende god zijn en dus zocht met name dominee Van Bijler een zondebok. Vandaar dat sodomie, wat men later herenliefde of homoseksualiteit zou gaan noemen, meerdere keren in de processtukken voorkomt. Hun uitleg was dat elke vriendschappelijke omgang van mannen onderling onder sodomie moest worden verstaan.
Het monsterproces van Faan was van een gruwelijkheid dat het zelfs tot in de Staten van Den Haag beroering wekte. Maar in die tijd was het niet vreemd dat mensen een bekentenis werd ontlokt door marteling en dat men daardoor op de brandstapel of aan de worgpaal eindigde. Tot 1598 vonden er in de buurt van Wedde bijvoorbeeld nog heksenverbrandingen plaats. Die plek is men de Geselberg gaan noemen. Maar wat er meespeelde was de inbreng van dominee Van Bijler. Hij was zeer strak in de calvinistische leer. Nadat er een storm opstak over deze vreselijke terechtstellingen, week hij uit en kwam terecht in …. Gieten. Daar heeft hij nog een aantal jaren tegen alles wat niet strookte met de regels van Johannes Calvijn gedonderpreekt. Wat me jaren geleden na het lezen van het boek van Koert ter Veen over deze zaak verbaasde, is dat er nooit een monument (hoe klein ook) op de plek van deze misdaad is geplaatst. In een artikel uit Het Nieuwsblad v/h Noorden van 1988 wordt er gewag gemaakt van het plaatsten van een monument op de Gijsellap, de plek waar deze berechtingen plaatsvonden. Misschien wilden bewoners van deze streek er niet dagelijks mee geconfronteerd worden. Ook Westerbork was niet enthousiast toen er werd aangedrongen op een blijvend monument op de plek vanwaar tussen juni 1942 en september 1944 meer dan 140.000 mensen werden weggevoerd en zo’n 105.000 nooit meer terugkwamen. En misschien is het ook wel het feit dat het om mensen ging die afweken van hen. Wél is er een informatiebord geplaatst, om de plek aan te geven waar de borg Bijma van het geslacht De Mepsche stond. Hierop wordt uitgelegd wat zich hier 290 jaar eerder heeft afgespeeld. Maar een echt monument voor de 22 slachtoffers van deze ketterij, is er niet. Zou te duur worden, las ik.
Van Faan naar nu lijkt een immense sprong, maar als ik lees over hedendaagse ultra-conservatieve of extreem-rechtse wereldleiders, die vanuit hun evangelistische overtuiging homoseksualiteit verketteren en transseksuelen zelfs het recht van bestaan ontzeggen, dan komen lieden als dominee Henricus Carolinus Van Bijler en Rudolf de Mepsche weer aardig in beeld. Ik vrees met grote vreze (dat klinkt bijna ultra-conservatief!) de huidige en de toekomstige regels van De Nieuwe Orde. Laten we vooral zuinig zijn op elkaar en onze naasten vooral niet verketteren!
12.12.25 Kerstverhaal Ik droomde en ik droomde en pas toen ik met een schok ontwaakte besefte ik dat ik het allemaal gedroomd had. Iedereen weet dat dromen tijdloos zijn, dat een klok in een droom niet echt loopt en een onbestaanbare tijd aangeeft en dat een droom een rare mengeling is van indrukken die men tijdens het leven heeft opgedaan. Mooie, minder mooie en afschuwelijke gebeurtenissen. Het is ons allemaal bekend. Vanaf de tijd dat je nog een kind was en na een nare droom je moeder naast je bed vond om je te troosten tot zaken die vandaag de dag spelen en je zogenaamd uit je slaap houden. Welnu, in zo’n wirwar van droombeelden was ik verzeilt geraakt.
Ik was werkzaam in een winkel. Het was koopavond en erg druk. Desondanks liep ik de winkel uit om even een krantje te scoren bij Van der Kuijl. Dat deed ik elke dag, vandaar. Maar wat gebeurde er? Ik kon de weg naar de winkel ineens niet terugvinden. Raar, want de krantenwinkel was maar honderd meter van mijn winkel verwijderd. Toch raakte ik de weg kwijt. In een mum van tijd bevond ik mij in een buitenwijk van de stad en wist totaal niet hoe ik terug moest. Ik rende over paadjes die me onbekend waren, tussen tuinen door en eindelijk kwam ik uit bij de Nieuwe-Huizen. Ah gelukkig, bekend terrein. Via de Oudestraat liep ik richting het Koopmansplein. Voor de kousenwinkel van de familie Strümpfe stond nog een groepje mensen. Op het slechts van één raam voorzien pandje was ‘Opheffingsuitverkoop’ gekalkt en daaronder: ‘Wacht u rustig uw beurt af, de ruimte is beperkt’. Ik liep verder. Het Koopmansplein was bijna leeg. Het liep ook al tegen sluitingstijd. Snel rende ik door naar de winkel waar ik werkte. Die was gelukkig nog open. In niet afnemende vaart snelde ik de roltrap op. Hij stond weer eens stil. Al sinds ik hier werkte was-ie regelmatig kapot. Van een oude collega wist ik dat er een nieuwe trap moest komen omdat dit model niet meer goed te repareren was, maar dat de winkel dat niet kon betalen. Enfin. Boven was Greetje druk bezig de kassa op te maken. Ze had haar jas al aan en wilde snel weg. ‘Waar was je al die tijd?’, zei ze boos. ‘Sorry, ik was verdwaald’, zei ik. ‘Ja hoor verdwaald. Vorige week werd je gegijzeld en de week daarvoor overvallen door een koppel geestelijk gestoorden. Wat wordt het volgende week? Word toch eens volwassen, man! Je ziet, ik heb al het werk al gedaan, dus bedank me maar’. Dat deed ik. ‘Anders!’, zei ze streng. Ik gaf haar een klinkende zoen. ‘Da’s beter’, zei ze. In een opwelling griste ik een langspeelplaat uit het Z-vak (Zappa) en zei dat onze afdelingschef, meneer Donkerbruin, toch niets te mopperen had over mij. ‘Je bent een beetje gek, maar wel lief’, zei Greetje met een glimlach en sloeg het geld op in het kistje. We liepen naar beneden. Ze had een nauwe rok aan en hele hoge hakken en die stiletto’s priemden in de gleufjes. Daardoor viel ze bijna voorover. ‘Die klotetrap ook’, zei ze fel. Ik ving haar op. Buiten begon het licht te sneeuwen. Dat was niet zo vreemd, want het liep tegen kerst.
‘Waar ga je naartoe?’, zei ze. ‘Naar huis’, zei ik. ‘Ga met mij mee, dan gaan we wat drinken’, zei ze temerig. ‘Neenee’, zei ik. Want ik wist waar het op uit zou draaien. Mevrouw Spruw van de kledingafdeling kinder- en grote maten, had me eens toegefluisterd dat Greetje na het werk in de winkel regelmatig naar een barretje ging waar ze particuliere diensten verrichte. Ik was geheel onschuldig in die dingen. In mijn dorp zou dat vermoedde ik schoonmaakwerkzaakheden bij een buurtgenoot zijn of iets van die orde en dat zei ik dus tegen mevrouw Spruw. ‘Ja, op je rug zeker!’, zei ze fel. O, wat had ik nog een hoop te leren! Zij had van Joop -van de pannenafdeling- gehoord dat Greetje in een uurtje bij ‘De Rapunzelbar’ -zo heette dat barretje- meer verdiende dan een hele dag in de winkel. En ze vindt het nog leuk ook, zei ze. ‘De Rapunzelbar’ bevond zich in een zijstraatje van de Gedempte Singel en werd ook wel ‘Het Hol’ genoemd. Niet vreemd gekozen, want om binnen te komen moest je afdalen middels een stenen trappetje. Omdat ik nogal zuinig met mijn centen was, behalve mijn dagelijkse krant en af en toe een boek of een langspeelplaat, ontweek ik haar daarom een beetje. Bij de winkel van Jamin zag ik mijn kans schoon en zei ‘Nou dag hoor’ en sloeg de bocht om richting de Vaart. ‘Nou doei dan maar’, riep ze me na. Heel, heel diep in mijn hoofd hield ik van haar, misschien wel meer dan ik in al mijn schuchterheid wilde toegeven, maar ik vreesde haar ook zeer. Toegegeven, ik was erg preuts, maar waar bemoeide die mevrouw Spruw zich ook mee! Ach, wat hadden wij beitjes het samen prachtig kunnen hebben.
En toen werd ik plotsklaps wakker. Ik lag diagonaal in bed. Mijn vrouw was al op. Ze zei dat ik heel onrustig was en daarom was ze opgestaan. ‘Het bed was eventjes te klein voor ons beiden’ zei ze. Ik zei dat ik heel raar had gedroomd en vertelde in het kort waarover. Daarna zei ik dat ik nog een kerstverhaal moest bedenken voor de mensen van de koffieclub maar geen idee had waar ik het over moest hebben. ‘ ’t Is altijd hetzelfde. Jozef & Maria en kindeke Jezus in dat kribbetje en die dooie pieren uit het Oosten. Wat moet ik daar mee?’ ‘Maar je hebt je verhaal vannacht gedroomd, gekkie. Schrijf dat nou eens mooi op en wie weet hoe leuk die oudjes dat vinden. Die willen ook weleens wat anders dan die schapen en die os en die kameel’. ‘Kameel? Ezel’, zei ik. ‘Oh nou goed dan, ezel’, zei ze. Ik stond erover na te denken en te overwegen en te twijfelen en toen begon het potjandorie heel lichtjes te sneeuwen.
10.12.25 Piketnummer Ik zal niet zeggen dagelijks, maar toch zeker wekelijks lees je er over in de krant of zie je er iets over op de regio-tv: overlast van zogeheten veiligelanders en dan betreft het vl’s uit met name het opvangcentrum nabij Ter Apel die de bus naar Emmen reizen en vervolgens met de trein naar Zwolle. Het is een probleem dat kennelijk niet opgelost kan worden, want het speelt al jaren. Kennelijk is het inherent aan deze groep vluchtelingen. De grootste irritatie, naast het zich toe-eigenen van spullen in winkels, is het zwartrijden. Daar maakt zich een gedeelte van deze veiligelanders zich schuldig aan en daarmee zetten ze andere mensen in het opvangcentrum die het juist wel goed willen doen in een kwaad daglicht. Het probleem begint al doordat de meesten zeggen geen identiteitskaart te hebben en dus niet bekeurd kunnen worden omdat de agent (een boa, of wie dat karweitje moet klaren) niet over hun persoonsgegevens beschikt. Maar als dit wél het geval is, weigert de verbalisant gewoon te betalen. De minister die hier over gaat zegt dat zwartrijden niet mag, maar dat het aanpakken ingewikkelder blijkt dan gedacht. Daar is eerst een wetswijziging voor nodig en dat kan even duren …. enzovoort, enzovoort.
Ik heb niet zoveel treinervaring. De nodige reisjes naar Utrecht of Amsterdam voor concerten of om musea te bezoeken, maar dat zijn eenvoudige heen-en-weertjes. Een moeilijkheid leverde mijn reis op naar Vucht, op 13 september 2014. Mijn vrouw was ziek en ik had nog één van de drie tickets van het Kruidvat waarmee ik voor een spotprijsje nog één dag kon reizen. Verlopen zou zonde zijn en dus ging ik alleen. Ik wilde nog weleens naar het Herinneringscentrum van het strafkamp aldaar. Het was een snikhete dag. Ik was niet gewend aan het in- en uitchecken -mijn vrouw deed dat tot dan toe meestal- ik vergat het daardoor. Tot dan toe was de reis voorspoedig verlopen, ik kreeg geen enkele kaartcontrole. Maar juist op dat korte stukje tussen ’s Hertogenbosch en Vucht ging het mis. Twee controleurs naderden. ‘Controle bitte’, wilde ik al zeggen. Ze begonnen moeilijk te doen met mijn Kruidvatkaart. Ze kenden het niet. Een boete dreigde, het boekje kwam al uit de zak. Maar daar doemde het bord Station Vucht op. De trein minderde vaart. Let wel, hij was amper op boemelsnelheid gekomen. Halsoverkop dook ik onder de armen van de twee controleurs door en sprong op het perron. Gered!
Daar denk ik weleens aan als ik weer een artikel onder ogen krijg van zwartrijdende veiligelanders. ‘We denken aan het vrijwillig laten voorschieten van de boete en de kosten daarvan te verhalen op het leefgeld dat de asielzoeker in Ter Apel krijgt’. De controleur mag de identiteit van de asielzoeker ook niet vaststellen. De minister denkt ook aan een piketnummer dat de toezichthouder ter plekke kan bellen en daar kan dan iemand de identiteit checken. Hoe? Geen idee. De mens zal eerder op Mars een wooncommune hebben gesticht dan dat dit geregeld is. Mijn broek zakte ervan af toen ik het las. Er is zelfs een zwartrijder die al 40 keer op de bon is geslingerd, maar nog nooit heeft betaald. Vanuit eenzelfde gedachte wil het rijk ook de schade van diefstallen in de winkels in Ter Apel op die druiloren vorderen. Via eenzelfde piketnummer. Kost allemaal extra moeite en geld. Het is dweilen met de kraan open. Geen wonder dat mensen achter politici aanlopen die denken de oplossing te hebben, maar niet verder komen dan geblaat. Nederland heeft een bedenkelijke WO2-treinreputatie, maar in de huidige tijd schuurt het ook nogal eens. Denk aan het regelmatig uitvallen van treinen, van stakingen en vertragingen. Ik bedenk me wel twee keer alvorens mij er nog mee te laten vervoeren. Toch een vreemde paradox: jezelf onveilig voelen door mensen die doorgaan voor veiligelanders.
9.12.25 Geheugenslijtage Het gebeurt me steeds vaker dat ik niet op iemands naam kan komen. Ik loop iemand tegen het lijf of die iemand loopt míj tegen het lijf en de man of vrouw spreekt mij alleraardigst aan en ik weet bij-god-niet waar ik de persoon van ken, waar ik hem of haar moet plaatsen en erger hoe-die heet! Verwarring alom. Vragen doe ik het niet, vind ik gênant, want de andere weet naar mijn idee wél precies tegen wie hij of zij spreekt.
Gisteren overkwam mij dat ook weer. Hele aardige mevrouw, kwam lachend op me af, vroeg meteen hoe het gaat, maar wie was zij nog maar weer? Pas later in de winkel wist ik het: Ingeborg. Schande dat ik het niet wist! Zou ik het wel hebben geweten, dan hadden we onder de afdak van die winkel een heel aardig weerziensgesprek kunnen voeren. Ik lag er later thuis nog lang over na te denken. Het is natuurlijk een gevolg van mijn leeftijd, maar dat moest eveneens bij haar het geval zijn. Als mij overkomt dat een ander mij een beetje vragend aankijkt, zeg ik terloops mijn naam. Ik merk dan een lichte verzuchting. ‘Ik dacht al, waar ken ik jouw toch maar weer van. Van de Flora of van Poppell of nog verder terug van Stork’. Kan allemaal. We zijn oud geworden, zeggen we met een verontschuldigende glimlach. De nodige verbouwingen inclusief ziekenhuisbezoeken hebben onze levens getekend. Haaruitval of baardgroei is ook zo’n ding. ‘Jij zit tenminste nog dik in het haar’, is een wederkerende opmerking. En na een minuutje lopen we met een ‘Nou moi heur’ weer uit elkaar. Niet zelden was het een laatste groet.
Misschien moeten we er iets op verzinnen dat dit soort lastige ontmoetinkjes wat makkelijker maakt. Dat we onze naam -voornaam is voldoende- meenemen in onze groet. ‘Ingeborg zegt Goeiemiddag’, klinkt wat stijf en nogal aanvallerig. Alsof ze iets van me wil. Ik zou terug kunnen zeggen: ‘Willem wenst hetzelfde’. Ik geef toe, er valt nog veel aan te schaven. Maar je ruimt met een handigheidje je vergeetachtigheid op en een geanimeerd gesprek kan van start gaan. Wat nog erger dan het kwijt zijn van iemands naam is, is iemand verkeerd benoemen. Lange tijd kende ik een vrouw die Patricia heette en die ik jaren niet had gezien. Toen dit enige jaren geleden -op de Asser markt was het- gebeurde, noemde ik haar pardoes Willeke. De reden was misschien nog wel absurder. Bij sommige namen gebruikte ik weleens een ezelsbruggetje en Patricia linkte ik aan Patricia Paay – de zangeres. Daar leek zij echter helemaal niet op. Ze had veel meer weg van Willeke Alberti. Zo ontstond dat misverstand, daar op de markt. Ze keek verwonderd en ook wel een beetje geïrriteerd aan. ‘Willeke?’, zei ze. ‘O nee, sorry’, hakkelde ik. Het kwam weer goed. ‘Ach, we worden oud hè’, zei ze ter vergoelijking nadat we waren uitgepraat. ‘Zo is het’, zei ik en we vervolgden onze weg.
Maar beschamend was het wel. En dat zouden we kunnen voorkomen door onze naam in onze groet te verwerken. Als het eenmaal is ingeburgerd, maalt niemand meer om het openlijk prijsgeven van elks identiteit. ‘Willem zegt moi’. Ja, hier moet nog wel iets aan verbeterd worden, maar een beginnetje is er!
6.12.25 Inzoomen op een foto Het nieuwste nummer* van de Historische Vereniging van voorheen de Gemeente Gieten (nu onderdeel van de gemeente Aa en Hunze) bevat een verhaal dat ik ze enige tijd geleden had toegestuurd. Het verhaal betreft mijn gemijmer over de voor oud-Gieterveners bekende groepsfoto die gemaakt is op de dag dat de Burgemeester Nijenhuisschool (2 september 1959) werd geopend. Dat gebeurde door de toenmalige burgemeester Albrecht en zijn eega. Burgemeester Nijenhuis, vader van de bekende schrijver Gerard Nijenhuis, had zich tijdens de bezettingsjaren niet gevoegd naar de regels van de nazies. Hij werd in juni 1942 gearresteerd en tot aan de bevrijding voor een groot deel als gijzelaar vastgehouden in Haaren en St. Michielsgestel. Meteen na de oorlog hervatte hij zijn taak weer als burgemeester van de gemeente Gieten. Als eerbetoon voor zijn standvastige houding, werd de nieuwe school naar hem genoemd.
Goed, die foto dus. Het bestaat uit de leerlingen van de zes klassen + de drie leerkrachten. Ik zal niet ontkennen dat als ik deze foto onder ogen krijg en het is al eens eerder gepubliceerd in ‘Ons Erfdeel’, mijn blik eerst naar mijzelf uitgaat. Daar zal een zekere logica achter schuilgaan. Ik was 8 jaar + 4 maanden en zat in de derde klas. Mijn leerdrift was uitgaande van dat van de eerste 2 klassen enigszins dalende, blijkt uit het rapport. Waar dat aan heeft gelegen, weet ik 66½ jaar later niet meer. Van enige vorm van behaagzucht kon de meester mij onmogelijk betichten. Ik zal mij denk ik teveel hebben laten leiden door wat er om mij heen gebeurde en dat uitte zich in een magere vlijtcijfer. Dat ik ondanks die derde klas toch op de eerste rij en óp de gymnastiekbank zit en achter mij op de tweede rij veel van mijn klasse-collegaatjes ontwaar, zegt iets over mijn lengte. Ook Japie van der Veen behoorde tot de uitverkorenen. Zoals gewoonte was arrangeerde de fotograaf naar lengte: de kleinsten voorop en de langsten achteraan. Om diezelfde zienswijze moesten Japie en ik altijd vooraan lopen tijdens de opkomst van de jaarlijkse gymnastiekuitvoering. Ik zit tussen 10 meisjes op die bank. Zal één van ons, van die 106 leerlingen, inspraak hebben gehad in de opstelling? Ik denk het niet. De omslagfoto van het blad toont de aankomst van burgemeester Albrecht en zijn eega. De kinderen in de welkomhaag dragen zelfgemaakte hoedjes met een krans van crêpepapier en zwaaien met een papieren vlaggetje. Ik kan me niet heugen hier tussen te hebben gestaan. Op de groepsfoto, die achter de school is genomen, is van enige jolijt geen sprake meer. Een groot deel heeft duidelijk last van de zon. Ik zelf ook. Daardoor kijk ik met half toegeknepen ogen en mijn hoofd ietwat scheef. Ik vermoed dat ik kort voor deze opstelling druk doende was met iets. Mijn sokken zijn in ieder geval afgezakt en mijn knieën vuil, zoals ze dat vaak waren, want ik mocht graag in de grond rommelen. Langs slootjes op zoek naar visjes en in het veld bloemen plukken en beestjes zoeken en daar wordt je in de regel niet schoner van. Ik herinner me dat ik bij de enige poging ooit om waterviolieren te plukken naar beneden gleed en kopje onder ging. Mijn bloes kwam hier chocoladebruin uit tevoorschijn en zou niet meer te dragen zijn. Op de foto is het nog ongeschonden. Het kan zijn dat ik kort voor de opname een spelletje met iemand speelde of ravotte en nadat de foto klaar was, hiermee doorging. Alsof dat portret niet meer was dan een korte, vooral storende onderbreking.
Hoe was ik als kind? Die vraag is mij -en dat zal ongetwijfeld iedereen weleens zijn overkomen- meer dan eens gesteld. Ik kan daar moeilijk antwoord op geven. Een dromertje, en daar moest ik voor boeten. ‘Niet bevorderd!’, schreef meester Van Gogh bij klasse 5 in de zomer van 1962 in mijn rapport en daaronder: A-taken, met een bijna boze kronkellijn eronder. Die A-taken waren Rekenen en Nederlandse taal. Aardrijkskunde en Geschiedenis kon ermee door, maar met de kennis dat Floris de V in 1296 was vermoord kon je in de praktijk niet veel. De rapportcijfers van de klassen 2, 3 en 4 waren nog redelijk. Een groot licht zou ik echter nooit worden. Daarvoor gebeurde er buiten de school teveel aardigs of zoals meester Van Gogh dat eens zo treffend tegen mijn ouders op een ouderavond schijnt te hebben gezegd: ‘Willem ziet alle vogels buiten vliegen’. ‘Geeft toch wat meer acht!’, brieste mijn vader daags erop. Dat was toen, dat nieuwsgierige, en dat is nog steeds het geval en ik ben er onwijs blij mee! Maar dat was geen vak. Het zou die 2 minnen aardig gecompenseerd kunnen hebben. Daardoor zou mijn leven er compleet anders uit hebben gezien en -niet met zekerheid te zeggen- niet per se beter! *Te koop bij Greving en Jumbo te Gieten.
4.12.25 Enne gojje mins blieft altied leave* (OverlijdensAdvertentieBovenschriften 12)
Dichter naar het eind van het jaar komen we in een fuik terecht van hele en halve religieuze feesten, waar met name de commercie gretig op in is gesprongen. Dat begint eind oktober met Halloween en gaat door tot en met de jaarovergang. Na Sint-Maarten en Black Friday (dat hier en daar al wordt gezien als een semi-reli-koopfeest) en Sinterklaas, begint zo tegen de 20ste december de Muziek-Top2000. Dat is er sinds de millenniumwissel als een extra feestje bijgekomen. Die lijst wordt door duizenden voornamelijk popmuziekliefhebbers samengesteld en uitgezonden tot aan de jaarwisseling. Al sinds jaar en dag voert de Britse band Queen deze lijst aan met Bohemian Rapsody. Het is een beetje de Land of Hope and Glory geworden, de bombastische jaarwendeopera van popminnend Nederland. Queen voorzag de wereld van het prachtige Who wants to live forever en stuurde de begeleidende zwart/wit clip als een afscheidsgroet van voorzanger Freddy Mercury de wereld in. Van Mercury was niet veel meer over dan een magere, edoch keurig gekapte schim. Daags na de uitzending overleed hij. Ik was eerlijk gezegd niet zo’n fan van Queen, maar dit oversteeg alles wat ik tot dan toe aan pop-emo kende. Met mij zaten miljoenen fans wereldwijd voor de buis te soppen. Die Top2000 heb ik echter nooit echt gevolgd. Ik heb zo mijn eigen smaak en die vond ik maar deels terug in die lijst. Dat er navolging zou komen was te voorzien en sinds enige jaren heeft bijna elke provincie haar eigen top-100 of top-1000. Daarnaast zijn er dan nog de Evergreen-Top1000, de Klassieke Muziek-Top500 en de Nederlandstalige-Top1000.
Ik wil me hier beperken tot de regionale lijsten. Die geven een aardige inkijk in de smaak van onze provinciebewoners. Je ziet hier bijvoorbeeld aan af hoe chauvinistisch ze zijn: eigen artiesten voorop! Ik ben hiervoor een aantal lijsten nagelopen en het viel me op dat veel van de liedjes die hierin hoog staan, het ook goed doen tijdens de uitvaartdiensten in de betreffende provincies. In een eerdere OAB heb ik reeds Ede Staal als klapper in deze genoemd. In de Drentse Top-1000 vinden we Doodse stilte van de boerenrockgroep Mooi Wark op nummer-1 van beide lijsten, maar als OAB komt het niet in mijn verzameling voor. En dat zie je meer. Van alle volgende nummer-1 hits heb ik geen enkele OAB in mijn verzameling. Ik noem ze na de enige uitzondering in deze, namelijk Ede Staals Het het nog nooit zo donker west. Van Friesland Au Revoir, de Friestalige klapper van Bildtstar. Van Gelderland Die arm om mijn schouder van Dick Altena. Van Noord-Holland Stil in mij van Van Dik Hout. Van Limburg Leste leedje van Lex Uting & Chantal Janzen. Van Noord-Brabant Brabant van Guus Meeuwis. Van Zeeland Roller Coaster van Danny Vera. Al deze artiesten wonen in de genoemde provincies of hebben er sterke binding mee. Die andere provincies hebben eveneens Nederlandstalige nummer-1 hits, maar van artiesten die niet in die provincies wonen. In de lijst van uitvaartverenigingen als Monuta en Dela komen die wel terug. Danny Vera is in alle lijsten favoriet. Daarnaast, en niet genoemd als nummer-1 in de provinciale top100 tot top1000: Frans Bauer, Rob de Nijs, Miss Montreal, Jannes, Claudia de Breij en Paul de Leeuw. Speciale vermelding verdient de Limburger André Rieu. Zijn muziek is aan geen enkele provincie gebonden, wordt derhalve wél veel genoemd, maar als OAB komt hij helemaal niet voor. Dat is ook niet zo verwonderlijk, want zijn grote voorbeeld Johann Strauss kon het zonder woorden af. Feit is wel dat het tijdperk dat Jan en Alleman de spot dreef met Mieke Telkamps Waarheen, waarvoor echt voorbij is.
Zoals gezegd, kom ik in mijn OAB-verzameling zelden een regeltje tegen van de bovengenoemde liedjes. Dan zijn het toch vaak strofen uit liedjes van zangers als Herman van Veen, Boudewijn de Groot, Ramses Shaffy, Stef Bos of Frank Boeijen. Naast eigen teksten, maar ook van Willem Wilmink, Rob Chrispijn en Lennaert Nijgh. Terug naar de kopprovincies, is het onmiskenbaar Ede Staal die de hoogste ogen gooit. Zijn Credo (ik wait, der is ’n tied van komen en ook een tied van goan, en alles wat doar tussen ligt, ja dat is mien bestoan ) dringt zelfs door tot in de NRC en zoals zanger Joop Visser zong: ‘Dan tel je echt mee’. Van Daniël Lohues zijn meerdere OAB’s vertegenwoordigd, te weten Op fietse (Wie döt mij wat, wie döt mij wat, wie döt mij wat vandage? Ik heb de banden vol met wind, nee ik heb niks te klagen) tot het zwaardere Elk mens die hef zich ’n kruus te dragen. De voorbeelden van de OAB’s van Ede Staal en Daniël Lohues scoren ook hoog in de uitvaarttop.
Áls er al een overeenkomst is tussen alle genoemde liedjes en de OAB’s, dan is het de hang naar het gewone en -niet zelden- de hang naar het platteland. Het is dan ook niet verwonderlijk dat een liedje als Het dorp van Wim Sonneveld op tekst van Friso Wiegersma , op al die lijsten voorkomt. Op de Evergreen Top1000 staat-ie zelfs op nummer-1. Het is de hang naar de eigen plek, weliswaar overdekt met een dikke laag nostalgie. Maar dat vindt je in al die liedjes en in de meeste OAB’s ook terug. Het verbaasd me dan ook niet dat Coming home for Chrismas zanger/componist Chris Rea al jaren een florrissant leven bezorgt. Ik heb voor de goede orde, de lijsten van 2024 aangehouden. Binnenkort verschijnen de nodige nieuwe lijsten vanaf de uitzendingen op de radio. * Uit: Twieje wurd van Rowwen Hèze, oet America, Limburg.
28.11.25 Alle leugens op een rij Er zijn wereldwijd duizenden wetenschappen en elk daarvan heeft onderzoekers die het van steeds betere gegevens voorzien. Want je loopt in die wereld snel achter, zeker in de wetenschap dat anderen jou mogelijk passeren en een zogeheten scoop hebben. De eerste wetenschapper moet denk ik degene zijn geweest die kort na zijn of haar verschijning op deze aardbol -uit een vorm van nieuwsgierigheid- ging onderzoeken uit welke rib de eerste vrouw is ontstaan en of dat überhaupt wel het geval was. Mogelijk zou er sprake kunnen zijn van de zwevende rib-theorie. Met name reli-wetenschappers zijn hier nog steeds niet uit. Het lijkt mij logischer dat de man is ontstaan uit de vrouw, of anders gezegd: wat was er eerder, de rib of het ei?
Over deze wetenschap wil ik het eigenlijk niet hebben, maar over een hele andere, namelijk het buitenwereldlijke gedrocht genaamd Donald J. Trump, die ik -indien hij moet worden genoemd- aanduid met DJT. Van DJT is bekend dat hij de waarheid (lees: élke waarheid) met een forse korrel zout neemt en er zijn eigen waarheid op los laat. Zelfs zaken die algemeen bekend zijn, verdraait hij dusdanig dat hij er mee wegkomt en gedaan krijgt zoals hij het wil. Dan heb je het goed voor elkaar. In de regel noem je zoiets liegen, of onwaarheden verspreiden, of zaken anders voorstellen dan ze in werkelijkheid zijn, of onjuiste verklaringen afleggen, of onwelgevallig nieuws aanduiden als fake news. Sinds het aantreden van DJT is vooral dat laatste een begrip geworden. Dat is natuurlijk vragen om moeilijkheden en al zeer spoedig gingen nieuwsmedia aan de haal met dat begrip en turfden hoe vaak DJT zijn hand overspeelde, ofwel zich aan de waarheid vergaloppeerde. Vaak. The New York Times kwam uit op zo’n 40 keer per dag. Welgeteld verspreidde DJT vanaf zijn eerste termijn als president van de USA tot op heden zo’n 42.000 leugens. Dat hoeven niet altijd keiharde leugens te zijn, want het gebeurde ook weleens dat hij verkeerd werd voorgelicht en dan mag men hem die leugen niet voor de volle 100% aanrekenen. Een zekere categorisering van onwaarheden is hier dus wel op zijn plaats. Dat neemt niet weg dat er genoeg gelieg overblijft om hem als de grootste leugenaar van Amerika te bestempelen. Er zullen zich onder die circa 350miljoen Amerikanen mogelijk nog grotere liegbeesten bevinden, maar omdat DJT zonder met zijn ogen te knipperen zegt in alles de grootste te zijn en niet na kan laten dit wereldwijd uit te venten, gun ik hem de eer. Ik wil op deze zwarte vrijdag de beroerdste niet zijn. Mogelijk stelt iemand van The New York Times nog eens voor DJT er een prijs voor te geven, want de Nobelprijs voor de Vrede is hem -zegt hijzelf- ook al door de neus geboord is. Zelfs met een vergulde dode mus zou je hem al kunnen paaien.
Maar zijn faam als nationale jokkebrok is tanende en daarmee ook de kwaliteit van zijn leugens. De vooraanstaande volksgezondheidsarts dr. Vin Gupta, zegt op de TNYT-site, dat de leugens van DJT incoherenter worden en dat er van een cognitieve achteruitgang bij hem sprake is. ‘Heel normaal op die leeftijd’, zegt hij geruststellend. Het kan echter betekenen dat zijn leugens doorzichtiger worden en makkelijker te doorzien. Bedenkelijk is wel dat hij zich hierdoor aangevallen voelt en ‘zijn waarheden’ nog krampachtiger probeert te verdedigen. Dat zijn grote voorbeeld Vladimir Poetin -ook een aardsleugenaar- hem in het oor fluisterde Oekraïne op te geven, is geen geheim. Ook niet dat Vladimir de omgang van DJT met de vrouwenbruut Jeffrey Epstein tot in de finesses kent en daardoor handig gebruik maakt DJT als een marionet te besturen. Dit heeft weer een bulk aan vage ontkenningen van de kant van DJT opgeleverd. Deze bochtenwringerij werd en wordt nauwkeurig door de nieuwsmedia bijgehouden. Er is 1 dag geweest waarop de leugenturvers DJT niet op een leugen hebben kunnen betrappen: 1 maart 2025. Bekeken wordt nog of DJT toen niet heel toevallig van de wereld was en vooral van wélke. Misschien had-ie een akkefietje met die toen nog geweldenaar Elon Musk en verkeerde hij in hogere (space) sferen. Of ligt de vergissing bij de gezamenlijke media. Wij horen hier vast nog wel eens van.
ps. In de kranten van vandaag ben ik geen enkele foto van DJT tegengekomen. Dat voelt bijna vreemd aan. Alsof er van boycot sprake is. Wél een fotootje van de twee kalkoenen die DJT op Thanksgivingsday de vrijheid schonk. Tenminste, dat zei hij. Mogelijk ligt het anders en heeft de leugendetective van The New York Times inmiddels weer een streepje toegevoegd achter de kolom ‘Absoluut zekere onwaarheden van DJT’. Houdt DJT dit ritme aan, dan zou zijn leugenscore tegen het eind van zijn tweede ambtstermijn op 100.000 kunnen uitkomen. Voorwaar, een prestatie die om het in zijn eigen woorden te zeggen ‘nooit eerder in het bestaan van gans de mensheid is vertoond’. Voorlopig houd ik dat voor waar aan!
22.11.25 Het heilige geloof Het is makkelijk te bewijzen dat het leven vandaag de dag vele malen beter is dan zeg 66 jaar geleden. Bijvoorbeeld: de geneeskunde. Ik zeg dit niet zo maar, want ik was toen 8 jaar en geloofde nog stellig in het bestaan van Sinterklaas. Ik ga hiervan uit, omdat het geloof in deze heilige toendertijds lang vast stond. Je wist dat hij uit Spanje kwam, dat dit met een stoomboot geschiedde en dat hij altijd vergezeld ging van zwarte piet. Daar hield het verhaal grotendeels meer mee op. Van sommige heiligen is minder bekend en toch worden ze op bepaalde jaardagen met evenveel poeha herdacht als Sinterklaas. Het grote verschil zit ‘m erin dat die oude kerkvaders morsdood zijn en Sinterklaas het eeuwige leven heeft. Ieder jaar opnieuw vaart hij zo half november een Nederlandse haven binnen. Ik heb dit gebeuren -eerlijkheid gebied dit te zeggen- al jaren niet meer gevolgd.
Nu was ik vanmorgen eventjes bij goede vrienden in mijn buurtje en die hadden een neefje op bezoek die graag naar de intocht van de sint in ons dorp wilde. Het probleem was dat geen van de huisgenoten met hem mee kon en daarom bood ik mijn diensten aan. Het jongetje blij en (eigenlijk) ik ook. De intocht van Sinterklaas in ons dorp volgde ik wel, maar in de sportzaal vertoonde ik mij niet. Dat leek me zoiets als insluipen op een feestje van iemand die ik niet ken. Bijkomend punt zou zijn dat Sinterklaas juist mij er als ongenodigde uit zou pikken om voor het oog van de zaal iets schandelijks op te biechten. Want het oog van Sinterklaas is alziend en hij vergeet niets! In essentie is het een mystiek verhaal, inclusief een vleugje bekentenis en daarop volgend een strafje. Dat valt op voorhand af te betalen met een wortel in een schoen en gezingzang bij de open haard of bij één van de radiatoren, want Sinterklaas kijkt in deze niet zo nauw. Dus dit was mijn kans mij achter de fijne schoudertjes van dit 8-jarig jongetje te verschansen en als een spion het gebeuren gade te slaan.
Beste lezer, wat heb ik mij enorm vergist! Tussen mijn sinterklaasintochten en die van nu zit een wereld van verschil. In mijn herinnering zaten wij doodstil in de klas te wachten op de komst van de goedheiligman. We waren tot in onze haarvezels gespannen en als meester zei dat hij iets op de gang hoorde naderen, stegen onze hartslagen tot het hoogst haalbare en dienden wij het welkomstlied aan te heffen. Dan ging de deur voorzichtig open en kwam Sinterklaas binnen. Hij deed daarbij alsof hij bij de verkeerde klas had aangeklopt. Hij liep licht gebogen en stijf en gebruikte zijn staf om overeind te blijven. Dat zag je duidelijk. Wij waren één en al oog en oor. De scootmobiel was nog niet uitgevonden, anders had-ie het wel geweten. De gitzwarte piet volgde hem gedwee. Soms sprak hij zijn baas toe in een mal soort Nederlands. Ja, er was altijd maar één piet. Dat was een wet van Meeden en Perzen en stond weergegeven in de vele sinterklaasboekjes. Dan nam Sinterklaas plaats op de stoel die normaal achter het bureautje van de meester stond en zei ‘Hèhè’. Sinterklaas stak piet de staf toe, die hij in de hoek naast het schoolbord zette en legde zijn gehate jutezak ernaast. Gehaat én gevreesd, want in het allerergste geval kon een zeer stout kind erin worden gestopt en naar Spanje vervoerd. Sinterklaas begon nu te praten. Dat de reis ook dit jaar weer een bezoeking was. Het was het geluid van een stokoude man dewelke overeen stemde met dat van zijn leeftijd. De één zei dat Sinterklaas meer dan duizend jaar oud was, de ander hield het op een paar honderd. In ieder geval was het heel veel. Daarna zongen wij enige liedjes en dan opende Sinterklaas het grote boek. Dat was het attribuut waar in feite alles om draaide. Ik had geloof ik wel al spoedig in de gaten dat er iets niet klopte aan het verhaal, maar om dat boek kon ik niet heen. Daarin stonden zaken die alleen Sinterklaas kon hebben waargenomen. Zo zei hij eens toen ik bij hem was geroepen: ‘Jij hebt van de zomer een raampje van de oude school ingekegeld, lees ik hier’. Dat was een uitermate sterk staaltje van zijn alziendheid. ‘Is het niet zo Willem?’ Het was maar al te waar. De oude school stond weliswaar al gedeeltelijk leeg en te verkrotten en inderdaad had ik meer dan eens een grindsteen tegen een van de ramen gegooid. Puur voor de lol, omdat andere jongens dat ook deden. Ik zou er zonder moeite een paar van mijn klasgenootjes bij kunnen lappen, maar mijn keel zat op slot. ‘Dat is niet zo mooi’, zei Sinterklaas streng. ‘Zul jij dat nooit meer doen Willem?’ zei hij. Tranen van schaamte welden op, het schandelijk te kijk staan voor de hele klas was mijn lot. De straf bestond gelukkig niet uit enige tikken met de roe of erger. De Sint geloofde mij op mijn woord en als dank kreeg ik een hand vol pepernoten. Die waren dan toch maar mooi binnen! Volgende zaak …. Zo ging dat ertoe in mijn kinderjaren.
En hoe is het nu? Ik bevond mij binnen de kortste keren in een ongelooflijke heksenketel. En erger, ik kon niet weg, want ik was verantwoordelijk voor het jongetje. Na een kwartiertje was ik hem echter kwijt. Hij had zich als een stuiterbal in de kinderkluwen geworpen, een kluwen die aangezet was door een monster van een veegpiet. De andere pieten -ik telde er minstens 15- zweepten de kinderen middels luidkeels gezongen liedjes op en zetten ze onder een regen van confettti en pepernoten aan tot een wilde polonaise, hetgeen leidde tot een kolkende massa. Ik verwachtte op z’n minst enige gewonden ….. Toen dan kwam eindelijk Sinterklaas binnen. Ik hoopte en verwachtte dat hij de oorverdovende janboel in een mum stil zou krijgen en bars uit zou vallen tegen het rapaille. Maar nee, niks ervan! Deze sint was bovendien overduidelijk geen stokoude man, eerder een jonge vent die een jeugdige exemplaar speelde en aangezien 55 het tegenwoordige 44 is, sprintte hij welhaast naar zijn gereedstaande zetel. Van ontstemdheid vanwege de puinhoop die hij aantrof was bij hem geen sprake. Hij deed zelfs luchtig mee en zwaaide lachend met zijn staf alsof het een toverstok was. Het grote boek bleek ook een totale misvatting; het was volkomen leeg! Tussen hem en de veegpieten speelde zich nu een Shakespeariaanse dramaatje af, waarbij de kinderen als een bende verraders de stoute piet moesten aanwijzen. Ik zal niet in details treden, ze zijn overvloedig en doen afbreuk aan mijn beeld. Ik meen bovenal gerust te mogen stellen dat ik minstens een generatie ouder was dan de Sinterklaas en zijn onstuimige gevolg en alzo bevond ik mij hier als een vleugelloze dodo in een totaal ontwrichte apenkooi. Maar het eindigde, de goden zij dank! En toen we naar de auto liepen en een koude windvlaag ons in het gezicht sloeg, pakte het jongetje mij bij de hand en zei zachtjes zodat niemand het kon horen en ook omdat het een soort geheimpje betrof, dat Sinterklaas niet echt bestaat en of ik dat wel wist. ‘Nee, eigenlijk niet’, zei ik gemaakt geschrokken. Hij lachte als een kind die een leugentje vertelt en gaf mij een paar pepernoten, omdat hij er heel veel had, zei hij.
Wat moet ik er verder van zeggen? Dat we blij moeten zijn met deze vrijmoedige, moderne heilige? Dat ouders zich niet meer kunnen verschuilen achter de rode tabberd van die man uit Spanje? Dat de hedendaagse pieten een stoet feestneuzen zijn die na 5 december -al dan niet geschminkt- tot sint-juttemis doorfeesten? Allemaal waar. Dit overziend leg ik mij er -de laatste snippers confetti uit mijn haar strijkend- tevreden bij neer.
18.11.25 Tweelingzussen Naarmate je een bepaalde leeftijdsgrens overschrijdt, en dat ondergaat iedereen op zijn/haar eigen manier, koekeloert de dood steeds vaker als een duiveltje om de hoek. Je loopt in de supermarkt in je dorp en iemand spreekt je aan met ‘Hoe is’t ‘d er mee?’ ‘Goed’, zeg je. Met de ander niet. Dat hoor je zeer spoedig door de tja-tja-tja van begeleidende kreuntjes. Het liefst kap ik zo’n beginnende treurverhaal meteen af met een mopje en verlaat haastig de winkel, want geheid kom je elkaar nog even vaak tegen als de winkel gangpaden telt. Daarom blijf ik niet zelden in de auto als mijn vrouw voor slechts een paar boodschapjes de Lidl of de Jumbo aandoet en ze mij niet als pakezel nodig heeft.
Zoals vanmorgen. Terwijl ik zat te luisteren naar de radio, kwam het nieuws voorbij dat de tweelingzussen Alice & Ellen Kessler zijn overleden. 89 jaar geworden. Allebei op dezelfde dag. Dat is apart. Dat vond de politie van Beieren -waar ze woonden- ook, zei de stem. Daarna voegde hij toe dat de zusjes in 1952 met hun ouders uit Oost-Duitsland waren gevlucht en later in Italië waren neergestreken. In 1959 deden ze mee aan het Eurosongfestival, dat dat jaar werd gewonnen door ‘onze eigen Teddy Scholten’. Zij werden achtste met het liedje Heute Abend wollen wir tanzen gehen’. Er werd in Duitse liedjes veel gedanst. Hoempa-hoempapa! Verder hield het verhaal op.
Ik kende het duo niet, hoewel ik in mijn vroegste jaren naast Nederlandse ook van Duitse liedjes begon te houden. Van die bronzen donderstem van Freddy Quinn’s Junge, komm bald wieder, Gerard Wendland’s Tanze mit mir in den morgen of Conny Froboess’ jodelende Zwei kleine Italiener. Veel van die Duitse liedjes werden vertaald (of naar eigen smaak omgezet) in het Nederlands en door onder andere De Selvera’s gezongen. Mogelijk hadden die ook één of meerdere juweeltjes van die Kessler-zussen opgenomen. Had makkelijk gekund. De Selvera’s waren immers ook twee zussen, de vergelijking is treffend. Maar op de langspeelplaat ’16 Hits van De Selvera’s’ kom ik niets van hen tegen. Ik draai die plaat nog eens. De geur van kolen en turf komt me welhaast tegemoet. Ik geniet er nog steeds van. Niks guilty pleasure! Hun grootste hit De Postkoets uit 1957 werd vertaald in het Duits als Die gelbe Kutsche. Succes verzekerd met die waldhoorn erbij. Het vertalen kwam dus niet altijd van één kant! Op de hoes van de plaat staan de zussen Mieke & Selma Jansen in een winters landschap voor een heuse postkoets. Aan de zijkant ervan staat in rood/geel Heineken Bierkoets. Ik weet niet of dat qua tijd past bij die oud-Hollands uitgedoste zussen.
Terug naar de Kesslers. De nieuwssite meldt dat zij voor de gezamenlijke dood hebben gekozen. Dat hoor je tegenwoordig vaker, maar van een tweeling wist ik het nog niet. Dat is wel heel uniek. En ik was toch al een beetje in een weemoedige stemming. Gistermorgen bereikte mij namelijk het nieuws dat SchrieversKring-lid Atze van der Wijk vorige week is overleden. Hele aardige man. Zachtmoedig. Bijna timide bracht hij zijn gedichten voor het voetlicht. En ’s avonds hoorde ik dat ook Ivonne Keuls is gaan hemelen. Zeker, ze waren beiden op leeftijd (resp. 88 en 93), maar toch ….
Even nagekeken of de Kesslers en De Selvera’s toevallig zelfde liedjes hebben gezongen. Niet kunnen vinden. Wel zongen beide duo’s over musketiers en cavaliers en volgens de verhalen wisten die guiten op gebeid van de romantiek van wanten. Mogelijk waren de kerken daarom zo gekant tegen al dat gedans. Dat veroorzaakte maar een hoop Spielerei en Hupserei waar ze op en rond de kansel niet goed raad mee wisten. In een biertent des te beter, want daar gelden vooral heidense regels. Wisten de zussen Kessler dat? Tuurlijk! Ze zongen zelfs over Sodom und Gomorra. Beetje prikkelen. Daar hadden ze van kerkwege niet van terug!
14.11.25 Binnenblijfweer In de boekenkast bij de fysio -ja, ik loop bij de fysio vanwege spierklachten- vond ik een paar Libelles. Die lees ik normaliter niet, maar ze zagen er beduimeld uit en detoneerden naar mijn smaak de boekenrij, daarom nam ik ze mee. Dat was van de week, mooi herfstweer en niet zo snieterig als nu. Afgelopen nacht is er een bak water gevallen, ik moest de afvoer maar even nakijken. Ik nam de waxcaot van het knaapje. Dat ding is minstens 25 jaar oud. Hij is gelijkelijk met mij verdord, maar heeft er niets anders voor hoeven doen dan grotendeels voor de sier in de hoek van mijn kamer te hangen. De ritsluiting zou wel een likje kaarsvet kunnen gebruiken. Van twee regentonnen bleek de afvoer verstopt. Een windstoot met de fietspomp door het kraantje doet soms wonderen. Nu ook. Het water bruiste eruit.
Ik ging de Libelles doorkijken. Niet eens uit nieuwsgierigheid, meer om te zien hoe de man het er bij hen vanaf brengt. Want het is een vrouwenblad. Op zich niks mis mee. In de drie nummers die ik doorbladerde kwam ik geen enkele man tegen. Uit de gesprekken kwam ook geen hoopgevend beeld van de/een man naar voren. De vraag ‘wat wil de man?’ werd echter nergens gesteld. Zo bleef ik in het ongewisse. Maar er zullen vermoed ik ook wel mannenbladen zijn die enkel en alleen over de vernislaag en de spiermassa schrijven. De Libelles bulkten van prachtig uitziende vrouwen. Veel mode en reisjes naar landen waar mannen ze kennelijk beter begrijpen dan die Ollandse kouwe kikkers. Ik ben echter zo’n kouwe kikker én Hollands. Het liefste beperk ik mijn radius tot waar zo ongeveer mijn streektaal ophoudt. De Libelles bevatten overigens twee columnisten die mij na aan het hart liggen: Sylvia Witteman en Nico Dijkshoorn. Ze zullen lijkt me bij het ondertekenen van het contract door de top wel fijntjes geïnstrueerd zijn zich een beetje te voegen naar de fatsoensregels van het blad, want in de Volkskrant liet Sylvia niet na flink te keer te gaan tegen klein en groot onrecht en ongemak en Nico ken door zijn boeken als een stadse rauwdouwer. Maar in de Libelle-columns zijn ze mild, bijna op het AVRO-burgerlijke af. Eén van de nummers was voor een deel gevuld met vakantiereizen naar Italië. Zover ben ik nooit gekomen. De Italiaanse schrijvers die ik door de jaren heen gelezen heb, nodigden mij ook niet uit derwaarts te gaan. Het voedsel dat de reportagemakers in Calabrië of Piemonte aanprezen, deden mij al bijna kokhalzen. Vooral veel mosselen, oesters en garnalen. Niet aan mij besteed. Ik deed de bladen bij het oud papier.
Ik moest eigenlijk even met Rossi lopen en trok opnieuw mijn jas aan. Hij was nog vochtig van het snieterige weer. Mijn vrouw zong voor zich heen dat liedje van Cornelis Vreeswijk Misschien wordt het morgen beter. Zulks weer was het: grauw Nederlands met een Zweeds toefje. Onderweg zat mij ineens dat woord snieterig dwars. Bestond dat woord eigenlijk wel? De van Dale gaf geen uitleg. Bij K. ter Laan had het tussen sniemous en snietjesloat gepast. Producten uit de tuin van mijn moeder. In rijtjes naast de wortels en de prei. Op nog geen tien passen van het stookhok. Beter dan die glibberige oesters. Thuis nam ik een boekje met korte en ultrakorte vertelsels van Tonino Guerra. Jaren vóór A.L. Snijders’ furore maakte met zijn bekende zkv’s (zeer korte verhaaltjes) schreef Tonino Guerra ze al. En Jules Renard en om nog dichter bij huis te blijven, Paul van Ostaijen. Kortom: alles is al eens gedaan, behalve een bepaald soort weer snieterig noemen.
13.11.25 Eén biljoen cash Nog geen drie jaar geleden, schreef ik als afsluiter van mijn blogboek Legoën op leeftijd, 2021-2022 het verhaal De man van bijna 1 biljoen. Een satirisch verhaal in 5 hoofdstukjes over een voor mij ondenkbaar scenario. Vandaar ook de toevoeging ‘bijna’. Dat door een snelle geldontwaarding het biljoen op enig moment in zicht kan komen, bewijst de geschiedenis. Ten tijde van geldcrises en oorlogen werd er soms een miljard betaald voor een brood of een zak kolen. Maar daarvoor had men, zoals in Duitsland, speciale bankbiljetten gedrukt met een veelheid aan nullen. De geldontwaarding kent soms geen grenzen. In mijn verhaal ben ik daar niet van uitgegaan, ik had slechts een hedendaagse Dagobert Duck in gedachten. Komische strips (comic strips) en realiteit staan echter dichter bij elkaar dan wij denken. Achter karakters als Willy Wortel en Guus Geluk gaat een wereld van intellect schuil. Het is satire, zeggen we. Zeker, maar ook een parodistische knipoog naar de verdorvenheid van de échte wereld. Ik had bijvoorbeeld nooit verwacht dat zonder beurskrach of een wereldwijde monetaire implosie (grote woorden, ik weet het) 1 persoon ooit in de buurt zou komen van zo’n berg geld. En toch kán dat over enige jaren gebeuren. Het is namelijk toegezegd aan Elon Musk. ’s Werelds rijkste persoon. Hij moet er wel iets voor doen, maar gezien het bedrag dat dit schuift, kan dat nooit genoeg zijn. Peter de Waard, columnist van de Volkskrant, schreef in zijn bijdrage van 11 november j.l, dat als men een biljoen dollarbiljetten achter elkaar zou leggen, men er gemakkelijk een lint tot aan de zon mee kan maken. Ook zou men in een gulle bui iedere wereldbewoner €120 kunnen schenken. Daarna ben je als goedgeefse Sint-Martinus wel op de voedselbank aangewezen. Het zij zo.
Wat moet een mens met een pakhuisvol dollarbiljetten? Weggeven zie ik niet gebeuren. Naarmate een mens dichter bij de zon komt, wordt men in de regel terughoudender met vrijgevigheid. Geld verzamelen en oppotten is niet veel anders dan het verzamelen van Picasso’s, voetbalshirts of Rolexen. Voor die €120 kan een arme sloeber in zeg Sierra Leone, Cuba of Haïti een paar maanden leven. Hij/zij zal de gulle gever een denkbeeldig standbeeld ter hoogte van de Eiffeltoren bezorgen. Mocht het inderdaad ooit zover komen -en hopelijk verhoeden alle heidense goden dit!- dan zal Musk als de grootste graaier de geschiedenis ingaan. Het zal hem denk ik worst zijn of hem juist tot eer strekken.
Heb ik verstand van geld en dan in de betekenis van geld geld maken? Nee! Ik weet het uit te geven, omdat het in een bescheiden hoeveelheid binnenkomt. De buitenwereld heeft hier weet van. Ze kent mijn naam en stuurt me regelmatig e-berichtjes en kleurige direct-mails toe dat het miljoen binnen handbereik ligt. Alleen nog even dit Lottoformuliertje of Postcodechequeje invullen en het komt eraan. Maar ik laat het steeds lopen. Al mijn leven lang. Ze weten aan gene zijde niet wat mij mankeert, staan voor een raadsel! Een andere geldgever kom ik meerdere keren per week tegen in een van mijn kranten. Daar zullen ze redelijk voor betalen, want het zijn geen regio-suffertjes waarin ze adverteren. Het gaat om een cursus Daytraden. Ik weet niet wat dit betekent, het heeft geloof ik iets te maken met aandelen en speculaties. De reacties in de ads zijn buitengewoon laaiend. ”Binnen 10 minuten €200 verdiend! Daarna genoten van mijn vrije ochtend”, zegt eentje. ”Tijdens de file eventjes €270 verdiend!”, zegt een ander. Of deze: ”Nog even voor het avondeten €1600 gecashed!” Alleen maar juichende aanbevelingen. De cartoontjes erbij stralen van geluk. Zo’n cursus kost weliswaar een aardige duit, maar dat kan ‘m de kop niet kosten. ”Je moet wel wat ballen in je broek hebben om te daytraden, hahaha”, grapt een ander. Misschien is dat wel mijn reserve voor dit soort geldgrutterij: die grootspraak. Niet zelden duikt ook een cartoontje op van Donald J. Trump. Daar krijg ik -gelukkig kortstondige- rabiësachtige aanvallen van.
Wat ik jammer genoeg niet bij de eisen die tot mogelijke uitbetaling van dat biljoen door de aandeelhouders zag staan, is de reis naar Mars, waar Elon Musk zo van verguld is. Terugkomen van zo’n missie is sowieso uit den boze. Maar nu schijnen er daar ook nog zandstormen voor te komen die wij qua kracht op aarde niet kennen. Dus zelfs met een triljoen (een miljoen maal een biljoen) op zak, kun je een terugreisje wel schudden. Ik hoop dat Elon Musk hier niet van op de hoogte wordt gesteld en zich tzt geheel onbevangen de ruimte in laat schieten.
11.11.25 Einde veiling De bloemenveiling in Eelde gaat sluiten, hoorde ik op het nieuws. Ik schrok ervan en heb de slaap er moeilijk door kunnen vatten. Het gaat me aan het hart, want ik ben er 14 jaar in dienst geweest. Eerst als uitzendkracht en korte tijd later in vaste dienst. Tot eind 2013. Ik was op, had enorme spierpijn en het UWV stelde voor mijn arbeidsovereenkomst met de veiling te laten beëindigen. Omdat het bedrijf te weinig had gedaan om ander -lees: passend- werk voor mij binnen hun poorten te vinden en ook re-integratie geen soelaas bood, werd als een soort straf geëist om mij nog tot juni 2014 in dienst te houden. Ik beschouwde het als betaald verlof. Ondertussen moest ik wel solliciteren. Dat leverde niets op. Ik was inmiddels 63 en mijn zorgvuldig bewaarde schoolrapporten, getuigschriften en diploma’s bleken niet veel meer waard dan schijtpapier. Uit testen bij onder andere het bedrijf FocusOnJob (ook al ter ziele, hoorde ik eens) kwam naar voren dat ik enkel en alleen nog geschikt was als brugwachter. Jaren later liep ik in Assen een van de mannen die gelijk met mij bij FOJ aanklopte voor sollicitatiehulp tegen het lijf. Ook voor hem bleek brugwachter het hoogst haalbare. Er zouden aldus gerekend, zeiden we lachend, veel te weinig bruggen in ons kikkerlandje liggen om stakkers als ons aan een baan te helpen. Overigens was deze man hoog geschoold en had al spoedig door eigen inzet een goeie baan kunnen vinden. Daar en over allerlei zaken aangaande mijn arbeidzame jaren bij de veiling, lag ik lang na te denken, alvorens in slaap te vallen.
Dat het eraan zat te komen, is mij niet vreemd. De veilingdagen liepen al lange tijd terug. Alleen de maandagen en de donderdagen waren nog redelijk bezet. Mijn contract was juist op tijd verhoogd naar 25 uur per week. Dat garandeerde mij nog een redelijk inkomen. Hoe anders lag dat voor mensen die een nul-contract hadden. ‘Ach vroeger’, hoorde ik weleens mensen van de oude garde zeggen, ‘waren we al dagen vóór Valentijnsdag en Moederdag tot ver in de middag met de veiling en de distributie bezig. 2.500 tot 3000 karren gingen er dan door’. Dat heb ik nooit meegemaakt. Het gebeurde eens op een vrijdag in januari -stille bloemenmaand- dat ik vanwege plotselinge en hevige sneeuwval een half uur te laat arriveerde. Schrik: de veiling was al afgelopen. Er waren nog geen 70 karren te verdelen geweest, nog geen 3 per verdeler. Half uurtje werk. Met zaalopruimwerkzaamheden erbij heb ik het nog enigszins weten te rekken. Mijn werk als uitpakker op de importafdeling was al eerder gestopt. Ik bleek namelijk enorm allergisch voor bepaalde schimmelwerende stoffen. Uitvoerig onderzoek in het UMCG bracht dit aan het licht. Aangezien het om stoffen ging die in Nederland al jaren niet meer mochten worden gebruikt, maar door Nederlandse telers zonder moeite wél in rozenkweekland Kenya, werd ik een lastig gevalletje. De UWV-man rekende mij voor dat indien ik gebruik zou maken van de WW, ik op de kop af mijn pensioengerechtigde leeftijd kon halen. ‘Wat denk je ‘d ervan?’, zei hij. ‘Doen’, zei ik. Het verplichtte mij nog wel te blijven solliciteren, ofschoon dit natuurlijk geen enkele zin had.
En nu is de veiling helemaal naar de Filistijnen. Eind juni 2026 mag iemand het licht uitdraaien. Misschien wordt het wel een groepsgebeuren.
4.11.25 In’t veen (OverlijdensAdvertentieBovenschriften 11)
Je kunt veel van november zeggen, maar niet dat het een saaie maand is. Op de drempel van Halloween, dat mallotige, uit Ierland overgewaaide gebeuren, waarbij bewoners door kinderen worden opgezocht voor een zoetigheidje (trick) of een scheldwoord (treat), maar dat aan de overkant van de plas verworden is tot een schrikparade met oplichtende schedels en rammelende skeletten. Brr! Onze kille, calvinistische inborst laat dat moeilijk toe, zodat het hier niet echt wil doorbreken. Daarna is het tijd voor Allerheiligen en Allerzielen. Beetje hetzelfde laken een pak. Wij beperken ons hooguit tot een bezoek aan de graven van onze dierbaren en steken een waxinelichtje aan.
Voor mij is november, afgezien van die lichtjesparade, toch vooral een donkere maand. Ik denk hierbij aan de kale landerijen. Van de in Veendam geboren dichter Koos Schuur* vond ik een paar OAB’s, onder andere uit zijn epische gedicht Novemberland. ‘Laat nu de wilde najaarsstormen woeden / met windlawaai en met het dor gekraak / van dode takken, laat over de moede / aarde de regen slaan met scherpe roeden; / in menig schouw stookt men het eerste vuur. De zomeroogst, die mens en dier zal voeden, / ligt droog en hooggestapeld in de schuur’. Prachtig! Denk ik aan Groningen, dan denk ik vooral ook aan de taal. Die kan men rauw vinden en bot, maar evengoed mooi. Het is kaal als het land zelf. Ede Staal wist dat als geen ander en daarom werd (en wordt) hij geroemd. ’t Het nog nooit, nog nooit zo donker west / of ’t wer altied wel weer licht. De meest gebruikte OAB in Groningen en Drenthe. Recht uit het hart. Aan gezwollen taal doen Noordelingen niet. Jelte Dijkstra maakte ervan: De lichten, ver in’t dörpke / goan ain veur ain oet zicht. / Zo sloeten doagen … joaren / veur ons heur blinden dicht.
Maar wat weten wij nog van de boeren? Ja, de boer hij ploegde voort. Een oud regeltje van J.W.F. Werumeus Buning, aangetroffen boven een advertentie van ‘mijn lieve man, pa, opa, onze rasoptimist’. Je hoeft geen boer te zijn om de rijkdom van het land toch te kunnen gebruiken. Uit De Ploeger van A. Roland Holst, de prins der dichters: ‘Ik zal de halmen niet meer zien / noch binden ooit de volle schoven, / maar doe mij in den oogst geloven / waarvoor ik dien. Of van de grote natuurvorser Jac. P. Thijsse: De zomer is heengegaan / met al zijn kleurenpracht; terwijl de herfst, vol zegen, / ons tegenlacht. Van Nescio, pseudoniem van Jan Hendrik Grönloh (toen ik dit las, dacht ik meteen dat hij de vader van Brandend zand-zangeres Anneke was): Eén voor één vielen langzaam / de gele en bruine bladeren’. November, kale landerijen dus. Aardappel- en bietendobben, wachtend om verscheept te worden naar een fabriek. Verscheept ja – toen. Onder andere vanaf de Tjassenswijk. En de dood van John F. Kennedy, vrijdag 22 november 1963. Dat komt ook altijd weer voorbij.
Ik moet die andere veenman noemen, Seamus Heaney. Uit Ierland. Bekend geworden van de gedichten over de veenlijken, de bogpeople: ‘Wij hebben geen prairies / om ’s avonds een grote zon te doorsnijden -/ overal wijkt het oog voor / opdringende horizon. En: Ons onomheinde land / is veen dat blijft vastkoeken / tussen de vizieren van de zon. Ik moet hem noemen, hoewel ik slecht één keer een strofe boven een overlijdensadvertentie van hem ben tegengekomen. Maar ten tijde dat hij deze gedichten schreef, vergaapte hij zich net als ik aan de Tollundman en de Man van Grauballe in dat museumpje van Äarhus in Denemarken. Het zou prachtig zijn als iemand de moed had boven zijn of haar overlijdensadvertentie een strofe te plaatsen uit een gedicht waarin het meisje van Yde wordt gememoreerd. Maar dat zal te ver gaan. Met de dood valt niet te spotten.
Ik reis weer naar mijn thuisland – hoor de wind door de bomen. Judith Herzberg schreef: Terwijl in de storm / het kraken begon / hield binnen / de theepot zich / van den domme. De blinden of de gordijnen gaan weer stijf dicht. Nu ben ik geen echte landman en laat m’n leven niet vergallen, zoals in sommige OAB’s. ’t Was ’n schietboudel, mor ’t is goud zo. Of: Hij von er gain kloot’n meer aan, / en is nou noar zien Leutje tou. Leutje was de vrouw van Hendrik Harm Santing (bij uitzondering noem ik de naam van de dode). Er spreekt levensmoeheid uit deze woorden, maar ook een geweldige liefde voor zijn streek. Geen kloten aan, zoiets als ‘geen barst of geen donder’ aan. Het woord kloten is de Nederlandse literatuur binnengedrongen door een heel klein versje van Kees Buddingh’ en deze vond ik ook als OAB. Omdat het zo mooi aansluit bij het Veenkoloniaalse gevoel: de zon komt op, de zon gaat onder – langzaam telt de oude boer zijn kloten. Tussen de schaters door moest Kees meer dan eens uitleggen dat ‘kloten’ aardappelen betekent. Dat men hem toch vooral niet verkeerd begreep! Verderop in november krijgen we dan nog: Sint-Maarten op de 11de en meteen daarna de intocht van die andere goede Sint. Kortom, één en al licht!
* Toen ik in Veendam op school zat (’64-’67), keek ik vooral en kocht heel soms een boek bij Schuur in de Kerkstraat. Ik kende Koos Schuur, laat staan zijn gedichten, toen nog niet.
31.10.25 Tien nieuwe steden Nu welhaast zeker is dat Rob Jetten onze nieuwe Minister-President gaat worden, is het zaak om één van zijn belangrijkste verkiezingspunten, namelijk de realisatie van 10 nieuwe steden, na te komen. Met een kabinet waarin Geert Wilders de scepter zou zwaaien, zouden er meerdere steden overbodig worden, want uitgaande van zijn verkiezingsprogramma, moeten enige miljoenen inwoners Nederland op stel en sprong verlaten. Met name mensen uit Noord-Afrika, Turkije en alle moslims, al dan niet praktiserend, tot en met de vierde graad. Waarheen? Madagaskar is gepolst of eventueel een op te zetten kamp ergens in de Sahara. Als Nederland maar weer Hollandsblank en Joods-Christelijk wordt. Maar zo ver zal het -alle heidense goden zij dank!- niet komen. Ook een kabinet geleid door een M-P van Forum voor Democratie-huize (het neertypen ervan kost mij al moeite!) zou voor een geheide leegloop zorgen. Hun vroegere voorman speculeerde immers op maximaal 10miljoen inwoners in Nederland. Centrum-Partijoprichter Hans Janmaat muntte de slogan: Nederland = Vol. Die 10miljoen waren trouwens al in 1950 gehaald en toen was de babyboom nog maar net op stoom. Niettemin nam wijsneus Baudet de woorden van Janmaat over. Andere toverwoorden volgden, zoals omvolking en remigratie. Giftige reptielentaal.
Rob Jetten denkt daar anders over en wil om alle inwoners te huisvesten 10 extra steden bouwen. Ondanks het enorme tekort aan woningen, is de bevolkingstoename echter veel geringer dan lange tijd werd voorspeld. Mijn vroegere lagere-schoolmeester deed ons 11-12-jarigen geloven dat er in het jaar 2000 20miljoen mensen in Nederland zouden wonen. Dat was nog voordat er in de Flevopolder één paal de grond in kon worden geslagen voor de bouw van Lelystad en Almere. Die twee satellietsteden bergen nu zo’n 300duizend inwoners. Jetten zint op 10 steden van elk zo’n 100duizend inwoners. Ik vind dat te hoog gegrepen en dat was voor mij reden niet op hem te stemmen. Je kunt het ook te gek maken. Nu de kaarten zijn geschut, ben ik alvast op zoek gegaan naar plekken waar die eventuele steden kunnen worden gerealiseerd. Je zult net zien dat een clubje planologen onder andere hun blik laat vallen op onze omgeving. Ruimte zat, zullen ze zeggen. Vanuit mijn werkkamer kijk ik over het veld en zie Herenweg-Noord al veranderd worden in een zesbaanse doorgangsweg die naar het centrum van Hunzestad leidt. Torenflats zullen Gieten voorgoed aan mijn blik onttrekken. En hoewel ik onze straat nog ruim inplan, evenals ons dorp, zullen uitbreidingen dit gebied niet ontzien. En op den lange duur …..
Maar ach, wat zeur ik? Het kabinet onder leiding van Rob Jetten is nog niet eens geïnstalleerd en over vier jaar zijn er al weer verkiezingen of met een beetje pech al veel eerder! Wie weet is tegen die tijd de immigratiegolf voorbij, is alles weer rustig op de woningmarkt en leven we weer stilletjes volgens het aloude huisje-boompje-beestje principe.
30.10.25 Moderne poëzie Ik werd beklemd wakker. Beklemd. Een gevoelsomschrijving, die ik ken uit een oudejaarsshow van Wim Kan. Geen opwekkende opening van de dag. Op de standaardvraag van mijn vrouw, hoe het gaat, zei ik: ‘Ik heb een soort morning after-gevoel’. ‘Even een pilletje nemen’, zei ze gevat. Ik had tot ongeveer 22uur30 naar de verkiezingsuitslagen gekeken en kon de in de studio heersende euforie door met name de winst van D66 niet over me krijgen. Ik wantrouwde de exitpolls, moest het op z’n boers gezegd ‘eerst nog maar-es zien’. We hebben wel vaker te vroeg gejuicht. Ik was met moeite in slaap gesomberd. Mijn voorgevoel kreeg gelijk. De eclatante winstzege van Rob Jetten en zijn staf was nog helemaal niet zeker. Geen gelopen race, zo men dat zegt. Mijn krant kopte niettemin dat Jetten de grote winnaar is geworden, maar die prognose was van 21uur30. De stembureaus waren toen amper dicht, het grote tellen moest nog beginnen. In Amerika zouden bij een dergelijke too close to call-uitslag de eerste relschoppers al op weg zijn naar het Capitool, maar bij ons brandde niet eens de verlichting in de Ridderzaal.
Om mijn hoofd te recetten, ging ik eerst maar even bezig met de cijfercode. Opbeurende hersengymnastiek. Door de jaren heen heb ik voor de oplossing van die puzzel een soort strategie bedacht. Om te beginnen ga ik op zoek naar het meest voorkomende getal. Die vakjes kan ik zonder twijfel invullen met e‘s. Dat ligt meestal zo rond de 37. Nu kwam ik echter niet verder dan 26. Beetje weinig, dat wel. Naar het volgende veel voorkomende getal, meestal de a. Vaak zo rond de 25. Nu 26. Dat kan natuurlijk toeval zijn. Sommige letters komen in de cijfercode maar 1 keer voor. Letters als de x, de q en de j zijn zulke uitzonderingen. Je zou het kunnen vergelijken met sommige politieke partijen, klierde het door mijn hoofd. Ik dacht er even vrij van te zijn; helaas! Toch ben je die letters nodig, want er mag geen enkele uit het alfabet aan de cijfercode ontbreken. Dat maakt het voor de maker van zo’n puzzel lastig, denk ik weleens. Hoewel die dingen waarschijnlijk door een computer in elkaar worden gezet. Opdracht: maak een cijfercode met 26 e’s en 26 a’s en verder is alles toegestaan. Toch kon ik de letter ij nergens kwijt, tot eindelijk: inblij. Een onzinwoord dat ik nooit zou gebruiken. En zeker nu niet! Ik keek de woorden na. De horizontale rijen, daarna de verticale. Het viel me hierbij op dat het iets weg had van een modern gedicht. Dat wil zeggen: met mijn beperkte kennis van moderne poëzie. Ik schreef ze op een velletje papier. Nu ben ik meer van de vaste vormen en vooral van begrijpelijke verzen. En lightverses, non-sences, limericks …. Ik begon de woorden te rangschikken en kwam na enig gepuzzel tot het volgende epistel:
Zoals het universum een ijsbal is / een reuzelknoop als een raamorkest. / Zoo waait er een zoemtoon langs het gloeiend erts // van Are tot voorbij Katern.
Naast de spoorboom staat een agent (een groentje), / zijn aquakleurige agenda exact op maat. / Zeven pennen passen met moeite in zijn bovenzak. / Inblij straalt hij tot aan zijn tenen.
Een raampartij aangelegd in Twentse stijl, / naast een imker met een lange, rechte nek. / Een quote – ’n ietsje gewaagd misschien, / doch de goede verstaander voelt het wel: / ‘politiek is natter nog dan een zeemforel’.
Geen touw aan vast te knopen, ik weet het. Maar ik voel mij schubbig en in de war. Ben klaar voor een lange winterslaap.
28.10.25 Om het fatsoen Zal er ooit een etholoog, een dierensocioloog of gewoon iemand zonder bijbedoelingen, het gedrag van de hem of haar omringende huis, tuin en keukendieren op het begrip taboe hebben gewezen? Ik denk het niet. Dieren weten niets van ethiek en kennen geen taboe. Ze likken en lebberen en braken zonder schroom in elk gezelschap. Ergens in de ontwikkeling van mensachtige naar de moderne mens moet er iets van afkeer van dit soort gedragingen zijn ontstaan. Moet iemand zich grommend van zijn mede-grotbewoners hebben afgekeerd, omdat hij of zij die onsmakelijkheden niet langer kon verdragen. Eerst was er het vuur -gezellig en lekker warm, toen ging men zich mede vanwege het geloer in bontvellen hullen en tenslotte gingen ze met mes en vork eten. De belangrijkste noden voor een gezonde beschaving waren hiermee een feit. Toen men aan dit alles was gewend, begon men bepaalde handelingen die normaliter onder ieders ogen plaatsvonden, onder het mom van ‘de goede zeden’ te verbieden en daarna ontstond het begrip taboe. Dat woord komt uit het Polynesisch en betekent: onschendbaar, niet aangeraakt mogende worden (van Dale). Dat die vervelende zeevaarders hun tengels maar thuis wilden houden! Dat woord kent vast en zeker een niet al te fraaie geschiedenis. In ons dagelijks leven is dat woord uitgebreid tot iets waar we het niet over willen hebben. ‘Dat is taboe’, zeggen we dan. Bijvoorbeeld over hoeveel wij verdienen, over wat we onder en boven de dekens uitspoken en op wie we stemmen. Mogelijk is dat woord en het begrip door die zeevaarders meegenomen om aan te geven dat niet alles binnen handbereik van de mens ligt. Hoe graag-ie dat ook zou willen.
Tot zover een bescheiden uitleg van een eeuwenoud begrip. Maar het woord taboe werd sleets en maakte plaats voor het mildere fatsoen en eigenlijk was dat woord ook al aardig in onbruik geraakt. Tot de heer Bontenbal, lijstaanvoerder van het Christelijk Democratisch Appél, er onlangs mee op de proppen kwam. Het was zonder dat iemand het doorhad volkomen ondergesneeuwd. Dat bleek uit de koppen van welhaast iedere krant. Fatsoen werd met chocoladeletters ingehaald alsof het de Verloren Zoon was. Dat beeld paste overigens wonderwel in het verkiezingsprogramma. Ik was diep geroerd en besloot in een zweefmoment op deze sympathieke voorman te stemmen. Maar daar stak Taboe een stokje voor. Ik ben namelijk helemaal niet van de C van christelijk en evenmin van de A van Appél. Wél van de D van democratie, maar die staat weggedrukt tussen C en A. Niet mijn soort democratie. En ook de Democratie in enkele andere partijnamen lust ik niet. Die Democratie is in zekere opzicht eerder ondemocratisch. Kortom, Henri viel af.
Ja Henri, want we noemen de lijstaanvoerders van de politieke partijen tegenwoordig gewoon bij de voornaam. Als the boy or girl next door. Sinds Jan en alleman Minister-President Drees bij zijn voornaam ging noemen en hij hen niet liet oppakken vanwege onfatsoenlijk gedrag, is dat geen taboe meer. En dus kregen we Joop, Wim, Ruud, Mark en straks wie weet Henri of Rob. Want iemand moet het karwei doen.
In de aanloop naar de verkiezingen van morgen hadden we -zoals bij elke verkiezing- discussie op welke partij we deze keer zullen stemmen. Zullen we ons hart volgen of gaan we toch maar weer voor strategisch? Ik wist het even niet. Er drongen zich weliswaar enkele gegadigden op. Wat zou mijn stemwijzer er van zeggen? Ik beantwoordde de 30 vragen en kwam uit op PvdA/GroenLinks, gevolgd door de Partij voor de Dieren en D66. Niet vreemd, want op de eerste twee heb ik meer dan eens gestemd. De PvdA/GroenLinks-fusie juichte ik niet meteen toe. Al even moeizaam verdroeg ik eertijds de fusie van CPN, PPR, PSP en EVP. Die C van de communisten kon ik slecht verdragen (mij te Russisch), evenmin de E van de evangelisten (zie CDA). Vulde ik op de stemwijzer mijn voorkeurspartijen niet in, dan kwam ik opnieuw bij PvdA/GroenLinks uit, maar nu op de voet gevolgd door de SP en Volt. Ook geen rare jongens. Precies: jongens. Want sinds vooral het haantjesgedrag van met name Fred van der Spek, ben ik die partijmannen een beetje zat. Niet dat vrouwelijke parlementariërs beter zijn dan hun mannenbroeders, maar de verhouding in ons landsbestuur ligt scheef. Bij de PvdA/GroenLinks tref ik echter geen vrouw die ik ken en/of die me aanspreekt. Evenmin de lijstaanvoerder (V) van de Partij voor de Dieren en daarom overweeg ik de SP. Die hebben niet alleen de alleraardigste lijstaanvoerder (Jimmy Dijk), maar op plek twee de al even aardige Sandra Beckerman. De SP zal geen klapper maken, de dagen van de grote roerganger Jan Marijnissen zijn helaas voorbij, maar verzuipen in het politieke moeras gaat mij te ver. Het tandem Dijk/Beckerman weet niettemin van wanten. Daarbij komen zij allebei uit Groningen. En dus stem ik deze keer niet strategisch, maar voor 100% met mijn hart. Ik hoop dat ik hiermee een taboetje heb doorbroken!
24.10.25 Kouwe benen Het woei en de regen kletterde tegen de ramen. Ik zou het liefste thuis blijven, maar er moest geboodschapt worden. De wind trok koud op in mijn broekspijpen. Vroeger merkte ik daar nooit veel van, maar sinds het gemis van de poortwachtersklieren in mijn liezen, veranderde dat. Daar moest ik iets aan doen, was een legging een idee? Wel een dingetje. Want hoewel ik op de televisie of in het echt sporters van allerlei kunne zonder gêne met legging-achtige beenwarmers langs zag komen, beschouwde ik het als een vrouwenkledingstuk. Ik ging om toen ik enige jaren geleden bij een sportartikelenzaak te Coevorden op de plank legwear op een doosje m/v zag staan en alsof dit niet duidelijk genoeg was, prijkten er op de voorkant vier rennende benen die duidelijk een vrouw en een man voorstelden. ‘Gewoon doen’, zei mijn vrouw die mij zag weifelen en wat betreft uniformiteit van kleding veel makkelijker is dan ik en bovendien de tering naar de nering zet. Want naast dat we onze lichamen zo goed mogelijk tegen kou moeten beschermen, spaart het ook nog eens brandstof uit.
Mogelijk doordat ik vanmorgen een artikel had gelezen over de hoeveelheid daklozen en semi-daklozen die Nederland op dit moment telt, was ik nog meer gemotiveerd. Daar kan ik nu eenmaal slecht tegen. Kleding en een dak boven het hoofd zijn de meest fundamentele levensvoorwaarden. Voor een simpele kamer, las ik in dat artikel, betaalt men in steden als Amsterdam of Utrecht tegenwoordig een doorsnee maandloon, maar in de juichende verkiezingsfolders of in de verkiezingspraatjes komt nergens de eis voorbij dat er een huurplafond moet komen van zeg maximaal 33% van het minimumloon. Dat zal hopelijk die louche huisjesmelkers de das om doen. Heel, heel vroeger was het een soort norm: maximaal een kwart tot een derde van het besteedbaar inkomen spenderen voor bewoning. Die tijd is helaas voorbij. Treurig werd ik ervan.
Bij de Action waren een paar meisjes bezig een kerstboom uit een doos te halen. 2meter10 Chinees kunstgroen voor de prijs van een trui bij de Hema. Zo reken ik altijd. Ook met zaken waar ik totaal niet om geef. Zoals een kerstboom. Bij de ingang van de Lidl zat een dikke man breeduit op een stoeltje. Hij had een Riepe in zijn linkerhand en een mobieltje in zijn rechter, waarin hij onverstaanbaar en luid kakelde. Hij wapperde met de straatkrant in mijn richting. Ik schudde mijn hoofd en liep door. Zou ik een praatje met hem kunnen aangaan over mijn afkeer tegen de verkoop van het blad? Vroeger kocht ik het geregeld, maar er schijnen mensen te zijn die voor de verspreiding ervan arme sloebers ronselen en ’s avonds hun omzet aftroggelen. Een soort van ripdeals. Daar wil ik niet aan meedoen. Wie en wat kun je nog vertrouwen? En dan, hoe dakloos zou deze man helemaal zijn?
Ik kocht een doosje vegakroketten. Dat woord mag straks niet meer. Het komt uit de stal van vleesproducten, ligt ook in hetzelfde vak als zijn vleesbroeder. Dat gaat geheid voor stampei zorgen nu de Europese veeboeren gelijk hebben gekregen van het Europees Parlement om hun vleesloze concurrenten te dwarsbomen. Daar hebben ze jaren over gesteggeld. Samen met de vegaworsten, de vegaballen en de vegaschijven moeten de vegakroketten een front gaan vormen. Het zal nog zover komen dat bij de ingrediënten op een blik soep straks het woord eiwitten wordt verboden. En de melk van de zeepjes van Melkmeisje, de kaas van de pinda’s van Calvé en de boter van de koek van Verkade. Ingewikkeld. Wij sparen zoveel mogelijk varken, kip en koe en al wat leeft in de vrije natuur. De vraag is echter naar welke uithoek van de super straks mijn kroket verdwijnt?
Bij het Kruidvat nam een windvlaag me te grazen. Brr! Een meisje was doende de legwear-schappen bij te vullen. Ik nam een doosje van de juiste stapel. XL. Het meisje keek even opzij en groette vriendelijk. Bij de kassa merkte ik geen verbazing, had graag gehoord: ‘Bent u bekend met dit product?’ De straffe wind en regenvlagen nu in de rug. De dikke man haastte zich naar binnen bij de Lidl. Hij liet het stoeltje staan. ‘Laat de winter maar komen’, dacht ik opgewekt. ‘Ik ben er helemaal klaar voor’.
16.10.25 Leren schrijven De Drentse Schrieverskring (DSK) zond een open call aan haar leden (55) om met behulp van een coach het schrijven verder te ontwikkelen. Ik zocht eerst de term open call op. Simpel vertaald is dat een open oproep, maar wat steekt erachter? Dat blijkt iets ingewikkelder te zijn dan ik dacht. De koptekst luidt: Literair talent uit Noord-Nederland gezocht. Ik zou eerder zeggen: literair talent in Noord-Nederland gezocht. Daarna volgt een uitleg en de oproep je aan te melden bij hét nieuwe talentennetwerk van Noord-Nederland. Door het accentteken boven het woord het, veronderstel ik dat er meer bedrijven zijn die hengelen in eenzelfde vijver. De bedoelde ‘Open call’ is een samenwerkingsverband van 4 verschillende organisaties. De bedoeling is dat vier beginnende schrijvers een jaar lang persoonlijk zullen worden begeleid bij het maakproces van iets literairs. Dat kan van alles zijn; een roman, een script, poëzie, een podcast of een voorstelling. Om in aanmerking te komen voor deelname, dient de beginnende schrijver enige personalia in te zenden. Als ik baas zou zijn van deze conglomeraat, dan zou ik volstaan met de toezending van enige schrijfsels. Uit die werkstukken zou ik de beste vier kiezen. De rest is niet van belang. Natuurlijk, men moet er tijd voor vrij maken en een beetje meewerken, maar schrijven is toch vooral een kwestie van eigen initiatief. Voor het woord coaching ben ik licht allergisch en ‘inbedding in relevante netwerken’ komt me te vaag over. Verder worden er optredens en werkweekenden beloofd. De vier genomineerden zullen zich op vrijdagavond 21 november a.s. in Leeuwarden aan het publiek voorstellen. Voor elke genomineerde wordt €12.500 uit getrokken en indien nodig, aanvullende financiering aangevraagd. Tot zover een fractie van de regels.
Ben ik hier tegen? Deels. In het verleden, en dat is zo’n 40 jaar geleden, heb ik in gezelschap van enige schrijfgenoten gemijmerd dat het misschien aardig zou zijn als er een jaarlang geen enkel nieuw boek zou verschijnen. Het was alsof ik een boekenverbranding voorstelde, een banvloek op het vrije woord, maar ik verweerde mij door te zeggen dat er zo enorm veel boeken worden gedrukt en dat er zoveel titels amper tot nooit onder ogen komen van het lezerspubliek. ‘De pakhuizen liggen vol’, echode ik een artikel uit ik meen de VPRO-gids van die dagen. ‘Als we nou eens beginnen dát eerst te lezen en dan een nieuwe oogst aan te breken’. Misschien volgde ik hiermee nauwgezet de leefregel van mijn moeder en mijn grootmoeder, die ons altijd voorhielden dat het oudste eerst op moet. Het hielp niet. De teerling was geworpen. Sindsdien zijn er minstens een miljoen schrijvers bij gekomen. Ik overdrijf, maar zit er niet ver naast. In 2013 hield 6% in Nederland zich op enigerlei wijze met schrijven bezig. In 2025 is dat gestegen tot 9% en de Nederlandse bevolking met 1.9 miljoen tot 18.07 miljoen. Dat is bij berekening een vermeerdering van bijna een miljoen potentiële schrijvers, die allemaal aan de bak willen. In welke vorm ook. Het lezerspubliek daarentegen is juist afgenomen. Oorzaken zijn er te over. Boekuitgaven verschijnen daardoor in steeds kleinere oplagen. Veel boeken en bundels verschijnen ook via publishing on demand, door eigen druk of via crowd funding. Kan allemaal. Maar om daar nog iets aan toe te voegen via een soort kunstproject, lijkt mij onnodig. Wil ik daarmee de schrijver in spe verbannen naar een tochtig zolderkamertje, een omgeving waar bijvoorbeeld Multatuli zijn Max Havelaar schreef? Niet helemaal. De kunst van het schrijven begint bij de liefde voor taal en dat kun je volgens mij niet opwekken door een wedstrijd aan te gaan. Eerder door veel te lezen. Hoe dan ook, ik ben benieuwd of er DSK-leden over de brug te trekken zijn.
13.10.25 De grote verdwijntruc In plaats van sporten, las ik. Niet dat ik sport verafschuwde of er op neer keek, maar het interesseerde me eigenlijk niet wie er won en daar begint elke sport mee: winnen. Winnen tegen een ander en winnen van jezelf. Iedere dag net een beetje beter en een beetje meer dan de vorige dag. Tegenwoordig houdt iedere sporter precies bij hoe het gesteld is met de hartslag en de bloeddruk en of de spijsvertering wel biometrisch verloopt. Alles wordt tot op drie cijfers achter de komma bijgehouden en voor jaren opgeslagen. ‘Kijk toen liep ik de 100 meter nog in 12.34452’. Maar ik doe daar niet aan mee, want ik sport niet. Ik beweeg in de vorm van wandelen omdat dat nu eenmaal nodig is, maar niet omdat een of andere fitnessgoeroe dat zegt. Wandelen is geen EK-, geen WK-, geen Olympische – en dus helemaal geen sport.
Goed, lezen dus. Op de lagere school las ik onder andere De ongelooflijke avonturen van Bram Vingerling. Een boek uit 1921, geschreven door Leonard Roggeveen. In het boek doet de gymnasiast Bram Vingerling allerlei experimenten en bijgevolg ontdekkingen. De meest opzienbarende was wel dat hij zichzelf en ook anderen voor een tijdje kon laten verdwijnen. In deze staat van onzichtbaarheid deed hij dan hele maffe dingen. Hij schopte bijvoorbeeld iemand op straat tegen zijn achterste. De persoon draaide zich bliksemsnel om, maar zag niemand. Hè?! Of Bram kneep iemand in zijn neus. Au! Consternatie. De man tegen een andere man: ‘Wil jij dat weleens laten’. De aangesprokene: ‘Ik deed helemaal niks!’ enzovoort. Heerlijk leesvoer voor een kind en evengoed voor een volwassene. Maar dat boek las ik in 1963/64. We zijn ruim 60 jaar verder en ik ben 60 jaar wijzer (ook ónwijzer, want tijd morrelt aan het geheugen) en gaandeweg heb ik gelezen en in documentaires gezien dat het laten verdwijnen van mensen geen fantasie is. Vanaf het moment dat we alles wat we zien op foto’s kunnen vastleggen en tevens datgeen wat met onze ogen níet kunnen zien, zoals bacteriën en virussen, zijn we ook in staat om die beelden te wijzigen. Retoucheren, zoals ze dat vroeger noemden – tegenwoordig fotoshoppen. Vroeger vergde dat een bepaalde kennis en techniek, nu niet meer. Met AI (kunstmatige intelligentie) is dat voor iedereen binnen handbereik en ben je een moderne variant van Bram Vingerling. In de tijd dat Stalin (het voorbeeld van Poetin) zijn grote schoonmaak hield, liet hij mensen die hem niet gezind waren, spoorloos verdwijnen. Of opsluiten in strafkampen, zogenaamde goelags en van foto’s. Want als je niet op de foto’s was terug te vinden, dan had je niet bestaan. Stalin’s rivaal Trotski was zo iemand. Poetin’s rivaal was Aleksej Navalny. Als u het voor hen opneemt, dan bent u mogelijk de volgende missing person. Zelfs als u buiten de USSR-grenzen woont.
Met AI wordt dat een gewoonte. Sterker nog, iedereen is in staat om zijn/haar eigen waarheid te creëren, te verzinnen waar je bij staat. En de massa die 24/7 naar de socials luistert, gelooft het stellig. Het staat immers op Instagram of op X of op Meta, ‘en mijn influïncers liegen niet’. Overheden grijpen niet in, omarmen zelfs dit speeltje. Hypermanipulatie is het nieuwe toverwoord. Zien is niet genoeg, da’s zo saai. Men trekt wetenschappelijke bevindingen in twijfel en geeft stupide bevindingen voorrang. Idem dito het waarheidsgehalte van het dagelijks nieuws. En hiermee scoren is een serieuze sport geworden.
Ik was op mijn loopje druk doende met deze verontrustende nieuwigheden, toen ik in de verte een hardloper zag naderen. Naar de manier van rennen, vermoedde ik dat het een man was. Maar hij droeg iets van een bustehouder en daardoor twijfelde ik. Of was het misschien zo’n modern meetapparaat? Zo’n apparaat dat nauwkeurig elke rilling in het lichaam oppikt en vastlegt. Dichterbij komend zag ik dat hij ook oortjes droeg. Dat zou kunnen betekenen dat hij instructies van buiten kreeg. Moest hij bijvoorbeeld een stap per minuut sneller of juist een stap langzamer, in verband met zijn bioritme? De man keek strak naar de horizon -verstand op nul- en groette niet. Dat zou invloed op zijn tempo kunnen hebben. In het oortje zou zijn coach dan kunnen zeggen: ‘Je ademhaling stokte een kwartseconde. Wat gebeurde er?’ ‘Ik groette een man met een hondje’. ‘Dat moet je niet weer doen, ik herhaal, Niet! Weer! Doen!’
En zo jagen we ons vermogen op tot het uiterste. Energie=Metabolie+Celdeling in het kwadraat. Een beetje einsteinen op de Turfweg. En als de prestaties tegenvallen, retoucheren we het uit ons bestand. Deleten. Dat klinkt een stuk vriendelijker dan het oude retoucheren waar een mes of een schaar aan te pas kwam. Maar in de giga-dozen van Google, X of Microsoft wordt alles tot in de eeuwigheid opgeslagen. Ik weet dat omdat ik sinds 2010 en nog steeds als werkzoekende sta vermeld. Het wissen van gegevens komt helaas niet van beide kanten. Bram Vingerling zou er vast en zeker wel iets op hebben gevonden. Tijd om dat boek te herdrukken en krijg ik onverwachts een ferme kontschop ….
8.10.25 Hoog bezoek Ik was onlangs op stap met onze Koning. Dat zit zo. Sinds ons land een medium-rechtse regering heeft, is de rol van onze Koning (ik beperk me in dit schrijven slechts tot de Koning) totaal veranderd. Korte tijd was er sprake dat de Koning voorzitter van de Tweede Kamer zou worden, maar dit werd bruusk getorpedeerd door de heer Houtzager van de Groen-Roden met de woorden dat de Kamer verschoond diende te blijven van leden van het koningshuis, temeer enkelen van hen zich in het verleden zeer overheersend hebben gedragen. Niet meer aan beginnen dus. Mede door de inperking van de taken van onze Koning door anti-monarchistische regels uit Brussel, was zijn status als hoofd van ons land gekelderd tot ongeveer die van een dorpskoster. Men had enige tijd gezocht naar een dienende functie voor hem en die gevonden als het boegbeeld van de Visiteringscommissie van de Gemiddelde Nederlander. Zijn taak zou bestaan uit een maandelijks te bezoeken bewoner van een van onze 12 provincies. De Koning stond er open voor en zo kon het gebeuren dat ik -mijn vrouw deelde uiteraard in de feestvreugde!- hem onlangs op bezoek kreeg. Even voor de duidelijkheid, mocht u denken dat het allemaal niet veel voorstelt; er gaat nogal wat vooraf aan zo’n keuze en dat men uiteindelijk bij mij uitkwam, was me een raadsel. Om te beginnen loopt de Visiteringscommissie van de Gemiddelde Nederlander, afgekort als de Viscom, de bestaande gegevens na van alle inwoners die er voor in aanmerking kunnen komen. De P-A (Provincie-Afgezant) moet een schoon blazoen hebben. De persoon mag bijvoorbeeld nooit een bekeuring hebben gehad, nooit op straat of op het werk iemand hebben beledigd, nooit een klap hebben uitgedeeld anders dan op de kop van Jut en nooit iets hebben ontvreemd. Met Kunstmatige Intelligentie is dat tegenwoordig een fluitje van een cent. Dan volgt na enig wikken en wegen een lijstje van 10 gegadigden per provincie. Daar wordt de winnaar uit gekozen. Alles gebeurt strikt geheim. Maar het volk voelt dat het rommelt in de provinciale gelederen. Welke gelederen het precies betreft is hen niet duidelijk, maar het feit dat de ambtenaren van de 12 provinciehuizen zich het vuur uit de sloffen lopen, zegt genoeg. Ik wilde, zelfs toen ik genomineerd was, niets ten nadele van deze nijvere bestuurders zeggen, want men kon mij op het laatste uur nog royeren. De afgevallenen krijgen een bonus van €1000.- De winnaar ontgaat dit. Het rapport geeft hiervoor als reden dat het uitverkoren zijn tot provincieafgezant onmogelijk in geld is uit te drukken. Ik vind dit wel een beetje vrekkig, maar vecht het niet aan. Alles gebeurt dus achter gesloten deuren en zelfs de P-A’s kennen elkaar niet. Dat ik desondanks de afgezant van Zeeland ken, berust op een foutje van de Viscom. Zij stuurden namelijk per ongeluk een voor haar bedoelde brief aan mij. Kan gebeuren. Het hoofd van de Viscom, de heer Kajuit, verzocht mij dringend mijn mond hier over te houden. Dat heb ik beloofd. Appen mag wel, zei hij en dat doen we sindsdien dan ook.
Hoe ziet zo’n bezoek van de Koning eruit? Ik had daar vóór ik tot afgezant werd benoemd, geen idee van. Ik dacht, áls ik er al over dacht, altijd dat zelfs de mensen die zich in de schaduw van de Koning ophouden, zoals de welbekende slippendragers, daar vorstelijk voor worden betaald. Dat valt smerig tegen, heb ik uit welingelichte bron vernomen. Pas één dag van te voren krijgt de door de Koning te bezoeken provincieafgezant een schrijven van de Viscom met enige strikte richtlijnen. Daarin stond bijvoorbeeld dat de Koning het liefst ouwerwetse filterkoffie drinkt en blieft daar graag een kano bij. Dit ter voorkoming van een blunder zoals de Groningse afgezant die met espresso en prevelkoeken op de proppen kwam. ‘Slootwater en droog spul. Geen doorkomen aan’, legde de notulist uit de mond van Koning vast. Zelf drink ik ook graag zulke koffie. ‘Dan kunnen we met één pot wel toe’, zei mijn vrouw. Scheelde ook weer in de kosten. Hoewel we deze uitgaven mochten declareren, maar voor je dat terug hebt ….
Dat de Viscom zó laat met dat wensenlijstje komt, heeft alles te maken met het uitlekken van het bezoek van de Koning. Dat is om de paparazzi te vermijden. Nadeel is dat je als provincieafgezant weinig kunt organiseren en dat schijnt ook de bedoeling te zijn. Tegen tien uur die ochtend kwam de delegatie voorrijden. Het betrof slechts een (1) donkerblauwe Ford Granada. Geen toeters en bellen, niets. De auto bevatte vijf personen, te weten: de Koning, zijn notulist, iemand die zich voorstelde als Jansen, een breed geschouderde meneer van de AIVD (Anoniem-Intiem-Vervoers-Dienst) en de chauffeur. De twee laatsten weken niet van hun plek. De Koning had zich tot mijn verbazing eikeltjesglad geschoren. ‘Goh Majesteit’, zei ik. ‘Ach ja, laat ik es gek doen, zei ik gisteravond tegen Max’, lachte hij. ‘Pas op voor het stoepje, Hoogheid’, zei ik en we traden binnen. De Koning een gebroken poot bezorgen is wel het laatste wat je wilt. Hij zei gewend te zijn aan stoepen. Hij prees ons bescheiden optrekje en na de koffie -twee koppen elk- stelde ik voor een ritje door de provincie te maken. Ook dit was een van de punten van het wensenlijstje.
We pasten krapjes met zijn zessen in de auto. ‘Ik wist dat Granada niet groot is, maar zó klein nou ook weer niet’, grapte de Koning. Meneer Jansen bood aan om maar achter te blijven. Hij was een grage lezer, hij zou zijn uren te onzent wel stuk slaan. Bovendien had hij geen strak omschreven taak. Alles verliep vlekkeloos. Van mijn app-collega Hanna Goes-Verburg uit Zierikzee wist ik dat het bij haar niet echt van een leien dakje was gegaan. Een hoop kapsones van vooral de fine fleur van Vlissingen. We reden door mijn gemeentedorp, vervolgens langs de speeltuin van Drouwen naar Borger en Ees. Ik wees de Koning het huis aan van ome Jan en tante Margje, waar ik als kind enige zomers had gelogeerd. Ik bespeurde lichte afgunst. Daarna reden we via een omweg de Hondsrug af richting Orvelte, alwaar de oogstdagen gaande waren. Zonder centje pijn begaven we ons tussen de duizenden bezoekers. Bij een visstalletje kochten we een broodje paling en dronken op het terras van Café Speelman vh Noordhoek een versnapering. Een oplettende boer meende de Koning te herkennen. ‘Big boer is watching you’, fluisterde ik de Koning toe. Hij kende deze Orveltiaanse uitdrukking niet maar voelde de dreiging in mijn stem. ‘Gauw weg wezen dus’, zei hij. En voort gingen we. Door Schoonoord, Oranje, Hijken, langs de Smildervaart en tegen vier uur arriveerden we weer in mijn woonplaats.
Meneer Jansen had intussen ons gazon gemaaid. Heel fijn. ‘Een hele middag liggen lezen maakt een mens zo sloerig’, zei hij. We namen plaats op het gekortwiekte gazon en namen een afzakkertje. Daarna hield de Koning uit het blote hoofd een speechje. Over hoe fijn hij de rondrit had gevonden en dat de rest van Nederland hier nog van kon leren. ‘Vooral dat dorsen van het graan in Orvelte heb ik als zeer opwindend ervaren’, zei hij. ‘Heerlijk dat geknuppel. Mooi man!’ Mijn vrouw vulde nogmaals de glazen en deed er royaal chips en pinda’s bij. Tegen vijf uur vertrok de Koning en zijn gezelschap weer. We zwaaiden ze nog tot ver voorbij de bocht na.
Al met al kan ik wel zeggen dat het een zeer geslaagde dag was. Als ik mij gedraag -en waarom zou ik dat niet- dan zou het best kunnen dat de Koning ons volgend jaar opnieuw bezoekt. Zou, want volgend jaar wordt hij 65 en wie weet houdt hij het dan voor gezien.
6.10.25 Godgeklaagd God had het weer eens helemaal gehad met de mens. Niets was bestand tegen dat stuk ongeluk, want veel van wat Hij had gecreëerd, brak de mens in no-time weer af. En Hij had het nog wel zo goed voor met al wat groeit en bloeit. Waarom moest die lapzwans van een mens dat weer te gronde richten? Het was Hem werkelijk een raadsel. Vanaf het moment dat Hij met een simpel vonkje een celletje had vervaardigd en vlot daarop middels een gewaagde deling de eerste bacterie, was het bal. Het duurde wel eventjes, maar Hij had de tijd. Voor alle duidelijkheid; de tijd was ook een uitvinding van Hem. Weliswaar een soort bijvangst, want eigenlijk was Hij op zoek naar oneindigheid en toen rolde dit er uit. Hij bleef echter nog wel steeds naar oneindigheid zoeken. De eerste meercelligen dienden zich precies volgens Zijn plan aan en in een vloek en een zucht was de Oceaan gevuld met tientallen soorten vissen. Kleine vissen, grote vissen. Ook weer precies volgens Zijn lijstje. Het waren echter niet alleen vredelievende vissen, maar ook exemplaren die andere vissen naar het leven stonden. De kwestie was dat Hij moest kiezen tussen groeneters en vleeseters en omdat er in het water weinig gras of eikenblaadjes groeiden en Hij de haai ook niet wilde uitgummen, want Hij vond dat dier toch best wel geslaagd, verzon Hij dit overlevenstrucje. Het was een moeilijke keuze, zoals keuzes soms bar moeilijk kunnen zijn.
Nadat het water was voorzien van leven, bouwde Hij verder. Klein spul, dat de bodem omploegde en fladderend spul dat de ruimte tussen Hem en de Aarde verlevendigde. En amfibieën. Zeurkousvissen, die deels in het water en deels op het land wilden leven. Nou ja, dat moest dan maar. Daarna ging het rap. De vooruitgang, net wat u zegt. En ze groeiden en groeiden, er was immers ruimte zat. Zelfs de allergrootste dino’s waren speldeknoppen in Zijn ogen. Zwaartekracht bestond amper. Iets van latere tijd. In zekere zin zweefde alles. Hoe wou je anders zo’n monsterachtig wezen als de brachiosaurus van misschien wel 140 ton (mensenmaten!) op de benen en in beweging krijgen? De lucht was nog zo ijl als die van de Melkweg. Daar moest Hij nodig wat aan doen. Want die zoogdieren begonnen steeds bewegelijker te worden en hadden daardoor steeds meer lucht nodig. Een vorm van verbranding.
Hij was daar al aardig ver mee, toen een asteroïde Zijn arbeid in één klap dwarsboomde. Dat blok steen knalde in volle vaart tegen de Aarde. Waar kwam dat onding ineens vandaan? Had Hij een duivelse rivaal waarvan Hij niet wist? Een soort pseudo-god die Zijn werk eventjes kwam verpesten? Nou Hij zou Zijn tegenstander weleens even laten zien wie de juiste kaarten bezat en binnen luttele eeuwen (wederom mensenmaten!) was alles weer op orde. Gevolgschade: de dino’s waren pleite en er waren heel veel kleine scharrelaartjes voor in de plaats gekomen. Long story short; helaas de voorlopers van de mens zaten daar ook tussen. Klein spul, tóen nog, maar ze groeiden uit tot aapachtige wezens en weer later tot van die rechtop voorthuppelende kale gedrochten. Hij had, bleek nu wel, niet alles in de hand. Een onvoorziene mutatiesprongetje hier en een miskloontje daar. Kwestie van miljoensten van seconden van onoplettendheid. Was Hem dat aan te rekenen? Niet echt. Die haaien ruimden de boel tenminste nog aardig op, maar de mensen maakten er al spoedig een zooitje van, en daarbij een hoop wapengekletter. Had Hij het maar gehouden op de herseninhoud van die verre voorgangers of van bijvoorbeeld de soepschildpad, een evolutionair hoogtepunt, een blijvertje, vond Hijzelf. Maar nee, die klont hersenen groeide en groeide en bracht met elke extra celletje meer en meer onheil. Door zijn expansiedrift kwam de leefruimte van de andere dieren ernstig in de verdrukking. Geen ander dier kon hem echter de baas. En vreselijk slim. Hij ging zelfs een verbond met Hem aan. Ze bouwden daarvoor magistrale ruimten met veel pracht en praal om Hem te paaien en Zijn zegen af te smeken. Ja wat doe je dan? Met een neus vol offer- en wierook wordt het moeilijk je verstand erbij te houden. En dan, God wil ook weleens gestreeld worden, toch? Maar Hij was er allerminst gelukkig mee en daarom was Hij nu bezig iets te creëren om de mens wat af te remmen, bij te sturen, in te tomen. Nee, niet uitroeien, want de mens had ook zo zijn aardige kanten. Op de man afgevraagd wist Hij eventjes niet welke. In de mier zag Hij eerst ook niets, maar die had zich in positieve zin goed ontwikkeld en zich dubbel en dwars bewezen. Zo zag Hij het ook met de mens. Het kon een tijdje duren.
De weg er naartoe kreeg echter steeds minder ruimte. De mens begon lak aan te Hem te krijgen en dat zou zich weleens kunnen wreken. Misschien hadden ze Hem door en beschermden zij zich tegen alles wat ze voor ziekten aanzagen, maar niets anders was dan een voortschrijding in Zijn zoektocht naar een natuurlijke balans. Want sinds die haaien had hij wel gezien dat dat er moest zijn. Maar de mens pakte het veel rigoureuzer aan. Als zijn zogeheten vijanden waren verslagen, alle bossen waren platgewalst, de oceanen gedempt, zou er voor de mens -die zichzelf als de koning van de Schepping zag- ook geen plaats meer zijn. Dat ze dat niet door hadden, die domkoppen! En als Hij ook uit de hoofden van de mens was verdwenen, dan moest Hij helemaal opnieuw beginnen. Die bol hing er al. Niettemin een vervelende klus, die veel tijd en inspanning zou vergen. Hij moest het zoeken in die allerkleinste wezentjes. Wezentjes waar Hij ooit mee was begonnen. Eencelligen, virussen en nog kleiner. Voor de mens praktisch onzichtbaar. Daar hadden ze nog niet veel grip op. ‘Even doorzetten’ zei Hij in zijn hemellaboratorium. Maar eerst ging Hij een rondje hardlopen. Langs de Grote Beer, het Steelpannetje en terug. De spieren losmaken, want God is in alle opzichten bijna een soort mens.
5.10.25 Hergé en de nazies Soms komen er ineens meerdere dingen samen. Van de week keek ik naar een uitzending op de televisie, waarin een Belgische presentator een gespeelde Albert Einstein te woord stond in de tijd dat deze grote geleerde in het eveneens Belgische kustplaatsje De Haan verbleef. Ik ben meerdere keren in België geweest en mogelijk niet eens ver van De Haan, maar ik kende het niet. Nu lees ik momenteel de biografie over Hergé, die in het echt George Remis heette. Hergé is de bedenker en de tekenaar van de stripverhalen van Kuifje en is daar beroemd mee geworden. Hij beschouwde De Haan als zijn favoriete vakantie/badplaats. Ik ben nooit zo’n stripboekenlezer geweest. Asterix en Obelix, Lucky Luke en De Generaal, dat was het wel zo’n beetje. Het aardige van een biografie en vooral deze, is dat het ook inzicht geeft in de geschiedenis van België, want daar weet ik tot mijn schrik bijzonder weinig vanaf. Alsof we na de scheiding in 1830 de info-deur sloten. Dat kan anders! Ik ben nu halverwege het boek en dat speelt zich vooral af in de nadagen van de Tweede Wereldoorlog. Wat blijkt: Hergé hield er nogal een duister levenswandel op na. Hij had namelijk ook voor de pro-Duitse krant Le Soir getekend en ging aardig mee in de haat tegen de Joden. In Nederland bestond al vroeg in de oorlog de Kultuurkamer, de door de Duitsers ingestelde regeling die de 7 belangrijkste kunstdisciplines aan banden legde. Meldde je je als kunstenaar níet bij Kultuurkamer aan, dan kon je je vak niet meer uitoefenen. België had geen Kultuurkamer, heulde min of meer met de nazi’s mee. En één van hen was dus Hergé. Na de oorlog was zijn verdediging wat betreft zijn gebruik van het antisemitisme, ver onder de maat, maar hij kon zijn werk gewoon blijven doen. In Nederland zou dat met leden van de Kultuurkamer heel anders gaan. Die kregen hun werk na de oorlog soms lange tijd niet uitgeven. ‘Hergé is bepaald ‘erg vatbaar voor invloeden’, vaak goede, maar soms erg slechte’, las ik ergens. En door de stigmatiserende rol van Le Soir, paste hij bewust de toen in trek zijnde stereotypische kenmerken van de Joden in zijn strips toe. Zo had hij een Joodse geldmagnaat getekend met semitische gelaatstrekken en met de naam Blumenstein. Daar werd hij op aangesproken en toen veranderde hij het in Bohlwinkel, maar dat bleek ook een Joodse naam. Niet ondenkbaar dat er Joodse mensen met die naam zijn weggevoerd en nooit teruggekomen. Ai! Van de 70.000 Joden die er voor de oorlog in België woonden, zijn zo’n 32.000 uitgeroeid. Hergé maakte zich er na de oorlog makkelijk vanaf met: ‘Wie had kunnen voorzien dat de joodse moppen zouden eindigen op de manier die ons nu bekend is; in de vernietigingskampen Treblinka en Auschwitz’. Op 5 oktober 1940 (precies 85 jaar geleden) schreef Le Soir over de ‘volkstelling van de Joden in Frankrijk’. Het is een zeer racistisch stuk. Na de oorlog werden de Joodse plaatjes van de strips aangepast. Met zijn 5 jaar jongere broer Paul, die vanwege verzet tegen de nazies in een Duits werkkamp gevangen zat, had hij geen contact meer. Dat had ook na de oorlog de nodige haken en ogen. Vooral in de latere jaren werd Kuifje een begrip.
Over hoe Hergé (George Remin) nu over de toestand in de wereld en dan met name die in het Midden-Oosten zou denken, kan ik geen zinnig woord zeggen. Albert Einstein moest vanwege zijn Joodse achtergrond vluchten. Mogelijk zijn ze elkaar in De Haan tegengekomen. Maar als men Einstein niet nadrukkelijk had verzocht via Engeland naar Amerika te vluchten, was hij met aan grenzende waarschijnlijkheid ook geëindigd in Treblinka of Auschwitz of in één van die honderden andere vernietigingskampen. Dat maakt het lezen van dat boek extra zuur.
4.10.25 Ooievaar’s klacht (OverlijdensAdvertentieBovenschriften 10)
Het is de maand beginnend met de o van oktober en van overgang naar slechter weer. Ook van oorworm, olifant en okapi, maar ik houd het hier bij de ooievaar. De reden werd me gaandeweg mijn zoektocht door mijn labyrint van krantensnippers met OAB’s duidelijk. U weet, ik stel al jaren die kleine aankondigingen boven iemands stervensbericht veilig; verzamelen wil ik het niet noemen. Het dient een hoger doel. Met ‘hoger’ bedoel ik hier: al wat er zich in het zwerk bevindt en dan met name vogels. Klein gevleugelte, behalve vlinders, wordt nogal eens als OAB genoemd. Op de ons oudste bekende taalsnipper uit de Nederlandse literatuur, staat te lezen: Hebban olla vogala nestas hagunnan …. en sluit af met de half-Latijnse vraag waarom wij -mensen- nog geen nestje bouwen. Ontroerend, maar het gaat mij vooral om het woord vogala, dat vogels betekent. De regel stond boven de overlijdensadvertentie van de schrijfster Hermine de Graaf, overleden op 24 november 2013 te Buinen. Zij kende haar klassieken. Om wat voor vogels het hier gaat, is niet bekend. Misschien hadden vogels toen (9de-10de eeuw) nog geen naam. Al wat vliegt vliegt, waarom zou je dat benoemen? Toch even over die vlinders, want die kom ik af en toe ook als OAB tegen. Dat heeft natuurlijk alles te maken met de kwetsbaarheid van het diertje en als beeldspraak van de onze. Als een vlinder die toch vliegen kan tot in de blauwe lucht zong Boudewijn de Groot. Om wat voor soort vlinder het hier gaat, is niet duidelijk. Gewoon een vlinder. Dichteres M. Vasalis heeft het in een van haar gedichten over een geel vlindertje dat voorbij vliegt en in een ander gedicht van haar hand over vliederdunne vlinders / zonder gerucht van materie / haast ontdaan. Andrea Evers verbeeldt in een haiku: kijk, een koolwitje / zo licht en zo diep sterven / dat is levenskunst. Daarenboven heeft een vlinder ook een mystieke uitstraling, iets ongeremds; dat fladdert maar doelloos rond. En toch, vergis je niet! Zoals ook blijkt uit het versje van Lucebert: dwars door toornige / dromen dartelt / toverend een vlinder. Maar vanwege hun broosheid worden ze nogal eens gebruikt boven een rouwadvertentie van een kind. Het kleinste kindje/slachtoffer aan boord van de MH17 bijvoorbeeld wordt in een versje geëerd met: Witte vlinder. Ik houd denkbeeldig nu even een minuutje rust vanwege dit afschuwelijke drama.
Maar kom, ik moet verder. Ook Joost van den Vondel gaf zijn vogels geen namen. Hij schreef: Wij vogels vliegen, warm gedost / Gerust van tak in tak;/ De hemel schaft ons drank en kost. / De hemel is ons dak. Hier en meestal wordt de vogel als stijlfiguur gebruikt. Ik heb nooit in een OAB zoogdier of reptiel gezien. Nu zijn dat ook niet de meest aaibare dieren. Bill Haley and his Rockets zingen over See you later, alligator en een ontslapene maakte het in 2015 af met After a while, crocodile!’ De nabestaanden zullen het zonder krokodillentranen hebben gelezen. Wat betreft zoogdieren kwam ik bij Joost van den Vondel een schaap tegen (d’Almachtige is mijn Herder en Geleide, / wat is er dat mij schort? / Hij weidt mij als een schaap in vette weide, / waar gras noch groen verdort.) Van P. N. van Eyck zijn de overbekende regels: Meester, uw paard, en laat mij spoorslags gaan, / Voor de avond nog bereik ik Ispahaan. Het vers komt terug in ieder schoolboek. Maar een hond of een kat was in geen velden of wegen te bekennen. En dat is vreemd, omdat Bello en Minoes vele bankstellen in de Nederlandse huiskamers bezetten. In het namenlijstje van rouwende familieleden wil nog weleens een honden- of kattenpootafdruk opduiken, maar niet in een OAB. Toon Tellegen komt met de score van 3 afwijkende diersoorten nog het beste voor de dag: de mol, de mier en de eekhoorn. Dat hadden er veel meer kunnen zijn, want Toon Tellegen is een dierenschrijver. Vooral zijn olifant mis ik node. Van mijn geliefde dichter C. (Kees) Buddingh’ mis ik een strofe uit een van de vele aan zijn katten opgedragen verzen. Nog wel duikt er een spin op in een regeltje van Buddingh’s vriend Theo van Baaren: De spin weeft tussen dag en dauw, / op haar denkbeeldig weefgetouw. / Haar web is ijl en wonderschoon, / zij weeft de dood in het patroon. Voorts een chimpansee boven de overlijdensadvertentie van Frans de Waal en een aap uit een lied van The Pixies: This monkey’s gone to heaven. Toegevoegd moet worden dat de zeer onlangs overleden Jane Goodall een OAB ter grootte van een pagina verdient, maar een overlijdensadvertentie van haar heb ik tot op heden niet gezien. Een speciaal geval betreft Teigetje van Gerard Reve. Hij gebruikte de naam van een bedachte diersoort uit Winnie de Poe van A.A.Milne. Dat dier neem ik dus niet serieus. Maar het penseelzwijn (wel een echt dier!) van Rudi Kousbroek is kennelijk nooit een kunstschilder opgevallen. Een gemis. Slechts één paard vond ik. Ter verfraaiing in de vorm van een foto regelmatig toegevoegd, en soms ingeruild voor een tractor, het stalen monster. Men houdt de vooruitgang nu eenmaal niet tegen. Maar geen koe! En dat terwijl Nederland voor een groot deel is gevoed door de giften van dit nobele dier. In Leeuwarden schijnt er eentje in steen uitgevoerd te staan. Voor hoe lang nog, want als het in de weg staat van een bouwproject, verdwijnt het onherroepelijk uit beeld. Wat ik je brom(vlieg)! Daarom als ode en als toegevoegde lezersoproep, een strofe uit Wat wil de koe van koeienliterator Koos van Zomeren. Ze bidden niet, ze klagen niet, ze schelden niet. Ze hebben geen weet van regenval in millimeters of de bovenloop van de Rijn of noodverordeningen krachtens de gemeentewet. Ze geven niemand de schuld van de dijken, ze bekommeren zich niet om de waarde van ontroerend goed en ze speculeren niet op stemmenwinst. Klinkt in deze tijd bijna om jaloers op te worden.
Over klinken gesproken. Hoe zou het klinken als de grote dichteres Judith Herzberg had geschreven Bijna nooit zie je een ooievaar in de lucht zich bedenken, zwenken, terug? Nu blijft het bij een bescheiden vogel en kan het van alles zijn. Rutger Kopland wist het zéker, toen hij schreef: en later hoorde ik de vleugels / van ganzen in de hemel, / hoorde ik hoe stil en leeg / het aan het worden was. Een beeld dat hoort bij dit seizoen, je hoeft er niet eens een echte vogelaar voor te zijn. In een andere OAB van Judith Herzberg spreekt ze over zwaluwen en zelfs een reiger en nu kom ik ook een beetje waar ik wezen wil. Want ik neem het op voor de ooievaar. Nergens ben ik deze langpoter onder het gevogelte als OAB tegengekomen en dat bevalt me niks! Wordt ons kinderen niet tot op zekere leeftijd voorgehouden dat ooievaars de bezorgers zijn van nieuw menselijk broedsel? Zie ik op mijn loopjes en ritjes niet regelmatig een handgezaagde ooievaar op één poot in een voortuin staan met in zijn/haar snavel een pop in een draagdoek? Hoe een en ander werkt zullen de iets oudere luierkindjes nog niet vragen. De verwondering en de magie winnen het van de realiteit. De ooievaar daarentegen is meteen vergeten. Zij/hij vliegt met lege snavel terug en snaait onderweg misschien een welverdiend maaltje. Als OAB bestaat zij/hij in het geheel niet. Je zou toch verwachten dat er weleens een nabestaande die cyclus zou vervolmaken. In de christelijke leer spreekt men wel van alfa en omega, maar daar hebben ze weer minder op met de evolutie en de ooievaar als goede-boodschap-brenger. Heidens gezwatel, vinden ze. Vooral klein grut als de leeuwerik, het roodborstje, de zwaluw, de merel, de mus en de nachtegaal doen het in woord en in beeld goed in een OAB. Ergens kwam ik nog een zwaan tegen en een arend, maar die vond ik bij iemand die Arend heette en daarom lees ik dit als een taalgrapje. Nee, wat dat betreft is het droevig gesteld met de vogelgelijkheid van de OAB-en.
Om niet al te somber te eindigen (want het is vandaag Dierendag!), een versje dat ik zo-even in de Volkskrant spotte (de spotvogel mis ik overigens ook deerlijk): Een libelle zweeft over het water; / Haar aanschijn weerspiegelt even de zon – / En dan is er plotseling niets meer. Kom ik toch weer uit bij de kwetsbaarheid en de vergankelijkheid van het leven – van óns leven, van élk leven. In een paar regeltjes weergegeven. Gelijk een vlinder vliegend hoog in de lucht.
1.10.25 Een ontmoeting Zo nu en dan bezoek ik onze gemeentelijke begraafplaats. Wil even langs die zee van stenen lopen en namen fluisteren van mensen die ik heb gekend. ‘Geert Verbruggen’, ‘Aaltje Reuring’, ‘Ernst van der Velde’ en zo voort. Synchroon lichten hun gezichten op in mijn hoofd. Vanmiddag ging ik weer eens. Ik had al een aantal paden en vakken doorgelopen en zette me neer op een bankje bij vak M. Het was killig, maar dat hoort een beetje bij een begraafplaats. Waar ik ook een beetje voor kwam was het graf van de bekende schrijver Kees Harms. Die was een jaar geleden vrij plotseling zoals ze hier zeggen uit de tijd gekomen. Ik was niet bij zijn uitvaart om reden dat ik altijd erg tegen begrafenissen aanzie. Kees Harms was bekend geworden door zijn veelgelezen trilogie Heksenjacht op de Roggeleliehoeve. Ik kom nog weleens een beduimeld exemplaar tegen in een boekenkastje of op de rommelmarkt. Omdat ik niet wist waar hij lag, struinde ik over het veld. Even rust. Een soort mindfulness. Voor veel mensen aan te raden. Waar kun je dat beter ondergaan dan hier? Terwijl ik mijmerde en me verbaasde over de talrijke kastanjes en eikels op en rond de graven -het was een zeer rijk kastanje- en eikelsjaar geweest- hoorde ik aan het eind van het veld geluiden. Tot dan toe dacht ik dat ik hier alleen was. Ik stopte mijn aantekenboekje, dat ik altijd bij me heb voor het geval me iets aardigs te binnen schiet, terug in mijn jaszak en keek in de richting vanwaar het geluid kwam. Tussen de takken van een conifeer die het vak scheidde van de volgende door, zag ik iets bewegen. Ik stond op, weifelde erheen te lopen of terug te gaan naar de uitgang. Mijn nieuwsgierigheid won het. Ik zag nu een persoon die bezig was een grafsteen af te borstelen. Hij, ik hield het op een man, lag op zijn knieën met zijn hoofd bijna op de steen. Omdat ik hem van achteren naderde, zag ik dat hij een korte broek moest dragen en hoewel dat op zich niet ongewoon is, was het er de tijd van het jaar niet naar. Toen hij mij bemerkte, stond hij -het was inderdaad een man- haastig op en griste zijn broek van een grafzuil en schoot erin. Vreemd, dacht ik. Ik vertraagde mijn tred om hem kans te geven zich te fatsoeneren. We wisten nu van elkaars bestaan. Ik zei ‘Goeiemiddag’. Hij zei hetzelfde. De man leek me jong bejaard. Hij maakte een geschrokken indruk, voelde zich betrapt en wist dat hij iets moest uitleggen. Zonder af te wachten wat ik zou zeggen of vragen, zei hij dat dit het graf van zijn grootvader was. Alsof hierin een legitieme verklaring school voor zijn buitenissig gedrag. Ik las hardop ‘Klaas Meijer, overleden 16 november 1930. 16 november, dat is vandaag’, zei ik. De man knikte en zei ‘Ja’. Hij had een zachte stem. ‘Ik heet ook Klaas. Net als hij en ook als mijn vader, maar ze noemden mij altijd Klaasje, want ik was niet erg groot en ik was een beetje meisjesachtig. Tenminste dat zeiden de mensen in ons dorp. Daar hadden ze wel gelijk in, maar het was ook, ja hoe zal ik het zeggen, stigmatiserend. Ik schaamde me er voor. Het heeft me voorzichtig gemaakt, bangelijk. Ik voelde mij soms ook echt wel anders; als een meisje en later als vrouw, maar wel heel duidelijk in een mannenlichaam’. Hij zweeg. ‘Raar toch, vindt u niet?’
Dat was nogal een bekentenis. Wat moest ik hiermee? Voor hetzelfde geld lachte ik hem vierkant uit en ging ik ermee aan de haal. En dan, waarom vertrouwde hij mij dit toe? Wij kenden elkaar immers niet. Hij wees naar de steen en zei ‘Mijn grootvader was een homoseksuele man. Daar ben ik pas achter gekomen nadat mijn vader was overleden en ik een schriftje vond van mijn grootvader waarin hij dat had geschreven. Vroeger kon je daar niet mee voor de dag komen hè. Daar stond bijna de doodstraf op of in ieder geval verstoting uit de familie. Afschuwelijk. En om die schande te verdoezelen trouwde hij met een nicht en zij kregen een kind, dat was mijn vader. Ik ben net als hij enigst kind. Toen ik ouder werd kreeg ik verkering met een meisje en we trouwden. Van kinderen kwam het niet, we taalden er allebei niet naar. Mijn vrouw stierf al vroeg en toen ben ik mij een beetje gaan bezighouden met mijn stamboom en daardoor kreeg dat verdrongen leven van mijn grootvader een steeds prominentere plek. Ik wilde hem eren en zo dicht mogelijk bij hem in de buurt komen. Een vorm van vertroosting, zeg maar. Dat u niet denkt dat er een steekje bij mij los zit’. ‘Ik denk niets’, zei ik. Ik voelde mij verdrietig en ook onrustig worden en ik befriemelde mijn schrijfboekje in mijn jaszak. ‘Wat een triest verhaal’, zei ik met een dikke strot. Ik wist niet wat ik ermee moest. Hem een hand geven als een soort vertrouwen? Moest ik hem vragen stellen? Hem bemoedigen? Ik wist het niet. Daarom hield ik het op ‘Sterkte’. Hij bedankte mij. Een kleine man, beetje allenig in de grote boze wereld.
Ik liep bedrukt verder. Een ode aan een man die bijna honderd jaar geleden heeft geleefd, dacht ik. Ik wist dat er mensen zijn die zich door goeroeachtige types laten leiden en volgens de astrologische kalender hun groenten zaaien en oogsten en bij volle maan soms geheel ontkleed hun groenten wieden en zelfs liefkozen. Dit alles om de groei te bevorderen. Dat heb ik jaren geleden eens gelezen in een esoterisch blad. Waarin ook stond dat het op blote knieën en zonder handschoenen wroeten in de aarde een intense, bijna religieuze beleving is. Met niets te vergelijken. Dus zo heel vreemd was dit nou ook weer niet, alleen dit was geen groententuintje. Toen ik nog even omkeek, zag ik dat de man zijn benen weer had ontbloot en met zijn hoofd tot vlak aan de grond bezig was opa’s zerk te poetsen. Dichterbij zijn oergeslacht kon hij niet komen.
28.9.25 Brief aan de Volkskrant Beste Pieter Klok. Bedankt voor de e-brief van de krant waarover u de scepter zwaait. Onlangs heb ik mij er wederom op geabonneerd. Ik ben een jojo-abonnee. Dan weer deze, dan weer die en heb de Volkskrant, NRC, Trouw en Dagblad van het Noorden reeds meerdere keren gehad. Meestal door een financieel lokkertje en/of het besef dat ik er dan voor 4 of 6 weken of voor 3 maanden de deur niet voor uit hoefde. Die kans deed zich nu ook weer voor. Met de landelijke verkiezingen in zicht en de Trump-feuilleton, leek het me handig om de Volkskrant voor een jaar te nemen. U overtuigde mij met een aantrekkelijk aanbod. Ik las de Volkskrant af en toe op middenweekse dagen en kocht naast mijn weekend-abonnement op Dagblad van het Noorden, ook regelmatig de NRC of Trouw. Dus geen Sigmund en columns van Sylvia Witteman en al die anderen prachtschrijvers. Die las ik in de vrijdag- en de zaterdageditie.
Het leven, meneer Klok, bestaat nu eenmaal niet alleen uit lezen. Ik zou het op zich wel willen, maar er dient ook gegeten en geleefd te worden en huiselijke taken verricht. Zoals: groenten en aardappelen schillen, wasjes draaien, ophangen, afhalen, vouwen, opbergen en stofzuigen. Verder de tuin bijhouden en hoewel voor een plattelandsdorp niet reuzegroot, voor een stad als Amsterdam een mini-plantsoen. Dan loop ik voor eigen plezier en voor de hond elke dag een rondje en heb daarnaast ook nog wat vrijwilligerswerk te doen. Naast dit alles lees ik graag boeken, oude en nieuwe, en de recensies van de bovengenoemde kranten. Hierdoor komt het grondig lezen van uw krant weleens in gevaar en sla ik de laatste pagina’s niet zelden pas na middernacht om. Nu is het lezen van een krant een kwestie van selecteren, zoals Harry Mulisch ons aards gepeupel pennenwipperig voorhield. Dat mag zo zijn, maar daardoor haal je nodeloos een hoop papier in huis en papierverspilling is een verzwegen zonde, nog afgezien van de energie die er voor nodig is om het te maken. Dat is mede reden dat ik weinig gebruik maak van het internetnieuws, omdat die tech-bedrijven enorm veel energie verbruiken. In strijd hiermee, geef ik toe, verzorg ik een site met verhalen en columns.
U ziet dat ik een volle agenda heb en daarom wilde ik u erop wijzen dat ik niet méér uit mijn abonnement haal dan de papieren editie. Want opent men die Volkskrant-site -en dat heb ik uiteraard gedaan- dan verschijnen er steeds bijgewerkte nieuwsfora en potcasts, ja zelfs puzzels. En de VPRO overspoelt mij ook al met nieuwe boeken en nieuwtjes en potcasts en idem dito ‘Andere Tijden’ en daar grasduin ik ook weleens in. En ‘OVT’, waar ik nu met één oor naar luister. Daarnaast pluk ik nog weleens iets uit een boekenkastje, struin in een kringloopwinkel of in de koopjesbak bij de Readshop of de Bruna. Vandeweek in Meppel nog Generatie X van Douglas Coupland en in Sappemeer Emo’s labyrint van Ynskje Penning gescoord. Ongelezen exemplaren, voor een habbekrats. Mijn vraag is dan ook of u mij uit dat algoritmisch systeem kunt gooien, zodat ik niet gestoord wordt door die extra verlokkingen. Ik ben zo vrij aan te geven wat voor mij behapbaar is. Het is onnodig te zeggen dat ook in het Noorden van ons mooie land een dag slechts 24 uren telt. Ik rond af want uw tijd zal beperkt zijn. Prettige zondag en maak er wat van! Ik dank u bij voorbaat. (naam, adres, woonplaats).
25.9.25 Geen grap Soms is het te makkelijk om ergens een grap over te maken. Ik laat leedvermaak in deze buiten beschouwing, ga puur uit van de grap als bindmiddel in een conversatie of als niet-kwaad-bedoeld verzetje onder vrienden. En ‘een goeie grap mag wat kosten’, munt ik hier. Grap is een lid van de familie Humor. Broertje Streek hoort er ook toe, maar dat is een minne, met bijnamen als ploert(enstreek), schurk(enstreek), schoft(enstreek). De Bruin Boon van de familie, zo’n titel verdien je niet zomaar. Het woord grap komt naar alle waarschijnlijkheid van grijpen en de oervormen daarvan: graben, grabben en grabbelen. Betreft de grap een kwinkslag naar een persoon, dan volgt meestal een tegengrap of, als hij/zij niet van de grap gediend is, een aframmeling in woord, in daad of in allebei. Nederland kent (en kende) duizenden grappenmakers, de één nog grappiger dan de ander. De represailles op de grappen zijn meestal niet te zwaar. Tenzij je Tijl Uilenspiegel heet, dan wordt het moeilijk.
In Amerika, geroemd om de vrijheid van het woord, ligt dat anders en sinds DJT hier aan het bewind is, héul anders. De eerste overzeese grappenmakers die ik als kind als het ware inzoog, waren de dikke en de dunne en sjarlie sjeplin. Comedy Capers heette dat toen nog. In latere tijd kwamen daar The Marx Brothers bij en weer wat later uit Engeland Monty Python, Tommy Cooper, Peter Sellers en uit Frankrijk Louis de Funes + nog een scala mindere goden. Ik noem deze namen omdat ik in het gedrag van DJT sporen zie van deze komieken. In zijn houding en in zijn foute karakteriseringen. Allemaal al eens gedaan. De grap is echter dat politiek bedrijven geen grap is en naarmate de roem stijgt, wordt de grap steeds beroerder. De makke van DJT als grappenmaker is dat hij zichzelf veel te serieus neemt. Dat deden brokkenpiloten als Charley Chaplin, Tommy Cooper, Buster Keaton en Jacques Tati ook, maar duizend keer beter.
Afgelopen dinsdag hield DJT een toespraak in het gebouw van de Verenigde Naties te New York. Nu heeft DJT een bloedhekel aan New York, zoals hij ook dezelfde hekel heeft aan Chicago, Los Angeles, Detroit enzovoort, omdat ze niet loyaal aan zijn wurgband willen meelopen. Dan strandt humor en wordt het terreur. Het werd een heel pijnlijk en vooral egocentrische toespraak. Wederom vroeg hij zich af waar de nominatie voor de nobelprijs blijft. Niemand die het wist. Zweden zat in vak Z en hield zich koest. Het wordt zo langzamerhand een running gag waar iemand toch eens gevat op moet reageren. Misschien iets met dynamiet …. Nu blijft deze grap van wereldformaat in de lucht hangen. Presentatoren van Amerikaanse latenightshows maken continu gehakt van zijn zelfingenomenheid, maar zij bijten zichzelf in de staart. Nadat DJT de Verenigde Naties genoeg had afgefakkeld en de publieke aandacht tot nul was gezakt, richtte hij zich op de roltrap van het VN-gebouw, die halverwege zijn opstijging nukken vertoonde, waardoor de First Lady bijna was komen te vallen. Gelukkig had hij dit kunnen voorkomen door zijn uitstekende conditie. Grab me! zou ze hebben geroepen. Dat was niet tegen dovemansoren gezegd en subiet ging hij over tot de aanval. Focussen we even op dat woord grabben, dan is het aardig te lezen dat het Engelse to grab uit het Middel-Nederlands komt. Het woord heeft door DJT een beladen betekenis gekregen, die in elk boek dat over hem verschijnt, steevast een (sappig) hoofdstuk oplevert. Niettemin is hij van alle aanklachten gezuiverd (al of niet door betaling: Stormy Daniels) en is hij ondanks deze kras op zijn cv, de man naast God geworden. Dat zei hij zonder oogknipperen toen een onverlaat hem door zijn rechter oorlel had geschoten. Elk mens zou behoorlijk van streek zijn geweest; niet DJT. Als een echte patriot balde hij zijn vuist en vervloekte de schutter. Het zou een iconische foto opleveren, naast die van de eerste maanwandelaar. Of het door dat bijna doodsschot is gekomen weet ik niet, maar naar verluid gaat het met zijn gezondheid sindsdien minder rooskleurig dan hij ons in ronkende bewoordingen voorhoudt. Ook in New York moest de hele wereld weten hoe goed hij er lichamelijk voorstaat. Kennelijk hoort dit bij zijn buitensporige zelfverheffing. Zijn grote bijbelse voorbeelden klaagden immers ook niet over pijntjes in de darmstreek, over hersenverweking, constipatie en lichamelijke zusjes en zootjes. Bij de volgende vergadering van de VN zal hij daarom met een analyse komen van zijn bloed, ontlasting en urine. Hou je dan maar es goed als hij om de haverklap How does that grab you? (hoe vindt je dat?) de zaal in slingert. Zover is het nog niet. De wereld moeten eerst nog door de zure appel heen bijten om tot het zoet te geraken. En dat is helaas geen grap!
20.9.25 Rookt Agio! Een tijdje geleden vond ik tussen de boeken in een daarvoor bestemd kastje, een flodderig uitziend schrift met sigarenbandjes. Toen ik het inkeek, kwamen me meerdere bandjes als vrijgelaten vlinders tegemoet, waaruit ik opmaakte dat de gluton was uitgewerkt. Meteen kreeg ik een soort déjà vu-gevoel. Ik zag weer kraakhelder voor me hoe ik als kind, wanneer ik bij rokende visiteleden zat, om de sigarenbandjes vroeg. Ik hield de brandhaarden strikt in de gaten en als de asrand een bandje naderde, overwon ik mijn schuchterheid en ging ik tot de aanval over. Voorzichtig haalden zij dan het bandje van de sigaar. Sommigen haalden het bandje er gelijk met het celofaantje, dat de sigaar omhulde, af en gooiden het in de asbak. Die haalde ik er soms later weer uit. Een dubbele kon je altijd nog ruilen. De sigarenfabrikanten wisten van deze verzamelwoede en verblijdden ons met steeds nieuwe en mooiere bandjes. Vooral de grote, onechte sierbanden boven in de doos, waren zeer gewild. Die bevat het schrift ook.
In Nederland waren ooit tientallen sigarenfabrieken en veel van de productnamen hadden een schijnbare link met het verleden. Merken als: Ritmeester, Martinez, Paladijn, Senator, Gulden vlies, Willem II, de heren van Ruysdael, Karel I, Champ Clark en Elisabeth Bas. Onze meester had er met gemak een geschiedenisuurtje aan kunnen wijden. Allemaal woorden die oudheid en ook een zekere status moesten uitstralen. Een merk dat ik als kind ook kende, was Agio. Wat het woord betekende wist ik niet. Agio adverteerde met ‘Het meesterwerk in smaak en aroma’. Dat was in de jaren dat roken nog niet als schadelijk werd gezien. Het zorgde voor sfeer en gezelligheid. Gisteren kwam ik het woord agio weer tegen in een puzzel en daarom zocht het nu maar eens op. Veel van die puzzelwoorden kun je haast beschouwen als schaduwwoorden, agio is ook zo eentje. Het komt voor in de aandelenwereld en betekent: 1; opgeld boven de pariakoers of de geschatte prijs. 2; wordt vooral van wisselgeld gezegd. 3; in’t bijzonder van goud ten opzichte van papier of zilver. Het heeft dus vooral te maken met geld en daar heb ik niet meer mee dan het dagelijks gebruik ervan. Alsof mijn computer dit aanvoelde, verscheen er een staafdiagram in beeld die de verdiensten van een tiental ceo’s lieten zien. Ceo is een opgeblazen term voor bedrijfsdirecteur. Het klinkt vooral voor de incrowd erg interessant. De grootste hap van hun verdiensten bestaat uit aandelen, obligaties en dividenden. Bij de toppers is dat meer dan driekwart van het geheel. Ik lijd niet aan geldhonger – zou dat voor iedereen gelden, dan bestond het probleem van gokken welhaast niet meer en verdienden ceo’s over de hele wereld substantieel minder. Maar de beurs wil ook wat.
Jaren geleden adviseerde zekere meneer Klinkhamer, financieel-expert van onze bank, mij, om elke maand een zeker bedrag te storten in een beleggingsfonds. Dat zou een veel hogere rente opleveren dan van onze gewone spaarrekening. Geld met geld verdienen is zeer lucratief, hield hij mij voor. Ik overwoog en deed het. Mijn vrouw was vanaf het eerste moment sceptisch. Ik werd het langzamerhand ook en volgde na anderhalf-jaar haar raad op en besloot de automatische inleg te beëindigen. We konden het om in onze dagelijkse onderhoud te voorzien niet missen. Zeiden we. ‘Begrijpelijk, maar onverstandig, want het begint net mooi te groeien’, zei meneer Klinkhamer. Hij rekende op een kladje uit hoeveel wij met onze belegging tot nu toe hadden verdiend. Dat viel nogal mee, maar we hadden ook niets verspeeld. Toen de boel veilig op onze spaarrekening was overgeheveld en ik hem van man tot man vroeg hoeveel hij inmiddels zelf met beleggen had verdiend, liet hij zijn besnorde kop ietwat treurig hangen. ‘Tot op heden nog maar weinig, maar je moet het op de lange termijn zien’, zei hij. Dat geduld hadden we niet. Voor de volledigheid, die bank, de Fortisbank, is al jaren verdwenen. Het oude gebouw bevat nu een pizzeria.
Ik bekijk die mooie sigarenbandjes nog eens. Met het afnemen van het roken van sigaren, verdwenen ook spoorslags de bedrijven. Dat kun je met die bandjes in gedachten jammer noemen. Vooral die toegevoegde plaatjes zijn prachtig. Die van Lugano bijvoorbeeld of van Ernst Casimir. Het moet die sigarenbedrijven kapitalen hebben gekost om met steeds nieuwe en luxere series op de proppen te komen en alzo tegen elkaar op te boksen. Maar misschien hadden ze elk voor zich wel aandelen in de bedrijven die die bandjes en plaatjes ontwierpen en drukten. Dat blijft speculeren, obligate materie, waar ik m’n vingers liever niet aan brand.
18.9.25 Politiek cabaret Wat leven we toch in een heerlijk land! Ik kan het niet vaak genoeg zeggen. Gisteren las de heer Wilders in de Algemene Beschouwingen de door hemzelf samengestelde lijst voor van gemeenten waar zich een of meerdere asielzoekerscentrums bevinden. Het was een lange lijst en na afloop viel er een diepe stilte. Daarna liep de heer Timmermans naar voren en trok een velletje uit de binnenzak van zijn colbert en zei ‘Beste kamergenoten’. Hierbij ontsnapte hem een welgemeende glimlach. ‘Ik heb net als mijn geachte Kamergenoot de heer Wilders ook een lijst gemaakt, want en televisiekijkend Nederland weet dat vermoedelijk niet, maar wij kregen hiertoe van de Minister-President het dringende verzoek. Mijn lijst bevat alle gemeenten van Nederland waar zich te veel burgers bevinden die zich niet aan de stikstofregels houden. Here we go …’ en wederom werd er een lange lijst namen ten gehore gebracht. Vooral de gemeenten Schiermonnikoog en Montvoort deden bij velen de lippen krullen. Waren zij door de Agri-Unie juist niet gekozen als de twee stikstofarmste gemeenten van ons land? Toen dan ook de BBB-voorvrouw het woord mocht voeren, viel ze ogenblikkelijk en keihard haar voorganger aan door te stellen dat Rottummerplaat in dit geval veeleer op zijn lijst zou moeten, want wat dacht je van al die meeuwen en zeehonden die hier maar werkschuw liggen te ruften. Daar had zelfs de heer Klaver even niks op te zeggen. De BBB-voorvrouw ving nu aan. Haar lijst bestond uit een opsomming van plaatsen in Nederland waar zij de meeste mondbeugeltjes had waargenomen. Want scheve tanden waren haar een gruwel. Vooral bij bewoners net onder de biblebelt had ze tijdens haar verkiezingstoer veel vooruitspringende tanden gezien en in de gemeente Bunnik -ook wel de gesp van de biblebelt genoemd- werd het woord kiesdistrict met lange tanden uitgesproken. ‘Ja lach er maar om’, galmde zij vanaf het podiumpje. ‘Mijn vraag is dus: Kan hier geen beugeltoeslag worden verstrekt?’
Ach, en toen kwam Jimmy Dijk met zijn lijst ‘Gemeenten met verborgen armoede’. Tot ieders verrassing stond Wassenaar op nummer 1. Het leverde een lachsalvo van jewelste op. Zo beroerd kon het daar toch niet zijn? Was Oude-Pekela dan werkelijk verslagen? Niet te geloven! ‘Publiek geheim is dat het weekendhuis van ons Koningspaar aldaar een bed&breakfast bevat en dat zegt toch wel iets’, zei hij. Mevrouw Keijzer hikte hoorbaar -haar microfoontje stond aan- dat ze het niet langer droog kon houden en voegde zonder schroom de daad bij het woord. ‘Gods water over Gods akker’, fluisterde de GPV-voorman haar met zwaar Urks accent toe. Het Forum voor Democratie kwam nu met hun inbreng van de 25 beste complottheorieën. Het bevatte veel Latijnse termen en daarvoor deelde de Kamervoorzitter een verklarende woordenlijst uit. De GPV kwam met een moderne versie van de Tien Geboden en voegde er voor de volledigheid nog een 11de (Gij zult niet bekvechten) aan toe. De NSC hield het simpel door het Achterhoekse kinderspel ‘Wie gezien is, ligt eruit’ (een soort verstoppertje) te spelen. Alom jolijt. De VVD-voorvrouw kwam nu met een lijst van alle inwoners van Kollumerpomp, omdat die ook weleens via de televisie gehoord willen worden. De Partij voor de Dieren deed hun spreektijd af met het noemen van alle zoetwatervissoorten die bij de Rijn ons land binnen komen, hetgeen de heer Wilders naar de interruptiemicrofoon deed hollen en briezen dat dit ogenblikkelijk aangepakt diende te worden. Hoe, was de vraag? ‘Door bij Lobith een grenspost in te stellen. Dat zwemt maar binnen en vreet onze guppies maar op!’ Mevrouw Bikker kreeg de lach op de hand door een lijst op te lezen van alle jongensnamen, beginnende met een A (Aalderd, Aalmoet, Aäron, Abraham, Adam, André, Albert enzovoort). De Ja21-woordvoerder kwam met een rekenkundige verhandeling die precies uitkwam op D66. Heel knap! Hij kreeg er de handen voor op elkaar en hij maakte een snaakse buiging. Tenslotte greep de heer Bontenbal (‘Zeg maar Henri’) de kans om iedereen stevig onder uit de zak te geven. Zo kenden wij hem niet! Een lijst had hij niet gemaakt, want daar had hij geen tijd voor gehad. Het gekrakeel dat hierdoor ontstond was tot ver buiten de zaal te horen.
Toen was het pauze. Men verfriste of verschoonde zich en nam in de kantine een broodje. Hierna zou de Minister-President zijn aandeel leveren, want dat woord lag hem op de lippen bestorven: leveren. Ook zou hij vragen beantwoorden. ‘Vragen? Waren er vragen dan?’ hoorde ik de heer Knoerp van de Ouderenpartij tegen mevrouw Uytdendoen van de Partij Loos Alarm zeggen. ‘Niet dat ik weet’, zei ze. ‘Maar wel dat ik zelden zo’n smakelijk cabaret heb meegemaakt’. De heer Timmermans, die juist passeerde, veegde zich de laatste tranen van zijn wangen. Alles overziend, blijf ik bij mijn conclusie: we leven werkelijk in een heerlijk land!
17.9.25 Oorlogsleiders Een hoop verwarring, boosheid en frustratie over de uitlatingen van Pascal Robinson-Foster, zanger en woordvoerder van het punkrap-duo Bob Vilan, afgelopen zaterdagavond in Amsterdam. Een onderwerp dat zelfs ons parlement bereikte. ‘Het land uit met dat tuig’ en ‘Paradiso voorgoed sluiten’ waren twee veelzeggende kreten. Er zijn dat duo echter al velen voorgegaan die het niet minder bont maakten, maar die niet voor zoveel ophef zorgden. Metalbands uit het hoge noorden die satanische en/of neonazistische teksten en tekens verspreidden, bands die de vrije liefde op het podium predikten en artiesten die het geloof aanvielen. Protesten bleven vaak lokaal. Als Pascal Robinson-Foster hetgeen hij zaterdagavond het publiek toebeet dit 10 jaar eerder zou hebben gedaan, zou er mogelijk geen haan naar hebben gekraaid. Want de Palestijnen, waarvoor hij het opneemt, leven al tientallen jaren in grote vreze, maar van hun directe vijanden mogen we niets zeggen. Ik ben geen liefhebber van zijn grove uitspraken, maar evenmin van die van de voormannen van extreem-rechtse partijen. Het zet maar aan tot nog meer geweld en maakt de kloof tussen de mensen alleen maar breder. Aan de andere kant kun je ook zeggen dat het uitingen zijn waarvan er dagelijks miljoenen door de ether gaan en de luisteraars ongemerkt infecteren.
Wat mij echter van stonds af stoorde is de naam van het duo: Bob Vilan. Daar moet volgens mij een gedachte achter steken. Naspeuring leverde tot op heden niets op. De Bob Dylan-site zwijgt in alle talen. Of ziet ome Bob de naamsverwarring glimlachend aan? Hij zorgde immers door gebruik te maken van meerdere namen bij zijn fans ook voor de nodige verwarring. In de allereerste Hitweek* werd hem al nagedragen dat hij een slechte zanger is en dat zijn rauwe teksten lang niet door iedereen worden gewaardeerd. Amerika had aan één Lenny Bruce wel genoeg, schreef de goegemeente. Woody Guthrie was in de jaren 40 al het zwijgen opgelegd en The Weavers (met Pete Seeger) door het Mc-Cartey-bewind kaltgesteld. En Bob? Bob zong in 1963 Masters of War, met regels als: I hope that you die, and that your death will come soon. Het lied is een felle aanklacht tegen de wapenindustrie en dat deze bedrijven belang hebben bij het in stand houden van conflicten (oorlogen). Daar zal toen binnenskamers weleens bedenkelijk over zijn gesproken. Bob Dylan nam het op op 24 mei 1963, hij werd die dag 22 jaar. Zijn tekst zou afgelopen zaterdag -in de juiste context- geheid ook verkeerd zijn gevallen. Want de menselijke maat krijgt het steeds moeilijker en elk woord wordt gewogen, vooral als het onderwerp Israël is. Heden ten dage is de wapenindustrie veruit de grootste werkgever. Het heeft drugshandel en handel in mensen voorbijgestreefd. Moeten wij daar blij mee zijn? Neen, driedubbel neen! Het is goed dat vredelievende mensen zich tegen deze onheil, onheil dat inmiddels van vele kanten komt, verzetten. Oproepen tot molest en geweld keur ik echter ten strengste af.
Bob Dylan noemde zich -mogelijk veiligheidshalve- geen protestzanger, eerder maatschappijkritisch, zoals wij in Nederland zangers als Boudewijn de Groot en Armand hadden. Het is Pascal Robinson-Foster en Wade Laurence George vrij om zich Bob Vilan te noemen, hoewel het ongemakkelijk en onhandig aandoet. Want steeds wordt naast die van hun die van Bob Dylan genoemd. Misschien luwt de storm rond hun act en vuilbekkerij even snel als dat van Sinéad O’ Connor, nadat zij voor het Amerikaanse televisiepubliek een foto van de paus verscheurde. Maar juist mede door deze daad werd de vinger nog meer op de zere plek gelegd van de wandaden gepleegd door deze ‘vrome’ lieden. Ik hoorde een rechtsgeleerde zeggen, dat je hun act puur als een protest moet zien op hetgeen er in de Gaza-strook gebeurt. Vergelijk het met het protest van Pablo Picasso, toen hij zijn schilderij Guernica de wereld in slingerde. Daar was het Franco-regime bepaald niet blij mee. Zo zal het protest van Bob Vilan mogelijk ook de geschiedenis ingaan. Hoe Bob Dylan in de kwestie Israël/Palestina staat, weet ik niet. Hij is zelf van Joodse komaf en zal zeker een mening hebben over deze alleszins op volkenmoord lijkende tragedie, maar houdt die (mogelijk wijselijk) voor zich.
- Nootje: Toevallig ontdekte ik dat die allereerste Hitweek verscheen op 17 september 1965. Precies 60 jaar geleden.
16.9.25 Prinsjesdag 2025 Meteen bij het ontwaken of nee eigenlijk al vóór ik weer tot bewustzijn was, dacht ik ‘Prinsjesdag’ en meteen daaraan volgde een juichkreetje. Ik mag dan een vrijgevochten oud-PSP-stemmer zijn, het Koningshuis zit me hoog. Dat heeft natuurlijk ook te maken met het feit dat ik jarenlang met Koningin Juliana verjaarde. Maar zij kunnen er niets aan doen te zijn wat ze zijn en hoe ‘monarchistisch Nederland’ ze op de handen draagt. Ik hield me echter gedeisd, want mijn vrouw onderschrijft mijn liefde voor het koningshuis absoluut niet, hoewel lidmaatschap van het Republikeins Genootschap haar weer iets te ver gaat.
Ik begaf me na me aan de kraan gepoedeld te hebben en voorzien van thee naar boven om de artikelen over het aanstaande gebeuren in Den Haag krant door te nemen. Gelijkelijk kwamen mij beelden in gedachten van de vorige Prinsjesdagen, toen de Koninginnen Juliana en Beatrix de plannen van het kabinet voorlazen. Steeds eenzelfde, wonderlijk spektakel. ‘Ze kunnen dat geld beter aan de armen schenken of aan de zorg’, liet mijn vrouw weten toen ik mij kort na de middag voor het beeldscherm posteerde. Ze had natuurlijk volkomen gelijk, maar ik zie het wat breder. Zo’n Koning en vooral Koningin hebben een ambassadeurstaak -het visitekaartje van ons land, noemen sommigen het zelfs- en hoewel wij daar als kleine luiden niet direct iets van merken, heeft het een positieve uitstraling naar de rumoerige buitenwereld. ’t Is waar, in Oekraïne of in het Midden-Oosten merkt niemand iets van dit feestje.
Ik beluisterde de Koning, kreeg af en toe de keurig ongeschoren Dick Schoof in beeld of een lid van zijn rechter- of linkervleugel of een vrouwelijk lid met een molensteengroot hoofddeksel. Bij een zekere passage moet ik even zijn weggevallen en toen ik bij was, stond de Koning juist op en maande de toehoorders dat hij nog iets persoonlijks wilde toevoegen. Dit was buiten het protocol begreep ik, vandaar dat hij het niet vanaf de koninklijke zetel bekende. Want dat steekt in deze kringen heel nauw. De troonrede hield hij als een opgerolde toeter achter zich. Het nam een houding in van een deemoedig mens. ‘Beste volksvertegenwoordigers’, begon hij. ‘Ik sta hier voor u als een geslagen hond. De rede die ik zojuist hield, was van een ongehoorde bezopenheid, een gotspe zogezegd, want niets zal ervan uitkomen. Het is niet meer dan wensdenken, rad-voor-ogen-gezwatel, volksverlakkerij, want u, lopende regering, bent maar met zijn 32en en wat kan een land met 18miljoen inwoners van zo weinig bestuurlijke draagkracht verwachten? Een gemiddelde breiclub is beter uitgerust. Ik zie dan ook niet in dat u uw verantwoordelijkheden na kunt komen. Velen van u zullen Prinsjesdag als een uitje zien, als een goed betaalde snipperdag en morgen het hoofd van personeelszaken van de Eerste en de Tweede Kamer vragen om een weekje verlof. Aardappelkrabvakantie noemde men dat vroeger. Want van regeren komt toch niets. Ik zou, en ik heb er al familieberaad over gehouden, met gemak met alle leden van onze Oranjeboom een regering kunnen vormen. Enige werkloze ooms en tantes uit Nassau staan al te trappelen. Ik doe dit niet, omdat mijn eega moeilijkheden verwacht in de huishouding en voorts zou het een forse inkrimping van onze salarissen betekenen. Ánders zou ik het doen. Want, en nu kom ik tot mijn grief: wanneer dóen jullie nu eens wat? Wanneer lé-ve-ren jullie nu eens? U zit hier niet voor janpietsnot, remember! Onlangs hebben wij -Max en ik- de president van Amerika te logeren gehad en die avond en nacht -want we hebben flink doorgehaald- heb ik meer geleerd dan in alle Schoofdagen bijeen. Sorry meneer Dick, maar meer kan ik er niet van maken. Het volk geeft u trouwens ook maar een 5.1. Daarom zeg ik jullie, volgend jaar, om deze zelfde tijd, wil ik dat de zaken op orde zijn. Dat geneusvreet moet van de baan, werk naar inkomen! Ik hoop dat ik duidelijk ben. Kom Max, we gaan naar huis, want Jan Slagter en de vrouw komen zo dadelijk nog bij ons op de koffie. Wij weten tenminste onze plaats, ik hoop van u hetzelfde. Leve de Monarchie – hoera, hoera, hoera!!’ Daarna verlieten zij gezwind de zaal.
Het bleef nog enige tijd doodstil. Toen stond de Minister-President op en maande iedereen subiet aan de slag te gaan. Twee ministers die dachten te kunnen interrumperen, werden meteen teruggefloten. ‘Volgende week moet het stikstofdossier klaar zijn en het migrantenprobleem handen en voeten hebben gekregen. Voorts zal geen enkele bouwvergunning meer mogen worden vertraagd en smartphones zullen vanaf nu uit de Kamer worden geweerd. ’t Is klaar met dat getiktok. Wat denkt die Koning wel!’ Het was alsof ik naar een aflevering van Black Adder had gekeken, met Rowan Atkinson als opgefokte meneer Schoof. En toch was het maar al te waar. Bijna verlicht trad ik mijn vrouw tegemoet. ‘Heb ik wat gemist?, vroeg ze verbaasd. ‘Nou en of’, zei ik.
13.9.25 Tegen de klippen op! Hoeveel nieuws kan een mens aan? Dat ligt er denk ik aan hoeveel nieuws zich aandient. Oorlogen, geweld, rampen, ongelukken, klein en groot leed in eigen kring en de kring van kennissen en familie. Zet de de radio aan en het spoelt als een golf over je heen. Daarom luister ik weinig. Dat noem ik het aftoppen van een van de nieuwsbronnen. Ook de televisie is een nieuwsbron. Het is een ‘indringend medium’, zegt de Van Dale. Medium, ook zo’n woord. Ik volg alleen Journaals en sommige nieuwsprogramma’s. Bijna geen talkshows. Veel gewauwel, weinig concreets. ‘Te veel nietszeggende quotes’, zeg ik Frits Spits na in zijn radioprogramma De Taalstaat. Ik kijk alleen naar programma’s die me niet teveel in de war brengen. Een soort selectief programmeren. En programma’s met veel humor. Om te lachen, omdat dat te weinig gebeurt.
Hoe staat het met het papieren medium (ik houd dat woord maar even aan). Ik vergaar het meeste nieuws via kranten. Het voordeel is dat kranten geen geluid maken. Dat je in één oogopslag de bagger om kunt slaan en datgeen wat de moeite waard lijkt, apart kunt leggen. Dat veroorzaakt naar verloop van tijd een stapel(tje) nog te lezen artikelen. Kom ik daar niet meer aan toe, dan wordt het tijd het mee te geven aan de papierophalers van de school. Dat heb ik vorige maand net weer gedaan. Niettemin vormt er zich alweer een stapel(tje). Dat wordt weer aanpoten. Reden voor die papieraanwas is dat ik sinds kort naast het weekendabonnement van het Dagblad van het Noorden (vrij-, zater- en maandag), ook een financieel aantrekkelijke jaarabonnement van de Volkskrant heb genomen. Dat zijn dus negen kranten per week, waaronder de dikkere weekendkranten + magazine. Dat ik de Volkskrant nam en niet de NRC of Trouw (uitstekende kranten) komt doordat ik die al via internet kan lezen. Bovendien is het Dagblad een overeenkomst aangegaan met de NRC, waardoor zij hier ook stukken uit overneemt. Dat kan een los nummer schelen. Want ondanks de abonnementen, wil ik ook nog weleens een los nummer van de twee bovengenoemde kwaliteitskranten kopen. Alles onder het leugenachtige dekmanteltje: als we regelmatig na het boodschappen doen ergens een kop koffie of thee zouden nemen, zouden we elke keer evenveel kwijt zijn dan een zaterdag-NRC of -Trouw. Nemen we er ook nog een versnapering bij, dan kom ik al gauw uit op de prijs van de twee bovengenoemde kranten. Dat neemt niet weg dat we af en toen een terrasje nemen. Een mens moet ook plezierig leven.
Thuis leg ik de zaterdageditie op het stapeltje en wacht tot mijn vrouw naar bed is. Ik draai de voordeur op slot – afgesloten voor de boze buitenboel. Ik geef me in stilte over aan de woelige wereld, los een cijfercode op en tegen middernacht (of iets erna) ben ik door een aantal katernen heen. Morgen maar weer verder zien. Gelukkig is het dan zondag en krijg ik geen krant. Voor de goede orde: er ligt ook nog een stapel boeken. Daar zou ik zonder snipper krant de rest van mijn leven makkelijk mee kunnen vullen. En daarom speelt in mijn achterhoofd voortdurend dat riedeltje: hoeveel kan ik aan, tegen welke klip loop ik op? Wetenschappers zeggen dat het opnamevermogen van het menselijk brein onbegrensd is. Mooi! Ik heb voorts geen mobieltje, ken niet het begrip socials. Het zal mogelijk daardoor niet lang meer duren of ik verkeer in de vrijstaat van de nieuws-a-socialen. Mensen die zich aan de buitenrand van de wereld bevinden. Sommige diehards noemen dat al het Paradijs.
Want de krantenoplagen slinken jaarlijks met ongeveer 10%. De volgende generatie zal het medium krant niet kennen. Ook het begrip mobieltje is dan achterhaalt, alles komt binnen via een chip in het strottenhoofd. Toekomstmuziek? Ik zie nu al mensen rondlopen die zonder mobieltje, oortjes of koptelefoon hardop praten. Tegen wie? Joost mag het weten. Of komen er ongemerkt steeds meer mensen die tegen stemmen in hun hoofd praten en zal de nieuwe generatie zich daardoor helemaal afsluiten van de buitenwereld? Worden het eenlingen, solitair in een wereld waar de natuur steeds minder ruimte krijgt en de dieren een steeds geringere overlevingskans? Iemand die in zo’n omgeving ergens op een bankje een oude krant -de NRC van vandaag, 13 september 2025, bijvoorbeeld- leest, moet oppassen dat hij niet wordt gearresteerd en vastgezet door de cyberpolitie. Vanwege onaangepast gedrag. Het is nog niet zo ver en met de bovengenoemde snelheid van het verdwijnen van de kranten, red ik het denk ik nog net.
8.9.25 Oude school Ik las het verhaal Jij wilt helemaal niets weten van Thomas Verbogt uit de bundel De leraar die mijn leven veranderde uit 2016. Hierin vertellen 20 schrijvers over een periode van hun schooltijd. Die verliep niet bij elk van hen even vreugdevol. Thomas Verbogt (1952) doet in zijn verhaal verslag van de relatie tussen hem en de docent Engels op het Canisiuscollege in Nijmegen. Een ‘bollige man met een grote, achterdochtige vleeskop en borende ogen en altijd in een donkerbruin pak’. Dat voorspelt niet veel goeds. Iedereen haatte die man, men noemde hem een beul en de grootste schoft die er op het lyceum rondliep. In het verhaal zet een klasgenoot van Thomas vanwege de hitte in de klas een bovenraam open. De leraar zegt: ‘Heb jij mij dat gevraagd?’ De jongen schudt het hoofd en krijgt een K achter zijn naam. Dat betekent Klacht. Drie keer een K achter je naam kan schorsing betekenen. Bovendien wordt hij naar de conrector gestuurd. Dat was nogal wat. Niemand van de klasgenoten durft eigenlijk iets te doen. Ik zag het voor me, het klassikaal wegslikken van de woede. Ik realiseerde me een tamelijk identiek voorval.
Het speelde eind jaren ’60 in de oude LTS in Assen. Als schoolverlaters en jonge werknemers van allerlei bedrijven (ik werkte met nog drie andere klasgenoten bij Stork), volgden wij de bedrijfsopleiding Bemetel. Elke vrijdag, twee jaar lang. Die oude LTS aan de vroegere Schoolstraat had, evenals in het verhaal van Thomas Verbogt, uitklapbare bovenramen. Wij hadden Engels van een middelgroot mannetje, die altijd rookte. Sigaren, en van het smerigste soort. Dat is nu onvoorstelbaar. Je stikte er soms bijna. Een jongen vroeg op een van die vrijdagmiddagen of het raam open mocht. ‘Nee’, zei de man strak, want dat zou tochten. Vanaf dat moment kwam er van leren niet veel meer terecht. Er ontstond rumoer, want meerdere jongens (ik ook) hadden last van de rook. Wij zouden die vent met z’n twintigen makkelijk de baas hebben gekund. Ik denk onwillekeurig aan het verhaal over de meisjes van de suikerwerkfabriek van Tessa de Loo. Maar elk van ons zou in dat geval geheid bij de baas op het matje worden geroepen en in een tijd dat er overal nog stevig werd gerookt, zou dat moeilijkheden opleveren en wie weet ontslag. En dus bleef het bij wegslikken. Je bent al gauw niet moedig genoeg – en door deze universele zwakte lijdt de mensheid onder dictators met het postuur van een tuinkabouter. Thomas Verbogt redt zich uit het verhaal door zelf op te stappen en daarmee verdwijnt ook dat miezerige leraartje min of meer uit zijn geheugen.
Misschien heeft dat voorval die middag in Assen er echter wel voor gezorgd dat ik later niet meer zo makkelijk over me heen liet lopen. Bij de zes werkgevers waar ik lange of korte tijd in dienst ben geweest, heb ik bij vier zelf ontslag genomen. Bij die andere twee ging het om de werkomstandigheden die mijn gezondheid schaden en waar het bedrijf niet in mee ging. (Ik zou hier een aardig boekje over kunnen volpennen. Wees gerust, dat ga ik niet doen). Zet je je voor dit soort zaken in, dan krijg je al gauw het stempel een lastpost te zijn. Een hardnekkig euvel was bijvoorbeeld het roken van collega’s op de werkplek. En niet alleen op de werkplek, maar overal. Aangezien ik steeds meer hinder ondervond van deze idiote gewoonte, probeerde ik dit zoveel mogelijk te weren. Eind 1999 kreeg ik mijn ontslag bij het bedrijf dat aanstekers maakte. Gasaanstekers. Ik was inmiddels afgekeurd voor de 5- en de 3-ploegendienst, maar omdat ik 10 jaar eerder voor fulltime had getekend en het bedrijf bij hoog en laag volhield dat er voor mij in de 2-ploegendienst geen plek was, evenmin voor een baan in de dagdienst, gooide men het op een akkoordje met de Sociale Dienst: eervol ontslag. Dat woord eervol verzin ik er zelf bij, want mijn personeelschef -een stationaire sigarenroker- moet een zucht van verlichting hebben geslaakt toen mijn contract werd vernietigd. Ik had middels brieven naar de FNV en een regionale krant aandacht gevraagd voor de gevaarlijke situatie waarin de productiemedewerkers hun werk deden. Gas én roken! Een ontvlambare combinatie. Was dat niet link? Niets hielp. Ook bij de FNV vond ik geen gehoor. De vraag of er in de kantine geen aparte niet roken-afdeling kon komen, werd afgedaan met: Daar staat niets over in de arbeidsvoorschriften. Alleen dat het er droog, stof- en tochtvrij moest zijn. Roken? Moest gewoon kunnen.
In de klassen op de LTS in Veendam was het overigens niet veel beter dan in die van Assen. Met meneer Edens kon ik het goed vinden. Hij gaf Engels, net als de leraar in het verhaal van Thomas Verbogt. Niet zelden stuurde hij mij eventjes voor een pakje Roxy of North State naar het winkeltje naast de school. Met mijn Engels zat het wel goed, ik kon er wel even tussenuit. Hij pafte die kankerstokjes weliswaar onder onze neuzen op. Wonderlijk dat niemand daar iets van zei. Er waren toen toch ook jongens (en meisjes uiteraard, maar die mochten nog niet naar de LTS) die leden aan astma of bronchitis of rookallergie?
De school in Assen werd kort nadat wij de opleiding hadden afgerond afgebroken en de LTS in Veendam onderging hetzelfde lot. Ik reed er enige tijd geleden langs en ontwaarde een enorme berg puin met daar bovenop een kraan als een juichende gladiator. Ik had al bijna moeite me de school nog voor de geest te halen. De meeste jongens en de leraren was ik al veel langer kwijt. En nu dan ook de stenen fundering.
4.9.25 Zeg het met Bloem (OverlijdensAdvertentieBovenschriften 9).
Bij het afsluiten van de vorige OAB, beloofde ik dat de volgende een iets luchtiger toon zou krijgen en daarbij dacht ik bijna automatisch aan bloemen. Bloemen geven immers kleur & fleur aan het leven. Wat is er vrolijker dan een tuiltje lelietjes-van-dalen of een royale veldboeket in de directe leefomgeving? Dat ik bloemen het liefste in de vrije natuur zie, doet niet ter zake. Maar ooit moet er een vroege mens zijn geweest die op een dag een bloempje plukte, zich er mogelijk aan vergaapte en het meenam naar zijn of haar grot en het op een trechterbekerachtig soort vaasje zette. (De vraag wat er het eerst was, het vaasje of het ruikertje, laat ik in het midden). Afgezien van de charme van een boeket, van een gepaste huldeblijk of van een feestelijke versiering, is het sinds mensenheugenis ook een middel om verdriet extra gezicht te geven. Dat is al van zeer oude tijden, want bij opgravingen van de overblijfselen van met name Neanderthalers, vonden archeologen heel soms sporen die wezen op de aanwezigheid van bloemen. Het zouden weleens de oudste tekens kunnen zijn die wijzen op een verering van de dode en mogelijk ook de gedachte van leven na de dood én het begin van religiositeit. In ieder geval kun je zeggen dat bloemen het onzegbare -voor een ieder begrijpelijk- verwoordt. Ik denk dat er weinig volken of stammen zijn die niets met bloemen hebben.
Ook in liedjes kom je regelmatig bloemen tegen. Vaak betreft het rozen. Misschien hierdoor zijn deze bloemen in de poëzie verworden tot cliché-achtige platitudes ofwel dooddoeners. Kees Stip gaf een bundel lichtvoetige verzen de titel Au! de rozen bloeien – sonnetten van bedreigd geluk mee. Dat zegt genoeg. Anders wordt het als je door het leven gaat met de naam Bloem. Je zou zo’n naam juist kunnen uitbuiten en er als overdreven vrolijkerd je handelsmerk van maken. Zo niet J.C. Bloem. Hij was van nature een sombere man en daar veranderde die naam niets aan. Nu zijn de bovenschriften van overlijdensadvertenties in de regel ook somber, hoewel ik op mijn zoektocht hele grappige ben tegengekomen. In de gedichten van J.C. Bloem is daar geen sprake van. ‘Niet het afsnijden doet zo’n pijn, maar het afgesneden zijn‘, dichtte M. Vasalis (veel gebruikt als OAB). J. C. Bloem moet zich als jongere al afgesneden hebben gevoeld. In mijn collectie OAB’s, en dan specifiek die van J.C. Bloem, is het woord dood een constante. Zelfs in één van zijn meest vrolijke gedichten (dit is een joekel van een understatement!) te weten ‘De Dapperstraat’, overdenkt de dichter op een miezerige morgen zijn leven en beziet de wereld het liefst in zijn eentje door zijn zolderraam. Dan leef je niet groots en meeslepend. In zinnebeeldige voorstellingen, als ook op grafzerken, fungeren takken van heesters en bloemen en soms een korenschoof en altijd met neerhangende kelken, knoppen of aren. Geheel des Bloems. Daarom ging ik op zoek naar OAB’s waarin de bloem haar ware pracht toont. Ik dacht hierbij meteen aan het gedicht De waterlelie van Frederik van Eeden.
‘Ik heb de waterlelie lief, / daar die zoo blank is en zoo stil haar kroon / uitplooit in het licht. / Rijzend uit donker-koelen vijvergrond, / heeft zij het licht gevonden en ontsloot / toen blij het gouden hart. / Nu rust zij peinzend op het wateroppervlak / en wenscht niet meer …’.
Veel gebruikt worden ook de regels van Vlaming Guido Gazelle: ‘Mij spreekt de blomme een tale, / mij is het kruid beleefd, / mij groet het altermale, / dat God geschapen heeft!‘. Nog een ander versje om de heer te loven, want in christelijke kringen is men niet vies van een bloemetje meer of minder. Van P.A.Génestet, een geestelijke net als Gazelle: ‘Niet enkel rozen! / Geen kruis alleen; / De liefde voegt-ze /Getrouw bijeen‘. Bertus Aafjes, bekend geworden door zijn voetreis naar Rome in de jaren 50, schreef wereldwijs: Als de bloemen konden spreken, zouden zij zwijgen‘. Wat precies de reden is dat er in het werk van J.C. Bloem zo weinig bloemen voorkomen, is mij niet geheel duidelijk. Andere treurwilgen in zijn vakgebied namen weleens een bloemetje op, zoals Ida Gerhardt of Martinus Nijhoff.
Dat reperterende doodsverlangen van J.C. Bloem, zoals bijvoorbeeld in ‘Denkend aan de dood kan ik niet slapen / en niet slapend denk ik aan de dood‘, gaat een mens niet in de kouwe kleren zitten. Je wordt er gallisch van! Je zou om te herstellen welhaast een feestbundel van Toon Hermans uit de kast willen trekken en ongeremd 24 rode rozen, 24 rode rozen voor jou! willen galmen. Misschien is het dat latere dichters en dan met name de modernen, zo weinig bloemen toelieten in hun werk, omdat ze dachten: De wereld heeft aan één Bloem meer dan genoeg. Je zou echter van de dichters uit de jaren 60 anders verwachten. Misschien beneveld door de geuren van hasj en wiet vergaten ze de schoonheid van de leveranciers waaruit dit roesmiddel was geperst. Een OAB met een papaverbol erin heb ik dan ook niet gevonden. Wel eentje van Jean Paul (?) die in de buurt komt met: ‘Slaap- en dooddronken voelde ik de bloemengeur van een voorbijvliegend paradijs mij verhullen en vergiftigen … ‘. Ook mis ik een bloemenvers van dichter en rozenteler C.O. Jellema uit Groningen. Die had er goed tussen gepast. In Engelstalige OAB’s komt heel soms iets voor met Flowers in your hair en een enkele keer een strofe uit Dandelion van The Rolling Stones. Want dandelion (paardenbloemen) schijnen ook een hallucinerende werking te hebben, al las ik eens van een kenner, dat je daar wel een hectare van op moest vreten, wilde je er iets van merken – dit even terzijde. Ik heb mij weinig met etherische geestverruimers en/of verdovingsmiddelen beziggehouden. Liever dronk ik een biertje en gaf ik mij over aan de muziek van bijvoorbeeld Hank Williams. Die zong, met de geur van whisky in zijn doorleefde stem: ‘I loved, I lost, my story ended with just a teardrop on a rose‘. De snik denk ik zelf bij. Eén stap verder en ik denk met droge keel en dikke krop: ‘Voorbij, voorbij, o en voorgoed voorbij’.
Misschien daardoor, omdat ik het even niet meer wist en mij wilde herpakken, greep ik nogal ruw bovengenoemde bundel van Kees Stip. Au! ‘k Was op slag genezen ….!
30.8.25 Leren signeren De DrentseAuteursFederatie (DAF) organiseerde voor haar leden een bijeenkomst waar een gearriveerde schrijver onderricht zou geven in het signeren van boeken. Dat is een dingetje in schrijversland. De meeste van de aanwezige leden hadden daar geen sjoege van, omdat ze a: nog nooit iets hebben uitgegeven of b: hun geschriften via het zogenaamde publishing on demand-systeem afzetten en dan zien ze in het slechtste geval nooit de lezer. Het in een boekenwinkel achter een tafeltje zitten wachten op een koper van jouw laatste pennenvrucht, die er vervolgens ook nog een handtekening in wil, is van een ledigheid die haar grenzen amper kent. Bob den Uyl heeft er prachtig over geschreven en ik sluit mij hierbij van harte aan. Dat neemt niet weg dat ik toch wel nieuwsgierig was hoe dat zou gaan; zo’n workshop signeren. Zou die gearriveerde schrijver ter illustratie een stapeltje van zijn eigen boeken meenemen of een stapel dummies om ons de kneepjes van dit ritueel te leren? Of zou hij ons -zondagsschrijvers- gelijk een schoolmeester een bloknootvel voorleggen om hierop onze handtekening te oefenen en eventueel te verbeteren?
Wij waren gepositioneerd in een kring. ‘Zorg er altijd voor dat je goed zit’, vertelde de gearriveerde schrijver, een steile man van een jaar of 80. ‘Ik heb meer dan eens meegemaakt dat ik achter een veel te klein of een wiebelig tafeltje ergens achter in de winkel werd geplant en dat is zonder enige twijfel in de handtekening terug te zien. Laatst was ik in een kringloopwinkel in Hardenberg en sloeg aldaar een door mij gesigneerd boek open en jawel, ik zag het meteen: Staphorst, december ’78 en verdomd als het niet waar is. Het stickertje van de boekhandel zat er nog in. Als je het niet vertrouwd, neem dan voor de zekerheid je eigen schrijftafel + stoel mee. Het is wat meer werk en lang niet elke winkeleigenaar zal dit leuk vinden, maar het geeft je als signeerder rust en vertrouwen dat het pootje er goed in komt en daar gaat het tenslotte om’. Ik wist hier wel enigszins over mee te praten. ‘Bovendien’, vervolgde hij, ‘ben je nerveus en rillerig en dan is het maar de vraag of je überhaupt een goeie poot kunt zetten’. We keken bedremmeld. Dit was toch wel iets meer dan we verwacht hadden, die man pakte ons bij de lurven, hij durfde!
Na deze uiteenzetting, mochten we achter elkaar onze handtekening zetten op een soort van lichtbak, waarna het als een reuzeninsect op een groot scherm werd geprojecteerd. Dat was wel even schrikken. Sommige auteurs van de Federatie gebruikten een pseudoniem. Een mevrouw die zich bij aanvang aan mij had voorgesteld als Esther, bleek als auteur door het leven te gaan als Daphinia Zwaaikom. Ik signeerde met WH en een golvende uitloop + ferme onderstreep, zoals ik dat al mijn hele leven doe op betaaloverschrijvingen en dergelijke. Van een pseudoniem krijg je alleen maar spijt. Ik ondertekende jaren geleden eens een column stokerig met Rotkop. Het was als grap bedoeld, een ondoordachte schelmenstreek bleek achteraf, want ik hoor nog heel af en toe die kreet langskomen. Maar daar ging het niet over, al lijkt me dat wel een DAF-workshopje waard. Daarna moesten we een opdracht verzinnen om voor in het boek te schrijven. Dat heb ik altijd heel gek gevonden. Heb je als auteur 553 pagina’s bij elkaar getikt, is de klant nog niet tevreden en moet er zo nodig naast de krabbel ook nog een opdracht bij. ‘Niets ‘d ervan’, zou ik zeggen. ‘Laat die pagina nou lekker maagdelijk. Die witheid heeft betekenis. Je betreedt als lezer immers een onbekend gebied’. En bedenk ook dat de auteur in zijn/haar zenuwen een blunder van een fout kan schrijven. Een blamage voor de kersverse eigenaar van het boek en de schrijver. ‘Wilt u erin schrijven: ‘Voor Gwendolina, voor het behalen van je propaedeutica! Je lieve tante Truus’. Je zou lieve tante Truus het liefst stante pede de winkel uitsmijten, maar dat doe je niet. Je moet, zoals zelfbenoemd volksschrijver Gerard Reve altijd -en niet zonder spot- zei: ‘Je dienstbaar tonen voor het volk’.
Over deze kwestie -het al dan niet toevoegen van een opdracht- ontstond een levendige discussie. Ik behoorde duidelijk tot de contra’s. ‘Nog liever hang ik mijn laptop aan de wilgen, dan dat ik hieraan zal voldoen!’ zei ik vol vuur. Gelukkig hoefden wij hier niet over te stemmen. De middag verliep verder vlekkeloos. De gearriveerde schrijver nam de fles wijn, die al de hele tijd in een hoekje stond, in ontvangst. Hij keek een ogenblik ernstig naar het label en zei dat ook dit wel een cursusmiddagje verdiende. Lichtelijk beschaamd trad de voorzitster terug. Bij het verlaten van het zaaltje, zei ze tegen me: ‘Graag tot de volgende keer’. Dan zal de bekende woordkunstenaar Alpha Romeo een voordracht houden over de dichter Johnny the Selfkicker. Hoewel ik de prozaïst Johnny van Doorn wel hoog heb zitten, geloof ik niet dat ik voor de Selfkicker -laat staan een namaak- het huis zal verlaten. Hoe dan ook, het was een amusante middag.
28.8.25 Middagje Winschoot Het was toeval dat we net bij de Thuiszorgwinkel liepen, toen een mevrouw met een rollator ons welhaast de weg versperde en zonder gêne tegen mijn vrouw zei: ‘Bent u blind, mevrouw’. Nu wordt mijn vrouw, omdat ze een taststok gebruikt, hierop wel vaker aangesproken. De mevrouw droeg zelf een grote zonnebril, waardoor ik de vraag terugkaatste. ‘O, ik heb iets met mijn lenzen en kan slecht zonlicht verdragen’. En zonnig wás het. We waren voor een boodschap in Winschoten of Winschoot, zoals bewoners hun stad ook wel noemen. ‘Ik ben ook geen 19 meer’, zei ze glimlachend. Ik ken dat omkeermopje. ‘Nee, dat zie ik wel’, zei ik met lichte bewondering, niettegenstaande liep zij hier toch maar. Nu begon ze te vertellen dat ze een achterneef had die helemaal niets kon zien, maar toch prachtig piano kon spelen ‘En toen ik u zo met die stok zag, dacht ik meteen aan hem. Knap hè, van die jongen!’ Ja, zeiden we. Ze vertelde dat ze als kind in Veelerveen had gewoond en ook lange tijd in een tehuis had gezeten. ‘Dat waren mijn mooiste jaren’, zei ze. Dan had ze het de jaren erna niet best gehad, leek me. Een vader die niet deugde, begreep ik, een zoon vroeg gestorven door ALS. ‘Dat is vreselijk’, zei ze ‘Mijn man is ook alweer 20 jaar dood, maar ik red me best hoor’. Ze woonde nog op zichzelf, hier om de hoek. Ja, ze had alles nog wel aardig op de rit. Alleen het gehoor was niet zo best meer.
Bij die winkel, dacht ik onderwijl, hadden we voor mijn schoonmoeder toen zij tijdelijk bewoonster (zó moest je het zeggen: bewoonster, niet patiënt) was in het centrum voor psychische ouderen, een handstok gekocht. Na heel veel gesoebat en geprobeer en steeds na mij opkijkend of ik er wel mee instemde, koos ze een exemplaar dat in hoogte verstelbaar was. Iets van €80.- lichter. Ze zou het zelden gebruiken. Het staat al jaren op één van ons te wachten in de paraplubak in ons halletje.
‘En goi nou even noar de binnenstad’, zei ik om het gesprek een andere wending te geven. Ik had wel vernomen dat ze van huis uit plat praatte en meteen nam ze het stokje over. Er ontstond iets vertrouwds. ‘Nou ik mout moar is verder’, zei ze na een minuut of tien. Ik wreef haar even over haar schouder en zei dat het haar nog lang goed mocht gaan. Altijd aardig zo’n praatje onderweg en wie weet was het voor haar een gift om eventjes de alleenheid te vergeten. Het leven bestaat immers voortdurend uit mensen aantrekken en afstoten. Als je je daar te bewust van bent en het te zeer je gemoed aanvreet, ligt krankzinnigheid op de loer. Of zoals mijn schoonmoeder steevast zei als ze weer een psychotische bui had en allerlei duiveltjes haar belaagden: ‘Ik ben toch niet gek!’ ‘Neuhh’, zeiden wij dan zeer stellig.
Eerder die middag. We waren de Langestraat doorgelopen. ‘Hier zat ergens een Big Bazar?’ zei ik halverwege de straat. In de coronatijd werd iedere binnenkomer door een verkoopstertje bij de ingang een winkelmandje aangereikt. Dit als preventief voor eventuele besmetting. Een binnenkomende klant werd vreselijk boos en schreeuwde ‘Sodemieter op met dat kloteding!’ en duwde het meisje aan de kant en vluchtte de winkel uit. Het was alsof iedereen in de winkel bevroor. Een hele nare ervaring. ‘Dat was hier ergens’, zei ik. Waar nu de Wibra zit. En er was hier ook ergens een boekenwinkel en een winkel met games, waar een paar jaar geleden een explosie is geweest. Dat was zelfs op het Journaal. En dan die afgebrande winkel, waar nog steeds niets is herbouwd. Een lelijk gat. Het beetje antiek aandoende boekenkastje was er ook nog. Er zat echter niets tussen van mijn gading. Op het bankje voor de Hema lawaaide een groepje mannen. Blote armen met tatoeages en veel buik. In de Torenstraat ontwaarden we de naai- en wolwinkel. Leeg. Het pand is hard op weg te vervallen. We verzeilden er jaren geleden omdat er opheffingsuitverkoop op het raam geschilderd stond. ‘O, even kijken hoor’, zei mijn vrouw. Het was daags na Black Friday, maar daar hadden zij niet aan meegedaan – dat deden zij nooit. Onzin, zeiden de eigenaar en zijn (Indonesisch uitziende) vrouw. We moesten juist mínder kopen en kleding repareren. Dat nam hun meteen voor ons in. Mijn vrouw verbleef lange tijd in de propvolle snuisterijwinkel. Ze kocht er allerlei prulletjes, onder andere mooie knopen, om versierinkjes mee te maken. Hoe zal het met die mensen zijn, zeiden we. De Torenstraat is een beetje aan het verslonteren. Jammer, want het moet gezien de bovengevels ooit een mooie straat zijn geweest. Verderop in de straat bevindt zich nog Muziekwinkel Hekman. En daar moest ik zijn. Ik had er een nieuwe pick-upnaald besteld. Van de week aan het googelen geweest en kon het nergens vinden. Alleen bij Hekman. Mevrouw Hekman liet zien dat ze nog jaren vooruit kan. Ik was verbaasd en verrast. Een mooie winkel ook. ‘Toch es wat vaker deze kant op’, zei ik toen we Winschoot uitreden. Mijn vrouw beaamde dat volmondig.
24.8.25 Idiote gedachten Er gebeuren afschuwelijke dingen in de wereld. Dingen ja, dingen waar ik zo een-twee-drie geen passende woorden voor heb. Het is te groot, niet te bevatten en toch wil ik het in woorden vangen. Dingen in Gaza, in Afghanistan, in China, Iran, Soedan, Oekraïne, ja waar niet? Dingen met mensen die zich niet kunnen verdedigen, die niet de mogelijkheid hebben te kunnen vluchten, geen voedsel kunnen bemachtigen en-zo-voort. Dat is allemaal ver weg en daarom kan ik als ik over afschuwelijke dingen wil schrijven, beter dichtbij huis blijven. Over zaken die hier spelen. Over moord & doodslag en dan binnen onze grenzen. De getallen van dodelijke excessen in Nederland zijn dalende, las ik onlangs en tegelijkertijd gaat er bijna geen dag voorbij of er wordt binnen onze grenzen wel iemand aan het mes geregen of overhoop geschoten. En niet alleen in een schimmige milieu. Gewone jongens, meisjes, oudere mensen die zogenaamd op het verkeerde moment op de zogenaamd verkeerde plek waren. Weer een dooie, lees ik dan hardop, alsof dat helpt het in mijn hoofd een plek te geven. Of die cijfers kloppen of niet, dat doet er eigenlijk niet toe.
De laatste tijd lees ik regelmatig over vrouwenhaat, wat niet zelden aanleiding geeft tot moord. Wetenschappers halen er statistieken bij om aan te tonen dat het 30-40-50 jaar geleden erger was dan nu. Oké-oké, maar het is een feit dat de afgelopen weken meerdere meisjes en/of vrouwen slachtoffer zijn geworden van wrekende mannen. Afgelopen woensdagochtend werd een meisje van 17 vermoord door een man van 22. Dat de moordenaar een asielzoeker is, maakt het niet anders, alleen voor de aanhangers van de Partij Voor Vreemdelingenhaat is het een inkoppertje. De moordenaar van Marianne Vaatstra werd ten onrechte gezocht in het nabijgelegen AZC. Jaren later bleek een oudere, blanke buurtboer de dader te zijn. Maar over de moorden waarbij het hardwerkende Henken betreft, hoor je ze niet. Femicide wordt door manospheren weggezet als een een woke-dingetje. Niet teveel aandacht aan besteden, iets uit de koker van Dolle Mina’s en Extinction Rebellers. En dan, wat moest die meid ook om ½4 ’s nachts bij’t pad te wezen, hoorde ik van de week iemand op de radio zeggen, toen nog niet bekend was in welke hoek men de dader moest zoeken. De nacht is van en voor iedereen, niet alleen van loslopend geboefte (bijna uitsluitend mannen) en mensen die het spoor bijster zijn.
Ik liep hier vanmiddag zwaar over na te denken, toen ik een jonge vrouw achter me op zag duiken. Ze liep sneller dan ik en zou me geheid inhalen. Ik kende haar in die ene kijkseconde niet. Mij zou ze zonder moeite kunnen beschrijven: oudere man met hondje. Meteen toen ik kans zag af te slaan, deed ik het. De vrouw liep verder langs De Beek. Een eind verderop kwam haar een man tegemoet. Terwijl Rossi speurwerk deed, volgde ik haar tot zij de man gepasseerd was. Bizar, dacht ik. Vanwaar deze idiote gedachtengang? Waarom wegvluchten voor iets waar ik helemaal niet naar verlang, wat niet in mijn kop op zou komen? Om elke eventualiteit uit te sluiten? Is dat ook de reden dat ik liever geen meisje of een vrouw die ik bij een ogenschijnlijke verlaten bushalte zie staan een lift zal geven? Om een melding van grensoverschrijdend gedrag te allen tijde uit te sluiten? Zelfs de lichtste verdenking zou de rest van mijn leven verpesten. Een afschuwelijke, evenzeer verachtelijke gedachte. De weinige keren dat zich dit voorbeeld in het echt heeft voorgedaan, werden ogenblikkelijk vergiftigd door de gedachte dat er mogelijk een hele foute vent na mij zou komen, die…. en-zo-voort. Maar waarom zou ik twijfelen aan mijn eigen integriteit en dat rare, particuliere verbod om iemand ter wille te staan voorrang geven? En een man …, zou ik die ingeval een lift geven? Nee, ook niet. Eén slechte ervaring na meerdere goede deed voorgoed de deur dicht. Dat speelt zeker mee. Enfin, ik kom daar niet zo makkelijk uit. Voorlopig blijft de wereld een -in menig opzicht- onveilig oord.
22.8.25 Gesprek bij de koffie ‘Ik heb een boek gekocht’, zei meneer Ooievaar. ‘De Boerderij der dieren’ van ‘. Het bleef stil. Ik moest me inhouden hem niet aan te vullen. Meneer Ooievaar wordt steeds trager. Hij lijdt aan een ziekte die begint met een a, een soort afasie, maar het fijne weet ik er niet van. En dus wachtte ik af tot hij ‘George Orwell’ zei. Daarop zei ik: ‘Dat boek had je wel van mij kunnen krijgen. Ik heb er twee van’. ‘Zou ook es niet zo zijn’, zei hij voor zijn doen vlotjes en met een schuins lachje. Ik haatte mezelf op dat moment. Het mocht dan de waarheid zijn, maar wat goed deed ik eraan?
‘Waar gaat het boek over’, zei Arjan, die tegenover ons zat en een zekere ongemakkelijkheid voelde. ‘Heb jij het niet op school gehad dan?’ zei ik voorzichtig. ‘Nee, wij hadden Mulisch en Elsschot en van die Fransen – Satre en Camus enzo’, zei hij. ‘Nou ja, nou je het toch over Frankrijk hebt, het boek gaat over Napoleon, maar dan in de gedaante van een paard. Een trekpaard. Samen met zijn maatje Sneeuwbal bestiert hij een boerderij. Ze bebouwen het land, ploegen en zaaien het en alles gaat er knus toe. Maar de varkens van die boerderij beginnen dwars te liggen en gaan zich overal mee te bemoeien. Kortom, er ontstaat gedonder en revolutie dreigt. Die knorbeesten vreten alleen maar en zijn nooit tevreden, zeggen de paarden. Daarnaast heb je nog een stoot andere dieren; kippen en een ezel en een roedel honden. Die varkens spannen op zeker moment samen met die honden en dan grijpen ze de macht. Alle dieren met twee poten gaan voor de bijl, letterlijk. Grote consternatie, dat kun je begrijpen. Vanaf dan wordt het heel bloederig en ze vreten elkaar op, de meesten gaan dood. Behalve Napoleon, want die waant zich vanaf het begin al onoverwinnelijk. Hij vlucht nog net op tijd naar het eiland Sint Helena. Het is een allegorie hè en daarin kan dat allemaal. Want de slager van het dorp waar zich dit afspeelt, heeft de pik op hem en in het land heerst grote hongersnood, dus ja dan ben je als paard niet veilig. Enfin. Hij sterft na een paar jaar op dat eiland aan kwaadaardige spruw. Daar hadden ze toen nog geen medicijnen tegen. Maar later wordt hij in ere hersteld. Er is zelfs een standbeeld voor hem opgericht. Dat staat geloof ik in Parijs. D’ er zit weliswaar een vent op zijn rug, maar dat is meer voor de sier. Nou, dat is in grote lijnen dat verhaal van die dierenboerderij van George Orwell’.
Na een korte stilte zei meneer Ooievaar: ‘Als ik geweten had dat het zo’n bloederig verhaal zou zijn, dan had ik het geloof ik niet gekocht’. Arjan knikte. ‘Probeer het toch maar es te lezen’, zei ik, ‘misschien valt het reuze mee. Weet je, ik heb het al zo lang geleden gelezen en ik vind het moeilijk een verhaal na zo’n tijd na te vertellen’. Daarna hadden we het over zaken die nu in de wereld spelen. Over cryptomunten, over fraude bij de overheid, over de achteruitgang van de sprinkhanen en de libellen en over kwaadaardige spruw en toen was het alweer tijd voor ons tweede bakkie ….. En daarna gingen we rummikuppen.
20.8.25 Dagbesteding Ik slaap te veel en als gevolg hiervan doe ik te weinig. Vind ik. Dat komt door dat verrekte arbeidsethos. Dat altijd voor dag en dauw klaar staan. Nu hoeft dat niet meer, maar de roep is er nog wel. Door de niet-invulling hiervan begint mijn lichaam misschien wel extra snel te slijten. Ik ben in ieder geval meer rust nodig. Ik kan er over tobben, het proberen te plaatsten, te relativeren of mij erbij neerleggen. Allemaal om het even. Ik word soms pas om negen uur wakker en denk: ‘O jee, negen uur al’. Vroeger zou ik meteen uit bed zijn gesprongen, de gordijnen geopend, want wat zouden de buren er wel van zeggen. De buren …. hebben we die nog wel? Dat uit bed springen gaat ook een stuk trager. Eerst even de spieren strekken en rekken, de waggel uit mijn hoofd. Dan langzaam opstaan en naar wc. Poedelen aan de kraan, een glas water drinken, tanden poetsen, water voor thee opzetten, een stuk koek afsnijden en aankleden. Naar voren lopen om mijn vrouw -zit te televisie kijken- goedemorgen -kuskus- te wensen en vragen of ze goed heeft geslapen. Vaste prik. Als het weer goed lijkt, met Rossi via de Turfweg, langs De Beek of Hereweg-Noord lopen – anders alleen een stukje Veenakkers en snel terug. Grijze container naar de weg. Terugkijken op gisteren. Heb om zeven uur gras gemaaid. Het was niet goed droog, wat het maaien bemoeilijkte. Na een uur maaien en afharken (de vangbak nam het natte gras slecht op – te plakkerig) was ik uitgeput. Ik heb een paar banen laten staan vanwege de erin huizende kikkers en salamandertjes. Het ligt er weer goed genoeg bij.
Tegen elf uur boodschappen doen. Twee keer per week. De laatste tijd blijf ik nogal eens in de auto, terwijl mijn vrouw de artikelen in de winkel vergaart. Ik kijk graag naar mensen, voel me hierdoor soms een straatmus op zoek naar voer. Geen werk waar ik moe van word, een soort ontspanning. Tegen de tijd dat ik denk dat mijn vrouw rond is, ga ik haar tegemoet, neem het karretje over, vul het aan met een paar artikelen die ik nodig ben (brood, vla, krant), leg alles op de band en reken af. Mijn vrouw loopt ondertussen even naar de Hema of Kruidvat en maakt een praatje met dies of gene. Ik laad de spullen over, breng het karretje terug en wacht in de auto. Soms loop ik daarna ook een rondje. Dan op huis aan. Alles uitladen. Brood eten, de krant doornemen en breeduit kletsen.
Na de middag naar boven: mails en nieuwssites lezen. Eventueel een kladje uitwerken of een stukje schrijven. Dagaantekeningenschrift bijhouden, kranten lezen. Voor de broodnodige verandering en lichaamsbewegingen (heel belangrijk!) buitenwerk en klusjes doen. Ramen lappen, nestkastje ophangen, achterplein vegen, de inmiddels lege groene container uitspoelen met regenwater uit de ton, het pad afharken en water bij de hortensia’s gieten. Eieren rapen, afspoelen en in het bakje in de koelkast doen. Gereedschap opruimen en schuur vegen. ½4. Thee (of koffie) maken. Mijn vrouw zit heerlijk naar een boek te luisteren. Zij gaat straks koken. Ik schil de aardappelen. Daarna ga ik de was van de lijnen halen (stevig muziekje erbij), opvouwen en opruimen. Rustpauze. Op mijn leesbankje boven. Soms val ik even weg. Boeken zijn daar uitermate geschikt voor. Tegen vijf uur weer op. TV-Drenthe kijken. Regionieuws. Halfzes: eten. Vaste tijd. Daarna afwassen en opruimen. Douchje. Boven krant lezen. Acht-uur Journaal kijken en op teletekst wat er verder voor belangwekkends tussen zit. Behalve Nieuwsuur meestal niet veel. Tegen ½10-10 uur gaat mijn vrouw naar bed. Ik ga een boek lezen of soms nog een stukje uitwerken. Tot 12 uur. Dan is het mooi geweest, de energie is op. Rossi voor de laatste plas naar buiten. Huis even doorlopen, alle deuren en ramen op slot, alle lichten uit? Zijn de kippen en de duif binnen? Rossi in zijn mand? Dan de tanden poetsen, wc en naar bed. Nog nadenkend over de dag, wat ik vergeten ben, had willen doen enzovoort val ik in slaap ….
* Niet genoemd achteraf: telefoontje gepleegd met muziekwinkel Hekman te Winschoten, voor de aanschaf van een nieuwe pick-upnaald. Overschrijvingen van rekeningen en eieren weggebracht. Maar mag dit en al het bovengenoemde eigenlijk wel een naam hebben? Het is niet veel meer dan goeie dagbesteding. Hoewel, miljoenen zouden er een moord voor willen doen.
18.8.25 Nobele prijs Ik moet het er -hoewel met enige tegenzin- toch nog even over hebben. Ik kan het erbij laten, maar dan verzwijg ik zaken die er letterlijk toe doen en achteraf beweren dat ik het allemaal had voorzien, geeft geen pas. En dus ….
Enige tijd geleden liep Jens Stoltenberg, minister in het Noorse kabinet en voormalig NAVO-topman, in zijn werkstad Oslo een rondje, toen zijn telefoontje overging. Triinnnggg! ‘Hier met Donald Jens’, klonk het. ‘Donald wie? Duck? zei Jens gevat. Een Noorse directe, noemen ze dat. Het was koud, er stond een straffe fjordenwind en Jens wilde op huis aan. ‘Nee, Trump. De President van Great Amerika. Je weet wel, de koning van de tarieven!’ ‘Vooral bij dat laatste begon er bij mij iets te dagen’, zei Jens enige dagen in de Oslose Gezinsbode. Niettemin liep hij rustig verder. ‘Luister Jens, je weet dat ik gek ben op importheffingen en accijnzen en landen die zich niet aan mijn regels houden, leg ik steeds hogere percentages op en ….. ben je daar nog?’ ‘Ja hoor, ik loop nu op het Obamaplein’. ‘Grrrrr … Oké. Luister Jens. Ik doe jou een voorstel; omdat ik jou zo’n fantastische kerel vind, doe ik jou een voorstel om van alle importheffingen af te zien. Al die andere EU-landen krijgen 50% aan de broek en Noorwegen krijgt niets, nothing!! Nou. Wat vindt je daarvan? Maar luister, niet verder vertellen!’ ……. ‘Ik had je graag enthousiast willen horen Jens, maar misschien moet het nog indalen, is dat de gewoonte in dat rendierlandje van jou’. ‘Proef ik een lichte voor-wat-hoort-wat-toontje?’, heeft Jens toen volgens de Osloër gezegd. ‘Dat hoor je zeker Jens. De kwestie is deze: Ik wil dat jij mij hiervoor beloont met de Nobelprijs voor de Vrede. Kleinigheidje toch? Met alle egards erbij, zoals het een groot winnaar -staatsman in mijn geval, de grootste staatsman die die prijs ooit heeft ontvangen- betaamt. Waarom kreeg die Obama grrrrr die prijs bijvoorbeeld wél en al zo kort nadat hij aan het bewind was? En Henri Kissinger en Jimmy Carter? Dat waren toch prutsers vergeleken met mij? Waarom ik niet Jens? Dus maak er werk van. Het is kort dag’. ‘Eh ja beste Donald, ik kan daar geen woord over zeggen, want a: heb ik geen zitting in het Nobelcomité en b: Noorwegen is geen lid van de EU en dus geldt die 50% EU-importheffing voor niet voor ons. Bovendien, en dat is toch een smetje op jouw begeerte die prijs te verwerven: jij heb op het gebied van oorlogsbeëindiging nog maar bar weinig klaargespeeld. Een hoop branie, dat wel, en zoals wij dat noemen snakkerij en borstklopperij, maar veel meer dan een hoop onrust heb je nog niet gesticht. Bovendien heb je een strafblad en daar tilt het Comité heel zwaar aan’.
Er schijnt toen het geluid van brekend porselein vanaf de overkant van het water te zijn gehoord.
‘En een andere Nobelprijs dan? Voor economie bijvoorbeeld, want daar heb ik echt het nodige uit het stro gezet. Of voor sport’. ‘Sport?’ ‘Ja, golf’. ‘Daar is geen Nobelprijs voor Donald, voor sport. Daarvoor zul je moeten aankloppen bij het Internationaal Olympisch Comité in Lausanne in Zwitserland. Trouwens, dat is ook geen EU-land en dat laat zich niet graag in met smeergeld. Valt teveel op. Dus ja, dat wordt heel moeilijk. Nou ja, leuk je gesproken te hebben, maar ik moet verder. Het trekt me een beetje koud op de heupen. De mazzel’.
De Washington Post, die dit bericht ter ore kwam, schreef in een commentaar dat DJT bepaald niet geamuseerd was door de reactie van zijn ‘oude’ vriend. Hij eiste per direct dat Noorse goederen met 75% importbelasting moesten worden verhoogd. Niet dat dit Noorwegen niets doet, want hun handel met de VS is niet gering, maar ze vertrouwen op het zwevende gehalte van de maatregel die DJT uitvaardigt. Toen het Nobelcomité het verhaal hoorde, scherpte het meteen het regelement aan. Voortaan zullen winnaars van de grote Prijs voor de Vrede de eerstkomende 25 jaren postuum worden geëerd. Op die manier voorkomt men borstklopperij van mensen als DJT en de verplichte toejuichingen tijdens de uitreiking in Oslo. Oslo is overigens een mooie stad. Ik ben er ooit eens geweest en heb ook het bovengenoemd plein bezocht, dat toen echter nog het K …. Oh sorry, ik liet me even gaan.
17.8.25 Complete waanzin ‘Poetin in Alaska! Trump ontmoete! Over Oekraïen praten! Dat gebiet hoort bij Groot-Rusland! Vind ook veel Russen’.
Even niet schrikken, maar zo ongeveer stond het op een site die ik toevallig onder ogen kreeg. Ik wist dat er een niets-om-het-lijf ontmoeting tussen de twee uiterst onbetrouwbare griezels gaande was en waarbij ze over en weer grapjes maakten over het gestumper elders in de wereld. Zelensky voorop en de leiders van al die heulende Europese staten er als een droevige lint achteraan. Ze hebben elkaar ook lachend overhoord wie de meeste van die Europese landen uit het hoofd kent en de namen van hun bestuurders. Naar het schijnt bleven ze op 10 steken. Die ontmoeting in Alaska ging daar natuurlijk helemaal niet over. Want sinds Lenin en Stalin en Breznjef kijken de Russen met argwaan en ook woede richting Alaska. Op 18 oktober 1867 heeft namelijk het toenmalige Russische bewind Alaska voor 7,2 miljoen Amerikaanse dollars verkocht. Dat was omgerekend nog geen 5 dollar per vierkante kilometer. Telt men het bijbehorende omliggende water erbij, dan is het nog geen 4 dollar per vierkante kilometer. Al meteen na deze deal voelde Rusland zich in het pak genaaid, zeker toen korte tijd later bleek dat er vreselijk veel olie en gas in de grond zat. Daar plukt Amerika sinds de uitvinding van de benzinemotor (lees: automobiel) de vruchten van en dat zint Poetin niks. Hij wil die grond terug. Niet goedschiks, dan maar kwaadschiks. Nu heeft zijn penningmeester onlangs een schrijffoutje aangetroffen in de afrekeningsbon van die 18de oktober 1867 en daar hoopt Poetin DJT alsnog op te pakken. De penningmeester heeft uitgerekend dat de hedendaagse waarde van een vierkante kilometer Alaskaanse gebied (bergen en water meegerekend) met een factor 10duizend moet worden verhoogd, hetgeen uit zou komen op eh …. nou ja, op een enorm bedrag. Het heeft te maken met voorkennis en met achtergehouden Belastingen over de Toegevoegde Waarde, hetgeen wij kennen als BTW, + de achterstallige rente van 158 jaar. Dat nu wil Poetin alsnog in harde valuta vereffend zien, in vers gedrukte roebels. De bedragen zullen duizelen voor die muizenoogjes van DJT die nogal op de penning is. Reken maar!
Dáár hadden ze het dus over in Alaska. De sjeik van Saudi-Arabische had al aangeboden het gesprek in zijn paleis te voeren. Had best gekund. Niemand hoeft immers nog bang te zijn dat de heren er opgelost in een vat zoutzuur vandaan zouden komen sinds ze het Khashoggi-akkoord hebben ondertekend. Maar Poetin heeft een heel goed historisch besef en wilde juist op dat gestolen gebied met zijn opponent praten. Om te jennen en het zou hem nog meer status geven. Na afloop van hun gezellig samenzijn, leek de houding van DJT op dat van een gebraden gans (a lame duck,, zoals ze dat in die kringen noemen), daarentegen straalde het gezicht van Poetin. En toen plaagde hij DJT ook nog het volgende theekransje later dit jaar bij hem in Moskou te houden. ‘Dat zou weleens voor problemen kunnen zorgen’, kwaakte DJT geschrokken. Zo bleek heb ik hem zelden gezien. En niet ten onrechte. Hij weet amper waartoe Poetin en zijn bende in staat is. Na de dood van Poetins aardsvijand Navalny is niemand daar immers nog veilig. Maar in een vreemd land is het een hele redelijke man, zei DJT. Hij moet voorafgaand aan dat theekransje wel een presentje van minimaal een biljoen roebels meenemen, anders wordt het zuur kersen eten met die Doema-gasten. Over dat eten gesproken: Poetin zal zijn gast trakteren op een Russisch ei en hem na afloop de lege doppen laten opruimen. Hoe dan ook, er gebeuren rare dingen in de wereld. Ik volg het nieuws en fröbel een beeld. Zelensky heeft uiteraard het nakijken in dit duivels spel. Straks kondigt de Europese Unie nog een Amerikaanse boycot af en beziet de Alaskaanse bevolking met argusogen welke vlag ze op 18 oktober (Alaska-Day) moeten uithangen. Of geen enkele. Dat lijkt me niet onmogelijk. Ik schaar het vooralsnog veel ervan onder fake-news en trek zo nodig de gordijnen dicht. Mij zult u er niet over horen.
Ik zie ineens uit naar de kerstdagen. Nu al? Ja, nu al. Moet wel zorgen dat ik tegen die tijd genoeg kaarsen in huis heb en ook lucifer, want die Chinese aanstekers zitten vol elektronica om ons computersysteem mee plat te leggen. Voorts houd ik oudejaarsavond vrij, want dan zendt de televisie de nieuwe James Bondfilm uit met onze eigen Tricky Dicky Schoof in de hoofdrol. Een worst/kaas scenario, met cola/ijs toe (vooral goed schudden!). Dit om de laatste jaarovergang met knalvuurwerk bruisend uit te luiden. Ik kijk er als een jarig kind naar uit!
16.8.25 Horloge Lichtelijk daas nog door de inhoud van het boek Bezorgde brieven van Marjan Minnesma (oprichter en directeur van Urgenda, een organisatie voor inovatie en duurzaamheid) en Jan Terlouw (oud-voorman van D66, schrijver en natuurkundige) gingen we boodschappen doen en reden daarna een eindje om. Even de kop leeg maken, want hoewel beiden schrijvers zeer strijdbare mensen zijn (voor de goede orde: het brievenboek dateert van oktober 2020 tot maart 2021, corona waarde rond en Joe Biden werd president van Amerika) met een bulk aan goede ideeën, werd ik steeds somberder. ‘Waar moet het heen met de wereld?’, dacht ik meer dan eens. De opwarming van de aarde, de stikstofuitstoot, het ongebreideld opmaken van de grondstoffen, het energievraagstuk, fake news, enzovoort. Ik kreeg er het benauwd van. Even weg dus ….
We reden richting Gasselte en daarna via Kostvlies terug. Een prachtig ommetje. Ergens halverwege dit dorp (gehucht klinkt zo benepen) bevindt zich een plek waar ik altijd al eens wilde stoppen om te zien wat dat is. Er staat een picknickbank en een toegangshek laat weten dat het beschermd is en meestal zitten er fietsers te pauzeren. Het bleek een natuurgebied met een meertje erachter. Het was er volkomen stil. De rimpelingen in het water deden me denken aan een foto uit het boekje van Loch Ness dat ik in 1976 in Fort August kocht. Zou hier misschien ook een soortgelijk monster huishouden? Wie weet. Maar de plas is, las ik op het infobord, tamelijk recent ontstaan. Zo kuierden en mijmerden we en toen zag ik op een bankje aan het water een horloge liggen. ‘Hè, kijk nou es’, zei ik. Het was een klein modelletje, een dameshorloge leek me, want die mannendingen zijn tegenwoordig overdreven grote knollen. Ik pakte het op en zag dat het bandje aan één kant stuk was en dat het daardoor van de pols moest zijn gevallen. Een wandelaar moet het hebben gevonden en het hier neergelegd om mogelijk te worden herenigd met de eigenares. Dat zou een toevalstreffer heten. Ik bekeek het dingetje, het hoog geavanceerde tijdswondertje en las het merk: True Spirit. Terug in de auto noteerde ik merk op een papiertje. Het leek me geen duur exemplaar. Dat was ook zo. Het was waarschijnlijk gekocht bij drogisterij/warenhuis Kruidvat, want dat bedrijf stond aangegeven als verkooppunt. Uitgaande van ongeveer hetzelfde type had het zo’n 10 à 15 euro gekost. ‘Hoe kunnen ze het er voor maken?’, was mijn gedachte. Op Marktplaats, waartoe ik doorverwezen werd, bood iemand 5 True Spirits aan voor de somma van €25. ‘Batterijen zijn leeg’, stond erbij. Dat zou op de keper beschouwd weleens een dingetje kunnen zijn. Een beetje horlogerie zou de klant meewarig moeten mededelen dat het uurwerk van zo’n prul niet te openen is en dat hij het quartz-batterijtje dus niet kan vervangen. ‘Gooi maar weg’, zal hij besluiten.
Voor mij is zoiets heel moeilijk te bevatten. Automatisch belandde ik daardoor weer in dat boek van Minnesma en Ter Louw. Daarin gaat het onder andere over onze enorme spilzucht. Dat magistraal miniatuurmachientje die ons te allen tijde de tijd laat weten, dat ergens in de binnenlanden van China (land van herkomst stond er niet op) mogelijk door Oeigoeren in elkaar is gezet en in een van de duizenden containers naar het onverzadigbare Westen vervoerd en in een discounter voor een habbekrats werd verkocht …. Zou de mevrouw die het ergens in dat bosje verloor er om hebben getreurd of zou ze bij de eerste de beste Kruidvat een nieuwe hebben gekocht? Het kost ja bijna niks! Hopelijk neemt iemand anders haar oude mee en heeft die er nog een tijdje plezier van – tot de batterij het begeeft.
14.8.25 Buiten werken Voor het eerst sinds ik met een laptop werk en mijn stukjes de wereld in stuur, ondernam ik dit buiten de veilige omslotenheid van mijn werkkamer 1 hoog boven. Ik was ertoe veroordeeld, want het was 36 graden Celsius (96.8 Fahrenheit, volgens mijn temperatuurmeter) en bij die hitte begint mijn lichaam uitvalverschijnselen te vertonen. Het was zaak uit te wijken naar buiten. Het was er door een aangenaam windje iets koeler. Ik plaatste mijn laptop op de tafel in de voortuin en wilde beginnen. Maar waarmee? Normaal neemt mijn schrijven zonder enige poespas een aanvang. Komt door de entourage binnen? Onze tuin kent immers niet de omslotenheid van mijn kamer. Dat merkte ik pas ter plekke. Ik focuste mij daarom op de heg die onze tuin scheidt van de openbare weg om het idee van een wand gestalte te geven, maar nauwelijks had ik mij dit ingebeeld of een passerende fietser groette mij er ongenadig hard weer uit. Ik schrok en groette hem terug. Zo zijn nu eenmaal mijn manieren. De wand was erg fluïde, om niet te zeggen: totaal afwezig. In mijn werkkamer heb ik van de storingen die zich buiten afspelen weinig last. Door de tijd heb ik geleerd niet meer op te staan als er bijvoorbeeld een voertuig met een sirene voorbij raast, want tegen de tijd dat ik bij het voorraam ben, is het voertuig de bocht al om. In de tuin is daar geen ontkomen aan. Alsof ik erom gevraagd had, passeerde er een brandweerauto. Hij spoedde zich naar het dorp. Ik volgde het geluid van zijn sirene. Het leek te stoppen bij onze school. Mijn brein begon te malen wat hier aan de hand kon zijn. Op mijn werkkamer zou mij dit hoogstwaarschijnlijk zijn ontgaan, want naast die gewenning onderdruk ik eventueel langdurig aanhoudende buitengeluiden door een cd of een plaat met bijvoorbeeld toetermuziek van Miles Davis of Louis Armstrong op te zetten. Dat werkt heel goed. Ik hield me onbewust met die sirene bezig tot het geluid wegstierf.
Van andere tuinwanden viel ook al geen eer te behalen. De reusachtige conifeer zou een afschermende werking kunnen hebben, maar het is de laatste jaren uitgegroeid tot een vogelspeelplaats. Het is er dag en nacht een komen en gaan van vinken, mussen, kraaien, duiven en mezen. In ledige uren geniet ik enorm van deze volière, maar nu waren ze een geweldige stoorzender. Ik ben zelf de schuldige dat deze boom hier staat. Ik heb het als een sprietje, terwijl mijn blaas zich boven het mos ledigde, uit een bosje nabij Elsloo (ik moest die avond voorlezen in Olderberkoop en had zeer hoge nood) getrokken en achter in mijn auto geworpen. Voor de goede orde: plassen in de natuur was (en is) niet mijn gewoonte. Een psychologische verklaring hiervoor zou kunnen zijn dat mocht ik op heterdaad worden betrapt, ik zou worden bekeurd voor het stelen van een jonge conifeer en niet vanwege wildplassen. Overigens, dat woord bestond toen nog niet eens, maar lastige agenten wél. Het spruitje van toen is nu een boom met een kroon die ver boven ons huis uitsteekt. Het meet onderaan in omtrek minstens twintig meter en vormt hierdoor een afdichting voor het achterliggende deel van onze tuin. Dat is mooi, maar als wand met al die vogelgeluiden, is het waardeloos.
Ook de huiszijde gaat als wand niet vrijuit. Ik hoef mijn blik er in een moment van bespiegeling om tot iets zinnigs te komen maar even op te werpen en zie de nodige gebreken en die gaan opspelen en belemmeren het werken aan een stukje. Er is altijd wel een kozijn dat een lik verf kan gebruiken of een raam waar een van die duiven juist tegenaan heeft gekakt. In mijn werkkamer heb ik van al dit soort zaken geen hinder. In de toneelwereld maakt men gebruik van de zogenaamde vierde wand. Dat is de zaal, het publiek, waarvoor men het spel speelt. Als stukjesschrijver heb je niets aan zo’n denkbeeldige wand, tenzij hij zich een aandachtig publiek inbeeldt.
Vanuit het dorp hoorde ik nu die sirene weer loeien en de brandweerauto wegrijden en mijn kant op komen. Het zwierende geluid kwam nu de bocht om. Ik zag dat de dubbele cabine van brandweerauto vol joelende kinderen zat. En ineens wist ik weer dat de gemeentelijke brandweer de kinderen van onze school dit als een uitje had aangeboden. De kinderen zwaaiden hun armen bijna uit hun kommen, ze moesten hoe dan ook gezien worden. Ik zwaaide terug. Van het schrijven van een stukje zou nu echt niets meer komen. Ik zou om dit uitje voor eeuwig bij die kinderen in hun geheugen te printen, een groot vuur in mijn tuin kunnen maken, maar voor je het wist stond de heleboel in lichtelaaie. Nee, dat was geen goed idee. Toen het weer stil was, klapte ik mijn schrijfmachine dicht. In de conifeer heerste een ongewone stilte, de straat leek uitgestorven, ik slofte naar binnen.
Op mijn werkkamer tikt Celsius nog steeds 36 graden aan, maar Fahrenheit loopt al ietsje terug. Als zich dit doorzet, zal ik tegen middernacht misschien nog een stukje kunnen schrijven.
10.8.25 Met vlag & wimpel Kees van Kooten is vandaag jarig. 84 rond, geboren in 1941. Op een zondag. Een zondagskind zou je dientengevolge kunnen zeggen. Om hier achter te komen hoef je niet meer te doen dan het eerste verhaal in zijn bundel Meer dan alle modermismen op te slaan, waarin hij naar zijn moeder gaat om voor eens en altijd uit de eerste bron te horen hoe hij werd geboren. ‘Met veel moeite’, vertelt ze, ‘in het katholieke verloskundige kliniek Bethlehem aan het Westeinde’. Kees zou je de wederhelft van Wim de Bie kunnen noemen, want zó kende heel Nederland hen. Van ‘Keek op de Week’, maar ver daarvoor van ‘De Clichémannetjes’ en ‘Het Simplistisch Verbond’. Met het idee alles zo eenvoudig mogelijk te houden, kortten ze hun namen in tot Koot & Bie.
Ik las onlangs de over-en-weer brieven tussen hem en Remco Campert voor de tweede (of was het de derde) keer. Die brieven lopen van november 2017 tot juli 2018. Remco zou die maand 89 worden. Hij begon aan vergeetachtigheid te lijden. Hij schrijft: ‘Het geheugen is de moeder van mijn herinneringen. Daar heb ik er veel van. Of ze waar zijn of niet maakt niet uit. Ik ben een scheppend creatuur’. Kees schrijft terug dat hij vergetensgezind is, een woordspeling waar Kees bekend om stond. Hij schrijft: ‘Bewuste vergetensgezindheid resulteert daarentegen in geestelijke rust en heilzame onthechting’. In 1993 kwam er een fotoboek uit met een deel van hun typetjes. Kees Fens schreef een lovende recensie over het boek. Dat verbaasde me, want Fens schreef vooral over mij totaal onbekende schrijvers of politici, over geloof & kunst, over Engelse kerken & kathedralen en over voor mij onbegrijpelijke poëzie van dichters als Lucebert & Gerrit Kouwenaar, dus verbaasde het me nogal dat hij zo enthousiast was over een fotoboek? Maar het ging natuurlijk over de impact die de betreffende typetjes op de maatschappij hadden. En de mening van Kees Fens deed ertoe! Ik vrat zijn stukken, kocht steevast de editie van de Volkskrant waar zijn vaste rubriek in stond.
Eind jaren ’90 stopte Kees plotseling met ‘Keek op de Week’. Zelfs Wim zag het niet aan komen. Daarvoor heette het nog een poosje ‘Krasse Knarren’. Kees vond dat ze (hij en Wim) in herhaling begonnen te vallen. Hij had alle typetjes wel gehad en het zou een trucje worden. Wim wilde verder, maar zonder Kees zou dat niks worden. Ik vroeg me in het verleden meermaals af als er weer zo’n halfwassen oelewapper in de Kamer zijn of haar woordje deed, wat Kees en Wim van zo’n plebejer zouden hebben gemaakt. Van Balkenende, Rita Verdonk, Pim Fortuyn of Herman Heinsbroek. En van de minkukels van nu, zoals Wilders, Baudet, Van der Plas, Yesilgöz … Daar kunnen we alleen maar naar raden. Of Mark Rutte en Dick Schoof. Voor de laatste was Dr. Clavan een loepzuivere (lees: nietszeggende) voorganger. Dat kleinkunst/cabaret tot landelijk vermaak en voor ophef kan zorgen bleek wel uit hun creatie Jacobse en Van Es. Daar ging De Centrumpartij van Hans Janmaat aardig mee aan de haal. Linke soep en J. & v E. lieten zich van de buis verdwijnen. Noodgedwongen zelfcensuur. Er zijn heel wat regimes die dergelijke grappenmakers niet kunnen verdragen. Neem tirannen als Trump, Poetin, Kim Jong-un, Erdogan en nog zoveel anderen. Hoe dan ook, Kees was er stilletjesaan klaar mee. Ook met het schrijven hield hij omstreeks zijn tachtigste op. Hij had het allemaal wel gezegd.
In het brievenboek aanelkaar gaf Remco al een voorzetje van wat komen gaat als het geheugen en wellicht ook het schrijfvermogen langzaam af gaat nemen. Kees is op tijd gestopt. Ik lees zijn verhalen, zijn gestuntel met het leven, nog met plezier. Laat dat een troost zijn. De ooit gedane opmerking van zijn vader tot Simon Carmiggelt dat ‘onze Kees later ook schrijver wil worden’, heeft hij ruimschoots ingelost. Prof. Dr. Ir. P. Akkermans zou zeggen: ‘Ze hebben van mij gehoord, mijn naam wordt genoemd …’ Ik wens Kees een genoeglijk dagje toe en dat de totale onthechting nog maar lang weg mag blijven. * O ja, een mens die zijn hond Willem noemt, die heeft bij mij sowieso een streepje voor!
8.8.25 De kleur was bruin!, bruin! Nieuwsbrief gehad van de Stichting Stolperstenen van onze gemeente. Op zich heeft de stichting na gedane arbeid niet zoveel meer te doen, maar het is goed contact te houden en door hun schrijven is de bezorgdheid te lezen die ons allemaal bezighoudt. Tien huisnummers, dat wil zeggen 5 huizen, vanaf de onze liggen 9 herdenkingsstenen voor het Joodse gezin Cohen/Gudema. De op de stenen aangegeven leeftijden zijn 2 t/m 38 jaar. In augustus 1942 werden ze naar Westerbork gebracht en kort daarna in Auschwitz vermoord. Ik had twee jaar daarvoor een verhaal over het leven van dit Joodse gezin geschreven en daarin de naam genoemd van de huisverhuurder van dit gezin, die ze meteen nadat Nederland had gecapituleerd, harteloos op straat had gezet. Dat kon ik klakkeloos overnemen uit een boek over deze periode. Van verraad kon niemand mij betichten, de feiten en de namen waren overbekend.
Enige tijd nadat ik mijn verhaal op onze dorpssite had gepubliceerd, vond er in de kerk in onze woongemeente een informatieavond plaats over de te leggen stolperstenen. De kerk zat stampvol. Het leefde zichtbaar onder de mensen. Ik maakte de blunder -althans zo ben ik dat later gaan beschouwen- om publiekelijk enige toelichting te geven over deze familie. Dat ze kort ervoor in ons dorp waren komen wonen en dat ze na een paar maanden door de NSB-huurbaas op straat waren gezet. Ik vermeldde dat het gezin in een door de gemeente verstrekte keet hun laatste twee jaren van hun leven had gewoond alvorens afgevoerd te worden naar Auschwitz en dat er na hun andere mensen in die keet waren komen wonen. Zou ik mijn mond hebben gehouden als ik had geweten dat er zich onder het publiek een directe nazaat van het gezin op wiens terrein de keet was geplaatst bevond? Misschien. Wél als ik had geweten dat dit tot gedoe aanleiding zou geven. Want er drong zich na afloop een mij bekende mevrouw op, die mij dwars door het rumoer van vertrekkende mensen heen allerlei verwijten begon te maken. Ze had mijn stuk gelezen en hierin meerdere fouten aangetroffen. Oei! Zo had ik de kleur van de keet blauw genoemd. Dit had een vroegere bewoonster van het buurtje waar de keet stond mij verteld en waar die mevrouw als kind weleens speelde. Ik zei of dit nou zo erg was, die kleur. ‘Die keet was bruin – bruin!’, kreet ze bijna in mijn oor. Het was zeer zeker van belang. Ze had een rood hoofd van woede. Ik kon me met moeite van haar bevrijden en wierp nog een vijfje in de melkbus voor de aanschaf van de stolperstenen en liep daarna vlug de kerk uit. Ik dacht dat die bui wel zou zakken. Zo kwaad zou ze toch niet zijn?
Verkeerd ingeschat. Sindsdien keerde ze stroef het hoofd om als wij in elkaars blikveld verschenen. Maar waarom zou ik me druk maken als er in het dorp tientallen mensen te treffen zijn die ik al dan niet van naam ken en waarmee ik zo terloops een praatje kan maken? Ja, toch wél. Want het voelt niet fijn te weten dat ik iemand tegen het lijf kan lopen die me niet goed gezind is. Lange tijd zag de mevrouw ook niet meer. Zou ze ehh … Maar vanmorgen dook ze plotseling op. Ik stond aan de band bij de Lidl, had mijn spullen klaar liggen en praatte nog wat met een mevrouw die na mij kwam en die ik vagelijk kende, toen ik ineens dicht achter mij hoorde ‘Mag ik er misschien even langs?’ ‘Tuurlijk’, zei ik en ik draaide mij om en stond oog en oog met die boze mevrouw. Ze schrok zichtbaar en dook ineen. Ik zei hard ‘Goeiemorgen’, want zo ben ik. Ze zei niets terug. Ze schoof een rollator krachtig voor zich uit. Dat kende ik niet van haar. Ze was altijd zo kwiek, ik zag haar vaak op een afstandje langs fietsen. Dat zou met die rollator niet meer gaan. Toen ze gepasseerd was, hoorde ik de mevrouw achter mij iets zeggen. Ik begreep dat die boze mevrouw niet erg geliefd was. ‘Eigenlijk bij niemand, want dat mens maakt met iedereen ruzie’, verduidelijkte ze. Ik was dus één van de velen en op een of andere manier gaf me dat een heel geruststellend gevoel. Alsof onze kift was hiermee verminderde en mogelijk zelfs ten einde was.
Op de avond ter voorbereiding van het 80-jarig Bevrijdingsfeest in ons dorp, hoorde ik iets meer over de familie van die mevrouw. De man die dat Joodse gezin uit zijn huis had gezet, bleek een verre verwant van haar te zijn. Toen ik op die bewuste infoavond in die kerk de naam van die man noemde, moet zij dat als een dolksteek hebben gevoeld en mogelijk daarom maakte zij zo’n stennis en was de kleur van die keet een onderwerp om mij onder uit de zak te geven. Bij de onthulling van de struikelstenen in onze gemeente in oktober 2021, stond zij schuins voor me. Nadat ze mij had opgemerkt, stootte zij haar man aan en fluisterde hem iets in zijn oor. Hij draaide heel behoedzaam zijn hoofd opzij en toen hij mij in het vizier kreeg, knikte ik vriendelijk. Hij veinsde mij niet te zien, maar er zou geheid over gesproken worden.
Van die mevrouw achter mij hoorde ik dat haar man dementerend is. Dat is triest. Toen ik de winkel uitliep, zag ik hem bij het Kruidvat staan. Een beetje verloren. Van de atletische man zoals ik hem kende, was niet veel over. Ik groette hem terloops. Hij keek mij aan met half gesloten ogen en mompelde ‘Moi’. Ik had met hem te doen, maar wonderlijk genoeg voelde het ook alsof er een zware deken van mijn schouders viel.
5.8.25 Een boom minder Gisteravond kreeg ik ineens behoefte om afscheid te nemen van de te kappen boom. Zo’n gedachte (ingeving?) heb ik nooit eerder gehad. Door de jaren heen zijn er aardig wat bomen in ons tuintje gesneuveld en dat ging altijd zonder spirituele handeling vooraf. Soms legde eentje het loodje door een hevige storm. Daar kun je je niet altijd op voorbereiden. De prachtige pruimenboom aan de noordzijde van ons huis is voorbeeld. En soms leek het ons beter eentje weg te halen vanwege het gevaar van omvallen. Het deed niettemin altijd pijn. Je breekt een leven af, zo ervaarde ik het. Het gras laat ik ook staan tot de bloemen die erin groeien uitgebloeid zijn en dan pas ga ik het maaien. De boom die nu aan de beurt was, stond recht voor ons huis en de afstand tussen beide objecten was een meter of 5. Zou de boom omvallen, dan was de kans groot dat het de voormuur zou raken en het zou beschadigen. Sommige mensen laten het er op aankomen en verwijzen wat al te gemakkelijk naar de verzekering. Wij voorkomen liever dat soort onzekerheden. De boom knotten was een mogelijkheid, maar dan had je enkel nog een stam. Geen kijk. Daarom besloten we de boom weg te laten halen.
Het regende en het waaide en het was pikdonker. Geen weer om me tegen een boom te vlijen en mijn stille verdriet te ledigen. Dát ik ineens die malle wens voelde opwellen was nieuw voor mij. De boom -ik zou het graag met zij aanduiden, maar volgens het groene boekje is boom hij– heeft in mijn leven een tamelijk passieve rol gespeeld. Als kinderen speelden we hier weleens, maar mijn grootouders -de vorige bewoners van dit huis- waren nogal zuinig met hun tuintje, wat niet wegneemt dat we graag verstoppertje speelden of een spelletjes waarbij we de bomen gebruikten als aantikposten. Een andere rol was er niet voor weggelegd. Een fanatiek bomenklimmer ben ik nooit geweest. Dus waarom zou ik ineens zo’n ritueel moeten afspelen? Alsof ik tot het sjamanisme was overgegaan, een innerlijk drift voelde opborrelen of was ik spontaan een bomenknuffelaar geworden? Niets van dit alles. De boom voelde warm aan. De schors was ruw en zo hoort een linde ook te zijn. Slechts gekleed in T-shirt en broek ondernam ik mijn missie en ging daarna snel weer naar binnen. Mijn seance had niet langer dan een halve minuut geduurd, maar het voelde weldadig. Geen enkele geestelijke vervoering heeft ooit vat op mij gekregen, als ik de goddelijke gemoedstoestand die muziek of literatuur teweeg kan brengen even buiten beschouwing laat. En toch dacht ik: ‘Dit zouden meer mensen moeten doen die van plan zijn een boom te kappen’. Maar ook dacht ik: ‘Zo makkelijk laat een mens zich meevoeren door een zelf gecreëerde zinsbegoocheling’ en ‘Mogelijk is religiositeit uit iets soortgelijks ontstaan’. Omarmde op een dag zo’n oermens een boom en placht via zijn (haar) sapstroom kracht te vinden en zie, de volgende dag doodde hij een wisent en had zijn stam voor weken voedsel. Als zoiets zich maar vaak genoeg blijft voordoen, gaat men er stellig in geloven …. en de rest is geschiedenis. Misschien had mijn handeling ook te maken met het feit dat ik die boom niet graag kwijt wilde, dat ik het wilde behouden, en was het een soort aflaat -een schuldbekentenis- die ik niet aan een mens kwijt kon. Ja, prinses Irene zou het vast en zeker wel begrijpen, maar om die er wakker voor te maken, dat was ook nogal wat! De zware storm van afgelopen zomer, waarbij in ons dorp en omgeving tientallen bomen als luciferhoutjes afknapten of met wortel en al omvielen, gaf de extra stoot. En dus belden wij de bomenman. Die zei dat wij eerst een kapvergunning moesten aanvragen alvorens hij tot kap kon overgaan. Dat gaf de nodige stennis en zou een en ander kosten. Uiteindelijk bleek dit alles onnodig, omdat de boom op eigen terrein stond en geen beschermde soort was. De bomenman kwam toch even langs om te kijken hoe urgent het geval was. Hij klopte en luisterde -de stethoscoop ontbrak nog net- bevoelde de bast en zei dat de boom volgens hem geen spoortje rot bevatte en dat we niet bang hoefden te zijn voor breuk of val. Maar mijn vrouw bleef bevreesd en daarom zetten we het door.
Vanmorgen om halfelf legde hij de boom neer en zaagde het in hanteerbare hompen. Kort ervoor had ik puur uit nieuwsgierigheid op kniehoogte de omvang gemeten: 1meter45. Er had zich naar mijn weten geen vogel in gehuisvest en ook geen eekhoorn of ander gedierte. Die kunnen het dus niet missen. ‘Geen spoortje rot te bekennen’, zei de bomenman. Even bekroop me een gevoel van spijt. Terugplaatsen kon niet. Een boom is geen Lego blokkendoos. De bomenman versnipperde de takken. ‘Het is een stuk lichter geworden in de voorkamer’, zei mijn vrouw. Dat is een schrale troost. Boven in mijn werkkamer merk ik er niets van. Het gevoel van verdriet dat mij achtervolgde vanaf het moment dat de kapdatum naderde, verdween langzaam. Uit telling/schatting van de jaarringen maakte ik op dat de boom zo’n 70 jaar oud was. Dat betekent dat mijn grootouders het geplant hebben kort nadat zij hier zijn komen wonen. Dat was omstreeks 1955. Hiermee verdween weer een stukje familie-erfenis.
4.8.25 Regenbogen (OverlijdensAdvertentieBovenschriften 8).
Ik had me voorgenomen als onderwerp voor de 8ste OAB als thema ‘regenboog’ te nemen. Ik werk niet planmatig, ik loop tegen een woord (een kandidaat) aan en dan ga ik de doos met knipsels langs. Dat was nu ook het geval. Waarom regenbogen? Toen ik er over na zat te denken, schoot mij een gedicht in gedachten van Karel van de Woestijne, waarin de regenboog gebruikt wordt en niet als zelfstandig naamwoord. Misschien juist hierdoor wist ik het nog. De zinssnede luidt: ‘Laat mij gaan als fonteinen / die wachten op de lentezon / om in duizenden regenbogende / diamanten te schitteren’. Karel van de Woestijne -zijn tronie doet zijn naam eer aan- beschouw ik als een laatbloeier van de dichtersgroep De Tachtigers. Die ontstond zo rond 1880, vandaar de naam. Tot die groep rekenen we onder andere Herman Gorter, Willem Kloos, Frederik van Eeden, Albert Verwey, Jacques Perk en Hélène Zwart. Maar Karel van de Woestijne was toen nog een kind. Niettemin paste hij er wat betreft schrijf- en leefstijl goed bij.
Toen ik iets van 16 was begon ik versjes te schrijven en enige jaren later kocht op de markt te Assen (op de plek waar nu het Koopmansplein ligt) een boekje met gedichten van die Tachtigers. Ik vergaapte mij aan de meanderende regels van Jacques Perk (‘Ik ben geboren uit zonnegloren / en een zucht van de ziedende zee’) en van Willem Kloos (‘De boomen dorren in het laat seizoen, en wachten roerloos den nabijen winter’). Ik hield van de natuurbeschrijvingen. Het zijn treurige hersenspinsels, maar ik dacht dat dichten zo hoorde. In ieder geval geen vrolijk gerijmel. Later veranderde dat beeld door de aanschaf van de bundel Dichters van deze tijd. Daarin trof ik nog maar weinig rijmende gedichten aan. Moderne poëzie. Maar strofen van die oude Tachtigers kom ik nog -hetzij steeds minder- boven ons ontvallenen tegen.
En dus ging ik op zoek naar regenbogen in de OverlijdensAdvertentiesBovenschriften. Dat viel zwaar tegen. Tot mijn verbazing komen die bijna niet voor en dus leek mijn missie in de knop gebroken. Wind, regen, zonneschijn genoeg, maar regenbogen … ho maar. Je zou anders verwachten, want zo’n regenboog is een tamelijk mysterieus verschijnsel en dat is de dood in zekere zin ook. Ongrijpbaar, gelijk men dat ook kan zeggen van een regenboog. Het enige dat ik tegenkwam was een liedje met die titel van Paul de Leeuw en dat smaakte niet meteen naar meer. Verder kwam ik na uren zoeken een regel tegen uit een vers van de dichteres Esther Jansen, luidende: ‘… was vorm en puur zichzelf en tegelijk een regenboog van mogelijkheden, tot leven geblazen, verloren, hervonden …‘. Een schrale opbrengst dus.
Dan maar-es proberen bij de collectie buitenlandse bovenschriften van die manische melacholisten uit de 18de eeuw, die welhaast met tegenzin moeten hebben geleefd. Ik kom ze regelmatig tegen. Meestal betreft het iets van Johann Wolfgang Goethe (‘Über allen Gipfeln ist Ruh’ – Boven alle toppen (boomtoppen-bergtoppen-hemel?) is het vredig). Van Otto Julius Bierbaum vond ik ‘Wohin denn so schnelle, du mann mit der Elle? Siehst nicht den schönen Regenbogen?’ (Waar gaat u zo gehaast naartoe, meneer met je wandelstok? Ziet u die mooie regenboog dan niet?). Beetje Hoog Sammie, kijk omhoog Sammie , zie de schoonheid van de natuur. Van Friedrich Schiller: ‘Und über die kein Wandrer noch gezogen, am Himmel siehst du sie, sie heisst – der Regenbogen’ (Waar geen wandelaar nog heeft rondgetrokken, daar zie je aan de hemel wat we regenbogen noemen). Ook de Engelse dichter en verwoed wandelaar William Wordsworth kwam ik tegen met ‘My heart leaps up when I behold a rainbow in the sky’ (mijn hart maakt een sprongetje als ik een regenboog waarneem). Ook in andere talen (Frans, Grieks, Latijn) komt mogelijk weleens een regenboog voor, maar die talen spreek ik niet. Ik houd me maar aan het gezegde: In de beperking toont zich de meester?
Ik pluk deze strofen (voorzien van eigen krakkemikkige vertalingen) uit mijn verzameling en veronderstel dat ze niet compleet zijn of dat ze naar eigen inzicht zijn veranderd, maar ik houd mij aan de regel ze over te nemen zoals ik ze aantref. Het zou te wijsneuzerig overkomen. Meer van deze tijd zijn liedjes als Over the rainbow van Eva Cassidy en She’s a rainbow van The Rolling Stones. Vooral door het gebruik van hallucinerende middelen dat in de jaren 60 opgang vond, kreeg de regenboog een magische status. Het dook in meerdere psychedelische liedjes op. In Londen was voorts The Rainbow een begrip en er was een Britse rockgroep met die naam. Neerlands grootste schrijver -en ik ga wat betreft deze loftuiting af op zijn eigen woorden-, te weten Harry Mulisch, overleed op 30 oktober 2010 te Amsterdam. Toen zijn gekiste lichaam per boot naar zijn laatste rustplaats over het IJ voer, verscheen recht voor de boeg een pracht van een regenboog. Het moest wel zo zijn. De gestorvene behoorde immers tot een bovenaardse categorie, schreven de kranten sceptisch en/of laaiend enthousiast. Alsof de heilige geest vanuit het universum een kleurrijke hemelpoort neerliet om de Heer Mulisch tot het rijk der doden toe te laten. Hoe dan ook, een mooi plaatje.
Vanaf de jaren tachtig heeft de regenboog een extra betekenis gekregen als logo van de LHBTIQ+-beweging. Greenpeace gebruikte de regenboog echter al eerder als naam én logo voor hun nieuwe actieschip The Rainbow Warrior en als lid van deze milieubeweging droeg ik jaren zo’n halfronde badge op mijn spijkerjasje. Niet zelden heb ik uitgelegd waar dit kleurrijk vaantje voor stond. Nu hangen overal regenboogvlaggen met voor elke seksuele geaardheid een baan. Mijn jasje + badge is allang naar de lorren. In overlijdensadvertenties ben ik nog geen illustratie van een regenboog tegengekomen. Gebeurt vast nog wel.
’t Is 5 uur (17.00). Ik sta op, strek mijn benen. Ik ben de hele dag bezig geweest, tussendoor af en toe spieroefeningen, de spieren rekken. Ik heb gezocht en gegoogeld en geschreven. Ik kijk over het veld. Genoeg eerst. Tot mijn verbazing zie ik nabij de Hunze een regenboog verschijnen. Heel voorzichtig -als een kuiken dat uit het ei kruipt- rijst zijn enige zichtbare poot op uit de drassige ruigte. Zou er at the end of the rainbow ook een pot goud in de maak zijn, zoals Shane MacGowan, zanger en componist van de Ierse folkband The Pogues, zingt? Ach, Shane MacGowan, ook zo’n gehavende drinkebroeder …. En dat brengt me terug bij Willem Kloos en Karel van de Woestijne en zijn maten, mijn vroegste leermeesters van de dichtkunst. Nou, tot zo ver dan maar. Volgende keer iets vrolijkers.
2.8.25 Alles moet weg! Wat mij de laatste tijd opvalt is dat de ouderen er steeds meer toe doen. Lange tijd werden ze weggestopt, als waren ze er niet, wilden we ze niet kennen, omdat de nog niet bejaarden de toekomst hebben en ja wat moet je dan met dat leger ontoekomstigen? Vanmorgen op de radio (bij Frits Spits was het) viel weer dat bespottelijke woord babyboomers en bijna tezelfdertijd las ik in een oude Nieuwsbode dat veel van die babo’s zeer kapitaalkrachtig zijn en op hun oude nest blijven zitten, zodat de doorstroming van woningen stagneert en jongeren geen plek kunnen krijgen en soms wel tot hun veertigste bij hun babyboomouders blijven wonen. Ik noem dat het Knabbel&Babbel-syndroom. Ik voelde mij er ineens enorm medeschuldig aan en wilde stante pede een jong stel ons huis gunnen, maar zag nog net op tijd in dat wij dan de ons nog toegemeten jaren op straat of ergens in een kelder moeten doorbrengen. Kortom; een hele slechte optie. Ik voel me in het geheel geen babo en als ik om mij heen kijk dan zie ik genoeg jongeren waardoor ik het idee krijg dat wij ouderen slechts een partje van de gehele populatie zijn.
Vanmiddag waren we in Borger. Even een rondje maken. Mijn hoofd was nog een tikkeltje vervuld van dat babo-gedoe. Het viel mij echter op dat ik mijn opinie moest herzien. Of is het juist in Borger dat dit beeld zo vertekend is? Dat kan. Bij de Bruna stond een meneer bij kassa 1 -ik stond bij kassa 2- die een baaltje shag kocht. 50 gram voor iets van €25.- Hij hoestte alvast op voorhand. ‘Godallemachtig’, zei een mevrouw zachtjes achter mij. Wat zij zei, dacht ik ook. Dan kwam ik met mijn zaterdagkrant nog goedkoop weg. Ik keek voorzichtig achterom en ontwaarde in de spreekster een klein vrouwtje. Ze was stukken ouder dan ik (een pre-babo) en had waarschijnlijk de laatste oorlogsjaren nog meegemaakt. Ze knikte vriendelijk. Ook verderop in de winkel zag ik vooral oudere mensen. De mevrouw achter mij was van plan de Max-televisiegids te kopen. Het blad voor de jolige babo. Ze glimlachte. Bij de ingang van de winkel ontstond enige commotie. Twee rollators waren in botsing met elkaar gekomen. De ene wilde naar binnen en de andere naar buiten. ‘Goddomme, kun je dan niet uitkijken’, zei de ene man. De andere zei ‘Sorry’ en de eerste weer ‘Ja dat zou ik ook denken’. Daarmee was de ergste kou uit de lucht.
Bij de voorheen Boni, nu Nettorama, liepen ook vooral oudere mensen. Van heel veel producten nam ik aan dat ze ook specifiek voor senioren bedoeld waren. ‘Makkelijk verteerbaar mevrouw’, hoorde ik een medewerker van de broodafdeling zeggen tegen een dame zeggen. Ook verderop in de winkel veel producten voor de mens met constipatie- of kauwproblemen. In elk pad zag ik wel iemand achter een rollator. Bij de kassa een scootmobieler. Vlug even naar de Blokker, want ‘Nog open tot 1 september a.s. Alles moet weg!! 50% korting!!’, kraaide het uithangbord. Ik had erover gelezen. Het concern is al enige tijd failliet en de laatste der Blokkers gaat nu op pensioen. Ik overwoog een paar doosjes Kerst & Nieuwjaarskaarten te kopen. Een man die mij zag twijfelen, zei dat ik de kerst wel eerst moet halen. ‘Grapje meneer’. Jaja. ‘Ach, dan stuur ik ze een paar maanden eerder’, zei ik gevat. En ook hier; vooral oude mensen. Bij een stelling hoorde ik gezucht en ‘Oh doar hebb’n wie thoes nog zat genog van’. Huizen stampvol nooit gebruikte spullen en winkelende mensen die dit staccato mededelen. Hoe herkenbaar. Ik werd er bijna vrolijk van.
Op ons terugloopje naar de auto weer mensen met rollators. Een oudere mevrouw reed mij op het voetpad bijna aan en een man waggelde zonder op of om te kijken over het shared space-gedeelte, terwijl ik vlakbij reed en op rem moest. Ik wilde er iets tegen mijn vrouw over zeggen, maar ik wist dat ze zou reageren met ‘Jij bent zelf ook oud’. Dat is ook zo. Maar net als al die bejaarde passanten, wil ik er beslist niet aan en daarmee verdienen die winkels een goeie boterham.
Thuis pakte ik om bij te komen, het brievenboek van Kees van Kooten en Remco Campert. Een soort placebo avant la lettre. Ik liep pardoes tegen een passende strofe aan. Remco schrijft: ‘De laatste dagen word ik elke ochtend met een gevoel van onbestemd verdriet wakker. Ik zou liever in bed blijven en eindeloos doorslapen. Maar dat sta ik mezelf niet toe’. Remco was toen 88. Ik denk dat veel ouderen dit ook regelmatig denken. Maar ze moeten tegen wil en dank opstaan en de deur uit en mokken dat het een aard heeft. Bij de laatste Blokker, bij Nettorama, Appie Heijn of gewoon op straat. En thuis kijken ze de kassabonnen na opdat hun kapitale boterberg geen al te grote deuk heeft opgelopen. Ik ken mijzelf goed genoeg om dit alles heel goed te weten!
28.7.25 België Ik moet het toch eens over België en de Belgen hebben, altijd een beetje neerbuigend ‘Onze Zuiderburen’ genoemd, maar je zou ook kunnen zeggen dat België ons fundeert, onze hoofden boven dat zompige polderland houdt. ’t Is maar net vanuit welke hoek je het bekijkt. Ik ben al heel lang fan (dat spreken ze in België uit met de a van pan) van België. Wanneer is die bewondering begonnen? Niet op de lagere school, want daar leerden we niet veel meer dan dat Antwerpen aan de Schelde ligt en daardoor zo half-en-half bij Nederland hoort en dat Brussel de scheidslijn vormt van de taalgrens. Verder had je nog een paar steden die beroemd waren vanwege de lakenhandel, dat hun koning Boudewijn heette en zijn gemalin Fabiola en dat ze vermaard zijn vanwege hun pralines. Flikken of bonbons zeggen wij. En dat was het wel zo’n beetje.
Ik leerde België kennen door Vincent van Gogh, want die heeft in de dagen voorafgaand aan zijn schildersschap enige tijd zeer zwaar werk verricht als amateur-evangelist in de mijnen van de Borinage en zou er aan kapot zijn gegaan als hij geen teken van boven had gekregen hier ogenblikkelijk mee op te houden. Zo niet, dan zaten we nu niet opgescheept met die vreselijke zonnebloemen, maar dit terzijde. Omdat ik ook een tijdje heb geprobeerd te schilderen, kwam ik in de cursusboeken regelmatig Van Gogh tegen en ik ging mij in die man verdiepen. En zo kwam ik terecht in Zuid-België. Daarvóór was ik al meerdere keren in België geweest. In Torhout, vanwege TorhoutRock en weer later naar WerchterRock. Daardoor ging ik ook naar steden als Gent en Brugge en verder zuidwaarts. En zo leerde ik België een beetje kennen.
Veertig jaar geleden ging ik met een gezelschap Ooststellingwervers voor enkele dagen naar Deinze. Het was vanwege de uitwisseling van de zustergemeenten en hoewel ik al niet meer in Oosterwolde woonde, maar op de reeds lang ervoor samengestelde lijst als vrijwilliger van het ‘Vredesplatform Ooststellingwerf’ stond en heel goed mijn mond kon houden, ging ik mee. Een beetje als een verstekeling. Ik wilde mij dit aardig tripje toch niet laten ontgaan. Kort hierna reisde ik af naar de Borinage, naar de vroegere mijnstreek waar Van Gogh een klein jaar vertoefde. Wat betreft de schrijvers dien ik Louis Paul Boon en Willem Elsschot te noemen. Maar ook Dylan Thomas, die geen Belg was, maar wiens beroemde toneelstuk Under Milkwood werd vertaald door Hugo Claus en dit boekje kocht ik bij De Slechte te Leuven, waarna mijn interesse voor het werk van Dylan Thomas een vlucht nam. En dan die andere Engelsman, James Ensor – dandyman en schilder van carnavaleske taferelen. Alsof de ondeugende Tijl Uilenspiegel hem in eigen persoon hiertoe had aangezet. En die vreemde snaak, met die geweldige onderbijt: Raymond van het Groenewoud. Ik kan nog veel meer namen noemen (Urbanus bijvoorbeeld en Kamagurka ….) maar ik moet mij beperken, want ik moet het even hebben over Bart de Wever.
Bart de Wever is premier van België. Daar hebben de Belgen zelf voor gekozen. Eén ding scheelt: Premiers komen en gaan en dus zal Bart de Wever ooit ook weer vertrekken. Bart haalde onlangs de Nederlandse dagbladen. Wat blijkt, hij vindt dat het uiteengaan van de Nederlanden in de 16de eeuw de grootste ramp is geweest die hun is overkomen. Dus niét dat Napoleon hen overliep of dat de Duitsers er zeer desastreus huishielden …. Niks ‘d er van! Het liefste zou Bart de Wever zien dat deze scheiding ogenblikkelijk ongedaan wordt gemaakt. Dat de grens tussen zíjn land en de onze voorgoed wordt gewist. Liever vandaag dan morgen. Krasse taal, dat bij de Belgen aankwam als een donderslag bij heldere hemel. Noord- & Zuid-België liggen elkaar niet zo goed en dan komt die doerak van een Bart de Wever ook nog eens de boel flink opschudden! Dat van die taalgrens is sowieso een dingetje. Al jaren. Onlangs nog werd een conducteur op de vingers getikt doordat hij te Vilvoorde, een stad in de provincie Vlaams-Brabant, een treinreiziger had aangesproken met ‘Goedendagbonjour’. Briljant gevonden zou ik zeggen. Maar ik ben geen Belg, hoezeer ik dat best voor enige tijd zou willen zijn. De Vaste Commissie van Taaltoezicht die toeziet op het gebruik van bestuurstaal -ik verzin dit niet- kreeg een klacht van die reiziger, want “in het Nederlandssprekend deel van België mag men niet worden aangesproken in het Frans, tenzij men ziet of hoort dat de aangesprokene Franstalig is”. Ook dit verzin ik niet. Het spreekt hier zeer nauw! Ik heb zelf weinig te maken gehad met een taalstrijd. Wij zijn in Nederland wat dat betreft tamelijk plooibaar en lachen eerder om onze dialectische capriolen dan dat we er voor knokken (met uitzondering van de Friezen dan en daar weet ik wel iets van). In het Franstalige deel van België kon ik mij overigens prima met Nederlands of Engels verstaanbaar maken. Engels door Franstaligen uitgesproken klinkt alsof ze een rolletje spelen in de televisieserie Allo-Allo. Probeer je daar maar eens goed bij te houden!
Tenslotte nog een aardig bericht uit België. Nergens ter wereld, las ik, worden zoveel ufo’s waargenomen dan boven België. Bij nader inzien zijn het altijd weerballonnen of de Maan die fratsen vertoont, een grappenmaker die iets met een vlieger uitspookt of 1001 andere zaken die vrij makkelijk te verklaren zijn. De Belgische ufologen volharden hun dwaling dat België voor buitenaardse wezens het walhalla moet zijn en dat ze daar graag op af komen. Ze hebben gelijk, die groene mannetjes, want België is schoon en de Belgen zijn plezant. Als Bart de Wever straks is vertrokken, kunnen ze met een gerust hart (áls ze die tenminste hebben!) in het James Ensor-plantsoen in Oostende landen. Niemand zal ervan opkijken. Zelfs de Koning niet. Of zoals Guido Gezelle al schreef ‘Hij moet slim zijn die vos heet’. We weten allemaal welke vos hier wordt bedoeld. Ik vrees echter dat premier De Wever zich met zijn uitspraak heeft overspeeld en in eigen staart heeft gebeten. Dat zal nog flink gaan zweren, wat ik je brom!
26.7.25 Aalscholver Het zal een goede lezer niet ontgaan dat een verhaal of een roman – wat natuurlijk gewoon een verhaal met heel veel zijpaden is- paralellen met het eigen leven kan vertonen. Wij zijn tenslotte allemaal uit hetzelfde hout gesneden en komen voor het grootste deel uit eenzelfde soort baarmoeder ter wereld. In plaats van mensen gebruiken Engelstaligen human beings, wat ‘menselijke wezens’ betekent. Achter dat woord ‘wezen’ kun je je mooi verschuilen. Dat mazzeltje hebben wij niet. Onze oude taalmeesters hebben, calvinistisch als ze toen al waren, elke mogelijke vorm van lichtzinnigheid uitgebannen door elk individu apart te noemen: mens. Geen wonder dat het opperste wezen van alle Aardse levensvormen door een Engelstalige bioloog enigszins van zijn unieke plaats werd geduwd door het keurig in te passen in dat enorme spinnenweb van soorten. Charles Darwin … net wat u zegt. Wij stonden ineens met niet meer dan een zooldikte boven sommige apen – wat wij ons ook verbeeldden! Een menselijk wezen kon niettemin zonder deze wetenschap altíjd al rondburen en hoereren en zijn stik net planten waar hij wilde. Er zijn diersoorten die de ons zo geprezen eigenschap ’trouw’ ernstiger nemen dan wij. Vooral in de vogelwereld. Daar zouden velen van ons een voorbeeld aan kunnen nemen. Maar zouden we gelijk die vogels nooit afwijken van de belofte van eeuwige trouw, dan zouden de schappen in de boekenwinkels -en ook stoelen in de bioscopen- leeg blijven. Want literatuur is bij uitstek de gemeenschappelijke biechtstoel van zowel streng gelovigen als schrijvers/schrijfsters. Zij kunnen hun lusten erin kwijt, hun seksuele escapades, hun tripjes in duistere toevluchtsoorden. Dat is van alle tijden. Daar helpt geen dozijn mantels der liefde tegen. Let wel, ik wil geenszins beweren dat iedereen zich hier aan waagt! Velen houden zich juist graag bij die ene en daarom halen zoveel stellen ook hun gouden of zelfs diamanten huwelijk. Niets mis mee!
Dat is niet weggelegd voor George Zonderes (niet haar werkelijke naam). Zij papt in het boek Zout op mijn huid (van Benoîte Groult) aan met de zeebonk Gaivain. Zij noemt hem al spoedig ‘mijn aalscholver’. Allebei trouwen ze gaandeweg het verhaal maar blijven elkaar door dik en dun opzoeken en fijmelen er tijdens die ontmoetingen als wilden op los. Fijmelen staat tussen aanhalingstekens en is voorzien van een sterretje, dewelke onderaan de pagina wordt verklaard met: ‘Synoniem voor de geslachtsdaad’, hierna nog enkel weergegeven als neuken. Hoewel dit woord al sinds tijden opgenomen is in onze woordenschat, ben ik daar niet scheutig mee. Het boek gaat daar overigens voor een deel wel over. En nu eens niet van de kant van Cassanova, dus geen verbeterde versie van Jan Cremer, en dat maakt het boeiend.
In mijn eigen huwelijk heb ik de aanvechting om het eens over een heel andere bil te gooien nooit gehad. Natuurlijk heb ik weleens tijden van lichamelijke soberheid, van neerslachtigheid, somberte en geestelijke apathie, maar nooit zo erg dat ik alle schepen achter me wilde verbranden. Aan het eind van het verhaal -ze is inmiddels 47- zegt George: ‘Er komt een leeftijd waarop de gebieden die je hebt prijsgegeven niet meer heroverd zullen worden’. Ik wil hier aan toevoegen dat ook het veroveren hieronder valt. Want liefde is een kwestie van geven en nemen.
Aan het eind van het boek sterft Gaivain. George rouwt om haar maatje, haar aalscholver, de man die haar de liefde gaf die ze bij haar twee gewezen echtgenoten niet kreeg. Daarvoor reisden zij de halve wereld rond. Hij vanaf zijn visgrond bij Afrika of de Seychellen en zij vanaf haar werkplek in Parijs. Uiteraard in het geniep. In alle opzichten waren ze aan elkaar gewaagd en toch verschilden ze in elk opzicht enorm. Niet vreemd. Maar op schrift krijgt het een versterkend effect. Je spiegelt je eraan en kijkt naar je eigen gebreken en in het ergste geval kies je partij. ’t Is kunst’, zeg je en slaat met een zekere geruststelling het boek dicht en gaat over tot de orde van de (mogelijk oersaaie) dag.
23.7.25 Delfzijl Ik heb nooit echt meegedaan met afgeven op een dorp, een stad of een provincie, want zo ineens n. komt het je na. Natuurlijk heeft iedereen in deze wel zijn manke stokpaardjes, bij ons was dat lange tijd … Delfzijl. Met plezier begaven we ons naar Appingedam, dat min of meer het zusje is van de havenstad ietsjes verderop. Appingedam heeft drie hangende keukens en verwierf daar wereldfaam mee. Dat heb ik altijd wonderlijk gevonden. Drie van die armzalige uitbouwtjes boven het troebele water van het Damsterdiep; kan het treuriger? Jawel … Delfzijl! Want dat vermeden we om onverklaarbare redenen hardnekkig. We zijn er ooit eens geweest, maar dat kwam doordat ik een verkeerde afslag had genomen en we op een parkeerterrein eindigden die ons in de verte aan dat winderige plein van Appingedam deed denken, maar het duidelijk niet was. Het was een soort fuik. Kortom, we waren geheel tegen onze zin aanbeland in Delfzijl. Dat is al een aantal jaren geleden. Gisteren lanceerde mijn vrouw ineens het idee om naar Delfzijl te gaan. Ik zou niet meer zijn geschrokken als ze Maastricht of Zierikzee had genoemd (veuls te ver). De reden: er zijn in Delfzijl, net als in elke plaats van enig omvang, een paar hele aardige kringloopwinkeltjes. Dat had ze op internet gezien. Voor zulk soort winkels ben ik altijd te porren en dus gingen we vanmiddag naar … Delfzijl.
Ik loop alvast vooruit op mijn relaas, want we hebben geen van de beoogde winkeltjes bezocht. Dat lag natuurlijk weer eens aan mijn geweldige wegenkennis. Daardoor belanden we regelmatig in uithoeken van de provincie waar we helemaal niet wilden zijn, maar die achteraf erg de moeite waard bleken. Door gebruik te maken van een routeplanner of een tomtom zouden we daar nooit zijn terechtgekomen. We zouden eerst naar het MuzeeAquarium en dan die winkeltjes aandoen. Dat is de aan elkaar gescrabbelde naam voor het vroegere zee-aquarium. Daar ben ik ooit eens geweest. Ik herinner het me als een labyrint van waterbakken met vissen. Vooral grote jongens waar het vissersinstinct een enorme boost door krijgt. Maar ik heb geen vissersbloed en vond het helemaal niks. Het was er smerig, het lekte op meerdere plekken en het rook er naar dooie vis. Mogelijk ligt hier de bron van mijn afkeer voor Delfzijl. Maar het nieuwe MA is een prachtig gebouw. Het museum geeft een mooi overzicht van de scheepsvaart en de geschiedenis van Delfzijl. In de eraan gekoppelde bunker bevinden zich een aantal aquariums. Daarnaast is er vanwege de 80-jarige bevrijding een overzicht van de oorlogsverrichtingen in de Delfzijl Pocket, zoals de Amerikaanse bevrijders het noemden. En een overzicht van de verliezen aan Joodse zijde. Er waren meerdere Duitsers onder de bezoekers. Hoe zouden die zich voelen bij het aanschouwen van deze door hun landgenoten aangerichte verschrikkingen? Ze waren allemaal van na ’45 en hadden er dus part noch deel aan. Ik werd precies 6 jaar na Hitler’s definitieve einde geboren.
Na het MA gingen we naar het Eemshotel, om over het water van de Eems uit te kijken en iets te drinken. Omdat het inmiddels al wat te laat was geworden om nog naar die kringloopwinkels op zoek te gaan (we waren voor ons doen behoorlijk lang in een museum geweest) liepen we naar het centrum. Er was markt. Een aardige markt zelfs. ‘Elke woensdag’, zei een man, die ik er naar vroeg, ‘maar vroeger was het veel drukker’. Op zoek naar een brievenbus -al ben ik maar een halve dag van huis, toch krijg ik sterk de neiging een of meerdere kaartjes te versturen, zoals nu naar mijn zus- trof ik een boekenwinkel annex postkantoor en vond in de vergaarbak van onverkoopbare titels Het verbrande kind van Stig Dagerman. Een totaal vergeten Zweedse schrijver. ‘Twee keer gestorven’, zou Jeroen Brouwers zeggen: ‘eerst de schrijver als mens (door eigen ingrijpen, pas 31 jaar) en daarna zijn werk’. Rauwe kost, Dagerman. Jaren geleden las ik al eens Eiland der verdoemden en Natte sneeuw. Mooie vertaald door Bernlef (Hendrik Jan Marsman).
We liepen terug naar de auto. Op het plein waren mannen bezig de boel opnieuw te bestraten. ‘Het wordt mooi’, zei een man in het voorbijgaan met doorrookte stem. Alsof hij het mij er in wilde stampen, mij een tik wilde geven. Een lichte bestraffing voor het veronachtzamen van zijn stad. Ik knikte. We zullen wel zien, want we komen terug. Dat staat vast!
19.7.25 Verzamelliefde Er zijn mensen die al van kinds af precies opschrijven welke boeken ze hebben gelezen. Maarten ’t Hart schijnt zo iemand te zijn. Ik heb dat nooit gedaan en daardoor weet ik niet als ik bij gelegenheid een bepaalde titel onder ogen krijg, of ik het nu wel of niet gelezen heb. Meestal neem ik het dan voor de zekerheid mee.
Vanmiddag heb ik een doos vol boeken bij vier boekenkasten afgeleverd. Ik ben gek op die kastjes (of soms kamergrote kasten). Het fenomeen heette eerst Little Library. Vermoedelijk naar het Amerikaanse gebruik van zulk soort kastjes en mogelijk ook uit gemakzucht. Onze vertaling ‘Kleine Boekenkast’ wilde moeilijk beklijven. ‘Straatbibliotheekjes’ leek mij beter, maar ook dat woord vond geen ingang. Als lezer wordt je al gauw boekenverzamelaar en daarin heb je weer een scala aan soorten, gelijk je bijvoorbeeld hebt onder postzegelverzamelaars ofwel filatelisten. Die verzamelen ook per onderwerp of per land (mooi beschreven door Theo Thijssen in de klassieker Kees de jongen). Boekenverzamelaars werken min of meer op dezelfde manier. Je begint bij een bepaalde schrijver. De eerste boeken op de lagere school die mij bevielen en mij tot verslaafd lezer maakten, waren zonder enige twijfel kwajongensboeken. Dik Trom en De kameleon moeten daar zeker toe worden gerekend. Van dezelfde schrijver als Dik Trom, Cornelis Johannes Kieviet, las ik Okke Tannema, ik denk zelfs wel twee keer, zo ontroerend vond ik het. Het is het schrijnende verhaal van een vader die aan de drank raakt en Okke haalt hem uit de penairie. Prachtig boek! Weer wat later werd het Reis door de nacht van Anne de Vries. Van hem heb ik, net als van Kieviet, veel boeken verzameld en gelezen. De eerste schrijver die ik werkelijk nieuw ging kopen en ook verzamelen was Toon Kortooms. Na zijn fameuze Beekman en Beekman wilde ik alles van hem lezen. De Peel kwam in mijn optiek redelijk overeen met onze Veenkoloniën, met dien verstande dat de roomse Peelers veel vrolijker leefden dan de hervormde kniezebieters oet Drenthe. Allebei in een omgeving van noeste turfstekers. Misschien dat mijn liefde voor de boeken van Toon Kortooms daardoor werd aangezwengeld. Nu kom ik er nog met moeite doorheen en bezit ik nog maar een paar, maar toen (vanaf 1976/77) vond ik die boeken geweldig. Daarna vergreep ik mij langzamerhand aan zwaardere literatuur en begon het langzamerhand een verzameling te worden.
Eén van die deelgebieden waren de Salamanders. De door Emanuel Querido geïntroduceerde reeks goedkope heruitgaven onder de kop ‘De beste, oorspronkelijke en vertaalde romans’ in 1934. Hij volgde hiermee de trend van onder andere de Engelse uitgever Penguin Books. Op zeker moment ben ik die Salamanders gaan verzamelen. Tussen haakjes; wanneer kun je zeggen dat iemand verzamelaar van iets is? Daar bestaat geen aanwijzing voor. Maar op zeker moment kon ik wel zeggen dat ik het wás, want ik moest toegeven aan de drang van die Salamandertjes. En hier kom je op het hellend vlak, want in eerste instantie las ik alle nieuwe aankopen, maar nu kwam ik niet zelden thuis met een tas vol van een rommelmarkt. Ik maakte er ook een speciale kast voor, want had er inmiddels meer dan 200. Daar viel niet tegenop te lezen. Bovendien kreeg ik eens in de drie maanden de Het Beste-boek in een notendop en ieder kwartaal de gids van Boek & Plaat. Ik kreeg het er nogal druk mee. Daarbij kwamen nog enige cursussen en mijn eigen schrijverij. Kortom, die Salamanders verstoften een beetje. Een aantal titels verplaatste ik naar de landen waar de schrijver vandaan kwam. John Steinbeck en Kurt Vonnegut – Amerika; Alain-Fournier en André Gide – Frankrijk; Jakov Lind en Thomas Mann – Duitsland/Oostenrijk (hoewel beiden auteurs voor de terreur van de nazies hun heimat verlieten); Louis Paul Boon – België; Multatuli en Ina Boudier Bakker – Nederland. Maar wat moest ik nog met de ooit briljant genoemde Muriel Spark, met Dorothy Parker, Nancy Wilford of W. Somerset Maugham? Ze zijn totaal vergeten en eerlijk gezegd ook niet meer te lezen. Bovendien zijn ze heel klein gezet en daardoor raak ik snel vermoeid. Als verzamelaar kijk je daar niet naar. Dan ben je helemaal gefocust op de ontbrekende nummers. Die schreeuwen te worden weggestreept.
Vanmorgen heb ik een groot aantal in een doos gedaan en verdeeld over de vier genoemde boekenkasten. Wie weet duikt er een verzamelaar van Salamanders op en die heeft zijn dag. Zou ik zijn doorgegaan met mijn Salamanders-speurtocht, dan zou ik de collectie mogelijk compleet hebben. En dan? Ik ken iemand die bijna alle Ooievaars heeft -dat is ook een pocketserie- en (net als ik) bijna alle boekenweekgeschenkboekjes. Daarnaast verzamelt hij alles van Hermans, Mulisch en Reve; de zogeheten grote drie. Overal waar hij komt struint hij markten en kringloopwinkels af voor ontbrekende titels. Daar heb ik de energie niet voor, bovendien is mijn verzamelliefde platonisch van aard. Ineens is de liefde over. Voor de goede orde; de lege ruimte in mijn kast is alweer opgevuld. Een beetje zoals de regenton na er een emmer water te hebben uitgeschept. Zo makkelijk gaat dat.
13.7.25 Mijn vakantieboekenleestop5 Wat me iedere zomer steeds weer verbaast -en verbazen stond al vroeg op mijn karakterlijstje- is de vraag wat mensen op vakantie aan boeken meenemen. De afgelopen weken kwam ik weer verschillende van die lijstjes tegen. Elk dagblad lijkt zich er aan te bezondigen. Sommige van de ondervraagden zeiden dat ze nog even naar de winkel moesten om wat leesvoer in te slaan en anderen zeiden dat ze inmiddels waren voorzien van een vijftal pillen waar ik normaal gesproken een groot deel van de winter mee toe kan. Kennelijk verslinden zij ze vlotjes tussen bezoeken aan musea, archeologische vindplaatsen en etentjes op terrasjes aan de Côte ‘d Azur, het Meer van Genève of na een mijlenlange voettocht door The Highlands. Ik snap daar niets van. Ik probeerde op mijn reizen zoveel mogelijk op te snuiven van de omgeving en van de mensen. Daarenboven bekennen deze ondervraagden ‘in alle eerlijkheid’ dat ze nog een behoorlijke stapel op hun nachtkastje hebben liggen. Daar zou ik dan toch eerst eens tussen struinen, alvorens de nieuwe Mak, Bomann, Slaughter of Waterdrinker aan te schaffen. Toen ik de zoveelste vakantieboekenbijlage had doorgeworsteld, overdacht ik welke boeken ik ingeval mee zou nemen. Ik kan mij niet heugen ooit boeken -op een enkele verhalenbundeltje na misschien- mee op vakantie te hebben genomen. Ik ging op vakantie om het land te zien, de natuur, de cultuur en om met mensen die ik onderweg tegenkwam kennis te maken. Ik kwam altijd wel met stapeltje boeken terug. Dat dan weer wel.
Sinds mijn leestrek -het achtervoegsel ‘honger’ heeft voor mij nog steeds een beladen klank, vanwege de steevaste en bitse correctie dat wij, naoorlogse jongeren, niet wisten wat honger was- bezoek ik tweedehandswinkels. Vroeger werden die nogal plechtstatig antiquariaten genoemd. Nu de wereld vergeven is van boeken en van titels die de reguliere boekenwinkels amper halen, is het geen kunst om voor dubbeltjesgeld nieuwe of verramsjte boeken te scoren. Hierbij mijn lijstje van boeken die ik onlangs scoorde. Om onder de conifeer in onze tuin of op ons terras te lezen.
1) Afgelopen donderdag uit een boekenkastje onderweg geplukt: Zout op mijn huid van Benoîte Groult. Jawel, een oudje. Ik ging altijd uit van de gedachte dat dit feministisch gelabeld boek niet aan mij besteed zou zijn. Het ziet er nog keurig uit -gebonden uitvoering- en het verhaal is zeer actueel. Hoe ik dat weet? Ik ben er al aan begonnen. Mooi boek. 2) Van Louis Paul Boon Abel Gholaerts, zijn tweede roman. Ik heb aardig wat van LPB gelezen, maar deze kende ik niet. ‘Een verloren boek’, noemt de uitgever het op de achterflap. ‘Antiquarisch’, staat er met potlood voorin geschreven, maar dat hield onmiddellijk op nadat de antiquariaat was ophouden te bestaan en de voorraad -misschien via een omweg- bij de Kanaalster Inbreng belandde. Daar scoorde ik het voor een eurootje. Nummer 3) Leeftocht van Adriaan van Dis. Een royale pil met essays en losse verhalen, geschreven tussen 1990 en 2010. Uit de bak ‘Afgeschreven boeken’ gevist van de plaatselijke bieb. ‘Eurootje meneer’. 4) Marieke Lucas Rijneveld: Mijn lieve gunsteling. Gebonden editie. Splinternieuw. De pagina’s plakten (statisch) hier en daar nog aan elkaar. Uit het schap ‘Nieuwe aanvoer’ van de Veendammer Inbreng. €2.- Aardige toevoeging: 3 boeken voor de prijs van 2. Ik moest even zoeken en vond de verzamelde liederen van Drs. P en nr. 52 uit de serie verhalen van Ollie B. Bommel en Tom Poes van Maarten Toonder. Allebei in puike staat. Samen €3.- En 5) Eens ging de zee hier tekeer van Eva Vriend. Naar de rug te oordelen ongelezen. Uit de tuinkast bij Kostvlies, waaruit ik al vaker aardige vondsten heb geplukt. Gratis dus.
Ziehier, het boekenlijstje voor mijn thuisblijfkoffer. Het zijn schrijvers die ik met zekere regelmaat of in andere gevallen nog sporadisch tegenkom in de boekenbijlagen. Wiens boeken men blijvend kan lezen en die meerdere keren werden of en soms nog steeds worden herdrukt. Nieuwe boeken, dus voor de volle prijs, koop ik nog maar weinig. Het is natuurlijk volkomen juist dat als er geen nieuwe boeken meer zouden worden uitgegeven en dus gekocht, de schappen in de winkels leeg zullen raken. Bovendien verschijnen er ontzettend veel boeken die verhalen over deze roerige tijd. Over de nasleep van verre en nabije oorlogen, over de naweeën van de coronajaren, milieuproblematiek, de mens in verwarring tot en met de huidige geopolitiek, polarisatie alom en afbraak van de Moeder Aarde. Daardoor zijn kennisbronnen zoals boeken enorm belangrijk en romans kunnen daartoe een belangrijke bijdrage leveren. Maar aan de andere kant is het misschien niet eens zo’n slecht idee dat mensen die op vakantie gaan, eerst even neuzen in de voorraad die al tijden op het nachtkastje ligt te verstoffen. Daar zit vast wel iets aardigs tussen.
11.7.25 ’t Is niet waar! Stel je voor, je zit in je keurig aangeharkt tuintje, voor je keurig ingericht huisje een theetje te drinken, er stopt een auto bij het hek, waaruit een man en een vrouw (beiden ongeveer 53 jaar) stappen die zich aandienen als de nieuwe bewoners van het ontroerend goed. ‘Nummerooh 52 toch?’ ‘Pardon’, zegt u ‘wat krijgen we nou, dit huis is helemaal niet te koop. Scheer je weg!’ Maar de man, bijgestaan door zijn aalgladde wederhelft, leggen notariële stukken op tafel, zodat u in een minuut bent beroofd van uw ontroerend goed. Ik verzin dit uiteraard, maar het gevaar is denkbeeldig. Namelijk: Housejacking. Dat is zoiets als carjacking. Je staat ergens voor het stoplicht, je deur wordt opengetrokken, iemand rukt je met één haal vanachter het stuur vandaan, je duikelt op straat en ziet je dure Audi wegscheuren. Want het waren (of zijn mogelijk nog steeds) vaak Audi’s. Een huis is natuurlijk wel even wat anders. Het is niet verplaatsbaar, althans dat gebeurt heel zelden. Maar vanmorgen las ik een bericht over een mevrouw die al jaren in Spanje een huis bezat en in dit huis woonde. Na een paar weken vakantie keerde zij terug en trof twee wildvreemde mensen aan in haar huis. Zij zeiden dat ze de nieuwe eigenaren waren. Ze hadden het huis net gekocht. Gewoon via een makelarij en ondertekend door een notaris. Alles zwart op wit. Dat kan toch niet waar zijn, denk je dan. Hopelijk is het weer goed gekomen met het huis van die mevrouw en mogen de makelaar & de notaris een paar maanden klaverjassen in een Spaanse cel. Maar het geeft toch te denken.
Wij gaan nooit op vakantie, zijn zelden langer dan 5 à 6 uren van huis en sluiten de boel altijd goed af. Niettemin let ik altijd op auto’s die zich vreemd gedragen, die een tijdje bij ons geparkeerd staan en waarvan de chauffeur meer doet dan alleen zijn blaas legen tegen een van de bermbomen. In zulke gevallen schrijf ik stiekem het nummer op van de auto, het merk en de kleur. Mijn vrouw vindt dat een beetje overdreven en ik moet eerlijk bekennen dat zij tot op heden gelijk heeft gehad. Maar met het enorme huizentekort en de duizenden wanhopig zoekenden, ligt het voor de hand dat iemand tot iets raars in staat kán komen en na bovenstaand krantenberichtje denkt: ‘Dat kan ik ook én beter’. Voor het beoefenen van inbreken, ben je geen Hogere Wiskunde nodig, dat weet iedereen. Ons huis, nummer 52, is ooit door twee ongenode gasten betreden. Dat gebeurde op een vroege herfstavond, iets van 30 jaar terug. Ik -toen nog alleenwonend- had middagdienst en bevond me op 22 kilometer afstand. De daders waren twee mannen in een BMW. Dat hoorde ik een uurtje later van een buurtgenoot in het bijzijn van de politie. Ze zei: ‘Ik dacht nog wat komt daar een hoop lawaai vandaan’. Dat was het geluid van twee tegels door het raam van de zijdeur. ‘Even later reden ze met gierende banden weg’, besloot ze haar getuigenverslag. Van inbrekers is bekend dat ze nooit lang in het object blijven. Hoogst zelden komt het voor dat inbrekers er na het toe-eigenen van de poet een feestmaal gaan aanrichten. Het pand zelf stelen ze niet. Daartoe zijn ze niet opgeleid. Teveel werk ook en te zwaar. En dan, waar laat je zo’n ding? Nee, dan kun je beter als nepagent of ongediplomeerde bankmedewerker oude, gebrekkige eenlingen opzoeken en die van de nodige sierraden en geld beroven. Karakterloos, misselijk, schofterig en gemeen – maar: schoon en soms heel lucratief.
Uitgaande dat een gewaarschuwd mens voor twee telt, heb ik vanmiddag mijn verzekeringsmaatschappij gebeld en gevraagd of onze polis uitgebreid kan worden. Tegen Housejacking. ‘Huisdiefstal’, zoals hij het vertaalde. ‘Geen probleem’. Ik gaf hem op zijn vriendelijk verzoek mijn gegevens, mijn wachtwoord en mijn pinpascode. Daarna zei hij dat hij de aanvraag zou versturen en hing op. Dat komt vast goed! Want als je je verzekeringsmaatschappij al niet kunt vertrouwen, waar blijf je dan??
(ps. De gegevens van dit stukje berusten voor een groot deel op waarheid. U mag zelf bepalen welke niet. Doe er uw voordeel mee!).
9.7.25 Kleine ode aan het gebit Als je die mooie verhalen, die verhalen die bol staan van romantiek en sensualiteit, mag geloven, dan zijn onze ogen het belangrijkste keurmerk van de liefde. Daar kun je feitelijk niets in zien tenzij je ingevoerd bent in de iriscopie of in de oogheelkunde, maar toch valt menigeen er voor. Liedjes gaan veelal over de liefde en daarin spelen ogen ook een belangrijke rol. Ik zal niet zeggen dat ik nooit ben gezwicht voor een paar mooie ogen. Natuurlijk wel! Maar afgezien van het belang van goed zicht, heb je zeker zoveel aan een goed gebit, maar daar zingen die slijmerds niet over. Ze verdrinken wél in de poelen van iemands ogen, smelten voor iemands lippen, krijgen acute hartritmestoringen, maar zwijgen over haar (of zijn) tanden, terwijl die toch ook een plaatje kunnen zijn. Gemeen hebben ze dat ze allen slijten. Gaat het met het zicht minder, dan neemt men een bril en zo’n montuurtje kan nog heel aardig staan ook. Gaan tanden of kiezen pijn doen, dan herstelt de tandarts dat, zover mogelijk. Het vreselijkste woord in mijn jeugd was plomberen. ‘Opvullen van een holte in een tand of kies met goud, cement of amalgaam’, zegt het Zakwoordenboek der Geneeskunde. Cement! Beton in je mond. Stel je voor! In mijn jonge jaren lieten mensen hun gebit mede om dat plomberen maar te voorkomen, bij de eerste de beste narigheid trekken. Alles ‘d eruit, was het toverwoord. Ik hoorde weleens dat er mensen waren die ervoor naar Amsterdam gingen, waar de hele santenkraam de ene dag werd getrokken en de volgende dag kregen ze al een nieuw gebit aangemeten. Klaar was Kees! Dat leek me helemaal niks. Toch ging ik pas naar een tandarts toen het echt nodig was en dus feitelijk veel te laat. Ik dien hierbij aan te tekenen dat ik net voor de komst van de schooltandarts aanliep en daar maar wat blij om was. Want de geluiden over die schooltandarts waren niet mals. Rond mijn dertigste kreeg ik na enig sloop- en herstelwerk een paar bruggetjes. Klein Deltaplan, noemde ik het. Het kostte een vermogen, maar heb er ruim 40 jaar plezier van gehad.
Ineens -half december vorig jaar was het- brak een van de pijlers van bruggetje 1 spontaan af. Amper een maand later gaf bruggetje 2 er ook de brui aan. De houdbaarheidsdatum was echt verlopen. ‘Normaal gaan ze zo’n 20 jaar mee’, zei mijn tandarts, dus ja …. Plotseling miste ik de helft van mijn bovengebit. De tandarts + tandtechnicus brachten heel kundig een mondstukje aan. Dat lijkt in ieder geval goed -het algemene plaatje wil ook wat!- maar kauwen blijft toch een beetje behelpen. Ik begrijp dan ook werkelijk niet dat mensen vroeger vaak al op jonge leeftijd hun hele hebben en houwen zo makkelijk lieten trekken en zich de rest van hun leven moesten redden met een flapperend, slecht zittend, vals gebit. Behandelingen aan tanden en kiezen was vergeleken bij nu een drama en dus wilde men dat zéker niet. Dat is begrijpelijk, maar zal er nooit iemand geweest zijn die gewag maakte van zo’n onding in je mond? Het was kiezen tussen twee kwaden en daarom koos men (zie boven) noodgedwongen voor trekken. Dan was je voorgoed van het gedonder af.
Mijn mondstuk rust voor een deel op enkele achtergebleven kieswortels. Dat kan op zich geen kwaad. Maar vorige week kreeg ik ineens hevige pijn in een van die wortels. Het bleek dat die was gaan ontsteken. Van betonrot kon geen sprake zijn. Vanmorgen heeft de tandarts de wortel en dus ook steunpunt voor het mondstukje verwijderd. Dat ging met veel moeite. ’t Was een ouwe jongen. De vraag is nu of ik met het mondstuk nog wel goed kan eten. De wond moet eerst goed genezen, dan zien we wel verder.
Daas nog van de verdoving liep ik naar de supermarkt waar mijn vrouw in de tussentijd boodschappen was gaan doen. Op haar bezorgde vraag hoe het ging, zei ik met een schorre stem ”t Gaat’. Ik nam enkele gezinszakken bruine bolletjes van het schap en iets verderop een paar blikken soep om het brood in te dippen. Af en toe een paracetamolletje er tussendoor en flink veel thee om de ellende weg te spoelen. Want dat is het: ellende. Daarom begrijp ik ook niet dat liedjesschrijvers en liedjeszangers nooit verder zijn gegaan dan zwijmelen over ogen. Over andere organen dan dezen en het klokhuis van ons lichaam, het hart, kan men denkelijk niet schrijven, laat staan zingen. Behalve misschien als het om plat vermaak of cabaret gaat. Een kleine ode aan ons gebit zou de top-tien daarom niet misstaan. Er hangt immers veel af van goede spijsvertering en dat begint bij goed kunnen kauwen. Hoe vaak zien we romantiek niet verbeeld op een terras met kaarslicht en wijn en overdadig veel voedsel …. En dan zien we de blikken over en weer gaan en soms een vluchtige zoen. Met een vals gebit is dat trouwens ook niet alles! Die ogen zijn er voor het gevoel, voor de dramatiek, maar de tanden doen het zware werk. Zij verdienen meer dan dat. Dat weet ik nu uit ervaring.
7.7.25 Beschadigd Er zijn onderwerpen waar ik niet of met moeite over schrijf. Ten eerste, omdat het niemand iets aan gaat en ten tweede, omdat ik de woorden die hier voor nodig zijn in het daagse leven niet makkelijk gebruik en met evenveel moeite op papier krijg. Dat is misschien raar, want ik heb als tiener de flowerpowertijd meegemaakt en kreeg al doende de onbeteugelde revolutie van de vrije seks mee via muziekbladen, boeken en als kijker van films. Nu was ik wat betreft de meisjes een trage starter, mogelijk of nee ik weet het wel zeker, afgeremd door de stoere praatjes van leeftijdsgenoten. Deze waren echter ver bezijden de waarheid. Ik noem het voor het gemak het Jan Cremer-syndroom. Jan Cremer beweerde op zijn achtste al een vrouw te hebben ontmaagd en daar trokken vooral de stoere jongens zich nogal aan op. Nu zijn het de Andrew Tate-look-a-likes. Als je als ontluikende jongere niet aan dat beeld kunt voldoen, kruip je in je schulp of overschreeuw je jezelf. Uiteindelijk komt het meestal wel goed met die jongens. In zijn zwakheden vertoond zich immers de ware mens. Niettemin liet ik praten en schrijven erover links liggen.
Tot begin 2018. In het najaar van 2017 werd er bij mij kanker geconstateerd. Wat aanvankelijk een verdikking, mogelijk ontstaan door een ontsteking leek, groeide uit tot een kankergezwel. Dat was schrikken. Misschien had het te maken met het gevoel dat mijn leven op z’n eind liep en het dus niet uitmaakte dat iedereen wist dat ik al niet meer de man was waarvoor men mij hield, bekende ik vrij makkelijk wat mij mankeerde: peniskanker. Dat betekent in de meeste gevallen verwijdering van het gezwel wat neerkomt op amputatie van de penis en verlegging van de plasbuis. Ik was verbaasd dat ik er zo openlijk over was. ‘Nederland is kampioen in waterwerken’, zei ik soms, alsof het allemaal niet zoveel voorstelde. Maar ik nam schrik waar bij de luisteraars. Het was dus wel degelijks iets! Nu bijna acht jaar later ben ik er niet meer zo scheutig mee. De wond is geheeld, zou je kunnen zeggen. Misschien was die loslippigheid onderdeel van de verlamming, van de gedachte aan de aanstaande lichamelijke verminking. Maar na de twee operaties en het herstel, groeide ik spoedig over het gemis heen en sloot zich langzamerhand de doos van Pandora.
Mijn grote angst was natuurlijk hoe het leven eruit zou gaan zien als geamputeerde en dan met name hoe zwaar de blikken zouden voelen van mensen die ervan wisten. Dat viel erg mee. Voor vrouwen met borstkanker -menigmaal vergeleek mijn arts mijn amputatie met die van een borstkankerpatiënt- is dat gemis veel zichtbaarder. En nu kom ik op een bericht dat ik enige weken terug las en later ook op de televisie zag; over een mevrouw uit Zoutkamp (naam bekend) die door borstkanker beide borsten verloor. Een groot aantal operaties hadden diverse littekens nagelaten en deze zorgden ervoor dat zij heel slecht kleding over haar torso kon verdragen. Omdat zwemmen werd aangeraden voor het versterken van haar spierweefsel, kreeg ze goedkeuring van het bad om met ontbloot bovenlichaam te zwemmen. Maar er kwamen klachten bij het zwembad. Enkelen stoorden zich eraan. Aan de littekens en/of aan het feit dat zij als vrouw geen bovenstukje droeg. ‘Maar ik heb daar helemaal niks meer’, huilde zij in het televisieprogramma. Zij had ook niet gewild dat zij lichamelijk zo beschadigd was. En of mensen met één arm of één been dan ook maar geweigerd moesten worden. Ik had enorm met haar te doen en zat het met een dikke krop aan te zien en horen. Als jongere ben je gefixeerd op iemands lichamelijke vorm en schoonheid, maar naarmate de tijd verstrijkt, vlakt dit steeds meer af. Letterlijk! Wees tevreden met wat je hebt, denk ik ook nu weer bijna hardop. Misschien heb ik makkelijk praten. Ik wilde mij al niet in het zwembad bewijzen of in een doucheruimte na een uurtje sporten met een clubje stoere klasgenoten. Nog hoor ik de lachsalvo’s vanuit de doucheruimte van de school en dat was beslist niet uit bewondering voor iemands geslachtsdeel. Gelukkig gaf ik niet om sport. Ik weet: het kan meer kapot maken dan je lief is.
In het hilarische verhaal Naakt, van de Amerikaanse schrijver David Sedaris, trof ik een mooie scene om de schrik aan te geven iemand te treffen zonder penis. Het speelt zich af op een naaktcamping. De schrijver verblijft hier een week om te ervaren hoe dat voelt: ongekleed en tussen andere ongekleden. Hij treft een oudere man bij het zwembad en schrijft: ‘Het lid was niet verschrompeld door het koude water, het ontbrak gewoon. Waar de penis had moeten zitten, bevond zich alleen een kleine holte. Hij zag me kijken en zei: ‘Vind je het warm genoeg?’
Hopelijk komt er voor die mevrouw uit Zoutkamp een dag dat mensen dit ook tegen haar zullen zeggen: ‘Vind je het warm genoeg?’
4.7.25 De eeuwige slaap (OverlijdensAdvertentieBovenschriften 7).
Een stukje ten Westen van Sellingen bevindt zich het Theater van de Natuur. Dat klinkt groots en dat is het ook. Alleen het is geen theater zoals wij dat kennen als een vrijplaats waarin voor het oog en het oor van een publiek theater kan worden gespeeld. Want het leven is naast het barre en boze óók een schouwspel waarom men onguur kan lachen. Ooit ontstond Reinaarde de vos, stammend uit de 12de-13de eeuw, als een openluchtspel en zo wordt het heden ten dage hier en daar nog steeds opgevoerd. Maar het theater bij Sellingen is een heuvel, die men door middel van een uit granieten platen bestaande trap kan beklimmen. Daar aangekomen vindt men er een stenen bank en kan men in alle rust uitkijken over het Ruiten Aa-gebied. Om zich niet bekocht te voelen, staat er op een staander een model van een toneel, waardoor men het landschap op deze ludieke wijze kan aanschouwen. Natuur gezien vanuit het theater, als een voorstelling. En ook: Westerwolde op zijn mooist.
De 15 treden van de trap die ons hier naartoe voert, zijn voorzien van gedichten van 15 Nederlandse dichters. Van Kees Stip t/m Jan Mulder. Een vreemde eend in de bijt is de bijdrage van Harry Muskee, want in het Engels. Het is een couplet uit een lied van hem, getiteld: The Big Sleep. Ik weet niet in hoeverre Harry zich bij het schrijven van deze tekst heeft laten leiden door het boek van Raymond Chandler uit 1939 met dezelfde titel en later ook verfilmd met onder andere Humphrey Bogard als snode privédetective. De strofe van Harry gaat over de intense verspilling van aardse grondstoffen en hij beziet de mens als een langslaper die hierdoor de wereld naar z’n mallemoer helpt. Ik denk hierbij aan de omineuze woorden ‘Gaat u maar rustig slapen’ van Minister-President Hendrik Colijn aan de vooravond van De Tweede Wereldoorlog. Harry was naast begeesterd blueszanger ook erg begaan met de natuur en de dieren. Van al die dichtregels op die trap, hield mij die van Harry het meest bezig. Tikt men The Big Sleep in op de zoekmachine, dan verschijnt er naast genoemd boek & film een Nederlandse vertaling, dewelke luidt: De Grote Slaap. Letterlijk correct, maar weinig in gebruik en ook lelijk. Dan gebruiken we toch liever Eeuwige Rust of Slaap Zacht. Deze woorden staan niet zelden in een overlijdensadvertentie of als epitaaf op een grafsteen.
Jan Wolkers is duidelijk over die eeuwige rust: Er is geen wakker worden aan schrijft hij. De grote William Shakespeare doet een voorzet met We are such stuff as dreams are made of, and our little life is rounded with sleep. Met andere woorden: de mens is van droommateriaal gemaakt en omgeven met slaap. Probeer daar maar eens uit te ontsnappen! Het aardige is dat dit uit het laatste stuk komt van Shakespeare. Was hij al bezig al het aardse onheil van zich af te schudden en zich als een ongevaarlijke paladijn voor te doen voor het eventuele naleven? Zou best kunnen. Behalve zijn voornaam, heb ik niets met hem en heb maar enige van zijn doorwrochte werken gelezen. De Vlaamse experimentele dichter Paul van Ostaijen past me beter. Hij verbeeldt de Grote Slaap in een soort wiegenliedje: Slaap als een reus / slaap als een roos / slaap als een reus van een roos / reuzeke / rozeke / zoetekoeksdozeke / doe de deur dicht van de doos / Ik slaap. Het versje, getiteld Berkeuse 2, wordt ondanks de aanduiding dat het om een slaapliedje gaat, regelmatig boven een ons ontslapene geplaatst. Men zou toch beter moeten weten óf juist niet, want die doos komt -voor als men wil!- toch tamelijk duister over. C. Buddingh’ (in het daagse leven Kees Buddingh’) speelt alvast in op het voorland met: ‘s Avonds vooral: heel je omgeving slaapt, / je leest en luistert, glimlacht en grijnst, nog onverstorven voor je uit. Voor een ander ons verlatene is geen hogere dichtkunst nodig en dus ook geen dichter. Het opent de OA met: Ik ga slapen, ik ben moe …. Eerlijk, recht door zee, want sterven is voor velen een ‘bovenmenselijk karwei’ (die woorden ben ik meerdere keren tegengekomen). Jules Deelder daarentegen schreef de dood flierefluitend van zich af met: Als ik mijn ogen toedoe / ben ik in Honoloeloe. Het kan om een dutje gaan, maar ogen toedoen zegt iets meer dan dat. Deelder, Rotterdammer in hart en nieren, kon het net als mijn Rotterdamse schoonmoeder, smeuïg zeggen. Als iets haar niet zinde, heette het al gauw dat men allemaal kokeleko was. De overledene die ons lezers de woorden van Deelder als zijn afscheidsgroet toeroept, zal het dan ook niet zo zwaar menen. Honoloeloe is daarenboven ook inwisselbaar voor Timboektoe of Ziedaareenboekoe of Waarisdekoekmoe – enzovoort.
Terug naar het Theater van de Natuur. Wij ontdekten het bij toeval. Nadien zijn we er meerdere keren geweest en hebben de treden enkele keren met een meegebrachte bezem van bladeren en zand ontdaan. Want de poëzie van het Theater waait nogal onder en bij de gemeente zal wel geen post zijn van traptredenpoetser. Daarna dronken wij op de top van de piramide als een faraospan onze meegebrachte thee en genoten van al hetgeen ons omringde. En we vierden in stilte het leven en memoreerden die 15 dichters. En daarna gingen we -een ervaring rijker- weer op huis aan.
30.6.25 Oergrond Soms heb ik het eigenaardige gevoel een gedicht te moeten schrijven. Dat gevoel kan soms heel lang uitblijven, maar ik treur daar niet om want ik heb geen afspraak met iets of iemand eens in de zoveel tijd een versje te moeten produceren. Vanmorgen kreeg ik tijdens mijn loopje met Rossi een regeltje in mijn hoofd dat gaandeweg uitdijde uit tot een versje. Er zijn dichters – ik wil mij beslist niet zo noemen- die soms dagen, ja zelfs weken werken aan een gedicht. Dat kan ik niet, ik ben te ongeduldig. Het moet uiteraard allemaal wel kloppen wat ik te berde wil brengen en daarbij moet het leesbaar zijn. Aan geraaskal heeft niemand iets. Het schrijven van gedichten staat wat dat betreft bij mij niet in een hoger aanzien dan het schrijven van verhalen of -zeker niet!- een roman. Welnu, dit heb ik ervan gebakken. Als titel heb ik ‘Darwin voor beginners ‘ bedacht (maar ben daar nog over aan het dubben). Dat kan dus nog veranderen.
___Darwinisme voor beginners___
Ik ben van boerenafkomst en dat merk ik / als ik door de landerijen loop / en zonder dat ik op een wonder hoop / soms rillingen ervaar waarvan ik schrik. //
Bij aardappelen in bloei en wuivend graan / met een speelse leeuwerik erboven / wil ik bijkans in een hogere macht geloven / die me uitlegt hoe dit alles is ontstaan. //
Waarom een vogel vliegen moet – dat er / dieren los van de aarde moesten komen / of leven in speciale bomen / of zijn veroordeeld tot het water. //
Zo worden mijn loopjes gelardeerd / en begint mijn hoofd onguur te malen / Woorden worden zinnen en verhalen, / waarheden opgetuigd of omgekeerd. //
Naar mijn idee is al wat leeft de som / van variatie, mutatie, weersomstandigheden …. / Een evolutionaire strijd, door ’t geloof omstreden / maar moeder Aarde heeft lak aan het christendom.
Genoeg gemijmerd / en ik ben nog niet halfweg. / Ik zwaai m’n wandelstaf en zeg / ‘de wereld komt goddank nooit af’.
28.6.25 Slijmsporen Er zijn heel veel woorden die ik niet gebruik. Ze staan me tegen, zou ik kunnen zeggen. Mag je een woord dat aandoen, zeggen dat je het niet gebruikt? Een woord als ‘eng’ bijvoorbeeld gebruik ik zelden. Wanneer las of hoorde ik dat woord voor het eerst? In een boek of misschien bij ‘Ja zuster, Neen zuster!’, die prachte tv-serie met onder andere Hetty Blok, Leen Jongewaard en Wim Sonneveld? Zou best kunnen. Want in die serie zat een buurman die werd betiteld als eng. Dat woord stond voor bekrompen, benepen, griezelig, kleinburgerlijk. Ik moest daar als ik het later hoorde, altijd aan denken. Aan Ja zuster Nee zuster. Er zijn in de grote buitenwereld heel veel enge mensen en hele andere dan die boze buurman uit de serie van Annie M.G.Schmitt. Vooral de hedendaagse ongrijpbare doerakken die dood en verderf (of zoals onze zuiderburen zullen zeggen: verderf en dood) zaaien, kan men zonder voorbehoud eng noemen. Kleefde er aan het woord eng voor mij altijd een ietwat kinderlijk toontje en zeker wanneer mannen het gebruikten, nu wordt het juist gebruikt voor mannen. Overdreven stoere mannen. De Andrew Tates, de Donald Trumps, de Elon Musks – dat soort mannen. Mannen die van gekkigheid niet weten hoe ze het meest kunnen opvallen. Erger nog dan hun exorbitante patserigheid, is hun vrouwenhaat. Daaruit blijkt vooral hun onbeholpenheid jegens het andere geslacht. Andrew Tate dacht dat hij milieuactiviste Greta Thunberg kon imponeren met zijn 33 Bugatti’s en MG’s maar kreeg de deksel op zijn neus en nu is het Amazone-oprichter Jeff Bezos die de wereld laat weten hoe groot zijn ego wel is door gans Venetië af te huren voor zijn bruiloft. Kosten? Ach, wat maakt het uit. Helaas voor hem, de wereld valt niet om van verbazing, eerder het tegendeel. ‘Het is puur en alleen om hun zwakte te camoufleren’, zei de gouverneur van Maine, Janet Mills, onlangs in een vraaggesprek. Zij heeft zoals haar grootste opponent, DJT, aangaf, haar op de tanden en dat kan hij slecht verdragen. Mannen oké, maar vrouwen …. nee! Het is een uitdrukking om aan te geven dat iemand goed van de tongriem gesneden is en zich niet zomaar met een kluitje in het riet laat sturen. Zij neemt het daarnaast op voor transmensen en daar win je bij de meesten conservatieven geen stemmen mee.
Daarover gesproken: In Boedapest liepen vanmiddag -ondanks het verbod van president Orban- duizenden in de PrideParade mee. Daar is moed voor nodig. Het werd meteen een protest tegen de dictator, want hij is één van die helaas vele enge (lees: vreselijke, gevaarlijke) staatshoofden die elk geluid dat niet in hun conservatieve straatje past veroordelen en het liefst hardhandig neerslaan. Zij zouden hun opponenten of mensen die ze om wat voor reden ook niet aanstaan, met zoutzuur willen overgieten, gelijk sommige mensen doen met slakken om ze te weren van hun bloemen en groenten. Maar we kunnen tegenwoordig bijna elke voetstap volgen en ze daardoor veroordelen. Daar zijn geen slijmsporen voor nodig.
Vergeleken met de huidige enge mannen, was die boze buurman van ‘Ja zuster, Neen zuster!’ maar een doetje. Ook een woord dat wij als jongens onder elkaar niet gebruikten. Je zou wel wijzer zijn!
25.6.25 Het woord Rutten The Beast is weer vertrokken, hoorde ik op het nieuws. Ik vermoedde dat men hiermee het voertuig bedoelde waarmee DJT zich van het Staatsvliegtuig naar de NAVO-top te Den Haag verplaatste en niet de passagier. Dat het zo expliciet genoemd werd, geeft wel aan dat het om meer gaat dan een rollator die men makkelijk dichtklapt en als handbagage meeneemt.
Ik moet voor ik het vergeet even iets rechtzetten. Amper 24 uur geleden voorzag ik een te vroege landing van het genoemde US-vliegtuig. Het was een loze vorm van wensdenken en het zou zeker de hoogste baas van de NAVO geen goed hebben gedaan. Dat spijt me. Het vliegtuig landde namelijk veilig en alles liep/reed vervolgens op rolletjes. Meneer -zeg maar Mark- Rutte had DJT zo halverwege de overtocht al een ronkende mail gestuurd, waar DJT geen genoeg van kon krijgen. Mark noemt hem in deze airmail bij zijn voornaam, Donald. Dat is voor niemand weggelegd. Donald heeft er naar hij zelf op Truth Social schreef, HEEL hartelijk om gelachen, omdat hij al sinds jaar en dag door iedereen Mister President wordt genoemd. Ook door zijn kinderen, zijn vrouw en zijn personeel. Hij wist al haast niet meer dat hij eigenlijk gewoon Donald heet. Zijn wensenlijstje bevat de vraag wanneer hij eindelijk die verdomde Nobelprijs voor de Vrede eens op kan halen, maar in Zweden zit het comité intussen zwaar te dubben hoe hier een mouw aan te passen. Mag zij de keuze misschien zelf niet meer bepalen? Moet zij om meerdere redenen DJT boycotten van deelname of hem met een zelf in elkaar gefröbeld prijsje afschepen? Iets wat glimt, vooral dat, want daar is-ie gek op. Het is immers niet eerder voorgekomen dat een ‘mogelijke’ Nobelkandidaat zichzelf voordraagt. Van de Roemeense tiran Nicolae Ceausescu is bekend dat hij zich allerlei prijzen toebedeelde. Vooral van sporten waarin hij zogenaamd uitblonk. Of die sporten wél of niet bestonden, dat deed er niet toe. DJT begint dezelfde strapatsen te vertonen. Maar aan de NAVO-chef zal het niet liggen. Eergisteren maakte hij trouwens een uitglijer door te zeggen ‘I do not want to slime’ in een tv-interview. Dat was lachen geblazen, hoewel wij ook even niet wisten hoe we ‘Ik wil niet slijmen’ moesten vertalen, want die uitdrukking gebruiken we nooit. ‘Pluimstrijken’ komt in de buurt, maar dat is zo typisch Nederlands. Mark verdient meer!
Onze 4 keer gelauwerde Minister-President en nu hoogste baas van de NAVO, zal naar ik vrees de woordenboeken in gaan als een op 25 juni 2025 gemunte eponiem (van mij, dat dat even gezegd is, want straks gaat iemand anders ermee aan de haal). Een eponiem is een woord dat gevormd is uit de naam van een persoon en krijgt een betekenis waar hij of zij bekend om stond of -in dit geval- om staat. Bekende voorbeelden zijn: Boycotten, naar de Engelse rentmeester Charles Boycott (1832-1897), die door zijn pachters zo gehaat werd dat zijn afnemers zijn producten voorgoed weigerden te kopen. Fröbelen, naar de Duitse pedagoog Friedrich Fröbel (1782-1852), die creativiteit boven winst beschouwde met het handmatig fabriceren van allerlei voorwerpen. Pulsen, naar de nazigetrouwe Amsterdamse verhuizer Abraham Puls (1902-1975), die gedurende De Tweede Wereldoorlog huizen van weggevoerde Joden leeghaalde en daar rijk van werd. Zo zijn er nog talloos andere. Ik munt hier dus het werkwoord Rutten. Ik rut, hij rut, hij heeft gerut, zij hebben gerut …. Het woord rutten -afgeleid van Mark Rutte, Nederlandse politicus, NAVO-chef-, staat in mijn uitleg voor ‘het bijna letterlijk bij iemand die men wil paaien naar binnen kruipen’. ‘Hij rut’ betekent dat iemand vreselijk overdrijft – zo erg, dat de aangesprokene wel moet reageren met: ‘Nounou, het kan wel een tandje minder dacht ik zo’. Het is vergelijkbaar met ‘iemand stroop om de mond smeren’ of ‘bij iemand in het gevlij willen komen’ of ‘iemand het graf in prijzen’. Maar het is nóg meer dan dat. Het woord zal zijn weg wis en waarachtig in de Nederlandse taal vinden, net als de bovengenoemde woorden ook niet meer weg te denken zijn uit onze taal. Helaas hebben dergelijke woorden vaak een negatieve klank. Ik weet echter zeker dat onze Mark daar schaterlachend overheen zal springen, want wat is er mooier dan een plaatsje voor de eeuwigheid in de dikke Van Dale?
24.6.25 Marionettenspel Hoe zal ik het zeggen: ik ben een beetje ontregeld, mijn ritme is verstoord, noem het maar van slag. Niet dat ik zo snel van het padje ben, maar nu toch wel. Het is 15.26 uur en het vermaledijde US-vliegtuig met ’s werelds grootste scoundrel (bullebak, ellendeling) vliegt in de buurt van de Azoren en zal tussen 18.00 en 19.00 uur (Nederlandse tijd) op Schiphol landen. Het verkeer tussen de landingsbaan en het World Forum te Den Haag ligt al stil en de weinige onverlaten zullen met harde hand in de berm worden gesommeerd, want de allerhoogste Highness die de vingers van menig staatsman of staatsvrouw tot moes heeft geknepen of nog zal knijpen, kan over enige uren in de grootste en zwaarste automobiel die de wereld kent passeren. Nooit eerder voelde Nederland, dat op de wereldkaart niet groter is dan Madurodam, zich zo belangrijk. Ze strekt haar schouders en maakt een hele lange neus naar de rest van de wereld, want ze heeft het voor elkaar mister Amerika -al is het maar voor een etmaal- binnen haar grenzen te hebben. Wat zeg ik: binnen haar poorten! Netanyahu kan naar hem fluiten zo hard hij wil, maar DJT is even van ons! De wapenstilstand tussen Netanyahu en Khamenei duurde dientengevolge niet langer dan een adempauze. Kim Jong-un zet zich schrap en ziet zijn kans schoon zuiderbuur nu echt aan te vallen, Xi Jinping overweegt Taiwan in te nemen, Vladimir Poetin (The Great Poet) overweegt nu serieus de Baltische Staten in te pikken om Oekraïne te laten zien wie de juiste kaarten heeft en Recep Erdogan maakt korte metten met de Koerden. Dat kan allemaal, omdat DJT boven de Atlantische Oceaan een MAGA-burger naar binnen zit te werken en op het moment geen aandacht heeft wat er zich buiten zijn vliegende ovale kamer (the flying oval room) bevindt. (Tussen haakjes: Verongelukte het vliegtuig met Glenn Miller niet in het gebied waarboven DJT zich nu ergens moet bevinden? Nooit meer een spoor van Glenn teruggevonden. Geen toeter – niks! Het kan dus nog heel anders verlopen).
Ondertussen poetsen de 27.000 opgetrommelde politiemannen en -vrouwen heimelijk hun uniformknopen, want His Higness kan zich ongelooflijk opwinden over het kleinste stofje en jíj zult net de sjaak zijn, zoals ze dat op z’n Haags zeggen. Ze staan in cordon, gelijk ze stonden op die prachtige zomerdag in 2014, toen die bijna 200 lijken in konvooi in Nederland aankwamen en Nederland rouwde zoals ze dat jaren niet had gedaan en waar wij collectief Vladimir Poetin de schuld van gaven, maar dat trekt DJT ernstig in twijfel, omdat hij Vlad een geweldige vent vindt, die zoiets niet op zijn geweten kan hebben.
Op de vluchtgegevens zie ik nu dat het US-vliegtuig het Europese luchtruim is genaderd. Mogelijk wordt het door een Portugese guerrillabeweging aangezien voor een vijandelijke drone en onderscheppen ze het en smijten de bemanning + passagiers in de Madeira-Prisione. Vriendje Elon kan wel zorgen voor wat losgeld.
‘Ja, heb de gek ‘d er maar mee’, zeiden wij vroeger, als ons iets penibels overkwam. Maar langzamerhand wordt de veiligheid op moeder Aarde een beetje penibel en in plaats van inbinden, gooit een handjevol krachtpatsers extra olie op het vuur. Door al die ellende zou je haast vergeten dat Israël koortsachtig op de Westelijke Jordaanoever aan het huizenbouwen is en de bewoners van de Gazastrook aan het uitmoorden en dat wij niet meer weten te kiezen tussen beide partijen. Ik zag op het Journaal een huilende Gerdi Verbeet, omdat haar partij afstand wenst te nemen van verdere escalatie in het Midden-Oosten door het boycotten van onderdelen voor de Israëlische defensie. ‘Maar Israël moet zich kunnen beschermen tegen Libanon en Iran en de Jemenieten?!’, huilde ik bijna met haar mee. Ach Gerdi Verbeet – bijna de moeder van ons geweten. En dat die Timmermans dat niet snapt! Mijn pacifistische inborst begon te kapzeisen. Wat moet een mens in zo’n geval? Kiezen voor de belaagden of voor de belagers? En ineens dacht ik aan dat punkbandje op Pinkpop, waarvan de zanger keihard Free Palastine schreeuwde, hetgeen massaal werd mee gedreund. En in gedachten zag ik weer die foto in de krant van het evangelische Pinksterfestival in Biddinghuizen waar de Israëlische vlag fier in top wapperde en van de alternatieve 4-mei-herdenking waar de slachtoffers van de Gaza-oorlog werden herdacht …. en ondertussen hoorde ik in mijn hoofd Pete Seeger Wich side are you on? zingen. En toen wist ik het even niet meer. Dat gebeurt de laatste tijd vaker en dat ‘niet meer weten’ wordt steeds langer.
’t Is 17.43 uur. Vera Lynn zingt als de nimf van Loreley over de White Cliffs of Dover. Als dat maar goed komt. HDJ mikt zijn toetje naar binnen – straks bij de Koning krijgt hij een broodje nieuwe haring, is hem beloofd. Het US-vliegtuig nadert de territoriale wateren van The Netherlands. Ik hoor nog een staartje Bugle Call Rag van Glenn en zijn orkest, als het geluid door de verraderlijke Noordzee wordt overspoeld.
18.6.25 Ongekende vergezichten Ik kreeg een uitnodiging van de schrijverskring voor het bijwonen van een lunch te Smilde, alle deelnemers mogen tussendoor of daarna vertellen over hun schrijfwerk. Ga ik naar toe. Lijkt me leuk. Ik hou niet van reizen en in mijn uppie al helemaal niet, maar hier kan ik moeilijk omheen. Meer dan eens mailde ik dat de bijeenkomsten van de kring altijd zo ver weg zijn. Het heeft alles te maken met de steeds kleiner wordende cirkel waarin wij -mijn vrouw en ik- ronddarren. Uit een soort meligheid zeg ik weleens dat die reikt van Appingedam tot en met Meppel. De Reest en de Waddenzee vormen onze geografische grenzen. Ik ben daar al jaren niet meer overheen geweest. Eén van de laatste keren was Hattem. We bezochten daar onder andere het Anton Pieck-Museum. Prachtig.
Hoe anders is het wanneer men in bijvoorbeeld Amsterdam woont. Ik las dat in die grote stad binnen 10 jaar ruim 50% van de bewoners verhuist. Voor een groot deel blijven ze wel in A’dam wonen, maar in een andere wijk. Het is een komen en gaan. Geen wonder dat men daar totaal vreemd is voor elkaar. Ben je net gesetteld, hup! ga je weer een stadsdeel verderop. In een boek met herinneringen van Theo Thijssen vertelt hij dat hij als kind woonde in de Eerste-Leliedwarsstraat, bij de Bloemgracht, later verhuisde het gezin een eindje verderop naar de Egelantiersgracht. Als hem als kind werd gevraagd waar hij woonde, dan schamperde men niet zelden ‘dat dat toch in de Jordaan is’. ‘Ach Jordaan, Jordaan, ja je kan het Jordaan noemen, maar het is eigenlijk geen Jordaan’ zei hij dan. Want de Jordaan was in zijn tijd berucht door de verhitte verhalen die men over deze volksbuurt rondbazuinde. Dat was aan het eind van de 19de eeuw. Heden ten dage is een optrekje in de Jordaan voor een 2 á 3 keer modaal verdienend mens niet meer te krijgen. ‘Het kan verkeren’, zei Bredero, ook een rasechte Amsterdammer. Ik heb uiteraard geen binding met Amsterdam. Ik ben er wel een aantal keren geweest en heb er enkele keren overnacht in een soort souterrain aan de Keizersgracht nô 390. Dat was een gibus waar een viertal Engelsen verbleef. Ron & Mary White onder andere. Zij vormden een stelletje en bezaten het enige kamertje dat geheel ingenomen werd door een groot matras. Daarop verbleven ze bijna continu – lezend en naar muziek luisterend. Vooral Engelse folkrock van Fotheringay en Fairport Convention. September 1972 was het. De anderen lagen in een tussengangetje. De eerste keer dat ik hier verbleef ging ik naar het Concertgebouw voor het optreden van Steppenwolf. 12 gulden entree. Stijf uitverkocht. Iemand bij de ingang bood 25 gulden voor mijn kaartje. Neenee, niks ‘d er van! Alles was keurig geregeld. Ik zat op ‘Podium links, rij 9, stoelnr. 2’, een beetje achter een pilaar. Maar op zeker moment tijdens het concert stond er iemand ergens voor mij op en liep naar voren en toen deed ik dat ook. De zaalwacht wilde ons terug sommeren, maar in no-time liep iedereen naar voren en stonden we strak tegen het podium aan. Het hoort, mogelijk door dit verzetje, tot één van mijn mooiste concerten. Daarna ben ik vaker naar Amsterdam gereisd en sliep op de Keizersgracht.
Vanmiddag werd ik ineens nieuwsgierig hoe dat pand er nu -dik 50 jaar later- bij ligt. Het blijkt een monument zijn, heeft monumentnummer 2590 en is gerestaureerd/verbouwd in 1981. Op het plaatje is de oude souterrain nog te zien, alleen zijn de deuren vernieuwd en prachtig geverfd. Toen ik er later die winter een weekend verbleef en sliep in het gangetje bij de ingang (meteen na het trappetje), lag er ’s ochtends een laagje sneeuw op mijn slaapzak. Dat zal inmiddels niet meer kunnen gebeuren. Ik heb dus ooit in een heus monument overnacht. Op de huizensite is te lezen dat pand 390 aan de Keizersgracht een wooncomplex bevat. Ik zou na kunnen gaan hoeveel wooneenheden het pand bevat en hoeveel één en ander kost (koop of huur). Daarvoor kan ik Funda.nl raadplegen. Maar ik wil er voor geen goud naartoe, dus wat moet ik met die informatie. Er is een schrijnend tekort aan woningen in Nederland en Amsterdam is koploper, las ik in dat artikel. Dan denk ik: als iedereen nu eens rustig op zijn of haar plek blijft wonen en niet steeds van hot naar her verhuist …. In de zomer van 1973 heb ik er voor het laatst gebivakkeerd. Aardige bijkomstigheid die dagen: ik had net een overeenkomst getekend bij Uitgeverij Arxveld te Den Haag voor de bijdrage van 3 gedichten in de te verschijnen bundel Jantje zag eens proza hangen (bijzonder beroerde titel). Afgezien van het feit dat dit boekje met veel gedoe pas in 1975 verscheen, werd mijn naam tot in de verste uithoeken van ons land gehoord. Althans, dat verbeeldde ik mij! De realiteit was dat Arxveld meteen daarna failliet ging en een deel van de bundel in de ramsj verdween*. Weg ongekende vergezichten! Maar de euforie dat je versjes in een echte bundel komen te staan, is geweldig. Misschien dat ik daar in Smilde wel een praatje over ga houden. *Op een boekensite zag ik enige tijd geleden dat het boekwerkje voor €7.50 nog te verkrijgen is. Onbeschadigd, 1ste druk! Een collectors item. Wees erbij!
17.6.25 Columnist op pensioen Martijn Katan houdt ermee op. Wie? Ja, de naam deed bij mij ook geen belletje rinkelen, maar toen ik zijn beeltenis boven zijn laatste inbreng goed bekeek, kende ik hem wel. Dat heb je met een plaatje boven de column, want dat is sinds een aantal jaren bijna standaard. Ik ben al heel lang een columnlezer. Vanaf laat ik zeggen begin jaren zeventig. Simon Carmiggelt was één van de eerste schrijvers die ik fanatiek begon te lezen en dat was een columnist of ‘stukjesschrijver’, zoals hij zelf meestal zei. Ieder jaar verscheen er een bundeling van zijn stukjes en die werden zeer royaal verkocht. Maar literatuur mocht je het niet noemen. Voor mijn mavo3 mocht Bomans wél en Wolkers, Mulisch, Hella Haasse, Vestdijk, Buddingh’ enzovoort, maar Simon Carmiggelt níet. Dat werd te licht bevonden en niet beschouwd als literatuur. Nu kijken we daar gelukkig anders tegenaan. Niet alleen was Carmiggelt een groot stylist, hij wist ook de tijdgeest prachtig te vangen, niet minder dan mensen als Louis Couperus, Nescio of Willem Elsschot en die stonden hoog op de leeslijsten.
En dan de dichters. Remco Campert werd ook stukjesschrijver. Ik las hem graag. De hedendaagse dichter Jean Pierre Rawie gewaagt zich er ook al jaren aan en niet zonder succes. In het Nieuwsblad van het Noorden las ik de stukken van A.L. Snijders, die toen nog leraar was op de politieschool. Later kon hij mogelijk van zijn stukjes (die steeds korter werden, dus steeds minder woorden voor je abonnementsgeld!) leven. Nico Scheepmaker las ik toen ook al. En weer later Ed Schiller, H.J.A. (Henk voor intimi) Hofland, alias S. Montag en Hugo Brandt Cortius (onder heel veel schuilnamen, onder andere Piet Grijs en Stoker). Kees Fens is een ander geval. Er mocht boven zijn vele stukken in de Volkskrant weliswaar column staan, maar die beschouwingen waren veel meer dan dat. Complete biografieën waren het soms. Leerstukken. Niet zelden bedroegen ze meer dan 3000 woorden. Dat is voor een doorsnee column veel te lang. Iemand als Martin Bril hield het op 300-400. Ik weet niet of de krant, het tijdschrift of de site in het contract een minimaal en een maximaal aantal te gebruiken woorden door de auteur opneemt. Martijn Katan kreeg ruimte voor 800 woorden. Binnen die omkadering moest hij zijn ei kwijt. Dat zal wel eens passen en meten zijn geweest, want hij schreef vooral over wetenschappelijke onderwerpen en die vergen tijd en ruimte. Tijd, om je als schrijver in te lezen om een goed gefundeerd stuk te kunnen schrijven en ruimte, om het goed leesbaar te kunnen weergeven.
Soms stopt een columnist dus. Eva Hoeke kreeg een tijdje geleden de bons bij de Volkskrant en Sylvia Witteman maakte de overstap naar Het Parool. Beiden mis ik en de reden om de krant (Volkskrant) hier voor te kopen valt daarmee weg. Want ik ben gek genoeg om voor één van de geliefde columnisten de beurs te trekken. Frits Abrahams is al lange tijd mijn favoriet. Hij schrijft 3 keer in de week in de NRC. Zijn stukjes (ik schat iets van 500-600 woorden per keer) behelzen het aflopende leven. Dat klinkt cru misschien. De waarheid is dat zijn vrouw in een verzorgingstehuis is opgenomen en hij de laatste levensdraadjes vastgrijpt om er toch nog iets van te maken. Dat is niet meteen dapper – hij kan niet anders, maar het levert indringende portretjes op, die zonder enige twijfel geschaard kunnen worden onder ****sterren-literatuur. Frits Abrahams is van 1946 en verjaart over 9 dagen. Óf hij dat thuis gaat vieren of op het kamertje bij zijn vrouw, is de vraag. Hij zal er hoe dan ook vast een integer verslagje van maken.
Daarmee heb ik de vraag niet beantwoord wanneer een columnist op pensioen gaat en óf hij of zij hier eigenlijk wel toe overgaan. Ik heb ook nog nooit een column gelezen waarin de schrijver met veel aplomb melding maakt van het beëindigen van zijn/haar schrijfarbeid vanwege het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd. Ik denk dat iedere columnist het een prachtige bezigheid vindt. Martijn Katan wilde ook wel doorgaan. Hij kreeg zelfs de kans om wat vaker een stuk aan te leveren, maar, schrijft hij in alle eerlijkheid: ‘Dat breng ik niet op en daarom stop ik helemaal’. Een moedig besluit, vind ik. Hij wordt ouder zie ik op het plaatje en laat het werk over aan een jonkie. Die zijn niet per se beter. De van oorsprong snedig bedoelde visie van de columnist is niet gebonden aan leeftijd en doordat de gemiddelde leeftijd van de krantenlezer steeds meer oploopt, hetgeen betekent dat er aan de onderkant steeds minder lezers bijkomen, groeien de columns qua inhoud mee. Het vak van columnist is tamelijk onzichtbaar en van weinig columnisten is bekend dat ze stierven in het harnas. Alleen van A.L.Snijders is bekend dat hij op de ochtend van 7 juni 2021 wegviel. Hij was juist bezig met zijn stukje en bleef erin. Zijn vrouw vond hem met het hoofd op het toetsenbord. Mogelijk produceerde hij door die val nog een mengelmoes letters op het scherm. Een mini-ZKV-tje (Zeer-Kort-Verhaaltje) als uitzwaai van het leven.
13.6.25 Platina-lid* Aan onze straat gebeurt maar weinig. De bewoners van de huizen, van oudsher boerderijen en semi-burgerhuizen, leven zonder al teveel ophef en meerdere ken ik niet, laat staan hun namen. Waar ze de kost mee verdienen is mij onduidelijk. In de tijd dat ik hier pas woonde, heb ik nog eens overwogen de hele buurt uit te nodigen voor een hapje en een borrel, maar uiteindelijk is het er niet van gekomen. Dat is al krap 40 jaar geleden. Daarna zijn in de huizen tussen de nummers 44 en 62 en aan de overkant tussen de nummers 13 en 39 nieuwe mensen komen wonen. Als ik ’s morgens met Rossi de straat afloop, passeren mij meerdere auto’s. Ik groet iedereen en (bijna) iedereen groet terug. Laatst was er zelfs iemand in de supermarkt die mij hier op aansprak. ‘Mijn humeur stijgt daardoor altijd een graadje’, zei ze. Dat voelde weldadig. Het kost niets, levert alleen maar vriendelijkheden op.
Vanmorgen liep ik mijn verplichte loopje en een eindje voor mij stopte een ANWB-busje. Toen ik aankwam, groette ik de man door het open zijraam. Hij was aan het googelen en vroeg waar zich nummer … (ik geef het om privéreden liever niet prijs) bevindt. Ik wees het hem met ‘O dat is daarzo’. ‘Soms is het even zoeken’, zei hij, ‘omdat lang niet iedereen een huisnummer aan de gevel of bij de ingang heeft’. Hij bedankte me en reed het pad af naar het adres waar zich waarschijnlijk een voertuig met pech bevond. Ook dat zijn nieuwe mensen. Dat ze dus lid zijn of lid worden van de ANWB is het enige dat ik nu van ze weet. En nu ik er toch mee bezig was: wanneer ben ik zelf lid van de Algemene Nederlandse Wielrijders Bond geworden? Dat moet geweest zijn in het najaar van 1988. Ik las op een avond in café ‘De Wipkar’ te Emmen enige gedichten voor. Het was een dichtersfestivalletje en ik was één van de 14-15 deelnemers die een minuut of vijf mocht optreden. Ik mocht geloof ik iets langer, want ik was uitgenodigd. Over die avond zelf weet ik niets meer, maar tegen een uur of elf liep ik terug naar de parkeerplaats waar mijn Ford Escort stond en wilde wegrijden. Het starten ging niet zonder slag of stoot. De motor braakte een grote rookwolk en bijgevoegd stank uit en hield het met een knalletje voor gezien. Ik was amper 20 meter gekomen en stond nogal ongelukkig voor de uitgang van de parkeerplaats. Waar hij vandaan kwam, weet ik niet, maar ineens stond er een oud busje naast me en een jonge vent dook onder de motorkap en zei bijna smalend zei: ‘Ik ruik het al, verkeerd getankt. Diesel. Moet ik je even naar hus slepen?’ Dat was natuurlijk een grandioos aanbod, alleen ik ben zeer wantrouwend als het op dit soort aanbiedingen aankomt en zei dat ik de ANWB wel even zou bellen. ‘Niet doen man, dat kost je een hoop geld. Ik doe het voor niks’. Hij probeerde mij nu overduidelijk te paaien. Ik zei ‘Nee’ en sloot mijn auto af en liep naar een cafeetje vlakbij om te bellen. Het was nog voordat elke westerling een mobieltje bij zich had. De barkeeper had het nummer meteen paraat. De ANWB-centralist zei dat ik indien ik hulp wilde ik eerst lid van hun Wielrijdersclub moest worden. Dat moest dan maar. Even later terug bij mijn auto, stond de jongen met zijn busje er nog steeds. Ik had gehoopt dat hij weg was. Hij drong aan op actie. Ik weigerde en probeerde hem bozig af te poeieren. Dat ging moeilijk. De ANWB-man kwam gelukkig heel vlot. Hij vroeg wat er aan de hand was en vond op zijn weg de jongen. ‘Meneer is geen ANWB nodig’, wrikte de jongen zich tussen ons, ‘ik breng hem wel naar huis, dat is al afgesproken’. Ik schudde heftig van nee. De ANWB-man liet zich niet vermurwen en ging aan de arbeid na die jongen te hebben weggestuurd. Die ging pas nadat de ANWB-man naar de centrale belde om de politie in te schakelen. Dat hielp. Later bij mij thuis zei hij dat dat met die politie een trucje was om lastige mensen van zich af te schudden. Toen was ik al officieel lid, want anders zou hij mij niet hebben geholpen en zou ik inderdaad met die vent zijn opgescheept. In de auto overnachten was geen optie, want het vroor al. De ANWB-man vertelde nu dat er meerdere van die vrijgevochten cowboys rondrijden die bewust op zoek zijn naar klusjes. Eenmaal bij de mensen thuis komt de ware aard van hun bedoelingen boven en bestelen ze hen en als ze dat dán niet doen, dan doen ze het mogelijk later. Gelukkig had ik niet gezegd waar ik woon en duchtte geen gevaar. Maar toch, een gewaarschuwd mens ….
Nu zo’n 36/37 jaar verder ben ik nog steeds lid van de ANWB. Ik heb door die jaren heen weinig gebruik hoeven maken van hun diensten. Soms, in het kader van bezuinigingen, denk ik weleens om er maar mee te stoppen, maar je zult net zien dat er juist dan iets met mijn auto gebeurt en er weer zo’n snode wegpiraat opduikt die ons wel eventjes naar huis wil brengen. Niet doen dus! Even later zag ik het ANWB-busje weer vertrekken. Ik was net bezig de heg te gaan knippen. De man stak zijn duim op bij het passeren en riep ‘nou moi hè’ uit het raam. Van sommige instanties moet je daarom lid zijn of lid worden. En niet alleen uit vriendschappelijke overweging. En ja, dat kost nu eenmaal wat! *Over dit onderwerp heb ik al eens eerder geschreven, maar nu kwam het echt op mijn pad.
11.6.25 Tuinieren op niveau Ik ben geen tuinman. Ik ben een heleboel dingen niet; bruggenbouwer, tenniscoach, verkeersregelaar, brievenbezorger … om maar iets te noemen. Ik onderhoud niettemin onze tuin en doe dat zelfs met plezier, maar dat wil niet zeggen dat ik mij tuinman noem. Want daarvoor gelden strenge regels. Dat begint vaak al met een architectonisch plan hoe de boel eruit moet gaan zien en dan zou ik al afhaken. Niets voor mij. Onze tuin is van het wildere soort en dat past goed bij ons huis. Het vormt zogezegd een organisch geheel. Als kind al spitte ik planten uit weilanden en slootwallen en pootte ze in een overlapje achter de mestvaalt. Dat heeft niet lang geduurd, want die uitgespitte planten verzaakten hun taak. Misschien was de grond te vruchtbaar door de gier. Hoe dan ook, mijn liefde voor zelf geplante en te onderhouden bloemen stierf een vroege dood. Ik ben er dan ook nooit meer mee doorgegaan.
Verwonderlijk is het zo bezien dat ik de laatste 14 jaren van mijn werkzame leven in dienst was van de bloemenveiling. Niet omdat ik dat werk ambieërde, maar omdat er domweg niets anders op mijn pad kwam. Ik had door bemiddeling van een re-integratiebureau gesolliciteerd bij meerdere boekenwinkels, maar kreeg door mijn beroerde cv meestal niet eens antwoord terug. En dus kwam ik min of meer door toeval bij de veiling. Ik kan daar kort over zijn: ik had er niets mee en gaandeweg werd dat ‘niets’ een blok aan mijn been. Alsof de duivel ermee speelde kreeg ik ook nog eens allergische klachten door de residuen van schimmelwerende pesticiden. Afschilferende huid, kapotte nagels, rode bulten op mijn gezicht en overal jeuk. Vooral dit laatste werd zo heftig, dat ik kind aan huis werd van het Universitair Medisch Centrum te Groningen. Van de week ben ik al die papieren weer eens langsgelopen, want ik had een serieuze opruimbui met weggooien erbij. Maar ik dacht: Niet doen. Daar zit misschien wel een boek in of op z’n minst een aantal verhalen, want iedereen schrijft tegenwoordig zijn/haar trauma(‘s) van zich af. Als titel schoot me meteen Geen bloemen aub! te binnen. Tuinieren en alles wat daarmee samenhangt, is razend populair. Ik zou de meer dubieuze kant kunnen beschrijven van de bloemenkweek. Ik was immers ervaringsdeskundig.
De bijlage van de NRC, Magazine geheten, van afgelopen weekend gaat ook over tuinieren. Ik schrijf dit in de tegenwoordige tijd, want het is een bewaarnummer en ik lees het half-en-half terwijl ik dit schrijf. (Bij de dingen die ik eventueel wél zou kunnen, zou ik multitasker kunnen invullen, maar dat is geloof geen gemunte bezigheid, laat staan beroep en bovendien ben ik al dik op pensioen). In dat blad wordt hoog opgegeven over tuinieren, over de kunst daarvan en ook een beetje over hoe het niet moet. Tuinieren op academisch niveau, schoffelen voor HBO-ers. Yvonne Kroonenberg, wie kent haar niet van boeken als Gebruik je sjanstalent als je wanhopig bent (in het Westen des Lands vaak betiteld als: Weest bijdehand, trouw geen Drant) en Het hangt aan de tap en bluft, doet ook haar zegje over al wat groeit en bloeit in haar volkstuintje. De tuingereedschappenreportage komt van het bedrijf Sneeboer uit Bovenkarspel. Beroemdheden als Brian May, Elton John, Catherine Deneuve en Roger Waters bewerken er hun landgoederen mee, zegt de woordvoerster van het bedrijf supertrots. Het gereedschap ziet er moorddadig fraai uit. Onze eigen Maxima (Koningin) heeft in 2009 in New York met zo’n Sneeboer-troffel een herdenkingstulp geplant. Kijk, dan doe je mee! Zo ver zal het bij mij niet komen.
In mijn veilingtijd heb ik op z’n minst een kruiwagen vol narcissen-, blauwdruifjes-, tulpen-, zelfs sneeuwklokjesbollen meegenomen, omdat ik niet kon verdragen dat alles wat niet voor de klok was verkocht, doorgedraaid zou worden. Want wat er achter al die bloemen bij de teelt, op de veiling en in de tuincentra schuilgaat weten de meeste klanten niet. Hoe ontzettend veel van die oogstrelende bloemetjes de winkel of de kraam niet bereiken. Tonnen verdwenen in de container omdat de koper er niet genoeg voor wilde betalen. Ik had weleens de neiging onder die grote veilingklokken te gaan staan en te roepen: ‘Niemand de deur voor alles is verkocht!’ Ieder jaar komt er nog wel iets op van al die bollen. Ik doe er niet méér aan dan van ze te genieten. Plukken voor op een vaas doe ik ook niet – de vaas is onze tuin. Ze zijn verwilderd en trekken op met het inheemse flora. Daarom is het zo aardig dat er naast die elitaire verchroomde schoppen en schoffels (prijzen zo rond de €100 en hoger) en de peperdure horloges en parfums waar Magazine altijd mee prijkt, de ‘plantaardige publiciste’ Katja Staring de paardenbloem kiest als haar favoriet. Achter de mestvaalt deden die het ultra-slecht. Je moet ze ook niet verplanten, las ik later. Een bloem kiest zelf wel uit waar het wil groeien. In onze eigen tuin vormen ze naast havikskruid, weegbree, hondsdraf, vingerhoedskruid, boter- en koekoeksbloem en allerlei grassen een feest voor het oog. Als je er tenminste oog voor hebt. Dat is de winst en erfenis van mijn lijdende jaren op de veiling.
9.6.25 Bijzaken van het roken In het vorige stukje noemde ik het plaatsje Briltil als mogelijke evacuatieplek bij een calamiteit die een uittocht vanaf de boorden van de Hondsrug naar het veiliger Noorden noodzakelijk maakt. Dat zal wel nooit gebeuren, echter het woord ‘nooit’ bestaat alleen als het tegendeel zich niet aan kan dienen. Ik herinner me dat we op een van de vele toertochtjes door onder andere het Westerkwartier aanbelanden in Briltil. Bij een terrasje voor een café stopten we voor een versnapering. We begaven ons naar binnen, dronken wat en gingen daarna nog even op het terras zitten. Een mooi plekje. Er bevond zich een boekenkastje aan de muur met daarin een boek over Tom Waits. Het was gratis mee te nemen. Ik heb het vluchtig doorgenomen, maar onder de vorsende blikken van enige andere terraszitters heb ik weer teruggezet. Wij zijn na de thee het dorpje dat aan het Hoendiep ligt doorgelopen en ontwaarden bij een huis een kunstmarktje. Het was er een gezellige boel. We dronken een drankje en werden stilaan bijna verliefd op het plaatsje. Ik meende later dat de schrijver Jan Wierenga er was geboren, maar dat bleek niet waar. Hij is geboren in het nabij gelegen Enumatil.
Omdat ik dat moest natrekken, ben ik meteen zijn bundel columns gaan herlezen. Een bloemlezing uit zijn voorraad die hij elke dag onder de naam Ogenblik leverde voor het Dagblad van het Noorden. Ik las hem altijd graag. Hij was een nazaat, een epigoon wilde ik zeggen, van schrijvers als Simon Carmiggelt en Martin Bril. Naast die bundel had ik ook nog een stapeltje uitgeknipte columns van hem en daarin viel mij op hoe vaak hij over roken schreef. Niet het genot ervan, want hij was in augustus 2006 gestopt, las ik ergens. Nee, over zaken betreffende het roken die je pas gaat zien wanneer je er zelf geen deel meer aan neemt. Ik denk niet dat je daarvoor moet hebben gerookt, hoewel het misschien wel helpt. Het valt mij namelijk al jaren op hoeveel peuken overal liggen en dan met name in drukke gebieden. Vorige week liep ik in Stadskanaal vanaf de Hema naar winkelcentrum Autorama om bij de Read Shop een krant te scoren. Daarna liep ik naar de Beneluxlaan en de Jumbo. Overal, echt overal lagen peuken. Waar ik ook keek. Vooral het voetgangersgedeelte bij het winkelcentrum tot voorbij Scapino lag werkelijk bezaaid met peuken. Roken mag dan duur zijn geworden, dat maakt het bezigen er niet minder op. Jan Wierenga schrijft in een stukje van 1 april 2014 over de opmars van de elektronische sigaret en besluit zijn stukje met de vaststelling dat een gemiddelde roker van de tabakssigaret 13 kankerstokjes per dag opsteekt. Dat woord ‘kankerstokje’ voeg ik hier toe, want Jan hield het netjes. Hij oordeelde niet, was objectief, zoals het een goede journalist betaamd. Of het sindsdien minder is geworden met het roken, betwijfel ik. Ik schaatste door de zee van peuken naar de parkeerplaats en reed naar huis. 13 x gemiddeld 60 eurocent per sigaret per dag, dacht ik. In mijn tijd ….. Ach nee, laat ik daar over ophouden. Alles wordt immers duurder. Een krant kost ook al gauw de prijs van 5 á 6 sigaretten en een kop koffie of thee op een terras …. Maar als je zo gaat rekenen heeft het leven bijna geen zin meer. Ogen een beetje sluiten en voort maar weer.
Nog even over Briltil en over dat boek dat ik níet meenam. Dat boek over Tom Waits. Ik hou van de man zijn muziek, van zijn ongepolijste kraakstem. Een stem die niemand na kan doen en die voor een groot deel toe te schrijven is aan zijn rookgedrag. Ergens geniet ik er dus ook van, ben ik een soort meeroker. Een beetje dubbel is het wel. Dat neemt niet weg dat rokers enorm veel rommel achterlaten in open ruimten. Daar mag je geloof ik best wel wat van zeggen.
8.6.25 Nieuwe Zorg Omdat ik een doos boeken naar de inbreng had gebracht, reden we -nu we er toch waren- nog even door naar Leen Bakker. Het zou kunnen dat we er een vinylcoupon konden scoren voor de slaapkamervloer, maar dat was niet het geval. Zouden we een metertje of drie van een bestaande rol laten afsnijden dan waren we evenveel kwijt dan wanneer ik de vloer met underlayers zou bedekken en lakken. Mijn vrouw heeft een groot vertrouwen in mij dat ik dat kan, want onze twee kamers en keuken heb ik ook op die manier belegd. Terwijl mijn vrouw nog doende was in het warenhuis, liep ik naar buiten want ik zag een schip naderbij komen in de vaart die langs de winkel loopt. Die winkel staat op een wat schrale plek met parkeerplaatsen omgeven door onkruid en waar afval welig zwerft. Ik ben gek op die oude schepen, maar zal er zelf nooit eentje willen hebben. Ik pas er ook niet op, want de schippers zijn meestal van het type waar ik niet erg op lijk. Het schip werd bestuurd door twee al wat oudere mannen. Het geheel zag er prachtig uit. Op de zijkant prijkte: ‘De Goede Verwachting – Amsterdam -1916’. Het voer op de brug aan van de Van Stolbergweg. Maar het brugwachtershuisje was leeg en de kans dat zij met hun schip konden doorvaren naar het verderop gelegen Oosterdiep was klein. ‘Is er geen brugwachter?’, riep de stuurman terwijl hij zijn maat aanwijzingen gaf het touw om een van de twee aanlegpalen te gooien, want de brug kwam akelig dichtbij. ‘Dat weet ik niet’, zei ik ‘er zit niemand in het huisje’. Dat konden zij vanaf hun positie niet zien, maar kennelijk dachten ze dat ik er iets mee te maken had. Mooi niet. Een metertje voor de brug legde het schip aan. Karwei geklaard. De mannen keken elkaar aan en de stuurman zei ‘Dat wordt bellen’.
Voor de aardigheid tikte ik vanmiddag de naam van dat schip in en tot mijn verbazing is daar van alles over bekend. Dat het een tjalk is en gemaakt op een werf in Briltil. Dat is heel aardig, want van alle plaatsen waar ik mijn dagen zou willen slijten uitgaande van de provincie Groningen, heb ik een voorkeur voor Appingedam en Briltil. Ik ben er moet ik eerlijk bekennen nog maar een paar keer geweest, maar dat was vaak genoeg om er eventueel mijn anker blijvend uit te gooien. Dat hier vroeger ook schepen werden gebouwd, maakt het alleen nog maar mooier. Dat schip is in 1916 gedoopt met de naam ‘Nieuwe Zorg’, kort daarna werd het ‘Friso’ (vanaf 1923 – 1958) en daarna werd het ‘De Goede Verwachting’. Waarom die naamsveranderingen is mij vreemd. Het schip vervoerde in haar begintijd onder andere Drentse turf naar het in het noordwesten gelegen Friese Minnersga, later werd het een scharenslijpersschip en weer later heeft het jaren als woonschip gediend in Leeuwarden. Vanaf 1977 is het eigendom van de heren Snijders en De Vries uit Amsterdam en vaart het voor hun genot en ter opfleuring bij nautische evenementen.
Toch leuk dit te weten. Hoe het met hun verdere reis is verlopen weet ik niet, want toen we enige tijd later de Van Stolbergweg afreden en over voorgenoemde brug kwamen, lag het nog aan de kade. In een flits zag ik de heren op het dek zitten met een drankje. Helemaal in balans. Ooit was het schip zwaar belast, nu pronkte ze van lichtheid. Een mooie ouwe dame, waar goed voor wordt gezorgd.
5.6.25 Knallende ruzie DJT (Donald John Trump, maar ik gebruik liever de minder pijnlijk aanvoelende initialen) en Elon Reeve Musk (ERM) hebben dikke ruzie. Dat mag ik lijden, want ik zag het bij ERM’s aantreden in het Witte Huis al gebeuren. De bromance (genegenheid tussen heteromannen, een soort broederliefde) strandde al eerder, maar wordt nu echt groot uitgemeten. It’s over, om dat huilliedje van Roy Orbison maar es aan te halen. Alom wordt gezegd dat de kern van de knallende ruzie ligt bij de twee té grote ego’s. Dat moest wel botsen. ERM was het Capitool binnengehaald om de bezem eens flink door de overheidsinstellingen te halen en alzo tienduizenden ambtenaren weg te bezuinigen. Dat zou miljarden voor de staat opleveren. ‘Briljant plan’, zei DJT en hij prees ERM tot ver in de space. Die ambtenaren moesten zelf binnen een week kenbaar maken dat ze geen bullshit-baantje bezetten, dat ze zeer nodig waren. Maar de ambtenaren verdomden dit en lieten het decreet over aan de Hoge Raad en die kwam er niet goed uit omdat dit nog nooit eerder vertoond was en dus bleven de meeste ambtenaren elke ochtend gewoon met hun boterhammentrommeltje onder de arm naar kantoor komen. Door die doldrieste regels van DJT zullen het drukke tijden worden voor de Amerikaanse advocatuur, want iedereen vecht z’n baantje aan. Tot dusver leverde deze bezuinigingsronde veel minder op dan ERM had gebluft. Iets van 600miljoen dollar. Dat lijkt veel, maar voor ERM is dat een soort fooi. DJT was niet blij en ERM moest weg. De houdbaarheidsdatum van de bromance was bovendien verlopen en het moddergooien was begonnen. Het wachten is op een publiekelijke vechtscheiding.
Met de decreten van DJT loopt het overigens niet lekker. Een groot deel gaat naar de rechter en die wijst de ene na de andere naar de prullenbak. DJT werd na elke terechtwijzing woester en woester. De nieuwsberichten grossieren in bloemrijke synoniemen hóe boos DJT wel niet kan worden. Woedend, woest, driftig, hels, furieus, razend, spinnijdig, witheet, ziedend, laaiend …. Ze kwamen allemaal al voorbij. Meer dan ik kleurpotloden in mijn doos heb.
Vergeleken met de ruzie tussen DJT en ERM is de ruzie tussen Poetin en Zelensky kinderspel. Dat heeft DJT zelf gezegd. Hij zei daarbij ook dat hij geen vrienden heeft. Dit wetende kwam het bericht dat DJT goed bevriend was met de kindermisbruiker Jeffrey Epstein nogal hard binnen. ‘Trump komt voor op de lijst van vrienden van Epstein’, kopte mijn nieuwsbrief vanmorgen. Het bericht kwam van ERM. Ik las het fluks door en vond er namen onder zoals Bill Clinton (ook van de crab her by the pussy-club), Michael Jackson (?) en de gevallen hoogheid Prins Andrew. Broer Charles heeft hem hierdoor al de wacht aangezegd. Het Engelse hof kan dit soort gedrag moeilijk verdragen; onterving volgt. Bij die Epstein-club moet je dus niet horen. ERM kent de zwakke plekken van DJT en duikelde een oude foto op met DJT en Jeffrey Epstein. Bewijs geleverd. DJT des duivels. Hij wil nu het geboortecertificaat van ERM inzien om hem naar Zuid-Afrika waar zijn voorouders vandaan komen te kunnen sturen. Dat probeerde hij jaren geleden ook met Barrack Obama, maar dat mislukte, dit even terzijde. ERM pisnijdig, dreigt nu zijn medewerking met de NASA stil te leggen, zodat de mensen in het ruimtevaartstation ver boven onze hoofden straks geen kant op kunnen. Dat krijg je er van als héél weinig mensen héél veel invloed hebben. Dat moet op den duur exploderen. En ik had mijn hoop juist gevestigd op een snelle aftocht van ERM en zijn trawanten (onder andere Cherry Baudet geloof ik) naar Mars, maar dat zit er voorlopig dus niet in. De nieuwsbrief meldt verder dat ERM in een etmaal tijd ongeveer 30 miljard dollar armer is geworden. Hij schijnt weliswaar nog steeds de rijkste aardbewoner te zijn, maar zulke verliezen kan niemand zich meerdere keren permitteren. Zelfs ERM (Elon Musk dus) niet. DJT lacht in zijn vuistje. Blank Zuid-Afrika ziet de rijke afstammeling handenwrijvend tegemoet, zelfs Rusland heeft ERM al asiel aangeboden en een bunker om in te schuilen. DJT heeft inmiddels de hem door ERM geschonken Tesla op Marktplaats (marketplace.usa) gezet. Logisch. Ik zou ook niet willen rijden in een door een ex-Stasi geschonken Trabant. Punt is wel dat het gewone volk -en niet alleen het Amerikaanse!- eronder zal gaan lijden.
Nu ben ik heel slecht in ruziemaken. Daar heb je talent voor nodig of sluwe behendigheid. Ik weeg elk woord op een schaaltje en probeer hierdoor gedonder te vermijden. Maar ik ben dan ook niet rijk en heb aan weinig mensen verantwoording af te leggen. Dat zou je van zulke narcistische mega-graaiers mogen hopen. In feite zijn zulke lieden bijzonder arm van geest, om over empathie maar te zwijgen. Enfin, The war against terror (de oorlog tegen terreur) heet nu ‘De oorlog onder miljardairs, met afgunst als munitie’. Als dat maar goed afloopt, want DJT heeft nog 3½ jaar om de wereld compleet naar zijn hand te zetten óf om die te overspelen. Ik hoop het laatste en héél snel!
4.6.25 Hoe komt wie niet vliegt ooit van zijn plaats?* (OverlijdensAdvertentieBovenschriften 6).
Van alle Nederlandse dichtbundels waaruit voor een OAB een versje wordt geplukt, staan die van Toon Hermans bovenaan. Ik ga met deze aanname uit van mijn eigen collectie OAB’s. Het dichtwerk van Toon Hermans werd door recensenten en poëzielezers steevast meewarig aan de kant geschoven. Daar valt wel iets van te zeggen, vooral ten aanzien van deze lieden. Nico Scheepmaker -gevierd columnist/dichter/schrijver- besteedde in zijn bundel Maar mooi! (beschouwingen over poëzie, 1992) maar liefst 22 pagina’s aan het dichtwerk van Toon Hermans. In 1000 en enige gedichten van poëzievorst Gerrit Komrij komt Toon Hermans niet voor en in een andere bekende bloemlezing, te weten Domweg gelukkig in de Dapperstraat, staan 3 versjes van hem. Op zich geen slechte score, want van de briljante dierenversjesdichter Kees Stip staat er geen enkele in en dat is schandelijk nalatig! Van de 3 van Toon Hermans opgenomen versjes (T.H. noemde ze zelf altijd zo) heb ik 55 keer het overbekende ’n Beetje in mijn verzameling. Dat hadden er veel meer kunnen zijn, maar op zeker moment knipte ik deze niet meer uit. Ik teken hierbij aan dat er van de 55 4 onvolledig zijn. Na de eerste strofe van het versje vonden ze het wel genoeg. De rest mocht de lezer er zelf bij denken. Nederlandse zuinigheid, schrieperig tot in het graf. Ik geef hier voor de volledigheid het gedicht even weer: Sterven doe je niet ineens, / maar af en toe een beetje / en alle beetjes die je stierf, / ’t vreemd, maar die vergeet je, / het is je dikwijls zelfs ontgaan, / je zegt ik ben wat moe, / maar op ’n keer dan ben je aan / je laatste beetje toe.
Toon Hermans was zich heel goed bewust dat zijn dichtwerk niet tot de hoogste rang behoorde, maar het verkocht als een tierelier. Nico Scheepmaker stelde vast dat er van Toon Hermans zijn boek Ik heb het leven lief in 3 maanden tijd maar liefst 200.000 exemplaren waren verkocht, wat neerkwam op 2600 stuks per dag! (Van koopzondagen was in die dagen nog geen sprake). Van de bundel Liggen in’t gras waren ook al 300.000 exemplaren verkocht. Dat zijn aantallen waar iedere schrijver (laat staan dichter!) alleen maar van kan dromen. Ik heb in mijn verzameling 53 verschillende versjes van Toon Hermans als OAB’s geteld en daarnaast nog enkele regels uit liedjes van hem, hetgeen tesamen een bundeltje oplevert waar menig dichter zich voor op de borst zou kloppen. Het geeft wel een beetje weer wat over het algemeen op het gebied van poëzie of gedichten wordt gelezen en wat middels afspraak van de overledene óf door de nabestaanden als een passende geste boven de rouwkaart en vervolgens als advertentie in de dag- en/of regiobladen komt te staan. Toon Hermans schreef zijn versjes in een vlaag, soms wel 10 op een dag, schreef Nico Scheepmaker.
Hoe anders ligt dat bij de dichteres M. Vasalis. Gedichten van haar hand komen ook regelmatig voor als OAB’s. In mijn verzameling telde ik 42 verschillende gedichten. Uit de brieven met uitgever Geert van Oorschot blijkt met hoeveel moeite zij tot afgeronde en voor haar verdienstelijke gedichten kwam. Veruit de meeste OAB’s van haar hand eindigen met a: Het werd, het was, het is gedaan en b: En niet het snijden doet zo’n pijn, / maar het afgesneden zijn. Van deze twee gedichten volstaan ook het vaakst alleen deze 2 regels. De rest is bijzaak, zal menig opdrachtgever hebben gedacht. Het eerstgenoemde gedicht getiteld Sub finem telde ik ‘al dan niet versneden’ 69 keer, het tweede getiteld Sotto Voce, idem dito, 32 keer. Aan de titels is wel te zien dat haar werk van een andere orde is als dat van Toon Hermans. Een andere regel die vooral de laatste jaren opduikt is Herinner mij, maar niet in sombere dagen. / Herinner mij in stralende zon. / Hoe ik was toen ik alles nog kon. Van deze -je zou het een aforisme, een spreuk voor op een tegeltje, kunnen noemen- ben ik meerdere variaties tegengekomen.
J.C.Bloem is ook een geliefde OAB-er. Zijn meest bekende frase is Voorbij, voorbij o en voorgoed voorbij, dewelke ook zijn eigen grafsteen siert. J.C.Bloem schreef over bijna niet anders dan het verstrijken van de tijd, met de dood als onherroepelijke horizon. Er was volgens hem weinig te verwachten, niet meer dan eventjes luid aanwezig te zijn geweest tussen twee enorme stilten. Deze zienswijze is onder andere bekend geworden van de Russisch/Amerikaanse schrijver Nabokov. Niettemin spotte ik hem 24 keer. Ook hier bijna nooit meer dan 1 strofe, meestal uit een sonnet.
Rutger Kopland spotte ik 27 keer. Veruit het populairst is het gedicht Weggaan. Het vaakst volstaat uit dit gedicht slechts 1 regel. Het aardige is wel dat het om meerdere regels gaat. Bijvoorbeeld: Weggaan kun je beschrijven als een soort van blijven en Niemand neemt afscheid, want je gaat niet weg en Weggaan is iets anders dan het huis uitsluipen. Je zou ook hier bijna kunnen spreken van een gedicht bestaande uit aforismen (zie boven). Overigens geldt dat voor veel OAB’s. Zelden wordt een gedicht integraal weergegeven. Soms worden regels naar eigen inzicht verhaspeld of veranderd. Het bovengenoemde en meest gebruikte versje van Toon Hermans heb ik geen enkele keer precies zo aangetroffen zoals hij het publiceerde. Men fröbelde er lustig op los. Ik weet het, het is scherpslijperij van mijn kant, maar men dient mijns inziens de versie van de maker te respecteren. Van M. Vasalis’ meest bekende, telde ik 30 juiste en 39 onjuiste. De meeste ‘fouten’ betreffen het weglaten van komma’s, punten, dubbele punten en aanhalingstekens. Dan het veranderen van hoofdletters in kleine letters (of andersom) en het willekeurig toevoegen of verwijderen van witregels. Langere gedichten (bijvoorbeeld een sonnet) halen zelden de bovenkant van een overlijdensadvertentie.
Daarom als slot enige korte, titelloze versjes. Van Jules Deelder: Alles blijft / Alles gaat voorbij / Alles blijft voorbij gaan. Van Wim Hussem: zo lang ben ik / al onderweg / dat het zin heeft / afscheid te nemen. En van Bert Schierbeek: Door te vliegen / houden vogels / net als dichters / het raadsel in stand. Punt! * naar Vogels van Jan Emmens.
30.5.25 Mannen met een missie Het schrijven van stukjes of eigenlijk het schrijven en daarna publiceren van woorden op papier of op een scherm, is niet van gevaren ontbloot. Het kán aanleiding geven tot een woordenwisseling en zelfs handgemeen. Daar zijn genoeg voorbeelden van bekend. Salmon Rushdie is misschien wel de meest geestelijk en lijfelijk beschadigde publicist. Ik bevind mij gelukkig in totaal andere omstandigheden en bovendien ben ik niet zo heldhaftig mij radicaal voor of tegen iets uit te spreken. Ik houd lijf en have liever heel.
Een tijd geleden, om precies te zijn in april vorig jaar, schreef ik in een van mijn Gieterveen-columns over een man die vele lezers meteen herkenden. Ik had niet de notie dat iemand daar over zou vallen. Dat bleek echter wel het geval. Ik heb per omgaande de redactie van de site verzocht de column te wissen, maar zij zag de noodzaak daar niet van in omdat ik de persoon noch de plek waar ik de man regelmatig zag noemde. Ik schreef niettemin een soort excuus jegens hen die ik belasterd had en verzond dat meteen na het eerste stukje. Einde verhaal – dacht ik. Nu zap ik heel soms even langs de columns om te zien hoe vaak ze gelezen worden. Dat zit zo tussen 500 en 3000 keer. Ik ben daar zeer content mee. Ik weet wel dat in de wereld van de influencers getallen met 4, 5, 6 soms 7 nullen heel normaal zijn, maar daar val ik niet onder. Godzijdank, zou ik haast willen zeggen. Dat stukje over die man zag ik vanavond, is toch wel van de site gehaald. Dat verbaasde me. Het is 910 keer gelezen. De mea culpa van een week erna ging daar zelfs nog ietsje overheen. Ik had de man als voorbeeld gebruikt voor een stukje over woningnood -want daar was het mij om te doen. Ik zag in hem een dakloze meneer die hier regelmatig een uurtje verpoosd, een sigaartje rookt en daarna met zijn auto -want die heeft-ie dan weer wel- verder tuft. Van ergens naar nergens. Zoiets. En wat verder van belang is: telkens als ik in zijn buurt kom, staan of zitten er een of meerdere mannen (soms ook vrouwen) bij hem. Ze praten en soms hoor ik gelach. De man vormt het middelpunt, hij is heer en meester in deze ruimtelijke ambiance. Alsof hij er spreekuur heeft. Zeven dagen in de week doet hij dat, want onlangs was ik ook even bij hem op bezoek. Over die column hield ik me wijselijk stil. Dat spreekt voor zich! Je zou het een soort missie kunnen noemen als je de achterliggende beweegreden niet kent. Die ken ik nu, maar die houd ik uit respect voor me.
Vanmorgen zag ik ook weer de blikjesman. Hoe oud zou die man zijn, een jaar of 30? Ik zie hem vaker. Hij zwerft langs vuilnisbakken, trekt ze half leeg om er blikjes en flesjes uit te halen en deze in te leveren voor het statiegeld. Dat is zijn goed recht. Hij ziet er modern shabby uit: camouflagebroek, afgeragde windjack en stevige schoenen. Altijd hetzelfde. Hij draagt een ruwe baard en een haarknot recht op zijn hoofd. Soms hoor ik hem schelden als hij voor niets een bak heeft omgewoeld en dan kachelt-ie weer verder. Hij heeft altijd haast. Alsof er kapers op de kust zijn, een concurrent misschien of is het een duiveltje in zijn hoofd die hem ertoe aanzet? Hoe groot zijn territorium is weet ik niet, maar gisteren zag ik hem ook bij ons op de hemelvaartmarkt. Het was nog vroeg en ik verwachtte niet dat er toen al de nodige blikjes en flesjes in de daarvoor bestemde vuilnisbakken waren beland. Even later kwam hij met dezelfde vaart terug. Om zijn handel te transporteren, voert hij een half dozijn boodschappentassen met zich mee. Gisteren ook. Maar vanmorgen, terwijl ik in mijn auto zat te lezen en daarbij de zijraam voor wat frisse lucht had geopend, stievelde hij ineens vlak langs me en riep in het voorbijgaan ‘Moi’. Kennelijk tegen mij, want ik zag niemand in mijn directe omgeving. Ik schrok ervan. Wat ik ook zag was dat hij een rollator voor zich uitduwde. Het was een oud dingetje. Misschien gisteren wel opgedaan in mijn woondorp. Aan beide handvaten bungelden tassen van de supers Heijn en Co. Op het zitplateautje stond een doos. Hij wilde zijn zaakje kennelijk efficiënter aanpakken. Dat gezeul met die tassen ook, moet hij gedacht hebben. Hij spoedde zich met grote stappen over de parkeerplaats. Ik zag nu dat hij zonder zijn pas in te houden ook allerlei ander zwerfvuil opraapte en in een van de tassen stopte. Dat deed hij bijna als een volleerd danser. De man was niet geheel baatzuchtig, bleek hieruit. Het verhoogde voor mij ogenblikkelijk zijn aanzien. Hij had duidelijk een taak en hoewel hoogstwaarschijnlijk geen vaste cao, dan toch zeker een arbeidsdrift waar een werkgever jaloers op kan zijn. Een minpuntje was echter dat hij terloops nogal opzichtig in de cabine van een pick-up truck en een suv loerde. Ik wil daar uiteraard geen enkele conclusie aan te verbinden ….
Toen hij zijn ronde had gedaan, zeeg hij naast de man op de bank neer en stak zijn lange benen recht vooruit. De man met de sigaar lachte. Zelfs de blikjesman kon zijn ei even bij hem kwijt. Niet lang, want daar kwam alweer een fietser aan en hield halt bij de bank en eiste alle aandacht. De blikjesman stond op en sprintte het kruispunt over om zijn handel in te leveren bij de automaat van de Jumbo. Daarna verdween hij in hetzelfde tempo in de winkel om het bonnetje te verzilveren. Ik zou er met gemak een column over kunnen schrijven, maar waag mij er niet aan.
28.5.25 Lesje evangelisatie Bij de Primera hadden ze het boekje Optimisme zonder hoop van Tommy Wieringa niet meer. ‘Op’, zei de verkoopster. Ik liep een rondje en kwam langs de evangelische cadeaushop annex boekenwinkel waar in mijn Veendamse schooltijd het winkeltje huisde van een zekere Huizinga, die heel in de verte nog familie van ons was. Vanwege aangetrouwde oom Doede Huizinga -kerkorganist en muziekleraar alhier. Wij hadden verder geen binding met die tak. Ik kocht er Hitweek en soms Muziek Express. Grappig dat het zoveel jaren later nog steeds de naam Huizinga heeft. Ik liep er meer dan eens langs, maar had niet de aanvechting er binnen te stappen. Het was geen prangende vraag en daarom bleef het erbij. Maar nu zag ik enigszins tot mijn verbazing dat op een rekje in de etalage de feesteditie stond van de eerste Kameleon. Het boek bestaat 75 jaar, vandaar dat uitgever Kluitman uitpakt. Ik heb het op de lagere school wel gelezen, mogelijk zelfs twee keer. Jaren geleden kocht ik het nog eens op de rommelmarkt. Bij thuiskomst bleek echter het laatste katern te ontbreken en zo wist ik niet hoe het verhaal afloopt. Hier lag mijn goedkomertje. Ik stapte de winkel binnen, kon meteen ook even vragen naar dat boekje van Tommy Wieringa. ‘Tommy Wieringa?’, zei de verkoper, een man van tegen de vijftig, vlot gekleed en bereidwillig. Die kende hij niet. Het was dinsdagmorgen, doodse stilte. De Veenkoloniën blonk al nooit uit in overdreven godsbesef, de heilige geest zat eerder in de fles. Ik zei hem dat het boekje was verschenen in het kader van de maand van de filosofie en dat ik daarvoor hier toch aan het goede adres was. Oh nee, dat zag ik helemaal verkeerd. ‘Met filosofie hebben wij helemaal niets te maken. Dit is puur een evangelische winkel. Bij ons staat de leer van Jezus-Christus centraal en we luisteren naar Gods woord’. Ik probeerde iets in te brengen over geloven in het algemeen en liet het woord religiositeit vallen, maar dit belandde eveneens in totaal verkeerde aarde. ‘Evangelie heeft niets te maken met religiositeit of met enige vorm van geloof’, liet hij mij weten en op mijn vraag of hij het boek Knielen op een bed violen kende, keek hij mij verbaasd aan en schudde het hoofd. ‘Waar gaat dat boek over dan?’ Ik vertelde in kort bestek de inhoud en noemde ook het woord sekte, waar in dit boek duidelijk sprake van is. Hij wees het rigoureus van de hand. Ik waagde een laatste poging door te zeggen dat ik regelmatig Trouw lees voor met name artikelen over filosofie en geloof, dieper wilde ik niet gaan. Intussen was hij aan het googelen naar Tommy Wieringa en Jan Siebelink, van dat bed violen. ‘Nee, het komt niet voor in ons bestand, ik dacht het wel’, zei hij. Ik wijzigde ons gesprek door te wijzen op de Kameleon in de etalage, want daar kwam ik voor. Hij nam het boek van het rekje. Ik liet mijn blik even dwalen door de Kerkstraat; er liep niemand. ‘Hier schuin tegenover zat vroeger boekhandel Schuur’, zei ik, ‘daar kocht ik weleens een Arendsoog’. ‘Ach ja, die las ik vroeger ook graag’, zei hij met een ontspannende glimlach. Er was kennelijk een tijd geweest dat hij zich nog niet zo vastklampte aan de Heer en zijn zwervende zoon dan nu het geval was, want Arendsoog was lang niet in ieder huisgezin gewenst. ‘Maar De Kameleon …, mag dat dan wel?’ zei ik. ‘De Kameleon is neutraal. Daar hebben wij niets op tegen’. Toch een beetje wonderlijk. Levensbeschouwing kwam de deur niet in, zelfs Jan Siebelink was hier straal onbekend. Wat moest ik hier wel van denken? Of zal men in evangelische kringen een link leggen tussen dat malle bootje van die Friese Klinkhamertjes en de ark van Noah? Wie weet was hij op die manier ook ooit tot Gods woord gekomen. Ik zinspeelde erop mijn doopceel prijs te geven door te zeggen dat ik vrijzinnig-protestants was opgevoed, maar het leek mij nogal hachelijk om na zijn uiteenzetting waar hij met zijn handel stond en de uitbarsting van evangelisatiedrift de beginnende inktvlek verder uit te smeren.
‘Is het geen speciale bekeringseditie dan?’, zei mijn vrouw op de terugweg. Dat zou toch wel een hele sluwe manier zijn om zieltjes te winnen. Niettemin heb ik meteen bij thuiskomst het boek doorgekeken en vond geen enkel stichtelijk woord. Of het zouden woorden als belhamels en kwajongens moeten zijn. Want dat zijn het! Een beetje evangelist zal dat ook niet vreemd in de oren klinken. Ps. Wel weet ik nu dat de naam Huizinga is blijven bestaan, omdat het pand nog steeds hun eigendom is. Toch wat wijzer geworden. Ik hoef ik er niet opnieuw naartoe.
24.5.25 Nog niet te laat Jan Terlouw is uit de tijd. Ik had dood of overleden kunnen zeggen, maar uit de tijd past beter bij hem, vind ik. Jan Terlouw was van D66, een partij waar ik nooit op gestemd heb. Dat had best gekund, want het was geen rare club en ze was begaan met het milieu. Ik heb Jan Terlouw één keer meegemaakt. Dat was op 14 juni 2008 tijdens een groot literair festival in het Gevangenis-Museum te Veenhuizen. Eén van de zeer weinige literaire festivals die ik heb bijgewoond, want tijdens dit festival werd het boek van de Drentse Zeuvendaagse wandeltocht gepresenteerd en omdat ik deels had meegelopen en enkele gedichten voor het boek had geleverd, was ik er voor uitgenodigd. We mochten er, na mijn uitnodigingsbrief te hebben laten zien, gratis in. ‘De vrouw ook?’ ‘Ja, de vrouw ook’, sprak een ferme oldie bij de kassa. In die tijd beschreef ik onder andere dit soort uitjes in een blokschrift, zodat ik daar nu uit kan putten.
Het was een prachtige zomeravond. Op het middenveld binnen de carrévormig gebouwencomplex traden mensen op als Erik Muiswinkel en Adriaan van Dis. Het was er bommetjevol. Adriaan van Dis liep ik drie keer tegen het lijf en alle drie keer voer hij een rode aktetas mee, waar hij tijdens een conversatie met een bezoeker hevig mee zwaaide. Het deed me denken aan meester Pennewip uit Multatulie’s Woutertje Pieterse of om wat dichterbij de tijd te blijven, aan O. den Beste, ex-leraar Duits, een tv-creatie van Wim de Bie. De deelnemers van de Zeuvendaagse werden verzocht naar de ruimte te komen waar zich een nagemaakte rechtbank bevond. Hier mochten de dichters en schrijvers (indien aanwezig en hiertoe bereid) enkele van hun gedichten of een fragment uit een verhaal voorlezen. Wij waren al enige keren als bezoeker in het voormalige detentiegebouw geweest. Er was mij niet opgedragen iets voor te lezen uit het nog te presenteren boek en omdat ik niet wist welke stukjes of gedichten de redactie had opgenomen, las ik een kort ervoor geschreven gelegenheidsvers. Het had namelijk maar weinig gescheeld of ik had hier ooit twee weken kunnen doorbrengen. Die keuze lag aan mijzelf. De reden: ik was een kleine twintig jaar eerder in beschonken toestand verbaliseerd. Het gebeurde op een zondagavond. Ik bracht enige feestgangers naar een discotheek een eindje verderop van de kroeg waar ik hen had getroffen. Het waren Zweedse jongens die hier tijdens een uitwisseling waren beland. Op hun vraag of er elders nog iets te doen was, wees ik hen op de discotheek en ach ik wilde ze er ook wel eventjes naartoe brengen. Zij waren in een juichstemming en draaiden tijdens het rijden de raampjes van mijn Toyota-Starlet open en aldus voeren wij al zingend door het dorp. Amper op de terugweg werd ik halt gehouden door een politieauto: shit! en of ik maar even wilde blazen. Foute boel. Enfin. Ik moest vóórkomen, de straf was niet mals. Bij niet betaling van de boete zou ik 10 dagen moeten brommen. Ik heb stiekem even overwogen van deze 10-daagse opsluiting gebruik te maken. Zo’n kans krijgt men niet elke dag en als men netjes de regels van de wet navolgt en zich ordentelijk gedraagt, waarschijnlijk helemaal nooit. Wie weet welke aardige draai het mijn toendertijds tamelijk saaie leven zou hebben gegeven. Uiteindelijk heb ik het niet gedaan. Je krijgt er geloof ik niet meteen een betere naam door en op een cv heb je er ook niet veel aan. De les die ik er door leerde was dat ik nooit meer met één druppel alcohol achter het stuur ben gekropen en later de biertjes helemaal vaarwel zei.
Het stukje viel mede vanwege de plek in goede aarde. We kregen allemaal onze Zeuvendaagse-boek en daarna ging ieder zijns weegs. En zo belandden we bij Jan Terlouw. Want die sprak op een ander deel van het terrein en dat leek me heel aardig. Dat was het ook. Na afloop konden de bezoekers een boek van hem kopen, eventueel gesigneerd. Tot mijn stomme verbazing deden maar heel weinigen dat. Ik liep langs de tafel met de stapels boeken. Meneer Terlouw en ik keken elkaar even aan en groeten over en weer. Ik complimenteerde hem met zijn optreden. Hij lachte tersluiks. Wist kennelijk niet goed wat hierop te zeggen, iets waar het mij ook nogal eens aan ontbreekt. Ik had kunnen zeggen dat ik hem een aimabele man vond (geheel naar waarheid!), maar dat ik desondanks nooit op hem had gestemd. En dat ik ook nog nooit een boek van hem had gelezen. Met zo weinig compassie kon ik amper voor hem bestaan. Monddood door mijn eigen onkunde, liep ik licht beschaamd door. Hij bleef een beetje verloren achter, met al zijn boeken.
Veel later kreeg Jan Terlouw toch nog de eer die hem toekwam. Dat kwam door een toespraak bij De Wereld Draait Door. Ineens was hij helemaal terug. Zijn grootste succes Oorlogswinter kwam in een goedkope druk uit (74ste druk!) en dat kocht ik. Maar, u begrijpt het al, het kwam op de stapel nog-te-lezen-boeken. Ik ga het alsnog goed maken, ik ga het meteen lezen.
19.5.25 Demonstreren heeft zin! ‘Meer dan 100.000 protesteerden er in Den Haag’, hoorde ik zo-even op de radio. Een ongekend aantal en zeker als je kijkt naar de reden van deze manifestatie. De meeste protestdemonstraties gaan over werk of geld: van het eerste is er in de regel te veel (werkdruk, stress) en van het tweede te weinig. De laatste echte grote demonstraties waren in 1981 en 1984 tegen de nucleaire wapenwedloop. Ik was bij beiden aanwezig, zoals ook bij andere vredesdemonstraties. Dat is niet iets om je voor op de borst te kloppen. Het is onderdeel van ons bestaan om je te uiten tegen iets wat je niet zint en daar verzet je je tegen. Maar voor de gegoede burgerij heeft demonstreren in de regel een nare bijsmaak. Ik weet nog goed hoe ik eens naar Amsterdam treinde om een manifestatie bij te wonen voor de vrijlating van Nelson Mandela. Ik zat tegenover een al iets ouder echtpaar waar ik een heel aardig gesprek mee voerde, tot ik op zeker moment liet ontvallen waarvoor ik naar de hoofdstad ging. Vanaf dat moment viel er een bijna kwaadaardige stilte tussen ons. We zijn een kleine veertig jaar verder en afgezien van wat kleine werkonderbrekingen, heb ik mij koest gehouden. Maar nu gebeuren er zaken in de wereld die alle denkbare grenzen overschrijden, waar geen goed woord voor bestaat, tenzij men moordzuchtig en sadistisch van aard is of voor het grote geld of landroof gaat. Daarvoor bestaan geen regels. Die zorgen enkel en alleen voor obstructie, voor vertraging van datgeen wat men wil. Aan het hoofd van zulke schurkenregeringen staan dictators en het lijkt erop dat er daar steeds meer van komen. Het begint als een volksmenner die zegt het goed voor te hebben met de onderlaag van de bevolking en langzaam bouwt hij het op naar boven. Daarna neemt hij een goddelijke status aan voor de mensen die hem steunen, maar voor de mensen die hem verketteren is hij een dictator. Zo is het altijd geweest en (helaas) zo zal het altijd blijven. In Nederland zijn we nog niet zo ver. We mogen nog demonstreren en dat gebeurde gisteren massaal. Tegen de slappe houding van het kabinet, die het heeft over het niet/wel overschrijden van een zogenaamde rode streep. Na de grote demonstraties in Amsterdam en Den Haag tegen met name de kernwapenwedloop, was er een partijbons die zei dat de meeste Nederlanders toch gewoon thuis zaten en dat slechts zo’n 5% had gedemonstreerd, dus waar had je het eigenlijk over?! Dat Hollandse griepje, de Hollanditis, zou wel overwaaien. Zo beschouwd zijn die 100.000 van gisteren amper een half procent van de totale Nederlandse bevolking. En toch doet het er toe! Op de radio hoorde ik ook geluiden van afkeuring, van antisemitisme, alsof het doelloos vermoorden van onschuldige mensen niet veroordeeld mag worden. Alsof de mensen die gisteren demonstreerden voor het beëindigen van de buitensporige gewelddadigheden in de Gazastrook en de Westoever vóór de terreurbeweging Hamas zouden zijn en tégen het Joodse volk. Maar veruit het grootste deel van het Israëlische volk wil ook van het gelazer af en vooral van de voorman en de regering die dit allemaal aanstuurt. En dat geldt ook voor Amerika, voor Rusland, China, Afghanistan, Iran, Noord-Korea en zoveel andere landen. De vraag is steeds: aan welke kant sta je? Dat liet de demonstratie gisteren op een fantastische manier zien. Geen enkele wanklacht.
Zou ik zijn gegaan? Nee. Ik vrees grote mensenmassa’s, het gevaar verdrukt te worden. Maar ik trek me op aan woordvoerders die het mogelijke verschil kunnen maken. Schrijvers, kunstenaars en artiesten zoals Neil Young, Bruce Springsteen en Meryl Streep. Die maatschappijkritisch zijn en zeggen waar het op staat. Heel vroeger deden zangers als Woody Guthrie, Lenie Bruce en Pete Seeger dat en iets later Bob Dylan, Joan Baez, Buffy Sainte-Marie, John Lennon, John Prine en vele anderen. In Nederland onder andere Jaap van Merwede, Boudewijn de Groot, Armand, Herman van Veen, Joop Visser, Jules de Korte, Robert Long, Het Klein Orkest en Sophie Straat. Dat helpt om onze horizon te verbreden. En om die schurken tegen te werken, ze een stok in het wiel te steken, ze belachelijk te maken, zodat ze niet met alles weg kunnen komen. Door te zwijgen stemt ons parlement in met hetgeen elders in de wereld vreselijk misgaat. Omdat het onze economische belangen zou schaden. Over humanitaire belangen wordt nauwelijks gesproken en juist daar moeten wij voor opstaan. Petje af dus voor die mensen, waarvan velen nooit eerder hadden gedemonstreerd.
Wie weet breekt hiermee een heuse Haagse Lente aan. De zachtaardige verbinder Jan Terlouw moet helaas verstek laten gaan. In het beste geval keuvelt hij op een wolk met Mient-Jan Faber en Hans van Mierlo en over niet al te lange tijd krijgen zij gezelschap van Joe Biden. Je zou er haast week van worden.
12.5.25 Reisje door Duitsland Tussen de boeken die ons regelmatig worden aangeboden bij De Boekenkast, tref ik bijna altijd wel een auteursnaam of een titel die mijn nieuwsgierigheid wekt of die ik onbewust al heel lang zoek. Even voor de duidelijkheid: De Boekenkast is een kastenwand, welke zich bevindt aan een van de binnenmuren van de dorpshuis, die gevuld is met boeken. Leesboeken, zoals wij vroeger zeiden. Boeken ter lering maar vooral ter vermaak. Mensen kunnen er boeken brengen en boeken gratis en voor niks lenen. Het idee is om het lezen te bevorderen. Ik ben een van de mensen die dit bijhouden en hieraan enkele uren per week met veel plezier besteed.
Vorige week nam ik een boek mee van ene Dylan van Eijkeren. Ik kende hem noch het boek. Het is getiteld De enige gast en beschrijft een reis door Duitsland van 100 dagen en nachten. Eén van zijn voornemens is om niet over de Tweede Wereldoorlog te schrijven. Dat blijkt al spoedig tegen te vallen, want het Duitsland van 2003/4 is nog vergeven van de naweeën van deze wereldbrand. Zeker als je steden als Weimar, Neurenberg en München en onheilsplekken als Garmisch-Partenkirschen, Baden-Baden en Berchtesgaden gaat bezoeken, maak je het jezelf wel verdraaid lastig. Daar is de vervloekte nazi-ideologie nog bijna van de muren te schrapen. Ik was wel benieuwd naar de relatie tussen de Ossies en de Wessies sinds het vallen van de Muur. Nu, 2025, spint met name de ultrarechtse AdF goed garen in het voormalige Oostblok. Een zorgelijke ontwikkeling. Maar die club komt in het boek nog niet voor. Angela Merkel zat nog niet eens op de hoogste troon. Het boek is vlot geschreven. Er wordt overdadig in gevroten en gezopen, beiden niet mijn hobbies. Een ander thema -als ik dat zo mag noemen- ging mij langzamerhand ook geweldig storen, namelijk het feit dan Dylan van Eijkeren zich door Duitsland verplaatst in een BMW en dat hij de lezer dit overdreven vaak laat weten. Je zou zeggen: nou en! Het had ook een Opel, een Audi, een Mercedes of een Volkswagen kunnen zijn. Allemaal voertuigen van Duitse makelij en van superbe kwaliteit. Ik heb ook niets tegen een auto uit de stal van de Beierse Motorwerken, maar die iconische letters gingen als een stoorzender (Störsender) op mijn gemoed werken en dus ging ik ze aanstrepen. Aan het eind van het boek had ik ruim 300 keer BMW geteld en dat is gemiddeld eens per pagina. Ik zeg dit met een slag om de arm, want ik zal vast wel een paar BMWtjes over het hoofd hebben gezien. Ik vermoed dan ook dat de schrijver voor deze trip en het te schrijven verhaal gesponsord zal zijn door de autofabrikant (of een dealer uit bijvoorbeeld Tilburg) zoals ook Martin Bril met vaste regelmaat zijn kanariegele Volvo, zíjn stalen reiscompagnon, benoemde en daar heel geheimzinnig over deed. Die andere grote merken komen wel eens langs, maar enkel voor de broodnodige variatie. Hij noemt ze zelfs een keer ‘prullaria’. Je moet maar durven. Nut hebben ze in ieder geval niet.
Ik heb zelf weinig affiniteit met auto’s (afgezien van oudjes, maar dat is meer nostalgisch gerelateerd). Het ding moet met eenvoudige handelingen tot bewegen in staat zijn en mij/ons zonder haperen thuis brengen. Dat is het zo’n beetje. Maar het welhaast beminnen, zoals de schrijver af en toe doet en zoals ik het ook weleens in tv-programma’s zie of erin recensies over lees …, dat kan ik er niet voor opbrengen. Dat neemt niet weg dat Dylan van Eijkeren een ander Duitsland laat zien dan ik tot nu toe kende. In het eerste hoofstuk schrijft hij: ‘Waarom hebben Nederlanders die de oorlogen niet meemaakten zo’n hekel aan Duitsers?’ Hij schreef het boek in 2003/4, dus voordat Frau Angela de boel ging besturen. Toen sleten -eerlijk is eerlijk!- bij mij de scherpe anti-Duitsland kantjes opMERKELijk snel. Misschien een idee om de vrouwen van de huidige, balsturige wereldleiders eens een tijdje op de troon te zetten. Het kan gauw beter dan dat het nu gaat. Héél veel beter zelfs! Wat betreft De enige gast – die kan in een boekenweeggeefkastje.
10.5.25 Heisa om een schilderij Voor de goede orde: ik ben geen fan van Donald John Trump, door mij in eerdere stukjes opzettelijk aangeduid met de initialen DJT. Het intikken van zijn volledige naam kost mij moeite, vandaar. Een Journaal zonder een item over DJT is een bijzonderheid en zal wellicht in toekomstige geschiedenisboeken speciaal worden vermeld. Dat DJT president van Amerika wilde worden en hiervan ook al vroegtijdig blijk gaf, is allang bekend. De man loopt nu eenmaal over van snoeverij en wenst geen tegenspraak of analytische beschouwingen aangaande zijn uitlatingen en zijn geestelijk onvermogen. Ik zeg dit enigszins verholen, want er liggen overal op de wereld, de wereld die zich razendsnel naar zíjn regels voegt, verraders op de loer en mijn stukjes worden tot in het witte huis gelezen, is mij verzekerd door iemand die verstand heeft van internetzaken. (Om welk witte huis het hier gaat is mij echter niet bekend). Wat ook bekend is en dat zal niemand verbazen, is dat machthebbers bijna altijd een overdreven hoog denkbeeld van zichzelf hebben en daarin past niet dat ze kunnen falen. Door angst ingegeven zwijgt het volk en wacht af wanneer de man (niet zelden in het zadel gehouden door de echtelijke kenau) aftreedt of door een onverlaat onder schot wordt genomen. Dit is de geschiedenis van een president in een hele kleine notendop. DJT heeft God de Heer als Überbeschermer. Dat zegt hij zelf en twijfel daar als aardworm maar eens aan! Toen de vraag onlangs aan hem werd gesteld of hij wellicht de nieuwe paus zou kunnen worden, dacht hij daar iets te lang over na, maar helaas, hij had al een baantje. Ik had hem graag zien wegteren in dat duistere Vaticaan. Mogelijk is het feit dat de helft van de Vaticaanbewoners van de herenliefde is en een klein deel transgender, de reden dat hij niet toehapte. Want aan iedereen die niet voor de volle 100% aan zijn uitleg wat betreft de kenmerken van het mannelijke of het vrouwelijke geslacht voldoet, heeft DJT een godsgruwelijke hekel. Oók aan mensen trouwens die niet geheel in zijn kleurenschema en in zijn cultuur passen. En aan wetenschappers en kunstenaars die niet volgens zijn patroon werken.
In Colorado (u weet wel, van de hiernaar vernoemde streepjeskever) is een rel ontstaan. De kunstenares Sarah Baordman werd door het Capitool van Colorado gevraagd een portret te maken van DJT. IN navolging van een portret van Barack Obama. Het werd met de nodige confetti en bitterballen in tegenwoordigheid van de gouverneur onthuld. DJT heeft ruim de tijd gehad om het konterfeitsel te bekijken, maar pas onlangs kwam hij hiertoe en gaf onmiddellijk opdracht het doek te verwijderen. Reden: hij vind zichzelf niet lijken op het portret. Het is een peulenschilletje om dat te checken en dat heb ik gedaan. Conclusie: hij lijkt als twee druppels water op de DJT zoals ik hem (met moeite!) op de beeldbuis of op een van de dagelijkse foto’s in de krant langs zie komen. Pafferig en rozig, de lippen stijf op elkaar en de ogen half geloken. De haarkrul, die mij steevast aan het kapsel van wijlen Bennie Nijman (niets ten nadele van hem, laat dat duidelijk zijn!) doet denken, in de brillantine. Het portret straalt een zelfingenomenheid uit die ik ken van machthebbers als Benito Mussolini, Hermann Göring, Joseph Stalin en van nog ergere masochisten wiens namen ik hier liever niet noem. DJT zou des duivels zijn geweest toen hij zijn afbeelding onder ogen kreeg. Ik had maar een seconde nodig om vast te stellen waar het portret op lijkt, namelijk op Ollie B. Bommel. Heer Bommel, voor het gewone volk. Een heer van stand, zeker, maar ook een heer met gevoel voor het alledaagse en die des avonds onder het genot van een glaasje van het-een-of-het-ander tot de slotsom komt dat het leven zo gek nog niet is en dat geld totaal geen rol speelt. Bovendien kent heer Bommel het bestaan van de eerste der hoofdzonden, te weten ijdelheid, in het geheel niet. En hoe anders ligt dat bij DJT.
Nu ik toch bezig ben. Gisteren las ik een veelbetekenend bericht aangaande de DJT-dynastie. The First Lady, in de gedaante van Melania Trump, schijnt al enige tijd zoek te zijn. Wat is er loos, waar hangt zij uit? Is zij zat van het geraaskal van haar doorgedraaide vent en heeft ze de benen genomen? Dit wordt voer voor een MAGA-schandaal, uit de kunst voor een film, een Hollywoodse who dun it, met James Bond-achtige trekken. Première: kerst 2028. Net op tijd om DJT voorgoed uit te zwaaien. Ik kan niet wachten het te gaan zien. Ik zal ruim voldoende popcorn meenemen, want dat schijnt tegenwoordig noodzakelijk te zijn bij filmvoorstellingen.
8.5.25 Nieuw woord, oud begrip Zo-even las ik een woord dat ik niet kende. Dat gebeurt vaker en dan raadpleeg ik de Van Dale of een ander woordenboek, want ik wil graag weten waar ik over lees. Dit kan het leestempo aardig afremmen en daarom laat ik sommige onderwerpen bij voorbaat links liggen. Artikelen over voedsel bijvoorbeeld, die standaard vergeven zijn van uitheemse woorden waar ik de betekenis niet van ken en driekwart van de gasten in de betreffende restaurants volgens mij ook niet en waar ze dan naar vragen. Ik zou zeggen, geef het dan gewoon weer in het Nederlands, maar misschien is die duurdoenerij wel onderdeel van de cuisinerie ofwel het eetgebeuren. Mij hebben ze er in ieder geval niet mee.
Het woord dat ik zo-even tegenkwam en dus niet kende was peniafobie. Het zal bij menigeen de wenkbrauwen doen fronsen. Ik dacht onbewust aan iets dat te maken zou kunnen hebben met het mannelijke geslachtsorgaan. Niets bleek minder waar! Daarvoor moest ik eventjes googelen, want het is een tamelijk nieuw woord en betekent zoiets als: angst om arm te worden. En hierop voortbordurend: afkeer of minachting hebben voor mensen die arm zijn of in behoeftige omstandigheden leven en zich daarvan afkeren. Het is een oprukkende ‘ziekte’, vooral onder jongeren. Mensen die lijden aan peniafobie kunnen letterlijk hun borst nat maken, want de helft van de wereld leeft in armoede en met deze kennis durf je de straat bijna niet op, omdat je omgeven bent door mensen waarvan je huivert en waarvoor je graag een blokje omloopt. Deze verderfelijke arrogantie zal er altijd wel geweest zijn, maar wordt nu als een ziekelijke tijdverschijnsel gezien. Vanaf het moment dat de moderne mens goederen met zich meesleept, hetgeen uiteindelijk culmineerde in het paraplubegrip materialisme, zo lang is er ook al verschil in the haves en the have-nots. Of om het op z’n Nederlands zeggen: de bezitters en de niet-bezitters. Het grootste deel van de grootbezitters en superrijken heeft het overigens niet aan eigen inzet te danken, maar aan overerving, zogeheten oud geld. Gelukkig zijn er miljoenen niet-bezitters (afgezien dan van het meest basale zoals kleding, een hutje, voeding en kookgerei) die het voor lief nemen. Natuurlijk zouden ze het graag veel beter hebben, maar de omstandigheden zijn er niet naar en ze kunnen de corrumperende krijgsheren, de omhooggevallen branies en de drugsbaronnen (bijna altijd mannen!) nu eenmaal niet bevechten. In een dergelijke omgeving krijgt een peniafoob het extra voor de kiezen. In het woord peniafobie hoor ik het Latijnse pecunia, wat geld betekent. Pecunia non olet, zeiden de oude Latijnen: Geld stinkt niet. Deed het dat maar wél! Al die bovengenoemden en tech-miljardairs, vastgoed- en crypto-speculanten zouden niet te harden zijn! Wij zouden er dolgraag meerdere straten voor omlopen. Door een afwijking of een ziekte in een Latijns sausje te gieten, krijgt het een zeker aanzien en begrip. Maar waar ligt de grens dat iemand gediagnostiseerd kan worden als peniafoob? En dan: wie moet dat doen? Een doorsnee arts is geen financieel expert. Zou dit wel zo zijn, dan heeft-ie een verkeerd beroep gekozen.
Nu ligt het prijsgeven van iemands vermogen altijd al moeilijk. Ik doe het zelf ook niet. Alleen als iemand steenrijk is, komt dat met de nodige poeha in de publiciteit. Dan slaat de persoon zichzelf op de borst omdat hij/zij in de Quote-top-500 staat en krijgt highsocietybons Jort Kelder op bezoek. Maar het gewone volk houdt het liever onder de pet. We openbaren ons vermogen in het beste geval cryptisch. Ik zeg in zo’n geval bijvoorbeeld dat ik in het bezit ben van een eigen huis en dat de waarde sinds de aankoop 40 jaar geleden al 15 keer over de kop is gegaan en als toetje voeg ik toe dat de stijging van de WOZ-waarde de laatste paar jaren ons gezamenlijke inkomen overtreft. Het is eigenlijk om je rot te schamen en dat doe ik dan ook (met mate). Voor dát gevoel bestaat geloof ik nog geen passend woord, maar dat komt er vast nog wel.
6.5.25 Goed met elkaar Van de Bevrijdingsdag heb ik weinig meegekregen. Ik hield me voornamelijk op in mijn kamer -door mijn vrouw niet zelden aangeduid met mijn mancave– met de weekendkranten die ik als verjaardagspresentjes had gekocht. We geven elkaar over en weer altijd wel iets en in de regel zet ik het om in een boek of tijdschrift en zij in een speeltje voor Rossi of de poes. Het komt plat gezegd allemaal uit dezelfde pot. ’s Middags reed ik een ommetje, liep met Rossi langs de Hunze maar hield het kort vanwege de kouwe wind en wipte daarna aan bij het Anner tankstation voor de NRC die zaterdag bij de Jumbo al niet meer te krijgen was. De kassière -donkerharig, klein, moeilijk Nederlands sprekend- begreep me niet. Een oudere kassière fluisterde haar toe dat de kranten al in de bak lagen (het was per slot van rekening maandag en wie vraagt er dan nog om een krant van zaterdag?) en terwijl ze ‘Wacht’ zei liep ze naar achteren en kwam vrij vlot met de gevraagde krant terug. Het was enigszins verfomfaaid, alsof iemand het al had doorgestruind en aan de kant gegooid en dat zij het gauw weer in elkaar had gevouwen. Als blijk van goede wil (of was het per ongeluk?) had ze de bijlage van de Telegraaf erbij gedaan. Hiermee vermeide ik de avond.
Vanmorgen moesten we even naar het dorp om wat spullen te halen en bij de ingang van de winkel trof ik een oude vriend. Even bijpraten. Hij is een half jaar jonger dan ik. Ik had vroeger meerdere keren met hem rondgezworven, geen zee was hem te hoog. Maar nu ging ons gesprek over hun nieuwe huis en over hoe het verder gaat. Met de gezondheid, welteverstaan. Dat wordt steeds meer een item. Steeds vaker komen er namen in onze gesprekken voor van mensen die al uit de tijd zijn of die niet meer op zichzelf kunnen wonen. Op zeker moment passeerde ons een jonge vader met zijn kindje in een wandelwagentje. Ik zag mijn oude vriend slikken en stiekem een traantje terug duwen. Hij had hun enigste kind na amper 14 maanden al weg moeten brengen. Die wond was nooit helemaal geheeld. Later kreeg hij blaaskanker. Zijn vrouw vertelde het me tijdens het winkelen. We zochten elkaar weer op. Maar tijdens dat bezoek wilde zij een sigaret opsteken en mijn vrouw zei daar iets van. Heel voorzichtig. Wij kunnen allebei heel slecht tegen rook. Daarop reageerde zij nogal fel. Dat ze in haar huis toch wel zelf mocht bepalen of ze rookte of niet en driftig liep ze met haar sigaret naar buiten en rookte het daar op. Moeilijk. Ik wist dat het niet meer goed zou komen. Zijn kanker weerhield hem trouwens ook niet van het roken. Hardnekkig verslaafd – doe daar maar es wat aan. We rondden ons gesprek af en gingen verder.
Op weg naar de auto kwam ik een oud-collega tegen. Jaren niet gezien. Ik noemde zijn naam en hij wilde de mijne noemen, maar stokte … Omdat ik regelmatig met hetzelfde probleem worstel, noemde ik het zelf. ‘Oh ja natuurlijk’, zei hij met een schuin lachje. We waren als collega’s goed met elkaar. Op mijn vraag hoe het gaat, zei hij dat hij kanker had en dat hij net voor controle was geweest en een jaartje had bijgetekend. In 2019 was hij met pensioen gegaan en hoopte nog op een mooie ouwe dag. Tja. Ik zei dat ik al sinds half 2015 op een soort vervroegd pensioen ben. ‘Zo lang al joh!’ ‘Ja, zo lang al. Maar ik verveel me geen moment’. ‘Maak er wat van’, zei hij en stapte de winkel binnen. ‘Ik leef in bonustijd’, zei Kees Buddingh’ weleens, nadat hij was hersteld van tuberculose. Soms zeg ik het hem na. Of zoals mijn vrouw, toen ik van mijn kanker hersteld was, zei: ‘Het komt je toe’. Misschien kwam die extra krant van gisteren mij ook wel toe. ’t Is ver gezocht, ik weet het. Maar gered van de versnipperaar, is het niet eens zo’n gekke gedachte!
4.5.25 Vlagvertoning Al vanaf de tachtigste Bevrijdingsdag van ons dorp begin april jongstleden, had ik de vlag uit. Vroeger moest een ieder zich houden aan het strenge vlaggenprotocol, waar, als men dit overtrad, flinke geldboetes op stonden. Men kon er zelfs voor in de bak komen, omdat het als een schending van ons nationale symbool werd gezien. Maar op zeker moment was daar denk ik geen beginnen meer aan. Vooral als het Nederlandse voetbalelftal aantrad tijdens de EK of de WK, was het in ontelbaar veel straten van dorpen en steden een zee van roodwitblauw. Laat maar wapperen, zal de wetgever op zeker moment wel hebben gezegd. Alleen met de Dodenherdenking moet-ie halfstok. Dat spreekt voor zich. En dus haalde ik zo-even de mast uit zijn houder om het dundoek halverwege de stok te bevestigen. Nu houd ik ervan om zaken stevig te vergrendelen en ik had de knopen van de lijn dan ook goed vast gesjord. Wellicht had de regen en de wind van de laatste dagen me nog een beetje geholpen, want ik kon met geen mogelijkheid de onderste knoop van de lijn los krijgen. Zou ik de vlag omkeren en dus het bovenste lijngedeelte onderaan vastknopen, dan zou het een blauwwitrode vlag worden en dat strookt niet met mijn respect voor onze driekleur. Een tijdlang was dit een uiting van algemeen ongenoegen van land- en tuinbouwers, al spoedig door sympathisanten overgenomen en zo werd onze nationale driekleur een soort geuzenvlag. Hoewel ik hun kritiek wel begreep, kon ik het niet uitstaan dat onze vlag hiervoor misbruikt werd. Maar nu zat ik met een vlag die zelf tegenstribbelde! Wat te doen? Ik kon natuurlijk de lijn als aangegeven vastknopen en de mast ómdraaien, dan was de kleurenvolgorde weer hersteld. Fluitje van een cent. Maar vlaggenmastenmakers houden denk ik geen rekening met deze zienswijze. De halfstokse vlag zou niet halfstok maar nogal dicht op de masthouder geknoopt zijn en dat is geen gezicht. Het zou als een afgezakte broek onderaan de stok bungelen. Niet doen dus. Bovendien wijkt dit af van de voorgeschreven regel dat wanneer een vlag halfstok bedoeld wordt, deze ook werkelijk halfstok moet hangen. Dat wil zeggen: Het vrije mastdeel boven de vlag moet ongeveer gelijk zijn aan het vrije mastdeel onder de vlag. Een korhoen die daar op let, maar toch …. Een andere mogelijkheid bedacht ik, is de vlag op de plek te houden en aan de bovenkant er een stuk mast op te frunniken. Een nutteloos stuk hout, dat wel, maar zonder zou het de jubelvlag blijven die het al een maand is. In die mogelijkheid kon ik voorzien door gebruik te maken van een steel van een ouwe parasol. Op maat afzagen, twee schroeven erdoor en een likje verf erop … Klaar! Kind kan de was doen.
Tegen een uur of zes -want dat is voorschrift- hing ik het uit. Als de wind mij goed gezind is, houdt-ie het wel. Morgen haal ik het bovenstuk er wel weer af en mag het doek de hele zomer voluit wapperen. Op de veel gelezen en gehoorde vraag wat vrijheid betekent – nou, bijvoorbeeld dit dus.
4.5.25 Voortdurend gevecht (OverlijdensAdvertentieBovenschriften 5).
Vandaag zou mijn moeder 107 jaar zijn geworden, dat is voor weinigen weggelegd en ook bij haar hield bij krap 87 op. Overdag kwamen mijn grootouders (haar ouders) en ’s avonds verdere familie. Zoals de zus van mijn moeder, die getrouwd was met een man die voor de vijand had gekozen. Daardoor lag zijn aanwezigheid altijd wat gevoelig. Ik herinner me dat mijn oom en tante eens net iets vroeger waren dan gewoonlijk en onze achterkamer -waar wij kinderen zaten- betraden, terwijl de een-minuut-stilte net aanving. Wij zaten gespannen als ledenpoppen stil te wezen. Mijn tante liep na fluisterend goeienoavend te hebben gezegd door naar de voorkamer waar de visite zat, maar mijn oom bleef staan, de handen diep in de zakken, zijn blik strak op het scherm. Nadat Het Wilhelmus had geklonken, liep hij zwijgend en stijfjes naar voren. 4 mei, altijd een dingetje. Mijn moeder liet zich eens grimmig ontvallen dat ze liever op een andere dag jarig was. Het was de dag om te rouwen, niet om jarig te zijn. Rouwen om de ruim 230.000 Nederlanders die tijdens de Tweede Wereldoorlog het leven lieten. Een groot deel Joodse slachtoffers.
In mijn verzameling OAB’s heb ik enige toepasselijke exemplaren gevonden. De eerste heb ik jaren geleden opgedaan bij de Poort van de Joodse begraafplaats te Elburg en trof het meer dan eens aan boven een overlijdensadvertentie. ‘Die geliefd en bemind waren tijdens hun leven, zijn ook in de dood niet gescheiden’. Onderzoek leerde dat dezelfde regel bij de ingang van de Joodse begraafplaats te Wassenaar is te lezen, nu echter als strofe van een veel langer gedicht. Wie het heeft geschreven is mij niet bekend. Een andere bovenschrift die ik tegenkwam is: ‘De mens leeft maar een keer op deze wereld en hij mag van het leven genieten en beseffen dat hij vrij is’. Het komt uit de Jiddische Arbeidersbeweging ‘De Bund’ en verscheen voor het eerst rond 1900. Je zou het gewaagd kunnen noemen, een wensgedachte, want de jacht en moord op Joden was reeds eeuwen gaande. De Russische schrijver Sjolem Aleichem schreef het beroemd geworden boek Anatevka, Tewje in boter en kaas in 1894 (succesvol verfilmd en vermusicald). Het speelt in de buurt van Kiew en eindigt met de verdrijving van Tewje en zijn dorpsgenoten. De wereldgeschiedenis staat bol van Jodenhaat. Leo Vroman, één van de eerste dichters die ik las, schreef het indringende Vrede, waarvan de laatste strofe nogal eens worden aangehaald in herdenkingstoespraken. Het luidt: ‘Kom vanavond met verhalen/hoe de oorlog is verdwenen,/en herhaal ze honderd malen:/alle malen zal ik wenen’. Dat gedicht werd niet in alle kringen makkelijk ontvangen, omdat er krachtig in wordt gevloekt. Leo Vroman (Joods) wist ternauwernood aan de dood te ontsnappen en vond in Nederland vrijwel niemand van zijn familie terug. Verdwaasd immigreerde hij naar Amerika. In mijn verzameling OAB-en komt Vrede meermaals voor.
Boven de naam van mijn oom op zijn rouwkaart prijkt een lege ruimte. Boven dat van mijn moeder staat dat ‘na een leven van hard werken, kalm is heengegaan’ …. Een waarheid als een koe. Tijdens haar uitvaartdienst werd er zacht meegeneuriet op de klanken van Ede Staal’s ”t Het nog nooit zo donker west of het wer altied wel weer licht’ en ‘Mien toentje’. Daarmee was zij één van de velen, want de liedjes van Ede Staal verwoorden datgeen wat voorgangers met hun hemelse mooipraterij nogal eens over het hoofd zien: het aardse leven. Maar Ede Staal had ook te maken met het duistere verleden van WO2, namelijk dat van zijn vader. 4 mei zal voor velen om uiteenlopende redenen altijd een kras op de kalender blijven. Mijn moeder had een leukere verjaardag verdiend. Ik had het haar graag gegund.
Als bovenschrift (en soms als onderschrift) zie je ook nogal eens: ‘So it goes’. Je zou zeggen, dat is toch gewoon een dooddoenertje, een stoppertje, zoiets als ‘Zo gaat dat nu eenmaal’. Niet helemaal waar. Het komt namelijk meer dan 100 keer voor in het boek Slachthuis 5 van Kurt Vonnegut. Als evenzoveel geweerschoten, want het is een rauw boek. Dat boek gaat grotendeels over de verwoesting van Dresden in februari 1945. De oorlog was zo goed als voorbij, daarom werd deze slachting ook wel gezien als onnodig, zinloos, als een wraakactie, waarbij meer dan 100.000 doden vielen. Kurt Vonnegut maakte dit zelf mee en overleefde door te schuilen in de kelder van een abattoir. Iedere keer als ik dit stoppertje in een OAB tegenkom, denk ik aan dat gruwelijke verhaal.
Over dieren gesproken: een leermeester voor mij was Dick Hillenius. Bioloog/schrijver, samensteller van het Spectrum-Dierenencyclopedie, waarvan begin jaren ’70 iedere twee weken een partje uitkwam. Ik kocht ze altijd braaf. Op de binnenzijde van de omslag van elk partje schreef een zekere D. Hillenius altijd boeiende artikelen over de natuur. Later leerde ik hem kennen als dichter. Dick Hillenius stierf vrij plotseling op 4 mei – die van 1987. Zo nu en dan grasduin ik in zijn Verzamelde Gedichten. Daarom tot slot een mini-versje van hem dat ik als OAB scoorde: ‘Ik was in een land/daar waren geen wegen/daar was elk bewegen/een voortdurend gevecht’.
29.4.25* Dit jaar niet Ik verkeer in lichte vertwijfeling. Dat heb ik vaker, dus heel vreemd voelt dat niet. Het heeft te maken met wat er om mij/ons heen gebeurt en ook dat is niet nieuw, want de wereld is continu in beweging. Panta rhei, zoals de oude Grieken dat noemden, ofwel: alles stroomt of vervloeit, niets is bestendig. Maar vanwaar die vertwijfeling? Al enige jaren begeef ik mij zo rond deze tijd naar het voormalige doorgangskamp Westerbork. Dit is mijn manier om de dodenherdenking vorm te geven, want de echte op 4 mei werd mij te druk. Ik beleef deze dag dan als een soort onderdompeling van de misère die de gevangenen hier tussen de oprichting van het kamp en de uiteindelijke sluiting hebben ondergaan. Ik lees me voorafgaand aan die bezoeken in middels werk van bijvoorbeeld Etty Hillesum of In Depots van Philip Mechanicus. Dichterbij de plek waar het leven zich vooral vanaf het moment dat het kamp een doorgangskamp werd en de dood zichtbaar, kun je haast niet komen. Het wanhopige gevecht om hier te kunnen blijven en het leven met een week te mogen verlengen …. Dat voel je uiteraard niet als je over dat vroegere kampterrein loopt en de geur van de duizenden lupinen inademt en de radiotelescopen je bijna vriendelijk toe knikken. Het vroegere kampterrein was immers een kale vlakte. Ik loop dan naar de 105.000 steentjes en zeg als mensen er om vragen (en dat gebeurt nogal eens) waar zich de steentjes van de Roma en de Sinti bevinden. En dan loop ik naar het stuk spoor waar de Entlösung, de vernietiging, eigenlijk al begon en tel de bielzen af tot aan het stootblok en loop met een moeilijk te beschrijven gevoel terug. Beklemd, dat zal het zijn. Dan luister ik om bij te komen een paar minuten naar de stem die uit de luidspreker van de wachttoren komt. Het zijn kampfragmenten uit een van de boeken van Etty Hillesum. Ook zij werd net als Philip Mechanicus vanaf deze plek weggevoerd en overleefde de oorlog niet. Bij meerdere taluds, die de vroegere barakken aangeven, blijf ik staan. Kijken. Niet meer dan dat. En terwijl overal op het terrein mensen bezig zijn met de voorbereidingen van de echte herdenking over een x aantal dagen, rijd ik met de bus terug naar het Herinneringscentrum.
In één van die barakken verbleef mijn oom. Barak 70, Administratiën 8291, heeft hij achterop het fotootje van mijn tante geschreven. Dat moet ergens in 1945-46 zijn geweest. Vanaf de bevrijding van het kamp, dus na 12 april 1945, werd het een detentiekamp voor foute Nederlanders. SS-ers, NSB-ers, landwachters, janhagel, schorriemorrie dat volk en vaderland vernaggelde. Er is onder de gevangenen en de bewakers toen vreselijk huisgehouden. Er vielen niet weinig dooien. Mogelijk had mijn oom dat fotootje al bij zich toen hij in het kamp arriveerde. Op zich was dat niet vreemd. Mijn eerste verkerinkjes dik 20 jaar later, stak ik ook een foto, een pasfoto welteverstaan, toe. Dat gebeurde meer. Hoe lang mijn oom daar heeft gezeten, weet ik niet. Bij ons thuis werd er niet over gepraat. Maar mijn tante viel voor hem en wie weet al in de tijd dat hij zoals mijn moeder op mijn aandringen eens zei ‘met een karabijn op zijn schouders’ liep. Mijn moeder trouwde in 1943, was het ouderlijk huis uit en had dus geen zicht op haar 6 jaar jongere zus, maar hun ouders waren verbitterd over haar keuze. Dat speelt ook een rol als ik over dat terrein loop.
Maar dit jaar ga ik niet. Niet dat ik mij niet fit genoeg voel, wat een reden zou kunnen zijn, maar ik heb moeite met wat er nu in de wereld gebeurt. En dan met name in het Midden-Oosten. En ik weet heel goed dat wat er anno 2025 gebeurt niets te maken heeft met wat er met de Joden in het verleden is gebeurd en dan in het bijzonder hier op de Drentse heide. Het staat er totaal los van, ik weet het. En toch verweeft zich de geschiedenis van toen met die van nu. In de wetenschap dat elk woord van kritiek door wie-dan-ook over bombardementen en over voedselonthouding op de Gazastrook wordt vertaald als antisemitisme. Daar kan ik niet goed tegen. Ook een term als genocide mag men niet gebruiken voor het onvoorstelbare leed dat Israël langs haar grenzen aanricht. Ik probeer te begrijpen dat het Joodse volk niet nog eens over zich heen laat lopen, maar bij elke nieuwsflits wordt dat teniet gedaan. En alzo kan ik het verleden en het heden niet meer los van elkaar zien …. en dus ga ik niet. Nu in ieder geval niet. Misschien van’t zomer, als de rust in mijn hoofd ietsjes is weergekeerd. Als ik er iets anders in sta en via ons zonnestelsel-pad naar het kampterrein wandel. Als een ode aan al die mensen die hier hebben geleden. Terug ga ik dan via de weg met de spoorbielzenmarkering – evenveel bielzen als er tussen juli ’42 en september ’44 treinen vanuit dit deel van de wereld vertrokken met in totaal 105.000 mensen. Eindbestemming: Sobibor, Auschwitz, Belgen-Belsen, Theresiënstadt, Buchenwald of Ravensbrück …. Ik lees de getallen, spreek niemand aan, luister naar het ruisen van de bomen. Vermoeid plof ik neer in het Herinneringscentrum, drink een kop koffie (of thee). Het voelt alsof ik een goede kennis heb weggebracht en het verdriet met niemand kan delen. Zo zou ik het vandaag of morgen doen, als het vrede was in het Midden-Oosten.
* Ook 29 april, maar 1942. Uit het oorlogsdagboek Met de tanden op elkaar van Ina Boudier-Bakker van die dag. ‘Het is een zwarte dag voor de Joden – voor ons allemaal. Van schaamte, dat zoiets in ons land gebeuren kan. De Joden moeten namelijk vanaf 3 mei een gele ster op hun borst genaaid hebben. Dat is vandaag middels een decreet door de politie bekendgemaakt’. Precies 83 jaar geleden werd de jodenster ingevoerd. Er was nu geen ontkomen meer aan.
23.4.25 Man van het volk De paus is dood. Dat zal weinigen zijn ontgaan. Ik treur er niet om. Hij is voor mij niet anders dan elk mens dat geen misdaden heeft begaan en redelijkerwijs binnen de randen van de pot heeft gepiest. Dat zijn de meesten, denk ik, maar cijfers heb ik er niet van. De Rooms Katholieke kerk, waarvan de paus de leider is, heeft niet mijn voorkeur, als ik al een voorkeur voor een bepaalde kerk zou moeten hebben. Ze verbindt de mensen niet, maar duwt ze juist uit elkaar. Hetzelfde heb ik met de Joodse kerk. We waren eens in de voormalige synagoge te Kampen. Ik heb iets met het Joodse volk. Van jongs af al meegekregen, denk ik. Door de Tweede Wereldoorlog. Door wat hen toen en de 20 eeuwen daarvoor, is aangedaan en waar ik een soort schaamte over voel. De gids in de synagoge vertelde over de indeling van de kerk: mannen zaten beneden, vrouwen boven and never the twain shall meet! Ja, pas buiten, als mannetjes en vrouwtjes weer herenigd werden. Ik zou een hele recalcitrante gelovige zijn, ik distantieer mij er liever van. Ik lees de geschiedenis en verbaas me erover. De bekeringsdrift van onder andere Willibrord en de zijnen, de godsgruwelijke inquisitie, de heksenvervolgingen, de christelijke weeshuizen. Eén en al ellende. Met zoiets wil ik niets te maken hebben. Nee, dan zou ik indien gewenst niet verder gaan dan een vrijzinnige beweging waar mannen en vrouwen níet worden gescheiden zoals bij veel geloven het geval is. Ook het katholisme deelt haar gelovigen in. Mannen die geen huwelijkse verbinding aangaan met een vrouw en vrouwen idem dito met een man zijn lastige gevallen en worden voor de lieve kerkvrede van een en ander uitgesloten. Evenals bij negen van de tien andere wereldgodsdiensten.
Van de nu in de hemel opgenomen paus wordt gezegd dat hij een man het volk was. Dat is moeilijk te definiëren en al helemaal geen bijzonderheid, want onder ‘man van het volk’ vallen namelijk de meest uiteenlopende types. Van Ed Nijpels en volkszanger Django Wagner tot en met Geert Wilders. Maar ook Helmut Kohl, Nelson Mandela en Barack Obama. Daar kun je dus alle kanten mee op. De paus wordt ook wel de vertegenwoordiger van Christus op aarde genoemd en als dat zo is (ervan uitgaand dat men daarin geloofd) dan zou hij ook dezelfde eenvoud moeten nastreven van zijn grote Nazareense voorganger. Dat doen die pausen echter niet. De één leeft weliswaar wat soberder dan de ander, maar ze hebben toch allen een aardige kast vol kostbare soepjurken en hoofddeksels en laten zich het goede leven welgevallen. Dat is hun goed recht. Onze oude dominee ging ook goed gekleed en was gezegend met een paar appelrode wangen die hij niet had gekregen door in bittere armoede te leven. Maar hun grote voorganger pleitte juist voor eenvoud en joeg de wisselaars uit de kerk en zou geen man zijn van boetedoening. Eerder iemand voor een opbeurend gesprek.
Op het moment dat ik van de dood van de paus hoorde, was ik het boek Jongens en vuur van de Duits/Amerikaanse schrijfster Ursula Hegi aan het lezen en juist in een hoofdstuk waarin ene Wilhelm de liefde verklaart aan een zwangere vrouw. Zij is door iemand anders bezwangerd, maar wenst hem niet te trouwen. Wilhelm houdt van haar en ontfermt zich over de vrouw en haar toekomstig kind. Een grootse daad. Toch moet hij lange tijd elke week ter biecht en kreeg absolutie na boetedoening van twaalf weesgegroetjes en zes onze vaders vanwege ‘het begeren van een zwangere vrouw’, wier ongeboren kind anders ter donatie aangeboden zou worden. Zélf zou de vrouw het niet mogen opvoeden, zoals de regels van het katholieke kindertehuis Sint Margaretha voor niet gewenste kinderen voorschreef. Dat is toch om van je stoel te vallen! Zo’n man zou zonder morren ‘Man van de wereld’ moeten worden genoemd. Voor de duidelijkheid, het speelt in 1899, maar het heeft nog lange tijd zo gespeeld. In eenzelfde soort tehuis heeft mijn vrouw namelijk ook enkele jaren van haar jeugd doorgebracht. Kom haar niet aan met het Roomse geloof: ze barst van opgekropte woede. Oud zeer. Geen gekoesterde wrok, maar wonden aangebracht door zogeheten ‘zusters van barmhartigheid’, zoals ook beschreven in dat prachtige boek van Ursula Hegi.
Er heerste dan ook geen bedompte sfeer toen wij op Tweede Paasavond naar het Journaal keken. En nu zal DJT (de zelfgekroonde Man of the world) alles in het werk stellen om een volgende rattenlijn over de aardbol uit te zetten. Want Amerika wil een paus leveren, hun imago van godsvrezende natie bestendigen en de Stars&Stripes op het Sint -Pieter willen zien wapperen. Hoger kan een man niet komen. Sinds DJT’s aantreden wordt daar onderhuids al koortsachtig aan gewerkt. De anti-LHBTIQ+houding zal in hun voordeel werken. Witte rook uit die Vaticaanse pijp ontbreekt er nog aan, dan is de boel voor elkaar. Read my lipps, zoals één van zijn voorgangers ooit zei en die kreeg ook gelijk.
19.4.25 De Melkweg Dat wandelen van mij stelt voor een beetje wandelaar helemaal niets voor, want hoeveel kilometers maak ik zo ongeveer per dag? Drie, vier – meer zeker niet. Daarbij ontmoet ik onderweg nogal eens een dorpsgenoot en dan kletsen we even bij. Zo zien die ommetjes er ongeveer uit. Ik maak het niet mooier dan het is. Het is geen tocht zoals bijvoorbeeld jaarlijks duizenden mensen maken naar het Spaanse Santiago de Compostela. Ik heb er net een boek over gelezen en verbaasde mij over de dwangmatigheid om juist dát pad af te lopen. Er zijn trouwens meerdere wegen om het einddoel te bereiken, maar de langste is de 769-kilometerversie (tenzij men van huis wandelt en dit mee telt, dan kan het wel 2000 kilometer worden). Die langste route is de populairste en daardoor het beste voorzien van hotels, herbergen en gasthuizen. Maar zelfs de kortste route zou mij al veel te zwaar zijn. Ik houd het maar op mijn eigen ommetje. Met bedevaarten heb ik bovendien helemaal niets.
Zoals die van vanmorgen. Prachtig weer erbij. Rossi als vaste metgezel en een tas om bermafval in mee te nemen. Want dat beschouw ik als een verplicht onderdeel van mijn wandelingen. Ik weet niet of er Compostela-wandelaars zijn die specifiek voor het schonen van de natuur deze route lopen en minder gaan voor de heilige Sint Jacobskerk. Veel zullen dat er in ieder geval niet zijn, want zoals bij elk wandelpad of rijweg wordt er veel rommel in de bermen gegooid. Daar wordt door bewoners over geklaagd. Bergbeklimmers in bijvoorbeeld de Himalaya maken er helemaal een zooitje van. Tonnen afval laten de duizenden alpinisten en hun hulpen (sjerpa’s) onderweg en op de top achter. Langs de paden naar Santiago de Compostela gebeurt het ook, las ik. Misschien minder erg, maar van vrome natuurgenieters verwacht je op z’n minst proper gedrag. Mijn vangst bestaat onder andere uit sigarettendoosjes, waarbij ik niet kan nalaten te kijken hoeveel het pakje heeft gekost om dan de prijs van elke sigaret te berekenen. Dat is een tic, maar ook een nuttige hersentraining. €16 voor 25 kankerstokjes, zoals Dennis Potter, schrijver van The Singing Detective en zwaar nicotineverslaafd, ze noemde. 64 eurocent per stuk. Vanmorgen vond ik dat pakje naast nog vijf andere pakjes op mijn route. Die van 64 eurocent bevatte zelfs nog drie peuken. Dat lijkt me bijzonder slordig en verkwistend! Verder de verpakkingsresten van frites en nuggets en de kassabon van McDonald’s te Veendam, d.d. 15/04/2025 15:32.02. Alles van papier en karton en over enige tijd vergaan. Behalve het plastic sausbekertje. Maar dat zal bij opgraving over pak-em beet duizend jaar weinig opleveren. Geen reden in ieder geval om een pad voor aan te leggen om sint McDonald, de heilige fastfoodkoning, te eren. M’n kop eraf als het ooit zo ver komt!
De pelgrims van de Santiago de Compostela hebben tenminste een bestaande heilige voor ogen en daar zijn ze massaal naar op weg. ‘De Camino’, zoals men de onderneming onder elkaar noemt, en bij uitbreiding met ‘De Compostela’ ook wel ‘De Melkweg’. Mogelijk om stiekem aan te geven hoe zo’n klere-eind het is! Wil men ons eigen Pieterpad een hogere status toekennen, dan moet men er een heilige aan verbinden. Iemand die zijn verstand op de zeedijk door een Wonder terugvond of een Stem die een garnalenkotter door een vliegende storm loodste of een dolende die langs de vloedlijn het Licht (het Noorderlicht geldt in deze niet!) zag. Men zal er aan een van de polderwegen een hardstenen beeld voor oprichten, met een overdekt bankje ernaast om tot rust te komen of om te schuilen. Want Groningers lijken een koud volk, maar hechten zeer aan warmte.
En zo wandelend raakt een mens in vervoering en komt tot speelse ingevingen. Dat is aangename bijvangst. Ik dumpte mijn afval in een vuilnisbak en ging verkwikt op huis aan.
17.4.25 Witte Donderdag Vandaag is het Witte Donderdag. Daar hoef ik als vrijzinnig-protestants opgevoed jochie niets van te weten, maar ik ben weetgierig van aard en weet dus dat het te maken heeft met het laatste avondmaal van Jezus en zijn discipelen, met het verraad één van hen (Judas), met een haan die drie keren zal kraaien en met de dood van diezelfde Jezus aan een houten kruis en daarna zijn wederopstanding. Daar heeft de christelijke wereld een enorm gebeuren van gemaakt, al met al genoeg voor vier dagen kerkgang, bezinning, eterij en feest. Een beetje vreemd is het natuurlijk wel; de marteldood sterven en daarna weer worden ‘gezien’ door zijn geliefde Maria Magdalena en zijn naaste volgelingen. Het zal mijn aardse manier van kijken en beredeneren zijn die mij hier niet ontvankelijk voor maakt. Dat andere mensen dit inzicht wel hebben meegekregen, beschouw ik echter niet als een gemis.
Maar eigenlijk wilde ik het daar helemaal niet over hebben. Ik keek naar een uitzending van Het Buitenhof en daarin was Pieter-Jan Hagens in gesprek met Dirk de Wachter. Hij is hoogleraar in de psychiatrie en woont wisselend in Antwerpen en in Parijs. Hij is een zeer kundig man en weet de problemen van de innerlijke mens feilloos te detecteren. Zó zal hij het vermoedelijk noemen, want Dirk de Wachter gebruikt veel prachtige woorden die wij Ollanders niet of in ieder geval weinig gebruiken. Dat maakt het Belgisch-Nederlands (Vlaams is iets anders) voor ons harde Noordelingen ook zo aardig. Zijn stelling is dat de mens naarmate hij hoger op de maatschappelijke ladder komt, hij steeds meer tegen zijn grenzen aanloopt en tenslotte zijn hoofd stoot en dan komt hij op een dag bij de psychiater terecht. Dirk de Wachter weet dat zeer boeiend en met passie te vertellen. Alleen daarom al ben ik fan van hem en ik zeg erbij dat ik niet gauw fan, of aanhanger zo men wil, van iemand ben. In vraaggesprekken of causerieën van geleerde mensen loop ik niet zelden vast en haak af. Bij Dirk de Wachter kán dat bijna niet het geval zijn. Daarvoor spreekt hij te bezwerend en te begrijpelijk en met een vleug humor. Dat is onontbeerlijk voor een aangename rede. Bovendien gebruikt hij veelvuldig het achtervoegsel ‘-heid’ en dat maakt alles minder erg, minder hard, milder. Zijn ongeneeslijke ziekte (hij heeft sinds een paar jaar darmkanker) beschrijft hij als een vorm van ongelukkigheid en lastigheid en nog meer dan daarvoor weet hij dat allenigheid in tijden van lijden wel de ergste ziekte is. Het is de hel, zoals hij zegt. Tenzij je natuurlijk geen mens om je heen duldt. Maar hij is een mens die houdt van plezantigheid en niet van verdrietigheid. Al voetenstarend sjokt hij over het podium tijdens zijn lezingen. Een katheder met vellen papier past hem niet. Hij is een beetje chaotisch, vroeg zich al jong af hoe het toch komt dat een lelijkerd als Jean Paul Satre toch zoveel mooie vrouwen om zich heen had en ging naar zijn graf maar kreeg geen antwoord. Eerst wilde hij tekenaar worden en daarna zanger, zegt hij, maar hij had geen talent en dat is wel het eerste dat je als zanger moet hebben. Gelach in de zaal. Men herkent het, er zijn namelijk veel terecht gewezen zangers in de wereld. Zijn evenbeeld, Nick Cave, uit Engeland kan wel zingen, heel goed zelfs en maakt ook nog eens prachtige platen. Dirk de Wachter moet het met minder doen. Hij koos voor de langst denkbare studie: psychiatrie, de menselijke geest, daar raak je nooit op uitgestudeerd. Toen hij nog gezond was, werkte hij niet zelden 100 uren per week. Lezingen geven, consulten, onderwijs op de Universiteit van Leuven, artikelen en boeken schrijven. Een mens kan ook te veel willen, zegt hij berustend. En hij is geen sporter, een wandelaar, al wandelend komt hij tot grootse inzichten. Nu in bonustijd komt er van die 100 uren werken in de week niet veel meer terecht. Vermoeidheid (ook een -heid) haalt de vaart eruit. Ik ken dat. Ook mijn lichaam hakte met dat k-bijltje en ook ik kijk veel voor me, bang om te vallen. Dat dat ooit zal gebeuren weet de mens als enig levend wezen, dat wil zeggen: de mens bewéért dat hij als enige soort van het grote dierenrijk weet heeft van zijn einde. Dat is een vreselijke kennis en valt toe te schrijven aan de grootte van zijn brein. We zijn een en al breinigheid, zoals de professor het zegt. Ontbering van deze kennis zou het leven misschien veel plezieriger maken, maar ja ….. Met deze kennis werd de splitsing ingezet tussen onze verre voorouders (de hominiden) en de mens (de homo sapien). Er moest betekenis worden gegeven aan het bestaan van elk van de leden van de stam en voor sommigen in het bijzonder. Dat was de oervorm van religie, van niet willen meegaan in de dood, maar van geloof in een na-leven. De oermens kon al moeilijk aanvaarden dat het plotsklaps afgelopen zou zijn. Ook de natuurkrachten hadden een niet mis te verstane rol in dit hele spel, evenals de seizoenen. Uit de gedachte van bijzonderheid zijn buitengewone mensen voortgekomen. We zien dat nog dagelijks. Jezus van Nazareth was er mogelijk eentje, maar ook mensen als Einstein en Edison, alleen die zullen nooit de status van die timmermanszoon uit Nazareth bereiken. Dan komt Johan Cruyff er dichterbij, want die heeft volgens velen al de status van half-god. Dat scheelt een trede naar de onsterfelijkheid. Maar Jezus moest er ook een tijdje over doen om de hoogste plek te bereiken. Bovendien was daar een groepje discipelen (aanhangers) voor nodig en het gebruik van taal en overreding speelden een niet te onderschatten rol. Want zelfs een godenzoon krijgt het niet voor niks.
Dirk de Wachter zal nog veel langer op zo’n hemelhoge loftuiting moeten wachten, maar zoals hij in de causerie uit 2018 die ik vanmiddag bekeek en beluisterde zegt: ‘Wachten is een schone zaak en het scheelt ik heb mijn naam mee’. Dat is waar. Ik hoop van harte dat hij nog heel lang onder de levenden blijft!
13.4.25 Waarheid en verdichting Ik heb mijn maandelijkse column voor Gieterveen.nl reeds vandaag geschreven. Tamelijk vroeg, want ik houd altijd de 15de van de maand aan, maar het ei (mannelijk soit!) lag al te stuiteren in mijn binnenste en daarom gaf ik het de ruimte. Ik verhaalde erin over de belevenissen van de afgelopen paar dagen, de viering van de bevrijding, nu 80 jaar geleden. En daar mag wel ovationeel voor geapplaudisseerd worden! Waar ik het meest van schrok waren niet eens de verhalen van de scenes (die zonder enige uitzondering geweldig werden neergezet), maar de uniformen van de ‘nazi’s’ en de ‘landwachters’. Het zijn natuurlijk gewoon gehuurde spullen van een toneelkledingverhuurbedrijf en mogelijk ver na de oorlog speciaal voor dit soort gelegenheden gefabriceerd in een land waar ze het schrikwekkende nazisymbool niet eens kennen. Maar het effect was groots. Denk er een brallende stem bij en je hebt De Aangeklede Macht. Zo dacht ik. Overal doken gisteravond hakenkruisen op. In het normale leven komt elke door een vandaal aangebracht hakenkruis op een muur of elders in het nieuws en de plegers worden streng gestraft. Dus vroeg ik mij dan ook af, terwijl we over de Broek naar een volgende locatie kuierden, of mensen voor het dragen van dit alom gehate Überteken toestemming moesten hebben. Je kunt wel zeggen het is voor een theaterspel met als doel iets over De Tweede Wereldoorlog uit te beelden en dat de boodschap is dat dit nooit meer mag gebeuren, maar in hoeverre gaat dit op als een ultrarechtse club met hetzelfde verhaal bij die verkleedwinkel komt en die op hun manier het fascisme juist wil uitdragen? Ik wist natuurlijk dat er in al die mannenuniformen en legergroene damespakjes goudeerlijke dorpsbewoners zaten, en toch sloeg mij de schrik om het hart toen er een brallende stem bij kwam. Eventjes was ik de zekerheid voor een veilige afloop van de avond en een ongeschonden terugkeer naar mijn huis aan de Veenakkers kwijt. Ik kreeg gruizige beelden voor ogen van gevangenen op weg naar een concentratiekamp – Westerbork, Vucht of ergens ver over de grens. Als theatergroep kun je dan zeggen dat je in je opzet bent geslaagd. Ook de scenes die de onderduik verbeeldden, kregen extra lading toen er plotseling hard op de deur werd gebonsd en er een ‘landwacht’ kwam controleren of er zich hier geen jood of een werkschuwe arbeider ‘versteckt haabt’. ‘Neinnein!’ De gelijkschakeling zorgde ook voor een integratie van bepaalde Germaanse woorden. ‘Wir haben das nicht gewusst’. Wie herinnert zich het niet? Maar sindsdien zúllen we het weten! Terug in de kerk kregen we nog een spoortje mee van een indringende gebeurtenis die ik in meerdere boeken over die tijd en dan met name van de laatste acht maanden, ben tegengekomen. Een moeder wordt opgepakt, omdat ze zich heeft ingelaten met het verzet en haar kind blijft moederziel alleen achter. De oorlog vond ook plaats in de huiskamers, zei Ton Adringa, Stad-Groninger oorlogsgetuige. Zeker! Ik zei hem dat er in de laatste acht maanden van de Bezetting meer burgers zijn gestorven dan in alle maanden ervoor. De gedeporteerde Joden, Sinti en Roma uiteraard niet meegerekend. De kou en de honger, het gebrek aan medicijnen en de massale terechtstellingen zorgden voor een enorme sterfte, sterfte die nog tot ver na de officiële bevrijding van 5 mei ’45 doorging. Hij wist het niet. We keken elkaar aan, allebei met zekere kennis van de oorlog. Hij als werkelijke getuige, ik slechts van documentaires, van boeken en verhalen. ‘Wees daar maar blij om’, zei hij. Dat beaamde ik.
Gisteravond voelde ik mij soms eventjes benauwd worden. Het was spel, zeker, maar soms heerste waarheid bijna over verdichting en dan werd het eng. Trek een stel apen kostuumpjes aan, geef ze een schietgeweer, laat ze brullen en je hebt de juiste mixtuur voor angst en terreur. Gelukkig duurde dat gisteren niet lang en konden we na elke scene weer vrijelijk ademhalen. Vooral dat laatste had ik soms even hard nodig.
8.4.25 Helden Het zijn rare tijden. Ik heb dat wel vaker gezegd en de kans bestaat dat het hinderlijk wordt, maar het is nu eenmaal zo, ik kan er niet omheen. Het zijn ook de dagen dat Nederland zich opmaakt voor de jaarlijkse Dodenherdenking, de overgave van de Bezetter te Wageningen en de Nationale Bevrijdingsdag. Daaraan voorafgaand rijdt er nu door heel onze provincie een karavaan oude jeeps en legervoertuigen met tot in de puntjes verzorgde acteurs om ons na-oorloggers enigszins te laten beleven hoe die bevrijding er in april/mei/juni 1945 uitzag. Het is natuurlijk een krakkemikkige poging. We zullen niet zien hoe de jeeps en tanks door dolenthousiaste landgenoten bijna werden overlopen en hoe ze de bevrijders (de liberators) als ware helden inpalmden. Ook niet dat die voornamelijk Canadezen zich na enige tijd tamelijk irritant gingen gedragen en dat Nederland ze op zeker moment graag kwijt wilde. Het was immers wel mooi geweest. Een aantal Treesen hadden zich reeds door evenveel Canadezen laten bespringen en ook daar werd later niet bepaald lovend over gesproken. Dat neemt niet weg dat Nederland de herkregen vrijheid voor een groot deel te danken heeft aan deze Canadezen en dat we de wat minder aardige kant liever verzwijgen.
Hoe zou ik zelf die oorlogsjaren zijn doorgekomen, denk ik weleens. Zou ik een wat men later noemde ‘held’ zijn geweest? Ik weet wel zeker van niet. Want een held wordt niet geboren, een held ontstaat doordat hij of zij iets ziet dat hem of haar gevoel voor de onderdrukte tegenstaat en waarop hij of zij zonder stil te staan bij de mogelijke gevaren die hieraan verbonden zijn handelt. Dat kan iets heel kleins zijn, iets ogenschijnlijk onbenulligs, zoiets als het bezorgen van illegale berichten of van verboden krantjes. Áls er al iets zou zijn dat ik misschien, héél misschien zou hebben gedaan (lees: zou hebben gedurfd), dan zou het misschien dít wel zijn geweest: koerier. Maar die zie je niet bij zo’n feestelijke parade van zwaar legermaterieel. Dat gebeurde nu eenmaal buiten het zicht. Ook zie je geen bange mannen met hoog opgehouden borden met ‘Ik ben een NSB-er’ of ‘Ik ben een landverrader’ voort geduwd worden door een schreeuwende meute. De mannen die hiertoe opdroegen waren geen helden. Het recht moest zijn loop hebben -zeker- maar aan vergelden gaat meestal geen goede rechtsspraak vooraf. Zouden zíj bijvoorbeeld Joden hebben laten onderduiken, zouden ze hebben meegedaan aan het overvallen van distributiekantoren of het opblazen van een belangrijke doorgangsbrug? Evenmin waren de grootste helden degenen die vrouwen van NSB-ers publiekelijk kaal schoren en daarna juichend met verf of menie besmeurden. Ook dat waren geen helden. Echte helden maakten zich daar niet schuldig aan. Maar zulks verderfelijk gedrag is van alle tijden. Dat blijkt wel uit de beelden die bijvoorbeeld werden gemaakt in Guantánamo Bay. Amerikaanse legereenheden vergrepen zich aan gevangenen en besmeurden en mishandelden ze. De wereld walgde ervan. Ook in het bevrijde kamp Westerbork vonden tussen bewakers en geïnterneerde landverraders vreselijke dingen plaats. Best begrijpelijk, maar misschien zou daar ook eens extra aandacht aan moeten worden besteed. Het is deel van diezelfde, afschuwelijke geschiedenis. Niet eentje om fier op te zijn, maar wel om te benoemen.
Over enige dagen komt die hele legerkaravaan door onze gemeente. Misschien ga ik toch wel even kijken. Even van de partij te zijn. En naast die acterende Canadezen enkele Polen te zien en in een andere hoedanigheid dan waarin ik ze meestal zie, namelijk opgepropt in een autootje van een uitzendbureau, op weg naar hun werk. Om onze groenten en fruit betaalbaar te houden of om onze bestellingen zo vlug mogelijk aan huis afgeleverd te krijgen. Dat is een andere vorm van strijd voeren, strijd om het bestaan dat veel respect verdient.
4.4.25 Over een beer die Winnie heet (OverlijdensAdvertentieBovenschriften 4).
April is the cruellest month, de beginregel van het lange gedicht Wasteland van de Amerikaans/Engelse dichter T.S. Eliot, vertaald als ‘April is de wreedste der maanden’. We zouden nu denk ik dat wreedste vertalen in guurste of in de verschrikkelijkste. Maar het gedicht dateert van honderd jaar geleden en toen konden de winters nog bar en boos zijn. Nu tik ik dit neer terwijl de thermometer + 20 graden aangeeft. En nog denken hele volksstammen dat er niets aan het handje is met het weer! Goed, dat is een andere kwestie. Ik wil het hebben over een boek dat geschreven werd in diezelfde tijd als Wasteland, namelijk: Winnie-de-Poeh. Geschreven door Alan Alexander Milne, aangeduid evenals T.S. Eliot met zijn initialen, en de illustrator E(rnest) H(oward) Shepard. A.A.Milne schreef de verhalen voor zijn zoontje Christopher Robin die gek was op beren en als het even kon met zijn vader naar de London Zoo ging om aldaar de zwarte beer te zien. De teddybeer van de jonge Christopher Robin heette Edward, de beer in de Zoo Winnie, van Winnipeg. Ach, soms valt alles zo makkelijk in elkaar. Winnie-de-Poeh werd een wereldsucces. In latere jaren kocht Walt Disney de rechten van de Milne’s en restylde de plaatjes, zodat er van de orginele E.H.Shepard-tekeningen niet veel over bleef. Eeuwig zonde! Naast de films, stripboeken en allerlei prullaria, wierpen handige ‘schrijvers’ en samenstellers zich op het icoon en zo ontstonden er boeken met titels als Tao van Poeh, The van Knorretje, Poeh en Management, Trimmen met Poeh … enzovoort. Allemaal zaken waar beer Poeh geen jota verstand van heeft en die in de oorspronkelijke boeken ook niet voorkomen. Want beer Poeh heeft weinig hersens en laat moeilijke zaken graag over aan Christopher Robin.
Dat ik op deze plek Poeh noem, komt doordat ik in mijn verzameling OAB’s (OverlijdensAdvertentieBovenschriften) meerdere heb met een citaat van Poeh of Iejoor. Want de ezel in de Poeh-boeken doet af en toe ook hele wijze uitspraken. Je zou dat eerder van Uil denken, maar dat is een misvatting; hij raaskalt vooral. De meest bekende van die bovenschriften is de volgende. Poeh vraagt aan Knorretje welke dag het is. ‘Het is vandaag’, piept Knorretje. ‘Mijn favoriete dag’ zegt Poeh daarop. Ik vroeg mij af hoe het komt dat indien mensen kiezen voor een OAB en ingeval eentje uit het oeuvre van ’s werelds beroemdste beer, ze kiezen voor dit citaat. Want de dag waarop iemand sterft lijkt me niet de meest favoriete. Ook in het boek Poeh en de filosofen heb ik daar geen antwoord op gevonden. En toch komt die – meerdere keren in gezelschap van een tekeningetje van E.H.Shepard- het meeste voor. Een andere tegeltjeswijsheid toegeschreven aan beer Poeh is: ‘How lucky am I to have something that makes saying goodbuy so hard’ (Wat een geluk dat ik iets heb, dat afscheid nemen zo moeilijk maakt). Ik zeg niet voor niets tegeltjeswijsheid, want in een tuincentrum heb ik deze uitspraak van beer Poeh weleens op een kunstig gefiguurzaagd plankje gezien. Het kan niet anders dan dat mensen troost vinden in de simpele woorden van Winnie-de-Poeh, versterkt nog doordat hij sommige woorden verhaspeld of verkeerd uitspreekt. Want woorden met teveel lettergrepen verwarren hem. Dat maakt hem extra geliefd. Wij -volwassenen- gaan dat dan betweterig corrigeren, maar laten het ook weer, omdat we weten dat het beer Poeh is die tegen ons spreekt en die heeft de leeftijd van Christopher Robin en dat zou ons eigen kind kunnen zijn. Ook die zetten we niet terecht als zij of hij zegt dat-ie op expotitie (in plaats van expeditie) gaat met zijn vriendjes of als hij zich soms niet helemaal hoe voelt! Hoe? Als volwassene ben je deze taal ontstegen, hetgeen in zekere zin verarming betekent. In het bovengenoemde filosofenboek wijdt de schrijver John Tyerman Williams hier vele pagina’s aan. Maar je moet de taal van Poeh niet dood-filosoferen. Kindertaal is enorm belangrijk. A.A.Milne heeft dat goed gezien. Laat onverlet dat het eerste Poeh-boek, dat eind ’25 uitkwam, zonder de tekeningen van E.H.Shepard misschien niets was geworden. Het is die krachtige combinatie die het ‘m doet. Het is goed te weten dat de schrijver niet meer meemaakte dat zijn creatie door de commercie zo gemangeld werd. E.H. Shepard heeft er nog een staartje van mee gekregen. De erven berustten toen al bij zoon Christopher Robin en zijn familie en die lieten zich -wél met moeite naar het schijnt- door het grote geld van de WaltDisneyCompany ringeloren en nu zit de wereld opgescheept met afzichtelijke, onaaibare gedrochten die niet meer lijken op Winnie-de-Poeh en zijn vriendjes zoals gecreëerd door E.H.Shepard. En ook de avonturen die ze beleven zullen wel door de molen van een modern redactieteam zijn gehaald. Maar stel je eens voor dat een snelschilder het beroemde schilderij ‘Het straatje van Vermeer’ op een nacht zou omtoveren tot een jaren zestig straatje, met twee patiowoningen en een Lelijk Eend voor de deur…. Hoeveel rumoer zal dat niet geven!? Waarom dan wél de kunst van A.A.Milne en E.H. Shepard zo verprutst! En zo slaat ongewild die gure aprilwind (april doet immers wat-ie wil) toch eventjes lelijk om mijn botten! Daarover gesproken: Ik denk dat de verhalen van beer Poeh en zijn vriendjes zich ook grotendeels afspelen in de maand april. Gezien alle weersoorten die in de verhalen voorbij komen: regen, hagel, wind, vorst, mist en soms een beetje zon. Uitgaande van het feit dat Poeh een echte beer is, heeft hij zijn winterslaap tenminste achter de rug.
Ik eindig met een citaat van Iejoor. Gewoon omdat ik van ezels houd, échte ezels welteverstaan. Hij peinst voor zich uit en zegt: ‘Ze hebben geen van allen Hersens, alleen wat grijs wol dat per ongeluk in hun hoofd gewaaid is, en ze Denken niet na’. Dat is anno 2025 op heel veel Hoofden (ver buiten het Honderd-Bunders-Bos) nog zeer juist van toepassing.
31.3.25 Steen op de maag Alle jaren dat we samen zijn vragen we elkaar na het opstaan hoe we hebben geslapen. Dat schijnt geen algemene gewoonte te zijn, want toen het me in een tafelgroepje eens ontschoot, oogstte ik er verbazing en ook bewondering mee en daar keek ik toch wel van op. Je ontwaakt uit een soort halfdode toestand en dan is het lijkt me goed te weten hoe je dat hebt overleefd. Negen van de tien keren slaap ik prima, maar vanmorgen ontwaakte ik met een soort steen in mijn maag. Niet vreemd, want ik tob over hoe oorlogstichters ten westen en ten oosten van ons kikkerlandje de wereld om zeep helpen en dat benauwt me enorm. Die steen komt ook een beetje doordat ik gisteren de hele dag met stenen bezig ben geweest. Niet lijfelijk, want oh-oh arme rug en dan, wat moet ik met echte stenen? Nee, ik had het boek Flint van Egbert Meijers voor de prijs van een halve kop koffie bij de inbreng gescoord en was daarmee kennelijk nog enigszins belast naar bed gegaan. Ik weet nog dat Egbert op een middag bij me in de winkel van het Hunebedcentrum kwam (voorjaar 2014) en dat we allebei verrast waren elkaar hier te treffen. Ik werkte er en hij kwam er voor een gesprek over de presentatie van zoals hij zei ‘een boek over stenen, flinten zoas wij hier zegt’. Daar had ik natuurlijk als onbezoldigde medewerker van het Centrum alles mee te maken, maar ze interesseerden me weinig. Hunebedden weer wel. Mijn interesse in de oudheid en dan met name in onder andere de Trechterbekercultuur, betrof toch vooral de mens achter de stenen of keien. Op school kwam het Stenen Tijdperk als een windzuchtje voorbij. Karel de Grote was belangrijker of de dood van Jan van Schaffelaar. Maar die steentijd wekte mijn belangstelling. Ik werkte maar kort bij het Centrum en het boek over de flinten van Egbert schafte ik niet aan. Tot nu dus.
En toen ging ik al lezende ongemerkt dat oude tuinpad af. Want iedere levensweg ligt bezaaid met stenen. Geen poezelige exemplaren om je hoofd op neer te leggen en zalig weg te dromen. Nee, stenen zijn niet om mee te spotten. Mensen dragen ze met zich mee en gaan er soms onderdoor. In onze taal komt de steen er niet goed vanaf. De steen des aanstoots, wie zonder zonden is werpe de eerste steen, een rollende steen vergaart geen mos ….. Nooit iets aardigs. In onze tuin liggen nog een paar brokken die ik uit Schotland heb meegebracht. Waarom? Een paar van die oerstenen betekenden voor mij meer dan een plastic afgietsel van Nessie, het Monster van Loch Ness. Een kilootje of 7½ á 10 hardware in mijn rugzak. De chauffeur van de dubbeldekker in Newcastle die heel gedienstig mijn rugzak wilde aanpakken, ging kreunend door zijn knieën. Op zijn vraag wat ik in ’s hemelsnaam wel meevoerde, zei ik ‘Stones’. Hij herhaalde het op stadionvolume door de bus. Het leek een scene uit On the busses! Het verwekte grote hilariteit bij de andere reizigers. Stenen uit Schotland, my god, hoe kwam ik op het idee? Daarvoor moest je wel zo’n maffe Dutchy zijn! Ze liggen nog steeds bij onze voordeur. Bezoek weet er niet van.
Harry Muskee droeg lange tijd een steen om zijn nek. Als teken van verbinding met zijn oergrond en het daar wonende volk. Of dat veel met zijn muziek te maken heeft, weet ik iet. Stenenbewerker Arie Vonk spreekt over de aanwezigheid van een ziel in stenen en voelt de pijn als hij er eentje bewerkt. Dat gaat ver. Mijn vader rolde altijd een dikke flint tegen de ouwe baanderdeur als het hard ging waaien. Dat gaf wat extra steun. Ik legde er in mijn jonge jaren weleens een rolletje klappertjes op en sloeg ze met een moker kapot. Dat gaf een geweldige knal. Mooi man! Van empathie richting stenen had ik toen nog nooit gehoord. Toch hebben wij er enorm veel aan te danken. Onze oudste bouwwerken stutten er op, doden krijgen een steen op hun graf. Het staat allemaal in het boek van Egbert Meijers. Keigaaf.
Hoe het nu gaat met de steen in mijn maag? Goed. Mijn vrouw roept beneden. Zij heet van achteren Steen. Let wel; daar heb ik haar niet op uitgekozen. Wie weet is die naam al zo oud als de oudste weg naar Rome: de Via Appia. De oudste flintenstraat ter wereld, zegt men, tot er bij Ondersteklappenveen en nog veel oudere wordt gevonden.
25.3.25 Gekapt Wat zo makkelijk lijkt, kan in de praktijk nogal tegenvallen. Op ons erfje -een Hollander zou een moord doen voor het stukje dat we onze tuin noemen- staan een aantal bomen. We houden van bomen. Ze brengen rust en bergen het huis een beetje op in een groene jas. Bovendien is het een paradijs voor vogels en een enkele eekhoorn. Dus zijn we zuinig op onze bomen. Toen ik hier bijna 40 jaar geleden introk, stonden er acht lindebomen. Misschien al geplant kort nadat het huis in 1918/19 was gebouwd. Maar enkele linden begonnen duidelijk ouderdomsverschijnselen te vertonen. Er ontstond rot aan de onderkant van de stam, hetgeen duidde op het onherroepelijke einde. Drie legden door de jaren heen het loodje. Wij vroegen hiervoor geen kapvergunning aan, ze waren toch niet meer te redden. Voor ons huis staat als een stugge volhouder in een slecht gebit, nog één van die oude linden. Bij een zomerse storm en een ongunstige windrichting, kan het betekenen dat de boom tegen de voorgevel van ons huis valt. Die kans is niet ondenkbaar. Ik belde dus met onze bomenman. Hij vroeg om welke boom het gaat en of wij een kapvergunning hebben. Nee! Tuurlijk niet. Die andere drie heeft-ie toch ook gewoon weggehaald. Het is geen bijzondere boom en ook valt het niet onder monumentenzorg of iets dergelijks. Dat zag ik toch verkeerd, zei hij. Zonder kapvergunning zou hij het niet durven weghalen. Hij zou er gestront mee kunnen krijgen. Oh? En dus belde ik vanmorgen de gemeente om te vragen hoe dat gaat, dat aanvragen van een kapvergunning. Daartoe gaf de gemeentemedewerker mij een mailadres. Ik kwam terecht in een oerwoud van vragen, waarvan ik na enige tijd het zuur kreeg.
Ik wil een aantal van die vragen wel even doornemen, opdat u weet wat u te wachten staat indien u een boom wilt verwijderen. U moet bij aanvang kiezen uit een verzamelbak werkzaamheden, variërend van Aanbouw, uitbouw of bijgebouw bouwen tot Zwavel maken in een clausinstallatie. Ik weet niet wat dit laatste is, maar het komt mij bedenkelijk voor. Ik kruiste Boom weghalen aan en kwam in de pagina Vergunningscheck. Daar kun je kiezen uit 24 werkzaamheden, variërend van Boom weghalen via Brug of stuw weghalen tot Windturbine weghalen. Toen volgde de vraag of wij al een Besi hebben. Besi staat voor Beschermde Soorten Indicator. Hierin vraagt de gemeente of de eigenaar van de te verwijderen boom de afgelopen 3 jaar onderzoek heeft laten verrichten of er zich beschermde dieren of planten in of op de boom bevinden. Nee, dat hebben we niet. Ik heb nog nooit van Besi gehoord en zal beslist geen boom laten omzagen als ik weet dat er zich een nest in bevindt. Dat lijkt me logisch. Daar ben ik geen Besi-onderzoek voor nodig. De volgende vraag: Bevindt de boom zich in een beperkingsgebied of boven een oppervlaktewaterlichaam? Nee, zou ik zeggen, maar ik begon langzamerhand aan alles te twijfelen. Daarna werd ik doorverwezen naar een site waar ik mijn persoonsgegevens moest invullen. Maar op de een of andere manier slikte het systeem mijn ID-code in combinatie met mijn wachtwoord niet en toen stopte abrupt mijn poging en werd ik terugverwezen naar de 285 werkzaamheden en begon het spel opnieuw. Ja doei! Ik kapte ermee.
Ik ben er een half uur mee bezig geweest en licht radeloos liep ik naar het raam met zicht op de boom. Hij begint al een beetje uit te lopen. Er landde een kraai in met een takje in zijn bek. Afgelopen zondag roetsjte er een eekhoorn naar boven en even snel weer naar beneden. Als ik dat op die vergunningscheck in zou vullen, kan ik de zaak wel schudden. Stiekem omzagen is ook geen optie meer. Zag ik daar al niet heel toevallig een auto van de gemeente langsrijden? Iemand van de Besi misschien?
20.3.25 Laatste winterdag Het Journaal sprak zo-even al van de eerste lentedag, zelfs het woord voorjaar kwam al voorbij. Officieel begint dat morgen pas, tenminste, zo is mij geleerd. Maar de laatste jaren lijkt het alsof we daar vanaf willen. Alsof het wel een maandje eerder kan. Dat heeft natuurlijk te maken met de verandering van het weer door de opwarming van de Aarde. Neem nou vandaag. Het was nabij 18 graden. We reden een ommetje, want alles schreeuwde erom. We deden Borger aan, kon mijn vrouw meteen een paar boodschapjes doen. Bij de Aldi. Daar komen we haast nooit. Intussen liep ik met Rossi een rondje. Over een paadje dat achter een huizenblok langsliep en waar ik meerdere mensen in de tuin bezig zag. Een man zat in zijn tuintje in korte broek de krant te lezen. 20 maart! Ik liep ook in niets meer dan een T-shirt. Ik kwam in de Sassenbergen. Een man was druk bezig zijn auto vol te stouwen met zo te zien sportspullen, roeispanen en dergelijke. Het was 16.02 zag ik op een klok die in de openstaand garage hing. Verder was het doodstil in de Sassenbergen. Waar komt die naam vandaan? dacht ik. Verder via de Hunzedal, de Julianastraat in de Harm Tiesingstraat. Harm Tiesing. Een grote naam in Borger. Boer en schrijver. Een niet alledaagse combinatie. Hij was een van de eerste Drenten die schreef in zijn spreektaal. Hij staat als man op leeftijd in gepeins vereeuwigd, de ene hand aan de pijp, in de andere een boek geklemd. De Geert Mak van zijn tijd.
Bij wooncentrum De Molenhof was het stil. Op een balkon zaten een man en vrouw iets te drinken. Vieruursborrel? Wij zouden elkaar misschien aardig wat kunnen vertellen. Ik kwam voor het eerst in Borger op mijn negende. Ging logeren bij ome Jan en tante Margje in Ees. We waren nog niet in het bezit van een auto en met de fiets was het te ver. Daarom bracht mijn vader me op de CZ. Hij zat ineengedoken op de lage zadel van het ding. Ik keek op de veel hogere achterzitting als een klein turfje over hem heen. Want ik behoorde bij de kleinsten van de lagere-schoolklassen, was altijd een van de eerste drie bij het inmarcheren tijdens de gymnastiekuitvoeringen in café Zwiers. Helmen droegen we nog niet. Mijn vader droeg zijn pet achterstevoren. Mochten we met de motorfiets onverhoopt komen te vallen, dan zou de klap niet veel harder zijn aangekomen dan wanneer ik met mijn eigen fiets tijdens een rondje racen weer eens uit de bocht vloog. Met ome Jan ging ik die zomervakantie op zijn brommer naar de warenmarkt te Borger. Ik mocht van mijn meegekregen gulden bij een speelgoedstalletje iets kopen. Een zakmes werd het. Eentje met twee paarlemoeren versierinkjes op de zijkanten (die overigens al snel loslieten). Het bevatte twee messen, een kleintje en een grote. Levensgevaarlijk speelgoed zeggen we nu, maar toen droeg vrijwel iedere jongen een zakmes, onder meer om een boog en pijlen te snijden. Jaren later zijn we nog eens op zoek geweest naar de familiegraven en vonden bijgevolg ook het graf van een verre voorouder die Manting Haandrikman heette. Rond 1820 stierf hij. Onze wortels liggen voor een deel in Borger en in Bronneger. Niet verkeerd. Daardoor heb ik iets met Borger.
De man en de vrouw op het balkon knikten me amper toe toen ik ze -een beetje welluidend misschien- groette. Bij de Aldi zag ik vooral veel oude mensen de zaak verlaten. Fietsers met helmen op. Zelfs een wandelaar met een soort van pothelm. Het is hier kennelijk gevaarlijk bewegen. Bij het Geneeskundig Centrum ernaast, hoorde ik een man keihard in zijn telefoontje vloeken. Een mevrouw, die net de klep van haar auto had geopend om haar boodschappen er in te doen, zei: ‘Hai-hai-hai, kan het niet wat rustiger’. Het was 16.26 uur. Ik liep even vlug de winkel in om te kijken hoe ver mijn eega met de boodschappen was. Het was er rustig. De kassière keek amper op toen ik de winkel zonder iets te hoeven af te rekenen weer verliet. Even later reden we Borger uit, op weg naar huis.
19.00 uur. Nog vijf uren te gaan, dan is de winter officieel voorbij en kunnen de schaatsen in het vet. De tuinstoelen staan al buiten. Ik heb er al meerdere keren gebruik van gemaakt. Leuk, maar op de keper beschouwt, ook absurd!
17.3.25 Cuba en Castro Ik las het boek Het verborgen leven van Fidel Castro, geschreven door zijn belangrijkste lijfwacht Juan Reinaldo Sánchez (uitgegeven in 2014) en viel van de ene verbazing in de andere. Ik had al nooit een hoge pet op van die Cubaanse baardman, zijn brallerige vrijheidsstrijd, zijn communistische idealen en de omverwerping van meerdere dictaturen. Sánchez eindigt het boek niet voor niets met de woorden: ‘Waarom worden de helden van een revolutie systematisch nog grotere tirannen dan de dictators die ze bestreden hebben?’ Woorden voor op een megategel. In mijn jonge jaren zag ik hier en daar weleens een poster van zijn zielsbroeder Che Guevara. Ik ben nooit achter dit soort charlatans aangelopen en nu ik dit boek over het leven en de misdaden van Fidel heb gelezen, ben ik daar alleen maar blij om. Want in welk een hel heeft el Jefe (koosnaam voor de grote leider) Cuba gestort? Fidel was vader van minstens 11 en mogelijk nog een handvol kinderen bij meerdere vrouwen. Dat hoeft op zich geen probleem te zijn, als hij ze als een goede vader opvoedt. Maar hij kende (laat staan erkende) ze amper en een aantal van hen zijn zelfs weggemoffeld. Zijn imperium bevatte minstens twintig huizen, het eilandje Cayo Piedra, meerdere Mercedessen en drie jachten. Verder was hij bijna aan elk denkbaar bedrijf op Cuba verbonden, al was het alleen maar om zich door de deviezen te kunnen verrijken. Over zijn paranoïde wantrouwen jegens bijna iedereen zal ik het niet hebben: ze was in ieder geval legendarisch. Het vermogen van Fidel Castro werd in 2006 door het Amerikaanse blad Forbes geschat op zo’n 900miljoen dollar, terwijl hij voor volk en vaderland volhield dat hij een arbeidersloon van slechts 900 peso per maand verdiende. Hij wilde zogenaamd één met het volk uitstralen. De schrijver van het boek, die veel misstanden van dichtbij meemaakte en ze beschreef, kwam tot het besluit om Castro de rug toe te keren, nadat hij een geheim onderhoud tussen Castro en Generaal Abrantes -toen Minister van Binnenlandse Zaken in zijn kabinet- opving. Het ging over de smokkel van een grote partij cocaïne uit Colombia. Toen dit kort erna aan het licht kwam, werden alle zogeheten daders na een kort verhoor (van een werkelijke rechtzaak was geen sprake) geëxecuteerd en/of voor vele jaren in de gevangenis gezet. Minister Abrantes, die tien jaar gevangenisstraf kreeg opgelegd, overleed na een hartaanval in de gevangenis. Er was echter genoeg reden om aan te nemen dat er sprake was van voedselvergiftiging. Castro ging uiteraard vrij uit. Hij bestuurde zelfs van bovenaf die rechtzaken. Juan Reinaldo Sánchez kwam in de problemen nadat hij voorzichtig had laten doorschemeren dat hij op pensioen wilde, iets wat gezien zijn leeftijd mocht. Maar doordat hij veel van Fidel Castro wist en mogelijk voor het leger spionnen uit zicht zou raken en zou kunnen ‘gaan praten’ met vijanden van het systeem, werd hij net als die bovengenoemde onschuldige mannen in de gevangenis gegooid. Doel was dat hij Minister Abrantes achterna zou gaan. Maar Sánchez kende de smerige spelletjes van Fidel door en door en overleefde mogelijk daardoor de martelingen in de gevangenis. Hij vluchtte met de nodige moeite naar de Verenigde Staten en schreef er zijn memoires.
Hoe kan het toch, dacht ik terwijl ik het boek dichtsloeg, dat iemand als Harry Mulisch zonder kritiek achter Castro aanliep en het ook trouw volhield? Of wilde hij het grote ongelijk niet toegeven? En niet alleen Mulisch. Ook de Colombiaanse schrijver Gabriel Garciá Márquez (nobelprijswinnaar) was goed bevriend met Castro en verbleef vaak met hem op zijn privé-eiland. Nu is de wereld vergeven van criminelen á la Fidel Castro, vandaag de dag bepalen enige dozijnen gekken het reilen en zeilen van de wereldpolitiek. In het verleden waren dat beulen als Stalin, Hitler, Mao Zedong, Idi Amin, Robert Mugabe, Haile Selassi, Kim Jong-il, Kadafi, Sadam Hoessein, Nicolae Ceausescu en vele (zucht) vele anderen. En nu zijn het tirannen zoals Poetin, Loekashenko, Erdogan, al-Assat, Kim Jong-un, Xi Jinping en de velen waarvan we niets horen, maar die er wel degelijk zijn. Moeten we Donald Trump er ook al toe rekenen? Hij is een ander soort crimineel/geldwolf/tiran en heeft zijn handen nog niet zichtbaar rood gemaakt, maar de regels die hij wél heeft doorgevoerd (en de velen die nog op de rol staan) zijn even Cubaans als die van Fidel Castro en de leiders en strijders van al die andere dictaturen. Dat houdt in dat iedereen die zich tegen hen verzet, ook in de zin van het corrigeren van onjuistheden, vroeg of laat de tent wordt uitgewerkt en voorgoed uit beeld verdwijnt. Ik noem dat voor het gemak de Khashoggi-oplossing.
Cuba wordt nu geleid door President Miguel Díaz-Canel. Er heeft na de overgangsperiode waarin Raúl, de broer van Fidel, Cuba leidde, een grondwetswijziging plaatsgevonden, waarin staat dat een president bij aantreden niet ouder mag zijn dan 60 jaar en maximaal twee ambtstermijnen van elk 5 jaar mag aanblijven. Ook doet Cuba voorzichtig zaken met ‘kapitalistische’ landen. Iets waar Fidel zich -voor het beeld- met hand en tand tegen verzette. Maar niet heus dus! Blijkt uit het boek. Het idyllische beeld dat wij kennen van Cuba is zo nep als wat. Het was en is nog steeds een arm land. Bijna wekelijks zie ik wel reisadvertenties met dansende Cubanen op sneeuwwitte stranden. Dansen en muziek heeft de reactionair Fidel Castro niet kunnen uitbannen! Ook omdat hij er niet van hield. Dat scheelt dan weer.
12.3.25 Opmerkelijke overeenkomsten Tegen eind ’63 schafte onze vader televisie aan. Dat ging niet zonder slag of stoot, daarvoor moest hij eerst geprikkeld worden en daar had de dood en de rechtstreeks uitgezonden begrafenis van John F. Kennedy op maandag 25 november deels mee te maken. Ik aanschouwde dit met mijn moeder bij de Hilbollings. Dat wij -mijn jongere zus en ik- bij de ouwe Jans Koops, die een paar huizen verderop woonde en die als seizoenarbeider jaren bij onze vader werkte, televisie keken, kon hem weinig schelen. Dan kreeg hij nog eens bezoek. Maar dat onze moeder voor een televisie-uitzending naar de buren uitweek, was zijn eer te na. De halve buurt bezat inmiddels al een televisietoestel. Onze vader, niet vies van enige borstklopperij aangaande de groei van zijn bedrijf en zijn persoon, kon dit moeilijk verkroppen en toen mijn broer Heildert rond die tijd door een valpartij lange tijd met een been in het gips op een stretcher in de kamer lag en zich niet kon verpozen met een boek, ging onze vader overstag.
Met sinterklaas dat jaar kreeg ik Arendsoog en het blaffende zand. Ik heb dat boek toen en later vast meerdere keren gelezen en daarvoor of daarna in totaal een vijftal titels uit diezelfde serie gekregen. De meesten heb ik allang opgeruimd of weggegeven, behalve die van dat blaffende zand. En die heb ik van de week weer es gelezen. Meerdere mannen van mijn leeftijd vergooien zich nog weleens aan een Arendsoog, dus ja waarom ik niet?
- Voor niet-kenners: Arensoog heet in het echt Bob Stanhope en is een creatie van Johannes Nowee, schoolhoofd te Den Haag. Hij schreef die boeken vanaf 1935 tot zijn plotselinge dood in 1958. Vanaf deel 20 zou zijn zoon Paul het werk overnemen. Hij eindigde met nummer 63. Er zijn in totaal meer dan 4.5 miljoen Arendsoog-boeken verkocht.
Arensoog bezit een familieranch in Arizona en werkt altijd samen met Witte Veder om ergens in de wijde omtrek problemen op te lossen. Meestal gaat dat om losgeslagen bendes. In het blaffende zand is dat ook het geval. Arensoog en zijn vriend worden door een mevrouw gevraagd het stadje Calamayor in Mexico van een rammeiende bende te verlossen. Arendsoog kan geen onrecht verdragen en ze gaan er meteen op af en slagen uiteraard zonder veel bloedvergieten in hun opzet. Want dat doen al die Arensoog-verhalen. Het zijn feelgood cowboyboeken; ter lering en vooral ter vermaak. Wat me in dit deel echter trof was dat het zoveel raakvlakken heeft met de huidige tijd. Dat kon ik als 12-jarige lezer natuurlijk niet zo zien. Om te beginnen is de grote aanstichter van al het kwaad dat Calamayor (een niet bestaande stad) teistert een grootgrondbezitter die vreselijk rijk is en in het bezit van een zeer luxueuze hacienda blanca (hagelwitte landhuis) met enorme tuin. Hij probeert goede vriendjes te zijn met iedereen en daardoor wordt hij ook wel ‘Señor Popular’ genoemd. Hij wil president van het land worden en daarvoor is hij hun stemmen nodig. Hij bedenkt hiervoor een sluw plan. Hij laat een aantal vagebonden een bende vormen en ze regelmatig los gaan in het stadje. Ze bestormen regelmatig ’s avonds schietend de hoofdstraat, stichten branden, vallen mensen aan en plunderen een en ander. Ze krijgen hiervoor van de grote baas goed betaald. De gedachte hierachter is dat als hij de tijd rijp acht, hij middels een tweede groep de eerste zal overmeesteren en dat híj dan als de oplosser van het kwaad zal worden gezien en de vruchten (lees: stemmen) zal plukken. Maar zover zal señor Todoli Marco niet komen, want onverwacht steken Arendsoog en Witte Veder een spaak in het wiel van dit snode plan. Als señor Todoli Marco kort daarop veilig en wel is opgesloten in de gevangenis en de rust is weergekeerd in Calamayor, legt Arendsoog in een stampvolle taberna (bar – vader en zoon Nowee voegen heel pedagogisch vertalingen toe) uit hoe de vork in de steel zit. Iedereen is opgetogen. Hulde aan Arendsoog en zijn vriend Witte Veder! Einde verhaal.
Nu even naar nu. De voorlaatste verkiezing van Amerika ging niet naar de zin van señor Trump. Hij stond op verlies en wilde er hier en daar wat duizenden stemmen bij smokkelen en toen deze chantagepogingen mislukten, zelfs uitlekten, brulde hij over ‘gestolen verkiezingen’ en liet hij vlak voor de inauguratie van zijn tegenstander het Capitool bestormen. Dat hier eventueel doden bij zouden vallen, zoals ook in de Arendsoogboeken helaas weleens gebeurt, moest men maar voor lief nemen. Collaterol damage, ofwel nevenschade. Men moest vooral ‘verrader’ Mike Pence hebben en wilde Nancy Pelosi als het grote kwaad het liefst op een staak in de tuin van het Witte Huis (hacienda blanca!) spietsen ….! Tja, gevalletje van nevenschade zou het dan worden. Ook deze opruiende bende was georganiseerd en iedereen wist wie er achter stak. En de bende die nú het Witte Huis bevolkt en de lakens uitdeelt doet daar niet voor onder. Ik geloof niet dat de boeken van vader Johannes Nowee en zoon Paul zijn vertaald, anders zou ik het aannemelijk vinden dat de jonge Donald Trump het blaffende zand heeft gelezen. Of zijn er andere, stichtelijke boeken die eenzelfde soort verhaal vertellen? Old Shatterhand & Winnetoe van Karl May bijvoorbeeld. Hoe dan ook, ik houd deze Arendsoog nog even op de plank. Het heeft zijn nut bewezen. Wie weet verschijnt er te zijner tijd toch nog een nieuwe, eigentijdse Arendsoog. Eentje waarin hij en zijn maatje ’s werelds bekendste witte huis van het geboefte zal ontdoen. Ik kan niet wachten het te lezen!
7.3.25 Verering Mijn leven staat voor een groot deel in het teken van boeken en uiteraard lezen. In de aanschaf van boeken moet je natuurlijk niet doorslaan, maar dat kun je van alles zeggen. Je zou, om ruimte te besparen, bijvoorbeeld kunnen overgaan op e-boeken of streamen, want al die papieren boeken kosten massa’s bomen en daar worden er al zo vreselijk veel van omgehakt. De omschakeling van papieren naar elektronische boeken is echter maar deels gelukt en dus worden er nog steeds enorm veel zogeheten fysieke boeken gekocht. En ook tweedehands boeken lopen als een tierelier. Dat bewijzen de nodige boekenmarkten, waar vooral verzamelaars hun geliefde schrijvers willen completeren. Nu ben ik niet zo’n fervente verzamelaar die van bepaalde schrijvers alles móet hebben. Of een verzamelaar die alleen boeken verzamelt voorzien van de handtekening van de auteur of eentje die zich puur richt op eerste drukken. Dat bestaat allemaal, maar is toch niet echt mijn ding. In mijn verzameling heb ik wel een paar gesigneerde exemplaren. Van Kees Buddingh’, van Godfried Bomans, van Frank Westerman en van Koos van Zomeren. Meer niet. Ik heb er nooit voor in de rij willen staan. De handtekening van Koos van Zomeren is de enige uitzondering die ik gezet heb zien worden. We zouden naar een lezing van hem in het Geert Teis-centrum te Stadskanaal. Het was in de foyer, dus storm zou het niet lopen. Maar mijn vrouw voelde zich niet lekker en bleef liever thuis. In de pauze van zijn optreden konden de bezoekers werk van hem inzien en eventueel kopen. Daartoe was er een kijktafel door de plaatselijke Bruna opgesteld. Ik kocht er Wat wil de koe en voegde mij bij het tafeltje waar de schrijver zich achter had geïnstalleerd om te signeren. Ik was op dat moment de enige en dat maakte het een beetje een treurige vertoning. ‘Wat zal ik er in schrijven?’, zei Koos sonoor. Ik zei dat mijn vrouw niet kon komen en dat ik het boek voor haar had gekocht. Gesneden koek voor signeerders. Ik noemde haar naam en die schreef hij er heel priegelig in. Ik had sterk de indruk dat hij net zo onhandig was met de situatie dan ik. We zouden in het aanpalende theatercafé heel aardig over koetjes en kalfjes kunnen babbelen en daarna volmaakt gelukkig elk zijn weg kunnen gaan. Maar Koos moest nog op voor een tweede voorleesblok en ging meteen daarna weg. Zijn werk bleef ik kopen, totdat hij op zeker moment zei dat hij ermee op hield. Dat hij met pensioen ging. Maar dat doen schrijvers niet. Leer mij ze kennen! Er liggen altijd nog laden vol verhalen en complete manuscripten en die gaan hoe dan ook in druk verschijnen en zo rolt dat schrijfbedrijfje nog een tijdje door.
Op de Amsterdamse Uitmarkt van 1994 bleef ik even bij het stalletje staan waar Adriaan Morriën zijn boeken verkocht en signeerde. Het was maar een klein stalletje en Adriaan was druk in gesprek met iemand. Ik wilde ze niet storen en liep verder. Daarna kwam de grote kraam waar Maarten ‘Hart verkocht en signaleerde. Maarten was na zijn coming-out als dragqueen enorm populair en gek genoeg vooral bij vrouwen. Van het feminisme moest hij niets weten, dat had hij eerder al eens aardig gefileerd. Hij koos liever de diva-kant en vermeed daardoor al te grote schuring en dat pakte goed uit, vooral voor zijn beurs. Ik kon tussen de voornamelijk vrouwen door amper zijn gladde monniksschedel ontwaren. Zijn boeken verkochten inderdaad als warme broodjes. De handtekeningen van Bomans en Buddingh’ heb ik niet zelf gescoord. Bomans stierf eind 1970 toen ik amper met het lezen en verzamelen van literaire boeken begon. Buddingh’ piepte er in 1985 plotseling tussenuit, net voor ik hem had ontdekt en ik hem ergens had kunnen treffen. Nee, deze twee gesigneerde exemplaren kocht ik voor een paar gulden op de markt. Misschien zijn ze inmiddels een fortuin waard.
Want dat is de andere, ietwat bedenkelijke, kant van zo’n krabbel. Je ziet het ook bij sportfanaten. Staan ze in de rij, voor een handtekening op het shirt van hun favoriete club. Of in een boekje of zoals vroeger op een ansichtfoto. Die verering heb ik gelukkig niet. Ik heb daardoor weleens te doen met bekende mensen die gewild of ongewild steeds maar hun signatuur moeten zetten in een boek of iets dergelijks. Jaren geleden liep ik tijdens een cultureel weekend in Assen door het winkelpaleis van Vanderveen en zag op de boekenafdeling achter een tafeltje een signerende meneer. Er stond een rijtje mensen te wachten. Eén van hen, een mevrouw, legde een stapeltje boeken voor de schrijver neer en vroeg of hij ze wilde signeren. Hij toog aan de arbeid. Toen hij na de zoveelste krabbel even opkeek, zag ik dat het Frank Westerman was. Hij is een geweldige schrijver, ik lees zijn boeken graag. Toch bleef het ook nu bij kijken. Jaren later kocht ik bij inbrengwinkel ‘Het Goed’ zijn boek over de zoektocht naar de ark van Noach en wie schetst mijn verbazing: het was gesigneerd bij Vanderveen te Assen. Misschien wel op diezelfde zaterdag als toen ik hem hier bezig zag. Wonderen bestaan, maar je moet ze niet gaan zoeken.
4.3.25 Uitvaren (OverlijdensAdvertentieBovenschriften 3).
Zo af en toen kom ik een verwijzing boven een overlijdensadvertentie tegen die te maken heeft met het woord ‘varen’ in de betekenis van ‘uitvaren, verlaten, uit huis gaan’. De precieze oorsprong heb ik niet kunnen achterhalen, zelfs het Middelnederlandsch Woordenboek zegt onder het lemma Utevaert niet meer dan: ‘uitvaart van iemand, het uitvaren (met een vraagteken erachter)’ en bij Utevaren: ‘weggaan uit iets, iets verlaten, uitvaren per schip’. Bij beide woorden (lemma’s) wordt het verbonden met ‘begrafenis of lijkdienst’. Houd ik mij vast aan het idee van ‘varen’, dan kom ik bijna automatisch terecht bij Sail away van Randy Newman. Er wordt overigens in meerdere popliedjes gesaild, maar dit liedje van Randy Newman was voor mij een van de eerste waar ik het zo duidelijk mee associeerde. Het zit natuurlijk in de titel en in het walsende refreintje dat makkelijk tot inhaken en meedeinen uitnodigt. Daardoor ontgaat je het venijn in de tekst. Randy Newman is meester in dubbelle bodems, het is altijd oppassen geblazen. Ook bij dit liedje. Het gaat over mensen die naar Amerika varen en (wordt voorgespiegeld) daar in een soort hemels paradijs terecht te zullen komen. Alles is er voorhanden. Nooit meer je knieën verslijten bij het zoeken naar voedsel in de jungle. Aankomst is in Charleston Bay. Zoekt men deze stad aan de oostkust van de Verenigde Staten op, dan leest men dat hier gedurende enige eeuwen de meeste tot slaaf gemaakten vanuit Afrika binnenkwamen. Charleston Bay was het begin van wat een hel voor de meesten van hen zou worden. Maar het liedje doet gezellig aan en zo zet Randy Newman de argeloze luisteraar op het verkeerde been. In een tweede bovenschrift van een liedje van Randy Newman, is hij aanmerkelijk vriendelijker. Dit eindigt met: Papa we’ll go sailing. Heel onschuldig. Rod Steward coverde van Gavin Sutherland het liedje Sailing. Het werd denk ik zijn grootste hit. Op de terugvaart van Engeland in de zomer van 1975, werd het tot vervelens toe in de uitgaanszaal van de ferry The Northland gedraaid en het heeft er zeker toe bijgedragen dat ik erdoor in nauw contact kwam met Debbie Nicholls. We zochten een rustiger plekje op het achterdek en de rest is geschiedenis. Maar nog steeds kan ik dat weemoedige, neuzerige afscheidslied van Rod Steward niet best verdragen. Denk er een kade bij met uitzicht over de Noordzee en de tranen komen vanzelf.
Mogelijk heeft dat noemen van het uitvaren, het wegzeilen, ook te maken met het alom tegenwoordige eilandgevoel. Elke keer als ik terugvoer van bijvoorbeeld Terschelling of Ameland, voelde ik een bijna niet te bedwingen begeerte meteen met de volgende boot terug te keren. Met Engeland hetzelfde. Daarin ligt misschien ook de inspiratie van de schrijvers van die liedjes: heimwee. Heimweh …., zoals niemand dat woord kon zingen als Freddy Quinn en die ons – achterblijvers- aldus vanaf het hagelwitte strand van Hawaii een saluut bracht. Het is het vrije, het teugelloze, zoals in een bovenregel naar een tekst van een andere Freddy, Mercury van Queen in dit geval: Now the wind has lost mij sail, who will guide me home ….. Daarin klinkt een zekere ontreddering: grote kans dat er niemand zal zijn. Het is ook niet de bedoeling dat die zeiltocht op die eindeloze zee zoals bedoeld in ‘uitvaart’ moet eindigen op een eiland en dus zullen Freddy Quinn en ook Harry Belafonte afvallen, want die komen in hun liedjes steevast terug op hun island in the sun. De dichter Kahlil Gibran zegt het ook mooi: De zee die alle dingen tot zich roept, roept ook mij en ik moet scheep gaan. Je voelt ook hierin dat het weleens zijn laatste vaartocht kan worden. Maar hij moet weg, weg van zijn aards bestaan; de cirkel is rond. Maar ook hier: heimwee of wensigheid, zoals dat in mijn streek wordt genoemd en wat misschien wel het beste dat enorme lege gevoel bewoordt: de ziekte van het verlangen.
Nederland telt veel plezierschippers, maar tegen de avond meren de meesten ergens aan en pikken een terrasje. We gaan voor veilig. Geen wonder dat er zo weinig Nederlandse dichters over het varen op de grote oceaan de bovenzijde van overlijdensadvertenties sieren. Zelfs scheepsdokter/dichter Jan Slauwerhof, toch een behoorlijke zeebonk, heb ik niet in mijn verzameling bovenschriften kunnen vinden. De enige, dit flintertje: de laatste smalle ree van zand lieten de erfgenamen van Jan Smeltekop ons krantenlezers in 2015 na, maar helaas onder een loodzware strofe uit The old men and the sea van Ernest Hemingway. Daar valt moeilijk tegenop te boksen. Bob Dylan tenslotte voer ook weleens met een bootje op de volle zee en noemt het meerdere keren in een lied, maar boven iemands uitvaart heb ik nooit een maritieme zinsnede van hem aangetroffen. Sorry Bob, want ik houd mij aan de door mijzelf opgelegde regel.
28.2.25 Geschiedenis Ik keek met stijgende verbazing naar het steeds meer uit de hand lopend gesprek tussen DJT en president Zelensky van Oekraïne. Het was geen man tegen man twistgesprek, eerder een reprimande van een stiefvader tegen zijn onwillige stiefzoon, geholpen door een kruiperige buurman (JDVance). De Britse krant The Telegraph schrijft dat het nog veel erger had gekund als ze zouden zijn gaan slaan. Ik was vooral verbolgen over de inmenging van JDVance. Hij mag dan de loco-president van de VS zijn, dat wil nog niet zeggen dat hij zich ermee had te bemoeien. Officieel mág het wel, hoorde ik bij Nieuwsuur, maar onredelijk blijft het. Als er vroeger om wat voor reden onder jongens gevochten werd, dan ging dat tussen twee personen en niet twee tegen één. In de grote mensenmaatschappij werkt dat anders. DJT is van de smerige kant en het maakt hem niet uit of iets er nou wél of níet eerlijk aan toegaat. Hij zal krijgen wat hij hebben wil. Oekraïne heeft delfstoffen en daar jaagt hij op. Voordat Rusland hem voor is. Oekraïne wil bovendien deel uitmaken van Europa en daardoor zullen die grondstoffen aan de grijpgrage vingers van Amerika voorbijgaan. Dat brallerige Great Again krijgt dan een kras of valt stukje bij beetje in duigen.
Ach, lag het allemaal maar zo makkelijk. Maar met DJT en zijn loyale loco’s valt niet te praten. Deze week nog liet DJT weten dat Europa ‘niets ís en niets kán’. Nou ja, dan weet je waar je staat. President Macron van Frankrijk mocht hem van de week bijna kwijlend voor de bek trekken (zoals wij dat vroeger zeiden), de nieuwe Engelse leider Keir Starmer, overhandigde hem een uitnodiging namens Koning Charles en daarna mocht Zelensky zich presenteren. Aan dat mannetje zonder stropdas heeft DJT een gruwelijke hekel. Dat heeft een voorgeschiedenis dewelke DJT dwars zit en daarom haalde hij oud-president Biden er nog eventjes bij. Kan het lager?! Er moest luid en duidelijk voor volk en vaderland worden gewroken. Onbeschoft patjepeeërgedrag en allemaal heel doorzichtig. Enfin. De Oekraïners kunnen hun borst nat maken, want nu hebben ze Amerika en Rusland tegen zich. Vroeger kwam het gevaar alleen uit het Oosten, nu evenzeer uit het Westen. Wie had dat ooit kunnen denken?! In Europa blazen de meeste regeringsleiders de loftrompet voor Zelensky en dat gaat een staartje krijgen. Straks wil Amerika niets meer van ons weten en zitten wij met een ingestorte exportmarkt. En de Amerikanen zonder onze spullen. Want er gaat vanuit Europa enorm veel naar Amerika en dat is een ergernisfactor van jewelste voor DJT. Hij zei hier van de week over dat wij Europeanen hem naaien. Ja, aan vuige taal geen gebrek. Dat zullen we Mark Rutte niet gauw horen zeggen en die moet volgende week op audiëntie bij DJT. Ik denk dat de tijd niet ver weg is dat Europa producten uit Amerika zal gaan boycotten onder het mom: ‘Koopt Europees!!’ Net zoals dat in de vooroorlogse jaren ook gebeurde. ‘Koopt Hollansche waren’, was toen vrij algemeen.
Moet ik op den duur mijn platen- en boekenkasten kuisen van Amerikaanse artiesten en schrijvers? Dat zal moeilijk gaan. Bovendien denk ik dat weinig progressievelingen achter die bullebak aan zouden hebben gelopen. Ik zeg dit bewust in de verleden tijd, want de meesten Amerikaanse schrijvers op mijn planken zijn dood en welhaast vergeten, evenals veel muziekartiesten. Die hoeven dus niet weg. En de nog levenden houd ik in ere, omdat ik er domweg geen afstand van kan doen. Maar een zekere grimmigheid bekruipt mij de laatste dagen wel als ik iets Amerikaans buiten mijn territorium aantref. Gisteren bij het passeren van een Tesla, voelde ik lichte jeuk in mijn rechterhand er een jaap van een kras op aan te brengen. Dat deed ik natuurlijk niet, want a: ik had niets bij me om mee te krassen, b: die auto’s worden in elkaar gezet in Hamburg (geloof ik) en dus half-Europees en c: dingen vernielen ligt niet in mijn aard. Gingen we vroeger niet smalend voorbij aan een Lada? Russische roestbakken voor gestaalde communisten. De verbeten communistenjager McCarthy zou zich nu omdraaien in zijn graf. Het kan verkeren. Intussen slaapt Zelensky zijn heldenslaap in Washington. Ooit zal hij net als Mandela op het schild worden gehesen en toegejuicht. Dat kan nog wel even duren. Eerst moet Amerika schoon schip maken en Rusland inbinden.
26.2.25 Knauw Ik wil zo graag geloven dat de mensheid deugt, maar word desondanks steeds weer in dat vertrouwen beschaamd. Jaren kan het goed gaan, beweeg me zorgeloos door het leven, afgezien natuurlijk van lichamelijke kwetsuren die moeilijk zijn te voorkomen, en dan ineens springt er een duveltje voor m’n voeten.
Neem vanmiddag. We waren even naar Veendam. Ik had onze auto tussen twee anderen gemanoeuvreerd, want de parkeerplaats was tjokvol. Het kon net. Uitstappen ging met moeite. Zonder krassen en brokken had ik het voor elkaar gebokst. Mooi. We gingen de stad in. Niet te lang, want ik wilde voorkomen dat de twee auto’s naast die van ons de draai niet konden krijgen en daardoor mogelijk schade zouden veroorzaken. We liepen terug. Ik zag nog net een jonge vrouw aan de achterkant van haar of onze auto kijken en daarna met een andere vrouw weglopen. Mijn eerste gedachte ‘heeft zij de onze misschien geraakt?’ Ze had mij niet gezien. Wel zag ik enige krassen op onze achterkant, op de hoek, waarvan je zou kunnen denken dat een auto deze bij het indraaien veroorzaakt zou kunnen hebben. Allemaal heel speculatief. Het zijn een paar krasjes van niks en we reden weg. Toen gebeurde er iets geks. Terwijl we naar de uitgang van de parkeerplaats reden, rende de mevrouw van zo-even de rijbaan op en maande ons tot stoppen. Weliswaar tamelijk opgewekt. Ze vroeg of ik degene was die naast haar geparkeerd had gestaan en dat ik langs haar auto was geschuurd, want zij had schade aan de voorkant. ‘Langs haar auto geschuurd?’, dacht ik en zei ‘Dat kan helemaal niet’. Want in de gegeven situatie moest de schade op de aangegeven plekken zijn ontstaan doordat háár auto langs die van ons zou zijn gegaan. Niet andersom. Een logische constatering waar zij niet mee akkoord ging. Ik reed op haar verzoek terug naar de plaats van het delict en legde uit hoe dat volgens mij zat. ‘Kijk je rijdt er zo in en hup … ‘. Maar voor ik het wist was zij al bezig een schadeformulier in te vullen. Mij best. Ze zei dat haar auto hier al vanaf 8.00 uur had gestaan, hetgeen door de andere vrouw -bleek haar collega te zijn- werd beaamd. Het kon niet anders dan dat ik de schade had veroorzaakt. Ik protesteerde ingetogen, wilde geen scene. Je weet nooit wie zich er op zo’n parkeerplaats ineens mee gaat bemoeien. Lang verhaal kort. Ik vulde mijn gegevens -hetzij summier- in en liet het erbij. Afwachten maar.
Het zat mij ’s avonds (en zit) mij niet lekker. De -zeer lichte- schade kan op de wijze zoals ik de auto er inparkeerde niet door mij zijn veroorzaakt. Mogelijk had zij die schade (amper zichtbaar stukje verf van het voorste spatbord) al en probeert zij het via mijn verzekering hersteld te krijgen. We reden weg en hadden het er nog uitvoerig over. Het deed me denken aan eenzelfde soort gevalletje zo’n 25 jaar geleden. Het was nog in de guldentijd. We waren wezen chinezen aan de Ambachtsstraat in Gieten. Het was winter, het had licht gesneeuwd. Bij het wegrijden gleed ik een ietsje weg en tikte tegen een auto -een Opel combi- die voor de uitrit van het restaurant stond geparkeerd. Ik stapte uit en bekeek de eventuele schade. Die moet mee zijn gevallen, want ik kon niets vinden. Kennelijk was ik tegen het achterwiel aan gekomen. We reden naar huis. ’s Maandags, kort na de middag, werd ik gebeld door een politieagent. Geen dagelijkse kost. Hij legde mij voor dat ik jongstleden zaterdag tegen 18.00 uur na een aanrijding in de Ambachtsstraat te Gieten was doorgereden en dat was een overtreding waarvan alsnog verbaal zou moeten worden opgemaakt, hetgeen eventueel bestraft moest worden. Was mij een en ander bekend? Ja en nee! Ik schrok mij een hoedje! De agent vertelde nu op een aanmerkelijk rustiger toon dat de eigenaar van het voertuig vanuit het restaurant had gezien dat ik zijn auto had geraakt, dat ik was uitgestapt en naar zijn auto had gekeken en daarna was vertrokken. De man zei ook dat hij nog had geprobeerd mij tegen te houden. Van dat laatste was mij echter niets bekend. Ik vertelde nu míjn versie. In mijn hoofd lichte Veenhuizen al op. Water en brood, wasknijpers fabriceren …. Maar gelukkig werd de soep niet zo heet gegeten. De agent zei dat de eigenaar van de auto bij de politie bekend was en dat die er mogelijk een slaatje uit probeerde te slaan. Hij verstrekte mij zijn telefoonnummer en adviseerde mij hem te bellen. Dat deed ik meteen. Het bleek een vriendelijk klinkende man uit Oosterwolde, die aan het eind van ons gesprekje zei dat de schade 1500 gulden bedroeg. Als ik het betaalde, zou er verder geen haan naar kraaien. Dat hij dat al zo precies wist verbaasde mij en maakte mij argwanend. Ik liet hem weten dat ik in dat geval liever mijn verzekering erop af zou sturen, voor een exacte schadeberaming. O, niet doen, dat zou maar een hoop gedoe veroorzaken en mijn eventuele no-claim in gevaar brengen. Maar ik betaalde niet en lichte mijn verzekering er toch over in. Toen ik later -uit gezonde nieuwsgierigheid- bij mijn verzekering informeerde hoe deze zaak was afgelopen, zei de jongen aan de lijn dat de auto van de gedaagde niet eens de waarde van 1500 gulden vertegenwoordigde en dat die man er inderdaad een slaatje uit wilde slaan.
Welnu, het geval van vanmiddag deed mij daar sterk aan denken. Onderweg naar huis hadden we het over deze vorm van flessentrekkerij, ondanks dat het hele aardige vrouwen waren. ‘En die krasjes aan de achterkant, zaten die er al niet? Je bent laatst langs het gaas geschampt’. Dat was waar. Die man uit Oosterwolde was ook heel aardig en die wilde het op een akkoordje gooien. Enfin, we wachten maar af en voor het geval het ons geld gaat kosten, ga ik de situatie op het kantoor van de verzekeringsmaatschappij heel precies voorleggen. Ik heb nog een paar Dinky Toys om het te duiden. Maar mijn vertrouwen in de mensheid krijgt onverwacht toch weer een aardige knauw.
20.2.25 Terug naar de voorvaderen Mijn vader zou vandaag 105 zijn geworden. Dat is een leeftijd die voor weinigen is weggelegd en dus ook niet voor mijn vader. Spijt me dat? Nee, niet echt. Nog afgezien van de lichamelijke rompslomp die zulke ouden-van-dagen hebben te doorstaan, maar ik had met mijn vader niet zo’n geweldige band en heb hem na zijn dood niet echt gemist. Ik hoor weleens mannen zeggen hoe zo’n hechte band ze met hun vader hadden. Dat is iets waar je afgunstig op kunt zijn. Alleen, zulke mannen ben ik zelden in het echt tegengekomen. Het heeft mij mede weerhouden een gezin te stichten. Niet de lusten -en die zijn zonder enige twijfel grenzeloos plezierig!- maar ook niet de lasten. ‘De tijd heelt alle wonden’, zingt Herman van Veen in mijn hoofd. Zo is het. Gedane zaken nemen geen keer, ik koester geen wrok, leef mijn leven en sta vrijwel iedere dag goedgemutst op. Als ik aanhanger van een zeker geloof zou zijn, zou ik nu een kruisje slaan, want het is een voorrecht zo makkelijk te mogen leven.
Genoeg pedanterie! Want beluister ik het nieuws de laatste dagen dan zinkt mij de moed in de schoenen. Weinig te lachen. Wat die DJTrump allemaal bekokstooft, daar draait je maag van om. We wonen weliswaar ver van de geplaagde regio’s waar hij zijn gulzig oog op heeft laten vallen: Canada, Panama, Groenland, Oekraïne, de Gazastrook en wat er nog komen gaat. DJT maakt vandaag zijn eerste maand vol en heeft inmiddels voor meer onrust gezorgd dan alle vorige presidenten van de Verenigde Staten bij elkaar. Er zijn een hoop zaken waar je je boos over kunt maken, over het voornemen van het inpalmen van de genoemde landen of over de ongekende bulk aan desinformatie en leugens die met name DJT verspreidt. Maar één van de eerste decreten die DJT ondertekende was dewelke afrekende met wat hij noemde ‘de afwijkende genders’, of zoals hij het zei: ‘Vanaf heden zal ieder mens genoemd worden naar datgeen wat in het geboortecertificaat staat: M of V. Het is klaar met dat gedoe van die LHBTIQ-ers’. Moet mij dat zorg baren? Ja zeker! Het gaat namelijk niet alleen om de diversiteit in seksen, maar één stap verder en andere lichamelijke en culturele kenmerken moeten voortaan ook worden vermeld en dan kun je gerust spreken van een algehele segregatie, dwz: apartheidssysteem. En weer een stap verder en de rammen worden van de ooien gescheiden. Want DJT en de zijnen streven naar een puur mannelijke, masculiene bestuursmaatschappij – eentje waarin bovendien geen plaats is voor kritiek. De NRC kopte vorige week, dat de Republikeinen ’tegen heug en meug instemmen met de voorgestelde benoemingen van DJT en zijn naaste vazallen’, want anders worden zij zelf van de lijst afgevoerd en kunnen ze hun koffers pakken. Ultra loyaliteit is een vereiste! De staatskas wordt als klap op de vuurpijl door ERMusk en zijn naaste multimiljardairs beheerd en dat zijn beslist geen empathische types. Dat maakt het land wankel en gevoelig voor opstand (lees: revolutie). Voor de goede orde: u heeft dit niet van mij!
Wat betreft de toekomst: DJT zal de geschiedenis laten herschrijven. Dat deed zijn goede vriend Poetin al eerder. De Joden zullen de schuld krijgen van het veroorzaken van De Tweede Wereldoorlog. Niks holocaust, swastikapraatjes voor de vaak! ERM en DJT zullen Hitler’s naam in ere herstellen, evenals die van Stalin en Mussolini. Ze zullen de oerbevolking van Amerika beschuldigen van landjepik, want zij zijn immers (plusminus 20.000 jaar geleden) vanuit Midden-Azië via de Beringstraat naar Amerika overgestoken en dienen, net als de nakomelingen van de Afrikaanse tot slaaf gemaakten, terug te keren naar het land van hun voorvaderen. Daarnaast zal het stemrecht van vrouwen worden afgeschaft en elk zich manifesterende Democraat zal worden opgesloten in een concentratiekamp en daar te werk worden gesteld de troep te produceren die nu door de Oeigoeren in China onder dwang wordt geproduceerd en die Amerika overspoelt. Dat kan anders. Amerika moet zelfvoorzienend zijn, want Amerika heeft dorst, ongelooflijke dorst …. American thirst!
Ik zuig dit natuurlijk allemaal uit mijn duim. Hoewel, dat van dat stemrechtherziening ben ik al ergens tegengekomen. Daar zullen we nog wel van horen. En van die andere zaken zal ik, als ze door DJT of één van zijn handlangers worden voorgesteld, niet echt opkijken. Gelukkig ontstaat er een ondergrondse beweging die DJT belaagt middels een proces tot aftreding. Laat dat in godsnaam -ik hef mijn hoofd en sla denkbeeldig een kruis- een gigantische beweging worden, die deze mensonterende boevenbende als een lawine voor eeuwig doet ondersneeuwen. En er moet toch ook wel iets van een bovenvader zijn die op zekere momenten ingrijpt?!
18.2.25 Vrij van kneveling Vier dagen, of nee eigenlijk delen van dagen, draag ik nu mijn nieuw gebitje. Veel vooruitgang in de gewenning zit er nog niet in. Ik heb het tot op heden een deel van de dag in gedaan en in de loop van de middag er weer uit. Dat zal op den duur wel beter worden, is de verwachting. Mijn hoofd is er nog niet goed bij, moet zich er nog naar richten. Het voelt alsof ik een soort harnas in m’n mond heb, waardoor slikken moeilijker gaat en eten behoedzamer. Ook een beetje alsof mijn mond zich er nog tegen verzet en dat ze zonder die fratsen de boel ook wel gekauwd krijgt. Als ik het dingetje uit doe, voelt het als een verlichting. Veel kinderen en jongeren dragen een tijdlang een beugeltje, om hun tanden in het gareel te houden. Ik kan me nu voorstellen wat voor een ellende dat geeft. En ik moest ook ineens denken aan hoe vrouwen zich vroeger insnoerden in een korset. Niet dat dat bij voorbaat een medische reden had, het was meer omdat de mode dat voorschreef en dan krijgt lijden een andere betekenis. Net zoals vrouwen nu hun lippen en borsten wanstaltig opblazen. Mannen doen trouwens evenzogoed idiote dingen om hun lichaam op te tuigen, laat ik eerlijk zijn. Toen de bustehouder in zwang kwam, ageerden medici en wetenschappers daar ook tegen. Het was onnatuurlijk en zou de borsten geweld aan doen. Ach ja, die dokters! En wetenschappers stonden altijd al op gespannen voet met modes. Ik herinner me dat we bij het Fries-Film-Festival eens een film vertoonden, waarin een vrouw, terwijl ze met haar man (of vriend?) van een avondje stappen thuiskwam, haar pumps uitschopte, daarna haar bh losmaakte en in een hoek van de kamer smeet en met een orkanische zucht neerviel op de bank. In de zaal weerklonk een voorzichtig applausje en vooral gelach. Begin jaren tachtig was het. De scene werd begrepen.
Toen ik in 1990 een weekje bij mijn vroegere vriendin te York logeerde, gebeurde het bijna net zo als in die film. Ik bezag het als een voor haar alledaagse handeling, want als vertegenwoordigster van een groot olieconcern, maakte ze enorm veel uren en autokilometers en dat ging in die frêle voetjes zitten. Maar ik kon het ook zien als een gebaar van toenadering. Ik hield niettemin afstand. Ze was een vrijgevochten vrouw van 33, kettingrookster, op carrière belust en zou het niet accepteren als iemand dat mogelijk zou verhinderen. Iemand als ik bijvoorbeeld. Bij ons afscheid bij de ingang naar de slurf van de boot naar Holland, waren we blind voor elkaar geworden. Kort erop strandde haar loopbaan bij de olieboer. Ze kreeg verkering met een hele andere boer; een veeboer. Ze trouwde met hem en werd moeder van twee kinderen. Dat van die veeboer, daar keek ik nog het meeste van op. Soms, zoals van de week bij het bekijken van de miniserie De Wit en de Brit, denk ik daar nog weleens aan. Hoe zal het haar vergaan, denk ik dan. Want na die week bleven wij nog wel on speaking terms, om zomaar te zeggen. Nou ja, tegen Kerst een kaart + een kort overzichtje. En ook die bleven kort na het millennium uit. Hoe zij over de Brexit dacht, weet ik dus niet. Het heeft in ieder geval de export van vlees naar de EU geen goed gedaan en dat zal terug te zien zijn op hun boerderij.
Hadden mannen ook zo’n stereotype onderdrukkingssymbool? Jazeker: de stropdas! Wijlen Prins Claus zag dat heel goed en ontdeed zich ervan voor een zaal vol stropdragers. Dat was schrikken. Hij smeet daarbij het kleinood als een zojuist van het leven beroofde gifslang van zich af, waar het nog eventjes na sidderde. Maar veel navolging leverde zijn eenmansactie niet op. De grootste bandieten tooien zich nog steeds met de duurste stropdassen en dat zal altijd wel zo blijven. Enfin, het is avond. Ik heb mijn gebitje uit gedaan en zucht van verlichting. Over enige tijd weet ik niet beter dan dat het dingetje onderdeel is van mijn lichaamsentourage. Zoals massa’s mannen ’s ochtends hun horloge om doen of hun gehoorapparaatje in om het leven buitenshuis aan te kunnen. Met het stijgen der jaren is een mens steeds meer afhankelijk van hulpstukjes, toetertjes en belletjes. Dat is toch een soort van troost.
14.2.25 Een hele mond vol De wereld is zo vol haat en bedrog, zo vol ongefundeerde boosheid, dat ik er soms amper raad mee weet. Moet ik het nog wel blijven volgen, die krankzinnige en verwarring veroorzakende oprispingen van het duo DJT (Trump) en ERM (Musk) en hun omringende vazallen? Wanneer zal dit dolende spookschip te pletter slaan? Want dat gaat vroeg of laat gebeuren. Dit drama kan geen vier jaar voortduren. En het was al geen dag met een sterretje. Valentijnsdag, oké, maar met de kenmerken van Halloween.
Ik liep met mijn nog geen kwartier eerder aangemeten nieuw bovengebitje door de winkel. Een zeer onwennig gevoel. Hopelijk kwam ik niemand tegen die een praatje met me aanving -sowieso al niet plezierig in een winkel, vind ik- maar nu had ik het gevoel alsof mij het spreken ook totaal was vergaan. De voorgeschiedenis. Vanaf half december 2024 begonnen plotseling enige kiezen moeilijk te doen. Twee bruggetjes van mijn dentale deltaplan braken spontaan af en in een paar weken tijd zat ik letterlijk met een bovenkaak zonder kiezen. Geen bek zonder tanden, want die zijn nog in uitstekende staat. Die bruggetjes hadden het volgens mijn tandarts best lang volgehouden: ruim 40 jaar. Maar nu gaven ze er als afgesproken bijna gelijktijdig de brui aan en zag ik er plotseling niet uit. Zolang ik mijn lippen maar stijf op elkaar hield, viel de schade nog wel mee. Na de boodschappen gingen we naar huis en probeerde ik iets te eten. Dat was een leermomentje. ‘Geen karbonade of spareribs eten nog’, zei mijn tandtechnicus met de taalmix van de volledig geïntegreerde Hollander + de sporen van zijn Zuid-Afrikaanse wortels. Ik schudde heftig nee, hoewel ik hem in ons eerste gesprek al had gezegd dat dat bepaald niet mijn voedsel is. Soep met een broodje. Soppen. Heel voorzichtig uitproberen. In vroeger tijden gingen mensen als ze kiespijn hadden naar de tandarts en lieten niet zelden de hele boel trekken. Dan was je van die ellende af. Want tanden en kiezen waren vooral lichaamsonderdelen waar je alleen maar last van kon krijgen. Zeiden de betweters. Volslagen onzin, maar probeer dat maar eens te weerleggen. Ik herinner me, in de paar jaren dat ik als uitzendkracht bij het Asser bedrijf Furigas werkte, een man die door de vaste jongens ‘opa’ werd genoemd. Hij had een kunstgebit, maar dat ding zat hem kennelijk nooit lekker. Hij deed het nogal eens uit en legde het dan op een doekje naast het gereedschap op zijn werkblad. Een pestkop nam het op een dag weg. Geintje. Iedereen lachen, opa woest. Daar was het die gasten om te doen. Met veel godvers stopte hij het ding weer in zijn mond. Hij mocht dan opa worden genoemd, maar was veel jonger dan ik nu ben. Ik heb nog meegemaakt dat-ie met pensioen ging en dan was je 65. De vaste jongens hadden zijn werkstoel versierd en er met grote letters iets geks op gekalkt. Maar opa liet zich die dag niet zien. Alle moeite voor niks, mopperden ze. Ze konden de pot op! Gelijk had-ie.
‘De hersenen moeten het nog wel accepteren’, zei de tandtechnicus, toen hij het apparaatje met twee haakjes achter mijn voortanden had geklikt en ik hem licht geschrokken aankeek. ‘Het is net als met nieuwe meubelen, daar moet je ook aan wennen’, zei hij glimlachend. Ik zei hem niet dat ik dit gevoel niet goed kende, omdat wij zelden andere meubelen kopen. Heel af en toe vervangen we een doorgezakte stoel en dat is dan ook nog vaak een tweedehandsje. Hij gaf me een spiegeltje om me van zijn gelijk te vergewissen. Het was inderdaad een plaatje! Ik stond op en bedankte hem hartelijk, want het is hoe dan ook vakwerk. Na de soep en brood kostte me het grote moeite het ding uit mijn mond te wrikken. Hij had het me twee keer voorgedaan. Een fluitje van een cent, leek me. Eindelijk liet het los en voelde ik hoe heerlijk de huid van mijn gehemelte weer aanvoelde. Dat wordt in de overweging voor zoiets niet meegenomen. Het gebruik wordt nog wel even wennen. Dat kost tijd. Nou ja, dat heb ik zat.
7.2.25 De fatbikers Gisteren werd ik op een haartje na aangereden door een fatbiker. Een jonge jongen, die vanaf het trottoir voor café De Toeter te Veendam kwam. Ik had mijn auto op de parkeerplaats voor het pand van de tandarts laten staan en was naar de Lidl aan de overkant gelopen, want mijn vrouw was daar aan het boodschappen. Kon ik haar even helpen met de spullen dragen. Met een volle tas liep ik terug en wilde voor Café Java aan de Prins-Hendrikplein de straat oversteken, toen ik het joch op de pedalen zag gaan staan en als een speer op me afschoot. Ik deed haastig een stap terug, anders zou hij mij hebben geraakt óf mij middels een rare kronkel hebben moeten ontwijken. Die dingen gaan onbehoorlijk snel voor een fiets, want dat zijn het: fietsen. Eerder halve brommers, maar daar wil Barry Madlener – PVV-Minister van Infrastructuur en Waterstaat- niet aan. Want voor het berijden van een brommer gelden andere regels. Je moet dan minstens 16 jaar oud zijn en sinds 1 februari 1975 moet de berijder ervan ook een helm dragen. Dat ging toen nog niet zonder slag of stoot. Met de heilige kapsels van die tijd was het verzet dat het ‘haarverwarrend’ was en ‘cultuurverarmend’. Bovendien waren de meeste hoofden te groot voor de helmen en keken de agenten tot 1 april door de vingers als de berijder de wind nog heerlijk door zijn haren liet wapperen. Pas daarna werd het menens.
Ik heb in mijn brommende jaren nooit een helm hoeven dragen en toch hoorde ik nooit dat iemand de bocht was uitgevlogen en daarbij zwaar hoofdletsel had opgelopen. Met die fatbikes ligt dat iets anders. Ten eerste worden ze al bereden door kinderen vanaf een jaar of acht, die, zo zeggen wetenschappers nog geen benul hebben van de risico’s en de gevaren van die snelheidsduivels en ten tweede haalt een doorsnee fatbike de snelheid van een brommer en dus moet er perk en paal worden gesteld aan het ding. Ter illustratie: Kort geleden reed ik op de Rolderstraat gelijk-op met een fatbiker, hij op het fietspad, ik op de gewone weg waar 60 kilometer de regel is. Ik kon hem met 60 kilometer amper bijhouden. Ik bedoel maar. Barry Madlener gaat daar over. Maar Barry wil dat niet. Te ingewikkeld, zegt hij. Juridisch is er namelijk geen verschil tussen een gewone elektrische fiets en een fatbike. Ik zie het verschil van een kilometer afstand, maar mijn mening geldt in deze niet. Een helmplicht vanaf 14 jaar zou kunnen helpen de fatbike minder populair te maken, zegt VVD-er Hester Veltman. Olger van Dijk van de NSC zegt dat er heel gemakkelijk een aparte categorie van te maken is. Dat lijkt mij dus ook. Ik ben een medeweggebruiker en -naarmate de jaren gaan tellen- een weggebruiker die rekening moet houden met het voortsnellend verkeer. Het feit dat er nogal wat fatbikers in het ziekenhuis komen, telt kennelijk niet voor Barry Madlener. Hij zegt rekening te moeten houden met de belanghebbenden, in zakentaal zijn dit: de stakeholders, de investeerders en de fabrikanten van de fatbikes. Die hebben moeite met de op handen zijnde helmplicht en de voorgestelde minimum leeftijd van 14 jaar. Want zouden die twee zaken verplicht worden, dan valt een groot deel van hun verkoopgebied weg. En dat is volgens hem niet te doen.
Dat joch dat mij gisteren bijna aanreed, had die leeftijd ook nog niet. Dat zag ik zo. Zijn hoofd kwam amper boven het stuur uit. Vanonder zijn hoodie grijnsde hij mij met zijn melktandjes toe. Stel nou dat hij zijn fatbike vanaf laten we zeggen 1 april in de schuur moet laten staan …. Dan heb je de poppen aan het dansen. De vroeg-puberende jongeren in de gordijnen, de potbeheerders (stakeholders) woest en de Chinese fabrikanten niet geamuseerd. Alleen bij de politie en bij de spoedeisende hulp in de ziekenhuizen gaat de vlag uit. En ik kan hopelijk ietsjes rustiger de straat oversteken.
6.2.25 Bultje aan de bal Bij de nieuwtjes die doorlopend op mijn scherm verschijnen, was er eentje bij waar ik om moest grinniken. Je zou dit leedvermaak kunnen noemen als het niet zo serieus was. Het bericht spreekt over een 27-jarige gedetineerde uit Smilde, die vroegtijdige vrijlating vroeg omdat hij een bultje op een van zijn teeltballen heeft. Het gaat niet om een opmerkelijke verhevenheid, nee, om een bultje. Zou het om een krant gaan die een loopje met de waarheid neemt, dan zou je het als een grap kunnen opvatten. Nu heb ik gauw met iemand te doen, mijn hart is niet van steen, maar ik heb een geweldige pest aan mensen die over de ruggen van anderen grof geld verdienen. Het feit is namelijk dat de gedetineerde voor het opzetten en runnen van meerdere drugslabs is veroordeeld. Dat is niet niks. Dergelijke lieden vervuilen stelselmatig het milieu door het drugsafval dat ze niet legaal kwijt kunnen te dumpen in natuurgebieden en zijn niet te beroerd een wapen te trekken in geval van nood. Kortom: geen lieve jongens.
Ik heb mij nooit bezig gehouden met synthetische drugs of iets van die orde. In de jaren zeventig gebruikten wij weleens wat men toen noemde ‘verdovende middelen’. Dat beperkte zich tot hasj. Van wiet kreeg ik alleen al door de geur hoestbuien en hoofdpijn. Zelf heb ik nooit stuff – het woord werd bij het gewone volk vooral populair gemaakt door de persiflage van Bram van de commune, door Paul van Vliet- gekocht of op zak gehad. In die tijd had je ook al speed en lsd, maar ik heb in mijn vriendenkring nooit iemand zoiets zien gebruiken. Later breidde dat terrein zich uit tot een apotheek van roesmiddelen. Tegenwoordig is het bij met name dancefestivals bijna standaard dat men pilletjes met geestverruimende middelen inneemt. Velen zien hier geen kwaad in en sluiten de ogen voor de criminele wereld achter dit spul. Een college van mij op de bloemenveiling verloor een kleindochter aan een drug. Ik herinner mij de totale ontreddering van die man toen hij mij hierover vertelde. En de woede. Het meisje had zich op een housefeest laten overhalen een pilletje van het een of ander in te nemen. Ze was er in gebleven. De dealer was uiteraard met de noorderzon vertrokken. De man van mijn leeftijd beloofde heilig dat indien hij de schurk die zijn kleindochter dit had aangedaan, van het leven te beroven. ‘Daar wil ik wel een paar jaar voor zitten’, zei hij meer dan eens. Ik begreep hem volledig. De handel in drugs is sindsdien steeds harder en smeriger geworden. Moord en terreur met explosieven zijn aan de orde van de dag. Wraak tussen bendes is vaak een motief. Over het lot van hun klanten hoor je ze niet. Ze zijn alleen met zichzelf bezig. Met hoe ze in de maatschappij -hún maatschappij!- staan en door rijkdom uit te stralen. Zo nu en dan wordt er een producent of handelaar gepakt en mag een tijdje brommen. Deze man uit Smilde is zo eentje.
En nu heeft-ie last van zijn bal. Daarvoor hoef je geen crimineel te zijn, dat kan de beste overkomen. En wil hij graag vervroegd vrij, want stel dat er iets niet in orde is met die bal. Iedereen heeft recht op medische hulp en indien nodig medicijnen. Ik ben niet degene die daarover beslist, maar toen ik het las en was uitgegrinnikt, dacht ik aan dat meisje van 17 dat in een ogenblik van zwakte of in een overmoedige bui de dood werd ingejaagd. En toen werd ik heel vals, middeleeuws vals, zou je kunnen zeggen en ik dacht aan ballen en aan hangen. De rechter was wel zo nuchter om de man binnen de poorten te houden. Straks hebben al die gasten bultjes aan hun ballen, zal de rechter hebben gedacht, en is het einde zoek. Ik denk ook niet dat die drugsbaron veel sympathie van zijn bendeleden zal krijgen. Ze zullen geen bal om zijn pijntjes geven, even weinig als om het lichamelijke verval van hun klanten.
5.2.25 Hondentaal Er wordt , zo komt het mij voor, in de schrijverswereld meer om katten gegeven dan om honden. Goede vriend Ton Peters bracht onlangs een bundel uit met 36 sonnetten over katten. Mijn vrouw en ik hebben door de jaren heen heel wat katten gehuisvest, we zijn zelfs door deze nobele dieren bij elkaar gekomen en de meesten ervan heb ik middels een versje of verhaaltje geboekstaafd. Evenzogoed heb ik dat gedaan met onze honden. Maar in gedichtenbundels of bloemlezingen kom je die minder tegen. Koos van Zomeren is één van de weinige uitzonderingen. Wij huisvesten al jaren twee katten en een hond. De katten weten niets van elkaars bestaan, want de een huist in de voorkamer en de ander boven in mijn boeken/werkkamer. Deze komt nooit buiten. Een angstig diertje en zou het daar niet overleven. ’t Zijn opgevangen dieren, want kopen doen we niet. Hoewel de katten me dierbaar zijn, ga ik toch -indien me gevraagd zou worden- voor onze hond. Rossi is de naam. Het is een gemankeerd exemplaar van een nogal kleurrijk ras. Hoewel ik veel voor hem doe, ben ik in ons huishouden toch de tweede keus, want meneer valt op vrouwen. Je zou zeggen, omdat ik dat ook doe, dat er wel sprake zou zijn van enige sympathie, maar dat is niet zo. Afgunstig wordt ik er niet van, want we bestrijken twee totaal verschillende zones. Ik houd mij aan de huwelijkse gelofte en beperk mij tot vocale communicatie, Rossi gaat vooral af op het visuele en vooral op de geur. Dat is weleens vervelend, want hij springt tegen iedereen op die hij tegenkomt en in bijzonderheid vrouwen. Tijdens onze loopjes moet ik hem daarom altijd bij me houden. Of hij mij deze inperking kwalijk neemt, weet ik niet, maar feit is dat hij mij thuis bijna niet benadert. Behalve ’s avonds. Mijn vrouw is gewend om vroeg naar bed te gaan en ik eet zo tegen een uur of tien een paar boterhammen. Dat is een ingesleten gewoonte die ik in plaats van chips en zoutjes al jaren hanteer. Ik heb weleens gelezen dat dit niet gezond is, tot ik las dat een vroegere paus dit ook deed en die werd stokoud. Sindsdien trek ik me niets meer aan van voedingsgoeroes. Rossi weet dit precies en tegen die tijd begint hij onrustig te worden: hij begint te lopen. Eerst voorzichtig en als dat niet helpt met steeds meer rumoer. Op het laatst gaat hij een metertje voor me liggen en mij heel strak aan zitten kijken. Dat houd ik wel een tijdje vol, maar na een paar bladzijden sta ik op en geef mij gewonnen. ‘Wat moet je nou?’, zeg ik dan. Dat klinkt hem als een etensbel in de oren. Hij springt overeind en dartelt voor me uit naar de keuken waar het gaat gebeuren.
De laatste weken echter sukkel ik met mijn bovenkiezen en komt er van dit eetpatroon weinig terecht. Ik laat hem uit voor zijn plas en laat hem na een minuut of twee weer binnen. Dan zoeft-ie meteen door naar de keuken. Omdat de beloning hem nu te lang duurt, komt hij weer terug (teleurgesteld, denk ik) en gaat op zijn matje vlak naast mijn leesstoel liggen. Alles stelt hij nu in het werk om mij zo ver te krijgen hem toch iets toe te schuiven. Soms is die begeerte zo hevig, dat hij zacht gaat piepen. Dan pak ik een paar eetstokjes voor hem. Daarna wacht hij nog enige tijd of er nog meer in het vat zit en dan loopt hij gepikeerd naar zijn bak en springt erin. Op slag weet hij niet meer van mijn bestaan. Alleen als het hard waait of regent, komt hij uit zichzelf nog weleens op mij af en geheid met onweer en vuurwerk. Dan springt hij puur van angst bij me op schoot. Hij is dan zeer onrustig. Voor de rest is het een luie donder en uitermate egoïstisch! Ik zeg dit niet graag van iemand met wie ik als het kan elke dag en met veel plezier een ommetje maak, maar het is de absolute waarheid.
Katten zijn echter niet minder egoïstisch. Maar dat vindt je in veel van die gedichten niet terug. Dichters hebben het heel zijig over de aaibaarheid en over dat gesnor en over de geheimzinnigheid van hun blik en dat de oude Egypteneren daar ook al over schreven, enzovoort. Niet over trouw of steun die heel veel honden de mens verschaffen. Daar kunnen katten nog heel wat van leren. Als m’n kiezen straks weer zijn hersteld, ga ik over tot de gewone gang van zaken.
4.2.25 Waar zetelt de ziel? (OverlijdensAdvertentieBovenschriften 2).
Behalve de buitenkant, inclusief haarbegroeiing en bij sommige mensen een onzichtbare nevel die men aanduidt met aura, moet de werking van het lichaam het toch vooral hebben van de inwendige organen. Zonder hart, geen mens, om over al die andere organen nog maar te zwijgen. De aansturing van al die organen vindt plaats vanuit de hersenen. Als we de vrolijke, energieke neuroloog Erik Scherder mogen geloven, dan bestaat dit orgaan uit een stam met daar bovenop een soort kruin die in zijn groei wordt tegengehouden door het schedeldak. Zou dit niet het geval zijn, dan hadden we mogelijk een besturingsorgaan zo groot als een bolchrysant. Meneer Scherder wijst met een stokje in de kwabben de gebieden aan waar het in de op een bloemkool gelijkend orgaan allemaal gebeurt. Als er problemen optreden in onze hersenen, dan kan de dokter de patiënt dit door middel van een scan aantonen. Op mijn eens gedane stelling dat er niet iets is als je het niet kunt zien, zei mijn schoolmeester: ‘Dus dan heb je ook geen hersenen, want die kun je ook niet zien’. Meester had een punt. Hoon van mijn klasgenootjes was mijn verdiende straf. Dat kan dus tegenwoordig wél. Waar in die bloemkool zetelt nu de ziel (even uitgaande van het feit dat die er is)? In vroegere bovenschriften van rouwadvertenties, komt de ziel nogal eens voor. Meestal in combinatie met de Heer en de Hemel. Een mysterieuze drie-eenheid. Maar dat er meer is tussen hemel en aarde was zelfs de eerste mensachtigen al opgevallen, want zij verbrandden hun doden. Dat moet een hoger doel hebben gehad. Hadden zij besef van een leven na de dood of iets wat daar op lijkt? Op hele oude rotstekeningen is daar wel iets van te zien. Iets wat lijkt op het opstijgen naar wat later de Hemel is gaan heten. De christelijke traditie heeft het verbranden van doden -men zag dit lange tijd dat als een heidense offerande- aan banden gelegd. Pas veel later zou dat weer veranderen.
In de hedendaagse bovenschriften komt het woord ziel nog maar zelden voor. Wél in de betekenis van het Engelse woord soul. Maar dan wordt het eerder gekoppeld aan de van oorsprong Afro-Amerikaanse muziekstroming die in hun kerken tijdens opzwepende diensten ontstond. Door die muziek van orgel en zang en een dolgedraaide voorganger, raakten de kerkgangers helemaal in extase. Daaruit is veel later soulmuziek en relipop ontstaan. Met soulbrothers worden nu echter mensen aangeduid die sterk aan elkaar verwant zijn. Maatjes, zou je kunnen zeggen. We weten anno 2025 natuurlijk al heel veel over de inhoud van onze hersenen. Wetenschappers zijn tot in de kern doorgedrongen van de werking ervan en hoewel er van een ziel tot op heden nog geen spoor is gevonden, wordt er toch nog steeds over gezongen. Rod Steward zingt: You’re in my soul en Joni Mitchell: Set my soul free. Er ís dus wel wat, zou je zeggen. Alles houdt natuurlijk verband met de vraag of er leven na de dood is. Voor de één is dat vanzelfsprekend en voor de ander totale onzin. Waar ik heen ga, Jelle zal wel zien! staat er boven de naam van een gestorven lolbroek en boven een andere: Tomorrow I am smoke. Die laatste is een strofe van Lou Reed. De uitvaartspreker in het crematorium zal dit niet zo makkelijk uitspreken, denk ik. Liever geen kijkje in de keuken. Dan zullen ze toch liever de vreugdekreet van Monthy Python: Always look at the bright side of life uitjubelen. Of deze van Horatius: Nu ik de zee overvaar, verwissel ik van hemel, maar niet van ziel. Hoe het ook zij, die voorbeelden houden wel in dat iets opstijgt, of dat nou hemels is of niet. Laat ik klein eindigen met een regeltje van Adriaan Morriën: Veel tegenstrijdigs ligt in onze zielen bijeen, als kinderen in hetzelfde bed. Mooie, bijna tastbare woorden. Je zou er bijna gelovig van worden.
31.1.25 Nog 1450 dagen te gaan Het is 31 januari, mijn vrouw is jarig, maar daar doen we op haar verzoek niet veel aan. Een stukje rijden, ter vermaak, dat dan weer wel. Want het zijn rare tijden. Sinds DJT de wereld vanuit het Capitool bestuurt, lijkt het boek van George Orwell uit 1948 (1984) alsnog bewaarheid te worden. Meteen na zijn inhuldiging ging hij als een dolle stier los. De eerste van de vele honderden in de komende jaren te tekenen decreten vlogen de deur uit. Een decreet is een soort opdracht aan het parlement wat ze moet doen en vooral wat ze moet laten. De door T. ondertekenende decreten zien er uit als bezoedelde menumapjes in restaurants of cafetaria’s. ‘Doe mij maar van de eehhh, ach nee, doe maar de dagschotel’. ‘Met Hollandse of Vlaamse frietjes of wedges?’ Zoiets. Wij weten natuurlijk helemaal niet wat er in die decreten staat. Iemand op de achtergrond brulde iets als: ‘Met de volgende decreet schaft onze President de Golf van Mexico af’. Applaus! Want die plas voor de deur van zijn resort in Florida ergert hem, dus dichtgooien die boel. Sommige decreten wekken al meteen wrevel bij de justitie. Een kind geboren in Amerika, blijft geboren in Amerika, wat T. ook anders beweert. Verplaatsen we dat naar Nederland: een vluchteling die hier van een kind bevalt, hoeft ook niet eerst terug te vluchten naar bijvoorbeeld Syrië, om het kind daar aan te geven. Maar T. wil Amerika zuiveren van het rapaille uit Mexico en Zuid-Amerika. De oorspronkelijke bevolking -de Natives, ook wel Indianen genoemd- komen daarna aan de beurt. Want ook dat zijn een stelletje uitvreters, vindt T. De maatschappij is volgens hem (en veel van zijn kiezers) veel te ondoorzichtelijk geworden, transparantie is de nieuwe politiek. Oude begrippen als m/v kapseisden en dat genuanceer tussen goed & slecht moet ook maar es afgelopen zijn. Iedereen deugt, als ze in zijn straatje lopen. Zo werkt dat geniale brein van DDT, sorry DJT.
Zijn Nederlandse variant, leider van de grootste partij die zich eigenlijk geen partij mag noemen – want geen leden, zou dolgraag in de schoenen van DJT willen staan. Want hier is het dweilen met de kraan open. Hoewel de instroom van vluchtelingen terug loopt, houdt hij stug vol dat wij het asielzoekersrioolputje van Europa zijn. Zijn door hemzelf bejubelde minister van immigratie, komt deze week naar Ter Apel om te kijken hoe de vlag er bij hangt. Wat had Geert graag gezien dat Marjolein Faber lid was van een andere partij, dan had hij haar doorlopend met krasse scheldwoorden te lijf kunnen gaan. Ik herinner mij nog goed welke typeringen hij voor bijvoorbeeld Sigrid Kaag in petto had. T. zegt het anders. Iedere vrouw -en daar heeft hij vooral de pik op!- noemt hij nasty. Volgens de Van Dale betekent dat zoiets als: Onaangenaam, vies, goor, moeilijk, gevaarlijk, onaardig, lastig, gemeen, vals, hatelijk, dreigend en onbeschoft. Geert gebruikt geschut uit eigen koker, zoals heksen en trollen met kopvodden. Meer to the point. Iets minder op hemzelf van toepassing dan zijn Amerikaanse held.
Terug naar Amerika. Van de week verongelukten boven Washington een vliegtuig en een helikopter. T. verweet dit ongeluk, nog voor er een spatje onderzoek was verricht, aan ‘het diversiteitsbeleid’ van de vorige regeringen. Op de verbaasde vraag van reporters hoe hij daar zo bij kwam, antwoordde hij dat zijn gezonde verstand dat zei. Maar na een snel onderzoek bleek dat zijn gezonde verstand ernstig tekort schoot. Alleen, wat T. beweert is de waarheid, zegt hij zelf. Het blijkt echter dat het luchtruim boven Washington (en ook veel andere steden) veel te druk is. Dat moet wel een keer mis gaan en naar ik las wemelt het er van ‘bijna vliegtuigongelukken’ en niet alleen boven Washington. Maar we zullen met dit soort bezopen waarheidsbevindingen moeten leren leven. Nou ja, nog 1450 dagen te gaan, dan moet hij terugtreden. Tenzij Iets van boven of iemand van beneden anders beslist. Uiteindelijk is het beroep van President van Amerika, zoals Maarten van Rossem al jaren roept, het gevaarlijkste ter wereld en er is onlangs al een voorzichtige poging gedaan hem hierin gelijk te geven. Maar ik vermoed dat er tussen die stapel decreten allang eentje zit die in geval van nood een opvolger aanwijst uit eigen stal. De zoon of de kleinzoon van de grote T. En die zal als een echte man de fakkel met verve overnemen. In directe lijn zal dat dan de 4de of 5de generatie zijn van de Trumps die begin 19de eeuw vanuit Duistland de oversteek maakten naar de Verenigde Staten. Er zijn in Duitsland lieden die DJT graag terug willen hebben. Ik zou de grenzen maar vast in de gaten houden!
26.1.25 Over zes maanden Na de onthutsende inauguratie van Donald. J. Trump, ben ik het nieuws gaan mijden. Kranten liet ik links liggen en de televisie zette ik pas aan tegen de tijd van het weerpraatje. Dat kon ik wel hebben. Daar heeft DJT (zo zal ik het onberekenbare fenomeen voortaan noemen. Heette hij maar Donald D. (Devil) Trump, het zou zo’n geschikte afkorting hebben opgeleverd: DDT) geen grip op. Weer kun je onmogelijk kopen, laat staan omkopen! Eén keer dreigde het mis te gaan, toen de weervrouw het had over een depressie die vanuit Florida op de Azoren afkoerste. Ik voelde dat mijn hart een duikeltje maakte. Ik hoop dan ook dat het Journaal nieuws waar DJT een rol in speelt voortaan gaat uitzenden met een zwart omrande rechthoek. Zoiets als al jaren verplicht is op de verpakking van tabakswaren. Wel kwam mij ter ore dat DJT alle bemoeienissen met Europa wil blokkeren. Dat kan nog weleens raar uitpakken, want het schijnt dat het handelsverschil tussen beide werelddelen zo’n 150miljard in het voordeel van Europa is. Voor dat bedrag kun je ongeveer twee keer Groenland kopen. Maar DJT is coulant en zegt dat één keer Groenland genoeg is. Panama wil hij ook hebben. Daarna is de overstap naar Zuid-Amerika gauw gemaakt. Zijn naar bisamrat riekend oliemannetje schiet hem -uiteraard met een flinke woekerwinst- graag de miljarden voor. Van de week maakte dat oliemannetje een uitglijer: de hitlergroet! Ik zag het onvoorbereid tussen de mailtjes door. Een rare armbeweging die me aan de spastische armzwiepen van Dr. Strangelove, uit de gelijknamige film met Peter Sellers als geniale idioot, deed denken. Niet aan de groet van ’s werelds grootste misdadiger ooit, die het overigens gepikt had van zijn Italiaanse evenknie Benito Mussolini. Nee, daar moet Elon Reeve Musk (vanaf hier aangeduid als ERM) nog wel even op oefenen. Om de parodie van Peter Sellers, op de dreiging van een atoomaanval in de Varkensbaai bij Cuba in 1962, kun je heel hard lachen, maar met DJT + ERM wordt het moeilijk kersen eten. Europa heeft zijn kindje Tesla al een beetje in de ban gedaan. U weet wel, die auto met dat logo van een spiraaltje. Het zal ERM worst zijn, want de helft van de Tesla’s komt uit China. Dat zal als de verhoging van de invoerheffing tussen C & A doorgaat, betekenen dat die voor de Amerikanen straks onbetaalbaar wordt! Beetje koekje van eigen deeg. Nog een vergelijking, nu ik toch bezig ben: de handtekening van DJT. Die lijkt verdacht veel op een uitvergroot detail van een bladzaag. Wel van een hele slechte kwaliteit, want de tanden zijn zeer onregelmatig. Daar krijg je nog geen papieren boom mee om. Een andere belofte van DJT is dat er een missie naar Mars zal gaan. IJs en weder dienende, it giet oan! De Amerikaanse vlag moet erop, zei hij, alsof die planeet ergens in de buurt van de Golf van Mexico ofwel de Golf van Amerika ligt. Mijn voorstel: Stuur ERM er onverwijld naartoe. En de president mag mee!
Vanmiddag heb ik dan toch weer televisie gekeken. Naar het Buitenhof. Eerst voorzichtig vanachter de stoel, zoals heel vroeger weleens gebeurde als Okkie Trooi of Zwiebertje héél spannend was. In het programma voorspelde de econome Sandra Phlippen dat het de eerstkomende zes maanden ‘erop of eronder’ wordt. Voor Amerika én voor de rest van de wereld. Door die te verwachten verdubbeling van de invoerbelasting op Chinese spullen naar Amerika, zal het volk gaan morren. DJT zegt dat ze die rotzooi in de nabije toekomst zelf gaan produceren. Reden: het kan beter en goedkoper. Maar waar haalt hij de mensen vandaan die bereid zijn dit voor Chinese lonen te maken? De eventuele krachten (moderne slaven) worden nu het land uitgegooid en de Amerikanen die zo fanatiek achter DJT aanhollen willen het niet doen! Waar kennen we dat van? Een domper voor China? Welnee! De Europese markt schreeuwt om hun spullen. Straks is het 3 halen en 2 betalen bij de Primarks, de Actions, de Wibra’s enzovoort. Enfin, over zes maanden weten we meer. Even doorbijten dus. Spannend wordt het zeker.
23.1.25 Kleiner wonen (Een teruggevonden kladje uit 2013. Beetje opgepoetst, de namen veranderd, behalve die van Loes). Onderweg van de winkel naar de auto, kwam ik halverwege de parkeerplaats Annie tegen. Omdat ze even weifelde, bleef ik staan en sprak haar aan. ‘Hoe gaat-ie’, zei ik. ‘Goed’, zei ze voorzichtig ‘nou ja, bijna vakantie hè dus ja leuk … ‘. Een klein en tenger vrouwtje – niet onaantrekkelijk. De laatste keer dat ik haar sprak, verkeerde ze in de plezierige omstandigheid voor de tweede keer oma te worden. Ik herinnerde haar eraan. ‘Oh, dat moet dan minstens drie jaar geleden zijn’, zei ze, ‘want inmiddels hebben we vier kleinkinderen’. We, dat waren zij en Gezienus. Ik kende hem van een jeugdhonk waar ik een tijdje geregeld kwam. Gezienus was een van de medeoprichters van die honk en deed er allerlei klusjes. Een aardige vent. In de zomer van ’72 gingen we met een groepje van die honk naar Ameland en vandaar reisden Gezienus en ik door naar Hoorn. Dat was op voorstel van mij. Ik was al een paar keer eerder in Hoorn geweest. Ik was er via-via terechtgekomen en bracht er uren door in een soort jongerencafé. Meteen dat eerste weekend overnachtte ik er bij een zekere Loes. Zij werkte in het café annex eettentje. Van verliefdheid was geen sprake, het was een soort vriendschappelijkheid. Gezienus papte nogal vrijelijk met haar aan en daardoor meende ik in hem een rivaal te zien. Hoewel we een tent bij ons hadden, bood ze aan bij haar te slapen, want het weer veranderde en aan de dijk op de camping kon het spoken. Wel zo makkelijk. In haar huurkamer stond een royaal bed, daar zouden we met z’n drieën wel in passen. Ik had de avond voor we naar Ameland afreisden bij Gezienus thuis geslapen en tot mijn verbazing gezien dat hij alvorens in bed te stappen, al zijn kleren uitdeed. Spier in z’n nakie! Dat vond ik niet alleen vreemd, maar vooral onhygiënisch. Goed, het was hartje zomer, maar toch …. Kennelijk was dat normaal voor hem en misschien had hij over deze libertijnse levenshouding al iets laten doorschemeren, want amper binnen wees ze Gezienus meteen op de zedelijke mores die hier golden. Hoorn was geen Drenthe, dat was wel duidelijk! ‘Onderbroek aanhouden en handjes boven de dekens’, zei ze streng. Loes sliep in het midden en omdat ik van ons tweeën meende de oudste rechten te hebben, schoof ik dicht tegen haar aan. Ze draaide zich echter resoluut om en sliep weldra in. De volgende dag regende het en uit verveling en omdat we niet de hele dag in dat cafeetje wilden hangen, gingen we naar de bioscoop. In de matinee draaide Fiddler on the roof. Een prachtfilm! En mogelijk was het nog tíjdens dan toch zeker meteen ná de film dat Gezienus aandrong om huiswaarts te keren. Dat verbaasde mij, want hij had zich tot dan toe steeds laten zien als iemand die niet gauw ergens genoeg van kreeg. Hoe genoeglijk hadden wij niet al een paar keer op de dijk gezeten – gelijk de jongens van Bontekoe- een harinkje etend en uitkijkend over het water en verzuchtend dat wij hier bij wijze van spreken de rest van ons leven wel zouden willen slijten. En nu wilde hij op stel en sprong terug naar huis! Ik had graag nog wat willen blijven – ik begon aan Loes te hangen. Maar op weg naar het station vertelde hij opeens, in een waterval van woorden, dat hij kort voor we naar Ameland vertrokken, een meisje had ontmoet die hij niet meer uit zijn kop kon krijgen en waar hij zodra hij thuis zou zijn meteen contact mee op zou nemen. Zo, dus dat was het. Hij noemde Loes weliswaar een fijne meid, maar niet iemand waar hij oud mee kon worden. ‘Ze past beter bij jou’, zei hij. Toch heel coulant! Een paar weken later, op een zondagmiddag, ontmoetten we elkaar weer in de jeugdhonk: Gezienus en Annie, want zo heette ze. Ze was goedlachs en had iets weg van een kindvrouwtje. Gezienus sprak heimelijk tegen me over dikke verkering. Over Loes werd niet meer gepraat. Daarna zag ik hen niet vaak meer. Ik verhuisde naar Friesland en kwam jaren later weer in mijn oude gemeente terug. En op een van die dagen botste ik in de supermarkt tegen een karretje, het karretje van Annie. Ik herkende haar nog amper, zij mij wel. We praatten bij. Op mijn vraag hoe het met Gezienus ging, werd ze een beetje treurig. Hij had kort ervoor een lichte hartaanval gehad en kon het werk wat hij deed niet goed meer doen. ‘Hij is half afgekeurd’, zei ze met een zucht. ‘Onder of bovenkant?’, zouden wij vroeger sarcastisch hebben gezegd. Maar nu golden andere regels. Sindsdien zag ik haar nog een paar keer. Met elkaar praten deden we niet veel. We zeiden terloops hoe het ging. ‘Ja, nou ja, goed’. Maar dat ging het dus niet.
Ze vertelde nu dat Gezienus onlangs een tia had gehad en dat zijn geheugen hem in de steek liet. ‘Soms had ik hem al een paar keer iets gezegd en dan wist hij het gewoon niet meer. Dat was de aanloop al denk ik en dat wordt steeds erger’, zei ze licht wanhopig. Ik voelde met haar mee. ‘In augustus wordt hij 62. Dan stopt hij helemaal met zijn werk en dan gaan we op zoek naar een kleiner huis. Hij verdraagt het niet dat hij de tuin niet meer kan doen. Moeilijk hoor’.
Ik heb Annie na dit verhaaltje nog een paar keer gesproken. Dan bezocht ze Gezienus in het zorgcentrum waar hij niet veel later ook zou komen te overlijden.
20.1.25 Voor de zondvloed. De hele wereld richt haar blik over enige uren op Amerika. Het is daar nu heel vroeg in de ochtend of liever gezegd nacht. Amerika loopt immers een 5,6-tal uren achter op ons en ik schrijf dit halverwege de ochtend. Dat tijdverschil merkten we pas goed toen op 11 september 2001 de World Trade Centre werd bestookt en in elkaar stortte. Dat hoorde ik van mijn vrouw die mij dat nieuws onder aan de trap naar boven mededeelde. ‘De World Trade Centre’ in Rotterdam?’, zei ik. Nee, het bleek te gaan om het gebouw, of eigenlijk twee gebouwen in New York. Ik dacht: ‘Ach, er vliegt wel vaker een vliegtuig tegen een gebouw of klapwiekt naast een landingsbaan. Als het niet erger wordt dan de ramp in de Bijlmer, dan valt het wel mee’. Maar het viel beslist niet mee! De wereld zou er radicaal door veranderen, vooral door verharden. Het woord democratie kreeg een verraderlijke bijklank. President Trump liet in zijn eerste regeerperiode niet na olie op het vuur te gooien. En nu trekt hij, zelfs nadat hij is berecht vanwege seksueel wangedrag, voor de tweede keer in het Witte Huis. Vier jaar geleden liet hij het pand door een leger vrije jongens schoonvegen. Er vielen daarbij een handvol doden en het was de bedoeling dat er nog veel meer zouden vallen, het liefst aan de andere kant van het politieke spectrum. Dit molest werd aangezet door de vanmiddag te installeren roerganger. Hoe zou het voelen, als hij vanavond of morgen de trap weer zal bestijgen waar zijn aanhangers op zijn verzoek ‘heks’ Nanci Pelosi moesten laten bungelen, na haar eerst op z’n middeleeuws eventueel met traproeden op zekere plaatsen te hebben doorboord? Waar ze zijn vroegere rechterhand Mike Pence -zijn verrader, zijn Judas!- moesten opsnorren en vierendelen en waar iedere niet welgezinde mocht worden neergesabeld? Want meneer Trump heb het gezegd! Het was revolutie ten paleize en dan is muiterij wel het minste dat men mag verwachten. De bloedvlekken zijn allang verwijderd, de misdadigers van toen heten nu vrijheidsstrijders of patriotten en dienen op het schild te worden gehesen. Een erezuil is in de maak, let maar op. Hij spreekt ze straks na de inhuldiging even streng vaderlijk toe (voor de bühne, zoals dat heet) en geeft ze daarna een bewijs van uitzonderlijk vaderlandslievend gedrag en de vrijheid. Probleem opgelost. En dan, een president moet natuurlijk een beetje riant wonen. Die stop je niet zoals onze ouwe Drees weg in een 4-onder-een-kap of een villa ter grote van een stookhuis. Het liefst zou Trump natuurlijk vanuit zijn stulp in Florida de wereld besturen en niet vanuit die decadente roomtaart in Washington DC. Thuis heeft hij een spiegelzaal, waar hij zijn niet geringe gestalte kan verhonderdvoudigen en kan bewonderen. Enfin, we zullen zien welke vormen Prince Charming gaat aannemen en hoeveel stroop een mens om de mond kan verdragen. Over een halve etmaal weten we meer. Of het een zondvloed wordt is moeilijk te zeggen, daarvoor is zijn macht net niet groot genoeg, maar de wereldkaart zal er na deze tweede Trump-termijn weleens heel anders uit kunnen zien.
14.1.25 Iedereen schrijft een boek Er wordt in Nederland ongelooflijk veel geschreven. Iedereen die maar denkt iets te vertellen te hebben, voelt zich welhaast verplicht dit vast te leggen, opdat een ieder er weet van heeft. Internet, app of een personal site volstaan niet, nee, het moet tussen twee papieren kaften. Dan pas tel je mee als schrijver. Loop je over van inspiratie en weet je niet goed raad met je schrijfpogingen, dan adviseer je een schrijfcoach, je gaat naar een schrijfcursus of naar de schrijfacademie. Daar leren ze je precies hoe je ‘ambitie’ moet schrijven en ‘discipline’ en dat jij één van de half-miljoen cursisten bent waarvan er hooguit een dozijn het zal brengen tot een Suzanne Vermeer, een Loes den Hollander, een Herman Koch of een Tommy Wieringa. Niettemin houdt de coach de moed erin, want het is zijn/haar broodwinning.
Ik zag hierover onlangs in een beschouwende artikel in de krant, een rijtje van staan. Ik kende geen enkele van deze mensen. Het deed me een beetje denken aan die types die in achterzaaltjes lucht verkopen met de bikkelharde garantie van hoge winsten, maar zelf rijden ze in een bescheiden Peugootje en wonen in een flatje zeven hoog achter. Dat gevoel krijg ik tenminste bij al die coaches die elke Nederlander aan het schrijven van een familiegeschiedenis of van een thriller of een memoir willen aanzetten. Ik heb geen enkele schrijfcursus gevolgd en weet dus niet wat voor hartverscheurende taferelen zich in die lokalen afspelen. Hoe zo’n schrijfcoach of docent de ingebeelde Reve’s, Verhoevens, Mulischen, Palmens of Van Dissen bij de lurven pakt en uitschudt om de verborgen traumaatjes boven te krijgen. Want dat zijn thema’s die goed scoren. Daarin zou ik moeilijk kunnen voorzien. Mijn jeugd en verdere leven gingen niet altijd van een leien dakje, maar ik zal wel wijzer zijn daar een boek over te schrijven! Je zult het in zo’n schrijfklas toch ergens over moeten hebben? Er zijn weinig fantasten à la Bomans, Belcampo, Biesheuvel, Bob den Uyl of Annie M.G. Schmidt. We zijn vooral aangewezen op onze nuchterheid én van de malheur van ons lichaam én van de fricties tussen onze naasten. Dat levert regelmatig ontroerende lectuur op, geen kwaad woord hierover. Voor literatuur ligt de lat echter iets hoger. Dan kom je bij de hele groten, zoals bij Elsschot of Multatuli. Ik zou dan ook elke aspirant-cursist verplichten eerst Woutertje Pieterse te lezen, daarna Karakter, Kaas, De aanslag en tenslotte Onder professoren. Dat remt de motivatie al aardig af. Wil dat zeggen dat ik tegen de ongebreidelde uitstoot van schrijfproducten ben? Nee, zeker niet. Maar het is misleidend te stellen dat er in iedere Nederlander een succesvol schrijver verborgen zit, maar zo wordt het wel gebracht. Ik zou dan ook in de eerste les een inkijkje geven in de pakhuizen vol ongepubliceerde manuscripten. Tenslotte zou ik bij aanvang van elk lesuur eventjes terzijde mompelen hoeveel Nederlanders er tijdens dit uur zijn bijgekomen en dat een deel hiervan over 20, 30 jaar ook een boek zal willen schrijven. * Om u een indruk te geven: bij aanvang van dit schrijven (14 januari 2025, 10.27 uur) stond de teller op 18miljoen42duizend410. Nu (stukje eerst in’t klad en daarna uitgewerkt -13.41 uur) is dat opgelopen tot 18miljoen42duizend559. Hoera, driewerf hoera voor deze nieuwgeborenen!! Zeker. Ook zij zullen t.z.t. onsterfelijkheid nastreven. Tegen die tijd zal het schrijfambacht weleens verloren kunnen zijn. Zij zullen een andere manier moeten zien te vinden hun aanwezigheid kenbaar te maken. Welke? Ja, dat is koffiedik kijken.
10.1.25 Wie of wat knort daar? Mijn vrouw moest voor onderzoek even naar het ziekenhuis in Assen. We zijn langzamerhand kind aan huis geworden bij diverse geneeskundige instanties en beschouwen ze als een soort onderhoudsmonteurs van ons gestel. Sommige mensen leven zonder ooit een dokter te bezoeken en vallen op een dinsdagochtend, terwijl ze volkomen onvoorbereid hun eerste kop koffie aan de mond zetten, van hun stoel en komen niet meer overeind. Een mooie dood, zegt de goegemeente in zulke gevallen. Zal wel, denk ik dan. Ik moet er aanmerkelijk meer moeite voor doen om dat stadium te bereiken.
In de gangen van het Wilhelmina-Ziekenhuis hangen prachtige kunstwerken, onder andere van Siemen Dijkstra en men kan dus ook om een gezonde reden het pand bezoeken. Want we gaan steeds minder naar musea. Ik heb genoeg kunst in mijn hoofd en ingeval ik toch iets wil zien, trek ik een van de boeken van bezochte exposities uit de kast. Na het bezoek aan het ziekenhuis maken we meestal een omritje. Deze keer deden we de Hippe Kringloop aan. Dat is een tweedehandswinkel + een restaurantje in Assen-Zuidoost. De bezoeker kan hier terecht voor een kop koffie of thee en een versnapering uit de kleine keuken. Alles zeer betaalbaar. Het bedrijf heeft vooral mensen in dienst die zoals dat heet ‘een afstand hebben tot de arbeidsmarkt’. Nu had ik deze status in de laatste jaren van mijn werkzame leven op een haartje na bereikt, dus ik heb veel sympathie voor deze mensen. Het woord haast bestaat niet in deze winkel. Ook een heel groot goed! Ik had 3 boeken voor de prijs van 1 gescoord en daarna waren we naar het restaurantje gegaan. Ik schreef een paar regeltjes in het gastenschrift, terwijl mijn vrouw zich even verwijderde naar het toilet. Ik had de 3 boeken op een stapeltje naast me liggen. De bovenste was de bundel met dierengedichten, getiteld Woef Tjielp Knor. Er kwam een moeilijk lopende dame het restaurantje binnen. Ze schuifelde langs mijn tafeltje en greep zich er aan vast. ‘Gaat het mevrouw?’, zei ik. Ze knikte en bleef staan. Ze keek tersluiks naar de boeken en mompelde: ‘Woef Tjielp Knort, wat een rare titel, Woef Tjielp Knort. Waarom doet-ie dat?’ Ik moest in mezelf lachen en zei dat ik dat niet wist, dat ik daar thuis achter hoopte te komen. Woef Tjielp Knort, dacht ik, leuk verlezinkje. De mevrouw schuifelde verder en nam plaats bij het raam. De bediende achter de bar noemde haar tante Annie. Misschien hoorde ze al een beetje bij het interieur.
Via Schieven en Ekehaar reden we terug. ‘Wat heb je een pret’, zei mijn vrouw op zeker moment. ‘Is er iets gebeurd, mag ik meelachen?’ Toen vertelde ik over dat Woef Tjielp Knor én met toevoeging van die t.: knort. Nu lachten we allebei en zo reden we Rolde binnen. De spanning was bij haar nu helemaal verdwenen, want het ziekenhuisbezoek had nog niet voor jolijt gezorgd. Enige bezorgdheid bleef. In de supermarkt waren mijn lachspieren nog steeds niet helemaal op orde. Wat 1 lettertje zoal niet kan veroorzaken. We gaan vast weer eens naar de Hippe Kringloop, ook zonder een medische instantie te moeten bezoeken. Zien of tante Annie er weer is.
6.1.25 Prijzige tijdwijzers Van mijn ouders kreeg ik toen ik een jaar of 13, 14 was een horloge. Ik kreeg het als een vorm van vergoeding omdat ik die zomer op de zelfbinder had gezeten. Een zelfbinder is een machine waarmee men koren maait en die dat via twee banden tot schoven bindt en deze met soort vorkje van zich afwerpt. Daarna worden deze schoven in oppers gezet om te drogen en daarna in korenmijten of in de boerderij opgeslagen om later dat jaar te worden gedorst. Zo ging dat. Ik schrijf het desalniettemin in de tegenwoordige tijd, omdat het nog steeds maar nu enkel vanuit nostalgisch oogpunt gebeurt tijdens zogenaamde oogstdagen. De eerste typen korenbinders werden getrokken door paarden, later namen trekkers dit werk over. Onze trekker werd bestuurd door mijn oudste broer en ik moest op dat metalen stoeltje boven die twee banden toezicht houden opdat het maai- en bandwerk goed verliep. Als zich er geen problemen voordeden, was het een tamelijk slaapverwekkende karwei. Maar zonder bindermachinist ging het moeilijk, want de trekkerchauffeur moest zijn blik vooruit en op de maaibalk richten en zou dientengevolge te laat door hebben dat de boel in de machine vast liep of dat het bindertouw op was. Hoe het ook zij, ik kreeg als dank een polshorloge. De bedoeling was dat ik een gouden ring, een zegelring om precies te zijn, zou krijgen, maar die wilde ik niet. Ik had weinig op met sierraden, aan een horloge had ik tenminste nog wat. Ik heb wel een tijdje een polskettinkje gedragen, die dingen waren toen erg populair, en tezelfdertijd een halskettinkje, maar vanaf het moment dat ik ging werken en het dragen van met name ringen werd afgeraden, heb ik alle sierraden afgezworen. Je moet daar denk ik voor geschapen zijn. Ook ons trouwen hebben we niet bezegeld met ringen. Wél kochten we in het prille begin van onze verkeringstijd twee zilveren vriendschapsringetjes die we, zo zei ons de juweliersvrouw, eventueel weer konden inruilen voor trouwringen. We wisten toen al dat we dat niet zouden doen. Enfin, de zilveren ringetjes verdwenen kort na elkaar in de la, want mijn (toen nog vriendin) zei er rare prikkels van te krijgen, die mogelijk wezen op allergische reacties. Sindsdien dragen we allebei geen sierraden meer. Als het op tijd aan kwam, vond ik altijd wel ergens een klok en als het echt nodig was vroeg ik een voorbijganger. Nu heb ik een telefoontje en die geeft mij indien nodig de tijd. Je zou zeggen dat dit voor iedereen geldt, want het mobieltje is welhaast een verlengstuk geworden van de arm en dat de aloude polshorloge hierdoor volledig zou verdwijnen. Niets is minder waar! Als ik de krant (of kranten) op sla, komen mij steeds meerdere pagina’s horloges tegemoet. Zeer gedistingeerd en artistiek weergegeven. Ik noteer merken als Rolex, Seiko, Patek Philippe, Breitling, Chopard, Omega en Cartier. Prijzen staan er nooit bij. Da’s ongepast. Die staan immers ook niet bij de tasjes van Gucci of Louis Vuitton. Als geld een minder belangrijke rol speelt dan het doet bij het overgrote deel van de aardbewoners, dan spreek je daar niet over en bovendien is dit speelgoed niet weggelegd voor armoezaaiers, dus waarom zou je dat dan doen? Ik vermoed dat er een dergelijke hautaine gedachte achter zit. Ik ging derhalve toch op zoek en kwam er al snel achter dat een exclusief polsklokje van een van de bovenstaande merken in de buurt komt van een fonkelnieuwe auto. Weliswaar eentje uit het wat goedkopere segment, maar toch …. Zo’n klokje is een statussymbool geworden en een beleggingsstuk, dat geleidelijk steeds waardevoller wordt en daardoor tevens een uitdaging vormt voor mensen die het verschil tussen mijn en dijn aan hun laars lappen. In die wereld zou ik maar een vreemde kostganger zijn.
Dat klokje van mij belandde in een schoenendoos met rommeltjes en verdween daarna uit beeld. Rond die tijd had de binder plaats gemaakt voor de combine. Alleen in bijvoorbeeld Orvelte staat in de oogstmaand de tijd eventjes stil.
4.1.25 Intro OverlijdensAdvertentieBovenschriften.
Ik weet niet of ik van een afwijking moet spreken, want je zult zien dat duizenden mensen dezelfde tic hebben als ik en dan kun je het met de beste wil van de wereld toch niet echt een afwijking noemen. De zaak is deze: ik knip al vele jaren overlijdensadvertenties uit de kranten die ik koop of die ik gratis in mijn brievenbus krijg. Zo, dat is er uit! Het gaat mij niet zozeer om de persoon die door de familie, buren of vrienden middels deze vorm van bekendmaking wordt gememoreerd, nee, het gaat mij vooral om de bovenschriften en dan met name om de bijzondere. Duizenden van die berichten heb ik soort bij soort in doosjes opgeslagen en wachten tot ik er op zeker moment iets mee ga doen. Een boekje van samenstellen heeft weinig zin, want voor de meest gebruikte strofen boven zulke advertenties bestaan meerdere sites en bovendien weet ik niet in hoeverre nog in leven zijnde dichters toestemming zullen geven voor opname in een boekje. Dus dat laat ik wel uit mijn hoofd. Hoe ik er ooit mee begonnen ben weet ik niet meer, maar waarschijnlijk zal het een strofe geweest zijn van één van die twee beroemde Dylans, te weten: Bob en Thomas. Van de laatste -Dylan Thomas- is zijn meest gebruikte Rage, rage against the dying of the light, een strofe uit het gedicht Do not go gentle into that good night. Van Bob Dylan is de meest bekende één of meerdere regels uit het liedje Blowin’ in the wind (The answer my friend, is blowin’ in the wind). Bob Dylan kende ik al halverwege de jaren zestig. Iets later vernam ik dat hij zijn artiestennaam ontleend had aan die van de Ierse dichter Dylan Thomas. Bob worstelde al vroeg met zijn familienaam Zimmerman. Zijn voorouders kwamen uit Odessa. Dat zal meegespeeld hebben toen hij in augustus 1962 zijn achternaam officieel veranderde in Dylan.
Die bovenschriften geven vaak een heel aardige inkijk in de overleden persoon. Bij de één is dat een Nederlandstalige strofe, bij de andere een Engelstalige, een Franse, een Duitse of een Latijnse (wat mij nogal eens het gevoel geeft dat de overledene bepaald niet van de straat was). Ook kom ik regelmatig strofen tegen van regionale muzikanten. Hele bekenden zijn Ede Staal, Daniël Lohues, Herman Finkers en de boerenrockgroep Normaal. Verder dichters uit de regio zoals Rutger Kopland, Jean Pierre Rawie en de Friese dichter Tjêbbe Hettinga. Bovenschriften zijn al heel lang in zwang, maar in vroegere jaren waren het bijna uitsluitend frasen uit bijbelboeken of coupletten van psalmen of gezangen, want de ontslapene steeg ten hemel en daar diende zo nodig een verheven tekst bij. Logisch, lijkt me.
Ja, wat ik er verder mee moet aanvangen, anders dan er zo eens in de paar jaar doorheen te lopen, de voorraad bij te werken en om me ermee te vermaken, weet ik nog niet. Maar de tijd dringt. Want mocht het zover komen dat wij moeten verhuizen (kleiner wonen, maar dan in de goede zin van het woord!), dan zal een hoop van mijn archiefje noodgedwongen bij het oud papier terechtkomen. Een mens kan nu eenmaal niet alles tot aan zijn dood meeslepen. Daarom ga ik er af en toe in dit blogboek aandacht aan besteden. Niet al te schools, meer om te laten zien dat die bovenschriften een doel hebben en vaak heel amusant zijn. Ter afsluiting zal ik hier alvast een tuiltje toevoegen. ‘Optimist tot in de kist’, ‘de pijp is uit’, ‘die kist gaat zonder mij niet weg’, ‘de eerappels bint gaar’ en ‘we blijven graven’. Ik zal niet zeggen ‘doe er uw voordeel mee’. Het is toch bijzonder attent dat er mensen zijn die alvorens ze sterven aan de achterblijvers denken, dat ze weten dat het leven vooral niet bestaat uit treuren en dat ze met zo’n regeltje, een gezegde of een speelse quote een verzachtende grinnik ontfutselen. Laat ik zeggen dat ik op elke vierde van de maand aandacht ga besteden aan enkele van die bovenschriften van aardeverlaters. En zeker, het is niet voor niks dat ik hier juist vandaag mee aan kom, want het is op de kop af een jaar geleden dat mijn broer Harm overleed. Op zijn overlijdenskaart staat de tekstregel: There’s a place in my heart for all people that I know …. Een regel uit een liedje van zijn cd Harvest home. Harm komt nog regelmatig in onze gesprekken langs en daarmee heeft zo’n bovenschrift ook blijvende betekenis. Het blijft immers gelezen worden en daarmee zal men de persoon minder snel vergeten
1.1.25 Een nieuwe wereldorde Eigenlijk wilde ik het laatste stukje van 2024 gebruiken als opzetje voor het jaar 2025, waarin overal in Nederland gevierd zal worden dat het 80 jaar geleden is dat de Duitse bezetter verjaagd werd en toen dacht ik ineens: ‘Hoe was het op 31 december 1939, toen overal in Europa het oorlogsspook om zich heen sloeg, maar Nederland zich nog veilig waande? Dat bleek nog een heel gezoek. Eén bericht sprong er meerdere keren uit. Deze. Op oudejaarsavond van 1939 bewogen zich over Noord-Friesland en de Waddeneilanden verscheidene vliegtuigen. Ze zijn door de aldaar opgestelde luchtdoelartillerie beschoten, waarna ze ons rechtsgebied naar noordelijke en westelijke richting hebben verlaten. Het tweede bericht hierover zegt dat het Engelse vliegtuigen waren en op terugreis van een (geheime?) verkenningstocht langs de Duitse Noordzeekust. Ze zijn door de Duitse weermacht beschoten en over Nederlands territoriaal gebied teruggevlogen. Het derde bericht spreekt over drie Engelse vliegtuigen die door Duitse gevechtsmachines werden gedwongen terug te keren. De bladen (er staat jammer genoeg niet bij welke) delen mee dat dit de zoveelste schending van de Nederlandse neutraliteit door Engelse vliegtuigen is. Dit zijn drie gelijksoortige berichten uit drie verschillende kranten van 2 januari 1940
Wat mij opvalt aan die berichten (ik heb ze een beetje ingekort) is dat ze nogal uiteen lopen. De vraag is, áls dit de zoveelste schending van het Nederlandse luchtruim door vliegtuigen van het Britse leger was, hetgeen door het laatste bericht als een schending van onze neutraliteit wordt gezien, waarom riep onze Minister-President de Engelse regering hiervoor dan niet op het matje? Of hebben die Nederlandse kranten de berichten uit Duitse bladen gehaald en ze zonder verdere controle overgenomen? Dat kan ik me haast niet voorstellen. Kort & goed: Nederland was op oudejaarsavond ’39 dus al bijna in oorlog met …. ja, met wie eigenlijk? Prime-Minister Chamberlain zat aan de port of de wisky. Die leek mij overigens de beroerdste niet. Eerder waren het de moffen die aan het stoken waren. Dit alles speelde dus precies 85 jaar geleden. Precies! Want de kruitdampen waaieren op dit moment lustig om ons huis. Leest men de nieuwjaarsrede van Minister-President de Geer van 1 januari 1940, dan krijgt men de indruk dat het allemaal zo’n vaart niet zal lopen. De ons omringende mogendheden zullen immers wel rekening houden met onze neutraliteit en verder in het diepe besef dat ‘niet aan de paarden en de wagenen -ook niet in hun modernen vorm- het laatste woord is’. Wat hij daar precies mee bedoelde is mij vreemd, maar het is ferme taal. Zo van: ‘Wij staan ons mannetje’. Het zou echter weinig schrik bij onze oosterburen hebben veroorzaakt. Aan het eind van de rede van de M-P haalt hij de hoogste Vader erbij, die ons vrede zal schenken. ‘Vrede, die alle verstand te boven gaat’. Grote Woorden, maar ruim vier maanden later banjerde de Duitse weermacht door ons land, bombardeerde Rotterdam, dreigde met Utrecht en Amsterdam hetzelfde te doen en was het volk dat niet in een aansluiting met de Duitse Nationaal Socialisten geloofde, totaal verlamd. Onze koningin zat inmiddels veilig in Engeland en was op de koffie bij de Chamberlains of de Churchills. Het kon minder, zouden wij zeggen. Enfin, het zouden vijf vreselijke jaren worden. Jaren waar Nederland nog lang mee worstelde en waar nu nog dozijnen boeken over worden geschreven en films en documentaires over worden gemaakt en waardoor wij ieder jaar massaal herhalen: ‘Dit nooit weer!’
En toch hangt er een vrees in de lucht dat het met de wereld langzaamaan weer diezelfde kant opgaat. Het is niet eenzelfde vrees, want geen enkele vrees is gelijk aan een vorige. De aanleiding kan zijn de over drie weken aantredende president van Amerika: Donald Trump. Een obscure machtswellusteling. Niemand weet wat de man van plan is, wat hij achter de schermen bekokstooft, met welke dictators hij armpje gaat drukken en met welke griezels hij zaken op een akkoordje gooit. Hij zal koste wat kost Amerika groter willen maken, hij zal er tot aan de toppen van zijn ego voor gaan. Hij zal Europa kleineren, op de knieën proberen te krijgen en laten bloeden. Hij zal met medewerking van een dozijn miljardairs (waaronder de ontoerekeningsvatbare Elon Musk) Poetin bijstaan Transnistrië, Moldavië en deels Polen in te pikken (geld zat!), die al doende hink-stap-springend Europa binnen zal marcheren. Hongarije hoeft hij niet eens te paaien, Tjechië en Roemenië zal hij even makkelijk meenemen en Denemarken zal hij, eventueel met tankgeronk, Groenland afhandig maken. De b.v. Trump & Company zal verder China onder druk zetten en uiteindelijk een duizendjarig rijk nastreven. Hij wil zijn schoolvoorbeelden Julius Ceasar, Karel de Grote, Napoleon en Adolf H. naar de kroon steken. Misschien schets ik een somber beeld en zeggen we volgend jaar om deze tijd dat het allemaal best meeviel. Laten we het hopen. Nou ja, vredesstichter Jimmy Carter maakt het gelukkig niet meer mee.
Door het gordijn zie ik flitsen van sierpijlen. Het is precies twaalf uur, middernacht, het begin van 2025. Rossi is behoorlijk van slag, ik houd hem dicht bij me. Ik ga nog even naar buiten. Heel even, want er staat een straffe wind en het begint te regenen. Daarna Jools Holland’s Hootenanny kijken tot het weer rustig is en Rossi slaapt. O ja, ik wens u natuurlijk vanaf deze plaats -ijs en weder dienende- een voorspoedig nieuwjaar. Tot lezens!