19.4.26 Paardenbloemen Het is goed jezelf zo af en toe eventjes onder de lamp te leggen. Ik bedoel niet zo’n ziekenhuislamp, waarboven een witte jas in een paar woorden en handgebaren jouw levenslot uitstippelt. Als dat gebeurt, dan is er al meer aan de hand. Nee, ik bedoel, jezelf de maat nemen, de plussen tegen de minnen weg strepen. Een bevindingsrapport opmaken. Dat gebeurt denk ik te weinig. De wereld wordt geregeerd door lieden die dat nooit zullen toelaten. Ze zijn zo zeker van hun bovenaardse grootheid, dat er voor twijfel absoluut geen plaats is. Ze bevechten elkaar op de top van de apenrots alsof ze een stelletje idioten zijn. Volgens het Grote Woordenboek der Nederlandse Taal, is een idioot: ‘Iemand zonder hogere kennis of beschaving. Een onderontwikkeld persoon’. Bij uitbreiding: ‘Een domkop, botterik of plompaard’. Het zou een aardig idee zijn als elke spiegel een chip zou bevatten die de kijker in een paar steekwoorden zou zeggen hoe het met zijn/haar psyche gesteld is. Dat zou schrikken worden voor onder andere het leger wereldleiders. Want er is niets eerlijker dan spiegels.
Daar dacht ik over na toen ik mij voorzichtig door het voor ons huis liggend veld vol paardenbloemen verplaatste. Toen kwamen de zeven zonden mij even voor ogen. Heel gepast, want het was zondag. Van de kansels wordt dan geroepen dat men nederigheid na moet streven en dat gij niet dit en niet dat zult doen. Allemaal mooi en aardig, maar de idioten die de wereld naar de knoppen jagen, zijn stokdoof voor dat soort aanbevelingen. Hun streven is in plaats van nederigheid hoogmoed te etaleren en de grootste en de machtigste te willen zijn. Compassie met het gewone volk is hun totaal vreemd. Elke handeling van hen bevat de giftige melange van hebzucht, jaloezie en boosheid. In gedachten nam ik, voor zover ik het wist, het lijstje van hele erge zonden door. IJdelheid, afgunst, gulzigheid, wraak, vraatzucht …, die dingen. Het is me geloof ik allemaal vreemd. Ik ben er eerder allergisch voor. Bij een woord als trots heb ik ook geen beeld, gramschap ken ik niet en jaloers ben ik op niemand. Waarom zou ik? We hebben het zo goed, zeggen we elke morgen na het opstaan. Moet dat nog beter? Een goede gezondheid is het hoogst haalbare en dat heb je -als je niet al te ongezond leeft- niet in de hand. Ik denk op zulke momenten weleens aan dat versje van Toon Hermans: ‘Wat heb je aan al je miljoenen Piet, als je piesen moet en je kan het niet’. Daar zou je een symposium aan kunnen wijden.
Ja, dat veld met die knalgele paardenbloemen, dat zou ik wel in mijn tuintje willen hebben. Het aardige is dat dat land vorig jaar alleen raaigras bevatte, geen enkele bloem …. Niets. En nu dit. Je zou er bijna spontaan gelovig van worden.
13.4.26 PlaatKeus #18 Het kan aan mijn gehoor liggen of dat ik me niet meer zo makkelijk voortbeweeg dan zeg 25 jaar geleden of aan factoren waar zelfs de wetenschap nog geen kennis van heeft. Beïnvloeden externe factoren elkaar? Een braakliggend terrein voor de wetenschap. Hoe het ook zij, wanneer ik met Rossi van de straatweg het Hunzegebied in trek, overvalt me een oorverdovende stilte. Ik zie bijna geen vogels meer en ook geen insecten. En dat is raar, want aan mijn zicht mankeert -afgezien van het gebruik van een bril- niets. Met gemak lees ik op een afstand van een metertje of tien de getallen op de waterschappaal. Ook langs de Beek, van waaruit andere jaren rond deze tijd een luid gekwaak opzwelt, is het nog muisstil. Ik voel welhaast een lichte vrees dat het leven hier totaal verdwenen is. Alleen vanuit de verte bereikt mij het verkeersgeluid van de N33. Het slootwater bevat een blauwachtige film, waarin de wolken zich spiegelen. Hoe mooi het ook lijkt, het wordt mogelijk veroorzaakt door residuen van insecticiden. ‘Pesticiden’, liet ik mij vorig jaar ontvallen, toen ik die ene keer met de eigenaar van het verderop gelegen tulpenveld sprak. Dat viel verkeerd. Plantenbeschermers of in het ergste geval insecticiden, snauwde hij. Ik moest ineens denken aan dat boek Silent Spring. Dode Lente heette het geloof ik in het Nederlands. Geschreven door een mevrouw die zich ernstig zorgen maakte over het vergiftigen van onze aardbol door met name DDT. Dat speelde in de jaren zestig. Ze werd aangeklaagd door de chemische industrie en een deel van de regering zette haar weg als een communiste. Iemand stelde zelfs dat door de aanpak van malaria door middel van chemicaliën als DDT, in Afrika alleen al meer mensen zouden zijn gered dan er in de hele Tweede Wereldoorlog aan doden waren gevallen. Dit bizarre, shockerende vergelijk stuitte wereldwijd op hevige weerstand. Het zou onbedoeld weleens de reden kunnen zijn dat het boek daardoor zo’n succes werd. De schrijfster -Rachel Carson heette ze- placht ook niet te zeggen dat de wereld zonder insecticiden zou kunnen, maar zij hield vooral een pleidooi om het gebruik te minderen. Want gebleken was dat veel insecten na 10-20 jaar resistent worden en daardoor moest de landbouw en later ook de tuinbouw steeds sterkere middelen gebruiken. Helemaal uitbannen is voorlopig een utopie. Dat schreef zij en daaraan dacht ik terloops. En toen ineens speelde in mijn achterhoofd dat liedje van Simon & Garfunkel: The Sound of Silence. Dat liedje komt uit diezelfde tijd als toen dat boek zo in de belangstelling stond. Was het een protestlied? Ik herinnerde me iets als Fools, don’t you know, that silence like a cancer grows. Dat zou je ermee in verband kunnen brengen. Maar wij zwijmelden weg op die prachtige stemmen. Paul Simon had het bedoeld als een folkliedje en zag daarom niets in een bandondersteuning die de producer voorstelde. Hij zette toch door en het werd -mede door die bandondersteuning- een monsterhit. Dat Paul Simon het met de mensheid goed bedoelde, bewees hij jaren later met zijn Afrika-project. Terwijl een groot deel van de muziekwereld zich tegen de apartheid verzette en weigerde nog op te treden in Zuid-Afrika, ging Paul Simon er juist naartoe om er met de Afrikaanse zanggroep Ladysmith Black Mambazo en de Soweto Rhythm Section de plaat Graceland te maken. Het werd een baanbrekende plaat en een wereldwijd succes. Je zou het kunnen zien als een protestplaat. Ik heb dat Graceland-concert meegemaakt in het Goffertpark te Nijmegen op 18 juni 1989 en daar klonk aan het eind The Sound of Silence, zoals hij het half jaren zestig bedoeld had: zonder opsmuk. Ik moet me tevredenstellen met de uitvoering zoals Simon & Garfunkel het zongen op 19 september 1981 in het Central Park te New York. PlaatKeus van vandaag dus: The Concert in Central Park van Simon & Garfunkel. Uitgebracht in 1982.
12.4.26 Pluim Een geweldige pluim dacht ik al degenen toe die verwachtten dat het tussen Amerika en Iran na de vredesbesprekingen in Pakistan weer goed zou komen. Een geweldige pluim, want dat zou kunnen betekenen dat de zeestraat tussen Iran en Koeweit, Saudi-Arabië, Bahrein, Qatar, De Verenigde Arabische Emiraten en Oman spoedig weer open zou gaan en onze benzineprijzen weer zouden dalen. Dat wil zeggen: niet eerder dan wanneer de winsten van de oliemaatschappijen teveel in het oog gaan lopen. Een geweldige pluim ook, omdat oorlog niet alleen veel doden en gewonden en leed tot gevolg heeft, maar ook onnodig veel materiële – en milieuschade. Maar helaas, ik kan die pluim ongebruikt laten. Want na vele uren soebatten is er totaal niets bereikt.
Het is vroeg in de ochtend en beide partijen zijn na de mislukking als de wiedeweerga aan de slag gegaan om voor de buitenwereld als beste uit de bus te komen. Vooral dat het niet aan hun heeft gelegen dat de andere partij hun voorstellen als ronduit belachelijk van tafel schoven. Ondertussen knalt Israël er zijn laatste munitie doorheen, in de vaste overtuiging dat ze dat met een gerust hart kunnen doen, omdat er spoedig nieuwe aanvoer uit Amerika komt. Er was al geen sprake van stagnatie en nu Iran niet inbindt, gaat de handel en het verder in puin schieten van Libanon gewoon door. En als dit karwei gefikst is, volgen Syrië en Jordanië. Met die laatste hebben ze -oh wonder- geen gedonder, maar daar is weinig voor nodig. Dus òp naar het Groot-Israëlisch Rijk. Gaza moet nog maar even wachten met de totale verpulvering.
In Amerika schold de president zich de steunzolen uit zijn schoenen. Tijd om naar bed te gaan was er niet en vrouwlief lag ook nog eens overhoop met de Nationale Pers, omdat zij iets aardigs had gezegd over Jeffrey Epstein. Dat had ze in geen enkel stadium moeten doen, maar nu zéker niet! Die Epstein is immers zelfs in zijn naleven de lont in elk denkbaar kruitvat. ‘Denk toch aan de mid-terms, bitch!’, had iemand opgevangen en dat was niet tegen Bello de hond. En onder dit gesternte moeten onze vleselijke kroonjuwelen volgende week bij hem aanschuiven. Eén verkeerd woord en je kop gaat eraf! Op Paleis Noordeinde werd al weken onder leiding van Joop van der Ende gerepeteerd hoe ze het beest het beste gedeisd kunnen houden. Paaien is geen optie. Dat heeft meneer Rutte al verpest. Wel zou er een mogelijkheid liggen in het pand waar ze overnachten. De hele kliek op dezelfde gang. Misschien is een stiekem een/tweetje, een over-en-weertje iets. Met een beetje goede wil, inschikkelijkheid en geluk komen die verstokte Trumpianen dan eindelijk tot inzicht dat hun baas een goddeloze schurk is. De vraag is wel óf en hóe we onze vleselijke kroonjuwelen dan terugkrijgen. Want wij willen ze als oprechte oranje-patriotten toejuichen en dan kan ik toch eindelijk mijn pluim(en) uitdelen.
8.4.26 PlaatKeus #17 Het op afstand hipste hippiesbandje dat Nederland -voor mijn gevoel!- heeft gekend had de wazige naam C.C.C.inc. Bandlid Joost Belinfante bedacht de naam, ‘omdat hij wel van dat raadselachtige hield’, zegt hij in het mooie boek over de band. ‘Het deed vooral door de toevoeging inc. aan een bedrijf denken’. Niet helemaal onlogisch, want de band werd al spoedig een soort familiebedrijf. De drie C’s zouden staan voor Capital City Canals (iets als De Amsterdamse Grachten). De band ontstond rond 1968 in de hoofdstad, maar vanwege gebrek aan oefenruimte weken ze uit naar het Brabantse dorpje Neerkant. Een oude boerderij werd de behuizing van de band + vrouwen, kinderen en vrienden. Een woongemeenschap of commune, zoals men het noemde. Een vrijplaats ook om ongestoord 24/7 muziek te kunnen maken. In Amsterdam lag dat wel anders. Wanneer werd ik voor het eerst met C.C.C.inc. geconfronteerd? Dat is gauw gezegd: ik deed in 1971 of 72 een voorafje bij de band in het jongerencentrum Twick te Wijster. Ik heb in die tijd enige keren in het centrum gespeeld. Mijn repertoire bestond uit liedjes van Bob Dylan, Donovan, Woody Guthrie en eigen brouwsels. Dat sloot goed aan bij de muziek van C.C.C.inc. Van die avond weet ik niet veel meer behalve dat er flink hash/wiet werd gerookt. Dat kon allemaal in die dagen. C.C.C.inc. maakte wat men later ‘americana’ zou noemen. Een mix van Amerikaanse traditionals, country, folk en bluegrass, voornamelijk eigen composities. Ze weken van de heersende mode af door vooral akoestische instrumenten te bespelen. Daardoor konden ze in tegenstelling tot de bandjesmode met weinig apparatuur volstaan. Wel zo handig. Met hun loepzuivere samenzang + wasbord, banjo, mondharmonica, concertina, viool en piano waren ze een sensatie. Ze traden op tijdens de Picknick-festivals van de VPRO, tijdens het grote popfestival in het Kralingerbos in 1970 en in het Olympisch Stadion te Amsterdam tijdens het OOR-festival. Op die Tweede Pinksterdag, 22 mei 1972, heb ik ze daar ook gezien. De laatste keer dat ik was in het Asser Brandpunt, tijdens hun afscheidstournee. Het werd te groot allemaal. De leden dwarrelden uiteen. Uit de snippers ontstond The Slumberland Band, die ik tijdens een van de vele zondagmiddagse Sterrenbosconcerten te Groningen heb gezien, maar veel indruk maakte het niet. Ernst Jansz, C.C.C.inc.-lid van het eerste uur, was in Neerkant blijven wonen en formeerde er een nieuw bandje. Nederlandstalig deed het goed die dagen. Ze noemden zich ‘Doe Maar’. Ik weet nog goed dat platenvertegenwoordiger Hans (o.a. Telstar) die eerste elpee op een morgen bij mij op de toonbank legde met iets van ‘Nou maar zien wat dit wordt’. Hij had er zo te horen niet veel vertrouwen in. Ik kreeg er een handvol stickers bij om de naam van de band te verspreiden. Die plaat deed inderdaad niet veel. Pas toen Hennie Vrienten tot de band toetrad, kreeg het vaart en daarna werd het héél groot. Jaren later -Doe Maar was door eigen succes geëxplodeerd- las ik dat C.C.C.inc. weer optrad. Ze waren, vertelde Ernst Jansz in een krantenartikel, eigenlijk nooit echt opgehouden te bestaan. Daar keek ik van op. Tussen al hun andere bedrijvigheden door, waren ze puur voor hun plezier de C.C.C.-folk blijven spelen, maar nu in plaats van in rokerige jeugdsozen en op popfestivals in keurige theaters. De wilde bossen haar waren enigszins gekortwiekt en de kleding naar hun leeftijd. Verder was er niet veel veranderd. Alsof ze in 1970 al wisten dat hun muziek tijdloos is, droegen ze hun debuutelpee op aan hun kleinkinderen. Pretentieloze muziek, muziek om vrolijk van te worden: een ode op het leven. Mijn PlaatKeus vandaag is dan ook: To our grandchildren van C.C.C.inc. Uitgebracht in 1970. *Op de hoes van de heruitgave uit 1984, staat: featuring Ernst Jansz. Een opstekertje voor de idolate Doe Maar-fan.
7.4.26 Last van Leiden Ik kreeg een mailtje van een lezer over het vorige stukje (OAB nr.16). Bijzonder aardig als mensen reageren, want dan weet ik dat het gelezen wordt. Stel je voor dat er werkelijk niemand op mijn stukjes zit te wachten: dat voelt een beetje aan als op een verkiezingslijst staan en geen enkele stem krijgen. Dat schijnt werkelijk voor te komen. Een lijsttrekker stemt begrijpelijk niet op zichzelf, maar als ook de eventuele partner, de kinderen, de buren of de vrienden vertikten op Piet of Pien te stemmen, wordt het wel onverdraaglijk. Dan heb je bijna geen reden meer om te leven. De mailer attendeerde mij op een schrijffout. Kan. Hij zei dat lijden met een korte ei moet: van Leiden in last. Daarin had-ie voorkomen gelijk. Maar het lijden in de kop van mijn stukje had niets te maken met de door hem bedoelde beeldspraak. Al zou je het wel breder kunnen trekken en zeggen dat de hele wereld in last is. Want met ‘Leiden in last’ wordt bedoeld dat het leed niet te overzien is, dat ons een enorme ramp wacht. En dan kom ik -ongewild- meteen terecht bij T. Vanaf zijn aantreden als president van Amerika, ligt de wereldvrede grotendeels door zijn abominabele manier van regeren in duigen. Vóór zijn aantreden was dat ook al het geval, maar met zijn bemoeienissen werd het allengs erger. Waar dit toe zal leiden, weet niemand.
In het boek De lange nacht van Mathieu Smedts en C. Troost (1965), las ik de regel Alle machthebbers hebben vleiers in hun omgeving. Dat vind ik hier wel passen. Want ondanks de meest rabiate, doldriftige uitspraken van T. en niets wijst erop dat die de vrede op enigerlei wijze bevordert, likken wereldleiders en koningen/koninginnen wel zijn hielen (of zijn kloten, zoals ik al in meerdere columns las). Maar als we niet op zijn uitnodigingen ingaan, zal het aanvoelen als een schoffering en wie weet een oorlogsdreiging en dan zijn de rapen helemaal gaar. Dus ze gaan, konkelend en vleiend. Maar in ieders achterhoofd resoneert de o zo onschuldig lijkende peace-of-our time-uitspraak van de Engelse Minister-President én koopman Chamberlain, die het van Herr Hitler gedaan had gekregen dat Duitsland Polen en andere landen niet zou aanvallen. Die belofte werd getekend op 30 september 1938 en zie op 1 september 1939 viel Duitsland Polen binnen. Belofte of niet. En na Polen kwamen Frankrijk en de Scandinavische landen en Nederland en België en Engeland en de Balkanlanden …. Het hield niet op. Maar de beloften van T. en zijn boevenbende zijn niet meer waard dan die van Herr Hitler in 1938. Datzelfde Lebensraum-gevoel kenden we al van Rusland en komt nu ook uit Amerika. Wie had dat gedacht? ‘Na de Gazastrook, pakken we Iran, daarna Cuba en Groenland’. Alles voor koopman Bassie.
En dan krijgt het begrip ‘Leiden in last’ toch een wereldse invulling. Het lijden van Jezus Christus zal er schraal bij afsteken. Want toendertijd was het kruisigen een veel gebruikte methode om misdadigers te straffen. Pijnlijker konden die helse Romeinen het niet bedenken. Kruisigen gebeurt niet meer, maar de aard van het martelen is er niet minder op geworden. T. sneerde onlangs dat Premier Keir Starmer van Engeland geen Winston Churchill is en dat klopt, want Churchill had na lezing van Hitlers boek Mein Kampf door dat Hitler niet zou aarzelen het Duits volk in de ondergang te storten. En mét het Duitse volk alle omringende landen. Keir Starmer weet dat, heeft de memoires van zijn grote voorganger gelezen en houdt terecht afstand van de vurigste demagoog (opruier, volksmenner + leugenaar) van deze tijd. En mét hem andere Europese leiders. Zij hebben van de geschiedenis geleerd en handelen er dienovereenkomstig naar. Dat neemt niet weg dat Leiden in last blijft zolang T. en zijn boevenbende de wereld in hun greep houden. Gelukkig werkte Leiden zich ‘uit zijn last’ en werd het tot wat het al eeuwen is: de bijzonder aardige sleutelstad.
4.4.26 Lijden in last (OverlijdensAdvertentieBovenschriften nr.16)
Soms haalt de tijd ons in. Dat kan natuurlijk niet, net zo min als het verleden terugkeert, behalve als we het in scene zetten. Maar in de ontwikkelingsgeschiedenis van de mens kom je steeds dezelfde gebreken tegen. Daarin wijken we niet af van onze verre voorouders. Je zou denken dat de mens met zijn enorm brein, waarmee hij in staat was gereedschappen te bedenken en te maken en tekens om elkaar te verstaan en om hetgeen gezegd was voor het nageslacht te bewaren, zo langzamerhand wel bij machte zou zijn in harmonie met elkaar te leven …, maar helaas, dat zit er nog steeds niet in. Afgaande op de constante strijd en de dreiging tussen de volkeren, zijn we zo bezien niet veel verder gekomen dan het Stenen Tijdperk en dat tijdperk hield zo’n beetje op rond het jaar 2000 voor de geboorte van Jezus Christus.
Vandaag is het Stille Zaterdag, de uitblaasdag tussen de Mattäus Passion en het eieren eten. Ik dacht plotseling aan Titus Brandsma en daarna ook aan Dietrich Bonhoeffer. Dat komt omdat ik ze, vooral die laatste, regelmatig als OAB tegenkom en daar werkte ik aan. Beiden hebben te maken met de Tweede Wereldoorlog. Ze vochten tegen het Nationaal-Socialisme, werden opgepakt en zijn vermoord. Beiden waren theoloog; Bonhoeffer luthers, Brandsma katholiek en worden nog steeds gezien als martelaars van het nazisme. Een veel gebruikte OAB van Bonhoeffer is: Afscheid nemen / is met zachte vingers / wat voorbij is dichtdoen / en verpakken in / goede gedachten / van de herinnering. Van Titus Brandsma zijn bekende OAB’s: Ik zou de klokken willen doen / beieren om de wereld te zeggen / hoe schoon de liefde is. En: We moeten grote eerbied hebben / voor het lijden, / want het is iets heiligs.
Lijden dus, want dat woord overheerst deze dagen. En dan met name in de lijdensweg van J C. Alsof dat woord ingepalmd is door het geloof, nauw verweven met de dood van J C, alsof mensen zónder dat geloof lijden anders ervaren. Het zou kunnen dat het ‘geloof in wederopstanding’ het lijden enigszins verzacht. Ik kan daar niet goed bij, mijn verbeelding schiet hier te kort. Maar in het woord lijden zit (voor mij) ook iets gewelddadigs; zelfopoffering. ‘J C stierf voor onze zonden’, heet dat in het grote boek. Zonden? Wie zonder zonden is zou stenen mogen gooien naar de overspelige vrouw. Dáár is het al begonnen. Als J C een vrijheidsstrijder was (wat ik nog wel wil geloven), dan heb ik toch meer aan evenknieën als Nelson Mandela, Martin Luther King, Desmond Tutu of Rabindranath Tagore. Het gros van de mensheid wil immers doorgaan voor vredelievend en zal geen spreuken van stenen gooiende oorlogshitsers boven hun overlijdensadvertentie believen. Van de Bengaalse dichter en wijsgeer Tagore is een veel gebruikte OAB: ‘Mijn laatste groet is aan hen die mij lief hadden, ondanks mijn onvolkomenheden. Ik geloof niet dat mensen als Tagore of Titus Brandsma stenen hebben gebruikt om hun woorden kracht bij te zetten.
En nu kom ik onderhand in het gebied van onze voorvaderen. Nee, niet in Israël, maar in het gebied dat al sinds jaar en dag wordt bevochten door Israël, namelijk het gebied dat vroeger Mesopotamië heette. Het ooit vruchtbare gebied tussen de rivieren de Eufraat en de Tigris. Het volk daar ontwikkelde onder andere het spijkerschrift en het wiel. Waar zouden wij zonder deze basisuitvindingen zijn beland? Het is dan ook des te schrijnender dat de huidige president van Amerika zich zo extreem beledigend heeft uitgelaten over dit gebied en dit volk. Zonder de verbreiding van hun kennis, zouden Europa en daarna Amerika nooit zijn geworden tot wat ze nu zijn. Niets ten nadele overigens van de kennis van de Natives (door Columbus en de zijnen abusievelijk Indianen genoemd). Door gewelddadige grondroverij en ongekend bloedvergieten, groeide het uit tot een welvarend land, dat zich echter langzamerhand door vooral hoogmoed in beiden voeten schiet. Over enige jaren zal de naam van deze president nog slechts bestaan in de vorm van een scheldwoord voor iemand zonder geweten en zonder gevoel. Kortom: een mens met het vermogen van een steen.
Terug naar het licht. Een bekend OAB-tje van Baruch Spinoza luidt: De vrijheid van denken is de mooiste overwinning van de mens. En ach, wie zou deze ietwat duistere referaat niet beter kunnen afsluiten dan Heer Bommel: Een enkel opbeurend woord, dat is waar de wereld behoefte aan heeft. Welk woord deze Grote Geest hier voor ogen heeft, daar mogen wij als ondermaatse wriemelaars in alle vrijheid naar raden.
2.4.26 PlaatKeus #16 De namen van de leden van meerdere bandjes uit de jaren zestig, zitten nog steevast in mijn hoofd. The Beatles, The Rolling Stones, The Kinks, The Who en zo nog een paar. Onbewust drong zich in elk bandje wel een lid naar voren. Noem het haantjesgedrag. Ik viel eerder op de wat stillere achtergrondtypen. Bij The Beatles lette ik het meest op George Harrison, bij The Rolling Stones keek ik naar Brian Jones. Toen ik op een zonnige dag in juli 1969 hoorde dat Brian Jones was overleden, nota bene verdronken in zijn eigen zwembad, voelde dat voor mij als het einde van de band. Zijn plaats was enige dagen daarvoor al ingenomen door een zekere Mick Taylor, omdat Brian niet meer te hanteren was in de groep. Reden: drank en drugs. Hij zou één van die leden van de latere 27-club worden. Dat zijn allemaal artiesten die op hun 27ste zijn gestorven. Met name door vergiftiging (Robert Johnson), zelfmoord (Kurt Cobain) of drank en/of drugs (o.a. Janis Joplin). Maar het leven ging door en de band trad nog diezelfde week op in het Londense Hyde Park voor een slordige 250.000 mensen. Met Taylor op de plek van Brian Jones. Die Mick Taylor had ik op 23 juni 1968 -een storm + regenachtige zondagavond- in de Zorgvliethal te Veendam gezien en gehoord als gitarist in de band van de Britse blues-grootheid John Mayall. Geen hoogvlieger vond ik die Taylor. Dan was onze eigen Eelco Gelling tien keer beter, maar die bleef ondanks de geruchten dat Fleetwood Mac en andere Engelse topbands hem hadden gepolst met een Groeten uit Grollo bij Cuby + Blizzards. John Mayall, zo zeiden de sceptici, wisselde sneller van leden in zijn band The Bluesbreakers, dan menig hippie van onderbroek. We stonden tegen het hek vlak voor het podium. Cuby en zijn mannen hadden hun set gespeeld. Geweldig optreden! John Mayall kwam daarna voorbij lopen, gitaar losjes in de hand. We konden hem bijna aanraken en mét hem kwam ook die nieuwe gitarist. Eén in een lange trits. Hij leek met zijn bos haar een jongere uitvoering van Mayall zelf. En nu was die Taylor ineens gepromoveerd als lid van een van ’s werelds beroemdste popgroepen. 1969. Ik was al een beetje klaar met The Beatles na hun Yellow Submarine en dat slappe Yesterday. Ik was fan geworden van die wat vreemde snoeshaan Bob Dylan. Eerst folkzanger en daarna rockartiest. Ik neeg ineens meer naar Amerikaanse groepen. Van The Rolling Stones had ik bijvoorbeeld nooit een paatje gekocht. Dat kwam pas later in de vorm van cd’s. Want na de dood van Brian Jones hield mijn interesse voor de band nagenoeg op. Jumping Jack Flash was de laatste bijdrage met de ontspoorde dandy en tevens één van hun beste nummers. Mick Taylor werd in 1975 ingeruild voor Ron Wood, tot dan gitarist van The Faces met Rod Stewart als blikvanger. In die bezetting heb ik Ron Wood op 26 februari 1972 gezien in de Evenementenhal te Groningen. The Rolling Stones, dus met Ron Wood, heb ik meerdere keren gezien. Opzienbarende shows, die voor mijn gevoel door het spektakel muzikaal nogal teleurstelden. Dat geldt trouwens niet alleen voor The Rolling Stones, evenzo was de show van Wings, de band van oud-Beatle Paul McCartney, op 19 augustus 1972, een giga-kermis. Nog niet eens zo lang geleden, vond ik bij de inbreng een oude verzamelplaat van The Rolling Stones. Het bevat vooral oude opnamen van hen. Toen waren ze voor mij op hun leukst. Jonge jongens en nog onbedorven. Beetje Chuck Berry meets Bo Diddley. Maar hoe wild en toxisch hun levens ook zijn geweest, de kern van de groep te weten Mick Jagger en Keith Richard, beiden inmiddels 82, weten nog niet van ophouden. Ze leven bijna Out of time. Daarom vandaag als PlaatKeus: The Rolling Stones, met de elpee met dezelfde titel. Uitgegeven in 1982. Een kleine ode aan Brian Jones zou ik het willen noemen.
30.3.26 Duivels dilemma Al sinds een aantal jaren ben ik vriend van het Herinneringscentrum Kamp Westerbork. Geworden in de tijd dat een aantal Drentse schrijvers en dichters besloot om de provincie wandelend te doorkruisen en plekken te bezoeken waar bekende literatoren hadden gewoond en gewerkt. Een mooi initiatief waar ik zijdelings aan heb deelgenomen. De reden dat ik niet het hele traject en dus een week lang meeliep, had te maken met het feit dat ik moeilijk vrij kon krijgen van mijn werk en bovendien een week lopen toch wel erg veel vond. Maar aan een paar etappes heb ik wel meegedaan en eentje ving aan in het bezoekerscentrum van het voormalig doorvoerkamp. Ik was wel vaker in het Centrum geweest, had meerdere keren het kampterrein vanwaar duizenden voornamelijk Joodse gevangenen hun dood tegemoet gingen bezocht en keerde meestal met een boek uit hun winkeltje terug. Het zou een groot deel van mijn kennis over de Tweede Wereldoorlog en wat er hier en elders in Nederland voor vreselijks was gebeurd vormen. Dirk Mulder, de toenmalige directeur van het Centrum, deed ons met een leerzame speech uitgeleide. Alzo trokken we over het kampterrein en lieten ons door een medewerker gidsen. Later schreef ieder van ons een overpeinzing, een verhaal of een gedicht over het kamp en die kwamen in het boek terecht dat verslag deed van die wandeling. Mijn gedicht Enkelspoor werd enige jaren later afgedrukt op de binnen-omslag van de wandelgids, die vanaf het Amsterdamse Schouwburg (van waaruit veel Joden werden gedeporteerd) naar Kamp Westerbork loopt. Ik was er erg verguld mee. Sindsdien kwam ik elk jaar wel enkele keren in het Centrum wandelde over het voormalige kampterrein.
Maar toen kwam die vreselijke aanslag in het Midden-Oosten. De wereld stond op zijn kop. Wat die Palestijnen op die vrijdag de 7de oktober 2023 aanrichten was verschrikkelijk. Het antwoord van Israël, onder aanvoering van Benjamin Netanyahu, was echter minstens zo wreed. Ik kwam er niet uit, raakte in vertwijfeling. Welke kant van dit vreselijk onheil moest ik kiezen?
In de daarop volgende zomer kreeg ik als vriend van het Centrum een uitnodiging tot het bijwonen van een dag met excursies. Vooraf dronken wij koffie/thee in het restaurant aldaar. Ik zat bij gebrek aan stoelen op een bankje ietwat afzijdig naast een keurige mevrouw met een ietwat Indonesische look. We praten wat, zachtjes, en toen vroeg ze wat ik vond van wat er in de Gazastrook gebeurde. Ik wist het niet. Want … was zij Joods? Ik zei dat ik dat heel moeilijk vond. Zij ook. ‘Maar als ik in deze omgeving iets aardigs over de Palestijnen zal zeggen, want die zijn evengoed slachtoffer, dan weet ik bijna zeker dat ik de wind van voren krijg’, zei ze dicht tegen mijn oor. Ik knikte. Zij had een Indonesisch verleden, dat lag anders. Ik had met haar te doen, temeer ik een traantje zag. We gingen uit elkaar omdat we bij twee verschillende groepen waren ingedeeld. Ik ging met mijn groep naar de grote zaal, waar een 90-jarige van oorsprong Amsterdamse Joodse man, zijn ontroerende onderduikgeschiedenis vertelde. Hij was de enige van zijn familie die de oorlog had overleefd. Ik zat het met een dikke krop aan te horen. Daarna liep ik het terrein over en volgde een deel van het programma en ging eerder dan de bedoeling was, op huis aan. Ik had het wel gehad ….
De corona kwam ertussen en meer dan vijf jaar bezocht ik het Centrum en het vroegere kampterrein niet. En toen kwam dat vreselijke drama en volgde de verwoesting van Gaza en steeds verder breidden de gewelddadigheden zich uit tot wat het vandaag de dag is. Een uitdijende wereldbrand, totale verwoesting, duizenden doden, zwaar gewonden, ontheemden, martelingen, doodstraffen en een trauma dat nog generaties door zal werken. Zeker, wat er in Israël, in Libanon, in Gaza gebeurt kan niet op het conto worden geschreven van Nederlandse mensen met de Joodse identiteit, waarvan er velen zijn die zich er voor honderd procent van distantiëren, maar het Centrum waar ik vriend van ben neemt naar mijn gevoel te weinig stelling inzake de gebeurtenissen in het Midden-Oosten. Antisemitische uitingen keur ik ten strengste af, laat dat duidelijk zijn, maar een gesprek aangaan met wie dan ook, ga ik liever uit de weg; vrezend dat een enkel woord verkeerd kan vallen. Het is zoals die aardige mevrouw zei zo verdomd moeilijk partij te kiezen. En vanmiddag stond ik zelfs even in twijfel of ik nog wel vriend van het Centrum kan blijven, en hun goede werk kan blijven steunen (al is mijn gift maar een druppel op de gloeiende plaat). Nee, zo ver mag ik niet gaan. Temeer ik ook vriend ben geworden om het leed dat de Roma en Sinti in diezelfde oorlog is aangedaan, onder de aandacht te blijven houden. Maar het is een verdomd lastig dilemma.
27.3.26 PlaatKeus #15 In de wereld van de popmuziek barst het tegenwoordig van de coverartiesten. Dat zijn mensen die helemaal in de huid van hun idool kruipen, zelfs hun voorkomen precies aanpassen of mensen die alleen de muziek spelen uit een bepaalde periode. Doordat het leger sixties tot nineties popartiesten aan het afsterven is en de overblijvers waanzinnig hoge entreeprijzen vragen voor hun concerten, is er een markt ontstaan voor deze na-apers. De tientallen pseudo-Queens, Springsteens, Fleedwood Macs, Beatles et cetera, verdienen er een aardige boterham mee. Televisieprogramma’s volgen de trend. Vroeger heette dat een talentenjacht, nu iets als The Voice. Onder leiding van een strenge uit vakgenoten bestaande jury, worden de coverartiesten beoordeeld. Soms stellen ze vast dat de imitators zelfs beter zijn dan de originelen. En nu is er analoog aan de covers en de tributes een artiestengroep opgestaan die een hele show na doet. Het betreft The Last Waltz, het afscheidsconcert van The Band. Dat was een bijzondere band. Oorspronkelijk de begeleidingsband van de zanger Ronnie Hawkins, werd het halverwege de jaren zestig door Bob Dylan ontdekt. Hij was bezig over te stappen van akoestische folk naar elektrische (folk)rock en zocht daarvoor een band. Dat werkte tamelijk desastreus uit. Hun optredens -Bob deed voor de pauze in zijn eentje zijn bekende repertoire van protest/folkliedjes en na de pauze met band zijn nieuwe liedjes- ontaarden hier en daar in boegeroep. Niettemin ging hij met die jongens door en zij vormden een eigen band. Bij gebrek aan een naam, werd The Band (de begeleidingsband van Bob Dylan, maar dan zonder Dylan) aangehouden. Hun eerste elpee was meteen een voltreffer: Music from Big Pink. Genoemd naar het roze geschilderde huis waar ze altijd repeteerden, in de buurt van New York. De plaat bevat veel country-, blues- en folkinvloeden. Het instrumentarium was ook al apart: een ronkend orgel, mandoline, piano, accordeon, drum, bas en gitaar en veelstemmig gezang. Op de foto in de klaphoes, staat een groepje sober maar keurig geklede, bebaarde mannen met hoedjes, tegen de achtergrond van een bebost heuvellandschap. Zou je zeggen dat het een ploegje bosarbeiders is, dan zou je het meteen geloven. Omdat ik via het popblad Hitweek wist dat Bob Dylan een groot aandeel in de plaat had, kocht ik het meteen. Het bleek geen weggegooid geld! Ook de platen erna kocht ik. Maar het succes en de plotselinge rijkdom steeg enige leden van de band naar het hoofd. Ze vergrepen zich aan drank en drugs en componist/tekstschrijver/gitarist Robbie Robertson had steeds meer moeite om de groep bij elkaar te houden en te enthousiasmeren voor optredens en nieuwe platen. Na in totaal 7 studioplaten was het over en uit. Om dit te bezegelen, organiseerden ze een afscheidsconcert. Dat vond eind november ’76 plaats te Los Angeles. Een scala artiesten van naam werkte hieraan mee, onder andere: Neil Young, Muddy Waters, Joni Mitchell, Neil Diamond, Eric Clapton, Dr. John, Bob Dylan en Van Morrison. Ze haalde het beste boven. Alles werd bovendien gefilmd en er kwam een driedubbel elpee van. Kortom: groot succes. En nu, ter ere van het 50-jarige jubileum, komt er een Nederlandse uitvoering. Dat zal best heel goed worden, daar twijfel ik niet aan. The Analogues bewijst hoe verbluffend dicht sommige mensen bij hun idolen -in dit geval The Beatles- kunnen komen. Maar de echte Band valt volgens mij niet te imiteren. Vooral die stemmen niet. En daarom blijf ik vasthouden aan het echte. Niet aan The Last Waltz, maar aan hun debuutplaat. Daar waar het mee begon. Maar het mogen ook de volgende 3 zijn. Allemaal klasse. Die eersteling kocht ik in september ’68, bij muziekhuis Hemmes te Groningen. PlaatKeus van de dag dus: Music from Big Pink van The Band. Uitgebracht in 1968.
26.3.26 Naamsverdunning Ik zuchtte heel diep. Niet dat ik vaak zucht, 25 keer per dag misschien, ongeveer gelijk aan het aantal winden dat een gezond lichaam, al dan niet bewust, verlaat. Je zou van een onderwindse en bovenwindse ontluchting kunnen spreken. Van beiden is wat te zeggen. In ieder geval wordt de onderwindse in gezelschap niet met applaus begroet. De bovenwindse heeft een gezondere status. Een zucht geeft niet alleen lucht aan een hart vol smart (zoals mijn schoonmoeder altijd snedig zei), maar het zegt ook iets. Ik zuchtte dus, want ik hoorde op de radio (19.00 uur) dat de fusiepartij Groen Links/Partij van de Arbeid voortaan door het leven zal gaan als Progressief Nederland, afgekort tot PRO. Op zich is het geen verkeerde naam. De mensen die op de vroegere GL/PvdvA stemden, zullen over het algemeen niet tegen het woord progressief zijn, maar waar is het heilzame Arbeid gebleven? Daar hangt in principe alles van af. Verricht ons koningspaar arbeid? Ik dacht het wel. En onze Minister-President? Zeker. Maar ze noemen het denk ik niet zo. Arbeid is al sinds jaren een neerbuigend woord. Ooit is door iemand de partij voor mensen die zich niet schamen hun broodnodige bezigheden met Arbeid aan te duiden, de Partij van de Arbeid bedacht. Daarin klonk het fiere gewapper van een rode vaandel. Dat woord is nu dus helemaal afgeschaft. Tevens leverde de fusienaam van de vier oude progressieve partijen, te weten: PSP, PPR, CPN en EVP de woorden Links en Groen in. Klavertje Groen is alles kwijt! Het pacifisme (Van der Spek) was al weggeschaafd, tegelijkertijd met het communisme (Ina Brouwer), het luchtige evangelisme (Cathy Ubels) en het zachte radicalisme (Ria Beckers). Hoewel ik graag schermde met het woord Arbeid, rustte er zelden zegen op. Veel cachet had het niet. Dat ik er vanaf het moment dat ik een stemkaart in de bus kreeg niet op stemde, had vooral te maken met het feit dat ik het pacifisme erin miste. Over het eventueel weigeren van de militaire dienst las ik niets in hun program. En dus werd het de PSP. Tot die zich vergaloppeerde in de kwestie van de Drie van Breda. Toen werd het ietsiepietsie noodgedwongen PvdA, daarna Paul Rosenmöller, Jan Marijnissen, enige keren de Partij voor de Dieren en D66. Ik ben mee verschoven. Het kan verkeren.
Al die oude waarden hebben nu dus afgedaan. Vanmiddag heeft het hoofdbestuur (ze zullen vanavond in alle talkshows en morgen in alle kranten zeggen ‘na uitvoerig en rijp beraad’) bekend gemaakt, dat men van al die oude bouwstenen een nieuw fundament heeft gelegd en dat men voortaan door het leven gaat onder de naam ‘Progressief Nederland’. Een fundament laat zich normaliter niet zien – dat zijn ruwe bakstenen onder de zichtlijn waarop men de bovenbouw aanbrengt. En nu zucht ik voor de tweede keer. Want, zeker, die vier oude partijen waren ook progressief, misschien zelfs wel een beetje té, maar wat ik nu mis, zijn de A van arbeid en S van socialisme. En wie van dat goed betaalde brainstormgroepje kan bedacht hebben dat die roos ineens groen moet zijn? Ik vrees dat men ter rechter zijde van het politieke spectrum ook een zucht slaakt ….van verlichting. ‘Progressief Nederland’, zullen ze schamperen. ‘Makkie. Dat kunnen we zonder problemen aan’. Martin Bosma zal in opdracht van zijn baas Geert Wilders de nodige schimpschuiten richting de nieuwe naam maken. Ik ben benieuwd wat er t.z.t. uit dat ranzige hoofd komt.
24.3.26 Gevalletje déjà vu ‘Jij koestert wrok’. Dat is geen aan te bevelen karaktertrek waar een mens graag mee te koop loopt. Mij werd dat verweten door (bij hoge uitzondering noem ik een naam) mevrouw De Passé van het outplacementbedrijf JS. Dat is lang geleden en van wrok -áls daar al sprake van was- is niets meer over. Hoe kom ik hier zo bij? Ik las vorige week een artikel over het bedrijf Swedish Match. De conclusie van het stuk: de omzet is goed, maar men kan moeilijk aan nieuw, vooral jong personeel komen. Ik werkte bij dit bedrijf van eind ’85 tot eind ’99. Begonnen als spuitgieter, later sonor-lasser. Het eerste was ongezond en gevaarlijk werk. Mijn luchtwegen zijn ten gevolge van de gifstoffen, veroorzaakt door de gassen van verbrand plastic (vloeibaar 320 graden), in die dagen behoorlijk aangetast. Omdat ik door ziekte op meerdere fronten een lastpak dreigde te worden (ik bemoeide mij onder andere met het aan banden leggen van het roken in het bedrijf, dat is nu niet meer voor te stellen!), werd besloten over te gaan tot ontslag. Dat ging via dat outplacementbedrijf. Die gaven cursussen re-integreren en solliciteren. Je moest bijvoorbeeld leren goede brieven te schrijven en jezelf te presenteren. Tussen mevrouw De Passé en mij ontbrak het aan de juiste chemie en tijdens een van die gesprekken (sessies) zei ze dat ik ‘wrok koesterde’. Daar keek ik van op en had het kunnen aanmerken als een belediging. Achteraf had het meer te maken met haar onvermogen mij een baan te bezorgen. Ze hield mij ook bewust weg bij bepaalde onderdelen van de cursus. Sollicitatie-workshops bijvoorbeeld en het in groepjes brainstormen over kansen en mogelijkheden. Slechts1 keer aan meegedaan. Maar ze bracht ze tijdens de evaluatie bij Swedish Match wel allemaal in rekening. Swedish Match zag in mij een proef voor eventueel andere medewerkers van het bedrijf en toen dit dreigde te mislukken, wilde Swedish Match de rekening op mij afschuiven. Iets van 7500 gulden. Dat was natuurlijk niet fair. Ik tekende protest aan op grond van nalatigheid van JS en won. Dat hield in dat Swedish Match verdere samenwerking met JS acuut stopte, maar mij konden ze daardoor ook niet ontslaan. Tering!! Dat is pas een jaar later met als bonus een nogal krakkemikkige uitkoopregeling.
Jaren later liep ik als zo vaak door mijn geliefde stad. Net voor de wit- en bruingoedzaak ‘De Harense Smid’, stopte er een fietser naast mij. Het bleek een oude vriend uit het jeugdwerk te zijn. Had ik jaren niet gezien. Leuk! Een keurige meneer geworden. We kletsten bij. Wat ik zoal deed (werkte bij de Bloemenveiling) en hij had een Outplacement/Re-integratiekantoor, hier in de stad. Nou ja, krijg nou wat! Ik vertelde over mijn ervaringen inzake zo’n bedrijf en noemde de naam. Hij begon te lachen. Wat bleek: JS was failliet en hij had meerdere cliënten van hen aan een baan geholpen. Hij kende het JS-verhaal uit-en-te-na. Ze zaten te hoog in de boom, hadden een veel te duur pand en konden zich niet waar maken. Mevrouw De Passé? O ja, die kende hij ook wel. We praten nog wat en gingen ieder onze weg.
Kort hierna reed ik door het Van der Feltzpark. De straat is genoemd naar deze vroegere burgemeester en bestaat uit protserige villa’s. Ik bleef even staan voor het pand waar ik ettelijke malen was geweest. De plek naast de hardstenen stoep, waar het grote, goudkleurige bord was bevestigd, was nog duidelijk zichtbaar. Niemand was kennelijk ooit opgedragen de pluggen eruit te halen en de gaten te dichten. Wat restte was een rechthoek van stof en vuil op de hagelwitte muur. Het pand maakte een desolate indruk. En plots dacht ik aan hoe mijn oude personeelschef mij eens in een boze bui voor de voeten gooide dat hij voor mij met gemak 10 anderen zou kunnen krijgen en hoe ik terugbeet dat hij niet eens in staat was eentje zoals mij te krijgen. Het was bluf, vér over de top, maar ik wist dondersgoed wat ik kon zeggen. Hij blies woedend een wolk sigarenrook uit en zweeg. Want afgezien van mijn oplopende uitval, was er op mijn werk nooit iets aan te merken geweest.
En nu blijkt dat eerste ineens meer dan waar, want ‘We zijn hard op zoek naar nieuwe mensen, maar ze zijn moeilijk te vinden’, zegt de locatiemanager in het artikel. Het bedrijf is wat personeelsbestand ook al behoorlijk gekrompen. ‘We zijn vorig jaar uit nood overgegaan van drie naar twee ploegen’. Toen ik werd afgekeurd voor de nachtdiensten en dus geen vijf- of drieploegendiensten meer kon draaien, maar daar in ’85 contractueel wel voor was aangenomen, werd dat de hoofdreden voor mijn ontslag. Functie elders binnen het bedrijf was geen optie. Met Swedish Match heb ik niets meer, maar ik hoop dat mevrouw De Passé goed is terechtgekomen. No hard feelings, heet dat geloof ik.
22.3.26 Columnswinkel Er kunnen meerdere redenen bestaan waarom iemand een krant opzegt. Het medium neemt een loopje met de waarheid of de berichtgeving van het nieuws wordt dermate saai weergegeven dat de lezer er boven in slaap valt. De krant was vroeger een medium dat behalve het regionieuws en de overlijdensberichten ook zaken als de weersvoorspelling bracht. Dat alles is nu met een mobieltje niet meer aan de orde. Alles is met één klikje op elke plaats te lezen. De manier om het nieuws te verspreiden is daardoor totaal veranderd en de krant is een anachronistisch onding geworden. Ik leef wat dat betreft nog in de tijd der mammoeten. Want: ik vind niets heerlijker dan hele dagen in kranten te struinen. Achtergrondartikelen, cartoons, een puzzeltje tussendoor en vooral heel veel columns. Ik ben er al zo lang mee vertrouwd, dat ik niet anders meer zou kunnen. Maar het voortbestaan van de krant krijgt het steeds moeilijker en abonnees haken af. De prijs meneer, net wat u zegt. En ook ik twijfel steeds vaker als ik bij de krantenrek in de Super sta. Van de 8 titels liggen er van elk nog maar een paar exemplaren. Ik heb ze in de coronatijd -omdat we toen zo vroeg mogelijk boodschappen deden- regelmatig zien binnenkomen. Een armzalig stapeltje. Ik neem de enige NRC en kijk achterop: Frits Abrahams. Voor ik wegrijd, lees ik eerst zijn column. Ik kan er weer even tegen. Ik leef met het besef dat ik mogelijk de enige in een wijde omgeving ben die dit ritueel nog kent. Een ander besteedt het geld aan een kop koffie + koek. Ook prima. Later thuis lees ik al het andere nieuws en knip belangrijke items uit. Vooral columns. Die dump ik na lezing in een doos, die ik later selecteer. Dat heb ik gisteren weer eens gedaan. Het waren er veel. Het betreffen dan ook de bijdragen van 2 abonnementen + 2 losse kranten. Een beetje krant heeft enige tientallen columnisten, waarvan sommigen dagelijks leveren, anderen eens per week en weer anderen eens per maand. Niet alles is het bewaren waard. Sport en economie zijn afdelingen die ik oversla. Dat scheelt een hap. Ik ben wat kranten betreft met veel columnisten opgegroeid. Van Nico Scheepmaker (Nieuwsblad van het Noorden), Kees Fens, Piet Grijs/Battus, Remco Campert, Martin Bril (allemaal Volkskrant), Renate Rubenstein en Henk Hofland (Vrij Nederland). Allemaal dood. Tegenwoordig lees ik de Volkskranters Max Pam, Sheila Sitalsing, Jolanda Withuis, Sander Schimmelpenninck en meerdere die ik over het hoofd zie. Soms valt er een favoriet af, zoals Silvia Witteman, Eva Hoeke of René Diekstra. Elk om een reden die ik al dan niet begrijp.
Daar dacht ik over na toen ik in bed lag en er mee indommelde. De jarenlange verzameling begon me boven het hoofd te groeien en ik verzon dat ik ze aan de man/vrouw wilde brengen. Weggooien kon altijd nog. Mijn zolder stond vol knipseldozen. In een druk belopen straatje viel mijn oog op een schoenenwinkeltje dat uitverkoop had gehouden. Ik liep naar binnen. De eigenaar die bezig was de laatste schoenen in plastic zakken te stoppen, vertelde dat hij alleen nog maar kijkers kreeg. ‘Dan pasten ze schoenen, vaak hele dure, Van Bommels, Hermès, Adidas, dat soort merken en dan kochten ze ze via internet. Daar viel zelfs met forse kortingen niet tegenop te boksen’. Hij had de hele bliksemse boel geschonken aan het Leger, zodat de zwervers van de stad er wat betreft schoeisel jaren picobello bij konden lopen. Dat deed hem wel goed. De dozen waren achtergebleven en stonden nog op de planken. Ik voorzag een kans en nam het winkeltje over. Man blij, ik blij. Op alle dozen plakte ik letters waarin elke columnist een plaatsje kreeg. Honderden waren het er. Het deed sterk denken aan de ‘Dierenwinkel’ van Jiskefet, waar de klant voor onbestaanbare dieren kwam. Mijn winkeltje liep uitstekend. Ik had een klant die wekelijks aanwipte. Hij verzamelde alles van Hugo Brandt Corsius. Wetende dat die onder tientallen namen schreef, is dat een levenswerk. Vorige week nog kwam er een vaste klant die zelf in postzegels deed. Hij kwam ineens voorrijden in een klassieke Chevrolet. He?! Ja, hij had onlangs zijn hele verzameling voor goed geld verkocht aan een Quatarese patjepeeër. ‘Pecies op tijd’, zei hij glunderend. Want nog afgezien van het rumoer aldaar, de postzegelhandel loopt op rasse schreden terug. Wist die vent veel! Sommige columnisten waren vlot uitverkocht, waardoor ik steeds vaker Nee moest verkopen. Vanmorgen had ik slechts één klant: een mevrouw uit Koekange die alles wilde hebben van Nelleke Noordervliet. Ik had er een doos vol van. Nooit iemand om gevraagd. Onbegrijpelijk. Ze schrijft al jaren prachtige stukken. Ze is een beetje van de leeftijd van Frits Abrahams. Ik hoop toch niet dat zij binnenkort haar laptop aan de wilgen hangt en datzelfde geldt uiteraard ook voor Frits Abrahams.
Toen ik zo-even de 2 kranten uit de bus haalde, dacht ik: ‘Nog een paar weken, dan heb ik nog eentje’. Weer een abonnee minder, zal de redactie in Groningen denken. Alsof de Landelijke Persdienst ervan wist, kreeg ik meteen allerlei aanbiedingen van andere kranten. Niet op ingegaan. Zal ik het Dagblad missen? Jean Pierre Rawie en Maaike Borst …. Maar verder? Ik geloof het niet. Ik heb nog een doos oude columns. Ik kan nog wel een tijdje vooruit.
20.3.26 PlaatKeus #14 Het fenomeen popmuziek zou je kunnen beschouwen als een enorme geluidenwinkel, met op de honderden schappen het veelvoudige aan soorten en namen. De inhoudsopgave van Muziekkrant-OOR’s eerste Popmuziekencyclopedie (uitgave 1979) begint met Abba en eindigt met ZZ Top. In latere edities van het naslagwerk, ontbreekt echter Abba. Kennelijk te licht bevonden door de samenstellers. Het heeft alles te maken met de enorme bulk aan elpees en cd’s (tegenwoordig gebruikt men voornamelijk streams) die de markt overspoelen. Men moet domweg selectief zijn, wil men het boek nog leesbaar houden. Een groot deel van de honderden optredens van muziekartiesten die ik door de jaren heen heb meegemaakt -van folk, blues, country t/m heavy rock- vond plaats in theater De Kolk in Assen. Voor de prijs van zo tussen 3 en 5 gulden traden er bekende artiesten als Magna Carta, Fairport Convention (met Sanny Denny), Argent, Tim Hardin, Pearls Before Swine en andere Amerikaanse, Engels en Nederlandse artiesten op. Eén van de opmerkelijkste optredens die ik in De Kolk meemaakte was dat van de Engelse spacerockband Hawkwind. Ik kende hun muziek niet, maar het voorvoegsel space associeerde ik mogelijk met de muziek van de eveneens Britse band The Moody Blues. En dat was hele aardige, ruimtelijke muziek. Het waren immers ook de hoogtijdagen van de ruimtevaart. Maar met deze soort space had dat optreden van Hwakwind niets te maken. Dat optreden van Hawkwind vond plaats op 28 september 1975. Zij bedienden zich van een sonore, bombastische muziekbrij, ondersteund door vloeistofdia’s. Dit was al veel voor onze Drentse zintuigen, maar plotsklaps verscheen er ook nog een spiernaakte dame ten tonele, die als een opgewonden flamingodanseres over het podium zwierde. Door de kleurenmengeling op het achter hangende doek, leek het alsof ze gebodypaint was. Ik denk dat iedereen in een lichte shock verkeerde bij deze niet voorziene seance. Van dit alles weet ik eerlijk gezegd niet veel meer, want ik was hier met een meisje dat me een week ervoor had gevraagd of ze met me mee kon rijden. Zij zou anders de laatste bus niet halen. Dat meisje droeg een Afghaanse jas. Die waren in de jaren 60 erg populair. Janis Joplin en Jim Morrison, exponenten van de zo bewierookte Summer of love, een beweging waar ik nooit in heb geloofd, lieten zich er graag in zien. Ik had een gruwelijke pest aan die opzichtige dingen, die bovendien stonken als de hel. Uitdoen was geen optie, want het hoorde bij haar hippie-outfit. En tijdens de extatische wervelshow van die danseres, begon dat meisje steeds dichter tegen me aan te kruipen. De stoelen in de theaterzaal van De Kolk leenden zich daar uitstekend voor. Ik kon geen kant op. Meteen na het optreden van deze psychedelische rockshow, heb ik haar bij het station -de bus arriveerde net, het kon niet beter- afgezet. Vond ze goed. Ik heb haar nooit meer gezien. In de provinciale krant werd nog dagen over deze stripteaseshow geschreven, maar hun journalist (Sjoerd Punter vermoed ik) schreef dat hij met eigen ogen had gezien dat danseres Stacia helemaal niét of niet helemáál (dat wist hij geloof ik zelf ook niet) poedelnaakt was. Dat bracht de gemoederen tot bedaren. Hoe het ook zij, het door mij verwachtte spacegeluid van The Moody Blues was die avond ver te zoeken en voor exotische uitspattingen waren die Moodies met hun Nights in White Satin veel te beschaafd en te preuts. Je zou hen de Abba’s van de progressieve popmuziek van de jaren 60/70 kunnen noemen. PlaatKeus van vandaag – om de laatste flarden Hawkwind uit mijn kop te blazen: To our childrens childrens children van The Moody Blues, uitgebracht in 1969. In de klaphoes een foto van de vijf heren musicerend rond een kampvuur met op de achtergrond een bleek maantje. Anno 2026 bijna buitenaards vredig.
17.3.26 Boekenleek Wil men een boek of een bundel uitgeven en dat wil zo ongeveer 1 op de 25 Nederlands, dan dient men volgens strakke richtlijnen te werk te gaan. Dat heeft een reden, want de manuscriptenstaf van vrijwel elke uitgever moet rekening houden met de beperkte ruimte in het fonds. Het woord fonds is een vloek in schrijversland. Ik weet daar een ietsiepietsie van mee te praten. Ik verzond in januari 2014 enige alledaagsigheden, die ik onder de titel Leven in Groenthe schreef, naar de heer Obe Sneppelecnop. Het voorlezen van een aantal van deze verhaaltjes, had al de nodige succes opgeleverd, vandaar dat ik mijn streven naar een groter publiek verhoogde. Een schrijversvriend kende voornoemde uitgever en raadde mij aan niet meer dan vijf verhaaltjes op te sturen, want tijd = geld en die manuscriptenbeoordelaars worden pas na een dozijn betaald. Ik hield me keurig aan zijn advies. Hij zei er nog bij dat ik een hele goede kans maakte om in het fonds opgenomen te worden. Zit je daar eenmaal in, dan is je toekomst (min of meer) verzekerd. Ik deed er een uitgebreide brief bij om aan te geven dat ik niet van de straat was, dat de schrijver van het Pak van Sjaalman mijn grote voorbeeld is en dat ik op aanvraag nog een 200-tal even sterke verhalen kan leveren. Zo ver kwam het echter niet. Per omgaande kreeg ik een briefje terug met de regels van het spel. Bij punt 8 las ik de veelzeggende regel ‘Wij aanvaarden geen enkele aansprakelijkheid voor het zoekraken van uw manuscript’. Daar schrok ik van. Dat ik over mijn inzending niet kon corresponderen, nam ik voor lief, maar dit inkijkje gaf aan hoe zo’n geweldige puinhoop het hier moest zijn. Drie maanden later kreeg ik een officieel schrijven van de heer Sneppelecnop. Hij schreef dat mijn kladjes (zijn woorden) niet in het fonds van zijn uitgeverij pasten. Mijn werk, zo schreef hij, zou het hoogstens aardig doen op verjaardagen in familiekring en op besloten partijtjes. Einde verhaal.
Ik liet me niet kennen en schreef plichtstatig door aan mijn ‘magnum opus’ en onderwijl hield ik de uitgaven van de betreffende uitgever stiekem in de gaten. In alle jaren na dit debacle, heb ik geen enkele kaskraker bij het bedrijf zien verschijnen. Van een andere schrijfvriend hoorde ik dat zijn gedichtenbundel, met een oplage van 1000 exemplaren, allemaal waren verkocht, maar dat hij tot op heden nog geen cent royalties had gezien. Geen goede zaak. In een oud interview met de heer Sneppelecnop, las ik dat hij geniet van het afzeiken van die amateurs, die dilettanten. De heer Sneppelecnop schrijft soms zelf ook een boek. Die recenseert hij onder een verborgen naam. Hij is uiteraard lovend over het eindproduct. Dat jaagt de verkoop waarschijnlijk ietsjes op, maar in geen enkele boekentop-50 ben ik zijn naam ooit tegengekomen. Misschien is een blog iets voor hem. Het scheelt papier en een shredder en op de plek in de boekenwinkel zou deel-zoveel van mijn nooit eindigende serie luchtige overdenksels kunnen liggen. ’t Is maar een idee.
15.3.26 PlaatKeus #13 Een paar dagen geleden kregen de gasten van de koffieochtend in ons dorpshuis een peuterklasje op bezoek dat, aangespoord door hun juf, enige liedjes zong. ‘Schattig’, zou ik zeggen, als dat woord tot mijn daagse vocabulaire zou behoren. Ik kan me niet heugen dat er na de eerste twee klassen op onze lagere school nog aan klassikaal zingen werd gedaan. Toch mocht ik het wel graag. Dat kwam deels door mijn broer Harm. Hij was gek op muziek en tot zijn favorieten behoorden The Everly Brothers. De liedjes van zijn idool Buddy Holly kon hij wel alleen zingen, maar de liedjes van Don & Phil Everly leenden zich alleen voor tweestemmig gezang. Een duo in ons buurtje zong niet onverdienstelijk enige liedjes van The Everly Brothers, ze hadden er zelfs mee opgetreden. Dat wilde Harm ook: zingen voor publiek. Maar The Everly Brothers mét een accordeon, dat ging moeilijk. Bovendien had hij al een goedkoopje gitaartje op de kop getikt. De accordeon werd daardoor nog sporadisch uit de koffer gehaald. Harm polste mij. Ik zou de eerste stem zingen en hij de tweede. Ik was iets van 11,12 jaar. We probeerden Bye bye love, maar ik vrees dat ik niet door zijn selectiecriterium kwam. Ons duo sneuvelde al in de voorkamer, naast de pick-up. Achteraf niet erg, want ik hield minder van de muziek van The Everly Brothers dan hij. Pas met de elpee Roots ging ik om. Toen was dat stroperige er een beetje af. Want wilden zij overleven in de door ruige rock en snoeiharde ritme & blues gedomineerde muziekmarkt, dan moesten ze mee. Hun kuiven werden beatlelesk en hun kleding hip. Misschien kwam het idee voor een zangduo niet alleen van The Everly Brothers, want in zijn nagelaten liedjesschriften en plakboeken, kwam ik meerdere zangduo’s tegen. Zoals The Blue Diamonds en Jan & Kjelt. Het eerste duo, Ruud en Riem de Wolf, zong sterk aan The Everly Brothers gelieerde liedjes, het tweede koppel was van Deense origine en werd bekend door het kinderlijke Banjo Boy. Ik mag toch aannemen dat Harm dit vrolijke koppel niet voor ogen had. Heb ik in mijn platenverzameling nog andere muzicerende broers dan de Everly’s? Zeker. The Kinks met Ray & Dave Davies – Dire Straits met Mark & David Knopfler – The Neville Brothers met Aaron, Charles, Art & Cyril Neville. Ik zou ook nog The Blues Brothers kunnen noemen, maar dat waren neppers die als Bloodbrothers optraden. De bovengenoemde broers heb ik allen op onder andere Pinkpop, Lochempop of in een concertzaal meegemaakt. The Everly Brothers ook. Zij waren teruggekomen van hun niet erg succesvolle solo-avonturen en vervielen in een jarenlange reünietournee. Dat zal ze geen windeieren hebben gelegd. Algemeen bekend was dat Don & Phil zich na hun optredens afscheiden. Voor en vooral op de bühne waren ze vredelievende broers. Ook de Kinks-broers hadden op het podium soms dikke ruzie. Ik zag zelf hoe Ray Dave op het Pinkpoppodium een hengst verkocht. Dat schijnt vaker te zijn gebeurd. Toch bleven ze bij elkaar. De meest beroemde broederruzie is die tussen Liam en Noël Gallagher, van de Engelse band Oasis. Na het barsten van deze succesvolle band, speelden zij jaren in een andere bands. De hereniging leverde goed geld op. Je kunt dat zwak noemen …. In de band Buddy & the Shapes (later afgekort tot The Shapes) zong Harm wél enige liedjes van The Everly Brothers. Als wij ooit zover zouden zijn gekomen, zou het hoogst haalbare misschien een kwartiertje in het voorprogramma van The Blue Diamonds zijn geweest. Ook niet verkeerd! Maar broedertwist bleef ons gelukkig ook bespaard. Plaatkeus van vandaag: Roots van The Everly Brothers, uitgebracht in 1968.
12.3.1.26 Het kanon Het opmerkelijkste nieuws van vandaag -en het is een bittere strijd om voorrang- is toch wel het bericht dat het kanon op het door Nederland ingezette fregat dat het Franse vliegdekschip Charles de Gaulle moet begeleiden, kaduuk is. Onze defensiehoofden hebben jaren liggen slapen, logisch, want Nederland is geen natie die bekend staat om wapengekletter en dan vergeet men essentiële zaken. Zo halverwege de Golf van Biskaje moet de kapitein in een buitengewoon helder moment hebben gedacht: ‘Kom, laat ik dat kanon es uitproberen, een knalletje wagen’. Want elke ijzervreter begint op de kermis, dat gaat er nooit meer uit. En dan, Nederland heeft als zeevarende natie een aardige staat van dienst en zoiets moet je prolongeren. Zo vaak komt het bovendien niet voor dat je samen mag optrekken met die vervloekte Fransen. Sinds Napoleon houden we hen graag op afstand. Maar de lucht is geklaard sinds Emanuel Macron hier de scepter zwaait. De kapitein van Zijner Majesteit Evertsen gaf zijn manschappen opdracht de zee te controleren op eventuele vissersboten of containerschepen. Je wilt immers geen brokken maken en de situatie is overal al zo gespannen. Waar hij niet bij stil had gestaan was het feit dat het ding dienst kon weigeren. Zo’n kanon is een dom ding; veel verder dan boem komt-ie niet. Het aanzicht van een ferme loop kan de vijand echter al hevige schrik aanjagen. In de krijgsmacht is het naar het schijnt niet ongewoon dat men camouflagetechnieken toepast en dit zou er eentje kunnen zijn. Maar nu loop ik voor de troepen uit. Men maakte dus het kanon gereed. Alle benodigde protocollen werden keurig opgevolgd en de instructies aangaande de munitie. Dat lag al enige jaren te roesten in een kist. Daar lag het niet aan dat het een succes kon worden. Alle hens werden nu aan dek geroepen en er werden gehoorbeschermers uitgereikt. ‘Klaar Jan’, zei de kapitein. ‘Ja kap’, zei Jan en drukte op VUUR. Maar al er gebeurde …. geen knal. Eerst heerste er doodse stilte. Toen barstte de kapitein los in donderend geraas. Hij liet ogenblikkelijk de eerste stuurman de loop van het kanon inspecteren op vuiligheid. ‘Mooi schoon. Niets te zien kap’, riep hij. De kanonier drukte nog enige keren op VUUR, maar het ding zweeg als het graf.
Toen dit nieuws mij bereikte, moest ik meteen aan het hilarische verhaal Het kanon van Willem Wittkampf denken. Ook dat verhaal speelt zich af in roerige dagen en dat kanon komt op een even mallotige manier niet in actie. Wel veel omhaal, maar schieten …. ho maar! Dat verhaal dateert uit 1951, een prima jaar verder. Het zou prachtig gepast hebben als boekenweekgeschenkboek, in plaats van het tussendoortje van Hendrik Groen. Want wat ooit heel aardig begon, is verworden tot een soort Kameleon-serie voor krasse knarren. Het kanon heeft maar weinig drukken gekend en dat is triest. Het hoort volgens mij om meerdere redenen tot het canon van de Nederlandse literatuur. Het zou mooi zijn als morgen heel lezend Nederland er naar zou vragen.
10.2.26 De volheid van het bestaan Ik moest even naar de dokter voor het laten weghalen van een likdoorn onder mijn rechtervoet. Dat ding stoorde al enige tijd mijn wandelen. Het bleek een fluitje van een cent. Ik koppelde er meteen een testrondje aan vast. Door het dorp en een stuk over de landerijen. Zoals gebruikelijk raapte ik onderweg rommeltjes, waarbij mijn oog viel op een plastic plantenlabeltje met de zwierige naam Madame. Toen ik iets beter keek, zag ik dat er verder op stond: Bovary Rose. Dat was curieus, want ik was onder andere bezig in het boek Flauberts papagaai van Julian Barnes. Dat komt onder andere doordat Julian Barnes de laatste tijd nogal in de belangstelling staat en dat boek over die papagaai komt steeds ter sprake. Dat boek (roman annex biografie) is het verhaal van een arts op leeftijd -zijn vrouw is overleden- die vanwege zijn fascinatie voor de schrijver Gustave Flaubert op zoek gaat naar diens wortels. Gaandeweg raakt de arts ook steeds meer in de ban van die mevrouw Bovary, Emma Bovary, de hoofdpersonage van het boek. Dat spitten in andermans leven is een ware rage. Elk mens die ook maar iets voorstelt krijgt op den duur een biografie en vaak blijft het niet bij die ene. Elk keutel wordt eruit geknepen. Van Gustave Flaubert zijn er legio. Of de schrijver van Madame Bovary daar blij mee was, kunnen we niet vragen (hij stierf in 1880), evenmin nageslacht, want hij is niet getrouwd geweest en had evenmin kinderen. Aan het eind van zijn leven betreurde hij dat hij alleen was gebleven.
Vanwege het herstel van mijn voet, feliciteerde ik mijzelf. Dat is modern. Sommige mensen feliciteren zichzelf om het minst of geringste. Ik doe dat niet, maar nu leek het mij wel te kunnen. Bij de Super scoorde ik een halve kersenvlaai en deed de NRC erbij. Dat laatste mag men tegenwoordig een unicum noemen, omdat kranten een uitstervend artikel aan het worden zijn. Ik had het enige aanwezige exemplaar. Daarin stond de tweewekelijkse column van Marjoleine de Vos. Die lees ik graag. Tot mijn verbazing of verrassing (of allebei) haalt zij in haar stuk ook Julian Barnes aan. Barnes hoorde een vriend eens oreren over de ‘dunheid van het alledaagse bestaan’, dit in tegenstelling tot de literatuur. Onzin, vond Barnes. Marjoleine is het hiermee eens. Er is zo heel veel niét in taal weer te geven, zegt ze. Bijvoorbeeld de ons omringende geuren, de geluiden, het licht, het kwetteren van de mussen in de heg, praten van mensen … enzovoort. Zij verhuisde jaren geleden van Amsterdam naar het Groningse dorpje Zeerijp. Zo’n overgang heeft voor westerlingen iets weg van een immigratie. Met het openbaar vervoer is het inderdaad een misère en raakt men voor een bezoek aan dat verre Spitsbergen of Alaska helemaal in de war. ’t Is maar 200 kilometer, maar toch! Vraaggesprekken van westerse journalisten gaan dan ook grotendeels over deze enorme stap en hieronder ligt de vraag wanneer de uitgewekene weer terug gaat naar Amsterdam, het centrum van de wereld, waar het leven bruisend is, omdat dáár tenslotte alles gebeurt. Je zou zo iemand bij Zwolle al moeten instrueren het hier niet over te mogen hebben.
Gustave Flaubert woonde een deel van zijn leven in Rouaan, maar toen hij hoorde dat er in zijn omgeving een spoorbaan zou worden aangelegd, wilde hij er weg. Zo’n vreselijke lawaaiding en dan ook nog enkele keren per dag, stel je voor …. Daar viel toch niet mee te leven?! Maar bedenk eens wanneer je als Amsterdammer voor een reportage in het stille Groningen bent en door een dorp als Zeerijp wandelt – hoe moet dat wel voelen? Zeerijp. De laatste keer dat ik in die omgeving was, kocht ik bij een rijdende winkel (alleen dát al) een Groninger koek. Lekker voor ’s avonds. Toen ik het aansneed, zag ik tot mijn schrik dat de onderkant knalgroen was uitgeslagen. Het is dus ook niet alles rozengeur en maneschijn in het Noorden. Na mijn zelffelicitatie en het snellen van de koppen van de krant, ging ik over tot de orde van de dag. De zogeheten dunheid van het bestaan af schudden. Aan de slag dus!
7.3.26 PlaatKeus #12 ‘Ik ben lestdoags van trap vallen’, zei de man. Hij was naast me komen zitten op het bankje dat nogal eens het rustpunt vormt in mijn wandelronde. Je kijkt vanaf deze plek over het veld en het moerassige stuk van de Hunze. Het is er doodstil, ik kom er graag, het heeft een inspirerende werking. En zoals een voorbijganger me eens toeriep; het spaart een bezoek aan een zielknijper uit. Het leven is immers een mallemolen van indrukken en gewelddadigheden die je hoofd behoorlijk op hol kunnen brengen. Mijn haren hingen bijkans tot op mijn schouders en ik dacht dat de man met dat vallen van die trap hiernaar verwees. Maar dat was niet zo. Hij trok duidelijk met zijn been en zei met een pijnlijke grijns dat het menens was en daarom kwam dit bankje hem wel gelegen. ‘Ik gleed ineens onderuit en rammelde de laatste paar treden van de trap af’ lichtte hij toe. Hij was enige tijd beduusd blijven liggen alvorens met moeite op te staan. Hij controleerde zijn benen en stelde dat hij niets gebroken had. Alleen zijn stuitje had een behoorlijke opduvel gehad. Hij had het niet tegen zijn vrouw gezegd, want dan zou zij maatregelen treffen. Daar kon hij donder op zeggen. Het is wonderlijk dat wanneer ik hier zit en er stopt iemand -altijd een man, vrouwen durven dat kennelijk niet aan- zij al gauw over iets dramatisch beginnen. Ik kan dan natuurlijk opstaan en zeggen ‘Nou tjeu, ik moet weer es verder’, maar ik heb een welwillend oor en ben benieuwd in wat voor tranendal ik beland. ‘Ohh?’, zei ik dus. De man begreep wat ik bedoelde. ‘Kijk, als zij dat weet, dan zal ze mij ontmoedigen, misschien zelfs wel verbieden, nog naar boven te gaan en dan zit ik de hele dag met haar opgescheept en daar moet ik niet aan denken’, zei hij. Het leek me te gewaagd te vragen hoe hij zijn tijd boven dan doorbracht. Een hobby met iets van modeltreintjes, zag ik zo voor me. Hij mijmerde nog wat en stond toen kreunend op en stapte weer op zijn elektrische fiets met lage instap. ‘Ze moeten dat daar weer es gaan uitbaggeren, die rottige scheerling overwoekert’, zei hij en fietste weg. Hij had wel een punt, maar toch zie er ieder jaar ook prachtige gele lissen en violieren bovenuit steken. ‘Waterscheerling’, dacht ik, alsof ik het proefde. Wordt ook wel dolle kervel genoemd. Zeer giftig. Je kunt er met gemak iemand mee omleggen. Áls je dat zou willen tenminste. En meteen dacht ik aan wat er zich op dat moment in de wereld afspeelde. Ellende, diepe ellende. This is the Eve of Destruction zong Barry McGuire. Dat inktzwarte lied kwam ineens bij me bovendrijven. Het veroverde de hitparades. De schrijver van dat lied, de Amerikaanse zanger/schrijver P. F. Sloan, had er zelf geen hit mee. Hij moet goed hebben geluisterd naar Bob Dylan’s Talkin’ World War III Blues en Masters of War. Amerika bombardeerde op godsgruwelijk wijze Vietnam. President Johnson werd wereldwijd voor Moordenaar uitgemaakt. Het Amerika van vandaag voert overál oorlog, maar Trump – Moordenaar heb ik nog maar weinig horen roepen. Ik stond op, moest verder. ‘Scheerling’, dacht ik. Ik zou er met plezier een ruiker van die galbakken mee willen uitschakelen. Maar of dat de destructie, de vernietiging, van de aarde goed zal doen, is zeer de vraag. Zong Barry McGuire in dat lied ook niet over ‘een Jordaan vol dode lichamen’? Straks thuis even luisteren en lezen wat hij ook alweer zingt. In latere jaren verheerlijkte Barry McGuire het Hogere leven. Dat zie je vaker. Ingegeven door vertwijfeling, corruptie, onmacht en hopend eigen en gelijkgestemden te redden van de ondergang en omdat ze geen vertrouwen meer hebben in het Lagere leven. En dus bleef het voor mij bij die ene plaat. PlaatKeus van vandaag: Eve of Destruction van Barry McGuire. Opgenomen en uitgebracht in 1965.
4.3.26 Tijd voor de Hemel (OverlijdensAdvertentieBovenschriften nr.15).
Laat ik deze OverlijdensAdvertentieBovenschriften (OAB’s) eens beginnen met een uitspraak van Albert Einstein, u wel bekend. Hij zei: Ruimte en tijd zijn geen omstandigheden waarin we leven, maar manieren waarop we denken. Tijd: we zijn er constant mee bezig, zonder dat we er erg in hebben. Zou dit wél zo zijn, dan zouden we gek worden. We hebben het opgenomen in onze levenswijze als iets ongrijpbaars. Als een mens gestorven is, dan is het zoals we zeggen ‘uit de tijd’. De persoon is echter nog volop in ons aanwezig, alleen: niet lijfelijk. Met de dood houdt tijd dus op. Daar kunnen we slecht mee leven en dat kunnen onze verre neven en nichten evenmin. Want primaten als de orang-oetang en de chimpansee vertonen bij een gestorven lid gedrag dat hierop duidt. Ze ruiken eraan en duwen zachtjes tegen het lichaam van de overleden soortgenoot. Doen ze dit om hem of haar overeind te helpen of wordt ze dit ingegeven door hun instinct? Bij olifanten zie je hetzelfde gedrag en die dieren staan veel verder van ons af. Als het dier niet op staat, gooien ze er soms takjes en zand op en als dat allemaal niet helpt, dan verwijderen zij zich en hervatten hun werkzaamheden. Hieruit valt af te leiden dat mensen niet de enige levende wezens zijn die besef hebben van een andere dan een levende staat. De dood overstijgt hiermee de wetenschap dat een begin en een eind is aan het leven. Van de theoloog Huub Oosterhuis worden regelmatig de volgende, misschien wel zijn bekendste, woorden als OAB aangehaald: Niemand weet wat leven is / alleen dat het gegeven is / en dat van dit geheimenis / God het begin en einde is. Het feit dat de mens het onverdraaglijk vond dat het niet eeuwig kon blijven leven, uitte zich in het op bizarre wijze conserveren van belangrijke doden en het daarna in te sluiten in monstrueuze piramides. Tussen haakjes: dat bij de bouw van die gigantische praalgraven duizenden slaven het leven moeten hebben gelaten, hoorde kennelijk niet bij de levensvraag. Een farao werd dan ook beschouwd als een god en daarvoor te sterven zag men als een gift; noem het opoffering. Eenmaal in het graf verhuisde de ziel naar het hiernamaals. Het latere christendom -en in feite ieder godsgeloof- deed niet veel anders. De graven werden eenvoudiger, maar het besef van leven na de dood bleef een hardnekkig fenomeen.
Of er bij de mensapen in hun hoedanigheid sprake is van een Hemel, durf ik niet te zeggen. Het zou natuurlijk geweldig zijn als er ooit in een grot op een rotsblok een heldere aanduiding wordt gevonden waaruit zonder enige twijfel blijkt dat we hier te maken hebben met de bedenker van de Hemel (een soort voorloper van de latere schrijver Harry Mulisch, zeg maar). De grote hemelbestormer Multatuli schreef bijna radeloos: Lieve hemel, er is geen hemel! Hij was door het gekonkel van de kerk en de corrupte elite tot inzicht gekomen dat dit gezegd moest worden. Jan Wolkers, streng orthodox opgevoed, zei dat God en de Hemel uitvindingen van de mens zijn. De bioloog/dichter Leo Vroman noemde de schepper van al wat leeft: Systeem. Het is maar net welke naam je eraan wilt geven.
Misschien zou je Hemel ook Tijd kunnen noemen. Time is on my side zongen The Rolling Stones. Het was een lied van de gospelliedjesschrijver Jerry Ragovoy. Die gospelzangers/gospelzangeressen weten wel raad met de Hemel. Je kunt je tegen de tijd ook op vileine wijze verzetten, zoals in OAB’s als Ik heb geen tijd om dood te gaan of Altijd op tijd, maar nu veel te vroeg. De christelijke starheid laat dit soort frivoliteit niet toe, vandaar ook dat ik een beetje afstand houd van hun OAB’s. Ik houd niet zo van de door hun verspreide zekerheid dat de doden Bij Hem in Zijn glanzend huis eeuwige rust zullen vinden (vrij naar een OAB van Nel Benschop). Ook OAB’s als Ik zie een poort wijd open staan, waardoor het licht komt stromen, die poort ben jij nu doorgegaan. Als het allemaal licht vertoon zou zijn, als het dus geen consequenties zou hebben, dan zou ik het wegwuiven. Maar achter een strenge mantra als God is getrouw, Zijn plannen falen niet zal ik moeilijk kunnen staan. Nee, graag iets luchtiger. Uit de tijd gevallen, eindelijk thuis lees ik als OBA bij een zekere Corrie. Willem Wilmink dichtte: In ’t Nederlands is iemand dood gegaan / over zijn reis wordt nooit meer iets vernomen. / In het Twents is iemand uit de tijd gekomen, / dus je weet zeker: hij kwam veilig aan. Wat voor reis dat is, daarover kan Wilmink niets zeggen. Toch geen zoals die van Brandaan? Ook kom ik nogal eens de tergende sneer tegen: De dood is niets, ik ben slechts aan de overkant. Nee, dan liever die van Marko Iwan Poucki. Hij liet boven zijn overlijdensbericht in eigen woorden zetten: ‘Er is niets te zien’. Het zou buitengewoon fantastisch zijn hem hierover te ondervragen en dit dan wereldwijd te verspreiden. Het zou het geloof in elke godheid danig op zijn kop zetten en wie weet leiden tot verbroedering. En daarna de manier van denken aanpassen …..
1.3.26 PlaatKeus #11 Het is moeilijk na te gaan wanneer iets voorbij ging of voorbij was. Tenzij het genoteerd staat of op foto’s vastgelegd, uiteraard met de datum erbij. Daar zat ik lang over na te denken. Eerst dat tijdsgegeven. In 1967, in mei of juni moet het geweest zijn, ging ik met de derde klas van de LTS naar de Volkswagen-(busjes)fabriek nabij Hannover. We verbleven een paar nachten in een Jugendherberge aldaar. Op de laatste middag mochten we op eigen gelegenheid de stad verkennen. Omdat ik sinds mijn eerste schooluitje gewend was een souvenirtje te kopen, wilde ik dat nu ook. De school had ons aangeraden niet meer dan 10 gulden mee te nemen, zodat er geen uitwassen zouden ontstaan, want meerdere jongens dronken en rookten al. Op een goed moment scheidde ik mij af van de groep die, zo ik hoorde, ‘aan de zuip wilde’. In een zijstraatje vond ik een goede dekmantel in de vorm van een muziekwinkel. Hier kocht ik het plaatje Love me, please love me van Michel Polnareff. Waarom kocht ik juist dát plaatje en niet iets van The Beatles of de Stones? Die zullen daar ongetwijfeld ook geweest zijn. Misschien was het vanwege de hoesfoto. Ik was 16 en wilde niets liever dan iets met muziek doen. Mogelijk viel ik op die dromerige jongen die zingend en gitaar spelend tegen een lantaarnpaal stond. Beetje Romeo lonkend naar Julia. Het was een hippe jongen met halflang haar. Ik moet enigszins begeesterd zijn geweest door dit beeld. Ondanks de Engelse titel van het liedje, werd de verdere tekst door de Franse zanger Michel Polnareff in het Duits gezongen. Dat deden niet alleen Duitsers, maar ook Nederlanders met voornamelijk Frans- en Engelstalige liedjes. Willeke Alberti, Rob de Nijs enz. braken ermee door. Het plaatje kwam in 1966 uit en veroverde de wereld. Thuis draaide ik het plaatje enige keren, erkende de miskoop en daar bleef het bij. De b-kant, Ich will dich lieben, was al even verfoeilijk als de a-kant. Zoals het vaak met souvenirs gaat, verdween het plaatje in de la. Ik vermoed dat ik het plaatje naast de hoesfoto óók heb gekocht omdat ik iets specifiek Duits wilde hebben. Geen schilderijtje van een kerkje uit Hannover. Een plaatje van The Beatles kon ik wel scoren bij Radio Poelman aan het Boven-Oosterdiep te Veendam, waar ik regelmatig aanliep. Wat ik met dit kleinood in mijn koffer toen nog niet wist was dat dit het einde zou betekenen van de -hoewel al slinkende- liefde voor het Duitse lied. Michel Polnareff, met zijn Nur du allein-gekweel, smeet de deur dicht. Dan nog liever Frans, al verstond ik daar geen bal van. Hoe dan ook, het was om de grote Freddy Quinn na te spreken: Fur über vorbei (hij tikte weliswaar al de 9 kruisjes aan!). Ik ben na deze schoolreis meerdere keren in Duitsland geweest, langs de Rijn afgezakt naar Loreley en Mannheim. Via Sleeswijk-Holstein naar Denemarken. Langs Hamburg oostwaarts tot bijna aan de grens van DDR. Het plaatje van Michel Polnareff is opgelost in de tijd. Foetsie! Dik 10 jaar later, was het enige Duits dat ik in de winkel verkocht vooral elektronische muziek. Van Kraftwerk, Amon Düül en Tangerine Dream. Niet mijn pakkie-an. Op het Lochummer PopFestival van 1979 baarde het kortstondige duo Herman Brood & Nina Hagen opzien. Hagen blies die middag het laatste spoortje Duits uit mijn kop. Als ik nu aan Duitse muziek denk, dan komt bijna automatisch dat liedje Over de muur van Klein Orkest bij me boven. Een protestlied tegen de afscheiding tussen Oost en West-Duitsland. Alleen de vogels kunnen gaan waar ze willen. Berlijn. De stad die Christiane F., David Bowie en Nick Cave tekende. Maar Over de muur ook, omdat ik het meerdere keren heb gehoord op een vredesmanifestatie en het mee neuriede. Vandaar de PlaatKeus van vandaag: Later is allang begonnen van Klein Orkest. Uitgebracht in 1984.
28.2.26 **** Even ter uwer informatie: De site Gieterveen.com ligt al een tijdje stil. Er schijnt sprake te zijn van een werkgroepverandering. Mijn laatste column, die van januari 2026, is om een voor mij duistere reden gewist. Normaal meld ik veranderingen of nieuwigheden die mijn schrijfwerk betreffen op het blogboek onder mijn naam (zie aldaar), maar dit berichtje lijkt mij toch wel belangrijk genoeg hier te vermelden. Lezers die de Gieterveen.com-columns lezen en ook mijn stukken op deze site (veenberichten.nl – Man zonder baard memoirt – 2026), weten bij deze iets meer van de hoed en de rand. Mocht er nieuws volgen, dan meld ik het. Prettige zaterdag en hartelijke groet! Willem.
25.2.26 Ode aan de ons verlaten Minister-President Ik moet het er over hebben, of ik wil of niet. Ik ben al wat aan de late kant, want alle stukjesschrijvers en columnisten of wat dies meer zij, hebben mij het gras al voor de voeten weggemaaid. En iedere keer als ik weer zo’n hatelijk stukje onder ogen kreeg waarin de goede man tot aan de grond, wat zeg ik, tot ín de grond werd afgebrand, dacht ik: ‘Tjongejongejonge, kijk eens naar jezelf eikel’. Van vrouwelijke querulanten zei ik dit natuurlijk niet, omdat ik dat woord niet gepast vind. Maar mijn boosheid jegens hen was dezelfde. Ik zal niet zeggen dat ik juichte toen de man werd voorgedragen om het stokje van de scheidende MP, de heer Rutte, over te nemen. Hij was per slot van rekening de langst zittende MP ever. Bovendien had hij geen enkele Kamerervaring, hij kwam uit een totaal andere wereld en wist absoluut niet hoe hij 150 van die driftkikkers in de Haagse bolderkar moest houden. Ik geef het al die zeikstralen van critici te doen. Ook hier geldt: de beste stuurlui staan aan wal. Hij moest van de ene dag op de andere de poort van het bekende Torentje opendraaien. Hij kreeg de sleutel van de aftredende MP en keek ernaar alsof hij nog nooit zo’n voorwerp had gezien. De oud-MP-er sjeesde er als een hazewindhond vandoor. Daarna begon het getreiter. Bij elk woordje, bij elke verspreking of hapering en ik geeft toe dat dat nogal eens voor kwam, doopte de krantenmaffia de pen in vitriool of kokend zoutzuur. Heremijntijd, wat wisten ze het allemaal goed! Natuurlijk had ik ook zo mijn bedenkingen over de staat van dienst van de grasgroene MP en vooral van zijn curriculum vitae. Ik heb in een ver verleden weleens gelogen dat ik de studie ‘Leven in Letters’ van de Open Universiteit met goed resultaat had doorlopen en niet dat ik het na de propedeuse al voor gezien had gehouden. Dat heeft mijn carrière als productiemedewerker in enige metaalfabrieken en fustenvuller bij de Eelder bloemenveiling echter niet in het minst in de weg gestaan. Verre van, zou ik haast willen zeggen. Maar ik was in mijn werkzame leven snel tevreden en had weinig zin in the way up. Even zo vaak struikelt een streber en gaat kopje onder. Ik heb weleens gezegd dat ik voorbij de tweede sport van de ladder al last krijg van hoogtevrees. Bij vergaderingen, want ik werd ooit in het jongerencentrum van mijn woonplaats gekatapulteerd tot voorzitter van de stichting, dommelde ik niet zelden weg en hanteerde de rubber hamer bij het minste of geringste meningsverschil. ‘Als jij van plan bent de boel in de soep te laten lopen, dan is daar het gat van de deur’, zei ik dan streng. Deze manier van optreden dwong respect af. Zo had die nieuwe MP dat ook moeten doen. Maar hij hield zich in en zei bijvoorbeeld nooit zoiets als: ‘Effe dimmen meneer W., u stoort de voortgang van de vergadering’. Dat was zijn taak ook niet, ik weet het, maar hij had het wel kúnnen doen. Door zijn ietwat lakse houding, door voornoemde W. aangeduid als ‘slappe hap’, werd de druk groter en groter en kwam de roep dat Barbertje moest hangen steeds meer in zicht. Aangeschoten voor er één schot was gelost. Ik bezag zijn struikelgang met vochtige ogen. Hoe hij gekielhaald werd en weer boven andermaal onder water werd geduwd. Zijn aalgladde voorganger wist bij een dreiging precies wat hem te doen stond en gooide het op zijn wrakke geheugen. Maar hij verwerd tot een nomade en vond in ’s werelds grootste brulaap zijn bonus-daddy. Mijn vrouw en ik zagen zijn gestrooplik met verbijstering aan. ‘Hoe is het toch mogelijk’, was al ik kon uitbrengen en ik dronk om me niet te verslikken met hele kleine slokjes mijn geliefde Dikkie Dik-beker tot op de bodem leeg.
En toen ineens was het over! De gluiper die hem had binnengeloodst, liet hem als een baksteen vallen. ‘Tjongejongejonge, wat een bende’, ontglipte de MP. Hij ordende zijn papieren en verliet met opgeheven hoofd de Kamer. In de zee van microfoons bij de uitgang, hakkelde hij over de dag van de bevrijding; van zíjn bevrijding! Voorts hoopte hij nooit meer iemand van die klotenclub tegen het lijf te lopen, daar kon hij gezien zijn hardloopervaring wel voor zorgen. Ik wist op dat moment dat ik hem zou gaan missen. Wis en waarachtig. Ik ben geboren in de tweede regeringsperiode van Willem Drees en maak al jaren gebruik van zijn grootste wapenfeit. Dat gun ik de ons vorige week verlaten MP ook. Binnenkort zal hij aan zijn memoires beginnen, waarmee hij parlementair Den Haag op zijn grondvesten zal laten schudden! Eerst om er in te komen nog even de grote avonturenroman Moby Dick herlezen en dan aan de slag! Als het in de schappen ligt, zal ik het meteen aanschaffen!
Ps. Mocht er iemand zijn die het ambt van MP begeert, raadpleeg dan eerst het boek De korte regering van Pepijn IV van John Steinbeck. Wellicht komt u tot inkeer. Besef dan dat de maatschappij ook praktische handen nodig heeft.
22.2.26 PlaatKeus #10 Jongens waren het, maar geen gewone jongens, want daar keek je immers niet tegenop. Tegen hén wel. Ze speelden in bandjes die namen hadden als Eddy and the Flying Arrows, The Rocking Tigers, Cuby and the Blizzards of Nicky and the Shouts. Die namen hadden ze natuurlijk afgekeken van grote voorbeelden als Cliff Richard and The Shadows, Buddy Holly and The Crickets of Bill Haley and The Comets. Maar die namen waren nogal lang om goed leesbaar voor het publiek in de zaal op de basedrum te schilderen. Dat moest korter. Eerst viel de naam van de zanger af. Dat scheelde al gauw twee woorden. The bleef nog wel, zoals in namen als The Motions, The Shoes, The Rod-y-s …. Weer iets later viel ook The weg en bleven alleen nog 1 of 2-woordnamen over. Golden Earring, Tee-Set, Supersister, Massada, Focus, Doe Maar, Normaal, Bots …. Bij de laatste opschoning viel zelfs de semantiek weg. Waarom zou een bandnaam ook iets moeten betekenen? Dus ontstonden voor-de-vuist-weg-bandnamen of afkortingen. Cuby and the Blizzards werd C+B, HET was en bleef HET en Q65 werd de Q of gewoon Q. Die laatste won de competitie. Het was de Haagse band rond zanger Willem Bieler; de luidruchtigste (dat zeiden ze zelf!) uit de tweede helft van 1966. Ze waren hiermee in verwoede strijd met de niet minder luidruchtige Outsiders met Wally Tax als zanger, uit Amsterdam. Willem Bieler bediende zich van een soort Engels waar iedereen de draag mee stak. Steenkoolengels of Haagsengels, zou je het kunnen noemen. Beetje zoals hun stadsgenoten Kees van Kooten en Wim de Bie later met overdreven tongval het Haags te kakken zetten. Q’s debuutsingel, You’re the victor, werd meteen een hit. Maar ze moesten het net als hun Amsterdamse concurrenten vooral hebben van ophef. Frank Nuyens was de slaggitarist van de band. Eind ’60 was het met de Q nagenoeg gedaan. De rustige Frank Nuyens nam een solo-elpee op, getiteld: Rainman. Het mocht niet teveel kosten, vermoed ik, vandaar de sobere hoes. Voorop de zanger; lange haren, ruige kinnebak, vaal spijkerjasje, cojbojlaarzen en een groot kruis om zijn nek. Hij loopt met een zekere nonchalance op de fotograaf af. Dat is duidelijk een paar keer gerepeteerd. Toen hebben ze de beste opname van de Kodak- of het Agfarolletje gekozen. Op de achterkant van de hoes leunt de zanger tegen een paal van wat een veranda voor moet stellen van een zomerhuisje, dat nodig aan een lik verf toe is. Ondanks deze soberheid, kreeg de plaat lovende kritieken, maar verkocht voor geen meter. Ik viste op 21 januari 1973 een exemplaar uit een koopjesbak bij André’s Platenbar aan de Marktstraat te Assen. De plaat heeft niet geleid tot een flitsende solocarrière van Frank Nuyens. Hij speelde in 1975 bij Red, White & Blue, het nieuwe avontuur van Harry ‘Cuby’ Muskee na het uiteenvallen van C+B, en weer iets later bij The Free Lance Band, met onder andere Eelco Gelling. Ik heb Frank in beide formaties enkele keren onder andere in Lochem, Assen en Giethoorn gezien. Q65 heb ik nooit gezien. Een gemis? Ik denk het niet. Naast de 10 eigen composities op Rainman, zingt Frank van Tim Hardin Don’t make promises. Zo’n man leek hij mij ook wel. Niets beloven wat je niet waar kunt maken. Hij heeft jammer genoeg maar 1 elpee gemaakt. Niettemin een pareltje. KeuzePlaat van vandaag: Rainman van Frank Nuyens. Uitgebracht in 1971.
20.2.26 Carnaval Het was Rosenmontag en ik stond op de loopband bij de fysio. ‘Volgens mij heb jij niet met het carnaval meegedaan, want je ziet er zo fris en fruitig uit’, zei ik tegen mijn therapeute. Ze lachte en zei: ‘Nee, ik hou helemaal niet van dat soort feesten. Jij wel dan?’ ‘Nee’, zei ik, ‘ik heb er ook nooit aan meegedaan’. Maar toen ik even later naar huis reed, schoot me ineens te binnen dat ik wel degelijk een keer naar een carnavalsavond was geweest. Het speelde in mijn eigen dorp. Daar heeft een aantal jaren een carnavalsvereniging bestaan. Ons dorp kende echter weinig of helemaal geen katholieke inwoners en daardoor kende het geen carnavalstraditie met de nodige toeters en bellen. Ieder jaar reed er voor de carnavalsavond ’s middags een wagen met daarop de hossende Raad van 11 luid toeterend en voorzien van een geluidsinstallatie door het dorp om de mensen op te roepen naar de feestavond te komen. Er deden zich over die avond praatjes de ronde die van grenzeloze losbandigheid spraken, maar dat was natuurlijk vuilspuiterij van de preutse tegenkant. Hoewel …, zulke praatjes bleven hangen en maakten nieuwsgierig.
We zaten die zaterdagavond in onze stamkroeg, toen het carnaval in ons dorp ter sprake kwam. We waren jongens die niet gespeend waren van enige leutigheid en iemand opperde om naar dat feest te gaan. Feestkleding was echter verplicht, dat was wel een dingetje. Nu werkte de eigenaar van onze stamkroeg doordeweeks als vleescontroleur bij een vleesverwerkend bedrijf en hij bezat hierdoor een aantal slagersjassen. Die dingen zijn helwit, wat ik nooit begrepen heb. Degenen met de opvallendste uitdossing zouden een prijs krijgen. Als we nu eens als een clubje werknemers van het betreffende vleesbedrijf gingen? Geweldig idee! De jassen werden aangetrokken en daarna rijkelijk met rode ecoline besprenkeld. Het gaf een zeer realistisch beeld. Beetje luguber, dat wel, maar dat moest kunnen. Daarnaast droegen enkelen van ons een bijpassend hoedje en bracht de vrouw van de kroeghouder ons met een viltstift een snor of een knevel aan. Gevoegd bij onze lange haren -mode, die tijd- maakten wij een buitengewone indruk.
Tegen elf uur betraden wij het etablissement. Ik was kort ervoor lid van de club geworden, zoals ik meerdere dorpsverenigingen uit een soort sympathie met een kleine injectie steunde. Ik mocht dus zo naar binnen. De andere jongens betaalden met lichte tegenzin 5 gulden entree. Maar dat zouden wij wis en waarachtig terugkrijgen als prijs. En zo liepen wij, dat hadden we afgesproken, hand aan hand als een streng paoskerels, zoals ze dat in Ootmarsum doen, naar voren. Schrik en vrees was merkbaar en gilletjes waren niet van de lucht. Kennelijk had mevrouw de ecolinekwast wat al te rijkelijk gehanteerd. Het toneel voor in de zaal hebben wij niet eens gehaald. Twee als clowns verklede mannen pakten ons bij de lurven en sommeerden ons ogenblikkelijk de zaal te verlaten. Wat meenden we wel; een beetje een horrorshow opvoeren? Het was een vrolijk feest, geen slachtpartij.
En toen zaten we in de voorzaal; beteuterd. ‘Pilsje jongens’, zei de caféhouder, die de grap wel kon waarderen. We hebben de feestkleding uitgetrokken en hebben nog een paar keer om het hoekje de feestzaal ingekeken. We proefden het gedruis, hoorden het uitbundige gezingzang over bloemetjesbehang en over Mien die haar poesje tegen wil en dank moest laten zien en zijn tegen middernacht tamelijk stilletjes teruggegaan naar onze stamkroeg. Daar leverden we onze attributen in en namen een afzakkertje. Nee, het carnaval was niet echt aan ons besteed. Dat was voor eens en altijd duidelijk.
17.2.26 In memoriam Trienke Koopman De straat ligt er zwijgend bij. Het zou het begin kunnen zijn van een versje, de inhoud van dat versje zou nog alle kanten op kunnen waaieren. Maar het kan ook zijn dat het geluid van het verkeer niet bij mij binnenkomt. Want ik ben verdoofd en in de war en daardoor misschien ook wel afgesloten voor de buitenwereld. De reden is dat een van onze buurtgenoten plotseling is overleden. Toen ik het las, maandagmorgen in het Dagblad, kón ik het en wílde ik het niet geloven. ‘Hèwatneeeehh!’, riep ik uit en in hakkelende woorden ‘Dat kán niet!!’. Mijn vrouw keek verbaasd op van haar mobieltje waarop ze een podcast volgde. Ik zei nu wat ik zag: ‘Trienke is dood’ en daarna stokte mijn stem en las het bericht uit. Alles klopte: naam, adres, Johan haar man, de kinderen. Ik was lichtelijk verlamd. 67 jaar, in januari geworden. Net op pensioen of er tegenaan. Zo’n krachtige, zo’n aardige vrouw. Ze kwam regelmatig voorbij voor een loopje. Altijd werkzaam geweest in de zorg, veel gedaan tijdens de coronaperiode. We praten even bij als we elkaar tegenkwamen. Ze was geboren in Waskemeer en -hoewel dat er niet toe doet- ik heb ook jaren in de gemeente gewoond waar Waskemeer onder valt. De plaatsnaam is nog vereeuwigd door Pé Daalemmer en Rooie Rinus in de plaattitel ‘Op verziede in Waskemeer’. Ik vond dat Fries/Stellingwerfs in haar spraak erg plezierig. Die lichte zangerigheid. En ineens is dat alles voorbij. Kortom: verbijstering.
Wat is hier gebeurd, was mijn/onze vraag? Ik belde mijn zus. Ze liep wekelijks met Trienke. Zij wist het ook net en verkeerde in eenzelfde ongeloof. Later hoorde ik de oorzaak: hartstilstand. We moesten bijkomen. Hoe moet het nu verder met Johan, zeiden we. ’s Middags lag de kaart al in de bus. We moesten naar de crematie, dat leed geen twijfel. Mijn vrouw had er niet van kunnen slapen, had gehuild en mij ging het even slecht af. ’s Morgens hadden we het er lang en breed over. Zij heeft angst tussen al die mensen -want druk zal het worden!- griep op te lopen. Want het heerst, ze is bovendien nogal vatbaar en kwakkelt al weken. Iets van ontsteking, die moeilijk over gaat. Maar van antibiotica wordt ze nog zieker. ‘Dan kunnen we beter niet gaan’, zei ik met moeite en zwaar tegen mijn gevoel van noaberplicht, maar enigszins tot haar opluchting. Alleen gaan was een optie. Lang over nagedacht. We zullen een mooie kaart kopen met veel sterkte erop en een opbeurend woord in zover dat als steun kan gelden. En een korte uitleg waarom we er niet bij zijn. Want met veronachtzaming heeft het niets te maken. Stel je voor zeg! Ik heb nooit iemand als reden voor het afzien van het bijwonen van een begrafenis of crematie als reden horen geven: ‘Ik kon het niet aan’. Zal best wel voorkomen, op zich een hele geloofwaardige reden. Maar het zit mij wel dwars als dat zo wordt gedacht. Als iemand mij dat zou vertellen als ik zelf de verslagene was, zal ik het misschien ook niet goed begrijpen. Of juist wel. Ik weet het niet. De filosoof Wittgenstein heeft eens gezegd: ‘Waarover men niet spreken kan, daarover moet men zwijgen’. Als iedereen zich hieraan zou houden, werd het in de wereld even stil als de afgelopen dagen bij ons. Wittgenstein overleed op 30 april 1951. Komende 30 april hoop ik 75 te worden. Zekerheid heb ik hier uiteraard niet over. Laat dat vooral heel duidelijk zijn!
15.2.26 PlaatKeus #9 Tv-Drenthe meldde afgelopen vrijdag de dood van Berend Jan Hegen – Bé voor wie hem beter kende. 83 is hij geworden. Ik kende Bé een beetje. Half jaren zeventig ben ik enige tijd met een vijftal jongens bezig geweest een bandje te formeren en toen dit in een knal eindigde, op een manier zoals bandjes vaak eindigen, sloten twee van hen zich kort daarop aan bij de B.J.Hegenband. Prima. Ik kon er goed mee leven. Toen ik Bé een tijdje later met die jongens zag optreden, sprak hij mij in de pauze even aan. Alsof hij een beetje verlegen met deze tranfer was. Sindsdien kwam ik hem wel vaker tegen. Bé was een alleraardigste man, dit in tegenstelling tot Harry ‘Cuby’ Muskee, die landelijk bekende, stugge bluesman. Voor mij was Bé de authentieke bluesman, de uitdrager van het grote verhaal dat achter de blues steekt en in die zin een beetje een bluesdokter. The Healer, zou John Lee Hooker zeggen. Over dokters in de muziek gesproken. Er zijn meerdere artiesten die Dr. als geuzennaam gebruikten. Laat eens kijken: Dr. John the Nighttripper, Dr. Strangely Strange, Dr. Hook & the Medicine Show, Dr. Funkenstein …. Zomaar een paar muzikale dokters, aan wie je als arts waarschijnlijk weinig zult hebben. Maar in overdrachtelijke zin zou je hun muziek een probaat middel kunnen noemen tegen somberheid, druilerigheid en neerslachtigheid, kortom: het betere soort placebo. De aardigste dokter die ik ooit heb zien optreden en zelfs een praatje mee heb gemaakt (nee, geen consult!), was Dr. Ross. Ik zag hem op 11 oktober 1974 in Brandpunt in Assen. Dr. Ross werd geboren als Isaiah Ross op 21 oktober 1925 in de staat Mississippi. Hij brak nooit echt door zoals zijn staatsgenoten Muddy Waters en Howlin’ Wolf dat wel deden. Het concert zou als gebruikelijk tegen halfnegen aanvangen, maar ál er was: geen Dr. Ross. Pas tegen half elf (22.30 uur) kwam hij binnen. Een handige, goedlachse man. Een deel van het publiek was al morrend naar de binnenstad vertrokken, naar café’s als Jan Dekker, Outkast of de Witte Bal. Weer zo’n Amerikaan die het werk niet al te serieus neemt, hoorde ik links en rechts. Ik bleef. Toen Dr. Ross arriveerde verontschuldigde hij zich uit-en-te-na. De chauffeur had hem naar Kreuningen gebracht. Jaja, Groningen, want dáár gebeurde het. Dr. Ross zette vliegensvlug zijn instrumentarium klaar en ging aan de slag. Hij speelde om de schade in te halen tot ver na twaalf uur door. Hij moest toen letterlijk stoppen, omdat Brandpunt een zekere sluitingstijd had. Toen heb ik hem even aangesproken en een elpee van hem gekocht, die hij ongevraagd signeerde. Die platen voer hij mee in een koffertje en placht hij aan het publiek te verkopen, want ‘hij was een arme blueszanger en moest de hele tournee zelf betalen’. Naast een goedlachse bluesman, was hij ook een beetje een stand-up comedian. Hij maakte grapjes, iets wat ik van die Hollandse blues-treurwilgen niet kende. Blues was vooral somberheid. My baby left me …, en zelf de onschuldige spelen. Jaja! Dr. Ross vertelde dat hij een groot deel van het jaar bij General Motors in Flint, Michigan werkte. In de blueswereld was hij een kleine scharrelaar en aan de montageband ofwel assembly line waar Harry Muskee over zong, een van de duizenden onzichtbaren. Het was een memorabele avond. Vier jaar later zag ik in een stampvolle Oosterpoort in Groningen de grote blueslegende John Lee Hooker. De man die later met Bonnie Raitt nog The Healer zou opnemen. Dat optreden was om muziekrecensent Leo.W. Bruin na te spreken: ‘Een pijnlijke ervaring’. Dat was het zeker. Er zat een uitgebluste, nukkige oude man op een stoel beroemd te wezen – de muziek liet hij door een paar jonge begeleiders maken. Nee, dan duizend keer liever Dr. Ross, ’the Harmonica Boss’, zoals hij zich noemde. Van Bé Hegen bezit ik geen enkele plaat en ik moet het dus doen met een andere pleitbezorger van de onversneden blues. Ik hoop dat Bé er ‘somewhere in bluesheaven’ mee kan leven! PlaatKeus van vandaag: Dr. Ross – The Harmonica Boss. Opgenomen in Londen, uitgebracht in 1972.
14.2.26 Heftige berichten Bij het doorstruinen van de krant tref ik altijd zaken die ik liever niet dan wel weet. Aan ontsnappen is moeilijk, ze komen eenvoudigweg op mijn pad. Twee weken geleden bijvoorbeeld las ik dat er in het Beatrix-Kinderziekenhuis in het UMCG een muis was gesignaleerd. ‘Grappig’, dacht ik, want ik heb geen hekel aan een muis. Dat begint om te slaan als het een plaag wordt. Dus ik dacht: ‘Eén muis. Wat kan die voor schade aanrichten?’ Bovendien, kinderen zijn over het algemeen heel mild over muizen. Dat wordt mede veroorzaakt doordat ouders kinderen verhaaltjes voorlezen over muizen en kikkers. Voor hen zijn dan de vreedzaamste aller dieren. Maar nu wordt het kind in het ziekenhuis -op zich al geen pretje- verteld dat hij of zij met bed en al verderop in het pand wordt ondergebracht, omdat er een muis in de kamer is gesignaleerd. Wie weet is het een schreeuw om aandacht van degene die het bij de staf van het Centrum meldde. Als dat het geval is, dan moet hem of haar ogenblikkelijk verder toegang tot het ziekenhuis worden ontzegd. En nu las ik dat de muis afgelopen weekend is gevangen. ‘Het was even doorbijten’, zei het hoofd van de facilitaire dienst, ‘maar we got em!’ De kinderen konden weer terug. Wie weet met hoeveel plezier ze bij het vallen van de avond, als de ouders en het personeel waren opgeduveld, naar het diertje hebben uitgekeken. Daar werd door het rampteam van het UMCG volgens mij totaal niet bij stilgestaan.
Ik heb veel in het betreffende ziekenhuis gelopen en dat brengt mij bij een volgend bericht. Er was bij mij in het Asser ziekenhuis peniskanker geconstateerd. Dit komt weinig voor en om het zeker te weten moest er een ‘hapje weefsel’ voor onderzoek uit de plek des onheils worden genomen. Dit gebeurde met een soort injectienaald. Een mens maakt veel pijnen en pijntjes mee, het is inherent aan het leven, maar deze ingreep was geloof ik wel het pijnlijkste dat ik ooit heb ondergaan. De arts was hier op voorbereid en had twee assistentes opgeroepen die zich ter zijde van mij opstelden. Áls ik geweten had wat er ging gebeuren, dan had ik denk ik stante pede gekozen voor onmiddellijke inslaping. Wat na de vaststelling kanker in het UMCG aan verder onderzoek en tenslotte operatie plaatsvond, was er niets bij. Daarom verbaasde ik mij toen ik las over een skischansspringer die zich een bepaald soort zuur in zijn penis wilde laten inspuiten, waardoor zijn lid zou opzwellen en de spanwijdte van zijn skipak met twee centimeter zou vergroten. (?) Hierdoor zou hij een meter of vijf verder door de lucht kunnen zweven en tot een ongekende prestatie kunnen komen. Ik zweer, dat mocht die skischansspringer de ingreep die ik onderging, evenzo zou ondergaan, hij ogenblikkelijk voor een totaal andere sport zal kiezen.
Nog een bericht. Het speelde zich vorige week af in Berlijn. Vanwege de gladheid in heel Duitsland (net als bij ons) had de burgemeester van deze stad de wettelijke bepaling dat er vanuit milieuoogpunt geen zout op trottoirs mag worden gestrooid, naast zich neergelegd. De vele valpartijen en breuken waren te ernstig. De Berlijners sloegen massaal aan het strooien. Maar nog diezelfde nacht (!) beval de rechter dat het strooiverbod moest worden gehandhaafd: breuken of niet! Daardoor ontstond de maffe situatie dat mensen die in alle vroegte hun trottoir bestrooiden, een boete konden krijgen van maximaal 10.000 euro. Toen ik dit las, moest ik aan Multatuli denken. Multatuli (eig. naam: Eduard Douwes Dekker) was door De Opregte Haarlemsche Courant in 1866 als correspondent in Duitsland aangesteld. Hij moest als verslaggever artikelen schrijven over wat er zoal gebeurde bij onze oosterburen. Dat viel nogal tegen en daarom nam hij stukken over uit de Mainzer Beobachter. Althans, dat liet hij de lezer weten. De artikelen werden steeds fantastischer. Iemand van de Opregte kwam op de gedachte eens zo’n Mainzer Beobachter te bemachtigen, maar die krant bleek helemaal niet te bestaan. Multatuli viel door de mand en werd ontslagen. Achteraf jammer. Charles Dickens is als schrijver doorgebroken met De Pickwick Papers. Ook hij verzon alles. De als een feuilleton gebrachte serie reisverhalen van het stuntelige gezelschap notabelen door Engeland, bleek een handige verkooptruc. Het kwam natuurlijk uit, maar de Engelsen zagen de humor er wel van in. Maar de redactie van de Haarlemmer wenste slechts oprechte waarheden te publiceren. Ze hadden wat lachkruid moeten toevoegen aan hun olie.
In het artikel over de strooikwestie in Berlijn, wordt gerept dat er door de vele breuken, tot zelfs vanuit Beieren veldbedden moesten worden aangevoerd. Ik geloof stilletjes dat we te maken hebben met een nieuwe Multatuli. Maar van mij zal de betreffende krant het niet horen!
12.2.26 Nieuwe ziekte De man maakte zich steeds bozer, het liep de spuigaten uit. Zijn vrouw moest onlangs nog door de knieën, omdat hij woedend de krant tot een prop had gekneed en in de richting van de papierbak had gegooid. Geschrokken wilde ze hem kalmeren. ‘Kalmeren! Kalmeren! Mij kalmeren! Die rotzak van een Trump moeten ze godverdegodver kalmeren, kaltstellen moeten ze hem!’ Het schuim liep hem uit de mond, zou ze tegen de arts zeggen. Het was altijd zo’n aardige man geweest, af en toe weleens opvliegend, maar na een biertje of een likeurtje, verdween dat in een oogwenk. Sinds het aantreden van die verschrikkelijke man in Amerika (nee, ze wilde zijn naam liever niet noemen), was er geen land meer met hem te bezeilen. Alleen al bij het zien van die kop kon hij volledig door het lint gaan. Dan hielpen ook geen twee of drie biertjes. Daarom knipte zij sinds enige tijd zorgvuldig alle foto’s waar dat kwelbeest op stond uit de krant. Hij wist hier van en vroeg niet eens of er op achterkant van zo’n missend stuk iets van waarde had gestaan. Maar afgelopen maandag had ze een bladzijde gemist en laat er nou net op die pagina een afgietsel van dat afschuwelijke beest staan. Naast een foto van een zestal leden van de immigratiepolitie die een jongetje van een jaar of zes als een massamoordenaar onder schot hielden. Ieder weldenkend mens moest hier van walgen. ‘Durven jullie wel, stelletje klootzakken, losers …’, begon hij zijn tirade. Ze was bezig in de keuken en had niet in de gaten waardoor hij ineens zo los ging. Het overkwam haar met dezelfde schrik als waarmee ze het eerste gerommel van een te verwachten zware onweersbui waarnam. Toen stootte hij in zijn onbeheerste razernij ook nog zijn koffiemok omver, waardoor de krant in een dweil veranderde. Het was het hek van de dam. Als een getergd dier sprong hij overeind z’n stoel achteruit duwend, die met volle kracht tegen de vensterbank viel en de vaas die hier al jaren antiek en kostbaar stond te worden, eraf kieperde. De vrouw kwam aangerend, roepende: ‘Wat gebeurt hier wel?’ Als verlamd had de man de scherven met zijn handen bijeen geharkt. Zij had hem na te zijn uitgescholden een glas limonade ingeschonken en er stiekem een half dozijn tranquillizers in opgelost. Dat had geholpen. ‘Ik moet even liggen’, had hij na een paar minuten gezegd. Terwijl hij sliep had zij de huisarts gebeld. Wat moest zij hiermee aan? De huisarts wist wel raad. Hij kende een specialist in de stad voor dit soort gevallen. De volgende dag konden ze al bij hem terecht. Mogelijk doordat hij nog versuft was, stemde hij toe. Diepe schaamte speelde mede een rol. Die vaas was een erfstuk en de stoel had een flinke deuk opgelopen.
De arts bleek zich te hebben toegelegd op zoals hij zei: trumpitus complexi. Nadat de zwerm coronaontkenners was afgenomen, diende zich een even hardnekkige nieuwe ziekte aan toen Donald J. Trump voor een tweede termijn was gekozen. ‘Dat wordt heibel’, zei hij tegen vriend en vijand en schroefde een bord met ‘Trumpitus-specialist’ naast zijn voordeur. Het liep meteen storm. Ingebeeld of niet, ze kwamen zelfs ’s avonds laat nog binnenvallen. Het meest voorkomende ziektebeeld: Niet te onderschatten angst voor de toekomst onder T.’s tirannie, overslaand in niet te temmen woedeaanvallen. De arts sloeg de spijker op z’n kop. De man hoorde het zwijgend aan. ‘Wat ik u voorschrijf is van levensbelang’, zei hij. ‘U moet ogenblikkelijk uw krant opzeggen, uw televisie de deur uitdoen en uw mobieltje het liefst heel diep in de tuin begraven. Alleen dan kunt u deze duivel uitdrijven. Voorts moet u elke avond een stoombad nemen en bij het krieken van de dag een ijskoude douche. Ter verpozing kunt u naar muziek van bijvoorbeeld Erik Satie of Jan Vayne luisteren. Ook lezen is zeer heilzaam. Geen moeilijke boeken, iets van Hendrik Groen is een goede keuze en een beproefde remedie. Als u zich strikt aan deze regels houdt, is herstel niet ondenkbaar. Ik heb voor hetere vuren gestaan. Bent u fondspatiënt, dan zit u goed. Ik wens u veel sterkte en denk erom, voor de donder niet opgeven!’
Opgelucht verlieten ze de praktijk. Ze liepen via de Hoofdkade naar de parkeergarage. De zon scheen door de kale bomen, maar in een miniperkje voor een huis bloeiden al sneeuwklokjes en een groepje mezen lawaaide rond een nestkastje. Toen begon de man plotseling te fluiten. Aarzelend. Ze wist niet wat ze hoorde. Op dat moment zag ze aan de overkant van de straat een reusachtig billboard met de aankondiging Melania Trump – the movie of the Mad King’s wive. Ruw trok ze haar man een onbeduidend zijstraatje in. Hij had niets in de gaten en floot alsof zijn leven ervan afhing. Normaal zou ze hem gezegd hebben iets te temperen. Nu niet. En toen hij ook nog What a wonderful world inzette, zong ze stilletjes mee. Het zou allemaal goed komen!
10.2.26 PlaatKeus #8 Mijn broer zou binnen enkele weken komen te sterven. Het stond gepland. We waren in die laatste weken meerdere keren bij hem op bezoek geweest en op zeker moment vroeg hij wat er na zijn leven met zijn royale platencollectie zou gebeuren. ‘Die gaan denk ik naar een inbrengwinkel’, zei ik voorzichtig. Want nu hij daar over begon, was er geen weg terug. Dat wist hij en dat wisten wij. Op zich niet vreemd dat ik dit zei, want hij was zelf altijd een grage klant in deze winkels geweest. Soms kocht hij ook via een blad als ‘Country Gazette’ een handeltje. Een deel van zijn platenkast bestond uit dit soort platen. Toen hij vroeg of ik zijn collectie niet wilde meenemen, zei ik: ‘Neeh. Waar moet ik ze laten, ik heb zelf al zoveel platen’. Allemaal waar en toch lonkte het. Maar omdat de optie ‘alles’ afviel, bood hij mij gelegenheid díe platen eruit te halen die ik graag wilde hebben. Dat deed ik. Hoewel ik dit niet had voorzien, wist ik zonder na te denken van op zijn minst één artiest wiens platen ik veilig wilde stellen: Buddy Holly. Hij had niets op volgorde staan en dus moest ik mij door een woud van Abba’s, BZN’s, John Denvers en allerlei feestgedruis ploegen, alvorens ik alle Buddy Holly-platen bij elkaar had gescharreld. Ik was maar weinig andere platen van mijn gading tegengekomen. Wel vond ik een paar elpees terug die ik hem ooit had uitgeleend. Kan gebeuren. Van de tien Buddy Holly-platen die ik tegenkwam, was er geen enkele originele bij. Dat wil zeggen: uit de tijd dat hij nog leefde. Want tijdens zijn korte leven bracht Buddy Holly slechts een paar elpees uit en die zaten er niet bij. Ik had zelf al een vijftal Buddy Holly-platen (waarvan 3 dubbelelpees) en met deze 10 erbij moest ik zijn hele oeuvre wel hebben. Niettemin voegde mijn broers erfenis alleen al door de verschillende hoezen heel wat aardigs toe. Naar de hoesfoto van de eerste elpee van Buddy Holly die ik mij kan herinneren, modelleerde mijn broer zich. Dezelfde kuif, hoewel iets voller, want Buddy Holly was anders dan zijn rock&roll-collega’s, een keurig man. Hij kwam uit het conservatieve Texas, vandaar. Ook de typische bril met stevig zwart montuur en licht getinte glazen, werd onderdeel van mijn broer zijn outfit. Ik vond de plaat terug in zijn platenkast. En van het Corallabel! Dat was het label van de originele platen die tijdens zijn leven uitkwamen. Alleen platen op dat label, liet mijn broer mij al op jonge leeftijd weten, waren de echte. Buddy Holly stierf op 3 februari 1959 door een vliegtuigcrash. Nog geen halfjaar ervoor trouwde hij met de Puerto Ricaanse Maria Elena Santiago. Er verschenen na zijn dood op tal van labels platen met zijn werk. Bijna allemaal verzamelelpees en compilaties. Naspeuring blijkt dat de door mij bedoelde plaat ook een herdruk is. Oorspronkelijk was het getiteld The Buddy Holly Story, dat kort na zijn overlijden in 1959 uitkwam. Eind 1964 werd mijn broer zanger van een bandje dat tot dan toe voornamelijk werk van The Shadows en The Ventures hadden gespeeld. Instrumentaal gitaarwerk. Wilden de jongens echter doorbreken, dan moesten ze een goeie zanger aantrekken. Dat werd mijn broer. De beatrage gaf wereldwijd de toon aan en zij voegden zich hiernaar. Desondanks studeerden ze ook een aantal liedjes in van Buddy Holly. Mijn broer kon hem namelijk heel goed nadoen (inclusief die malle Buddy Holly-hik) en werd alom gewaardeerd. Mocht je niets weten van hun muziekstijl, dan hielp mogelijk hun naam: Buddy and the Shapes. Als een verlate ode aan mijn broer die mij de muziek van onder andere Buddy Holly heeft meegegeven …. de PlaatKeus van vandaag: Buddy Holly. Uitgebracht in 1958.
8.2.26 IJzelverhaaltjes 1 In onze straat gebeurt weinig. Zo af en toe komt er een auto langs, een tractor of een fietser. Met de sneeuw en later de ijzel was het helemaal stil. Ik wilde toch wel even naar de fysio, liep voorzichtig over ons bevroren pad naar de garage, reed de auto naar de straat en stapte weer uit om het hek dicht te doen. De weg was dooi. Er reed een fietser voorbij, hij had een grote tas aan zijn stuur. Een vijftigtal meters verderop remde hij ineens krachtig en stopte. Hij steeg hij af en wilde naar ik dacht een blikje oprapen. Het werd met de fiets aan zijn hand een lastige klus, hij moest ervoor door de knieën. Kennelijk was het ook nog geen blikje of flesje, want hij gooide het van zich af. Vreemd. De man draaide z’n fiets nu bij en wilde weer opstappen, maar de tas werkte niet mee. Daardoor maakte hij een rare kronkel en viel ondersteboven. Het gaf een blikkig geluid. Daar lag hij: languit op straat. De fiets lag op de tas en de man half over de fiets. Even bleef het stil. ‘Oei’, dacht ik ‘dat wordt 112 bellen’. Ik wilde erop af lopen, maar de man krabbelde tamelijk makkelijk overeind. Hij trok zijn fiets omhoog en keek in de tas. Ik hoorde hem vloeken. Toen fatsoeneerde hij zijn kleren, steeg op en fietste verder. Ik liep naar de plek waar het dingetje lag waarvoor de man was gestopt. Het bleek een kartonnen kokertje te zijn voor iets van snoepjes. Ik raapte het op en gooide het in de container die nog bij de weg stond. Dat had hij ook kunnen doen.
2 Terugkomend van de fysio, bleek de dorpsweg geblokkeerd en daarom reed ik naar Gasselte en sloeg af bij Kostvlies om nog even in de boekenkast aan de Varik te kijken. Dat doe ik vaker. De boekenkast bevindt zich net na een bocht met veel groene bomen (sparren, coniferen), zodat je weinig zicht hebt op tegemoetkomend verkeer. Dat zou nu geen probleem zijn, want het was doodstil bij de weg. Bovendien reed ik langzaam. Maar laat nou net op dat moment bij dat ene huis de eigenaar of een bezoeker het erf af rijden. Ik had voorrang, dus geen probleem. De meneer of mevrouw had echter niet in de gaten dat het voorste stukje van het erfpad nog glas was. De auto remde wel, maar gleed door. Ik schrok. Een botsing leek onvermijdelijk. Ik remde, maakte een rare slinger en belandde in de berm en reed verder. Iets verderop stond de boekenkast, maar ik had op slag geen zin meer om erin te kijken. Het zou lijken alsof ik haar (in mijn binnenspiegel zag ik dat het een vrouw was) als een bozig mannetje eventjes de les wilde lezen. Niet doen. Bij de volgende afslag ging zij linksaf, ik rechts. Probleem opgelost.
3 De parkeerplaats bij de winkel lag er verlaten bij. Ik had mijn krant al twee dagen niet gehad en hoopte dat de distributeur de winkel wel had kunnen voorzien. Maar nee. Het rek was leeg. Het was er zeldzaam stil. Eigenlijk best wel lekker. Bij het koffietafeltje zat een man, die ‘Koffie meneer?’ zei. ‘Ach ja, waarom niet’, zei ik en nam plaats. Ik kende de man niet. We praatten over het weer, waar zou je het anders over hebben? Al die tijd kwam er niemand langs. We namen een gevulde koek uit het pak dat naast het koffieapparaat stond. De winkelier huldigde mogelijk het standpunt dat de echte doorzetters getrakteerd moesten worden. We hadden zonder moeite een pak van een stelling kunnen pakken en aanbreken; er was niemand die ons zou zien. Daar hadden we lol om. Jongenspret. Nu de kans op mijn krant verkeken was, ging ik verder. De man ook. Buiten zagen we het personeel bezig de brede stoep voor de winkel met een soort stoommachine ijsvrij te maken en zout te strooien. Ze waren zo druk doende dat ze ons niet zagen. ‘We hadden de hele winkel wel leeg kunnen vreten’, zei de man met een soort van spijtgrijns. Voorzichtig liepen we naar onze auto’s en reden elke een kant op.
6.2.26 PlaatKeus #7 In de vroege jaren zeventig, hoorde ik een al oudere collega een voor mijn gevoel nogal afwijkende reden geven waarom hij zijn haren lang droeg. Het was weliswaar mode, maar dat hield toch op zekere leeftijd op. Nee, hij was zijn leven lang al liefhebber van klassieke muziek. Beethoven was zijn favoriet en al in de jaren vijftig had hij zijn kapsel naar diens voorbeeld gemodelleerd. Het had dus niets te maken met de grillen van deze tijd. Hoe hij ‘die bietels’ uitspuugde, sprak boekdelen. Mode is een algemeen aanvaarde tijdelijke verandering van kleding, haardracht t/m woninginrichting en de kleur van auto’s, dewelke -het kan even duren- op zeker moment terugkomt en dan doen we net alsof het volkomen nieuw is. De ontwerpers kennen de menselijke zwaktes en maken hier handig gebruik van. Ondanks zijn afkeer van alles wat naar beatmuziek neigde en wij hierdoor weinig overeen kwamen, werd ik toch nieuwsgierig naar klassieke muziek. De eerste proeve was een langspeelplaat van Readers Digest (het Beste) met hierop enige werken van Carl Weber en Amadeus Mozart. Ik heb het als presentje op 15 mei 1973 per post ontvangen. Het zal niet zoveel jaren later geweest zijn dat ik bij The FreeRecordShop aan de Herestraat in Groningen, een tripple-elpee met pianosymfonieën van Ludwig von Beethoven kocht. Het was een aanbieding, ik kon mij er dus geen buil aan vallen. De naam Ludwig kende ik als het drumstelmerk van Ringo Starr van The Beatles. Ook dat gaf een zekere garantie dat het goed moest zijn. Ik draaide de drie elpees regelmatig, maar viel bepaald niet in katzwijm. Dat begon heel langzaam te groeien doordat sommige popgroepen klassieke invloeden in hun muziek stopten, waardoor namen als Tsjaikovsky, Bach, Grieg of Moessorkski mij bekend werden. Na Beethoven lichtte ik zo nu en dan een klassieke elpee uit een koopjesbak. Met name platen van de labels Deutsche Grammofoon en MMS bevielen me. Duitse kwaliteit, al staat MMS on-Duits staat voor Musical Masterpiece Society. Dikke platen, in stevige kartonnen hoezen. Je kon er een aardige collectie mee opbouwen, want de nummering passeerde de 2000. Ik ging me het meest toeleggen op pianomuziek en daardoor kwamen ook namen als de ragtimer Scott Joplin en de minimalist Eric Satie voorbij. En weer iets later Keith Jarrett. Ik kende de goede man niet. Maar in de tijd dat ik in de platenwinkel werkte, bestelde ik The Köln Concert eens voor een klant. Het was het een dure plaat (dubbelelpee) voor de inkoop en dat geld besteedde ik liever aan twee elpee die wél verkochten. Bovendien leed het vakje Jazz een treurig bestaan. Maar tijden veranderen en mijn smaak veranderde mee en toen ik The Köln Concert jaren geleden in enigszins verfomfaaide staat in een platenbak aantrof, kocht ik het onder het mom van ‘voortschrijdend inzicht’. Sindsdien heb ik het ettelijke keren gedraaid en later (vanwege de storende krassen) op cd aangeschaft. Op de achterkant van de hoes prijkt de pianist in opperste concentratie. Zijn royale afro-kapsel zou Jimi Hendrix niet misstaan. En zo beschouw ik zijn muziek ook een beetje. Jimi Hendrix maakte ook lange collages van gitaarmuziek (bepaald niet mijn smaak); Keith Jarrett doet min of meer hetzelfde achter de vleugel. Hij begint met een eenvoudig motiefje en bouwt dat uit tot een bulderende orkaan, waarbij hij ongegeneerd mee kreunt. Zou een aspirant pianist dit in een muziekwinkel wagen, dan zou hij of zij gegarandeerd door de eigenaar uit de zaak worden gebonjourd. Beetje mijn Steinway mollen zeker, no way! Maar ik vind het een machtige muur van geluid. Als de term nog niet bestond, zou je het A Wall of Sound kunnen noemen. Op de latere Vienna Concert gaat het er wat rustiger toe en daarom draai ik die wat minder vaak. PlaatKeus van vandaag: The Köln Concert van Keith Jarrett, uitgebracht in 1975.
4.2.26 Echte helden getuigen zelden* (OverlijdensAdvertentieBovenschriften nr. 14)
In den beginne was al het leven eencellig. Lang ging dit goed tot er -hoe en wat, men weet het niet recht- een celdeling plaatsvond. Eén cel -of was het een kluit cellen?- veranderde in twee identieke cellen. Steeds meer cellen gingen zich daarna delen en toen was deze gigantische klieving niet meer te stoppen. Het zou leiden tot het ontstaan van miljoenen soorten planten, bomen en dieren. Van microscopisch kleine trildiertjes tot enorme woudreuzen. Allemaal ontstaan door hetzelfde principe. De aapachtige voormens rees op uit deze massale biocluster als het intelligentste wezen. Tenminste, dat zei hij zelf. Het was een continue strijd om te overleven. Zelfs aangekomen op de top van de berg, bleven ze niet van gevaren ontbloot. De overlevers of zij die hen hielpen overleven, noemen wij nog weleens helden. Ik heb dat woord even opgezocht en net wat ik verwachtte: het is op krijgslustige mannen van toepassing. A: ‘Een man die door dapperheid uitmunt’ en b: ‘Een dappere strijder’. Het woord heldin komt er bekaaid vanaf met ‘een manmoedige vrouw’.
Dat blijkt eens temeer als ik met deze kennis de OverlijdensAdvertentieBovenschriften doorspit. Zoals deze: There is an old belief, that on some distant shore, far from dispair and grieve, old friends shall meet once more. Ik heb het als OAB alleen aangetroffen bij mannen. Het regeltje is een strofe uit een langer gedicht van de 19de-eeuwse Schotse schrijver John Gibson Lockhart en is begin vorige eeuw tot een lied verwerkt. Ik zag meteen een overeenkomst met We’ll meet again van Vera Lynn. Ook zo’n beroemde ode aan hen die vielen en die ook weleens als OAB wordt gebruikt. Een andere ook bekend geworden strofe uit het begin van de vorige eeuw, is: Old soldiers never die – they just fade away. Deze strofe wordt toegeschreven aan J. Folie, maar die zou het weleens van de Britse dichter en Eerste Wereldoorlog-soldaat en slachtoffer Siegfried Sassoon kunnen hebben ‘geleend’. Sassoon schreef de regel in 1918, Folie was toen nog maar 14 jaar oud, vandaar. Het gaat er maar om dat die ouwe soldaten maar moesten worden vergeten en wegteren.
Van een veel recentere tijd en toch veelvuldig boven mannelijke overledenen geplaatst, is: Those we love don’t go away. They walk beside us everyday. Unseen, unheard, but always near. Still loved, still missed, still very dear. (Al deze strofen heb ik geen enkele keer vertaald gezien, vandaar dat ik ze origineel weergeef). Deze komt uit een boek van de misdaadschrijver Alex MacLean uit 2011. Je kunt het natuurlijk boven ieder OA schrijven, maar ook hier betreft het bijna uitsluitend mannen. Maar kun je zulke mensen helden noemen? Hebben zij zich door dapperheid bewezen? Dat lees je er niet aan af. Met deze Those (Degenen van wie we houden ….) wordt een groep bedoeld, een coherente groep, een peloton voor mijn part, maar het kunnen evengoed alle doden zijn die een mens -als hem/haar de tijd is gegeven- gedurende het leven te verwerken krijgt. Daarbij is het woord held mijns inziens niet voorbehouden aan mannen, in bijzonderheid: krijgsmannen. Neem een krijgsvrouw als Jeanne ‘d Arc. Of een verzetsvrouw als Hannie Schaft. En met hen nog duizenden, zo niet miljoenen meer. Het opkomen voor minder moedige mensen zat hen in het bloed. Dan ben je dapper en dan ben je in mijn ogen een held. Zeker wanneer je dat lang volhoudt en elke seconde van de dag de gevaren om je heen ziet. Dan maakt geslacht niet uit.
Van de Amerikaanse filosoof/schrijver Waldo Emerson kwam ik de volgende (enigszins gehusselde) strofe tegen: Een mens hoeft soms maar vijf minuten moedig te zijn, om hem tot held te maken. Het beeld van een held is verweven met kracht en met durf. De Leeuwarder Meindert Tjoelker, die om het leven kwam omdat hij een paar vandalen aansprak, is voor mij een even grote held als de jonge soldaat op het slachtveld die gehoorzaamt aan het bevel van zijn meerdere. Overmoedigheid, dat men met de dood moet bekopen. Op bijna alle begraafplaatsen over heel de wereld liggen de droevige bewijzen. In Oekraïne, las ik, wordt door de Russische bezetter tegen schoolkinderen gezegd, dat indien zij sterven, zij eeuwig helden van het vaderland zullen zijn en dat er altijd een kaars op hun graf zal branden. Net als al het kanonnenvlees, betreft het hier een schandelijke vorm van indoctrinatie, van omkoping: wij het land, jullie de dood. Ten faveure van volk & vaderland spreken, betekent dat men het afslachten legitimeert. Ik noem het grootschalige mensenmoord.
David Bowie zingt ook over helden, in het lied Heroes. We zijn dan aanbeland in Berlijn, bij De Muur, in 1977. Ook daar vierde heroïsme hoogtij. Maar tevens dood en verderf. Het zijn dan ook beslist geen helden die tegen de zin van de bewoners landsgrenzen verleggen. Drie grote krachten regeren de wereld: domheid, angst en hebzucht, lees ik boven de naam een overledene. Hij werd 103, dan heb je levenservaring! Misschien werd die strofe in zijn kring weleens gebruikt, maar wist niemand wie dat ooit had gezegd of geschreven. Albert Einstein, zegt google. Op de genoemde top van die berg staat Einstein bovenaan. Maar het is er dringen geblazen. Voor de een betekent die plek eeuwige roem (met een opzichtig, marmeren grafmonument), voor de ander een plek op Margraten (bijna onvindbaar) of in het namenregister van een vernietigingskamp. Soms kan een mens niet anders, wordt hij het noodlot in getrokken en nadien tot held uitgeroepen. Vandaar ook dat het woord held zo’n dubbele betekenis heeft. Maar zij die zich op de borst slaan en zich voor het oog van de wereld held (lees: dappere strijder) wanen, moeten ogenblikkelijk -in het ergste geval met pek en veren- worden verwijderd. Voor hen is er geen plek op de heilige apenrots. Ik deel deze schertsfiguren liever in bij de eencelligen. Wel met het gevaar dat zij zich mogelijk gaan delen!
*Titel van een lied, geschreven door Rob Crispijn en gezongen door Herman van Veen.
1.2.26 Droom Ik werd bezweet wakker. Dat heb ik soms. Dan schrik ik uit een heftige droom en duizel nog even na. Dromen kun je niet sturen, het wachten is op een droompilletje, al naar keuze. Een AI-idee misschien …. Ik had gedroomd dat de president van Amerika in gevecht was met Bruce Springsteen, de door de president vorige zomer als ‘een uitgedroogde pruim’ betitelde rockzanger. Geen nood, daar is taal voor. De reden is dat Bruce Springsteen een gruwelijke hekel heeft aan de president: omdat hij Amerika in de vernieling jaagt en mensen als oud vuil bij de straat zet. Dit alles ter ere van hemzelf. Ik droomde dat de president de zanger alle hoeken van de kamer liet zien, dezelfde kamer waar hij ook de Oekraïense president had uitgespuugd. Dat mocht in mijn droom niet gebeuren en daarom knokte Bruce terug en liet de president alle hoeken (tot en met de plinten) van de kamer zien. Mijn dromen hebben gelukkig een bijzonder zelfreinigend vermogen, want weer enigszins opgelapt gingen ze daarna in gesprek. Dat is natuurlijk mijlenver van de realiteit, maar mijn dromen zijn onberedeneerbaar.
‘Het was een goed gesprek’, zei de president tegen de toegesnelde pers. Bruce Springsteen was minder enthousiast. Hij kreeg van de president carte blanche om hem in zijn liedjes te beschimpen, mits Bruce de hem toegezegde Nobelprijs voor de Vrede komend najaar aan hem zou schenken. ‘Ik heb de Vredesprijs van de voetbalbond al binnen, heb een afdruk van de Originele van dat wicht uit Venezuela en mijn bonuszoontje Mark heeft mij de hoogste NAVO-plak toegezegd, dus met die van jou erbij heb ik een kwartet. Deal?!’ Sprakeloos verliet Bruce de Oval-Room. In het halletje stond J.D.Vance hem uit te lachen – ervan verzekerd genoemd te worden in een volgende protestlied van The Boss.
Dat alles droomde ik. Ik wierp het deken van me af en wilde meteen mijn droom noteren. Maar dat is het domste wat een mens kan doen. Moedig misschien, maar men noteert dan zaken ondoordacht en dat gaat zich wreken. Voor de president van Amerika maakt dat niet uit. Hij waant zich Keizer, Koning & het Broertje van God. In Washington laat hij een triomfboog voor zichzelf bouwen, voetbalstadions moeten zijn naam dragen, evenals museums, muziek- en kunstcentra en ten paleize in Florida zijn de tekeningen al klaar voor het mausoleum die de piramides van de Egyptische farao’s tot Legobouwwerkjes zullen doen verschrompelen.
Ik hees mij overeind en maakte mijn ochtendoefeningen. Daarna zette ik water op voor thee, poetste mijn tanden en poedelde hoofd en bovenlichaam. Ik dacht nog even na over die droom en hoopte dat dit niet bewaarheid zou worden. De wereld van autocraten en dictatoren heeft weinig op met mensen als Lenny Bruce, Nelson Mandela, Steve Biko of Aleksej Navalny. Die worden maar al te vaak -en niet eens op slinkse wijze- van het leven beroofd. Ik had alles van die rare droom kunnen verdragen, tot zelfs die smerige tronie van J.D.Vance toe, maar niet dat Bruce Springsteen op een onbewaakt moment zou worden neergeknald. En juist daardoor werd ik bezweet wakker. Moesten we Bruce geen amnestie verlenen? Zijn leven staat immers op het spel! Ik wil mijn zolderkamer wel een tijdje met hem delen. Maar wát als iedereen met lef en oog voor de feiten wegloopt? Lichtelijk in verwarring zette ik de radio aan en hoorde dat een film over het leven van de vrouw van de president van Amerika door bijna niemand wordt bezocht en dat bezoekers van de bioscoop in Boston zelfs $50 kunnen ontvangen als ze de hele film uit gaan zien. En toen moest ik heel hard lachen en dacht: ‘De wereld is warempel één groot drama en tegelijkertijd één groot schouwspel’. Als er een god bestaat, zou ik hem/haar nu een ferme knipoog geven.
31.1.26 PlaatKeus #6 Met de laag sneeuw voor de deur, de zon die het op doet lichten zodat mijn ogen beginnen te prikkelen, denk ik onbewust aan het liedje Winterlude van Bob Dylan. Daar is geen ontkomen aan. Uitte Dylan zich wat betreft de liedteksten op zijn laatste platen nogal raadselachtig en cryptisch, met dit eenvoudige walsje stond hij met beide benen op de grond. Winterlude is de naam van een fictief meisje waar hij graag een rondje mee zou gaan schaatsen. De liefde spat er vanaf. Mijn appel, mijn madeliefje, mijn schatje … het kan niet op! En dat in een liedje van slechts 24 regels en in amper twee minuten gezongen. Hoewel de plaat New Morning (waar dat liedje op staat) de bittere smaak van het desastreuze Selfportrait enigszins moest doen verdwijnen, komt het in het latere oeuvre van Bob Dylan weinig terug. In Vredenburg, Utrecht, zong hij tijdens twee verschillende concerten The man in me en If not for you. George Harrison had met het laatste liedje een bescheiden hitje. Door de vernietigende kritieken op Selfportrait moest Bob wel met iets aardigs komen. Via-via kreeg hij de vraag enige liedjes te schrijven voor een stuk van de dichter en toneelschrijver Archibald MacLeish. Bob zag al gauw in dat dit niets zou worden. Het stuk dat MacLeish voorstond was aardedonker, Bob kon er niets mee. Bovendien klikte het niet tussen de twee. Op voorhand had Bob wel een paar liedjes klaarliggen en daar ging hij mee door. Zo ontstond New Morning. Het kwam al vier maanden na Selfportrait uit en werd een verkoopsucces in meerdere landen. Goud in Amerika, op 3 in de Nederland lp-top en nummer 1 in Engeland. Je zou het een revancheplaat kunnen noemen. Ik kocht de plaat pas in 1974. Het is doortrokken van religieuze hinten. Een kleine 10 jaar later barstte zijn bekering als een puist open in de teksten op de plaat Slow Train Coming en nog heftiger in Saved. Ik was als door de bliksem getroffen. Ik ging niet zo ver als wat er gebeurde toen John Lennon in een opwelling zei dat The Beatles beroemder waren dan Jezus-Christus. Zoiets kun je ook beter niet in Amerika zeggen. Stapels Beatlesplaten belanden op de brandstapel. Maar Dylan verdween voor mij wel enige tijd uit beeld. Er kwam gelukkig eerherstel. Dat had te maken met de uitgave van nummer 13 uit de Bob Dylan Bootleg-serie. Deze geeft een mooi overzicht van zijn relie-tijd. Hierop staan de beste nummers van de voorgenoemde relie-platen, maar nu in veel betere omstandigheden: live. Waren die relie-platen een bevlieging? Nee, dat denk ik niet. Bob Dylan komt uit een Joods gezin, hij volgde zijn roots. Daar is niets op tegen. Religiositeit vindt je overigens in veel popliedjes terug. Van Morrison, U2, Sinéad O’Connor …. enzovoort. Alleen wij waren een andere Bob Dylan gewend. Die ouwe zou hij daarna nooit meer worden. Terug naar Winterlude. Het is het mooiste liedje dat ik over de winter ken. ‘De winter was lang’, zong onze Willeke Alberti en Bing Crosby en elke artiest van naam, zéker de Amerikanen, zingen over de kerst, getjingelbel en sneeuw en wat daar nog meer bij komt kijken en daarom begrijp ik niet dat ik Winterlude nooit op één van die duizenden kerstplaten of -cdtjes ben tegengekomen. Is het teveel Anton Pieck misschien? Teveel van het goeie als Bob zingt ‘Kom we gaan naar het kapel en daarna koken we ons een maal’. Zelfs een engel komt voorbij. Maar geen chrismastree en candlelight. Bob had het vast heel goed bedoeld, maar de doorsnee Amerikaan koos liever voor een zoetgevooisde Frank Sinatra of -als het echt reli moest zijn- Mahalia Jackson. Of zal het bedoeld zijn als een parodie op die hypocriete kerstsmartlappen en zwijmelliedjes? Dat kan. Want met Dylan weet je het nooit helemaal zeker. Om de plaat een beetje uit het verdomhoekje te trekken en voor zolang er sneeuw ligt noem ik dat geen pekelzonde. PlaatKeus van vandaag: New Morning van Bob Dylan, uitgebracht in 1970.
29.1.26 Vogelteldag Gisteren zag ik op de televisie een enthousiaste vogelaar ons burgers uitleggen hoe we komend weekend onze gevederde tuin- of balkonvrienden kunnen gaan tellen. Dat moet wel een beetje nauwkeurig gebeuren en omdat het gros van de Nederlanders een duif niet van een ooievaar kan onderscheiden, laat staan een kool- van een pimpelmees, bestaat er een app waar de meest voorkomende vogelsoorten op staan en waar men enkel een tikje op hoeft te geven als men er een exemplaar van spot. Wij hebben een royale, wilde tuin en het barst er van de vogels. Ik ben geen groot vogelkenner en heb weinig op met mensen die dat wél zijn. Dat massale gejaag op exoten … Het is niet aan mij besteed.
Nederland telt honderden soorten vogels, blijvers en trekkers. De vogels in onze tuin zijn allemaal blijvers. Hoe ik dat weet? Ze hebben het veel te goed om helemaal naar Afrika te vliegen om aldaar te overwinteren. Het zijn slimme vogels. Maar op deze sneeuwboel en vrieskou hadden ze niet gerekend. Ik heb de sneeuw op het terras weggeveegd en een paar kilo voer uitgestrooid. Nauwelijks binnen en de eerste koolmezen en mussen doen zich er al te goed aan. Dan komt er een roodborst bij en een tuinfluiter. Iets later een schichtig winterkoninkje. Merels komen meestal per paar, zo-even zelfs twee paar. Dan een koppeltje duiven. Dat zijn de lompigste bezoekers van de tuin. Ze landen met veel onnodig gefladder naast de voerplek en hompelen er met hun stijve poten op af. Een moedige merel blijft ijzerenheinig doorpikken. ‘Hé jij, gaas effe an de kant’, lijkt de eerste duif te zeggen. ‘Hout je krop duif’, snerpt de merel terug, ‘ik was hier ’t eerst’. Een geelgors, hangend aan het touwtje van de pindastreng, probeert te bemiddelen, maar de duiven jagen hem koerend weg. Een paar kraaien laten zich nu zien, ze hebben maling aan die duiven. ‘Kraaig de klere’, krassen ze. Terwijl zij bekvechten, snaait een vlaamse gaai een ferme hap uit de vetbol. Lekker puh, stelletje losers! Een smelleken schiet door de tuin. Even is er consternatie. Op een valkje hadden ze kunnen rekenen, maar niet op deze vreemde gast. Op het land voor ons huis hoor ik nu de grote groep ganzen met veel gesnater opstijgen. De reden is dat een buizerd neerstreek op een van de richelpalen. ‘Wegwezen hier!’, klinkt het als een canon en met een ruime vlucht scheren ze als een donkere wolk over onze tuin. O, daar zul je die mooi gekleurde fazanthaan hebben. Voor hem heb ik wat plakken brood op het pad gegooid, want hij komt elke dag. Soms besmeer ik het brood met vet. Aan de pindabol hangt al enige tijd ondersteboven een bonte specht te hakken. Hij schrikt op als er plotseling een dozijn heggemussen opduikt, maar laat zich niet wegjagen. Een kauwtje landt in de appelboom en voert een levendig pantomimespel op, in de hoop het pleintje voor zich alleen te hebben. Dat lukt maar half, want een lijster steekt hem de loef af en trekt een lange snavel naar hem. In de braambos sluipt iets kleins en een koperwiek verkent opzichtig de bodem onder de brem en roept zijn maten met iets van ‘Genoeggenoeggenoeg!’ en dan duikt er een zwerm op uit het niets. Ik spreek natuurlijk geen vogeltaal, maar soms komt er toch wel iets begrijpelijks door. Met eksters kan ik eh …, nou ja, nou landt er toevallig eentje op de tak vlak boven de voerplaats. Hij schudt zijn veren, waardoor er een wolk sneeuw naar beneden ritselt. Een boomkruiper krijgt een ferme vlok op zijn koppetje en gaat er piepend vandoor. De ekster zweeft van de tak naar de grond, pikt een paar korrels op en vliegt krijsend weg. Wat is het geval? Er schoot een kiekendief voorbij. Waarschijnlijk niet eens op jacht naar een levende hap, maar gewoon op doortocht om ergens verderop iets te jatten. Ach, vergeet ik de zanglijster te noemen. Zat de hele tijd in de top van de douglas. Alsof ze niet durfde af te dalen.
Ik heb zo een kwartiertje achter ’t glas staan kijken. Ik heb geen app, ik ga af op wat ik weet. Maandag lees ik wel wat er in gans het land aan soorten vogels is geteld en of dat een beetje overeenkomt met onze kliek. Nee, een vogelaar zal ik nooit worden. Laat maar lekker vliegen, is mijn devies. p.s. Als ik even later de post uit de bus haal, zie ik op het land een eenzame zilverreiger, een koppeltje nijlganzen en in de sloot twee wilde eenden.
27.1.26 Snorretje We moesten even naar Stadskanaal, naar de telefoonwinkel. Mijn vrouw had malheur met haar mobieltje. Op het moment dat we de winkel wilden binnenstappen, wilde er juist een man uit. Het was een oude man, dat zag aan zijn manier van bewegen. Ik hield de deur voor hem open. Hij was verrast en zei dat niet iedereen dat deed, want de wereld is hard geworden, zei hij terloops. Ik zei dat ik dit altijd deed, het leek me niet meer dan logisch. Terwijl ik de deur open hield -mijn vrouw was doorgelopen, het was druk bij de balie, zag ik- begon de man in de deuropening te praten. Ik deed de deur weer dicht, want kou trekt snel naar binnen. Voor ik het in de gaten had, een aanloop was er niet, zei hij dat wat er nu in de wereld gebeurt, hem sterk deed denken aan die man met dat snorretje. ‘Weet je wie ik bedoel?’, zei hij voorzichtig. Ik knikte. Sommige namen moet je stelselmatig niet noemen. De man keek mij met indringende blik aan. Ik zei dat ik eerder een overeenkomst zag met Mussolini. ‘O die vent die ze aan zijn benen hebben opgehangen bij een tankstation’. Hij kende de feiten. ‘Ja, die’, zei ik. Inmiddels waren we een stukje teruggelopen, de winkel in, want we blokkeerden de deur. De man zei nu dat hij 88 jaar was -‘Ik ben van 37’- en de oorlog dus als kind had meegemaakt. Ik vroeg waar hij toen woonde. ‘In Zwartemeer’, zei hij. ‘Daar zijn in de oorlog ook meerdere mensen omgekomen’.
De oorlog was ineens bijna tastbaar dichtbij. En dat wás het ook al, want vandaag is het 81 jaar geleden dat Auschwitz werd bevrijd. Bevrijd is een groot woord, want Auschwitz bestond uit 3 immense kampen en op het moment dat het Russische Rode Leger het eerste kamp binnentrok, waren er nog zo’n 8000 meer levend dan dode mensen aanwezig. Daarvan zullen er nog velen hun bevrijding niet hebben overleefd. Voor de overlevenden hield die helse tijd niet echt op. Nachtmerries en levenslange depressiviteit, was hun lot. En het gevecht geloofd te willen worden. Dat zou nog jaren duren. De wederopbouw wilde van die zwerende puist af en nadat de Molukkers het voormalige doorgangskamp Westerbork hadden verlaten, werd het met de grond gelijk gemaakt. Verleden? Wat verleden?
Ik ben meerdere keren aan het eind van januari naar Hooghalen gereden en heb in stilte over het voormalig kampterrein gelopen, ben in de tent gaan zitten bij het oplezen van de namen van de slachtoffers die vanaf het perron, dat de naam onheilspellende naam Boulevard de Misère kreeg, naar bijvoorbeeld Auschwitz spoorden en voor het grootste deel niet meer terugkwamen. Ook bij de steentjes verwijlde ik lange tijd: ik mocht eens eentje over het hoofd zien. Ik heb zelfs nog eens overwogen om het lijvige namenboek waar alle slachtoffers in staan te kopen. Het boek bevat immers ook een dozijn omgekomen dorpsgenoten. Toch maar niet gedaan. En gisteren stond ik nog in twijfel vandaag weer te gaan. Maar de kou en de mogelijke gladheid van de wegen en valangst hielden me tegen.
‘Chamberlain dacht dat hij die snor had omgepraat’, zei ik ‘maar een jaar later viel het Duitse leger Polen alsnog binnen’. ‘En dat doet die vent aan de overkant van de plas nu net zo. Er is niets veranderd’, zei de man stellig. Ik knikte. Hij had volkomen gelijk. Ik had kunnen zeggen dat het wrang is dat met de bevrijding van Auschwitz door het Stalin-leger en hiermee de spoedige capitulatie van het Duitse rijk, wij nu alweer jaren het gevaar duchten van het Poetin-leger. En ook flitste het gepijnigde gezicht van Marinus van der Lubbe door mijn hoofd, de zogenaamde pyromaan van het Rijksdaggebouw te Berlijn in 1933, waardoor de nazies aanleiding zagen hun moorddadige razzia’s op joden en communisten te rechtvaardigen. Een soortgelijke zondebok zou ‘die vent aan de overkant’ nu heel goed uitkomen. Maar dat verhaal werd te omslachtig voor een kouwe dinsdagmiddag in een telefoonwinkel. Bovendien was mijn vrouw al klaar. ‘Fluitje van een cent’, zei ze opgewekt. De man keek haar aan. Zijn gezicht verzachtte op slag, hij glimlachte. Ik zei dat ik het leuk vond, zo’n gesprekje. ‘Ik ook’, zei hij. Ik deed de deur nu voor de tweede keer voor hem open en liet hem voorgaan. ‘Nou moi heur’, zei hij en hij verdween in de mensenmassa. Op straat zag ik veel bedrukte koppen. Er hing meer dan alleen sneeuw in de lucht. ‘Kom op, op huis aan’, zei ik en vlug liepen we naar de auto.
26.1.26 PlaatKeus #5 Wanneer kun je nog van een jeugdzonde spreken? Houdt dit verband met hoe de gebruiker van deze uitdrukking in het leven staat, dat hij of zij zich nog deel van de jeugd voelt? Ik was 29, ik werkte in een platenwinkel en had daardoor veel met jeugd te maken. Voorjaar 1979 was het. Ik had de elpee Live at Budokan van de rockgroep Cheap Trick nogal royaal ingekocht. Een doos vol, wat betekende 25 +2 (gratis) + evenzoveel singles van het nummer I want you to want me. Ik verwachtte een klapper te maken, maar die bleef uit. Tot Veronica’s Top-40 ineens I want you … als Alarmschijf uitriep. Gevolg was dat de elpees en de singles ineens begonnen te lopen. Dat gebeurde op vrijdag, Veronica-top-40-dag. Daags erop belde Douwe van de gelijknamige platenzaak aan de Gedempte Singel mij: of hij een paar elpees van Cheap Trick van me kon krijgen. Hij zat er ernstig om verlegen. Het moest natuurlijk met gesloten beurs en dus zei hij: ‘Kom maar een paar platen uitzoeken’. Nu kende ik Douwe al vrij lang, ik had zelfs mijn eerste Bob Dylan-singles bij hem in de winkel, de winkel waar ik nu zelf werkte, gekocht. Maar onderling zaken doen was natuurlijk uit den boze, dat zou mij mijn baan gaan kosten. En Douwe (ex-medewerker) werd bij ons niet met lof bezongen! Maar hij hield aan en oké ik bracht hem een paar elpees van Cheap Trick. Hij blij. ‘Zoek maar wat uit’, zei hij. Dat deed ik. Als extraatje gaf hij mij een elpee van Japan mee. Als ik hem niet leuk vond, kon ik hem altijd nog in de winkel verkopen. Ik vond het wel een aardige plaat. Hun volgende elpee kocht ik. Er staat een nummer op dat mijn stamcafé in Oosterwolde een tijdlang als sluitingstune gebruikte: Nightporter. Op de sonore zang van David Sylvian werden wij dan vriendelijk doch dringend verzocht de tent te verlaten. Afgezien van hun audioapparatuur (Sony e.a), motoren (Honda e.a) en muziekinstrumenten (Yamaha e.a) had ik niets met Japan. Ik wist iets van de oorlogsterreur, van de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, dat judoka Anton Geesink hier in 1964 Olympisch goud had gewonnen en ik kende Made in Japan van de hardrockgroep Deep Purple. Dat was het wel zo’n beetje. Tot Bob Dylan kwam met Live at Budokan. Een dubbelelpee, live opgenomen in de sport- annex muziekhal met die naam in Tokyo. Hij was overigens niet de eerste, dat waren The Beatles, maar Dylan zette het concert integraal op de plaat. Er zouden nog velen volgen. Budokan werd hot. De Duitse synthesizergroep had een monsterhit met het liedje Big in Japan en Tom Waits deed een eigen lied met dezelfde titel. Op de hoes van de plaat van Japan staan vijf keurig geklede, ietwat androgyne jongens die zó door kunnen gaan voor een teenybopperband. Ze hebben goed gekeken naar David Bowie als model-glamrocker. Maar de muziek klinkt volwassen. En ze waren inderdaad groot in Japan. Misschien was dit wel hun middelvinger naar hun thuisland Engeland, waar ze niet echt wilden doorbraken. Want dát steekt namelijk ook achter die term Big in Japan. PlaatKeus van vandaag: Gentlemen take Polaroids van Japan. Uitgebracht in 1980.
23.1.26 Vergeten Vanmiddag waande ik mij gedurende enige tijd in Oekraïne. In Kyiv of eventueel in een andere door Poetin en zijn roversbende bezette stad. Latent is Oekraïne altijd wel in mijn hoofd aanwezig, maar na bijna vier jaren van diepe ellende aldaar, is dat gevoel van verdriet en van woede aan het minderen. Het slijt, hoor ik weleens. Dat is heel erg, ik weet het. In Oekraïne is het winter, net zoals het bij ons winter is. Alleen met dit verschil dat het daar tussen de 10 en 15 graden vriest en de centrales die de huizen moeten verwarmen, vrijwel continu door de Russen worden kapot geschoten. Tuig van de richel, zou ik het willen noemen, als deze uitdrukking al niet gestolen zou zijn door een Oekraïne-sceptische Nederlandse politieke partij.
Maar ter zake. We hadden boodschappen gedaan en ik kwam terug bij onze auto en ik zag dat een van mijn banden plat was. Lek. Ik belde de ANWB. Dit ging niet zonder slag of stoot. Ik bezit weliswaar een telefoontje, toch wachtte ik even op mijn vrouw om dit karweitje samen aan te pakken. We kregen een computerstem die een en ander vroeg. Ik had de papieren natuurlijk niet op orde en vergiste me zelfs in onze postcode. Dat was mij nog nooit gebeurd. Daarna kreeg ik een stem van vlees en bloed, hoewel ik dat maar moest aannemen. Je weet dat tegenwoordig niet meer. ‘Het kan even duren’, zei de stem ‘want de ANWB heeft het erg druk’. Dat duren werd ruim een uur. We zouden 5 minuten voordat de monteur zou arriveren een belletje krijgen, maar dat belletje kwam niet. ‘Ze zijn ons vergeten’, zei ik tegen mijn vrouw. Ze knikte. We hebben allebei diezelfde angst: vergeten te worden. Vanaf het moment dat we belden tot het moment dat het kek gekleurde ANWB-busje de parkeerplaats opdraaide, heb ik voor de winkel en op de hoek van de straat gestaan en heen en weer gelopen. Soms ging ik terug naar de auto, even opwarmen. Mijn vrouw hield de wacht bij haar mobieltje. En gestadig voelde ik de gure winterkou optrekken tot ik op zeker moment over heel mijn lijf begon te rillen …. En toen dacht ik aan Oekraïne; steeds meer en meer. Hoe die mensen dit 24 per dag aan den lijve ondergaan en moeten overleven. En toen ik weer even in de auto kroop, zei mijn vrouw hetzelfde. Maar gelukkig kwam er -en dus zonder seintje vooraf!- een ANWB-busje de parkeerplaats oprijden. Ik zwaaide alsof het om de reddende engel ging. De man bekeek de zaak, zei dat het beroerd koud was en draaide een prop in de band en daarmee reden we naar onze garage.
Verkleumd tot op het bot reden we daarna naar huis. Bijkomen, opwarmen, douchje nemen. Dat kunnen die mensen in Oekraïne allemaal niet. Dat kunnen trouwens heel veel mensen op deze aardbol niet, maar vergelijken is bespottelijk. Op zeker moment wanen zij zich vergeten en op den duur is dat ook de bittere waarheid.
22.1.26 PlaatKeus #4 De liefde voor een bepaalde muzieksoort ontstaat niet zelden door toeval. Voor mij is de ontdekking van Hawaiimuziek een voorbeeld bij uitstek. Het kwam tot mij via Ry Cooder, de muzikale omnivoor uit Californië. Hij speelde een riedeltje mee op een plaat van een zekere Gabby Pahinui en zijn band. Ik hoorde iets over een nieuwe Ry Cooderplaat op de radio en omdat ik een fervent liefhebber was van zijn muziek, kocht ik het zonder nadenken. Ry Cooder was toen al bezig zijn muzikale grenzen te verleggen en dit was een volgende oprekking. Ik was er meteen weg van. Begrijp wel, in mijn vroegste jeugd had ik weleens een riedeltje Hawaiimuziek gehoord, maar dat betroffen Nederlandse of Duitse varianten. Dat was sterk verdunde Hawaii waar de kouwe Noordzee wreed overheen was geblazen. Niet de klanken van echte Hawaiiaanse muzikanten. Vooral dat zingen was heel anders. Dat kunnen alleen de mensen uit die hoek van de wereld. Totaal onverstaanbare teksten, het ontbreken van harde klanken, alsof de Polynesische zon er de scherpe kantjes had afgebrand. Dit alles op de klanken van de slack-keygitaar, de steelgitaar en het roffelende geluid van de ukelele als een drummende spechtvogel. Een echte trommel zou dit iele pallet maar in duigen slaan. Ry Cooder ontdekte de Hawaiiaanse muziek tamelijk laat, want de gouden jaren lagen zo tussen 1930 en 1960. Zelfs Nazi-kopstukken schenen er gek op te zijn, hoewel die Hawaiianen geen druppel Germaans bloed bezaten. Om er een eigen draai aan te geven, zongen die Duitsers Komm nach Hawaii en Stern von Tahiti. Wij deden het niet veel beter met Roos van Honolulu en In de baai van Hawaii. Plaatjes van mooie stranden met rollende golven en meisjes getooid met een bloemenkrans erbij, deden de rest. Freddy Quinn was een van mijn vroegste helden en hulde zich als een echte Hawaiiaan. Althans, dat dacht ik toen. Anno nu: snel vergeten die hap. In de nadagen van de Hawaiimuziek-rage konden wij ons uitleven aan de hoelahoep, de van de Hawaiimeisjes afgekeken huladans. Dat was een tijdlang een uiterst modieus kunstje. Om aan die gril mee te kunnen doen, waren er speciale hoelahoepels te verkrijgen of je maakte er eentje van een plastic elektriciteitsbuis. Zaak was de hoepel zo lang mogelijk om je middenlijf rond te laten zwieren. Dat was aan ons jongens niet besteed. Die Hawaiiaanse muziek is een smeltkroes van Europese muziekstijlen, Mexicaanse cowboys brachten voorts onder andere de gitaar mee. Toeristen, en lange tijd waren dit voornamelijk rijke Amerikanen, werden zingend en heupwiegend op het vliegveld of in de baai verwelkomt en versierd met bloemenkransen en brachten desgewenst samen de nacht(en) door. Tenminste, dat gerucht deed de ronde. Misschien was het maar goed dat die patsers de teksten van die zwoele liedjes niet verstonden, want wie weet waren het snoeiharde protesten tegen de annexatie van Hawaii als 50ste Verenigde Staat. Bovendien testten zij kort na de Tweede Wereldoorlog in de buurt van het paradijselijke eiland Bikini meerdere atoom- of waterstofbommen. Na deze kruisbestuiving van Ry Cooder en Gabby Pahinui scoorde ik nog menige lp en cd met Hawaiimuziek. Met bijdragen van Soll Hoopii, Tau & Rose Moe, Keola Beamer en anderen. Mede uit sympathie voor dat volk, de Plaatkeus van vandaag: The Gabby Pahinui Hawaiian Band (met Ry Cooder) – volume 1. Uitgebracht in 1975.
20.1.26 Bedenkelijke handel Wat ik zo triest vind is dat de president die DJT zal opvolgen, en ik ga er vanuit dat dit niet iemand zal zijn uit de gelederen van T, al die decreten en afzeggingen weer moet terugdraaien. Dat wordt nog een hels karwei, met veel excuses en kniebuigingen. Maar eerst zal het volk wraakzuchtig de ingewanden opeisen van T. en zijn heulende bende. Iets soortgelijks als de beschamende afrekening van de gebroeders De Witt. De mens is op zijn onbeschaafdst een roedel wolven. Nu hebben we echter nog te maken met ’s werelds grootste blufkont. Met scheve ogen kijkt hij om zich heen of er iets te halen valt. Lebensraum, noemden de Duitse Nationaal-Socialisten dat. Bij tegenwerking wijst T. graag naar het Verenigd Koninkrijk, dat ooit 96 keer hun eigen grootte aan ingepikt land bezat. Dat zal T. op gans onze aardkloot niet halen. Daarvoor zal hij er een planeet bij moeten kapen. En ineens schoot mij te binnen dat ik ooit op een van de Indonesische eilanden een 5-tal vierkante meters grond heb gekocht. In de jaren ’80-’90 van de vorige eeuw ontving ik meerdere keren een schrijven van een natuurorganisatie met daarin de mogelijkheid tot het verwerven van een bedreigd stukje oerwoud. Een bijgeleverde certificaat garandeerde de koper dat het niet om louche handel ging. De aankoop was niet bedoeld om er iets op te verbouwen; juíst niet. De reden was namelijk dat hierdoor eventuele opkopers allerlei ingewikkelde en dure rechtszaken zouden moeten voeren om er bijvoorbeeld een palmolieplantage te beginnen en dat kon op deze manier worden voorkomen. Hoe dit is afgelopen, weet ik niet, want ik heb er nooit meer iets over gehoord. Ik vrees dat er geen boom meer op mijn stukje grond staat. Ook werd ik in diezelfde tijd gewezen op de mogelijkheid te investeren in teakhout. Nederlands teakhout, welteverstaan. De klimatologische omstandigheden leenden zich er inmiddels prima voor. De winstmarge begon bij 15% en liep op tot wel 50%. Ik schreef terug dat ik de oogst van het teakhoutbosje niet meer zou meemaken en dat ik ook geen nakomeling had om de winst op te strijken. Over mensen die hier wel waren ingetuind, las ik jaren later een hemeltergende reportage.
T. is nu een jaar aan het bewind en heeft vooral storm geoogst. Er gaat geen dag voorbij of zijn tronie staat wel afgebeeld bij een artikel in de krant of in een tijdschrift. Dat is geen pretje als men het bericht ernaast rustig wil lezen. Daarvoor heb ik al jaren een kartonnetje paraat om die tronie ermee af te dekken. Maar ik ben kennelijk niet de enige die T’s gezicht niet kan uitstaan, want een slimme handelaar heeft een heus afdekplaatje op de markt gebracht. Het heeft de vorm van een muismat en wordt verkocht onder de naam hate-T-plate. Ik had het zelf kunnen bedenken! Het is verkrijgbaar in verschillende maten; met en zonder opdruk. Ik vind vooral die met een juichende Kamala Harris erop erg geslaagd. Of ik zo’n matje aan zou schaffen? Nou nee. Dan steek ik liever wat geld in een hectare Groenland. Als dat nu eens een paar miljoen mensen zouden doen, dan zou Groenland voorlopig zijn gered. Wel opschieten natuurlijk, want T. is ongeduldig en het ijs smelt razendsnel onder deze verhitte omstandigheden. Vooralsnog houd ik vast aan de Groenlandse uitdrukking: ‘Het ijs wordt zo koud gegeten als vers gevallen sneeuw’. Op z’n Nederlands gezegd zoiets als: ‘Zachte krachten zullen het tenslotte winnen van harde’.
18.1.26 PlaatKeus #3 In een reportage in het kader van het jaarlijkse muziekfestival Eurosonic/Noorderslag, kwam de naam Vera voorbij. Een al lang bestaand muziekcentrum annex bar in de Oosterstraat van Groningen. Ik ben hier slechts één keer geweest. Ergens eind jaren 80 hoorde ik in een literair programma op de radio dat die avond de beroemde Amerikaanse schrijver William Burroughs er zou optreden. William Burroughs was vooral bekend geworden door zijn nogal scabreuze, experimentele boeken. Ik had al eens geprobeerd zijn The William Burroughs-Reader te lezen, een soort inleiding voor de aspirant Burroughs-lezer. Het fascineerde me enorm, maar ik snapte er weinig van. Daarna las ik een paar wat toegankelijker boeken van hem. Burroughs was Amerika ontvlucht, door Europa gezworven en in Tanger, Marokko uitgekomen. Daar kickte hij af van de heroïne. So far so good. Hij zou in Groningen geïnterviewd worden door Simon Vinkenoog, die ik al eens had ontmoet. Aardige man. Een lichte opwinding maakte zich van mij meester en ik toog ter stede. Al op tijd, want ik wilde vooraan zitten. Maar de aanwezige jonge barkeeper wist niets van ene William Burroughs. Kende hem ook niet. Er werd zoals gewoonlijk geswingd op discomuziek die avond, dus was er geen plaats ingeruimd voor een schrijver. Ik was zeer verbaasd, het was toch immers op de radio geweest?! Ik kwam er niet verder mee en ging de stad in want het was koopavond. Ik zal ongetwijfeld als troost bij een van de platenzaken een elpee hebben gekocht en misschien, heel misschien, was dat wel Home of the Brave van Laurie Anderson. Laurie Anderson maakte (nog steeds) experimentele, visuele muziek en op de genoemde plaat, een soundtrack van de door haar geregisseerde film met dezelfde titel, ‘zingt’ William Burroughs een mopje mee. Dat zingen is een soort burlen: het geluid dat edelherten produceren als ze op jacht gaan naar een vrouwtje en dus burlt hij om zijn mannetje te staan. Een donkere, vervormde bronststem. De enige regel die hij alzo op hakkelende wijze de eeuwigheid instuurde luidt: Listen to my heartbeat. Steeds als een terugkerende echo uit het ondermaanse. Geen muziekje die Arbeidsvitaminen makkelijk in hun speellijst zouden opnemen. Toch draai ik die plaat ieder jaar wel een keertje en neurie soms gezellig met dat burlen mee. En dan zie ik die man voor me zoals ik hem ken van foto’s uit tijdschriften of van de boekenachterflappen. Een keurig uitziende heer. Altijd in kostuum, moderne stropdas en zwierige hoed. Kleurloos, dat wel. Je zou hem de functie van diplomaat geven. Zeker niet die van één van de belangrijkste vertegenwoordigers van The Beat Generation. In 1954 schreef hij een korte roman, getiteld: Queer. Algemeen wordt aangenomen dat híj dit woord heeft bedacht, maar mogelijk is hij niet meer te weten gekomen hoe zo’n vlucht dit woord heeft genomen. Op de plaat staat een lied met de titel Language is a virus (from outer space) en dat komt weer uit een tekst van diezelfde Burroughs. Inderdaad, taal is een virus en nestelt zich zonder voorkeur in elk lichaam. Laurie Anderson stond ook fluïditeit voor, net als haar latere wederhelft Lou Reed. Afgezien van deze ene plaat, bezit ik niets van Laurie Anderson. Met Lou Reed heeft ze ook projecten gemaakt. In mijn platenkast staat Laurie veilig tussen de Brothers & Sisters van The Allman’s en The Weakness in me van Joan Armatrading. Er zijn beroerdere plekken denkbaar. PlaatKeus van vandaag: Home of the Brave van Laurie Anderson – uitgebracht in 1986.
16.1.26 Groenlandkroniek Heb ik iets met Groenland? Nee, niets. Laat ik anders beginnen. Heb ik iets met bijvoorbeeld ballet of met mensen die af en toe verkleed als griezels passanten grote schrik aanjagen of met bergbeklimmers die koste wat kost de Mount Everest willen beklimmen en daarna niet zelden voor de rest van hun leven vanwege afgevroren tenen niet goed meer kunnen lopen …? Zo kan ik wel een waslijst maken, er een boek mee vullen. Succes verzekerd. Die paar voorbeelden zijn natuurlijk pinda’s (peanuts) vergeleken bij het verzamelen van landen, van grondgebieden, zoals DJT van plan is. En er is weinig verweer, althans tot op heden. T. kijkt naar de geschiedenis en wijst naar Engeland, Frankrijk, Nederland, Duitsland, België, Spanje und so weiter en veroordeelt onze vroegere koloniezucht, onze imperialistische landjepik en onze wandaden met zijn scherp geslepen tong. Niemand durft hem tegen te spreken. Slechts 17 procent van de Amerikanen keurt zijn boevengedrag goed, maar niemand houdt hem tegen. Er zullen harde maatregelen tegen hem moeten komen en die zullen leiden tot nog meer geweld. Daar zit niemand op te wachten. In Amerika niet en in de rest van de wereld niet. T. creëert zijn eigen horrorshow. Dat doen die griezels op straat ook, maar dat blijft binnen de perken. Ik heb natuurlijk niets met Groenland, maar heb net een boek gelezen (De wilde stilte van Raynor Winn) over wandeltochten door een deel van IJsland en als het op Groenland net zo wild en woest en vooral koud is als daar, dan blijf ik er graag heel ver vandaan. Maar de reden van T. om Groenland te bezetten is van een andere orde: om Rusland en China voor te zijn. Áls zij dat nog niet van plan waren, dan heeft hij ze nu in ieder geval klaarwakker gemaakt.
Hoe zal de toekomst van Groenland eruit gaan zien? Groenland is erg groot en het zal de prijs die de Russen ooit ontvingen voor Alaska ver overstijgen. Die mochten het met 1 dollar per vierkante kilometer doen. Dat zullen de Groenlanders niet vreten. Er wonen zo’n 58.000 mensen op Groenland. Afschepen met een fooi kan T. wel schudden, ze willen op zijn minst allemaal zo rijk worden als Elon Musk. Dat worden hele grote getallen en het is de vraag of de Amerikaanse schatkist dit wel kan dragen. De boodschappen zijn voor de gemiddelde Amerikaan nu al ‘onbetaalbaar’, las ik onlangs. Er zal opstand uitbreken en Denemarken (kolonist van Groenland, zeker) zal alle zeilen moeten bijzetten om Groenland te behouden. Amerika en de wereld verkeren in een bizarre spagaat. Daar is een woord voor in de balletwereld die in de manosfeer (de ultrarechtse-mannenwereld) rond gaat. Iets met ongewild castreren, met ontmannen, met keihard op je de kloten terechtkomen. Maar voor het zover is zal de wereld behoorlijk op z’n kop komen te staan. Het wordt nog een hels gemanoeuvreer voor T. om de hoogste berg van Groenland te beklimmen, maar komen zal hij er. Niet goedschiks, dan kwaadschiks. Hij wil zich koning van de wereld wanen en heeft er zelfs wel een bevroren voet voor over. Er zijn genoeg voorbeelden van tirannieke gebiedsuitbreidingen die in Waterloo of elders strandden en meestal loopt het met de aanstichter ook slecht af. Ik ben een vreedzaam mens -als u het nog niet wist, dan nu, niettemin hoop ik dat T. al bij de voorbereidingen van zijn Groenlandse klimtocht ongelukkig ter aarde zal storten.
Max Pam vroeg zich onlangs in zijn wekelijks Volkskrant-column af, hoe het toch bestaat dat die vent van bijna 80 jaar nog zoveel energie heeft? En hij met dezelfde levensjaren maar ploeteren tegen de kou, tegen geheugenverlies en alledaagse ongemakken die een mens op leeftijd krijgt. Het is inderdaad heel oneerlijk gesteld. Als remedie om tot rust te komen, denk ik dat ik een voorzichtig spagaatje ga maken en daarna een wandeling over het weer groene weideland.
12.1.26 PlaatKeus #2 Van de meeste grammofoonplaten (elpees) die ik bezit, weet ik nog aardig goed waar en wanneer ik ze gekocht heb. In het begin schreef ik de datum van aankoop op de hoes en gaf het een volgnummer. De eerste was John Westley Harding van Bob Dylan. Tussen september ’67 en zomer ’68 zat ik op de Vakopleiding van Volwassenen aan de Peizerweg te Groningen en spijbelde weleens om even naar de binnenstad te gaan. Dat kon makkelijk, want ik liep voor op het leerschema. Ik kwam toendertijd niet veel verder dan Veendam en Assen. Groningen had veel platen- en boekenwinkels en er was altijd reuring. Ik kocht die plaat bij Het Carillon aan de Oude Ebbingestraat op 15 maart 1968. De daaropvolgende vier aankopen betreffen allemaal platen van Bob Dylan. Ik was min of meer bezeten van hem. Pas bij plaatnummer 6 (The best of The Who) veranderde dit stramien. Voordat ik mij een elpee kon veroorloven, hield ik het op singles en heel soms een ep. Daarop stonden meestal drie of vier liedjes en waren gestoken in stevige, sierlijke hoesjes. In dier voege pasten ze ook qua prijs tussen de single en de lp. Soms kreeg ik een plaat. Van een vriendin bijvoorbeeld, als verjaardagsgeschenk. *Zoals Songs of Love and Hate van Leonard Cohen. Die kreeg ik op mijn verjaardag in 1971 van Jannie (vanwege gevaar voor privacyschending noem ik geen achternamen) uit Assen. Ik had het jaren niet gedraaid. Maar wat een geneuzel zeg, die man. Ik zou er spontaan een guilty-pleasure-gevoel van krijgen. Ik hield toen erg van dit soort trage, duistere muziek. *Van Alice uit Gieten kreeg ik voor mijn 22ste verjaardag Tommy. Niet de originele van The Who, maar de uitvoering van het Londense Symfonie Orkest -met zang van o.a. Sandy Denny, Rod Steward, Richie Havens en Steve Winwood en gestoken in een stevige klaphoes met tekstenboek. De verkering eindigde helaas kort na deze prijzige gift. Ik kom Alice nog weleens tegen en dan praten we even bij. *Wat betreft de korte van mijn verkeringen, spant Johanna uit Rolde wel de kroon. Het begon voorbeeldig. Zij gaf mij na enige weken Tapestry van Carole King, omdat ze die plaat kende van Bistro, de jongerenbar waar we regelmatig kwamen. Kort daarna doofde echter vrij plotseling de vlam en toen vroeg ze pinnig de plaat terug. Het had haar een halve (?!) weekloon gekost en de lasten van onze liefde wogen kennelijk zwaarder dan de baten. Het geeft maar weer eens aan hoe ondoorgrondelijk de mens kan zijn. Gedwee voldeed ik aan haar verzoek. Van Carole King bezit ik meerdere platen. Het blijft hele aardige muziek. Aan Tapestry heb ik mij nooit meer gewaagd. Die was voorgoed bezoedeld. *Van Tineke uit Mussel kreeg ik de live-lp Thirty Seconds over Winterland van Jefferson Airplane. Op een zaterdagmiddag gingen we naar Stad, dronken een drankje in ‘De Drie Gezusters’, shopten in hippe winkeltjes, genoten van elkaar en als dank wilde ze mij iets geven. Het werd deze plaat. Kort ervoor had ik gelogeerd bij zekere Vic & Jacky in de Eborstreet in York, waar constant muziek van Jefferson Airplane en The Doors werd gedraaid. Jefferson Airplane bleek een blijvertje. Ik beluister Winterland nog regelmatig, nu van een krasloze cd. *De laatste plaat die ik in verband wil brengen met een vriendschap, is Paul Siebel’s Woodsmoke and Oranges. Ik had enige tijd nauwe omgang met Bineke uit Eext. Verkering wil ik het niet noemen. Het was meer een los/vaste vriendschap. Na afloop van het kerstetentje in ’74 bij kennissen van haar, gaf ze mij een platenbon en daar heb ik diezelfde week nog deze plaat van gekocht. Op Paul Siebel kom t.z.t nog weleens terug. Latere verkeringen hebben geloof ik geen langspeelplaten opgeleverd. Het ligt mij jammer genoeg niet meer bij aan wie ik ooit een plaat heb geschonken. Dat zal zeker ook weleens gebeurd zijn. PlaatKeus van vandaag: ‘Tommy, as performed by The London Symphony Orchestra, with choir & guests’ – uitgebracht in 1972. Een dubbelelpee. Kan ik vanmiddag wel mee vooruit. Nogmaals dank, Alice!
9.1.26 Noodweer De rapen worden steeds gaarder. Ik heb het niet over ons door een pak sneeuw stilgevallen land, want dat zie ik meer als een hinderlijk winterslaapje. Goed, het heeft nadelen, hetgeen we aanduiden met overlast. Maar beroerd word ik er niet van. Ik heb dat woord even opgezocht in de grote WNT. BEROERD. Het lemma begint met: Geraakt door de hand Gods, dat is: getroffen door ene hevige, plotselinge ziekte, ook beroerte geheten. Dan komen er een aantal verklaringen van het woord beroerd voorbij waar ik niet veel mee kan. In Vlaanderen bijvoorbeeld betekent het: Zeer onrustige kinderen en Lichte boosheid. Ik heb in mijn leven geloof ik nog nooit een kind beroerd genoemd en lichte boosheid noemen wij denk ik geïrriteerdheid. Nee, met mijn gevoel van beroerdheid bedoel ik naar en ellendig. Dat werd ik bij het lezen van het artikel en het na zien van de video van de dood van een zekere mevrouw Nicole Good door een agent van immigratiedienst. Meteen na dit incident, verdedigde DJT (Trump) het als een handeling die bekend staat als noodweer, omdat mevrouw Good de agent van plan was aan te rijden en met aanrijden bedoelt hij ‘doodrijden’. Op de video is van dit alles niets te zien. De auto staat dwars op de parkeerplaats en blokkeert daardoor de auto van de immigratieagenten. Ze probeert weg te rijden en gebaart iets met haar hand. Een agent stapt uit hun auto en gebaart haar weg te gaan. Hij loopt daarbij naar de zijkant en dan naar de voorkant van haar auto, waardoor er een voor hem gevaarlijke situatie ontstaat. Dit alles vindt plaats in nog geen 10 seconden. De agent lost nu drie schoten waarvan eentje dwars door haar voorruit. Mevrouw Nicole Good raced nu vooruit en komt tot stilstand tegen een andere auto en een paal. Daar sterft ze. De moordende agent verschijnt onbevreesd in beeld. Hij blaast nog net niet de rook van zijn loop. Problem solved hoor ik hem bijna zeggen.
Mijn kippenvel was bliksemsnel overgegaan in beroerdheid. Wat hier gebeurde is wat er naar het schijnt nu overal in Amerika gebeurt. DJT stuurt overal het leger naartoe om onrust met onrust te bestoken. Er zal best weleens gedoe zijn met criminelen en gangsterbenden, maar dit gaat zelfs hen te ver. Het zal T’s ondergang worden, hoe krampachtig zijn vazallen hem ook blijven verdedigen en steunen. Overal zullen rellen ontstaan. Steeds meer Amerikanen beginnen het genoeg te vinden. Het Make America Great Again-sprookje wordt langzamerhand een boemerang die de innerlijke vijand (the enemy within) uit zijn winterslaap haalt. Ik zou als ik tot de kring der loyalisten van DJT behoorde maar maken dat ik wegkwam. Naar Venezuela misschien of naar Groenland. Want als de beer beroerd wordt, berg je dan maar. Ik denk dat ik dat boek van William Faulkner over de Amerikaanse Burgeroorlog van 1861 tot 1865, maar weer eens ga lezen. Raakvlakken te over. Want naar buiten gaan wordt ons burgers door onze vleugellamme Min. Pres. Schoof afgeraden. Overigens, hij zegt in gevallen zoals wat er nu in Amerika gebeurt, ook nogal eens dat hij er beroerd van is. Dat is in hem te prijzen. Daar zou DJT nog een hoop van kunnen leren.
8.1.26 De Macrons Wonderlijke consternatie in Frankrijk. Er was een rechtszaak tegen tien influencers die al jaren beweren dat de vrouw van president Emmanuel Macron een transvrouw zou zijn of zoals dat door sommige roddelbladen wordt gezegd: een omgebouwde man. Brigitte Macron heet ze. Ik heb mij nooit in deze kwestie verdiept, ben ook bepaald geen fan van president Macron, maar dit is toch wel schokkend. Ik bedoel, dat er mensen zijn die dit beweren, terwijl de dochter van Brigitte Macron toch het bewijs is van moederschap. Nu zou dat via een kunstmatige ingreep nog wel te verdoezelen zijn, maar mijn boosheid betreft die kwaadsprekende influencers, ook wel trollen genoemd. Wat hierin meespeelt is het leeftijdsverschil tussen Emmanuel en Brigitte: 24 jaar. Tussen Donald Trump (79) en zijn derde vrouw Melania (55) zit een nog groter leeftijdsverschil. Daar hoor je echter niemand over. In het conservatieve, van god vergeven Amerika, geldt dat de man over de vrouw heerst en een echtgenote die qua leeftijd evengoed de moeder van de echtgenoot zou kunnen zijn, valt dat moeilijk. Bovendien, iedereen die niet precies in het cis-straatje past, het straatje van model mannetjes en vrouwtjes, is sinds Trump de scepter zwaait onderwerp van spot en uitstoting.
Nu ben ik geen francofiel en de paar keren dat ik in Frankrijk verwijlde, behoren niet tot mijn aardigste uitjes. Dat is al heel lang geleden. Macron was nog maar amper uit de luiers. Nu bestiert hij een land dat voortdurend plat ligt door stakingen en waarvan de staatsschuld inmiddels hoger is dan de Eiffeltoren. Op zich niet vreemd dus dat de getergde goegemeente zich als een troep uitgehongerde hyena’s op een zwakke plek van de man richt. Dat is zijn vrouw. Die ietwat kleurloze oud-onderwijzeres naast die dandyachtige charmeur. Dat vinden ze niet kloppen. Ik heb met haar te doen. En het is natuurlijk niet alleen dat leeftijdsverschil, want tussen Mick Jagger en zijn laatste aanwinst zit 44 jaar en dat wordt lacherig weggewuifd. Nee, het is de oudere vrouw die aanpapt met de jongere man; daar zit ‘m het venijn. Alsof het om een afwijkende relatievorm zou gaan, iets van bloedschande. De vorige kroondragers reden als het op huwelijkse trouw aankwam, allemaal een scheve schaats. Dat zijn ze in Frankrijk wel gewend. Maar met Emmanuel Macron en zijn eega ligt dat anders en dat gaat zich steeds meer wreken. Er moet nog heel wat water door de Seine vloeien voor dit zal veranderen.
7.1.26 Hollandse duinen Het is een jaarlijks terugkerend probleem of nee, ik mag het eigenlijk geen probleem noemen maar een probleempje en zelfs dát is nog aan de zware kant. Het gaat om het verkrijgen van de afvalkalender. Jaren geleden kreeg je die in de brievenbus aangereikt door de bezorger van de streekkranten. Echter aangezien ik een NEE/NEE-sticker op mijn brievenbus had, ontging mij ook die kalender. Geen probleem, want bij het eerstvolgende bezoek aan Gieten, ging ik even bij het gemeentehuis langs en kreeg alsnog zo’n kalender. Zo kom je daar ook nog eens. Maar de ophaalroutes van de vuilniswagens werden ingewikkelder en daardoor werd het aantal ophaalroutes uitgebreid. Kan ik inkomen. De burger werd daarom verzocht voor de juiste kalender even in te loggen en alzo kon hij een gekopieerde kalender bekomen. Dat probeerde ik. Maar zoals het inmiddels jaar op jaar gaat, las ik ook nu dat het gemeentehuis niet van het bestaan van ons adres weet. Niet getreurd en dus belde ik met het speciale nummer. Ik legde de situatie voor en verstrekte de gegevens. ‘Vreemd’, zei de mevrouw aan de ander kant van de lijn. ‘Ik krijg uw gegevens hier gewoon in beeld. Voert u de postcode wel goed in dan?’ ‘Jazeker’, zei ik. ‘Nou dan mail ik uw kalender wel even aan u door’. Bij de buren zag ik intussen de grijze container aan de weg staan en dus baggerde ik door de sneeuw om de onze in de loop van de dag ook te laten legen. Het sneeuwen zette voort. Een straffe wind stak de kop op, sneeuwduinen werden al zichtbaar. ‘Ik moet nog zien of er een vuilnisauto langs komt vandaag’, zei ik terwijl mijn vrouw zat te potcasten. Later in de ochtend zag ik de kliko van de buren niet meer. Hadden ze hem weer teruggehaald? Wederom opende ik de site van de gemeente om me op de hoogte te stellen van eventuele complicaties aangaande het legen van de kliko’s. Maar er stond niets op en dus liet ik mijn bak gewoon staan. Ik zou wel zien.
Het is nu tegen drieën. Het pak sneeuw is aangegroeid tot hier en daar wel een halve meter. De wind heeft gezorgd voor duinen die niet zouden misstaan aan de Noordzeekust. Van verkeer is totaal geen sprake meer. Onze kliko is volledig ondergesneeuwd. Alleen aan de windluwe zijde is-ie nog zichtbaar. Van binnenhalen kan geen sprake zijn, omdat van staatswege het zich naar buiten begeven ten strengste wordt afgeraden. En morgen komt er nog een halve meter bij, zei zojuist mijn transistorradio. Ja, die heb ik voor de zekerheid maar weer van stal gehaald en voorzien van een paar nieuwe batterijen. De oude Witte Kat-batterijen kreeg ik er met moeite uit, maar het ding werkt nog prima. In verband met de door Mark Rutte onlangs geadviseerde noodpakket, komt het nu om een andere reden toch van pas. Want je zult zien dat door sneeuwophoping op de hoogspanningsdraden straks alle stroom uitvalt. ‘Dit zijn Russische toestanden’, hoorde ik een Cor Galis-achtige stem uit mijn transistor galmen. Ik moest aan de woorden van Winston Churchill denken: ‘Never, never give up, never surrender!!’ Zo is het maar net! Nooit opgeven, kop ‘d er veur! Het gaf me ongekende kracht. Nog even en het is voorjaar. En die volle kliko …. Maar ho, ik heb nog steeds geen kalender in mijn postbus. Zullen we dan toch echt niet bestaan? Scheelt wel een hoop belastinggeld. Dat is dan wel weer een plezierige bijkomstigheid. Nou ja, het komt vast allemaal wel goed. Eerst die sneeuw even verwerken.
6.1.26 Voor mijn nieuwe rubriek PK (PlaatKeus) pluk ik een plaat uit mijn platenkast en schrijf er een stukje over. Hoe kwam ik aan de plaat (als ik dat tenminste nog weet) en heb ik de artiest ja/nee in levende lijve gezien. In het eerste stukje van dit blogboek heb ik al een voorzetje gegeven met Dr Strangely Strange. Een obscuur electric folktrio uit Dublin, dat eind zestiger jaren bekend werd. De plaat Heavy Petting staat hoog op de lijst van verzamelaars. Nu is het de beurt aan Woody Guthrie en meer specifiek aan het lied This land is your land uit 1940. Heel toepasselijk lijkt me in deze roerige tijden waarin bullebakken zich onledig houden met grootschalig landjepik. Het liedje werd vooral bekend in de uitvoering van Trini Lopez uit 1962. Het is een ode aan het land met de ongekende mogelijkheden, Amerika. Hij zingt echter de laatste twee van de uit zes coupletten bestaande lied niet. Daarin wordt de vraag gesteld of dit land wel zit te wachten op werkzoekers en rondtrekkers van elders. Trini Lopez wilde het vooral gezellig houden. Hij was weliswaar in Dallas, Texas geboren, maar had toch duidelijk Mexicaanse wortels. ‘Sommige mensen mopperen en vragen zich af of dit land wel voor mij gemaakt (lees: bestemd) is’, vertaalt de app de laatste regels van het lied. Woody Guthrie hield zich niet in en daardoor kwam hij in de problemen. Hij mocht bijvoorbeeld zijn anti-fascistische liedjes niet meer voor de radio zingen en ging daardoor een beetje plagerig kinderliedjes schrijven en deze op de radio uitvoeren. Die werden onbedoeld nog hits ook. Onder andere zijn Car-car song. Dat is later nog door Donovan opgenomen. Voor Bob Dylan was Woody Guthrie zijn grote leermeester. Op zijn eerste LP staat de ode Song to Woody. Ook Bruce Springsteen heeft een cd gewijd aan Woody Guthrie. Maar platen van Woody Guthrie zag je hier weinig. Die kinderliedjesplaat, Songs to grow on, kocht ik in 1973 bij Andrés Platenbar in Assen. Ik scoorde ook een paar Woody Guthrie-platen in York, Engeland. Toen ik zelf een platenhoek runde, bestelde ik ze via Phonogram, die ze uit Amerika importeerde. Overigens niet alleen platen van Woody Guthrie. Hij overleed in oktober 1967 op 55-jarige leeftijd aan de spierziekte van Huntington (Huntington Desease). Zoon Arlo trad in zijn vaders voetsporen als volkszanger. Hij trad onder andere op met Pete Seeger, die ook bevriend was met Woody en met hem optrad. Voor de volledigheid; Trini Lopez overleed in 2020 op 83-jarige leeftijd aan de gevolgen van corona. PlaatKeus van vandaag: ‘Original Recordings, made bij Woody Guthrie – 1940-1946′ – uitgebracht in 1977.
5.1.26 Overdaad ’t Is bijna Driekoningen en dat betekent dat we afscheid moeten nemen van kerst’25 en al wat daarmee samenhangt. De gemeente vraagt ons vriendelijk om de kerstbomen in speciaal daarvoor gemarkeerde plekken te deponeren, zodat zij ze kan ophalen en versnipperen. Voor zover die bomen nog niet zijn verbrand op oudejaarsbulten. Wij hebben geen kerstboom. Lange tijd een kunstboom gehad. Opklapbaar, op te bergen in de kelder. Maar langzamerhand kwam de klad erin. Vorig jaar heb ik een namaakboom gemaakt. Een kunstzinnig gevalletje van latjes die mijn vrouw het hele jaar laat staan. Al naar gelang het jaargetijde tooit zij het met prulletjes die ze bij de inbreng scoort. Eerst met kerst, daarna met pasen en daarna met van alles wat er volgens haar ook prima in past. Een 4-seizoenenboom, zeg maar.
Zoals het met de kerstbomen gaat, zo gaat het ook met de kerstspullen en het kerstvoedsel. Meteen na de kerstdagen liggen de kerstkransjes al in de bak met 50%-korting of met een sticker dat voedsel weggooien uit den boze is. ‘Verspilling voorkomen’ staat er bijna boosaardig op. Om die graaiende kerstconsumenten, die zij juist met veel poeha hebben binnengehaald, nu de oren te wassen. Dat ze als megagrootgrutters veel te royaal hebben ingeslagen, telt even niet. Zíj worden ook maar van bovenaf aangestuurd, zal hun verweer zijn.
Ik liep door de Lidl -maar het had elke supermarkt kunnen zijn, maar het was de Lidl en zag bij de kassa een doos staan met dingetjes die de klant voor € 0.25 mee kan nemen. ‘Max 2 per klant’, staat daar normaal bij. Ik weet dat, omdat ik regelmatig afgeprijsde waren meeneem. Die 25 eurocent-producten hangen tegen de tht-datum aan en moeten die dag weg. Vroeger werden die tht’s gewoon in de kliko’s gedumpt. Geen haan die er naar kraaide, tot hier schande van werd gesproken (terecht!) en men overging tot prijsdumping. In de doos bij de kassa lagen kleine, oogstrelende goedjes. Het bleken leuk versierde pakjes met marsepeindonuts te zijn. Ik pakte twee uit de doos en legde ze bij mijn andere spullen. Op de met kerstsneeuw en sterretjes versierde wikkel is op elke ervan een grote sticker geplakt met ‘Verspil mij niet! ik ben nog GOED’. Het meisje achter de kassa keek mij even vorsend aan. Alsof ik niet tot de beoogde kopersdoelgroep behoorde. Daar heb ik altijd erg veel plezier om. Ik hou van mensen die niet omwille van hun geld, maar omwille van het systeem zuinig leven. We verspillen nu eenmaal idioot veel, maar uitleggen ga ik het niet. Daar krijg je alleen maar gedoe om.
In de auto op de parkeerplaats brak ik een van de pakjes aan. Het bevatte zes mini-donuts. Ik probeerde eentje uit. Deed mijn raampje open, voelde de frisse sneeuwkou op mijn snoet. Heerlijk! Een mevrouw die mij passeerde en me zag, zei glimlachend ‘Eet smakelijk’. ‘Dank u’, zei ik. Iemand van de gemeente knipte een kerstboom los en gooide het op de laadruimte van de auto. Morgen mag het niet meer. Want overmorgen beginnen de reclames voor de Paasdagen.
4.1.26 Maagdelijk wit (OverlijdensAdvertentieBovenschriften nr.13)
’t Is te makkelijk om nu in deze witte wereld sneeuw als onderwerp van de 13de overlijdensadvertentiebovenschriften te gebruiken. Toch valt dat uitgaande van mijn verzameling oab’s niet mee, omdat het er bijna niet in voorkomt. Wél de nodige andere weersomstandigheden waarvan ik er al enige in eerdere oab’s heb gebruikt (zie hiervoor elke 4de van de maand op blogboek ‘Van op site – 2025). Mogelijke oorzaak van het ontberen van sneeuw boven iemands heengaan is misschien omdat het zo iel, zo fragiel is en zo tijdelijk. Dat kun je een mens niet aandoen. Soms wordt het daarom als metafoor gebruikt voor iemands ultrakorte leven. En dan, niets zo onbetrouwbaar als sneeuw. Zo ís het er en zó is het alweer weg. Daar kun je niet op bouwen. Maar elke vlok bevat wél een eigen structuur en kent een soort levensloop.
Bij sneeuw denk ik onwillekeurig aan het verhaal De sneeuw van de Kilimanjaro van Ernest Hemingway. Het origineel is getiteld: The Snows of the Kilimanjaro. Maar het Nederlands kent geen sneeuws. We houden het enkelvoudig. Het verhaal gaat over een stervende, ijlende man, die zijn leven in het zicht van deze Afrika’s hoogste berg op zeer hardvochtige wijze uitluidt. Geen leuk verhaal derhalve. Mogelijk daarom waagt niemand zich aan een strofe uit dit verhaal. Naast het ongemak van sneeuw, geeft het juist ook veel plezier. Voor een oab is het misschien wel te vrolijk, te uitbundig, mij geeft het in ieder geval een heel kinderlijk gevoel, vandaar dat ik deze oab niet anders dan luchtig kan houden. Ik zal daartoe een ruikertje vrolijke oab’s laten passeren, want die zijn er in overvloed. Ik moet er wel bij zeggen dat dit naar mijn idee geen al te neerslachtige mensen waren, of het zou moeten zijn dat de nabestaanden hem (bijna altijd zijn deze aardeverlaters mannen) een afscheidsloer wilden draaien. Ook zijn het geen zwaar gelovigen die na het aardse tranendal, nog een tweede en (zoals het orthodoxen continu is ingepeperd) betere leven wacht. Die zijn juist uiterst precies in hun overlijdensbovenschriften. Hier volgen enige oab-kwinkslagen. ‘De dood belt niet op en vraagt ‘Kom ik gelegen?’ — ‘Overleden? Ach, dat gebeurt wel meer!’ — ‘Ik heb geen tijd om dood te gaan’. — ‘Altijd op tijd, maar nu veel te vroeg’. Ook scherp vind ik die van een hoogleraar geografie, luidende: ‘Wij blijven graven’. Of deze: ‘Piet is er tussenuit gepiept’. — ‘Doodgaan is niet erg, maar het duurt zo lang’. — ‘Wat nòu weer’, besluit iemand anders zijn aards bestaan. Neem Robert Long, die schreef ‘Van leven ga je dood’. Een waarheid als een koe. Weer iemand anders maakte ervan: ‘De buffel is gevloerd’. En zo zijn er nog heel veel leukebroeders.
Terug naar de sneeuw, naar dat witste wit. Ik herinner me ineens weer de begrafenis van oud-Koningin Wilhelmina. Dat moest in het wit, besliste zij. Omdat dit symbool staat voor het eeuwige leven. Sneeuwklokjeswit, zeg maar. Van Herman van Veen kom ik regelmatig het versje Lieverd tegen. ‘Het leven is als sneeuw, je kunt het niet bewaren. Troost dat jij er was, uren, maanden, jaren …..’ Naast het niet te pijlen verdriet om iemands dood in woorden als ‘Zeg me, zeg me, zeg me dat het niet zo is ….’ van Frank Boeijen of het algemene het is niet te bevatten, lees ik ook regelmatig regels als: ‘Ik heb een mooi een leven gehad’ – ‘Ik heb een prachtig leven gehad’ – ‘Ik heb een fantastisch leven gehad’ – of ‘Ik heb een schitterend leven gehad’. Kan allemaal. Een verzuchting die dit trappetje naar mijn idee overtreft, is: ‘Helaas dood’. Deze stond boven de advertentie van een bijna 100-jarige. Een ander klinkt eerder opgewekt: ‘Wij dachten dat hij niet dood kon’. De hoofdpersoon uit het boek De honderdjarige man die uit het raam stapte en verdween van Jonas Jonasson, zegt: ‘Het is zoals het is en het wordt zoals het wordt’. Maar wat heb je nog te willen als je oud en versleten bent? En toch ….. De chemicus P. J. Wuis werd 103 en boven zijn overlijdensadvertentie stond: ‘Ik vind dat het leven maar zo kort is’. Dan heb je lef! Zo iemand zou ik graag een paar decennia extra gunnen.
Misschien is sneeuw eenvoudige beeldspraak voor het kind dat tot de laatste snik in ons huist en dat op latere leeftijd steeds meer de warmte opzoekt. Het lijkt prachtig, zeggen ze, dat verlate kerstlandschap en ze strekken hun benen languit voor de radiator. Buiten lawaaien spelende kinderen. Ze zouden dolgraag een robbertje mee willen sneeuwvechten, maar ze weten dat één misstap hun dood kan betekenen. Niet doen! Ik eindig met een uitspraak van Midas Dekkers: ‘Ik ben er sterk op tegen, de dood’ . Opmerkelijk. Van een bioloog zou je een toegefelijkere houding verwachten. Hoewel ik het van harte met hem eens ben.
1.1.26 Alles een jaartje ouder We staan er vaak niet bij stil, maar alles is weer een jaartje ouder. Daar hoor ik nooit iemand over. Ieder jaar tijdens deze dagen overvalt mij echter die gedachte. Alle platen en boeken, alle schrijvers, alle muzikanten zijn weer een jaar ouder of een jaar langer uit de tijd. Zo logisch als wat. Bomans is dit jaar al bijna even lang dood dan hij leefde, de Vlaamse dichter Leonard Nolens haalde 2026 net niet, Kees van Kooten gaat richting de leeftijd van zijn moeder Annie en Martin Bril is komende april alweer 17 jaar uit de tijd. Hoe zal hij zijn omgegaan met het aan hem toegeschreven fenomeen ‘rokjesdag’ en zich in kronkels hebben gedraaid toen algemeen bekend werd dat dat woord kort na de oorlog in Rotterdam door men-weet-niet-wie al bedacht en gebruikt werd? Bril was van vóór #Metoo en het toxische begrip woke. Ik lees nog regelmatig zijn als oprispingen neergepende woorden. Twee groten van nu, Tommy Wieringa en Arnon Grunberg. Ook weer een jaartje erbij. Lopen gestaag naar de jaren des onderscheids of zijn daar al overheen(?). Hoe dan ook, alles zakt weer een stukje verder op weg naar de totale vergetelheid.
En dan de muziek. Nog zie ik de foto van de enorme oploop van hippies nabij het Amerikaanse Woodstock. Er was sprake van een half miljoen bezoekers op weg naar een popfestival. We moesten nog even wennen aan dat woord: popfestival. Augustus 1969 was het. Ik had op weg naar mijn werk bij Bé Ritchie een krant gekocht (vermoedelijk het Algemeen Dagblad) en zag hierin de toen al bijna iconische foto. Een rups van auto’s en mensen tot aan de horizon. In een straal van vele tientallen kilometers stonden rijen op weg naar Woodstock. Het zou een eigen leven gaan leiden. De uitwassen van Woodstock kwamen sindsdien regelmatig terug op optochtwagens en tijdens het carnaval. Aangepast aan de moderne tijd, dat wel. Weelderige, helgroene, paarse of korenblauwe fluoriserende pruiken en glitter alom. Het kind dat door John Sebastian (zanger van The Lovin’ Spoonful) tijdens dit festival op aarde werd verwelkomt met een toepasselijk liedje, zal komende zomer zijn/haar 57ste verjaardag vieren. Dat hoop ik tenminste. Er schijnen trouwens twee kinderen op het festival te zijn geboren, als ook twee doden gevallen. De latere edities van Woodstock zouden minder vreedzaam verlopen. Wie weet snoeit het nietsontziende republikeins mes elke culturele evenement dat niet in hun straatje past. Inclusief popfestivals. Dit jaar zal het 63 jaar geleden zijn dat president Kennedy werd vermoord. 1963 + 63. Sindsdien is de wereld niet meer los gekomen van complottheorieën. De huidige maatschappij is doordesemt van dit kwaad. Gewiekste trollen voeden internet en AI laat ons het denken verleren.
Maar laat ik me houden aan het thema dat alles en iedereen weer een jaartje ouder wordt. Ook ik. In april 75. Dan heb ik officieel drie kwarten van een eeuw achter de knopen. Ik tel mijn zegeningen en kijk naar de kast waarin mijn mappen, schriften en archiefdoosjes staan. Het is nog volop in beweging; zolang dat het geval is …. Aan het werk maar weer. Muziekje erbij. Dr Strangely Strange deze keer. Heavy Petting. Ierse folk. Bijna even oud als Woodstock. ps. Het lijkt me aardig af en toe een stukje te schrijven over een vergeten pareltje uit mijn platencollectie. Liedjes die niet in de top2000 enz. lijsten voorkomen. En dan doe’k ‘d er ook nog es wat anders mee dan ze af en toe te draaien.
Overzicht overig schrijfwerk (in depot) Vanaf dat ik alledaagse beslommeringen en hetgeen me zoal bezighoud vastleg -eerst in schriften, later op typevellen en na ongeveer 2010 op de computer- bedenk ik titels. Van een schrift is vooraf moeilijk vast te stellen wanneer het vol zal worden, met een blogboek is dat een stuk makkelijker; die rond ik altijd af op de laatste dag van het jaar. Voor klad en opslag van gedichten en/of verhaaltjes gebruikte ik lange tijd tot 2000 Chinese schriften. Ik denk dat ik er zo’n 25 vol geklad heb (ik zou ze nog eens moeten nalopen en eventueel uitwerken). Ik noem ze zo, omdat ze van Chinese makelij zijn. Ze bestaan uit dun papier met een kartelrand aan de bovenkant en zijn ongeveer 200 pagina’s. Ze kenmerken zich verder door een zwarte harde kaft, een gelijmde rode rugband en eveneens gelijmde rode hoekpunten voor extra versteviging. Het soort dat ik vanaf eind jaren 70 gebruikte heb ik al lange tijd niet meer gezien. Wél de vereenvoudigde gladde versie. Vanaf 2000 ben ik gemarmerde, 400 bladzijden tellende kantoorschriften gaan gebruiken. Die waren toen in elke goede boekhandel te krijgen, maar naar verloop van tijd alleen nog bij Van der Kuijl te Assen. Ik noem ze blokschriften. De laatste twee exemplaren heb ik op 21 april 2023 gekocht. De winkelier zei me op mijn vraag dat ze steeds moeilijker te verkrijgen waren. Aanvankelijk was ik van plan één exemplaar à €14.95 te kopen, daar kon ik wel weer een poosje mee vooruit, maar na deze onheilsboodschap besloot ik ze allebei -zijn hele voorraad dus- aan te schaffen. Daarmee was ik mogelijk de laatste koper in een verre omtrek van deze blokschriften. Ik gebruik ze nog steeds als aantekeningenschriften. Er staat inmiddels een aardig rijtje. Voor de aardigheid verzon ik bij aanvang van een nieuw blokschrift altijd een titel. Dat werkte op een of andere manier plezierig. Dit zijn ze: 1)Chinese Schriften. 2)Dichterbij ga ik niet. 3)Beer op sokken. 4)Het aardse geniep. 5)Zwijnen zijn we! 6)Finale kwijting. 7)Liggende helden. 8)Stuitend gebrek. 9)Het moede hoofd. 10)Zolderberichten. 11)Nieuw vuur. 12)Schoon schip. 13)Volle vellen. 14)Nieuw oud zeer. 15)De Veelheid. 16)De ochtend roept reeds de avond aan. Of ik ze veel gebruik? Soms. Bijvoorbeeld om precies te weten wanneer we ergens waren of wanneer en hoe iets is gebeurd en wat ik dan voor een verhaal kan gebruiken. Want zaken/feiten moeten wel kloppen. Misschien juíst wel in een verzonnen verhaal. Vanaf 2013 ben ik geheel overgegaan op computeren. Niet dat ik geen aantekeningen meer maak. Het eerste jaar van de computerverhalen, heb ik getiteld: Leven in Groenthe. Groenthe is een samentrekking van Groningen en Drenthe. Het zijn 140 columns en verhalen. 2014: Kronieken en verhalen. 2015: Op afstand lijkt alles minder erg. 2016: Wat zo dichtbij is, zo ver-halen. 2017 + 18: Leven met ik -169woordenstukjes (totaal 555 – eerste blogboek, want vanaf 2017 ben ik geheel overgegaan op het via internet publiceren van mijn zogenaamde blogboekverhalen). 2019 + 20: Terwijl de wasmachine draait – blogboek. 2021+ 22: Legoën op leeftijd – blogboek. 2023: Nou dan! – blogboek. 2024: Ongeneeslijk Drentig (ook in 2024) – blogboek. 2025: Van op site – blogboek. De meeste van die blogboeken bevatten zo tussen de 100 en 125 columns, gedichten en verhalen. Daarnaast -vanaf mei 2013– de maandelijkse column voor Gieterveen.nl (inmiddels 159), de regelmatige bijdragen voor Roet (Drents literair tiedschrift) en sinds kort voor Ons Erfdeel, Gieten. Voor een overzicht van bijdragen in bundels en boeken, zie op mijn site onder ‘veenberichten.nl’, op pagina ‘Willem Haandrikman’. Hier staan de bijdragen aan zo’n 10 bundels (onder andere Candlelicht 1 en2) en aan meerdere periodieken tot 2000 niet op. Dat laat ik maar voor wat het is. Vanaf januari ga ik hier verder met Man zonder baard memoirt – blogboek 2026.