Man zonder baard memoirt – blogboek’26

15.2.26 PlaatKeus #9 Tv-Drenthe meldde afgelopen vrijdag de dood van Berend Jan Hegen – Bé voor wie hem beter kende. 83 is hij geworden. Ik kende Bé een beetje. Half jaren zeventig ben ik enige tijd met een vijftal jongens bezig geweest een bandje te formeren en toen dit in een knal eindigde, op een manier zoals bandjes vaak eindigen, sloten twee van hen zich kort daarop aan bij de B.J.Hegenband. Prima. Ik kon er goed mee leven. Toen ik Bé een tijdje later met die jongens zag optreden, sprak hij mij in de pauze even aan. Alsof hij een beetje verlegen met deze tranfer was. Sindsdien kwam ik hem wel vaker tegen. Bé was een alleraardigste, vooral zeer benaderbare man, dit in tegenstelling tot Harry ‘Cuby’ Muskee, die andere en veel bekendere Drentse bluesman. Voor mij was Bé een veel authentiekere bluesman, uitdrager van het grote verhaal dat achter de blues steekt en in die zin een beetje een bluesdokter. The Healer, zou John Lee Hooker zeggen. Over dokters in de muziek gesproken. Er zijn namelijk meerdere artiesten die Dr. als geuzennaam hebben gebruikt. Laat eens kijken: Dr. John the Nighttripper, Dr. Strangely Strange, Dr. Hook & the Medicine Show, Dr. Funkenstein, Dr. Dré. Zomaar een paar muzikale dokters, aan wie je als arts waarschijnlijk weinig zult hebben. Maar in overdrachtelijke zin zou je hun muziek een probaat middel kunnen noemen tegen somberheid, tegen druilerigheid en neerslachtigheid, kortom: het betere soort placebo. De aardigste dokter die ik heb zien optreden en zelfs een praatje mee heb gemaakt (nee, geen consult!), was Dr. Ross. Ik zag hem op 11 oktober 1974 in Brandpunt in Assen. Dr. Ross werd geboren als Isaiah Ross op 21 oktober 1925 in de staat Mississippi. Hij brak nooit echt door zoals zijn staatsgenoten Muddy Waters en Howlin’ Wolf dat wel deden. Het concert zou als gebruikelijk tegen halfnegen aanvangen, maar ál er was: geen Dr. Ross. Pas tegen half elf (22.30 uur) kwam hij binnen. Een handige, goedlachse man. Een deel van het publiek was al morrend naar de binnenstad vertrokken, naar café’s als Jan Dekker, Outkast of de Witte Bal. Weer zo’n Amerikaan die het werk niet al te serieus neemt, hoorde ik links en rechts. Ik bleef. Toen Dr. Ross arriveerde verontschuldigde hij zich uit-en-te-na. De chauffeur had hem naar Kreuningen gebracht. Jaja, Groningen, want dáár gebeurde het. Dr. Ross zette vliegensvlug zijn instrumentarium klaar en ging aan de slag. Hij speelde om de schade in te halen tot ver na twaalf uur door. Hij moest toen letterlijk stoppen, omdat Brandpunt een zekere sluitingstijd had. Toen heb ik hem even aangesproken en een elpee van hem gekocht. Die voer hij mee in een koffertje en placht hij aan het publiek te verkopen, want ‘hij was een arme blueszanger en moest de hele tournee zelf betalen’, enzovoort. Hij was naast goedlachse bluesman ook een beetje een stand-up comedian. Ongevraagd zette hij een handtekening op de plaat. Hij vertelde tijdens zijn optreden, dat hij tussendoor werkte bij General Motors in Flint, Michigan. In de blues een kleine scharrelaar, maar ook een man aan de montageband ofwel assembly line, waar Harry Muskee over zong. Hoe dan ook, het was een memorabele avond. Vier jaar later zag ik in een stampvolle Oosterpoort in Groningen de grote blueslegende John Lee Hooker. De man die later met Bonnie Raitt nog The Healer zou opnemen. Dat optreden was om muziekrecensent Leo.W. Bruin na te spreken: ‘Een pijnlijke ervaring’. Dat was het zeker. Er zat een uitgebluste, nukkige oude man op een stoel beroemd te wezen – de muziek liet hij door een paar jonge jongens maken. Nee, dan duizend keer liever Dr. Ross, ’the Harmonica Boss’, zoals hij zich noemde. Van Bé Hegen bezit ik geen enkele plaat en ik moet het dus doen met een andere pleitbezorger van de onversneden blues (althans zo zie ik dat). Ik hoop dat Bé er ‘somewhere in bluesheaven’ mee kan leven! PlaatKeus van vandaag: Dr. Ross – The Harmonica Boss. Opgenomen in Londen, uitgebracht in 1972.

14.2.26 Heftige berichten Bij het doorstruinen van de krant tref ik altijd zaken die ik liever niet dan wel weet. Aan ontsnappen is moeilijk, ze komen eenvoudigweg op mijn pad. Twee weken geleden bijvoorbeeld las ik dat er in het Beatrix-Kinderziekenhuis in het UMCG een muis was gesignaleerd. ‘Grappig’, dacht ik, want ik heb geen hekel aan een muis. Dat begint om te slaan als het een plaag wordt. Dus ik dacht: ‘Eén muis. Wat kan die voor schade aanrichten?’ Bovendien, kinderen zijn over het algemeen heel mild over muizen. Dat wordt mede veroorzaakt doordat ouders kinderen verhaaltjes voorlezen over muizen en kikkers. Voor hen zijn dan de vreedzaamste aller dieren. Maar nu wordt het kind in het ziekenhuis -op zich al geen pretje- verteld dat hij of zij met bed en al verderop in het pand wordt ondergebracht, omdat er een muis in de kamer is gesignaleerd. Wie weet is het een schreeuw om aandacht van degene die het bij de staf van het Centrum meldde. Als dat het geval is, dan moet hem of haar ogenblikkelijk verder toegang tot het ziekenhuis worden ontzegd. En nu las ik dat de muis afgelopen weekend is gevangen. ‘Het was even doorbijten’, zei het hoofd van de facilitaire dienst, ‘maar we got em!’ De kinderen konden weer terug. Wie weet met hoeveel plezier ze bij het vallen van de avond, als de ouders en het personeel waren opgeduveld, naar het diertje hebben uitgekeken. Daar werd door het rampteam van het UMCG volgens mij totaal niet bij stilgestaan.

Ik heb veel in het betreffende ziekenhuis gelopen en dat brengt mij bij een volgend bericht. Er was bij mij in het Asser ziekenhuis peniskanker geconstateerd. Dit komt weinig voor en om het zeker te weten moest er een ‘hapje weefsel’ voor onderzoek uit de plek des onheils worden genomen. Dit gebeurde met een soort injectienaald. Een mens maakt veel pijnen en pijntjes mee, het is inherent aan het leven, maar deze ingreep was geloof ik wel het pijnlijkste dat ik ooit heb ondergaan. De arts was hier op voorbereid en had twee assistentes opgeroepen die zich ter zijde van mij opstelden. Áls ik geweten had wat er ging gebeuren, dan had ik denk ik stante pede gekozen voor onmiddellijke inslaping. Wat na de vaststelling kanker in het UMCG aan verder onderzoek en tenslotte operatie plaatsvond, was er niets bij. Daarom verbaasde ik mij toen ik las over een skischansspringer die zich een bepaald soort zuur in zijn penis wilde laten inspuiten, waardoor zijn lid zou opzwellen en de spanwijdte van zijn skipak met twee centimeter zou vergroten. (?) Hierdoor zou hij een meter of vijf verder door de lucht kunnen zweven en tot een ongekende prestatie kunnen komen. Ik zweer, dat mocht die skischansspringer de ingreep die ik onderging, evenzo zou ondergaan, hij ogenblikkelijk voor een totaal andere sport zal kiezen.

Nog een bericht. Het speelde zich vorige week af in Berlijn. Vanwege de gladheid in heel Duitsland (net als bij ons) had de burgemeester van deze stad de wettelijke bepaling dat er vanuit milieuoogpunt geen zout op trottoirs mag worden gestrooid, naast zich neergelegd. De vele valpartijen en breuken waren te ernstig. De Berlijners sloegen massaal aan het strooien. Maar nog diezelfde nacht (!) beval de rechter dat het strooiverbod moest worden gehandhaafd: breuken of niet! Daardoor ontstond de maffe situatie dat mensen die in alle vroegte hun trottoir bestrooiden, een boete konden krijgen van maximaal 10.000 euro. Toen ik dit las, moest ik aan Multatuli denken. Multatuli (eig. naam: Eduard Douwes Dekker) was door De Opregte Haarlemsche Courant in 1866 als correspondent in Duitsland aangesteld. Hij moest als verslaggever artikelen schrijven over wat er zoal gebeurde bij onze oosterburen. Dat viel nogal tegen en daarom nam hij stukken over uit de Mainzer Beobachter. Althans, dat liet hij de lezer weten. De artikelen werden steeds fantastischer. Iemand van de Opregte kwam op de gedachte eens zo’n Mainzer Beobachter te bemachtigen, maar die krant bleek helemaal niet te bestaan. Multatuli viel door de mand en werd ontslagen. Achteraf jammer. Charles Dickens is als schrijver doorgebroken met De Pickwick Papers. Ook hij verzon alles. De als een feuilleton gebrachte serie reisverhalen van het stuntelige gezelschap notabelen door Engeland, bleek een handige verkooptruc. Het kwam natuurlijk uit, maar de Engelsen zagen de humor er wel van in. Maar de redactie van de Haarlemmer wenste slechts oprechte waarheden te publiceren. Ze hadden wat lachkruid moeten toevoegen aan hun olie.

In het artikel over de strooikwestie in Berlijn, wordt gerept dat er door de vele breuken, tot zelfs vanuit Beieren veldbedden moesten worden aangevoerd. Ik geloof stilletjes dat we te maken hebben met een nieuwe Multatuli. Maar van mij zal de betreffende krant het niet horen!

12.2.26 Nieuwe ziekte De man maakte zich steeds bozer, het liep de spuigaten uit. Zijn vrouw moest onlangs nog door de knieën, omdat hij woedend de krant tot een prop had gekneed en in de richting van de papierbak had gegooid. Geschrokken wilde ze hem kalmeren. ‘Kalmeren! Kalmeren! Mij kalmeren! Die rotzak van een Trump moeten ze godverdegodver kalmeren, kaltstellen moeten ze hem!’ Het schuim liep hem uit de mond, zou ze tegen de arts zeggen. Het was altijd zo’n aardige man geweest, af en toe weleens opvliegend, maar na een biertje of een likeurtje, verdween dat in een oogwenk. Sinds het aantreden van die verschrikkelijke man in Amerika (nee, ze wilde zijn naam liever niet noemen), was er geen land meer met hem te bezeilen. Alleen al bij het zien van die kop kon hij volledig door het lint gaan. Dan hielpen ook geen twee of drie biertjes. Daarom knipte zij sinds enige tijd zorgvuldig alle foto’s waar dat kwelbeest op stond uit de krant. Hij wist hier van en vroeg niet eens of er op achterkant van zo’n missend stuk iets van waarde had gestaan. Maar afgelopen maandag had ze een bladzijde gemist en laat er nou net op die pagina een afgietsel van dat afschuwelijke beest staan. Naast een foto van een zestal leden van de immigratiepolitie die een jongetje van een jaar of zes als een massamoordenaar onder schot hielden. Ieder weldenkend mens moest hier van walgen. ‘Durven jullie wel, stelletje klootzakken, losers …’, begon hij zijn tirade. Ze was bezig in de keuken en had niet in de gaten waardoor hij ineens zo los ging. Het overkwam haar met dezelfde schrik als waarmee ze het eerste gerommel van een te verwachten zware onweersbui waarnam. Toen stootte hij in zijn onbeheerste razernij ook nog zijn koffiemok omver, waardoor de krant in een dweil veranderde. Het was het hek van de dam. Als een getergd dier sprong hij overeind z’n stoel achteruit duwend, die met volle kracht tegen de vensterbank viel en de vaas die hier al jaren antiek en kostbaar stond te worden, eraf kieperde. De vrouw kwam aangerend, roepende: ‘Wat gebeurt hier wel?’ Als verlamd had de man de scherven met zijn handen bijeen geharkt. Zij had hem na te zijn uitgescholden een glas limonade ingeschonken en er stiekem een half dozijn tranquillizers in opgelost. Dat had geholpen. ‘Ik moet even liggen’, had hij na een paar minuten gezegd. Terwijl hij sliep had zij de huisarts gebeld. Wat moest zij hiermee aan? De huisarts wist wel raad. Hij kende een specialist in de stad voor dit soort gevallen. De volgende dag konden ze al bij hem terecht. Mogelijk doordat hij nog versuft was, stemde hij toe. Diepe schaamte speelde mede een rol. Die vaas was een erfstuk en de stoel had een flinke deuk opgelopen.

De arts bleek zich te hebben toegelegd op zoals hij zei: trumpitus complexi. Nadat de zwerm coronaontkenners was afgenomen, diende zich een even hardnekkige nieuwe ziekte aan toen Donald J. Trump voor een tweede termijn was gekozen. ‘Dat wordt heibel’, zei hij tegen vriend en vijand en schroefde een bord met ‘Trumpitus-specialist’ naast zijn voordeur. Het liep meteen storm. Ingebeeld of niet, ze kwamen zelfs ’s avonds laat nog binnenvallen. Het meest voorkomende ziektebeeld: Niet te onderschatten angst voor de toekomst onder T.’s tirannie, overslaand in niet te temmen woedeaanvallen. De arts sloeg de spijker op z’n kop. De man hoorde het zwijgend aan. ‘Wat ik u voorschrijf is van levensbelang’, zei hij. ‘U moet ogenblikkelijk uw krant opzeggen, uw televisie de deur uitdoen en uw mobieltje het liefst heel diep in de tuin begraven. Alleen dan kunt u deze duivel uitdrijven. Voorts moet u elke avond een stoombad nemen en bij het krieken van de dag een ijskoude douche. Ter verpozing kunt u naar muziek van bijvoorbeeld Erik Satie of Jan Vayne luisteren. Ook lezen is zeer heilzaam. Geen moeilijke boeken, iets van Hendrik Groen is een goede keuze en een beproefde remedie. Als u zich strikt aan deze regels houdt, is herstel niet ondenkbaar. Ik heb voor hetere vuren gestaan. Bent u fondspatiënt, dan zit u goed. Ik wens u veel sterkte en denk erom, voor de donder niet opgeven!’

Opgelucht verlieten ze de praktijk. Ze liepen via de Hoofdkade naar de parkeergarage. De zon scheen door de kale bomen, maar in een miniperkje voor een huis bloeiden al sneeuwklokjes en een groepje mezen lawaaide rond een nestkastje. Toen begon de man plotseling te fluiten. Aarzelend. Ze wist niet wat ze hoorde. Op dat moment zag ze aan de overkant van de straat een reusachtig billboard met de aankondiging Melania Trump – the movie of the Mad King’s wive. Ruw trok ze haar man een onbeduidend zijstraatje in. Hij had niets in de gaten en floot alsof zijn leven ervan afhing. Normaal zou ze hem gezegd hebben iets te temperen. Nu niet. En toen hij ook nog What a wonderful world inzette, zong ze stilletjes mee. Het zou allemaal goed komen!

10.2.26 PlaatKeus #8 Mijn broer zou binnen enkele weken komen te sterven. Het stond gepland. We waren in die laatste weken meerdere keren bij hem op bezoek geweest en op zeker moment vroeg hij wat er na zijn leven met zijn royale platencollectie zou gebeuren. ‘Die gaan denk ik naar een inbrengwinkel’, zei ik voorzichtig. Want nu hij daar over begon, was er geen weg terug. Dat wist hij en dat wisten wij. Op zich niet vreemd dat ik dit zei, want hij was zelf altijd een grage klant in deze winkels geweest. Soms kocht hij ook via een blad als ‘Country Gazette’ een handeltje. Een deel van zijn platenkast bestond uit dit soort platen. Toen hij vroeg of ik zijn collectie niet wilde meenemen, zei ik: ‘Neeh. Waar moet ik ze laten, ik heb zelf al zoveel platen’. Allemaal waar en toch lonkte het. Maar omdat de optie ‘alles’ afviel, bood hij mij gelegenheid díe platen eruit te halen die ik graag wilde hebben. Dat deed ik. Hoewel ik dit niet had voorzien, wist ik zonder na te denken van op zijn minst één artiest wiens platen ik veilig wilde stellen: Buddy Holly. Hij had niets op volgorde staan en dus moest ik mij door een woud van Abba’s, BZN’s, John Denvers en allerlei feestgedruis ploegen, alvorens ik alle Buddy Holly-platen bij elkaar had gescharreld. Ik was maar weinig andere platen van mijn gading tegengekomen. Wel vond ik een paar elpees terug die ik hem ooit had uitgeleend. Kan gebeuren. Van de tien Buddy Holly-platen die ik tegenkwam, was er geen enkele originele bij. Dat wil zeggen: uit de tijd dat hij nog leefde. Want tijdens zijn korte leven bracht Buddy Holly slechts een paar elpees uit en die zaten er niet bij. Ik had zelf al een vijftal Buddy Holly-platen (waarvan 3 dubbelelpees) en met deze 10 erbij moest ik zijn hele oeuvre wel hebben. Niettemin voegde mijn broers erfenis alleen al door de verschillende hoezen heel wat aardigs toe. Naar de hoesfoto van de eerste elpee van Buddy Holly die ik mij kan herinneren, modelleerde mijn broer zich. Dezelfde kuif, hoewel iets voller, want Buddy Holly was anders dan zijn rock&roll-collega’s, een keurig man. Hij kwam uit het conservatieve Texas, vandaar. Ook de typische bril met stevig zwart montuur en licht getinte glazen, werd onderdeel van mijn broer zijn outfit. Ik vond de plaat terug in zijn platenkast. En van het Corallabel! Dat was het label van de originele platen die tijdens zijn leven uitkwamen. Alleen platen op dat label, liet mijn broer mij al op jonge leeftijd weten, waren de echte. Buddy Holly stierf op 3 februari 1959 door een vliegtuigcrash. Nog geen halfjaar ervoor trouwde hij met de Puerto Ricaanse Maria Elena Santiago. Er verschenen na zijn dood op tal van labels platen met zijn werk. Bijna allemaal verzamelelpees en compilaties. Naspeuring blijkt dat de door mij bedoelde plaat ook een herdruk is. Oorspronkelijk was het getiteld The Buddy Holly Story, dat kort na zijn overlijden in 1959 uitkwam. Eind 1964 werd mijn broer zanger van een bandje dat tot dan toe voornamelijk werk van The Shadows en The Ventures hadden gespeeld. Instrumentaal gitaarwerk. Wilden de jongens echter doorbreken, dan moesten ze een goeie zanger aantrekken. Dat werd mijn broer. De beatrage gaf wereldwijd de toon aan en zij voegden zich hiernaar. Desondanks studeerden ze ook een aantal liedjes in van Buddy Holly. Mijn broer kon hem namelijk heel goed nadoen (inclusief die malle Buddy Holly-hik) en werd alom gewaardeerd. Mocht je niets weten van hun muziekstijl, dan hielp mogelijk hun naam: Buddy and the Shapes. Als een verlate ode aan mijn broer die mij de muziek van onder andere Buddy Holly heeft meegegeven …. de PlaatKeus van vandaag:Buddy Holly, uitgebracht in 1958.

8.2.26 IJzelverhaaltjes 1 In onze straat gebeurt weinig. Zo af en toe komt er een auto langs, een tractor of een fietser. Met de sneeuw en later de ijzel was het helemaal stil. Ik wilde toch wel even naar de fysio, liep voorzichtig over ons bevroren pad naar de garage, reed de auto naar de straat en stapte weer uit om het hek dicht te doen. De weg was dooi. Er reed een fietser voorbij, hij had een grote tas aan zijn stuur. Een vijftigtal meters verderop remde hij ineens krachtig en stopte. Hij steeg hij af en wilde naar ik dacht een blikje oprapen. Het werd met de fiets aan zijn hand een lastige klus, hij moest ervoor door de knieën. Kennelijk was het ook nog geen blikje of flesje, want hij gooide het van zich af. Vreemd. De man draaide z’n fiets nu bij en wilde weer opstappen, maar de tas werkte niet mee. Daardoor maakte hij een rare kronkel en viel ondersteboven. Het gaf een blikkig geluid. Daar lag hij: languit op straat. De fiets lag op de tas en de man half over de fiets. Even bleef het stil. ‘Oei’, dacht ik ‘dat wordt 112 bellen’. Ik wilde erop af lopen, maar de man krabbelde tamelijk makkelijk overeind. Hij trok zijn fiets omhoog en keek in de tas. Ik hoorde hem vloeken. Toen fatsoeneerde hij zijn kleren, steeg op en fietste verder. Ik liep naar de plek waar het dingetje lag waarvoor de man was gestopt. Het bleek een kartonnen kokertje te zijn voor iets van snoepjes. Ik raapte het op en gooide het in de container die nog bij de weg stond. Dat had hij ook kunnen doen.

2 Terugkomend van de fysio, bleek de dorpsweg geblokkeerd en daarom reed ik naar Gasselte en sloeg af bij Kostvlies om nog even in de boekenkast aan de Varik te kijken. Dat doe ik vaker. De boekenkast bevindt zich net na een bocht met veel groene bomen (sparren, coniferen), zodat je weinig zicht hebt op tegemoetkomend verkeer. Dat zou nu geen probleem zijn, want het was doodstil bij de weg. Bovendien reed ik langzaam. Maar laat nou net op dat moment bij dat ene huis de eigenaar of een bezoeker het erf af rijden. Ik had voorrang, dus geen probleem. De meneer of mevrouw had echter niet in de gaten dat het voorste stukje van het erfpad nog glas was. De auto remde wel, maar gleed door. Ik schrok. Een botsing leek onvermijdelijk. Ik remde, maakte een rare slinger en belandde in de berm en reed verder. Iets verderop stond de boekenkast, maar ik had op slag geen zin meer om erin te kijken. Het zou lijken alsof ik haar (in mijn binnenspiegel zag ik dat het een vrouw was) als een bozig mannetje eventjes de les wilde lezen. Niet doen. Bij de volgende afslag ging zij linksaf, ik rechts. Probleem opgelost.

3 De parkeerplaats bij de winkel lag er verlaten bij. Ik had mijn krant al twee dagen niet gehad en hoopte dat de distributeur de winkel wel had kunnen voorzien. Maar nee. Het rek was leeg. Het was er zeldzaam stil. Eigenlijk best wel lekker. Bij het koffietafeltje zat een man, die ‘Koffie meneer?’ zei. ‘Ach ja, waarom niet’, zei ik en nam plaats. Ik kende de man niet. We praatten over het weer, waar zou je het anders over hebben? Al die tijd kwam er niemand langs. We namen een gevulde koek uit het pak dat naast het koffieapparaat stond. De winkelier huldigde mogelijk het standpunt dat de echte doorzetters getrakteerd moesten worden. We hadden zonder moeite een pak van een stelling kunnen pakken en aanbreken; er was niemand die ons zou zien. Daar hadden we lol om. Jongenspret. Nu de kans op mijn krant verkeken was, ging ik verder. De man ook. Buiten zagen we het personeel bezig de brede stoep voor de winkel met een soort stoommachine ijsvrij te maken en zout te strooien. Ze waren zo druk doende dat ze ons niet zagen. ‘We hadden de hele winkel wel leeg kunnen vreten’, zei de man met een soort van spijtgrijns. Voorzichtig liepen we naar onze auto’s en reden elke een kant op.

6.2.26 PlaatKeus #7 In de vroege jaren zeventig, hoorde ik een al oudere collega een voor mijn gevoel nogal afwijkende reden geven waarom hij zijn haren lang droeg. Het was weliswaar mode, maar dat hield toch op zekere leeftijd op. Nee, hij was zijn leven lang al liefhebber van klassieke muziek. Beethoven was zijn favoriet en al in de jaren vijftig had hij zijn kapsel naar diens voorbeeld gemodelleerd. Het had dus niets te maken met de grillen van deze tijd. Hoe hij ‘die bietels’ uitspuugde, sprak boekdelen. Mode is een algemeen aanvaarde tijdelijke verandering van kleding, haardracht t/m woninginrichting en de kleur van auto’s, dewelke -het kan even duren- op zeker moment terugkomt en dan doen we net alsof het volkomen nieuw is. De ontwerpers kennen de menselijke zwaktes en maken hier handig gebruik van. Ondanks zijn afkeer van alles wat naar beatmuziek neigde en wij hierdoor weinig overeen kwamen, werd ik toch nieuwsgierig naar klassieke muziek. De eerste proeve was een langspeelplaat van Readers Digest (het Beste) met hierop enige werken van Carl Weber en Amadeus Mozart. Ik heb het als presentje op 15 mei 1973 per post ontvangen. Het zal niet zoveel jaren later geweest zijn dat ik bij The FreeRecordShop aan de Herestraat in Groningen, een tripple-elpee met pianosymfonieën van Ludwig von Beethoven kocht. Het was een aanbieding, ik kon mij er dus geen buil aan vallen. De naam Ludwig kende ik als het drumstelmerk van Ringo Starr van The Beatles. Ook dat gaf een zekere garantie dat het goed moest zijn. Ik draaide de drie elpees regelmatig, maar viel bepaald niet in katzwijm. Dat begon heel langzaam te groeien doordat sommige popgroepen klassieke invloeden in hun muziek stopten, waardoor namen als Tsjaikovsky, Bach, Grieg of Moessorkski mij bekend werden. Na Beethoven lichtte ik zo nu en dan een klassieke elpee uit een koopjesbak. Met name platen van de labels Deutsche Grammofoon en MMS bevielen me. Duitse kwaliteit, al staat MMS on-Duits staat voor Musical Masterpiece Society. Dikke platen, in stevige kartonnen hoezen. Je kon er een aardige collectie mee opbouwen, want de nummering passeerde de 2000. Ik ging me het meest toeleggen op pianomuziek en daardoor kwamen ook namen als de ragtimer Scott Joplin en de minimalist Eric Satie voorbij. En weer iets later Keith Jarrett. Ik kende de goede man niet. Maar in de tijd dat ik in de platenwinkel werkte, bestelde ik The Köln Concert eens voor een klant. Het was het een dure plaat (dubbelelpee) voor de inkoop en dat geld besteedde ik liever aan twee elpee die wél verkochten. Bovendien leed het vakje Jazz een treurig bestaan. Maar tijden veranderen en mijn smaak veranderde mee en toen ik The Köln Concert jaren geleden in enigszins verfomfaaide staat in een platenbak aantrof, kocht ik het onder het mom van ‘voortschrijdend inzicht’. Sindsdien heb ik het ettelijke keren gedraaid en later (vanwege de storende krassen) op cd aangeschaft. Op de achterkant van de hoes prijkt de pianist in opperste concentratie. Zijn royale afro-kapsel zou Jimi Hendrix niet misstaan. En zo beschouw ik zijn muziek ook een beetje. Jimi Hendrix maakte ook lange collages van gitaarmuziek (bepaald niet mijn smaak); Keith Jarrett doet min of meer hetzelfde achter de vleugel. Hij begint met een eenvoudig motiefje en bouwt dat uit tot een bulderende orkaan, waarbij hij ongegeneerd mee kreunt. Zou een aspirant pianist dit in een muziekwinkel wagen, dan zou hij of zij gegarandeerd door de eigenaar uit de zaak worden gebonjourd. Beetje mijn Steinway mollen zeker, no way! Maar ik vind het een machtige muur van geluid. Als de term nog niet bestond, zou je het A Wall of Sound kunnen noemen. Op de latere Vienna Concert gaat het er wat rustiger toe en daarom draai ik die wat minder vaak. PlaatKeus van vandaag: The Köln Concert van Keith Jarrett, uitgebracht in 1975.

4.2.26 Echte helden getuigen zelden* (OverlijdensAdvertentieBovenschriften nr. 14)

In den beginne was al het leven eencellig. Lang ging dit goed tot er -hoe en wat, men weet het niet recht- een celdeling plaatsvond. Eén cel -of was het een kluit cellen?- veranderde in twee identieke cellen. Steeds meer cellen gingen zich daarna delen en toen was deze gigantische klieving niet meer te stoppen. Het zou leiden tot het ontstaan van miljoenen soorten planten, bomen en dieren. Van microscopisch kleine trildiertjes tot enorme woudreuzen. Allemaal ontstaan door hetzelfde principe. De aapachtige voormens rees op uit deze massale biocluster als het intelligentste wezen. Tenminste, dat zei hij zelf. Het was een continue strijd om te overleven. Zelfs aangekomen op de top van de berg, bleven ze niet van gevaren ontbloot. De overlevers of zij die hen hielpen overleven, noemen wij nog weleens helden. Ik heb dat woord even opgezocht en net wat ik verwachtte: het is op krijgslustige mannen van toepassing. A: ‘Een man die door dapperheid uitmunt’ en b: ‘Een dappere strijder’. Het woord heldin komt er bekaaid vanaf met ‘een manmoedige vrouw’.

Dat blijkt eens temeer als ik met deze kennis de OverlijdensAdvertentieBovenschriften doorspit. Zoals deze: There is an old belief, that on some distant shore, far from dispair and grieve, old friends shall meet once more. Ik heb het als OAB alleen aangetroffen bij mannen. Het regeltje is een strofe uit een langer gedicht van de 19de-eeuwse Schotse schrijver John Gibson Lockhart en is begin vorige eeuw tot een lied verwerkt. Ik zag meteen een overeenkomst met We’ll meet again van Vera Lynn. Ook zo’n beroemde ode aan hen die vielen en die ook weleens als OAB wordt gebruikt. Een andere ook bekend geworden strofe uit het begin van de vorige eeuw, is: Old soldiers never die – they just fade away. Deze strofe wordt toegeschreven aan J. Folie, maar die zou het weleens van de Britse dichter en Eerste Wereldoorlog-soldaat en slachtoffer Siegfried Sassoon kunnen hebben ‘geleend’. Sassoon schreef de regel in 1918, Folie was toen nog maar 14 jaar oud, vandaar. Het gaat er maar om dat die ouwe soldaten maar moesten worden vergeten en wegteren.

Van een veel recentere tijd en toch veelvuldig boven mannelijke overledenen geplaatst, is: Those we love don’t go away. They walk beside us everyday. Unseen, unheard, but always near. Still loved, still missed, still very dear. (Al deze strofen heb ik geen enkele keer vertaald gezien, vandaar dat ik ze origineel weergeef). Deze komt uit een boek van de misdaadschrijver Alex MacLean uit 2011. Je kunt het natuurlijk boven ieder OA schrijven, maar ook hier betreft het bijna uitsluitend mannen. Maar kun je zulke mensen helden noemen? Hebben zij zich door dapperheid bewezen? Dat lees je er niet aan af. Met deze Those (Degenen van wie we houden ….) wordt een groep bedoeld, een coherente groep, een peloton voor mijn part, maar het kunnen evengoed alle doden zijn die een mens -als hem/haar de tijd is gegeven- gedurende het leven te verwerken krijgt. Daarbij is het woord held mijns inziens niet voorbehouden aan mannen, in bijzonderheid: krijgsmannen. Neem een krijgsvrouw als Jeanne ‘d Arc. Of een verzetsvrouw als Hannie Schaft. En met hen nog duizenden, zo niet miljoenen meer. Het opkomen voor minder moedige mensen zat hen in het bloed. Dan ben je dapper en dan ben je in mijn ogen een held. Zeker wanneer je dat lang volhoudt en elke seconde van de dag de gevaren om je heen ziet. Dan maakt geslacht niet uit.

Van de Amerikaanse filosoof/schrijver Waldo Emerson kwam ik de volgende (enigszins gehusselde) strofe tegen: Een mens hoeft soms maar vijf minuten moedig te zijn, om hem tot held te maken. Het beeld van een held is verweven met kracht en met durf. De Leeuwarder Meindert Tjoelker, die om het leven kwam omdat hij een paar vandalen aansprak, is voor mij een even grote held als de jonge soldaat op het slachtveld die gehoorzaamt aan het bevel van zijn meerdere. Overmoedigheid, dat men met de dood moet bekopen. Op bijna alle begraafplaatsen over heel de wereld liggen de droevige bewijzen. In Oekraïne, las ik, wordt door de Russische bezetter tegen schoolkinderen gezegd, dat indien zij sterven, zij eeuwig helden van het vaderland zullen zijn en dat er altijd een kaars op hun graf zal branden. Net als al het kanonnenvlees, betreft het hier een schandelijke vorm van indoctrinatie, van omkoping: wij het land, jullie de dood. Ten faveure van volk & vaderland spreken, betekent dat men het afslachten legitimeert. Ik noem het grootschalige mensenmoord.

David Bowie zingt ook over helden, in het lied Heroes. We zijn dan aanbeland in Berlijn, bij De Muur, in 1977. Ook daar vierde heroïsme hoogtij. Maar tevens dood en verderf. Het zijn dan ook beslist geen helden die tegen de zin van de bewoners landsgrenzen verleggen. Drie grote krachten regeren de wereld: domheid, angst en hebzucht, lees ik boven de naam een overledene. Hij werd 103, dan heb je levenservaring! Misschien werd die strofe in zijn kring weleens gebruikt, maar wist niemand wie dat ooit had gezegd of geschreven. Albert Einstein, zegt google. Op de genoemde top van die berg staat Einstein bovenaan. Maar het is er dringen geblazen. Voor de een betekent die plek eeuwige roem (met een opzichtig, marmeren grafmonument), voor de ander een plek op Margraten (bijna onvindbaar) of in het namenregister van een vernietigingskamp. Soms kan een mens niet anders, wordt hij het noodlot in getrokken en nadien tot held uitgeroepen. Vandaar ook dat het woord held zo’n dubbele betekenis heeft. Maar zij die zich op de borst slaan en zich voor het oog van de wereld held (lees: dappere strijder) wanen, moeten ogenblikkelijk -in het ergste geval met pek en veren- worden verwijderd. Voor hen is er geen plek op de heilige apenrots. Ik deel deze schertsfiguren liever in bij de eencelligen. Wel met het gevaar dat zij zich mogelijk gaan delen!

*Titel van een lied, geschreven door Rob Crispijn en gezongen door Herman van Veen.

1.2.26 Droom Ik werd bezweet wakker. Dat heb ik soms. Dan schrik ik uit een heftige droom en duizel nog even na. Dromen kun je niet sturen, het wachten is op een droompilletje, al naar keuze. Een AI-idee misschien …. Ik had gedroomd dat de president van Amerika in gevecht was met Bruce Springsteen, de door de president vorige zomer als ‘een uitgedroogde pruim’ betitelde rockzanger. Geen nood, daar is taal voor. De reden is dat Bruce Springsteen een gruwelijke hekel heeft aan de president: omdat hij Amerika in de vernieling jaagt en mensen als oud vuil bij de straat zet. Dit alles ter ere van hemzelf. Ik droomde dat de president de zanger alle hoeken van de kamer liet zien, dezelfde kamer waar hij ook de Oekraïense president had uitgespuugd. Dat mocht in mijn droom niet gebeuren en daarom knokte Bruce terug en liet de president alle hoeken (tot en met de plinten) van de kamer zien. Mijn dromen hebben gelukkig een bijzonder zelfreinigend vermogen, want weer enigszins opgelapt gingen ze daarna in gesprek. Dat is natuurlijk mijlenver van de realiteit, maar mijn dromen zijn onberedeneerbaar.

‘Het was een goed gesprek’, zei de president tegen de toegesnelde pers. Bruce Springsteen was minder enthousiast. Hij kreeg van de president carte blanche om hem in zijn liedjes te beschimpen, mits Bruce de hem toegezegde Nobelprijs voor de Vrede komend najaar aan hem zou schenken. ‘Ik heb de Vredesprijs van de voetbalbond al binnen, heb een afdruk van de Originele van dat wicht uit Venezuela en mijn bonuszoontje Mark heeft mij de hoogste NAVO-plak toegezegd, dus met die van jou erbij heb ik een kwartet. Deal?!’ Sprakeloos verliet Bruce de Oval-Room. In het halletje stond J.D.Vance hem uit te lachen – ervan verzekerd genoemd te worden in een volgende protestlied van The Boss.

Dat alles droomde ik. Ik wierp het deken van me af en wilde meteen mijn droom noteren. Maar dat is het domste wat een mens kan doen. Moedig misschien, maar men noteert dan zaken ondoordacht en dat gaat zich wreken. Voor de president van Amerika maakt dat niet uit. Hij waant zich Keizer, Koning & het Broertje van God. In Washington laat hij een triomfboog voor zichzelf bouwen, voetbalstadions moeten zijn naam dragen, evenals museums, muziek- en kunstcentra en ten paleize in Florida zijn de tekeningen al klaar voor het mausoleum die de piramides van de Egyptische farao’s tot Legobouwwerkjes zullen doen verschrompelen.

Ik hees mij overeind en maakte mijn ochtendoefeningen. Daarna zette ik water op voor thee, poetste mijn tanden en poedelde hoofd en bovenlichaam. Ik dacht nog even na over die droom en hoopte dat dit niet bewaarheid zou worden. De wereld van autocraten en dictatoren heeft weinig op met mensen als Lenny Bruce, Nelson Mandela, Steve Biko of Aleksej Navalny. Die worden maar al te vaak -en niet eens op slinkse wijze- van het leven beroofd. Ik had alles van die rare droom kunnen verdragen, tot zelfs die smerige tronie van J.D.Vance toe, maar niet dat Bruce Springsteen op een onbewaakt moment zou worden neergeknald. En juist daardoor werd ik bezweet wakker. Moesten we Bruce geen amnestie verlenen? Zijn leven staat immers op het spel! Ik wil mijn zolderkamer wel een tijdje met hem delen. Maar wát als iedereen met lef en oog voor de feiten wegloopt? Lichtelijk in verwarring zette ik de radio aan en hoorde dat een film over het leven van de vrouw van de president van Amerika door bijna niemand wordt bezocht en dat bezoekers van de bioscoop in Boston zelfs $50 kunnen ontvangen als ze de hele film uit gaan zien. En toen moest ik heel hard lachen en dacht: ‘De wereld is warempel één groot drama en tegelijkertijd één groot schouwspel’. Als er een god bestaat, zou ik hem/haar nu een ferme knipoog geven.

31.1.26 PlaatKeus #6 Met de laag sneeuw voor de deur, de zon die het op doet lichten zodat mijn ogen beginnen te prikkelen, denk ik onbewust aan het liedje Winterlude van Bob Dylan. Daar is geen ontkomen aan. Uitte Dylan zich wat betreft de liedteksten op zijn laatste platen nogal raadselachtig en cryptisch, met dit eenvoudige walsje stond hij met beide benen op de grond. Winterlude is de naam van een fictief meisje waar hij graag een rondje mee zou gaan schaatsen. De liefde spat er vanaf. Mijn appel, mijn madeliefje, mijn schatje … het kan niet op! En dat in een liedje van slechts 24 regels en in amper twee minuten gezongen. Hoewel de plaat New Morning (waar dat liedje op staat) de bittere smaak van het desastreuze Selfportrait enigszins moest doen verdwijnen, komt het in het latere oeuvre van Bob Dylan weinig terug. In Vredenburg, Utrecht, zong hij tijdens twee verschillende concerten The man in me en If not for you. George Harrison had met het laatste liedje een bescheiden hitje. Door de vernietigende kritieken op Selfportrait moest Bob wel met iets aardigs komen. Via-via kreeg hij de vraag enige liedjes te schrijven voor een stuk van de dichter en toneelschrijver Archibald MacLeish. Bob zag al gauw in dat dit niets zou worden. Het stuk dat MacLeish voorstond was aardedonker, Bob kon er niets mee. Bovendien klikte het niet tussen de twee. Op voorhand had Bob wel een paar liedjes klaarliggen en daar ging hij mee door. Zo ontstond New Morning. Het kwam al vier maanden na Selfportrait uit en werd een verkoopsucces in meerdere landen. Goud in Amerika, op 3 in de Nederland lp-top en nummer 1 in Engeland. Je zou het een revancheplaat kunnen noemen. Ik kocht de plaat pas in 1974. Het is doortrokken van religieuze hinten. Een kleine 10 jaar later barstte zijn bekering als een puist open in de teksten op de plaat Slow Train Coming en nog heftiger in Saved. Ik was als door de bliksem getroffen. Ik ging niet zo ver als wat er gebeurde toen John Lennon in een opwelling zei dat The Beatles beroemder waren dan Jezus-Christus. Zoiets kun je ook beter niet in Amerika zeggen. Stapels Beatlesplaten belanden op de brandstapel. Maar Dylan verdween voor mij wel enige tijd uit beeld. Er kwam gelukkig eerherstel. Dat had te maken met de uitgave van nummer 13 uit de Bob Dylan Bootleg-serie. Deze geeft een mooi overzicht van zijn relie-tijd. Hierop staan de beste nummers van de voorgenoemde relie-platen, maar nu in veel betere omstandigheden: live. Waren die relie-platen een bevlieging? Nee, dat denk ik niet. Bob Dylan komt uit een Joods gezin, hij volgde zijn roots. Daar is niets op tegen. Religiositeit vindt je overigens in veel popliedjes terug. Van Morrison, U2, Sinéad O’Connor …. enzovoort. Alleen wij waren een andere Bob Dylan gewend. Die ouwe zou hij daarna nooit meer worden. Terug naar Winterlude. Het is het mooiste liedje dat ik over de winter ken. ‘De winter was lang’, zong onze Willeke Alberti en Bing Crosby en elke artiest van naam, zéker de Amerikanen, zingen over de kerst, getjingelbel en sneeuw en wat daar nog meer bij komt kijken en daarom begrijp ik niet dat ik Winterlude nooit op één van die duizenden kerstplaten of -cdtjes ben tegengekomen. Is het teveel Anton Pieck misschien? Teveel van het goeie als Bob zingt ‘Kom we gaan naar het kapel en daarna koken we ons een maal’. Zelfs een engel komt voorbij. Maar geen chrismastree en candlelight. Bob had het vast heel goed bedoeld, maar de doorsnee Amerikaan koos liever voor een zoetgevooisde Frank Sinatra of -als het echt reli moest zijn- Mahalia Jackson. Of zal het bedoeld zijn als een parodie op die hypocriete kerstsmartlappen en zwijmelliedjes? Dat kan. Want met Dylan weet je het nooit helemaal zeker. Om de plaat een beetje uit het verdomhoekje te trekken en voor zolang er sneeuw ligt noem ik dat geen pekelzonde. PlaatKeus van vandaag: New Morning van Bob Dylan, uitgebracht in 1970.

29.1.26 Vogelteldag Gisteren zag ik op de televisie een enthousiaste vogelaar ons burgers uitleggen hoe we komend weekend onze gevederde tuin- of balkonvrienden kunnen gaan tellen. Dat moet wel een beetje nauwkeurig gebeuren en omdat het gros van de Nederlanders een duif niet van een ooievaar kan onderscheiden, laat staan een kool- van een pimpelmees, bestaat er een app waar de meest voorkomende vogelsoorten op staan en waar men enkel een tikje op hoeft te geven als men er een exemplaar van spot. Wij hebben een royale, wilde tuin en het barst er van de vogels. Ik ben geen groot vogelkenner en heb weinig op met mensen die dat wél zijn. Dat massale gejaag op exoten … Het is niet aan mij besteed.

Nederland telt honderden soorten vogels, blijvers en trekkers. De vogels in onze tuin zijn allemaal blijvers. Hoe ik dat weet? Ze hebben het veel te goed om helemaal naar Afrika te vliegen om aldaar te overwinteren. Het zijn slimme vogels. Maar op deze sneeuwboel en vrieskou hadden ze niet gerekend. Ik heb de sneeuw op het terras weggeveegd en een paar kilo voer uitgestrooid. Nauwelijks binnen en de eerste koolmezen en mussen doen zich er al te goed aan. Dan komt er een roodborst bij en een tuinfluiter. Iets later een schichtig winterkoninkje. Merels komen meestal per paar, zo-even zelfs twee paar. Dan een koppeltje duiven. Dat zijn de lompigste bezoekers van de tuin. Ze landen met veel onnodig gefladder naast de voerplek en hompelen er met hun stijve poten op af. Een moedige merel blijft ijzerenheinig doorpikken. ‘Hé jij, gaas effe an de kant’, lijkt de eerste duif te zeggen. ‘Hout je krop duif’, snerpt de merel terug, ‘ik was hier ’t eerst’. Een geelgors, hangend aan het touwtje van de pindastreng, probeert te bemiddelen, maar de duiven jagen hem koerend weg. Een paar kraaien laten zich nu zien, ze hebben maling aan die duiven. ‘Kraaig de klere’, krassen ze. Terwijl zij bekvechten, snaait een vlaamse gaai een ferme hap uit de vetbol. Lekker puh, stelletje losers! Een smelleken schiet door de tuin. Even is er consternatie. Op een valkje hadden ze kunnen rekenen, maar niet op deze vreemde gast. Op het land voor ons huis hoor ik nu de grote groep ganzen met veel gesnater opstijgen. De reden is dat een buizerd neerstreek op een van de richelpalen. ‘Wegwezen hier!’, klinkt het als een canon en met een ruime vlucht scheren ze als een donkere wolk over onze tuin. O, daar zul je die mooi gekleurde fazanthaan hebben. Voor hem heb ik wat plakken brood op het pad gegooid, want hij komt elke dag. Soms besmeer ik het brood met vet. Aan de pindabol hangt al enige tijd ondersteboven een bonte specht te hakken. Hij schrikt op als er plotseling een dozijn heggemussen opduikt, maar laat zich niet wegjagen. Een kauwtje landt in de appelboom en voert een levendig pantomimespel op, in de hoop het pleintje voor zich alleen te hebben. Dat lukt maar half, want een lijster steekt hem de loef af en trekt een lange snavel naar hem. In de braambos sluipt iets kleins en een koperwiek verkent opzichtig de bodem onder de brem en roept zijn maten met iets van ‘Genoeggenoeggenoeg!’ en dan duikt er een zwerm op uit het niets. Ik spreek natuurlijk geen vogeltaal, maar soms komt er toch wel iets begrijpelijks door. Met eksters kan ik eh …, nou ja, nou landt er toevallig eentje op de tak vlak boven de voerplaats. Hij schudt zijn veren, waardoor er een wolk sneeuw naar beneden ritselt. Een boomkruiper krijgt een ferme vlok op zijn koppetje en gaat er piepend vandoor. De ekster zweeft van de tak naar de grond, pikt een paar korrels op en vliegt krijsend weg. Wat is het geval? Er schoot een kiekendief voorbij. Waarschijnlijk niet eens op jacht naar een levende hap, maar gewoon op doortocht om ergens verderop iets te jatten. Ach, vergeet ik de zanglijster te noemen. Zat de hele tijd in de top van de douglas. Alsof ze niet durfde af te dalen.

Ik heb zo een kwartiertje achter ’t glas staan kijken. Ik heb geen app, ik ga af op wat ik weet. Maandag lees ik wel wat er in gans het land aan soorten vogels is geteld en of dat een beetje overeenkomt met onze kliek. Nee, een vogelaar zal ik nooit worden. Laat maar lekker vliegen, is mijn devies. p.s. Als ik even later de post uit de bus haal, zie ik op het land een eenzame zilverreiger, een koppeltje nijlganzen en in de sloot twee wilde eenden.

27.1.26 Snorretje We moesten even naar Stadskanaal, naar de telefoonwinkel. Mijn vrouw had malheur met haar mobieltje. Op het moment dat we de winkel wilden binnenstappen, wilde er juist een man uit. Het was een oude man, dat zag aan zijn manier van bewegen. Ik hield de deur voor hem open. Hij was verrast en zei dat niet iedereen dat deed, want de wereld is hard geworden, zei hij terloops. Ik zei dat ik dit altijd deed, het leek me niet meer dan logisch. Terwijl ik de deur open hield -mijn vrouw was doorgelopen, het was druk bij de balie, zag ik- begon de man in de deuropening te praten. Ik deed de deur weer dicht, want kou trekt snel naar binnen. Voor ik het in de gaten had, een aanloop was er niet, zei hij dat wat er nu in de wereld gebeurt, hem sterk deed denken aan die man met dat snorretje. ‘Weet je wie ik bedoel?’, zei hij voorzichtig. Ik knikte. Sommige namen moet je stelselmatig niet noemen. De man keek mij met indringende blik aan. Ik zei dat ik eerder een overeenkomst zag met Mussolini. ‘O die vent die ze aan zijn benen hebben opgehangen bij een tankstation’. Hij kende de feiten. ‘Ja, die’, zei ik. Inmiddels waren we een stukje teruggelopen, de winkel in, want we blokkeerden de deur. De man zei nu dat hij 88 jaar was -‘Ik ben van 37’- en de oorlog dus als kind had meegemaakt. Ik vroeg waar hij toen woonde. ‘In Zwartemeer’, zei hij. ‘Daar zijn in de oorlog ook meerdere mensen omgekomen’.

De oorlog was ineens bijna tastbaar dichtbij. En dat wás het ook al, want vandaag is het 81 jaar geleden dat Auschwitz werd bevrijd. Bevrijd is een groot woord, want Auschwitz bestond uit 3 immense kampen en op het moment dat het Russische Rode Leger het eerste kamp binnentrok, waren er nog zo’n 8000 meer levend dan dode mensen aanwezig. Daarvan zullen er nog velen hun bevrijding niet hebben overleefd. Voor de overlevenden hield die helse tijd niet echt op. Nachtmerries en levenslange depressiviteit, was hun lot. En het gevecht geloofd te willen worden. Dat zou nog jaren duren. De wederopbouw wilde van die zwerende puist af en nadat de Molukkers het voormalige doorgangskamp Westerbork hadden verlaten, werd het met de grond gelijk gemaakt. Verleden? Wat verleden?

Ik ben meerdere keren aan het eind van januari naar Hooghalen gereden en heb in stilte over het voormalig kampterrein gelopen, ben in de tent gaan zitten bij het oplezen van de namen van de slachtoffers die vanaf het perron, dat de naam onheilspellende naam Boulevard de Misère kreeg, naar bijvoorbeeld Auschwitz spoorden en voor het grootste deel niet meer terugkwamen. Ook bij de steentjes verwijlde ik lange tijd: ik mocht eens eentje over het hoofd zien. Ik heb zelfs nog eens overwogen om het lijvige namenboek waar alle slachtoffers in staan te kopen. Het boek bevat immers ook een dozijn omgekomen dorpsgenoten. Toch maar niet gedaan. En gisteren stond ik nog in twijfel vandaag weer te gaan. Maar de kou en de mogelijke gladheid van de wegen en valangst hielden me tegen.

‘Chamberlain dacht dat hij die snor had omgepraat’, zei ik ‘maar een jaar later viel het Duitse leger Polen alsnog binnen’. ‘En dat doet die vent aan de overkant van de plas nu net zo. Er is niets veranderd’, zei de man stellig. Ik knikte. Hij had volkomen gelijk. Ik had kunnen zeggen dat het wrang is dat met de bevrijding van Auschwitz door het Stalin-leger en hiermee de spoedige capitulatie van het Duitse rijk, wij nu alweer jaren het gevaar duchten van het Poetin-leger. En ook flitste het gepijnigde gezicht van Marinus van der Lubbe door mijn hoofd, de zogenaamde pyromaan van het Rijksdaggebouw te Berlijn in 1933, waardoor de nazies aanleiding zagen hun moorddadige razzia’s op joden en communisten te rechtvaardigen. Een soortgelijke zondebok zou ‘die vent aan de overkant’ nu heel goed uitkomen. Maar dat verhaal werd te omslachtig voor een kouwe dinsdagmiddag in een telefoonwinkel. Bovendien was mijn vrouw al klaar. ‘Fluitje van een cent’, zei ze opgewekt. De man keek haar aan. Zijn gezicht verzachtte op slag, hij glimlachte. Ik zei dat ik het leuk vond, zo’n gesprekje. ‘Ik ook’, zei hij. Ik deed de deur nu voor de tweede keer voor hem open en liet hem voorgaan. ‘Nou moi heur’, zei hij en hij verdween in de mensenmassa. Op straat zag ik veel bedrukte koppen. Er hing meer dan alleen sneeuw in de lucht. ‘Kom op, op huis aan’, zei ik en vlug liepen we naar de auto.

26.1.26 PlaatKeus #5 Wanneer kun je nog van een jeugdzonde spreken? Houdt dit verband met hoe de gebruiker van deze uitdrukking in het leven staat, dat hij of zij zich nog deel van de jeugd voelt? Ik was 29, ik werkte in een platenwinkel en had daardoor veel met jeugd te maken. Voorjaar 1979 was het. Ik had de elpee Live at Budokan van de rockgroep Cheap Trick nogal royaal ingekocht. Een doos vol, wat betekende 25 +2 (gratis) + evenzoveel singles van het nummer I want you to want me. Ik verwachtte een klapper te maken, maar die bleef uit. Tot Veronica’s Top-40 ineens I want you … als Alarmschijf uitriep. Gevolg was dat de elpees en de singles ineens begonnen te lopen. Dat gebeurde op vrijdag, Veronica-top-40-dag. Daags erop belde Douwe van de gelijknamige platenzaak aan de Gedempte Singel mij: of hij een paar elpees van Cheap Trick van me kon krijgen. Hij zat er ernstig om verlegen. Het moest natuurlijk met gesloten beurs en dus zei hij: ‘Kom maar een paar platen uitzoeken’. Nu kende ik Douwe al vrij lang, ik had zelfs mijn eerste Bob Dylan-singles bij hem in de winkel, de winkel waar ik nu zelf werkte, gekocht. Maar onderling zaken doen was natuurlijk uit den boze, dat zou mij mijn baan gaan kosten. En Douwe (ex-medewerker) werd bij ons niet met lof bezongen! Maar hij hield aan en oké ik bracht hem een paar elpees van Cheap Trick. Hij blij. ‘Zoek maar wat uit’, zei hij. Dat deed ik. Als extraatje gaf hij mij een elpee van Japan mee. Als ik hem niet leuk vond, kon ik hem altijd nog in de winkel verkopen. Ik vond het wel een aardige plaat. Hun volgende elpee kocht ik. Er staat een nummer op dat mijn stamcafé in Oosterwolde een tijdlang als sluitingstune gebruikte: Nightporter. Op de sonore zang van David Sylvian werden wij dan vriendelijk doch dringend verzocht de tent te verlaten. Afgezien van hun audioapparatuur (Sony e.a), motoren (Honda e.a) en muziekinstrumenten (Yamaha e.a) had ik niets met Japan. Ik wist iets van de oorlogsterreur, van de atoombommen op Hiroshima en Nagasaki, dat judoka Anton Geesink hier in 1964 Olympisch goud had gewonnen en ik kende Made in Japan van de hardrockgroep Deep Purple. Dat was het wel zo’n beetje. Tot Bob Dylan kwam met Live at Budokan. Een dubbelelpee, live opgenomen in de sport- annex muziekhal met die naam in Tokyo. Hij was overigens niet de eerste, dat waren The Beatles, maar Dylan zette het concert integraal op de plaat. Er zouden nog velen volgen. Budokan werd hot. De Duitse synthesizergroep had een monsterhit met het liedje Big in Japan en Tom Waits deed een eigen lied met dezelfde titel. Op de hoes van de plaat van Japan staan vijf keurig geklede, ietwat androgyne jongens die zó door kunnen gaan voor een teenybopperband. Ze hebben goed gekeken naar David Bowie als model-glamrocker. Maar de muziek klinkt volwassen. En ze waren inderdaad groot in Japan. Misschien was dit wel hun middelvinger naar hun thuisland Engeland, waar ze niet echt wilden doorbraken. Want dát steekt namelijk ook achter die term Big in Japan. PlaatKeus van vandaag: Gentlemen take Polaroids van Japan. Uitgebracht in 1980.

23.1.26 Vergeten Vanmiddag waande ik mij gedurende enige tijd in Oekraïne. In Kyiv of eventueel in een andere door Poetin en zijn roversbende bezette stad. Latent is Oekraïne altijd wel in mijn hoofd aanwezig, maar na bijna vier jaren van diepe ellende aldaar, is dat gevoel van verdriet en van woede aan het minderen. Het slijt, hoor ik weleens. Dat is heel erg, ik weet het. In Oekraïne is het winter, net zoals het bij ons winter is. Alleen met dit verschil dat het daar tussen de 10 en 15 graden vriest en de centrales die de huizen moeten verwarmen, vrijwel continu door de Russen worden kapot geschoten. Tuig van de richel, zou ik het willen noemen, als deze uitdrukking al niet gestolen zou zijn door een Oekraïne-sceptische Nederlandse politieke partij.

Maar ter zake. We hadden boodschappen gedaan en ik kwam terug bij onze auto en ik zag dat een van mijn banden plat was. Lek. Ik belde de ANWB. Dit ging niet zonder slag of stoot. Ik bezit weliswaar een telefoontje, toch wachtte ik even op mijn vrouw om dit karweitje samen aan te pakken. We kregen een computerstem die een en ander vroeg. Ik had de papieren natuurlijk niet op orde en vergiste me zelfs in onze postcode. Dat was mij nog nooit gebeurd. Daarna kreeg ik een stem van vlees en bloed, hoewel ik dat maar moest aannemen. Je weet dat tegenwoordig niet meer. ‘Het kan even duren’, zei de stem ‘want de ANWB heeft het erg druk’. Dat duren werd ruim een uur. We zouden 5 minuten voordat de monteur zou arriveren een belletje krijgen, maar dat belletje kwam niet. ‘Ze zijn ons vergeten’, zei ik tegen mijn vrouw. Ze knikte. We hebben allebei diezelfde angst: vergeten te worden. Vanaf het moment dat we belden tot het moment dat het kek gekleurde ANWB-busje de parkeerplaats opdraaide, heb ik voor de winkel en op de hoek van de straat gestaan en heen en weer gelopen. Soms ging ik terug naar de auto, even opwarmen. Mijn vrouw hield de wacht bij haar mobieltje. En gestadig voelde ik de gure winterkou optrekken tot ik op zeker moment over heel mijn lijf begon te rillen …. En toen dacht ik aan Oekraïne; steeds meer en meer. Hoe die mensen dit 24 per dag aan den lijve ondergaan en moeten overleven. En toen ik weer even in de auto kroop, zei mijn vrouw hetzelfde. Maar gelukkig kwam er -en dus zonder seintje vooraf!- een ANWB-busje de parkeerplaats oprijden. Ik zwaaide alsof het om de reddende engel ging. De man bekeek de zaak, zei dat het beroerd koud was en draaide een prop in de band en daarmee reden we naar onze garage.

Verkleumd tot op het bot reden we daarna naar huis. Bijkomen, opwarmen, douchje nemen. Dat kunnen die mensen in Oekraïne allemaal niet. Dat kunnen trouwens heel veel mensen op deze aardbol niet, maar vergelijken is bespottelijk. Op zeker moment wanen zij zich vergeten en op den duur is dat ook de bittere waarheid.

22.1.26 PlaatKeus #4 De liefde voor een bepaalde muzieksoort ontstaat niet zelden door toeval. Voor mij is de ontdekking van Hawaiimuziek een voorbeeld bij uitstek. Het kwam tot mij via Ry Cooder, de muzikale omnivoor uit Californië. Hij speelde een riedeltje mee op een plaat van een zekere Gabby Pahinui en zijn band. Ik hoorde iets over een nieuwe Ry Cooderplaat op de radio en omdat ik een fervent liefhebber was van zijn muziek, kocht ik het zonder nadenken. Ry Cooder was toen al bezig zijn muzikale grenzen te verleggen en dit was een volgende oprekking. Ik was er meteen weg van. Begrijp wel, in mijn vroegste jeugd had ik weleens een riedeltje Hawaiimuziek gehoord, maar dat betroffen Nederlandse of Duitse varianten. Dat was sterk verdunde Hawaii waar de kouwe Noordzee wreed overheen was geblazen. Niet de klanken van echte Hawaiiaanse muzikanten. Vooral dat zingen was heel anders. Dat kunnen alleen de mensen uit die hoek van de wereld. Totaal onverstaanbare teksten, het ontbreken van harde klanken, alsof de Polynesische zon er de scherpe kantjes had afgebrand. Dit alles op de klanken van de slack-keygitaar, de steelgitaar en het roffelende geluid van de ukelele als een drummende spechtvogel. Een echte trommel zou dit iele pallet maar in duigen slaan. Ry Cooder ontdekte de Hawaiiaanse muziek tamelijk laat, want de gouden jaren lagen zo tussen 1930 en 1960. Zelfs Nazi-kopstukken schenen er gek op te zijn, hoewel die Hawaiianen geen druppel Germaans bloed bezaten. Om er een eigen draai aan te geven, zongen die Duitsers Komm nach Hawaii en Stern von Tahiti. Wij deden het niet veel beter met Roos van Honolulu en In de baai van Hawaii. Plaatjes van mooie stranden met rollende golven en meisjes getooid met een bloemenkrans erbij, deden de rest. Freddy Quinn was een van mijn vroegste helden en hulde zich als een echte Hawaiiaan. Althans, dat dacht ik toen. Anno nu: snel vergeten die hap. In de nadagen van de Hawaiimuziek-rage konden wij ons uitleven aan de hoelahoep, de van de Hawaiimeisjes afgekeken huladans. Dat was een tijdlang een uiterst modieus kunstje. Om aan die gril mee te kunnen doen, waren er speciale hoelahoepels te verkrijgen of je maakte er eentje van een plastic elektriciteitsbuis. Zaak was de hoepel zo lang mogelijk om je middenlijf rond te laten zwieren. Dat was aan ons jongens niet besteed. Die Hawaiiaanse muziek is een smeltkroes van Europese muziekstijlen, Mexicaanse cowboys brachten voorts onder andere de gitaar mee. Toeristen, en lange tijd waren dit voornamelijk rijke Amerikanen, werden zingend en heupwiegend op het vliegveld of in de baai verwelkomt en versierd met bloemenkransen en brachten desgewenst samen de nacht(en) door. Tenminste, dat gerucht deed de ronde. Misschien was het maar goed dat die patsers de teksten van die zwoele liedjes niet verstonden, want wie weet waren het snoeiharde protesten tegen de annexatie van Hawaii als 50ste Verenigde Staat. Bovendien testten zij kort na de Tweede Wereldoorlog in de buurt van het paradijselijke eiland Bikini meerdere atoom- of waterstofbommen. Na deze kruisbestuiving van Ry Cooder en Gabby Pahinui scoorde ik nog menige lp en cd met Hawaiimuziek. Met bijdragen van Soll Hoopii, Tau & Rose Moe, Keola Beamer en anderen. Mede uit sympathie voor dat volk, de Plaatkeus van vandaag: The Gabby Pahinui Hawaiian Band (met Ry Cooder) – volume 1. Uitgebracht in 1975.

20.1.26 Bedenkelijke handel Wat ik zo triest vind is dat de president die DJT zal opvolgen, en ik ga er vanuit dat dit niet iemand zal zijn uit de gelederen van T, al die decreten en afzeggingen weer moet terugdraaien. Dat wordt nog een hels karwei, met veel excuses en kniebuigingen. Maar eerst zal het volk wraakzuchtig de ingewanden opeisen van T. en zijn heulende bende. Iets soortgelijks als de beschamende afrekening van de gebroeders De Witt. De mens is op zijn onbeschaafdst een roedel wolven. Nu hebben we echter nog te maken met ’s werelds grootste blufkont. Met scheve ogen kijkt hij om zich heen of er iets te halen valt. Lebensraum, noemden de Duitse Nationaal-Socialisten dat. Bij tegenwerking wijst T. graag naar het Verenigd Koninkrijk, dat ooit 96 keer hun eigen grootte aan ingepikt land bezat. Dat zal T. op gans onze aardkloot niet halen. Daarvoor zal hij er een planeet bij moeten kapen. En ineens schoot mij te binnen dat ik ooit op een van de Indonesische eilanden een 5-tal vierkante meters grond heb gekocht. In de jaren ’80-’90 van de vorige eeuw ontving ik meerdere keren een schrijven van een natuurorganisatie met daarin de mogelijkheid tot het verwerven van een bedreigd stukje oerwoud. Een bijgeleverde certificaat garandeerde de koper dat het niet om louche handel ging. De aankoop was niet bedoeld om er iets op te verbouwen; juíst niet. De reden was namelijk dat hierdoor eventuele opkopers allerlei ingewikkelde en dure rechtszaken zouden moeten voeren om er bijvoorbeeld een palmolieplantage te beginnen en dat kon op deze manier worden voorkomen. Hoe dit is afgelopen, weet ik niet, want ik heb er nooit meer iets over gehoord. Ik vrees dat er geen boom meer op mijn stukje grond staat. Ook werd ik in diezelfde tijd gewezen op de mogelijkheid te investeren in teakhout. Nederlands teakhout, welteverstaan. De klimatologische omstandigheden leenden zich er inmiddels prima voor. De winstmarge begon bij 15% en liep op tot wel 50%. Ik schreef terug dat ik de oogst van het teakhoutbosje niet meer zou meemaken en dat ik ook geen nakomeling had om de winst op te strijken. Over mensen die hier wel waren ingetuind, las ik jaren later een hemeltergende reportage.

T. is nu een jaar aan het bewind en heeft vooral storm geoogst. Er gaat geen dag voorbij of zijn tronie staat wel afgebeeld bij een artikel in de krant of in een tijdschrift. Dat is geen pretje als men het bericht ernaast rustig wil lezen. Daarvoor heb ik al jaren een kartonnetje paraat om die tronie ermee af te dekken. Maar ik ben kennelijk niet de enige die T’s gezicht niet kan uitstaan, want een slimme handelaar heeft een heus afdekplaatje op de markt gebracht. Het heeft de vorm van een muismat en wordt verkocht onder de naam hate-T-plate. Ik had het zelf kunnen bedenken! Het is verkrijgbaar in verschillende maten; met en zonder opdruk. Ik vind vooral die met een juichende Kamala Harris erop erg geslaagd. Of ik zo’n matje aan zou schaffen? Nou nee. Dan steek ik liever wat geld in een hectare Groenland. Als dat nu eens een paar miljoen mensen zouden doen, dan zou Groenland voorlopig zijn gered. Wel opschieten natuurlijk, want T. is ongeduldig en het ijs smelt razendsnel onder deze verhitte omstandigheden. Vooralsnog houd ik vast aan de Groenlandse uitdrukking: ‘Het ijs wordt zo koud gegeten als vers gevallen sneeuw’. Op z’n Nederlands gezegd zoiets als: ‘Zachte krachten zullen het tenslotte winnen van harde’.

18.1.26 PlaatKeus #3 In een reportage in het kader van het jaarlijkse muziekfestival Eurosonic/Noorderslag, kwam de naam Vera voorbij. Een al lang bestaand muziekcentrum annex bar in de Oosterstraat van Groningen. Ik ben hier slechts één keer geweest. Ergens eind jaren 80 hoorde ik in een literair programma op de radio dat die avond de beroemde Amerikaanse schrijver William Burroughs er zou optreden. William Burroughs was vooral bekend geworden door zijn nogal scabreuze, experimentele boeken. Ik had al eens geprobeerd zijn The William Burroughs-Reader te lezen, een soort inleiding voor de aspirant Burroughs-lezer. Het fascineerde me enorm, maar ik snapte er weinig van. Daarna las ik een paar wat toegankelijker boeken van hem. Burroughs was Amerika ontvlucht, door Europa gezworven en in Tanger, Marokko uitgekomen. Daar kickte hij af van de heroïne. So far so good. Hij zou in Groningen geïnterviewd worden door Simon Vinkenoog, die ik al eens had ontmoet. Aardige man. Een lichte opwinding maakte zich van mij meester en ik toog ter stede. Al op tijd, want ik wilde vooraan zitten. Maar de aanwezige jonge barkeeper wist niets van ene William Burroughs. Kende hem ook niet. Er werd zoals gewoonlijk geswingd op discomuziek die avond, dus was er geen plaats ingeruimd voor een schrijver. Ik was zeer verbaasd, het was toch immers op de radio geweest?! Ik kwam er niet verder mee en ging de stad in want het was koopavond. Ik zal ongetwijfeld als troost bij een van de platenzaken een elpee hebben gekocht en misschien, heel misschien, was dat wel Home of the Brave van Laurie Anderson. Laurie Anderson maakte (nog steeds) experimentele, visuele muziek en op de genoemde plaat, een soundtrack van de door haar geregisseerde film met dezelfde titel, ‘zingt’ William Burroughs een mopje mee. Dat zingen is een soort burlen: het geluid dat edelherten produceren als ze op jacht gaan naar een vrouwtje en dus burlt hij om zijn mannetje te staan. Een donkere, vervormde bronststem. De enige regel die hij alzo op hakkelende wijze de eeuwigheid instuurde luidt: Listen to my heartbeat. Steeds als een terugkerende echo uit het ondermaanse. Geen muziekje die Arbeidsvitaminen makkelijk in hun speellijst zouden opnemen. Toch draai ik die plaat ieder jaar wel een keertje en neurie soms gezellig met dat burlen mee. En dan zie ik die man voor me zoals ik hem ken van foto’s uit tijdschriften of van de boekenachterflappen. Een keurig uitziende heer. Altijd in kostuum, moderne stropdas en zwierige hoed. Kleurloos, dat wel. Je zou hem de functie van diplomaat geven. Zeker niet die van één van de belangrijkste vertegenwoordigers van The Beat Generation. In 1954 schreef hij een korte roman, getiteld: Queer. Algemeen wordt aangenomen dat híj dit woord heeft bedacht, maar mogelijk is hij niet meer te weten gekomen hoe zo’n vlucht dit woord heeft genomen. Op de plaat staat een lied met de titel Language is a virus (from outer space) en dat komt weer uit een tekst van diezelfde Burroughs. Inderdaad, taal is een virus en nestelt zich zonder voorkeur in elk lichaam. Laurie Anderson stond ook fluïditeit voor, net als haar latere wederhelft Lou Reed. Afgezien van deze ene plaat, bezit ik niets van Laurie Anderson. Met Lou Reed heeft ze ook projecten gemaakt. In mijn platenkast staat Laurie veilig tussen de Brothers & Sisters van The Allman’s en The Weakness in me van Joan Armatrading. Er zijn beroerdere plekken denkbaar. PlaatKeus van vandaag: Home of the Brave van Laurie Anderson – uitgebracht in 1986.

16.1.26 Groenlandkroniek Heb ik iets met Groenland? Nee, niets. Laat ik anders beginnen. Heb ik iets met bijvoorbeeld ballet of met mensen die af en toe verkleed als griezels passanten grote schrik aanjagen of met bergbeklimmers die koste wat kost de Mount Everest willen beklimmen en daarna niet zelden voor de rest van hun leven vanwege afgevroren tenen niet goed meer kunnen lopen …? Zo kan ik wel een waslijst maken, er een boek mee vullen. Succes verzekerd. Die paar voorbeelden zijn natuurlijk pinda’s (peanuts) vergeleken bij het verzamelen van landen, van grondgebieden, zoals DJT van plan is. En er is weinig verweer, althans tot op heden. T. kijkt naar de geschiedenis en wijst naar Engeland, Frankrijk, Nederland, Duitsland, België, Spanje und so weiter en veroordeelt onze vroegere koloniezucht, onze imperialistische landjepik en onze wandaden met zijn scherp geslepen tong. Niemand durft hem tegen te spreken. Slechts 17 procent van de Amerikanen keurt zijn boevengedrag goed, maar niemand houdt hem tegen. Er zullen harde maatregelen tegen hem moeten komen en die zullen leiden tot nog meer geweld. Daar zit niemand op te wachten. In Amerika niet en in de rest van de wereld niet. T. creëert zijn eigen horrorshow. Dat doen die griezels op straat ook, maar dat blijft binnen de perken. Ik heb natuurlijk niets met Groenland, maar heb net een boek gelezen (De wilde stilte van Raynor Winn) over wandeltochten door een deel van IJsland en als het op Groenland net zo wild en woest en vooral koud is als daar, dan blijf ik er graag heel ver vandaan. Maar de reden van T. om Groenland te bezetten is van een andere orde: om Rusland en China voor te zijn. Áls zij dat nog niet van plan waren, dan heeft hij ze nu in ieder geval klaarwakker gemaakt.

Hoe zal de toekomst van Groenland eruit gaan zien? Groenland is erg groot en het zal de prijs die de Russen ooit ontvingen voor Alaska ver overstijgen. Die mochten het met 1 dollar per vierkante kilometer doen. Dat zullen de Groenlanders niet vreten. Er wonen zo’n 58.000 mensen op Groenland. Afschepen met een fooi kan T. wel schudden, ze willen op zijn minst allemaal zo rijk worden als Elon Musk. Dat worden hele grote getallen en het is de vraag of de Amerikaanse schatkist dit wel kan dragen. De boodschappen zijn voor de gemiddelde Amerikaan nu al ‘onbetaalbaar’, las ik onlangs. Er zal opstand uitbreken en Denemarken (kolonist van Groenland, zeker) zal alle zeilen moeten bijzetten om Groenland te behouden. Amerika en de wereld verkeren in een bizarre spagaat. Daar is een woord voor in de balletwereld die in de manosfeer (de ultrarechtse-mannenwereld) rond gaat. Iets met ongewild castreren, met ontmannen, met keihard op je de kloten terechtkomen. Maar voor het zover is zal de wereld behoorlijk op z’n kop komen te staan. Het wordt nog een hels gemanoeuvreer voor T. om de hoogste berg van Groenland te beklimmen, maar komen zal hij er. Niet goedschiks, dan kwaadschiks. Hij wil zich koning van de wereld wanen en heeft er zelfs wel een bevroren voet voor over. Er zijn genoeg voorbeelden van tirannieke gebiedsuitbreidingen die in Waterloo of elders strandden en meestal loopt het met de aanstichter ook slecht af. Ik ben een vreedzaam mens -als u het nog niet wist, dan nu, niettemin hoop ik dat T. al bij de voorbereidingen van zijn Groenlandse klimtocht ongelukkig ter aarde zal storten.

Max Pam vroeg zich onlangs in zijn wekelijks Volkskrant-column af, hoe het toch bestaat dat die vent van bijna 80 jaar nog zoveel energie heeft? En hij met dezelfde levensjaren maar ploeteren tegen de kou, tegen geheugenverlies en alledaagse ongemakken die een mens op leeftijd krijgt. Het is inderdaad heel oneerlijk gesteld. Als remedie om tot rust te komen, denk ik dat ik een voorzichtig spagaatje ga maken en daarna een wandeling over het weer groene weideland.

12.1.26 PlaatKeus #2 Van de meeste grammofoonplaten (elpees) die ik bezit, weet ik nog aardig goed waar en wanneer ik ze gekocht heb. In het begin schreef ik de datum van aankoop op de hoes en gaf het een volgnummer. De eerste was John Westley Harding van Bob Dylan. Tussen september ’67 en zomer ’68 zat ik op de Vakopleiding van Volwassenen aan de Peizerweg te Groningen en spijbelde weleens om even naar de binnenstad te gaan. Dat kon makkelijk, want ik liep voor op het leerschema. Ik kwam toendertijd niet veel verder dan Veendam en Assen. Groningen had veel platen- en boekenwinkels en er was altijd reuring. Ik kocht die plaat bij Het Carillon aan de Oude Ebbingestraat op 15 maart 1968. De daaropvolgende vier aankopen betreffen allemaal platen van Bob Dylan. Ik was min of meer bezeten van hem. Pas bij plaatnummer 6 (The best of The Who) veranderde dit stramien. Voordat ik mij een elpee kon veroorloven, hield ik het op singles en heel soms een ep. Daarop stonden meestal drie of vier liedjes en waren gestoken in stevige, sierlijke hoesjes. In dier voege pasten ze ook qua prijs tussen de single en de lp. Soms kreeg ik een plaat. Van een vriendin bijvoorbeeld, als verjaardagsgeschenk. *Zoals Songs of Love and Hate van Leonard Cohen. Die kreeg ik op mijn verjaardag in 1971 van Jannie (vanwege gevaar voor privacyschending noem ik geen achternamen) uit Assen. Ik had het jaren niet gedraaid. Maar wat een geneuzel zeg, die man. Ik zou er spontaan een guilty-pleasure-gevoel van krijgen. Ik hield toen erg van dit soort trage, duistere muziek. *Van Alice uit Gieten kreeg ik voor mijn 22ste verjaardag Tommy. Niet de originele van The Who, maar de uitvoering van het Londense Symfonie Orkest -met zang van o.a. Sandy Denny, Rod Steward, Richie Havens en Steve Winwood en gestoken in een stevige klaphoes met tekstenboek. De verkering eindigde helaas kort na deze prijzige gift. Ik kom Alice nog weleens tegen en dan praten we even bij. *Wat betreft de korte van mijn verkeringen, spant Johanna uit Rolde wel de kroon. Het begon voorbeeldig. Zij gaf mij na enige weken Tapestry van Carole King, omdat ze die plaat kende van Bistro, de jongerenbar waar we regelmatig kwamen. Kort daarna doofde echter vrij plotseling de vlam en toen vroeg ze pinnig de plaat terug. Het had haar een halve (?!) weekloon gekost en de lasten van onze liefde wogen kennelijk zwaarder dan de baten. Het geeft maar weer eens aan hoe ondoorgrondelijk de mens kan zijn. Gedwee voldeed ik aan haar verzoek. Van Carole King bezit ik meerdere platen. Het blijft hele aardige muziek. Aan Tapestry heb ik mij nooit meer gewaagd. Die was voorgoed bezoedeld. *Van Tineke uit Mussel kreeg ik de live-lp Thirty Seconds over Winterland van Jefferson Airplane. Op een zaterdagmiddag gingen we naar Stad, dronken een drankje in ‘De Drie Gezusters’, shopten in hippe winkeltjes, genoten van elkaar en als dank wilde ze mij iets geven. Het werd deze plaat. Kort ervoor had ik gelogeerd bij zekere Vic & Jacky in de Eborstreet in York, waar constant muziek van Jefferson Airplane en The Doors werd gedraaid. Jefferson Airplane bleek een blijvertje. Ik beluister Winterland nog regelmatig, nu van een krasloze cd. *De laatste plaat die ik in verband wil brengen met een vriendschap, is Paul Siebel’s Woodsmoke and Oranges. Ik had enige tijd nauwe omgang met Bineke uit Eext. Verkering wil ik het niet noemen. Het was meer een los/vaste vriendschap. Na afloop van het kerstetentje in ’74 bij kennissen van haar, gaf ze mij een platenbon en daar heb ik diezelfde week nog deze plaat van gekocht. Op Paul Siebel kom t.z.t nog weleens terug. Latere verkeringen hebben geloof ik geen langspeelplaten opgeleverd. Het ligt mij jammer genoeg niet meer bij aan wie ik ooit een plaat heb geschonken. Dat zal zeker ook weleens gebeurd zijn. PlaatKeus van vandaag: ‘Tommy, as performed by The London Symphony Orchestra, with choir & guests’ – uitgebracht in 1972. Een dubbelelpee. Kan ik vanmiddag wel mee vooruit. Nogmaals dank, Alice!

9.1.26 Noodweer De rapen worden steeds gaarder. Ik heb het niet over ons door een pak sneeuw stilgevallen land, want dat zie ik meer als een hinderlijk winterslaapje. Goed, het heeft nadelen, hetgeen we aanduiden met overlast. Maar beroerd word ik er niet van. Ik heb dat woord even opgezocht in de grote WNT. BEROERD. Het lemma begint met: Geraakt door de hand Gods, dat is: getroffen door ene hevige, plotselinge ziekte, ook beroerte geheten. Dan komen er een aantal verklaringen van het woord beroerd voorbij waar ik niet veel mee kan. In Vlaanderen bijvoorbeeld betekent het: Zeer onrustige kinderen en Lichte boosheid. Ik heb in mijn leven geloof ik nog nooit een kind beroerd genoemd en lichte boosheid noemen wij denk ik geïrriteerdheid. Nee, met mijn gevoel van beroerdheid bedoel ik naar en ellendig. Dat werd ik bij het lezen van het artikel en het na zien van de video van de dood van een zekere mevrouw Nicole Good door een agent van immigratiedienst. Meteen na dit incident, verdedigde DJT (Trump) het als een handeling die bekend staat als noodweer, omdat mevrouw Good de agent van plan was aan te rijden en met aanrijden bedoelt hij ‘doodrijden’. Op de video is van dit alles niets te zien. De auto staat dwars op de parkeerplaats en blokkeert daardoor de auto van de immigratieagenten. Ze probeert weg te rijden en gebaart iets met haar hand. Een agent stapt uit hun auto en gebaart haar weg te gaan. Hij loopt daarbij naar de zijkant en dan naar de voorkant van haar auto, waardoor er een voor hem gevaarlijke situatie ontstaat. Dit alles vindt plaats in nog geen 10 seconden. De agent lost nu drie schoten waarvan eentje dwars door haar voorruit. Mevrouw Nicole Good raced nu vooruit en komt tot stilstand tegen een andere auto en een paal. Daar sterft ze. De moordende agent verschijnt onbevreesd in beeld. Hij blaast nog net niet de rook van zijn loop. Problem solved hoor ik hem bijna zeggen.

Mijn kippenvel was bliksemsnel overgegaan in beroerdheid. Wat hier gebeurde is wat er naar het schijnt nu overal in Amerika gebeurt. DJT stuurt overal het leger naartoe om onrust met onrust te bestoken. Er zal best weleens gedoe zijn met criminelen en gangsterbenden, maar dit gaat zelfs hen te ver. Het zal T’s ondergang worden, hoe krampachtig zijn vazallen hem ook blijven verdedigen en steunen. Overal zullen rellen ontstaan. Steeds meer Amerikanen beginnen het genoeg te vinden. Het Make America Great Again-sprookje wordt langzamerhand een boemerang die de innerlijke vijand (the enemy within) uit zijn winterslaap haalt. Ik zou als ik tot de kring der loyalisten van DJT behoorde maar maken dat ik wegkwam. Naar Venezuela misschien of naar Groenland. Want als de beer beroerd wordt, berg je dan maar. Ik denk dat ik dat boek van William Faulkner over de Amerikaanse Burgeroorlog van 1861 tot 1865, maar weer eens ga lezen. Raakvlakken te over. Want naar buiten gaan wordt ons burgers door onze vleugellamme Min. Pres. Schoof afgeraden. Overigens, hij zegt in gevallen zoals wat er nu in Amerika gebeurt, ook nogal eens dat hij er beroerd van is. Dat is in hem te prijzen. Daar zou DJT nog een hoop van kunnen leren.

8.1.26 De Macrons Wonderlijke consternatie in Frankrijk. Er was een rechtszaak tegen tien influencers die al jaren beweren dat de vrouw van president Emmanuel Macron een transvrouw zou zijn of zoals dat door sommige roddelbladen wordt gezegd: een omgebouwde man. Brigitte Macron heet ze. Ik heb mij nooit in deze kwestie verdiept, ben ook bepaald geen fan van president Macron, maar dit is toch wel schokkend. Ik bedoel, dat er mensen zijn die dit beweren, terwijl de dochter van Brigitte Macron toch het bewijs is van moederschap. Nu zou dat via een kunstmatige ingreep nog wel te verdoezelen zijn, maar mijn boosheid betreft die kwaadsprekende influencers, ook wel trollen genoemd. Wat hierin meespeelt is het leeftijdsverschil tussen Emmanuel en Brigitte: 24 jaar. Tussen Donald Trump (79) en zijn derde vrouw Melania (55) zit een nog groter leeftijdsverschil. Daar hoor je echter niemand over. In het conservatieve, van god vergeven Amerika, geldt dat de man over de vrouw heerst en een echtgenote die qua leeftijd evengoed de moeder van de echtgenoot zou kunnen zijn, valt dat moeilijk. Bovendien, iedereen die niet precies in het cis-straatje past, het straatje van model mannetjes en vrouwtjes, is sinds Trump de scepter zwaait onderwerp van spot en uitstoting.

Nu ben ik geen francofiel en de paar keren dat ik in Frankrijk verwijlde, behoren niet tot mijn aardigste uitjes. Dat is al heel lang geleden. Macron was nog maar amper uit de luiers. Nu bestiert hij een land dat voortdurend plat ligt door stakingen en waarvan de staatsschuld inmiddels hoger is dan de Eiffeltoren. Op zich niet vreemd dus dat de getergde goegemeente zich als een troep uitgehongerde hyena’s op een zwakke plek van de man richt. Dat is zijn vrouw. Die ietwat kleurloze oud-onderwijzeres naast die dandyachtige charmeur. Dat vinden ze niet kloppen. Ik heb met haar te doen. En het is natuurlijk niet alleen dat leeftijdsverschil, want tussen Mick Jagger en zijn laatste aanwinst zit 44 jaar en dat wordt lacherig weggewuifd. Nee, het is de oudere vrouw die aanpapt met de jongere man; daar zit ‘m het venijn. Alsof het om een afwijkende relatievorm zou gaan, iets van bloedschande. De vorige kroondragers reden als het op huwelijkse trouw aankwam, allemaal een scheve schaats. Dat zijn ze in Frankrijk wel gewend. Maar met Emmanuel Macron en zijn eega ligt dat anders en dat gaat zich steeds meer wreken. Er moet nog heel wat water door de Seine vloeien voor dit zal veranderen.

7.1.26 Hollandse duinen Het is een jaarlijks terugkerend probleem of nee, ik mag het eigenlijk geen probleem noemen maar een probleempje en zelfs dát is nog aan de zware kant. Het gaat om het verkrijgen van de afvalkalender. Jaren geleden kreeg je die in de brievenbus aangereikt door de bezorger van de streekkranten. Echter aangezien ik een NEE/NEE-sticker op mijn brievenbus had, ontging mij ook die kalender. Geen probleem, want bij het eerstvolgende bezoek aan Gieten, ging ik even bij het gemeentehuis langs en kreeg alsnog zo’n kalender. Zo kom je daar ook nog eens. Maar de ophaalroutes van de vuilniswagens werden ingewikkelder en daardoor werd het aantal ophaalroutes uitgebreid. Kan ik inkomen. De burger werd daarom verzocht voor de juiste kalender even in te loggen en alzo kon hij een gekopieerde kalender bekomen. Dat probeerde ik. Maar zoals het inmiddels jaar op jaar gaat, las ik ook nu dat het gemeentehuis niet van het bestaan van ons adres weet. Niet getreurd en dus belde ik met het speciale nummer. Ik legde de situatie voor en verstrekte de gegevens. ‘Vreemd’, zei de mevrouw aan de ander kant van de lijn. ‘Ik krijg uw gegevens hier gewoon in beeld. Voert u de postcode wel goed in dan?’ ‘Jazeker’, zei ik. ‘Nou dan mail ik uw kalender wel even aan u door’. Bij de buren zag ik intussen de grijze container aan de weg staan en dus baggerde ik door de sneeuw om de onze in de loop van de dag ook te laten legen. Het sneeuwen zette voort. Een straffe wind stak de kop op, sneeuwduinen werden al zichtbaar. ‘Ik moet nog zien of er een vuilnisauto langs komt vandaag’, zei ik terwijl mijn vrouw zat te potcasten. Later in de ochtend zag ik de kliko van de buren niet meer. Hadden ze hem weer teruggehaald? Wederom opende ik de site van de gemeente om me op de hoogte te stellen van eventuele complicaties aangaande het legen van de kliko’s. Maar er stond niets op en dus liet ik mijn bak gewoon staan. Ik zou wel zien.

Het is nu tegen drieën. Het pak sneeuw is aangegroeid tot hier en daar wel een halve meter. De wind heeft gezorgd voor duinen die niet zouden misstaan aan de Noordzeekust. Van verkeer is totaal geen sprake meer. Onze kliko is volledig ondergesneeuwd. Alleen aan de windluwe zijde is-ie nog zichtbaar. Van binnenhalen kan geen sprake zijn, omdat van staatswege het zich naar buiten begeven ten strengste wordt afgeraden. En morgen komt er nog een halve meter bij, zei zojuist mijn transistorradio. Ja, die heb ik voor de zekerheid maar weer van stal gehaald en voorzien van een paar nieuwe batterijen. De oude Witte Kat-batterijen kreeg ik er met moeite uit, maar het ding werkt nog prima. In verband met de door Mark Rutte onlangs geadviseerde noodpakket, komt het nu om een andere reden toch van pas. Want je zult zien dat door sneeuwophoping op de hoogspanningsdraden straks alle stroom uitvalt. ‘Dit zijn Russische toestanden’, hoorde ik een Cor Galis-achtige stem uit mijn transistor galmen. Ik moest aan de woorden van Winston Churchill denken: ‘Never, never give up, never surrender!!’ Zo is het maar net! Nooit opgeven, kop ‘d er veur! Het gaf me ongekende kracht. Nog even en het is voorjaar. En die volle kliko …. Maar ho, ik heb nog steeds geen kalender in mijn postbus. Zullen we dan toch echt niet bestaan? Scheelt wel een hoop belastinggeld. Dat is dan wel weer een plezierige bijkomstigheid. Nou ja, het komt vast allemaal wel goed. Eerst die sneeuw even verwerken.

6.1.26 Voor mijn nieuwe rubriek PK (PlaatKeus) pluk ik een plaat uit mijn platenkast en schrijf er een stukje over. Hoe kwam ik aan de plaat (als ik dat tenminste nog weet) en heb ik de artiest ja/nee in levende lijve gezien. In het eerste stukje van dit blogboek heb ik al een voorzetje gegeven met Dr Strangely Strange. Een obscuur electric folktrio uit Dublin, dat eind zestiger jaren bekend werd. De plaat Heavy Petting staat hoog op de lijst van verzamelaars. Nu is het de beurt aan Woody Guthrie en meer specifiek aan het lied This land is your land uit 1940. Heel toepasselijk lijkt me in deze roerige tijden waarin bullebakken zich onledig houden met grootschalig landjepik. Het liedje werd vooral bekend in de uitvoering van Trini Lopez uit 1962. Het is een ode aan het land met de ongekende mogelijkheden, Amerika. Hij zingt echter de laatste twee van de uit zes coupletten bestaande lied niet. Daarin wordt de vraag gesteld of dit land wel zit te wachten op werkzoekers en rondtrekkers van elders. Trini Lopez wilde het vooral gezellig houden. Hij was weliswaar in Dallas, Texas geboren, maar had toch duidelijk Mexicaanse wortels. ‘Sommige mensen mopperen en vragen zich af of dit land wel voor mij gemaakt (lees: bestemd) is’, vertaalt de app de laatste regels van het lied. Woody Guthrie hield zich niet in en daardoor kwam hij in de problemen. Hij mocht bijvoorbeeld zijn anti-fascistische liedjes niet meer voor de radio zingen en ging daardoor een beetje plagerig kinderliedjes schrijven en deze op de radio uitvoeren. Die werden onbedoeld nog hits ook. Onder andere zijn Car-car song. Dat is later nog door Donovan opgenomen. Voor Bob Dylan was Woody Guthrie zijn grote leermeester. Op zijn eerste LP staat de ode Song to Woody. Ook Bruce Springsteen heeft een cd gewijd aan Woody Guthrie. Maar platen van Woody Guthrie zag je hier weinig. Die kinderliedjesplaat, Songs to grow on, kocht ik in 1973 bij Andrés Platenbar in Assen. Ik scoorde ook een paar Woody Guthrie-platen in York, Engeland. Toen ik zelf een platenhoek runde, bestelde ik ze via Phonogram, die ze uit Amerika importeerde. Overigens niet alleen platen van Woody Guthrie. Hij overleed in oktober 1967 op 55-jarige leeftijd aan de spierziekte van Huntington (Huntington Desease). Zoon Arlo trad in zijn vaders voetsporen als volkszanger. Hij trad onder andere op met Pete Seeger, die ook bevriend was met Woody en met hem optrad. Voor de volledigheid; Trini Lopez overleed in 2020 op 83-jarige leeftijd aan de gevolgen van corona. PlaatKeus van vandaag: ‘Original Recordings, made bij Woody Guthrie – 1940-1946′ – uitgebracht in 1977.

5.1.26 Overdaad ’t Is bijna Driekoningen en dat betekent dat we afscheid moeten nemen van kerst’25 en al wat daarmee samenhangt. De gemeente vraagt ons vriendelijk om de kerstbomen in speciaal daarvoor gemarkeerde plekken te deponeren, zodat zij ze kan ophalen en versnipperen. Voor zover die bomen nog niet zijn verbrand op oudejaarsbulten. Wij hebben geen kerstboom. Lange tijd een kunstboom gehad. Opklapbaar, op te bergen in de kelder. Maar langzamerhand kwam de klad erin. Vorig jaar heb ik een namaakboom gemaakt. Een kunstzinnig gevalletje van latjes die mijn vrouw het hele jaar laat staan. Al naar gelang het jaargetijde tooit zij het met prulletjes die ze bij de inbreng scoort. Eerst met kerst, daarna met pasen en daarna met van alles wat er volgens haar ook prima in past. Een 4-seizoenenboom, zeg maar.

Zoals het met de kerstbomen gaat, zo gaat het ook met de kerstspullen en het kerstvoedsel. Meteen na de kerstdagen liggen de kerstkransjes al in de bak met 50%-korting of met een sticker dat voedsel weggooien uit den boze is. ‘Verspilling voorkomen’ staat er bijna boosaardig op. Om die graaiende kerstconsumenten, die zij juist met veel poeha hebben binnengehaald, nu de oren te wassen. Dat ze als megagrootgrutters veel te royaal hebben ingeslagen, telt even niet. Zíj worden ook maar van bovenaf aangestuurd, zal hun verweer zijn.

Ik liep door de Lidl -maar het had elke supermarkt kunnen zijn, maar het was de Lidl en zag bij de kassa een doos staan met dingetjes die de klant voor € 0.25 mee kan nemen. ‘Max 2 per klant’, staat daar normaal bij. Ik weet dat, omdat ik regelmatig afgeprijsde waren meeneem. Die 25 eurocent-producten hangen tegen de tht-datum aan en moeten die dag weg. Vroeger werden die tht’s gewoon in de kliko’s gedumpt. Geen haan die er naar kraaide, tot hier schande van werd gesproken (terecht!) en men overging tot prijsdumping. In de doos bij de kassa lagen kleine, oogstrelende goedjes. Het bleken leuk versierde pakjes met marsepeindonuts te zijn. Ik pakte twee uit de doos en legde ze bij mijn andere spullen. Op de met kerstsneeuw en sterretjes versierde wikkel is op elke ervan een grote sticker geplakt met ‘Verspil mij niet! ik ben nog GOED’. Het meisje achter de kassa keek mij even vorsend aan. Alsof ik niet tot de beoogde kopersdoelgroep behoorde. Daar heb ik altijd erg veel plezier om. Ik hou van mensen die niet omwille van hun geld, maar omwille van het systeem zuinig leven. We verspillen nu eenmaal idioot veel, maar uitleggen ga ik het niet. Daar krijg je alleen maar gedoe om.

In de auto op de parkeerplaats brak ik een van de pakjes aan. Het bevatte zes mini-donuts. Ik probeerde eentje uit. Deed mijn raampje open, voelde de frisse sneeuwkou op mijn snoet. Heerlijk! Een mevrouw die mij passeerde en me zag, zei glimlachend ‘Eet smakelijk’. ‘Dank u’, zei ik. Iemand van de gemeente knipte een kerstboom los en gooide het op de laadruimte van de auto. Morgen mag het niet meer. Want overmorgen beginnen de reclames voor de Paasdagen.

4.1.26 Maagdelijk wit (OverlijdensAdvertentieBovenschriften nr.13)

’t Is te makkelijk om nu in deze witte wereld sneeuw als onderwerp van de 13de overlijdensadvertentiebovenschriften te gebruiken. Toch valt dat uitgaande van mijn verzameling oab’s niet mee, omdat het er bijna niet in voorkomt. Wél de nodige andere weersomstandigheden waarvan ik er al enige in eerdere oab’s heb gebruikt (zie hiervoor elke 4de van de maand op blogboek ‘Van op site – 2025). Mogelijke oorzaak van het ontberen van sneeuw boven iemands heengaan is misschien omdat het zo iel, zo fragiel is en zo tijdelijk. Dat kun je een mens niet aandoen. Soms wordt het daarom als metafoor gebruikt voor iemands ultrakorte leven. En dan, niets zo onbetrouwbaar als sneeuw. Zo ís het er en zó is het alweer weg. Daar kun je niet op bouwen. Maar elke vlok bevat wél een eigen structuur en kent een soort levensloop.

Bij sneeuw denk ik onwillekeurig aan het verhaal De sneeuw van de Kilimanjaro van Ernest Hemingway. Het origineel is getiteld: The Snows of the Kilimanjaro. Maar het Nederlands kent geen sneeuws. We houden het enkelvoudig. Het verhaal gaat over een stervende, ijlende man, die zijn leven in het zicht van deze Afrika’s hoogste berg op zeer hardvochtige wijze uitluidt. Geen leuk verhaal derhalve. Mogelijk daarom waagt niemand zich aan een strofe uit dit verhaal. Naast het ongemak van sneeuw, geeft het juist ook veel plezier. Voor een oab is het misschien wel te vrolijk, te uitbundig, mij geeft het in ieder geval een heel kinderlijk gevoel, vandaar dat ik deze oab niet anders dan luchtig kan houden. Ik zal daartoe een ruikertje vrolijke oab’s laten passeren, want die zijn er in overvloed. Ik moet er wel bij zeggen dat dit naar mijn idee geen al te neerslachtige mensen waren, of het zou moeten zijn dat de nabestaanden hem (bijna altijd zijn deze aardeverlaters mannen) een afscheidsloer wilden draaien. Ook zijn het geen zwaar gelovigen die na het aardse tranendal, nog een tweede en (zoals het orthodoxen continu is ingepeperd) betere leven wacht. Die zijn juist uiterst precies in hun overlijdensbovenschriften. Hier volgen enige oab-kwinkslagen. ‘De dood belt niet op en vraagt ‘Kom ik gelegen?’ — ‘Overleden? Ach, dat gebeurt wel meer!’ — ‘Ik heb geen tijd om dood te gaan’. — ‘Altijd op tijd, maar nu veel te vroeg’. Ook scherp vind ik die van een hoogleraar geografie, luidende: ‘Wij blijven graven’. Of deze: ‘Piet is er tussenuit gepiept’. — ‘Doodgaan is niet erg, maar het duurt zo lang’. — ‘Wat nòu weer’, besluit iemand anders zijn aards bestaan. Neem Robert Long, die schreef ‘Van leven ga je dood’. Een waarheid als een koe. Weer iemand anders maakte ervan: ‘De buffel is gevloerd’. En zo zijn er nog heel veel leukebroeders.

Terug naar de sneeuw, naar dat witste wit. Ik herinner me ineens weer de begrafenis van oud-Koningin Wilhelmina. Dat moest in het wit, besliste zij. Omdat dit symbool staat voor het eeuwige leven. Sneeuwklokjeswit, zeg maar. Van Herman van Veen kom ik regelmatig het versje Lieverd tegen. ‘Het leven is als sneeuw, je kunt het niet bewaren. Troost dat jij er was, uren, maanden, jaren …..’ Naast het niet te pijlen verdriet om iemands dood in woorden als ‘Zeg me, zeg me, zeg me dat het niet zo is ….’ van Frank Boeijen of het algemene het is niet te bevatten, lees ik ook regelmatig regels als: ‘Ik heb een mooi een leven gehad’ – ‘Ik heb een prachtig leven gehad’ – ‘Ik heb een fantastisch leven gehad’ – of ‘Ik heb een schitterend leven gehad’. Kan allemaal. Een verzuchting die dit trappetje naar mijn idee overtreft, is: ‘Helaas dood’. Deze stond boven de advertentie van een bijna 100-jarige. Een ander klinkt eerder opgewekt: ‘Wij dachten dat hij niet dood kon’. De hoofdpersoon uit het boek De honderdjarige man die uit het raam stapte en verdween van Jonas Jonasson, zegt: ‘Het is zoals het is en het wordt zoals het wordt’. Maar wat heb je nog te willen als je oud en versleten bent? En toch ….. De chemicus P. J. Wuis werd 103 en boven zijn overlijdensadvertentie stond: ‘Ik vind dat het leven maar zo kort is’. Dan heb je lef! Zo iemand zou ik graag een paar decennia extra gunnen.

Misschien is sneeuw eenvoudige beeldspraak voor het kind dat tot de laatste snik in ons huist en dat op latere leeftijd steeds meer de warmte opzoekt. Het lijkt prachtig, zeggen ze, dat verlate kerstlandschap en ze strekken hun benen languit voor de radiator. Buiten lawaaien spelende kinderen. Ze zouden dolgraag een robbertje mee willen sneeuwvechten, maar ze weten dat één misstap hun dood kan betekenen. Niet doen! Ik eindig met een uitspraak van Midas Dekkers: ‘Ik ben er sterk op tegen, de dood’ . Opmerkelijk. Van een bioloog zou je een toegefelijkere houding verwachten. Hoewel ik het van harte met hem eens ben.

1.1.26 Alles een jaartje ouder We staan er vaak niet bij stil, maar alles is weer een jaartje ouder. Daar hoor ik nooit iemand over. Ieder jaar tijdens deze dagen overvalt mij echter die gedachte. Alle platen en boeken, alle schrijvers, alle muzikanten zijn weer een jaar ouder of een jaar langer uit de tijd. Zo logisch als wat. Bomans is dit jaar al bijna even lang dood dan hij leefde, de Vlaamse dichter Leonard Nolens haalde 2026 net niet, Kees van Kooten gaat richting de leeftijd van zijn moeder Annie en Martin Bril is komende april alweer 17 jaar uit de tijd. Hoe zal hij zijn omgegaan met het aan hem toegeschreven fenomeen ‘rokjesdag’ en zich in kronkels hebben gedraaid toen algemeen bekend werd dat dat woord kort na de oorlog in Rotterdam door men-weet-niet-wie al bedacht en gebruikt werd? Bril was van vóór #Metoo en het toxische begrip woke. Ik lees nog regelmatig zijn als oprispingen neergepende woorden. Twee groten van nu, Tommy Wieringa en Arnon Grunberg. Ook weer een jaartje erbij. Lopen gestaag naar de jaren des onderscheids of zijn daar al overheen(?). Hoe dan ook, alles zakt weer een stukje verder op weg naar de totale vergetelheid.

En dan de muziek. Nog zie ik de foto van de enorme oploop van hippies nabij het Amerikaanse Woodstock. Er was sprake van een half miljoen bezoekers op weg naar een popfestival. We moesten nog even wennen aan dat woord: popfestival. Augustus 1969 was het. Ik had op weg naar mijn werk bij Bé Ritchie een krant gekocht (vermoedelijk het Algemeen Dagblad) en zag hierin de toen al bijna iconische foto. Een rups van auto’s en mensen tot aan de horizon. In een straal van vele tientallen kilometers stonden rijen op weg naar Woodstock. Het zou een eigen leven gaan leiden. De uitwassen van Woodstock kwamen sindsdien regelmatig terug op optochtwagens en tijdens het carnaval. Aangepast aan de moderne tijd, dat wel. Weelderige, helgroene, paarse of korenblauwe fluoriserende pruiken en glitter alom. Het kind dat door John Sebastian (zanger van The Lovin’ Spoonful) tijdens dit festival op aarde werd verwelkomt met een toepasselijk liedje, zal komende zomer zijn/haar 57ste verjaardag vieren. Dat hoop ik tenminste. Er schijnen trouwens twee kinderen op het festival te zijn geboren, als ook twee doden gevallen. De latere edities van Woodstock zouden minder vreedzaam verlopen. Wie weet snoeit het nietsontziende republikeins mes elke culturele evenement dat niet in hun straatje past. Inclusief popfestivals. Dit jaar zal het 63 jaar geleden zijn dat president Kennedy werd vermoord. 1963 + 63. Sindsdien is de wereld niet meer los gekomen van complottheorieën. De huidige maatschappij is doordesemt van dit kwaad. Gewiekste trollen voeden internet en AI laat ons het denken verleren.

Maar laat ik me houden aan het thema dat alles en iedereen weer een jaartje ouder wordt. Ook ik. In april 75. Dan heb ik officieel drie kwarten van een eeuw achter de knopen. Ik tel mijn zegeningen en kijk naar de kast waarin mijn mappen, schriften en archiefdoosjes staan. Het is nog volop in beweging; zolang dat het geval is …. Aan het werk maar weer. Muziekje erbij. Dr Strangely Strange deze keer. Heavy Petting. Ierse folk. Bijna even oud als Woodstock. ps. Het lijkt me aardig af en toe een stukje te schrijven over een vergeten pareltje uit mijn platencollectie. Liedjes die niet in de top2000 enz. lijsten voorkomen. En dan doe’k ‘d er ook nog es wat anders mee dan ze af en toe te draaien.

Overzicht overig schrijfwerk (in depot) Vanaf dat ik alledaagse beslommeringen en hetgeen me zoal bezighoud vastleg -eerst in schriften, later op typevellen en na ongeveer 2010 op de computer- bedenk ik titels. Van een schrift is vooraf moeilijk vast te stellen wanneer het vol zal worden, met een blogboek is dat een stuk makkelijker; die rond ik altijd af op de laatste dag van het jaar. Voor klad en opslag van gedichten en/of verhaaltjes gebruikte ik lange tijd tot 2000 Chinese schriften. Ik denk dat ik er zo’n 25 vol geklad heb (ik zou ze nog eens moeten nalopen en eventueel uitwerken). Ik noem ze zo, omdat ze van Chinese makelij zijn. Ze bestaan uit dun papier met een kartelrand aan de bovenkant en zijn ongeveer 200 pagina’s. Ze kenmerken zich verder door een zwarte harde kaft, een gelijmde rode rugband en eveneens gelijmde rode hoekpunten voor extra versteviging. Het soort dat ik vanaf eind jaren 70 gebruikte heb ik al lange tijd niet meer gezien. Wél de vereenvoudigde gladde versie. Vanaf 2000 ben ik gemarmerde, 400 bladzijden tellende kantoorschriften gaan gebruiken. Die waren toen in elke goede boekhandel te krijgen, maar naar verloop van tijd alleen nog bij Van der Kuijl te Assen. Ik noem ze blokschriften. De laatste twee exemplaren heb ik op 21 april 2023 gekocht. De winkelier zei me op mijn vraag dat ze steeds moeilijker te verkrijgen waren. Aanvankelijk was ik van plan één exemplaar à €14.95 te kopen, daar kon ik wel weer een poosje mee vooruit, maar na deze onheilsboodschap besloot ik ze allebei -zijn hele voorraad dus- aan te schaffen. Daarmee was ik mogelijk de laatste koper in een verre omtrek van deze blokschriften. Ik gebruik ze nog steeds als aantekeningenschriften. Er staat inmiddels een aardig rijtje. Voor de aardigheid verzon ik bij aanvang van een nieuw blokschrift altijd een titel. Dat werkte op een of andere manier plezierig. Dit zijn ze: 1)Chinese Schriften. 2)Dichterbij ga ik niet. 3)Beer op sokken. 4)Het aardse geniep. 5)Zwijnen zijn we! 6)Finale kwijting. 7)Liggende helden. 8)Stuitend gebrek. 9)Het moede hoofd. 10)Zolderberichten. 11)Nieuw vuur. 12)Schoon schip. 13)Volle vellen. 14)Nieuw oud zeer. 15)De Veelheid. 16)De ochtend roept reeds de avond aan. Of ik ze veel gebruik? Soms. Bijvoorbeeld om precies te weten wanneer we ergens waren of wanneer en hoe iets is gebeurd en wat ik dan voor een verhaal kan gebruiken. Want zaken/feiten moeten wel kloppen. Misschien juíst wel in een verzonnen verhaal. Vanaf 2013 ben ik geheel overgegaan op computeren. Niet dat ik geen aantekeningen meer maak. Het eerste jaar van de computerverhalen, heb ik getiteld: Leven in Groenthe. Groenthe is een samentrekking van Groningen en Drenthe. Het zijn 140 columns en verhalen. 2014: Kronieken en verhalen. 2015: Op afstand lijkt alles minder erg. 2016: Wat zo dichtbij is, zo ver-halen. 2017 + 18: Leven met ik -169woordenstukjes (totaal 555 – eerste blogboek, want vanaf 2017 ben ik geheel overgegaan op het via internet publiceren van mijn zogenaamde blogboekverhalen). 2019 + 20: Terwijl de wasmachine draait – blogboek. 2021+ 22: Legoën op leeftijd – blogboek. 2023: Nou dan! – blogboek. 2024: Ongeneeslijk Drentig (ook in 2024) – blogboek. 2025: Van op site – blogboek. De meeste van die blogboeken bevatten zo tussen de 100 en 125 columns, gedichten en verhalen. Daarnaast -vanaf mei 2013– de maandelijkse column voor Gieterveen.nl (inmiddels 159), de regelmatige bijdragen voor Roet (Drents literair tiedschrift) en sinds kort voor Ons Erfdeel, Gieten. Voor een overzicht van bijdragen in bundels en boeken, zie op mijn site onder ‘veenberichten.nl’, op pagina ‘Willem Haandrikman’. Hier staan de bijdragen aan zo’n 10 bundels (onder andere Candlelicht 1 en2) en aan meerdere periodieken tot 2000 niet op. Dat laat ik maar voor wat het is. Vanaf januari ga ik hier verder met Man zonder baard memoirt – blogboek 2026.