Blog – De tweede helft van ’26

11.9.26 PlaatKeus #40 De hele wereld, nou ja, de Westerse wereld en ook dat met mate, herdenkt vandaag de verwoesting van de Twin Towers in New York, nu precies 25 jaar geleden. De wereld stond wekenlang op z’n kop. Hoe zou Amerika hier op antwoorden? Ja, het land aanvallen waar de daders vandaag kwamen. En dan? Men ruimde de boel op, bouwde een nieuwe toren en trok een hele lange neus naar de vijanden. Ik ben nooit in New York geweest en toch trok het me op zeker moment. Om voor een paar weken een werkelijk grote stad te ervaren. De stad waar zoveel van mijn idolen hun sporen hebben liggen, hun neus gestoten en vanuit hier de wijde wereld in zijn getrokken. Ik zou naar Tin Pan Alley gaan en naar Greenwich Village, waar Bob Dylan ooit en de honderden folkies nog steeds in de coffeebars een boterham verdienen. Naar New Yersey, waar Bruce Springsteen opgroeide zou ik gaan en naar Brooklyn waar de oer-Nederlandse dichter Leo Vroman naartoe was gevlucht. Maar ik ging niet. Ik ben geen stadsmens, ik zou al heimwee krijgen bij het zien van de The Statue of Liberty. Ik zou hopeloos verdwalen en uiteindelijk als zwerver in de Bronx of The Bowery belanden. Willy Nile zingt hierover en dat is geen gunstig beeld. Maar ook de muziek van Ira & George Gerswin is heel New Yorks. Hun ouders waren vluchtelingen, zoals bijna elke New Yorker. Amerika is nu eenmaal de vrijplaats geworden van avonturiers, kolonisten en ballingen. Vanaf Europa kon men recht oversteken en men was in New York. Dat gold niet voor mensen uit Afrika, die vooral in Charleston aankwamen, om daar als levende have te worden verkocht aan Europese plantagehouders. Randy Newman zingt in Sail away: You will be happy as a monkey in a monkeytree. Nou, dat viel zwaar tegen. Iedere jongere zou verplicht De hut van oom Tom van Harriet Beecher Stowe moeten lezen. Het dateert uit het midden van de 19de eeuw, maar is nog akelig actueel. Wat zou ik verder willen zien? De National Archives, Manhattan natuurlijk, een rondvaart maken over de Hudsonriver en ergens in een park een spontaan optreden bijwonen van bijvoorbeeld Loudon Wainwright III of de dichter Allen Ginsberg. En daarna A walk on the wildside en naar dat café op zoek gaan waar volgens Tom Waits de pianist nuchter is en de piano altijd dronken. Ik deed het dus allemaal niet. Op 11 september 2001 kwam de nieuwe plaat van Bob Dylan uit. Ik had ‘m al en draaide het toen mijn vrouw tegen halfvier naar boven riep dat er een vliegtuig tegen het World Trade Centre was gevlogen. ‘In Rotterdam?’, zei ik terug. ‘Nee, in New York’. Ik luisterde de plaat verder af en na een poosje zette ik de radio aan en de rest is troebele geschiedenis. Van die zo gehoopte wereldvrede, kwam vanaf dat moment niets meer terecht. Tegen de stortvloed van frauduleuze smeerlapperij en zelfverrijkende dictators die Moeder Aarde naar de ratsmodee helpen, zijn wij kwetsbare burgertjes niet opgewassen. Bruce Springsteen zingt hartverscheurend over de verschrikkingen van die elfde september op The Rising. Het is een donkere vertelling over hoe zijn stad in brand staat, maar die als een feniks uit de as zal herrijzen. En dat deed ze ….! Zonder muziek, zonder liedjes waarin hoop de boventoon voert, komen we geen stap verder. En op de drempel van die catastrofe bracht Bob Love and Theft uit. Een voor zijn doen tamelijk opgewekte plaat. Alleen bij High water is het oppassen geblazen, maar dat speelt in die andere New – New Orleans. Ondanks de vijf sterren die ik ‘Liefde & Diefstal’ zou geven, ga ik toch voor Bruce. Oók omdat hij zich zonder schroom tegen het moorddadige regiem van zijn huidige president heeft gekeerd. Daar is moed voor nodig, maar op een einde als dat van Lenny Bruce zit niemand te wachten. Het verdient veel respect. Daarom als plaat van de dag: The Rising van Bruce Springsteen. Uitgebracht in 2002.

8.9.26 Bonbons Vorige week werden de ig-Nobelprijzen bekend gemaakt. De inzending die het hoogste scoorde en dus de winnaar werd van de felbegeerde hoofdprijs van het biljet van 10.000 miljard Zimbabwaanse dollars, ging naar de onderzoekers die enkele duizenden onderbroeken door de helft van dit aantal mensen in hun tuin of land hadden begraven, met als doel op deze ludieke wijze op verscheidene plaatsen de bodemgesteldheid te onderzoeken. De onderbroeken waren van katoen, omdat dit biologisch afbreekbaar is; iedere deelnemer kreeg dus twee exemplaren. De ene moest na twee maanden worden opgegraven en de andere na drie. Daarna moesten wat er restte van de slips met een schepje aarde erbij worden opgestuurd naar het lab en daar bekeek men de ecologische afbraak ervan. Een prachtig onderzoek, vond ik. We hebben allemaal wel een foto van een waslijntje met enkele aangevreten exemplaren in de krant en/of in een nieuwsprogramma kunnen zien en we hebben er evenals de presentoren om gegniffeld.

De ig-Nobelprijs is in essentie natuurlijk een geweldige grap, maar toch ook weer niet. Want het moet wel degelijk een correct uitgevoerd onderzoek zijn, waarvan – en daar kniezen de echte Nobelprijslaureaten over- de noodzaak niet duidelijk is. Voorts gaat het er bij ig-Nobelprijsuitreiking een stuk lolliger aan toe dan bij de echte.

Eerst even die naam. De echte Nobelprijs is vernoemd naar de Zweedse uitvinder Alfred Nobel. Hij ontwikkelde de springstof dynamiet, waardoor het mijnen van onder andere steenkool veel makkelijker ging. Maar het werd spoedig ook gebruikt voor oorlogsvoering en dat zinde hem niks. Aan het eind van zijn leven (1896) bracht hij zijn vermogen onder in een fonds dat aangewend moest worden voor het instellen van een prijs voor bevorderaars van de vrede. Je zou het soort excuus kunnen noemen voor de schade die zijn uitvinding teweeg had gebracht én nog steeds brengt. De ig-Nobelprijs daarentegen werd een parodie op de echte, want van de laureaten van die echte is achteraf best weleens wat te zeggen, maar afnemen kan men de prijs niet. Dat is juist de pest. Het aardige van de ig-Nobelprijs is dat iedereen er aan mee kan doen, als het resultaat maar aanschouwelijk kan worden gemaakt. Die krijgt tijdens de ceremonie enige minuten de tijd om dit te verwoorden. Overschrijdt hij of zij de spreektijd, dan komt er een 8-jarig meisje ten tonele die duidelijk hoorbaar roept: ‘Please stop, I’m bored! (hou op, ik verveel me!). Het feestgedruis werd daarna altijd ingezet door papieren vliegtuigjes naar het podium te gooien. Daar is men echter voorzichtig mee geworden, omdat er eens een gewonde bij viel en geheel in de geest van de grote Nobel, heeft men dit nu ingeperkt.

Omdat ik al langer weet had van deze prijs, heb ik onlangs de suggestie ingestuurd om op plekken waar veel verkeer langskomt iemand te plaatsen die als taak heeft de passanten te groeten. Hoe ik daar zo bij kom? Wel, ik heb zonder dat ik het wist hiertoe enige ervaring opgedaan. Overal waar ik kom, waar ik wandel, in een stad of op het platteland, groet ik voorbijgangers. Dat vind ik geen prestatie, dat zou eigenlijk iedereen moeten doen. Bijna iedereen groet terug. Het ging me pas opvallen dat deze handeling zin heeft doordat ik meerdere keren tijdens het winkelen ben aangesproken dat zij (altijd een zij) zo’n simpele groet hun humeur een heel plezierig zetje gaf. Ik spreek hier over het verschijnsel ochtendhumeur. ‘Vooral mee doorgaan’, zeiden ze dan. Van een placebo-effect kun je niet spreken, want het werkt écht. Ik heb door de jaren heen weleens een weekje geturfd en kwam uit op zo’n 95% terug-groeters. Die 5% niet-groeters was ergens mee doende (mobieltje, neus snuiten) en zag mij daardoor niet. Bij de fietsers ligt het percentage terug-groeters veel lager; 3 op de 5. Daar valt dus nog veel te winnen. Mijn idee is dan ook om op de uitvalswegen nabij de plaatsnaamborden een groeter te plaatsen. Daar moet uiteraard op geselecteerd worden, want men moet een sterke rug hebben en van doorzetten weten. Zelfs na meerdere middelvingers. Om te voldoen aan de Wet Bescherming Buitenwerkers (de WBB), dient er een hokje + ergonomische stoel te worden geplaatst. Bonnen uitschrijven voor stelselmatige niet-groeters is er uiteraard niet bij, wél mag men terug-groeters die elke ochtend spontaan de hand opsteken, om de zoveel tijd een zogenaamde bonbon geven. Bij inlevering van 10 van zulke bonbons, kan men deze bij de plaatselijke patisserie verzilveren.

Ik heb al deze bevindingen opgestuurd naar de jury van het ig-Nobel en wacht in stilte af.

5.9.26 Als liefde zoveel jaar kan duren …* (OverlijdensAdvertentieBovenschriften nr. 21)

Schrijven en smeden heeft iets gemeen. Een schrijver en in het bijzonder een dichter, wordt niet zelden aangeduid met taalsmit. Dat is natuurlijk grappig bedoeld en meestal niet erg lovend. Evenzogoed is een vergelijking denkbaar met een kok. Boven het aambeeld en naast mijn werkblad hangt een vergeeld papiertje met ‘Ziet men de gaatjes niet, dan is het geen vergiet’. Eén van de vele aforismen die ik tussen neus en lippen door boetseerde. Men moet dit zien als beeldspraak. Wat het werk van een dichter, een smid en een kok op elkaar doet lijken is het toerloos priegelen met het materiaal (in volgorde van hardheid: staal, groenten, woorden) tot het beoogde resultaat. En wat je dan vaak hoort is de toevoeging ‘liefde voor het vak’.

Goed, liefde dus. In OAB’s kom je dat woord regelmatig tegen. Het komt van ‘leef’. In het Oud-Hollands betekende dit: aangenaam of ook wel dierbaar. Je hebt meerdere vervormingen van dit woord. Eerst ‘lief”. Dat woord duikt onder andere op in het Drentse volkslied van J.J.Uilenberg. Ik heb u lief, mijn heerlijk landje, mijn eenig Drentheland. Wat opvalt is dat het landje na twee woorden al is opgeblazen tot land. Dichten is sjoemelen met woorden. Boven de naam van de Belgische geograaf prof. dr. Vander Haegen, trof ik ‘Vlaanderen was mij lief’ aan. In de zin dat je iets lief hebt, de volgende: De totaalsom van ons leven wordt gevormd door de uren waarin wij liefhebben van de Duitse dichter Wilhelm Busch. Maar ik trof ook veel versjes aan van mogelijk de overledene zelf. Ik heb mij gevoegd bij hem die ik liefhad, en wacht op hen die ik liefheb is zo eentje en dat je wist dat alles goed zat / dat je niemand ooit zo lief had. De van oorsprong Zeeuwse dichter P.C.Boutens gebruikt lief als aanhef, als een roep: Lief, ik kan niet om hem wenen / Waar hij stil en eenzaam ligt. En dan die vertederende woorden van Frederik van Eeden: Ik heb de witte waterlelie lief, daar die zo blank is en zo stil haar kroon uitplooit in’t licht.

Ik begon in mijn eigen regio, maar eerlijk gezegd komt het woord lief hier weinig in OAB’s voor. Van Ede Staal, de grote regiotaal-zanger, kwam ik het niet eens tegen. Alleen een Engelse strofe van zijn hand: And all in between, / is the life that you live, / is the love that you get, / and the love you will give. Van een andere anfieteroar (aanmoediger) van het Gronings, Jan Siebo Uffen, het volgende gedichtje: Laifde / Laifde vragt ja nait woarom / Laifde is gain rekensom / Dei men moakt om oaf te wegen / Wat d’r veur is en d’r tegen / Laifde is d’r zunnermeer / En gain meens wait ooit woarheer.

Een stapje verder met het gebruik van het woord ‘lief’ en we belanden bij liefde. Regelmatig kom ik de uit Korintiërs (1 Kor. 13: 13) losgeweekte regel Ons resten geloof, hoop en liefde, deze drie: doch de meeste daarvan is de liefde tegen. Liefde is in deze strofe zelfs belangrijker of zoals iemand varieerde ‘voornamer’ dan het geloof!

Nu een stijlbloempje van kwaliteiten die mensen aan het woord liefde hechten. Van Toon Hermans: Omdat er liefde is / bestaat er geen voorbij / in alle eeuwigheid ben jij. Van de Engelse dichter Lord Lyttelton: De liefde kan hopen, / waar het verstand zou wanhopen. Ook veel gezien: De liefde overwint alles*. // Het verlies is oneindig groot, evenals de liefde die blijft* // Liefde stopt niet waar het leven eindigt* // Leven met jouw was mooi, liefde is eindeloos*. (* betekent dat er geen auteursnamen bij de OAB’s staan). En van de Deense filosoof Soren Kierkegaard: Wat verbindt het tijdelijke met de eeuwigheid, / wat anders dan de liefde? / Om die reden gaat ze aan alles vooraf / en blijft ze wanneer alles voorbij is.

In de liedkunst wordt enorm veel over liefde gezongen. Meer met woorden als ‘houden van’ dan strikt als ‘liefde’. Rob de Nijs zong Jouw leven hier is omgevlogen, maar jouw liefde blijft en Liesbeth List Doodgaan duurt maar heel even, liefde duurt wel zo lang, naar een liedje van Theodorakis. Het lied is een hele oude, heimelijke vorm voor het versieren (veroveren of schalken heette dat toen) van een geliefde. We weten dat troubadours met hun balladen vrouwenharten op hol brachten en feitelijk heeft zich dat tot op heden voortgezet. Neem de liedjes van Buddy Holly, The Everly Brothers en hun tijdgenoten. 100% liefdesliedjes. Een ruikertje. Van Elvis Presley: Wise men say / only fools rush in / but I can’t help falling / in love with you. The Beatles: And then when I’m away / I’ll write you everyday / And send all mij loving to you. Leonard Cohen: Dance me to the end of love. Joe Cocker: Love lifts us up where we belong. Van Morrison: Have I told you lately that I love you? Have I told you there’s no one above you? Fill my heart with gladness, take away my sadness, ease my troubles, that’s what you do. Stevie Wonder: All is fair in love. Bruce Springsteen: But love is a power / Greater then death. En als laatste OAB in deze aflevering, van U2: Pride, in the name of love / What more in the name of love. Het zijn allemaal grote woorden, krachtige beweringen, maar ze zorgen wereldwijd voor verbinding. En dat is wat de mensheid zo keihard nodig heeft. (Zucht). Was het maar verkrijgbaar in een pilletje, als derde bestanddeel -CO3- in de lucht (love is in the air) of als een noodzakelijk onderdeel van het DNA. *Vertaling van Jacques Brel’s Le chanson des vieux amants door Lennaert Nijgh en gezongen door Herman van Veen.

3.9.26 Vliegerverbod Op den duur krijg je, of je wilt of niet, genoeg van de dagelijkse portie ellende die de media de wereld instrooit. Het nieuws-dieptepunt deze week was dat kinderen in die helse door Israël beheerste Gaza-strook, niet meer mogen vliegeren. Dat vliegeren is voor hen meer dan een alledaagse bezigheid. Was hun speelgoed al vernietigd onder het vallend puin van hun huizen en andere gebouwen, nu kwam deze laatste treiterzet er nog bij. Het gevaar bestaat namelijk, zei opperbaas Netanyahu, dat kinderen er bijvoorbeeld molotovcocktails aan kunnen hangen en de vliegers in de vorm van bommen de grens over kunnen sturen en daar moet je als weldenkend mens toch niet aan denken. Nee, dat moet ten strengste worden verboden, met als straf een echte drone op de kop van het kind dat het opliet. Ik nam het nieuws met lichte verbijstering tot me en concludeerde dat het korset om de bewoners van de Gaza-strook bijeen te houden, hiermee nog verder wordt aangesnoerd. Het luchtruim -Lebensraum, is eigenlijk een beter woord- boven de Gaza-strook wordt door drones continu bewaakt en dat moet zo blijven en stel dus dat een drone in aanvaring komt met een vlieger of met vliegertouw. Je moet er daar toch echt niet aan denken! Dat Netanyahu en zijn roversbende van de Palestijnen af willen, is overbekend, en dat het hen niet uitmaakt hoe eveneens. En als ze binnenkort een dodelijk virus (miltvuur?) of iets van een mengsel van door de lucht voortgedreven dodelijke stoffen met sneeuwkanonnen over Gaza spuiten, schrik ik daar ook niet meer van. Maar vliegeren ….! Het laatste redmiddel om de hemelse vader middels een smeekbede te bereiken; foetsie. Niet dat dat veel zal uitmaken, want de hemelse vader van de Israëliërs is een niets ontziende ijzervreter en lacht om allah andere vaders.

Ik moest ineens denken hoe een vlieger ook in mijn jeugd een niet onbelangrijke rol heeft gespeeld. Als jonge lezer las ik Okke Tannema van Cornelis Johannes Kieviet. De vader van Okke raakt door een buurtgenoot aan de drank. Het toch al arme gezin lijdt er vreselijk onder. Uiteindelijk -lang verhaal kort- zorgt Okke ervoor dat zijn vader de fles laat staan. Dat doet hij door met zijn vader een vlieger te maken, hem af te leiden van zijn loop naar de kroeg. Terwijl ze daar samen mee bezig zijn en Tannema een hevige tweestrijd voert -enerzijds zijn gezin redden, anderzijds de ijselijke drang naar alcohol- verschijnt de doerak ten tonele die hem ooit aan het drinken van alcohol zette. ‘Kom mee, Tannema, we gaan naar de kroeg’, zoiets zegt hij. Maar Tannema wil niet mee en na ettelijke steeds krachtiger en beledigender woorden, wordt het Okke te gortig en hij trekt zijn klomp uit (1904 hè!) en slaat de man er recht mee voor zijn kop. Enfin, ruzie, geschreeuw, bloed … kortom: Hollands drama à la Herman Heyermans! Ik las dat boek met rode oortjes en niet één, maar een paar keren achter elkaar. Tannema laat inderdaad de fles staan. Het is een moralistisch verhaal en past precies in het plaatje van de Blauwe Knoop, maar het greep me enorm aan. Ik had groot respect voor Okke Tannema, wilde misschien ook wel zo’n held zijn. Ons gezin bestond evenals dat van Tannema uit moeder, vader en zeven kinderen. Maar mijn vader zat niet aan de drank, had wel een harde hand en er kwam nooit een vlieger uit. Ik heb met veel geduld ooit eens eentje gemaakt en er zelfs eventjes van kunnen genieten, tot het crashte in het weiland van onze buren. Maar dat leverde geen probleem op. Want de Hilbollings waren de beste mensen van heel de wereld, nou ja, van de Tjassenswijk dan.

Hoe het verder met die naar vliegeren smachtende kinderen in de Gaza-strook zal gaan, weet ik niet. Ergens in Israël zint men geheid op een volgende pressiemiddel om hen nog kleiner te krijgen. Zó klein, dat ze onder een schoenzool passen ….

1.9.26 Gestoord Nederland Er is ophef over Ongehoord Nederland, de omroep die ‘kwetsen tot instrument maakt’, om de quote van Elco Brinkman, die in 1985 de P.C.Hooft-prijs niet wilde uitreiken aan Hugo Brandt Cortius, aan te halen. Ik las vooral de taalkundige stukken van Hugo BC in de Volkskrant van hem graag, maar sloeg zijn vuige columns steeds vaker over. De vergelijking van de Minister van Financiën Onno Ruding met de massamoordenaar Adolf Eichman, deed voorgoed de deur dicht. Altijd weer die rotoorlog! Ik gaf Brinkman wel gelijk. Die Brandt Cortius maakte er een gewoonte van ver over de schreef te gaan. Het linker lezerskamp verdedigde Hugo BC, het rechter Elco B. Er is sindsdien nogal wat veranderd. Na de moord op Theo van Gogh -ook een etter op papier- werden columnisten voorzichtig. Want de duivel was los en men wilde geen mes tussen de ribben. De politiek veranderde mee. Eerst door de religies bij naam te noemen (met name moslims versus christenen) en daarna om onze Germaanse roots meer gestalte te geven, onze blanke afkomst.

‘Wilt u hiermee zeggen dat Nederland weer wit moet worden?’, vroeg de hoogblonde Mona Keyzer aan de lijkwitte Lidewij de Vos. Die deed dit af als een belachelijke insinuatie. De woorden omvolking en remigratie waren echter al gevallen en deportatie stond voor de deur. Aangezien Lidewij ook weleens aanschuift bij Ongehoord Nederland, was die gedachte van Mona niet zo vreemd, sterker nog, het merendeel van de kamer zat te wachten tot iemand deze olifant naar voren zou jagen. Ik heb vorig jaar bewust enkele afleveringen van dat programma van de ON uitgekeken om te weten wat het is. Er werd met name gediscussieerd over het ‘rassenprobleem’. Over dat de grenzen potdicht moesten, want dat al die zwarten hier alleen voor het geld komen, want dat was hen door die mensensmokkelaars verteld: Nederland = het Paradijs. Oprotten dat zooitje ‘negroïde primaten’, hoorde ik toen eens. Hans Janmaat zou zich handenwringend in zijn graf omdraaien. Er werden weleens klachten ingediend, maar de Commissariaat van de Media hield zich het liefst aan de persvrijheid, waar radio en televisie ook onder vallen en dus etterde het lustig voort. Tot vorige week dus. En hier was die verrekte oorlog opnieuw debet aan. Want hoofdredacteur van ON, Joost Niemöller, reageerde op een stelling over de door hen zo gehate ‘kosmopolitische elite’. Ik weet niet precies welk volksdeel hier mee bedoeld wordt, maar ik voel me er wel toe aangesproken. Deze aanduiding schijnt door Adolf Hitler te zijn gebruikt en hij bedoelde er de Joden mee. Dat was volgens hem en zijn volgers ongedierte waarvan zij zich moesten ontdoen. Enfin, wij kennen de geschiedenis en er gaat sindsdien bijna geen dag voorbij of we lezen, horen of zien weer een vergeten gruwelstukje uit die gitzwarte oorlogsjaren.

In mijn Stork-tijd (1967-1978) speelden de naweeën van de oorlog nog duidelijk een rol. Eén van mijn collega- metaaldraaiers was verzetsman geweest en één van de controleurs was een fanatieke nsb-er. Dat botste niet zelden. Er werd voor gewaakt dat zij tweeën niet toevallig in dezelfde ploeg terechtkwamen. Dat zou weleens knokken kunnen worden. Weer anderen zeiden dat de Duitse snelwegen toch een mooi voorbeeld waren dat Hitler en zijn bende ook wel iets goeds hadden voortgebracht. Dat werd met een grijns beaamd. En zo schreden de oorlogsverhalen zoetjes voort. Maar het is alsof elke vergelijking uit die tijd voor steeds meer beroering zorgt. Jammer, want Duitsland heeft zich na de oorlog -denk aan het verzoenende werk van Willy Brand en Angela Merkel- voorbeeldig gedragen. En toch ben ik nog niet helemaal af van dat beeld van die marcherende hordes.

Neem afgelopen week. We kwamen door een verkeerde afslag mijnerzijds plotsklaps in Duitsland terecht. Het was slechts een hanentree van Bourtange verwijderd, maar toch onmiskenbaart: Deutschland! Om van de weg af te komen, sloeg ik een streekje geheten Neuheede in. Ik stopte en zette de auto bij een boerderij aan de kant van de weg om even de benen te strekken. Ik maakte een korte wandeling. Wat me opviel was dat het er helemaal niet zo schön uitzag. Vooral hier en daar zwerfafval. Ik passeerde een leeg speelweitje. Geen mens bij de weg. Ook niet één die was aan de lijn hing of beddengoed uitschudde. Zelfs geen vogel te bekennen. Hoe zouden ze hier spreken? Beetje halfhalf? En wo möglich op de AfD stemmen? Maar ik kon het niemand vragen, het was er doodstil. We reden terug over de niet aalgladde weg. Wegwerkers moesten nodig weer eens aan de bak. Is dit misschien ook het vergetenste deel van Duitsland, net als Groningen en Drenthe van Nederland?

Ik zette de radio aan en hoorde dat Joost Niemöller is opgestapt. Of dat wat betreft de inhoud van de uitzendingen van ON veel zal schelen? Ik denk het niet. Na De Tweede Wereldoorlog begonnen ze elders aan een Derde en verviel zelfs Nederland in een totaal ontspoorde of beter gezegd gestoorde militaire actie …. Maar daar zwijgen we liever over. Aan die Duitse oorlog hebben we al meer dan genoeg.

30.8.26 PlaatKeus #39 In de week van de dood van Dolly Parton, zou het aardig zijn een PK aan haar te wijden, alleen ik heb niets van haar. Ik ben eerlijk gezegd nooit zo gek op haar geweest en ik bedoel dus de muziek die ze maakte. Misschien leidde haar overdreven voorkomen, de opsmuk en de pruiken die steeds gekker werden, te veel af van haar muziek. Want de liedjes die ik ken (niet zo veel) zijn heel goed. Ze heeft er, zei ze, zo’n 3000 gemaakt. Op haar vijfde schreef ze haar eerste. Maar ze nam me vooral in vanwege haar vrijgevigheid. Daar zouden een massa van haar collega’s een goed voorbeeld aan kunnen nemen. Na Anneke Grönloh en Willeke Alberti etc. kwamen Grace Slick (zie: PlaatKeus #28), Janis Joplin en daarna Melanie. Janis ontviel ons al op 27-jarig leeftijd en belandde daardoor in de beruchte lijst van de 27-club. Dat zijn allemaal artiesten die op die leeftijd het hoekje om gingen. Melanie Safka, zoals ze voluit heette, maakte haar eerste plaatje op 5-jarige leeftijd. Door haar optredens in coffeebars in Greenwich Village in New York en een auditie bij een toneelstuk, kwam ze min of meer per ongeluk in contact met de producer Peter Schekeryk. Hij werd haar steun en toeverlaat. Ze trouwden en hij produceerde haar platen. Melanie kwam in mijn leven doordat een vriendin Born to be, de eerste elpee van Melanie, had gekocht. Doordat ik veel bij haar bivakkeerde, hoorde ik die plaat heel veel. Wat moet ik daar over zeggen? Ze had een stem uit duizenden – van fluisterzacht tot ongehoord gekrijs. Hits stonden er niet op. Dat kwam met de tweede elpee: Beautiful People. Na haar optreden op het Woodstock-festival (augustus 1969), schreef ze Lay down (candles in the rain) dat ze opnam met The Edwin Hawkins Singers. Het zou in meerdere landen een hit worden, in Nederland zelfs nummer 1. Mogelijk vanwege het gebruik van Beautiful People in een reclamefilmpje, gezongen door Mathilde Santing, staat dat liedje hoger in de top-2000. Later had ze nog hits met Peace will come, What have they done to my song en Brand new key. Een aantal van haar liedjes zijn ook door andere artiesten opgenomen, o.a. Ray Charles. Vanaf haar eerste elpee in 1968 tot 1980 maakte ze maar liefst 20 platen. Toen waren haar hoogtijdagen wel voorbij. Bijna al de liedjes op die platen schreef ze zelf. Dat schijnt bijzonder te zijn. Frits Abrahams sneerde over Dolly Parton: ‘Ze had dus kennelijk schrijftalent’ en ‘de zangeres heeft het allemaal zelf bedacht’. Bij mannelijke zangers die de pijp uitgaan lees je dat soort neerbuigende fratsen niet. Ik heb Frits hoog zitten, maar nu viel hij erg diep! Ook over dat ze al zo jong liedjes schreef, wordt melig gedaan. Want kon dat wél? Maar begon Mozart ook al niet heel vroeg en daar hoor je toch niemand negatief over zwetsen? Melanie was dus 22 toen ze als 1 van de 3 artiestes op Woodstock stond. Vanaf dat moment was ze het flowerpowermeisje en rees haar faam. Jongerenwerker Jan Smeets uit Geleen contracteerde haar voor een concert in zijn stad, maar Melanie werd ziek en zegde af. Jan regelde vliegensvlug een paar andere artiesten en dat zou het begin worden van PinkPop. Mede door haar stem en haar gipsylook, kreeg ze veel navolgers. De jongens hadden denk ik toch liever iets krachtigers, iets sexyer, minder meisjesachtig. Een Tina Turner of inderdaad een Janis Joplin. ‘Oh, die zangeres met die soepjurk aan’, hoorde ik weleens als de naam Melanie viel. Dat klinkt niet lovend. In de nalatenschap van mijn broer, vond ik twee lege cd-doosjes die elk een cd van Melanie hadden bevat. Hij had haar een paar keer zien optreden en toen die plaatjes als aandenken gekocht. Op beide binnenhoesjes staat de handtekening van Melanie en ‘For Harm with Love’ en een fluks gesigneerd hartje. Maar of het met de verkoop van haar platen ook zo goed ging is zeer de vraag. Jarenlang namelijk kwam ik in de uitverkoopbakken exemplaren van haar tegen. Voorzien van prachtige klaphoezen en meestal ‘Printed in USA’. Ik heb gul uit die ruiven gesnoept. Beslist geen beroerde muziek, maar voor de goegemeente bleef ze vooral bekend vanwege Woodstock. Die eerste elpees van haar doen nu erg gedateerd aan en daarom kies ik als PlaatKeus de dubbelelpee: Ballroom Streets. Live opgenomen in de studio met publiek. Opgepoetste oude en nieuwe nummers van Melanie + band. De hoesfoto’s tonen een volwassen vrouw, de muziek is meegegroeid. Uitgebracht in 1978. Melanie overleed op 26 januari 2024 op 76-jarige leeftijd, haar man Peter Schekeryk het jaar ervoor.

28.8.26 Smerissen aan de voordeur Een mens krijgt vroeg of laat allerlei mankementen. Die dienen zich zonder waarschuwing vooraf op vilten voeten aan. Er tegen wapenen kan men zich niet. Zou elke euvel te weerstaan zijn, dan zou men met gemak over de honderd levensjaren heen buitelen, maar dat is -en misschien maar goed ook- niet het geval.

Mijn gehoor begon te haperen. In mijn linkeroor klinkt een soort van kattenbelletje. Vooral als de wind er goed op staat klingelt het vrolijk door mijn kop. Klinkt lollig, maar normaal is het natuurlijk niet. Omdat ik het hield op een tijdelijke afwijking, liet ik het er eerst bij. Daar het eerder erger dan beter werd, zocht ik mijn huisarts op. Zij stelde voor mijn oren uit te spuiten. Nadat dit was gebeurd, liep ik naar buiten en ging in de wind staan. Ik stelde vast dat het kattenbelletje een blijvertje was en dat ik er mogelijk mee zou moeten leven. Met dit schrikbeeld voor ogen, bezocht ik vanmiddag een gehoorwinkel. Ik had er, hoe kan het anders, van de week net een brochure van gehad. De gehoorspecialist deed een uitgebreide geluidstest. De meneer bezag de grafieken en adviseerde een afspraak te maken met een KNO-arts, hetgeen hij meteen regelde. Eventueel zag hij mij dan binnenkort terug voor een oor-versterkertje. Deze arts zou mogelijk ook een verklaring kunnen geven voor het getingel in mijn hoofd. Verheugd was ik niet over het nieuws, maar ik wist in ieder geval nu hoe de zaak ervoor stond.

Ik verliet de winkel en liet de straatgeluiden als confetti door mijn hoofd dwarrelen. Hoe kan iemand dat zeggen die op het punt staat stokdoof te worden? En toch voelde het zo. Ik liep onbekommerd de winkelstraat in. Veel winkels waren nutteloze vastgoedpanden geworden. Toen ontwaarde ik tussen de vele afgeplakte ramen eentje die op een uitdragerij leek. Tenminste zo te oordelen naar wat er in de etalage stond. Niet eens zo lang geleden huisveste dit pand een schoenenzaak. De stickers van Bata en Jan Jansen hingen nog aan de wand. Tussen alle frutsels viel mijn oog op een niet van echt te onderscheiden politiepak. En hoe het kwam, weet ik niet, maar gelijk kreeg ik een breingolf. Als ik dat pak nu eens ging kopen en er zo’n gluiperige nepagent mee zou confronteren. Want dat is de terreur van deze tijd. Vroeger moest je oppassen bij het geld-uit-de-muur pinnen. Daarvoor hadden die schurken allerlei trucjes bedacht waar je makkelijk intuinde. Tot iemand op de gedachte kwam oudjes en vooral oudjes waar mogelijk iets te halen valt en wier verstand niet meer je dát is, van hun zuur verdiende spaargeld en eventuele trouwringen te ontfutselen. Ik vind dit van een niet te beschrijven schofterigheid. En hoewel er op de televisie en in de kranten aanhoudend wordt gewaarschuwd nooit een op een agent lijkende persoon binnen te laten en zeker niets mee te geven, loont het kennelijk nog steeds die oudjes uit wringen. En jaah, wij gaan ook stilaan die kant op. Wij ogen ook niet meer jong en fruitig en daar selecteren die minne Robin Hoods op. Als er een auto in ons buurtje stopt, ben ik al waakzaam. Wij hebben op voorhand al een scenario bedacht indien er gebeld wordt. Ik zal de man aan de praat houden en tussen neus en lippen door STUITERBAL naar mijn vrouw roepen, die dan ogenblikkelijk 112 zal bellen. Een woord dat bij ons in onbruik is geraakt maar juist daardoor prima kan fungeren als alarmwoord. Voor de echte politie is het dan een fluitje van een cent. Maar nu, met het wijken van mijn gehoor en bovendien wil mijn vrouw mij nog weleens verkeerd verstaan als ik iets roep, bestaat de kans dat er plotseling een échte politie voor de deur staat en ik van de weeromstuit STUITERBAL roep. Op zijn uitleg dat hij toch de échte politie is, zal ik mij even moeten hervinden. ‘O ja, en waar staat je auto dan?’ Hij wijst. Die staat er inderdaad. Een hele échte! Foute boel dus. ‘Maar een geweldig goed idee’, zal de echte politie zeggen, ‘ik neem het mee naar de evaluatie’. Ik zal nu wel een ander codewoord moeten verzinnen, want niet alleen híj kent het, maar ook de lezer -u dus- van dit stukje.

Dat stond ik te overpeinzen, toen ik een winkelmedewerkster het pak uit de etalage zag plukken en aan een jongeman zag geven. Misschien was het bedoeld voor een verkleedfeestje. Het had even zo mooi geleken. Nu moest ik toch weer terugvallen op mijn spraakvermogen. Maar het ‘Scheer je weg, vlegel!’ doet denk ik minder dan een écht politiepak.

26.8.26 Een man Vanmiddag waren we in Delfzijl. Niet eens omdat het op onze weg lag, maar omdat de mogelijkheid zich voordeed. Dat heb je als je niet volgens een geplande route reist, dan gluren onverwachte horizonten je ineens tegemoet. Mijn vrouw wilde, nu we er toch waren, wel een theetje doen in het Eemshotel. Waren we onlangs nog geweest. Maar ook toen lieten we de city links liggen. Nu niet. Het was weekmarkt, prachtig weer en vele Delfzijlers en toeristen bezetten de terrasjes. Nu moet ik toch even iets kwijt, want ik ben tot op heden niet erg scheutig geweest met complimenten richting Delfzijl. Dat is een grote miskenning. Want de Delfzijlers hebben zich door de eeuwen heen zeer manmoedig verweerd tegen het Franse gepeupel en de Duitse nazies. Het probleem is dat Appingedam op onze route ligt en ons telkens weer naar binnen trekt. Maar nu waren we van de andere kant gekomen, Termunterzijl, en liepen door de Hoofdstraat en waren toch vooral verbaasd. Mijn vrouw shopte, hoewel ze nooit iets wil kopen en ik deed een ‘Jouw Winkel’ aan. Dat zijn panden waar iedereen een tafel of een stelling kan huren en spullen ter verkoop kan neerleggen. Een soort bric-à-brac of marktplaats, maar hier kun je tenminste zien wat je koopt.

We liepen terug, toen ik een man in het vizier kreeg. Hij was doende op ons af te komen, maar stond stil of bewoog heel langzaam, dat kon ik niet goed zien. Het was een lange man. Hij maakte gebruik van een rollator en hing erop alsof het ding een beetje te laag was uitgevallen. Naarmate we dichterbij kwamen, zag ik dat zijn blik gericht was op Rossi en zonder aanziens des persoons ging Rossi ook op hem af. Dat doet hij bij alles en iedereen, dat zei dus niets. Mijn vrouw wipte bij Zeeman naar binnen. Ik bleef staan bij de man en zei ‘Dag meneer’. Hij lispelde iets terug. Toen, amper verstaanbaar, zei hij: ‘Ik praat niet met mensen, alleen met honden’. Dat was een kolderieke binnenkomer, maar ik kan het hebben, want zoiets denk ik ook weleens, alleen spreek het niet uit. ’t Is een optie. Ik had nu boos weg kunnen lopen, omdat hij mij mogelijk voor hond uitmaakte, ’t is maar net hoe je het vertaalt. ‘Oh, en wat bepraat u dan met honden?’, zei ik. Hij glimlachte en begon nu traag en warrig te vertellen dat hij langdurig op Bali was geweest en dat die mensen communiceren met dieren en dat hij het daar had geleerd. Rossi was inmiddels de klinkers op soorteigen sporen aan het inspecteren. Het gesprek begon nu cryptisch te worden. Maar kennelijk was ik in zijn leefwereld een welkome verrassing waaraan hij iets kwijt kon of kenden de meeste Delfzijlers de hondenfluisteraar al langer dan vandaag en gingen ze hem liever uit de weg. Ik vond hem beklagenwaardig. Zo’n grote, bleke man in een kakibroek tot op de knieën, grauwe sokken tot halverwege de nogal stakerige kuiten, platte bruine schoenen en een gestreken overhemd. Mannen om me heen in ogenschouw nemende: weinig mis mee. ‘Mensen vinden me denk ik een debiel’, zei hij toen. Er klonk droefheid in zijn zachte stem. ‘Dat denk ik niet hoor’, zei ik, ‘U ziet er prima verzorgd uit –‘O dank u’– maar vertel eens, heeft u misschien een hersenstoornis of een ongeluk gehad?’ ‘Ja, dat heb ik. Dat is waar. Bent u misschien een psychiater? U hebt een goed inzicht, u luistert tenminste ….’, zei hij traag en met afnemende stemvolume. Hij vertelde nu, althans zo verstond ik het, dat dit nadat hij uit Bali was teruggekeerd was ontstaan (een val misschien?) en uit het niets dook plotseling Trump op in zijn woordenstroom. Zo erg is het al gesteld met dit giftig orakel. Ik zei nu dat ik dié man wél een debiel vind. ‘Ja, die is compleet kierewiet’, glimlachte hij. Zijn mond trok nog iets schever dan het al stond. ‘Maar ze plakken elke dag andere teksten onder zijn tronie. AI denk ik’, zei hij nu iets krachtiger. Langzaam vervaagde zijn stem wederom tot een prop. Mét kwam mijn vrouw uit de winkel en ik zei dat ik weer verder moest, op huis aan. ‘O jaja’, zei hij. ‘Maar ik vond het leuk met u gesproken te hebben’, zei ik. Ik weifelde of ik hem een hand moest geven, maar stel dat hij door onbalans zou komen te vallen. ‘Ik ook’, zei hij en voor het eerst keek hij mij recht aan. Kleurloze ogen, hondstrouw. Al die tijd had hij naar de verrichtingen van Rossi gekeken, maar die gaf geen sjoege en sprong op tegen het vrouwtje.

Thuis. Ik draai Ascenseur pour l’echafaud van Miles Davis. Voor 3 eurootjes bij JW gescoord. Muziek van de gelijknamige film, vertaald als Lift naar het schavot. Lange, uitwaaierende trompetgeluiden. Past aardig bij een winderig middagje Delfzijl. Rossi doet het niks, die ligt te maffen in z’n bakkie.

24.8.26 Ingesnoerd Vanmiddag kwam een medewerker van het thuiszorgbedrijf Vivisol langs. Het DC-kliniek had op aanraden van een allergoloog van het UMCG het bedrijf ingeseind en daarvan kreeg ik onlangs een summier schrijven. Wat de bedoeling van dat onderzoek was werd er niet in vermeld en omdat het tijdstip zeer ruim bemeten was (tussen 17.00 en 22.00 uur) verkeerde ik in lichte spanning. Wie weet met wat voor toeters en bellen dat onderzoek gepaard zou gaan. We aten daardoor al iets vroeger dan normaal. Maar de medewerker -een meneer met een witte kuif, zodat er al meteen een voorzichtige band ontstond- kwam op tijd: 17.30 uur. Hij pakte een etuitje uit en bracht twee klittenbanden bij mij aan: eentje ter hoogte van mijn broekriem en eentje ter hoogte van mijn borst. Aan de bovenste bevindt zich een kastje, waar de volgende slangetjes naartoe leiden. Vanaf de onderste band loopt er een blauwe naar het kastje. Ik weet niet welke functie dit slangetje heeft. Aan de top van mijn middelvinger bevindt zich een hartslag- dan wel bloeddrukmeter. Het slangetje hiervan -een witte- loopt via mijn arm, stevig op zijn plaats gehouden door gaas en plakband, de mouw van mijn T-shirt in door naar het kastje. In elk van mijn neusgaten bevindt zich een slangetje dat gelijkheid vertoond met dat van mensen die lijden aan ernstig zuurstofgebrek. Om ze op de plek te houden, plakte de meneer ze tape op mijn wangen vast, zodat het lijkt alsof ik een enorme snor heb. Mij ontbreekt uiteraard een zuurstoftankje, maar het doet diep in mijn onderbewustzijn het ergste vermoeden. Alsof ik mij hiermee al op mijn voorland begeef. De meneer leidde de twee slangetjes achter mijn oren zodat ze onder mijn kin bij elkaar kwamen en mij het gevoel geeft alsof het een onderdeel vormt van een zuidwester. Die dingetjes in mijn neusgaten voelen onwezenlijk aan. Het voelt alsof mijn bril tot onder mijn neus is gezakt. Al met al is het nogal veel gedoe om slaapapnoe bij mij vast te stellen. Want die onregelmatige uitbarstingen van angio-oedeem moeten toch ergens vandaan komen, is de mening van het DC-kliniek en de UMCG-allergoloog. Ik voor mij, maar wie ben ik in deze, denk dat het het gevolg is van de hevige allergische reacties veroorzaakt door de schimmelwerende stoffen op met name rozen uit Kenya. Tussen de tijd dat ik bij de bloemenveiling eindigde en de eerste angio-oedeem-uitbraak zitten weliswaar een aantal jaren, maar de kiem kan erdoor zijn gelegd. Een andere optie is dat mijn mestcellen worden gestimuleerd door een stof(je) in het voedsel. Dat wordt door het DC-kliniek hardnekkig van de hand gewezen. Enfin, ik zit er maar mee.

In dat kastje voor mijn borst worden alle slaapgegevens verzameld en het resultaat hiervan zal mij over een week of drie worden toegestuurd. Ben benieuwd. Op het exacte tijdstip begon het kastje te werken. Er verschenen oplichtende tekens en een fel controlelampje. Net wilde ik het van dichtbij bekijken of het licht viel al weer uit. Kennelijk gaat het mij niet aan. Wie weet hield Big Brother mij nu strikt in de gaten! Morgenvroeg mag ik de hele handel zelf verwijderen en wordt het later opgehaald. Maar eerst moet ik de nacht nog met die pakkelarie door zien te komen. Ik kan natuurlijk ook om de boel in de war te sturen gewoon op blijven en tegen de ochtend alles verwijderen en dan alsnog een paar uurtjes slapen. Nee, zo’n anarchist ben ik nou ook weer niet.

(vervolg) 25.8.26 Tegen de tijd dat ik naar bed ging, begon er in mijn vingermetertje een lampje te branden. Het had een mysterieuze kleur. Gewapend met dit kleinoot, betrad ik onze slaapkamer. Mijn vrouw was wakker en zag het geheimzinnige dwaallichtje naderen. Later zei ze dat ze moest denken aan ET. Die gedachte had ik zelf ook. ET home. Maar ik gleed al gauw in slaap en bij het opstaan bemerkte ik dat alles nog op z’n plek zat. Zelfs de bril onder mijn neus. Een al wat oudere meneer (vrijwilliger of een oud-arts die zich blijvend nuttig wil maken voor de kwakkelende medemens. If so: hulde!) kwam het kastje en de slangen ophalen. Nu maar afwachten of de onderzoeker geen lachkick krijgt van mijn gesnurk. Voor de rest zal het denk niet veel opleveren. En dan op naar het volgende onderzoekstraject.

21.8.26 PlaatKeus #38 Lezen en schrijven loopt bij mij als twee strengen om elkaar heen. Van guilty pleasures heb ik geen last. Waarom zou je ook? Datgeen waar je niet meer van houdt, vermijdt je simpelweg. Anders wordt het wanneer de schrijver of de muzikant zijn of haar afkomst verloochend. Jacques van Tol, die onder andere liedjes voor Louis Davids had geschreven, werkte als antisemitische propagandist voor de nazi’s. Na zijn straf uitgezeten te hebben, werkte hij onder verschillende namen voor onder andere de Snip & Snap-revue en Wim Sonneveld. Wist ik veel toen ik krom lag om dat zotte stuk ‘Het is niet mijn broer, maar toch is het … enz.’. In die tijd (half jaren zestig) trad er tijdens het Grand Gala du Disque ene Buffy Sainte-Marie op. Ze werd aangekondigd als een echte Indiaanse. Ik kende haar niet, maar Donovan had een hit met haar compositie Universal Soldier. Ze was met dat ravenzwarte haar een bijzondere verschijning. Niet veel later vierde de eveneens als Indiaans geafficheerde popgroep Redbone grote successen en weer later dook er ook een Indiaan op bij de discogroep Village People. Om het rijtje nog iets breder te trekken: Mink/Willy deVille, John Truddell en Robbie Roberson (componist/gitarist van The Band) hebben ook Indiaanse wortels. De Indianen kwamen in mijn leven door Arendsoog. Ik heb voor dit stukje de eerste twee titels van die beroemde jeugdserie herlezen. Dat viel niet mee. Want als jeugdige lezer was mij de bekeringsdrift van de schrijver niet opgevallen. Die Indianen waren in zijn ogen heidenen en dat moest voor onze tere zieltjes worden gewist. Dat wekte toch een beetje een guilty pleasure-gevoel op. Ik ontdekte wederom hoe stereotiep met name Witte Veder, de rechterhand van Arendsoog, werd neergezet. Als kind vond ik dat al raar. Op pagina 1 van deel 1 worden de Indianen geïntroduceerd als ‘roodhuiden’ en ‘schurftige honden’ en even verderop: ‘Ze zijn de grond niet waard waarop ze leven’. De schrijver van de Arendsoog-boeken, vader J. Nowee, later opgevolgd door zoon P., was niet voor niks onderwijzer en wel op een Haagse katholieke school. Geen wonder dat een pater Witte Veder om er helemaal bij te horen moet christianiseren. Hij laat hem kromzinnen spreken als: ‘In de hutten vele bleekgezichten zitten met schietgeweren’. Inferieur tegenover de superieure Arendsoog. Enfin, de toon was gezet. Dat zal anno 2025 terecht niet meer worden getolereerd. Op zondagsschool hadden wij geleerd dat wij kinderen waren van één Vader en voorop ons versjesboekje stond een kinderkring, waar zich naast een Chineesje, een Tirooltje en een zwart kindje ook een Indiaantje met een veer op haar hoofd bevond. Verder werd ons beeld van een Indiaan gevormd door Klukkluk, de nogal onhandige en bangelijk uitgevallen vriendje van Pipo de Clown. Maar Buffy Sainte-Marie was een echte Indiaanse en liet zich daarop ook voorstaan. Het cultureel centrum Harambe te Appelscha, waar ik enige tijd als vrijwilliger heb gewerkt, inviteerde eens een Indianen-echtpaar. Ze waren op tournee door ons land om met name te vertellen over het harde leven van de Natives in Noord-Amerika. Het waren tot mijn (en niet alleen mijn) verbazing hele gewone mensen. Licht gebronsd dat wel en modern gekleed. Mijn beeld werd die avond behoorlijk bijgesteld, want Buffy Sainte-Marie werd door hen afgedaan als onecht. Niettemin werd juist zij hun boegbeeld. De vraag drong zich daarna op wie échte en wie ónechte Indianen waren. Buffy Sainte-Marie was weliswaar opgevoed door een Indiaans echtpaar, maar zij was afgestaan door ouders van Italiaanse/Canadese afkomst. Deels zou je haar door de opvoeding Indiaans kunnen. Door DNA-onderzoek van haar broer kwam echter vast te staan dat zij geen grammetje Indiaans bloed bezat. Het gevolg was dat zij meerdere muziekonderscheidingen, ook van Indiaanse organisaties, moest inleveren. Zelf ontkende ze elke vorm van bedrog. Kijk, dat onze Ria Valk geen echte cojboj was, ja dat wisten we wel, maar Buffy Saint-Marie geen echte Indiaanse …?! Dat was wel even schrikken. Moesten we nu ook al die andere Indianen (Redbone etc.) wantrouwen? Leden zij mogelijk allemaal aan een vorm van het bedriegerssyndroom? Kennelijk hing dit gevaar al vroegtijdig in de lucht, want Jimmy Carl Black (what’s is a name), lid van Frank Zappa & The Mothers of Invention, kondigt zich op We’re only in it for the money uit 1967 aan als: ‘I’m the Indian of the group’. Dat was natuurlijk schertsend bedoeld, maar mogelijk voorzag hij al problemen. Ik had hoe dan ook te doen met Buffy Sainte-Marie. Ze heeft mooie, vooral eerlijke muziek gemaakt. En omdat ieder mens zo zijn zwakheden heeft, kies ik vandaag als KeuzePlaat en als pleister op de wonde voor Quiet Places van Buffy Sainte-Marie. Uitgebracht in 1973.

19.8.26 Cocoonen In een poging mijzelf een normatieve (zo noemt men dat tegenwoordig geloof ik) plek te geven of anders gezegd, ergens bij te horen, ben ik gaan googelen. Ik kwam uit bij de meest wonderlijke verenigingen: van een kabouterclub met woudheimwee tot vishengelreparatiewerkgroepen, om maar iets te noemen. Maar ik heb geen plek kunnen vinden waar ik mij helemaal thuis zou voelen. En toen bedacht ik: Waarom is er eigenlijk geen verbond van thuisblijvers? Van mensen die gewoon nergens bij willen horen. Ik bedoel geen zwervers die zich van iedereen distantiëren. Ze dienen in mijn optiek wel in het bezit te zijn van een huis. Dat hoeft geen paleis te zijn, een huis op wielen is ook een huis, bovendien blijven veel van die verplaatsbare huizen staan waar ze staan en zijn dus feitelijk vastgeroest. In vroege tijden trokken mensen als volksstammen rond tot iemand uitkijkend over een meertje omzoomd door loof- en naaldbomen en struweel voor zijn voeten en daartussen bloemen in de meest prachtige kleuren (denk even aan een schilderij van Bob Ross) de woorden ‘Ik blijf hier!’ sprak. ‘Jullie trekken maar verder, maar ik heb mijn plek gevonden. Ik bouw hier een huis en begin een bistro’. ‘Een wat?’ ‘Een bistro’. ‘Nee, dat eerste wat je zei, een huis? Wat is zulks?’ Hij zou het uitleggen en -lang verhaal kort- zo zijn onze nederzettingen ontstaan. Het woord zegt het al: nederzetting. Je zet je neder en laat het erbij. Alleen dat laatste wil de mensheid niet best lukken. Alles eenmaal op regel -de plantjes geplant, de groenten gekweekt, wilde dieren getemd- of we moeten er weer op uit. En dat geeft een hoop heisa, aankoop van reisspullen en weerspannigheid. Want wat het ene gezinslid wél wil, wil het andere per se niet. Kortom: gedoe. Dat is allemaal te vermijden door gewoon thuis te blijven. Natuurlijk, er zijn zaken waarvoor men het huis voor een korte periode moet verlaten. Het is niet anders. Een blindedarmoperatie kan men moeilijk thuis laten uitvoeren. Ook voedsel zal men voor een groot deel van elders moeten halen of laten bezorgen. Maar als dit allemaal geregeld is, kan het cocoonen beginnen. Ik zeg dit, maar weet drommels goed dat dit moeilijk gaat. Het vereist enorm veel geduld en doorzettingsvermogen. Er zijn weliswaar een paar clubjes die dit hardnekkig proberen, maar die komen toch niet echt van de grond. Vergaderingen worden gemeden, want niemand wil het huis uit. Men onderhoudt contact door middel van videotelefoon en mail. Soms waagt iemand zich toch buiten de zogeheten comfort zone en klopt in arren moede aan bij een van de leden. Dit leidt geheid tot gedonder, want het is schending van de regels. Er is hierdoor zelfs al een proefproces geweest omdat er sprake zou zijn van huisvredebreuk. De rechter wees het hoofdschuddend af. Die ene keer! Pas wanneer er sprake zou zijn van structuur, zou hij ingrijpen. Daar konden ze het mee doen.

Echt cocoonen, je van de hele wereld niets aantrekken, is een utopie. Mensen zijn geen mollen. Totale afzondering wordt gezien als ziekelijk, maar heel veel op een kluitje geeft vroeg of laat een hoop gedonder. Daarom zoek ik een gulden middenweg. De wilde verhalen van de globetrotter hoor ik minzaam aan en als hij is uitgesproken, zeg ik dat ik voor het eerst sinds maanden de deur uit ben. ‘ ’t Is dat het moet’, besluit ik zuchtend. Uren kan ik nagenieten van het verbijsterende effect. Dan ben ik allang weer thuis, heb de deur gesloten en lees de komende dagen aan stukken.

17.8.26 PlaatKeus #37 Ga spitten in iemands biografie en de kans bestaat dat de persoon een enorme deuk oploopt. Ik las voor de nieuwe PlaatKeus de tekst van het lied I hate the white man van Roy Harper. Het is een live opgenomen track van de elpee Flat Baroque and Berserik uit 1970. Roy Harper kwam op een nogal wonderlijke manier op mijn pad. Begin ’70 zong ik een tijdlang liedjes. Als een van de vele Guthrie/Dylan-epigonen frummelde ook ik liedjes in elkaar en had er op podia van met name jeugdcentrums enig succes mee. Dat bracht mijn muziekminnende vriend R. ertoe een aantal liedjes op te nemen. Hij bezat een stereo tapedeck van Philips. Het werd een aardige sessie. Kort daarna verhuisde hij naar Deventer en ik bezocht hem hier enige keren. Bij het genot van een & ander en in het bijzijn van een paar vrienden van hem, draaide hij toen zonder verder iets te zeggen die band. Het klonk best schier. Eén van zijn vrienden raadde op zeker moment of hetgeen hij hoorde toevallig Roy Harper was. ‘Nee’, zei mijn vriend met een grijns en wees naar mij. Ik was eventjes verlamd (gêne) en verbaasd (Roy Harper?). Mocht er worden gedacht dat ik iemand die ik niet eens kende immiteerde? Ik kocht en zeker ook uit nieuwsgierigheid, een plaat van Roy Harper. En warempel onze stemmen leken behoorlijk op elkaar. En op die plaat stond dus dat nummer; over die door hem zo gehate witte man. Een nogal cryptisch gedrocht, vond ik. Goed, de door hem betitelde schoft heeft zich door de eeuwen heen zeker zeer onheus gedragen. Hij koloniseerde de halve wereld, verlaagde hele volksstammen tot slaven en ruïneerde de aarde. Maar het woord haat wil bij mij slecht beklijven. Misschien bedoelde Roy met die witte man niet de gehele witte mannengemeenschap, alleen de slechteriken. Zoals dat in de taalwetenschap wordt aangeduid met pars pro toto. Want ik haat geen enkele witte man die ik persoonlijk ken. Ook geen mensen van een andere kleur trouwens. Wél haat ik meerdere dictators of alleenheersers, te veel zelfs, maar die ken ik enkel van de krant en het beeldscherm. Ik kocht nog een tweede plaat van Roy Harper en daar bleef het verder bij. Met mijn terugtrekking uit de muziek, sleepte ik hem ook een beetje mee. Niettemin werd hij steeds groter in zijn geboorteland Engeland. Mensen als David Gilmour (gitarist van Pink Floyd) of Kate Bush hesen hem op het schild. Verder werkte een keur aan landelijke artiesten zoals Paul McCartney aan zijn platen mee. Op zijn conto staan meer dan 30 platen/cd’s. Maar de vraag dringt zich bij me op of ik met terugwerkende kracht alsnog schuld moet erkennen over iets waarvan ik als witte man pertinent geen deel heb gehad? Wat zou er van Roy Harper zijn geworden als hij in plaats van witte man, gekleurde man of zwarte man had gezongen? Zou hij dan ook zijn uitgejouwd net als Sinéad O’Connor toen zij de RK-kerk voor het oog van miljoenen Amerikaanse televisiekijkers door middel van het verscheuren van een foto van de paus beschuldigde van discriminatie en verkrachting? Of dat bijvoorbeeld Aretha Franklin het had opgenomen. Met alle respect – want het is overduidelijk dat de binnendringers, de veroveraars, bijna altijd witte Europeaanse mannen waren en dat de veroverden veelal een iets andere kleur en een andere cultuur hadden. Het is moeilijk om je aan dat beeld te onttrekken. Dat vermeende superioriteitsgevoel is trouwens nog steeds aanwezig. En toch doet het pijn tot de groep (ras is een verwerpelijk woord) te behoren die zich al eeuwen heer en meester over de aarde waant en zich er naar misdraagt. Als je de biologische gegevens van Roy Harper doorleest weet je dat hij het goed met de wereld en de mensheid voorheeft. Dat deukje valt dus wel mee, maar die stem …! Daarom kies ik liever die latere plaat uit zijn oeuvre, omdat ik daarop een soort slijtage waarneem die vermoed ik niet het mijne zou worden. Als PlaatKeus vandaag: Bullinamingvase van Roy Harper. Uitgebracht in 1977.

15.8.26 Prachtige vondsten Er zal denk ik nooit onderzoek naar zijn gedaan, maar vermoedelijk zoekt een groot deel van de mensen het geluk buitenshuis. Daar is niets op tegen, want reizen, zwerven zit ons in het bloed. Weinig mensen kunnen dat weerstaan. Bij de één is dat heftiger dan bij de ander. Ik beweeg mij ergens in het midden van dat spectrum. Niet echt een reiziger, een nomade, maar af en toe wel even een rondje doen met Rossi, even eruit. Vanmorgen al op tijd. Naar De Bulten deze keer. Het regende. Sinds tijden zag ik iemand met een paraplu. Het gaf me een ongekend aangenaam gevoel. Alleen dat al! Op Eexterveen bezocht ik de twee tegenover elkaar liggende boekenkastjes. Ik heb altijd een voorraadje ruilboeken bij me. Dat eist de beleefdheid.

Bij de eerste vond ik Radetzkymars van Joseph Roth; een klassieker. Mensen die Turks Fruit van Jan Wolkers hebben gelezen -en wie heeft dat niet!- weten dat de vader van Olga onder de tonen van De Radetzkymars van Johan Strauss, zijn neuspullekes onder de stoel plakte. Zo kom je aan je klassiekers. Daarna twee Privé-domeinen, te weten Omzien in verwondering – deel 1 en 2, van Annie Romein-Verschoor. Je zou haar de Aletta Jacobs van de Nederlandse en dan met name de vrouwenliteratuur, kunnen noemen. Het was lange tijd immers niet gebruikelijk dat vrouwen zich met wetenschap -in dit geval sociologie en geschiedenis- bemoeiden. Daarbij schreef ze samen met haar man, Jan Romein, heel veel over de geschiedenis van de Lage Landen. Deze twee banden (nrs.17 uit de befaamde reeks) zullen wis en waarachtig door Privé-domeinverzamelaars worden gezocht. Verder trof ik De Kapellekensbaan van Louis Paul Boon. De schrijver die volgens velen de eerste Belgische schrijver was die in aanmerking moest komen voor de Nobelprijs voor Literatuur. Echter, Louis schreef ook onkuise (‘ondeugende’, zo men zei) boeken en dat strookte niet met het katholieke gedachtengoed en met de regels van het Nobelspel. Kortom: afgestreept van de lijst. Maar van al die door Wout Muller van prachtige tekeningen voorziene boeken, miste ik bovengenoemde. Ook daar (vanwege die omslagen) heb je verzamelaars van. En dat vind je dan toch zomaar in zo’n kastje. Voorts een veel eigentijdser boek, namelijk Ik ga leven van de in een Turks gezin opgroeiende Lale Gül. Er is veel te doen geweest over dit boek. Door landgenoten met de islamitische identiteit is ze meermaals met de dood bedreigd. En nog steeds is het nodig haar te bewaken. Een moedige dame. Onze Salman Rushdie. Ik had het boek meteen al willen lezen, maar de enige keer dat ik er in een winkel om vroeg, was het uitverkocht. Geen betere aankoopimpuls dan ophef. De ondersteuningspetitie voor haar werd meer dan 100.000 keer getekend.

Ik ruilde mijn handeltje voor evenzoveel exemplaren en begaf me naar de overkant van de straat. Daar was het echter schraalhans. Niets van mijn gading. De regen was gestopt. Wandelaars en fietsers begaven zich weer op weg. Bij de Breevenen lieten twee vrouwen een kano in het water glieren. Niets zou ze tegenhouden. Ik liep met Rossi over de Bulten en keerde voldaan huiswaarts.

14.8.26 Eenzamen We leven in een wereld die vergeven is van berichten. Nieuwsberichten, waarvan we mogen aannemen dat ze waar zijn en berichten die we zonder twijfel naar het rijk der fabelen kunnen verwijzen. Daartussen ligt een groot schemergebied. Dat maakt het leven onzeker en dat voel je om je heen. In bijna elk gesprek komt dat te pas. Welke krant of boeken lees je, van welk medium komt jouw nieuws, met wie ga je om? Ik las in de NRC een artikel waarin het getal van een miljoen sterfgevallen door eenzaamheid voorkwam. Ja, de NRC, dan heb je al een kleur. Maar misschien stond het onlangs ook wel in De Telegraaf. Dan heb je weer een andere kleur. Of op een site als Facebook of X. Maar ik hou dat getal maar even aan en laat mijn gedachten erop los. Een miljoen dus. Grootste oorzaak is dat we niet meer met elkaar praten. Het van mond-op-mond overbrengen van berichten verdwijnt in rap tempo. Nog zelden babbel je in een winkel of op straat een tijdje weg. Áls zich die mogelijkheid al voordoet. Want een groot deel van de mensen die ik in de stad (vorige week nog in Assen) tegenkom, heeft oortjes in, een koptelefoon op of praat tegen iemand aan de andere kant van zijn mobieltje. Van die miljoen eenzaam gestorvenen, stierven er ook enkele duizenden in Nederland. De Volkskrant besteedt er in de rubriek De Eenzame Uitvaart regelmatig aandacht aan. Het zijn meestal trieste gevallen. De woning waar de eenzaam gestorvene zijn/haar laatste adem uitblies is vaak verwaarloosd. Omgang met de buurt was er allang niet meer. Bij navraag door mensen van De Eenzame Uitvaart blijkt dat er van familiezijde geen of hoogstens zeer lauwe omgang sprake was. Het zullen ook niet de gemakkelijksten zijn die op deze manier uit de tijd komen. Dat lees je eraan af. Maar triest blijft het.

Het met een mobieltje met elkaar praten -vooral in zakelijke sfeer- is natuurlijk geweldig en bespaart ons enorm veel tijd, maar dan ís er nog sprake van een zekere lijfelijke communicatie. Anders wordt het met appen. Nog afgebetener dan mailtjes. Over geschreven berichten zal ik het maar niet hebben. Vaak is niet te achterhalen wie de boodschapper is van een onguur bericht. Vroeger kon de politie de opsteller en verstuurder van een dreigbrief nog weleens achterhalen. Elk bureau had zijn eigen Sherlock Holmes. De man -meestal een man- had woorden uit een krant (meteen bekend welke) geknipt en die tot een springerige mozaïek gefröbeld. Dat is met internet en een codenaam heel lastig na te gaan. De weinige keren dat ik een gesnapte internet-oplichter of pestkop over zijn wandaad hoorde (of las), bleek het een tamelijk normaal iemand te zijn. Iemand die ik ook in de winkel of op straat tegenkom en die ik groet en waarmee ik misschien wel een praatje maak. Misschien zouden we weer gewoon moeten leren praten. Met elkaar en zonder mobieltje. Zonder datacentrum, die onze gesprekken opneemt en ze voor opleidingsdoelen zegt te gebruiken. En zonder dat fragmenten uit onze appjes als materiaal worden misbruikt door Kunstmatige Intelligentie. Of moeten we het doen met dat voorbeeldje uit het Grote Woordenboek: ”t Is uitvaart, zei de kastelein, ’t is gedaan’. Ook hij weet het. Het telefoontje heeft de noodzaak tot het communiceren in een gelagkamer met een kop koffie en een stuk appelgebak de das om gedaan. Simon Carmiggelt zou van eenzaamheid zijn gestorven. Maar niet languit voor het dressoir zijn gevonden. Daarvoor had hij een te grote schare familieleden en vrienden. Je zou het iedereen toewensen.

13.8.26 Zonsverduistering (slot) Het voelt een beetje als the day after. De hele middag heerste er een soort spanning alsof het Nederlands elftal een herkansing kreeg en alsnog wereldkampioen kon worden. Op de radio heerste gezonde opwinding, het Journaal zou zelfs langer duren dan normaal en in Spanje stond een verslaggeefster haar uiterste best te doen er iets groots van te maken. ‘Normaal wonen hier maar zo’n 500 mensen, nu zouden er weleens een paar duizend kunnen komen. Het enige hotel was al een jaar uitverkocht …’. Enfin, dat soort komkommergezwatel. De heuvel waar al die mensen heentrokken lag net iets hoger dan de rest van de omgeving. Ik kreeg een sterke associatie met kathedralen. Die dingen moesten zo hoog mogelijk pieken om de gelovigen het idee te geven dat ze daardoor dichterbij de hemelse vader waren. In vroege tijden dachten ze ook dat die vader met de zonsverduistering te maken had. Nou, mooi niet.

Omdat het voor mij mijn laatste zonsverduistering was, tenzij ik als een gek er de halve wereld voor wil rondreizen, heb ik extra opgelet. Je zult de tijdelijke ondergang eventjes missen …! Ik had mijn stoel precies in de baan van de zon op het gazon gezet en hield de hemelse verrichtingen nauwkeurig in het oog. Mijn brilletje uit 1999 -oud modelletje en wie weet niet eens veilig naar de huidige maatstaven- had ik niet meer kunnen vinden. Geen nood. Omdat een cd ten strengste werd afgeraden, probeerde ik een elpee. Net iets te donker. Ondertussen was mijn vrouw doende met een vergiet en een vel papier. Het liep tegen achten en langzaam werd het duisterig. Geen schemer, een soort lichtdemping die ik niet kende. Alles zweeg, zelfs het verkeer. Sinister. Het gaf me het gevoel alsof de jaarovergang in aantocht was. Rossi was zich ook bewust dat er iets nakende was. Hij liep onwennig heen en weer. Baasje verscholen achter de conifeer en vrouwtje met een vergiet aan het rommelen: dat kon toch niet goed zijn.

Toen het hoogtepunt was geweest, ben ik daarom een eindje met hem gaan lopen. De zon zakte vlotjes richting de horizon en was al weer op volle sterkte. We liepen terug. Mijn schaduw volgde me als een tientallen meters lange marionet over het verdroogde grasland. Thuis keek ik nog even naar de nabeschouwing. Reportages over de dijk bij Noordpolderzijl en al die andere plekken waar de oploop zei het beste zicht te hebben.

En nu hoor ik er niemand meer over. De zo gewilde brilletjes kunnen in de kast of bij het vuil, want eer men ze weer nodig heeft zijn we jaren verder. Over iets van 55 jaar. Dat maak ik niet meer mee, hoorde ik tientallen keren. Alsof het een oude-mensen-feestje was. Geen enkele jongere hoorde ik zeggen dat-ie het brilletje bewaart voor de volgende keer. Nu blijft alleen nog de vraag: waar was u tijdens de laatste zonsverduistering?

11.8.26 Zonsverduistering Ik koop nooit iets via een internetwinkel, maar kennelijk is het bij een van die concerns bekend dat ik wel geïnteresseerd ben in het universum, want vorige week kreeg ik een mailtje met een foto van een eclips-brilletje waar je de zonsverduistering goed door kunt zien. Schreven ze. Ik wist amper dat die zonsverduistering er aan zat te komen. De laatste keer dat dat gebeurde was in 1999. Zwartkijkers zagen met de millennium in aantocht, hierin de opmaat voor de ondergang van de wereld. De overgang van de vorige millennium (van 999 op 1000) had zei men ook narigheid gegeven en toen hadden ze nog niet eens computers, kun je nagaan. Ik herinner me die middag dat kort voor het zonlicht door de maan werd gedimd, er een sinistere stilte over het land trok. De dieren, vogels in het bijzonder, hielden angstvallig hun snavel. Koeien en paarden legden zich bij de pakken neer en onze kippen gingen ontredderd op stok. We zagen het gordijn met een snelheid van zo’n 1700 kilometer per uur over het kleine stukje van voor ons zichtbare aarde scheren en even voelde iedereen zich een kabouter. Tegen deze krachten konden wij niet op. Dat was een totale zonsverduistering, maar wat er nu op ons afkomt is een gedeeltelijke. Een dingetje van niks, maar met zo’n brilletje, oreert de koopsite, wordt het een spektakel van jewelste. Alsof de mensheid al niet genoeg vermaak en vertier te behappen heeft, wordt die halve zonsverduistering verkocht alsof het een product is van ruimtefreak Elon Musk. In elk nieuwsblok wordt de kijker bijgepraat. Nederlanders die niet bereid zijn af te reizen naar Spanje, omdat-ie daar he-le-maal verduisterd, kunnen bijvoorbeeld ook naar Noordpolderzijl. Zondag stonden daar al de eerste campers te wachten op het moment-supreme. Een meneer vertelde vanaf zijn tijdelijke voortuintje, dat morgen de hele parkeerplaats mudvol zal staan en dat er al tot ver op de dijk bordjes staan met ‘gereserveerd’. Half-Nederland zal er weleens op af kunnen komen. Het is echter maar de vraag of de verduistering wel op het aangegeven moment plaats gaat vinden, want door de oorlogen en met name door de zware bommen, schijnt de aarde ten opzichte van de maan iets te zijn gekanteld. Het probleem zit ‘m in de onverdeling van al bominslagen. Dat moet, wil de berekening van die verduisteringen overeen komen met de cijfers, gelijkmatiger. Het zou dan ook verstandig zijn de bombardementen die nu plaatsvinden in het Midden-Oosten, Rusland, Iran, Oekraïne en in de kop van Afrika ogenblikkelijk te stoppen óf indien men hier toch mee door wil gaan, contra-bombardementen te veroorzaken om verdere ontwrichting tussen de aarde en de maan af te remmen. Uitgaande van het enigszins centraal gelegen Qatar, zou dat dan moeten plaatsvinden bij de Pitcairn Eilanden. Alleen de Pitcairn-Eilanden vallen onder Engeland en voor je London op één lijn hebt met Adamstown (hoofdstad van Pitcairn – 50 inwoners) ben je jaren verder. En dan staat de volgende zonsverduistering al weer voor de deur en loopt Noordpolderzijl opnieuw vol. Want de mens is onvermoeibaar als iets hem/haar gratis wordt aangereikt. Al met al ben ik nog niet zo zeker van de juiste tijd van die halve zonsverduistering. Enfin, overmorgen maar horen wat al die mensen er van hebben gevonden. En wat betreft dat brilletje: ik heb die ouwe van ’99 nog ergens liggen.

9.8.26 PlaatKeus #36 Benefiet … Kende ik dat woord al voordat het werd gebruikt om het doel van The Concert for Bangladesh mee aan te geven? Ik denk het niet. Oost-Pakistan was in oorlog met Bangladesh. Zoiets gaat meestal over landjepik. Er was een grote vluchtelingenstroom, bijgevolg enorme hongersnood, plus een cycloon en overstromingen. Een volk in nood is van alle tijden. Lees de kranten en bekijk de nieuwsprogramma’s – er is niets veranderd. De beroemde Indische sitarspeler Ravi Shankar wees George Harrison (ex-Beatle) op het drama dat zich afspeelde in de Bengaalse regio. Maar wat kun je ondernemen tegen kwade machten? Muziek is geen wapen, alleen geld en ego zijn dat. Met het eerste zouden ze in ieder geval levens kunnen redden. En zo ontstond het idee voor een concert. Harrison vond een aantal muziekvrienden bereid om een programma samen te stellen. Op 1 augustus 1971 werden twee concerten georganiseerd in New York. De entreegelden zouden tegoed komen aan het wereldhulpfonds Unicef. De twee concerten waren stijf uitverkocht en de 3-dubbelelpee met de opnamen van de concerten verkocht wereldwijd heel goed. Ook de film van het concert werd een hit. Nog afgezien van het feit dat het goeie muziek opleverde, zette het ook Bangladesh op de kaart. Bijgevolg: benefietconcerten werden een hype. In 1985 bedacht Boomtown Rats-zanger Bob Geldof Live Aid. Groter van opzet, in Londen en in Philadelphia, met een veel grotere keur aan artiesten en nu de honger in met name Ethiopië als speerpunt. Het werd wereldwijd uitgezonden en bracht miljoenen in het laadje. Maar net als bij de afhandeling van Bangladesh, verliep ook Live Aid niet van een leien dakje. Frauduleuze regeringen, egocentrische dictators en regelrechte zakenschurken probeerden zich meester te maken van de gelden en/of de goederen die voor armlastige volkeren werden ingekocht. In het begeleidende boek van de Bangladesh-uitgave, staat vermeldt dat de twee concerten 243.418,50 dollar aan entreegelden hebben opgeleverd. Dat is veel geld. In 1990 maakte George Harrison bekend dat het hele Bangladesh-project (entree, elpees, film, cd’s, dvd’s) zo’n 50 miljoen dollar had opgeleverd. De Live Aid-concerten zouden zoals Bob Geldof onlangs zei, omgerekend naar de huidige geldwaarde, mogelijk 500 miljoen dollar hebben opgeleverd. Dat is echt heel veel geld. Met heel veel moeite wist Geldof gedaan te krijgen dat de rijke landen de schuldenlasten van een aantal Afrikaanse landen kwijt scholden. Dat leverde miljarden op. En toch schuurt het. Bob Dylan -één van de artiesten die bij de Bangladesh-concerten en bij het Live Aid-concert optrad- zong amper acht jaar later in De Kuip met een 10-mansband voor ‘naar het gerucht ging’ zeven ton. Popmiljonairs, zelfs popmiljardairs, die tranen plengen bij het zien van beelden van uitgehongerde kinderen, maken me altijd een beetje kribbig. George Harrison (postuum) en Bob Geldof verdienen natuurlijk de hoogst denkbare lof. Maar al die lieden, die er staan voor hun ego …, ik weet het niet. George Harrison richtte zijn eigen fonds op, dat direct is verbonden met Unicef. Dat fonds bestaat nog steeds en richt zich met name op hulp aan kinderen in landen als Angola, Brazilië, Haïti en India. In de onlangs uitgezonden documentaire ‘Live Aid – 40 jaar later’ vertelt Bob Geldof over de woede en de frustraties die zijn actie bij hem teweeg brachten. Hij is geen man die het geld over de balk gooit en dat was aan hem af te zien. Maar zijn steenrijke collega’s? Zeker, er zijn gulle gevers bij. Bruce Springsteen, Dolly Parton, Bono, Sting, Elton John, Peter Gabriel en mogelijk nog een paar goede-doelenondersteuners. Maar voor dat ene jurkje van Madonna of de zoveelste Rolex van Eric Clapton kan een heel dorp in Afrika een jaarlang eten. Tja … Van Bob Geldof bezit ik geen platen, van George Harrison wel. Als PlaatKeuze kies ik: Somewhere in England, met dat veelzeggende lied Save the world. Zou als motto voor een wereldwijde hulpactie niet misstaan. Uitgebracht in 1981.

7.8.26 Abuis Er naderde heel langzaam een auto met een caravan, vierde uit en bleef voor het rechtergedeelte van onze heg staan. Ik was doende het linkerdeel van de heg te knippen en een paar meter achteruitgelopen tot aan de straatrand om het vanaf die afstand te beschouwen. Het zag er goed genoeg uit, vond ik. Daarna keek ik naar de auto – kennelijk was of waren zij aan het zoeken. De auto reed langzaam op en bleef naast mij staan. Een vrouw van ongeveer mijn leeftijd (?) met een stevig gemontuurde zonnebril, bewoog haar hoofd uit het geopende raam en zei ‘Dag meneer’. ‘Dag mevrouw’, zei ik terug. ‘Weet u misschien waar De Veenweide is? Het is een camping. Het staat niet op de kaart van Drenthe en onze routeplanner is kapot en ons telefoontje leeg en nu zijn we op zoek, mijn man en ik’. De man zei nu ‘Hoi’. ‘De Veenweide, nooit van gehoord. Moet dat hier wel zijn dan?’, zei ik. ‘Ja, De Veenweide’, zei ze andermaal. Ik kende hier geen straat met die naam, laat staan een camping. ‘Nou, dan weet ik het ook niet meer’, zei ze met een zucht en bedankte me kort en ze reden verder. Ik dacht er over na terwijl ik mijn knipwerk afmaakte en de boel opruimde. Toen realiseerde ik mij dat het nieuw te verrijzen woonwijkje, dat wil zeggen, hetgeen gepland staat, iets van Veenweide gaat heten. Maar daar is nog geen schop in de grond gezet. Hoe kwamen die mensen erbij dat hier te zoeken? Ik raadpleegde mijn zoekmachine en kwam al snel tot de bevinding dat er in de buurt van Zwartemeer, nabij het Bargerveen een camping met de naam Veenweide is. Had ik het maar geweten. Nu tuften zij misschien nog ergens in de provincie rond. Over enige jaren ligt hier een straatje met de naam Veenweide. Áls alles volgens plan verloopt, ligt hier over enige jaren een straatje met die naam. Misschien liepen die mensen alvast op de zaken vooruit, hadden ze iets gelezen en hadden de naam van ons dorp verward met Bargerveen of mogelijk Weiteveen en waren er zonder verder na te denken op af gegaan.

4.8.26 Keukenlatijn & Kamervragen. (OverlijdensAdvertentieBovenschriften no.20)

Twee onderwerpen die me ineens bezig hielden, afgezien van al de wereldse ellende: de wederopstanding van de Odyssee, naar de verhalen van Homerus én het wissen van het woord Arbeid uit PRO, de fusiepartij van GroenLinks en de Partij van de Arbeid. Die laatste partij werd steeds spaarzamer voluit genoemd. Alsof men zich een beetje schaamde voor dat woord Arbeid. PvaUh. Alsof dat woord Arbeid er niet echt meer toe deed. Als ik in de Kamer zou zitten, zou ik er vragen over stellen. Wat is er mis met het woord Arbeid, voorzitter? We schrappen de D toch ook niet uit de VVD en uit FvD? Hoewel daar in die twee partijen misschien niet eens zoveel meer van over is. Het woord Arbeid behoort tot Neerlands immaterieel erfgoed! Of adelt Arbeid soms niet meer? Was PROA geen beter idee geweest: pro-arbeid?

Omdat er boven overlijdensadvertenties (OA’s) nogal eens strofen of gezegden in het Latijn (heel soms in het Grieks, maar dat kan ik niet lezen) staan, wil ik er enkelen nader belichten. De meest bekende is Luctor et Emergo. Dat vertaalden wij altijd als: ‘Ik worstel en kom boven‘. Maar oorspronkelijk werd het vertaald als: ‘Ik worstel en ontzwem’. Ontzwem? Ja, van ontzwemmen. Dat is ‘door te zwemmen ontkomen’. Het is het devies in het Zeeuwse wapen. Boven iemands dood vind ik dat op z’n zachtst gezegd aanvechtbaar. Het aardige van die oude talen is dat zij met heel weinig woorden, heel veel weten te zeggen. Neem de volgende: Laudate Omnes Gentes. Slechts drie woorden, maar de vertaling luidt: ‘Om te vieren wat er was in plaats van hardnekkig te turen naar wat er niet meer is‘. Of neem deze: Ubi bene, ibi patria. Vertaald als: ‘Waar het mij wél gaat, daar is het mijn vaderland‘. Het is een spreuk van Cicero (1 eeuw voor Chr.). Tempus fugit is weer een andere bekende gezegde. Het betekent ‘De tijd snelt voorbij’ of ook wel ‘De tijd vliedt heen’. Het werd vaak gebruikt als opschrift op klokken en zonnewijzers.

Veel oude spreuken of strofen die ik tegenkom, dateren van vóór het begin van het christendom. Homerus (8ste eeuw voor Chr.) is er eentje van. Algemeen wordt aangenomen dat hij de schrijver/dichter is van de werken de Illias en de Odyssee. In enkele OAB’s kwam ik regels van hem tegen, te weten: Muze, zing van de vindingrijke man, die lang over de wereld zwierf en Veel geluk, majesteit, tot aan de ouderdom en de dood, die alle mensen nu eenmaal staan te wachten. Ik denk dat deze wijsheden de T-shirts vanwege het enorme succes van de film Odyssey, niet zullen halen. Daarvoor moet je toch bij de wat kortere en krachtigere zijn. Het zijn doorgaans ook geen gewone mensen die dat soort Latijnse woorden of spreuken boven hun overlijdensadvertentie laten zetten. Op T-shirts ziet men zelden een strofe van Plato, Homerus of Epicurus. Het verraste mij dan ook dat ik onlangs een stratenmaker bezig zag met in koeienletters DEUS ex MACHINA op zijn rug getatoeëerd. Misschien was het een wensgedachte, want zijn beroep is zwaar en niets zou hem beter passen dan dat een onbekende kracht of gelukje hem van bepaalde karweitjes af zou helpen. Want dat is een beetje de betekenis van die woorden: Geholpen worden door iets onverklaarbaars. Maar zíjn DEUS ex MACHINA bleek bij naspeuring ‘waarschijnlijk’ een punkband te zijn. Uit Griekenland – dat dan weer wel! Van Homerus werd gezegd dat hij blind was en dat de Illias en de Odyssee door meerdere personen over een langere periode zouden zijn geschreven. Een voorloper van de bijbel, zou je kunnen zeggen. Dat neemt niet weg dat de verhalen al ruim twee duizend jaren hebben overleefd. Onder andere James Joyce heeft er zijn Ulysses naar gemodelleerd.

Een Amsterdamse kunstgenootschap, dat werd opgericht in 1669, noemde zich heel geleerd: Nil Volentibus Arduum. Het is gevormd naar een spreuk van Horatius (65 voor Chr.) en betekent: ‘Voor hen die ernstig willen, is niets te moeilijk’. In het boven een advertentie plaatsen van een Latijnse -en dat geldt in zekere zin ook voor anderstalige strofen of spreuken- steekt iets intellectueels. Boven de OA van een bouwvakker of een landarbeider zal men zelden iets als Per aspera ad astra (Door strijd tot overwinning) aantreffen en toch is hij/zij voor het reilen en zijlen van ons land niet minder belangrijk dan bijvoorbeeld prof. em. dr. René P. H. Veth, die boven zijn overlijdensadvertentie Laboro et fruor (Ik werk en geniet) had laten beitelen. Dat woord labor, ook wel labeur, betekent werken of arbeiden. Ora et labora (Bidden en werken) heette het vroeger. Als OAB kom ik dat nog weleens tegen. Het stond vroeger, toen Nederland nog poepjesvroom was, op menig wandbord, dat bij voorkeur boven de kamerdeur hing, zodat de bewoners en eventuele bezoekers er steeds mee werden geconfronteerd. Ze moesten er letterlijk onderdoor. De vroege socialistische partij voerde het woord Arbeid met trots in het vaandel. Maar gaandeweg werd het woord gemeden. Het kreeg een negatieve klank. Arbeiders werden werknemers. De borden ‘Arbeidsbureau’ verdwenen en werden bijvoorbeeld ‘Job Centres’, personeelschefs werden belast met ‘Human Resource’. Nog even en het populaire bedrijfsradioprogramma ‘Arbeidsvitaminen’ wordt teruggebracht tot ‘Vitaminen’ of ‘Vita+’. Bij dit alles moet men niet vergeten dat OAB’s met Latijnse openingen, evengoed grappig bedoeld kunnen zijn. Neem de volgende van Horatius: Dulce est desipere in loco. Hetgeen betekent: Het is prettig nu en dan uitgelaten te zijn. Tijd voor dwaasheid dus.

Tot slot een paar meerdere keren aangetroffen OAB’s. Ars longa, vita brevis (van Hippocratis) – De kunst kan lang overleven, maar de kunstenaar niet. Ne quid nimis (van Tepentius, 190 voor Chr.) – Niets te veel, alles met mate. En als laatste deze keer: Ipse dixit (van Pythagoras, u weet wel, die van die stellingen) – Hij heeft het zelf gezegd. Boven een overlijdensadvertentie lijkt me dat een waarheid waar je niet omheen kunt. Zo zie je maar dat taal onsterfelijk is en dan te bedenken dat sommige talen ‘Dode Talen’ worden genoemd! Hoe dan ook; voor vandaag heb ik mijn schrijfarbeid weer met vreugde verricht.

2.8.26 PlaatKeus #35 Soms gaat de tijd een beetje met me op de loop. Zo dacht ik toch zeker te weten dat de hele kluit geswingd had op muziek van onder andere Bad Company. Die populaire Britse bluesrockgroep, met zang van de geweldige Paul Rogers. Maar afgaande op de datum kan dat niet het geval zijn geweest, omdat Bad Company toen nog geen plaat uit had. Het was het weekend 24 t/m 26 mei 1974. We waren die dagen op Schiermonnikoog. Het leek de vrijwilligersgroep van het jongerencentrum namelijk aardig om eens buitenshuis te brainstormen over het programma van het komend jaar. Ik was slechts bezoeker van het centrum, maar had verkering met een meisje (laat ik haar B. noemen) dat er vrijwilligte en dientengevolge mocht ik mee. We togen met onze spullen naar de boerderij die de jeugdleider had afgehuurd. Het was bepaald geen 3-sterrenhotel, we sliepen op de koestal en konden onze slaapzakken kwijt op luchtbedden. Lekker primitief. Er was een ruime keuken en een deel met twee half gevulde hooivakken. Als strenge regels golden dat we absoluut niet op de deel mochten roken ivm brandgevaar en dat de boerderij na afloop schoon moest worden achtergelaten. Een verloofd stel, tevens vrijwilligers van het centrum, zou voor het eten zorgen. De jeugdleider achtte zes kratjes bier voor ons -ongeveer 15 personen- ruim voldoende om het weekend mee door te komen. Dat hij zijn pappenheimers echter niet goed kende, zou spoedig blijken. Tegen middernacht stonden we al droog. Onze verkering werd ondertussen danig op de proef gesteld. Het zou onze eerste gezamenlijke nacht worden en dat moest worden bestendigd, vond zij, en deze vurige hartenwens hield ze niet voor zich. Mijn lust daalde geleidelijkaan tot nul. Tegen middernacht was zij zo doorrookt en beschonken, dat ik mij met groeiende walging van haar afzonderde. De volgende morgen vond ik een lege slaapzak naast me. Ik hoorde dat zij de nacht -straallam- had doorgebracht in het hooivak. ’s Middags werden er twee fietsen gehuurd, waar vier kratten bier mee konden worden vervoerd. Dat werd een zich herhalend karweitje. Met de winkelier was afgesproken dat hij de lege kratjes voor het statiegeld aan het eind van zondagmiddag op zou halen. Die avond werd er onguur gezopen. Het idee leefde zelfs om gezamenlijk het hooi in te duiken. Onze verkering was toen al uit, al zeiden we dat nog niet hardop. Ik maakte een wandeling door het dorp en over het strand en trof B. alweer aan het bier met de meeste anderen. De nacht die volgde moet woest en ranzig zijn geweest. Ik was redelijk vroeg in de kleren en hoorde het stel in de keuken ruziën. Wat bleek: de man was ’s nachts zonder haar medeweten op het geraus in het hooi afgegaan en er eveneens in beland. Het werd een katerige ochtend. B. verscheen tegen de middag in een staat die ik niet van haar kende. Wederom maakte ik een wandeling en toen ik halverwege de middag terugkeerde, was de hele kluit druk doende de laatste krat bier te legen. Zelfs de jeugdleider deed nu ijverig mee. We hebben de boel nog aardig schoon achtergelaten, het hooi van de nodige bierdoppen ontdaan en alle peuken opgeruimd. Onderweg in de bus naar huis zeiden B. en ik elkaar voorgoed vaarwel. Van een vriendin van haar hoorde ik jaren later dat zij zich had aangesloten bij het Leger des Heils. ‘Je kent haar niet meer terug’, zei ze. Wat betreft Bad Company; ik kocht wél die eerste elpee en ook de drie volgende. Maar dat was dus iets later in de tijd. Het is recht-toe-recht-aan bluesy rockmuziek. Niet eens ‘slecht gezelschap’. Goed genoeg om een middagje mee door te komen. Vandaar, als PlaatKeus: Bad Company, van de band met dezelfde naam. Uitgebracht in september 1974. Ps. Ik ben nooit meer in dat jongerencentrum geweest en weet dus ook niet hoe hun programma voor 1974/75 er heeft uitgezien.

29.7.26 PlaatKeus #34 Ik liep er tegenaan, eerlijk! Toeval zou je het kunnen noemen. Ik had Don McLean’s American Pie als plaatkeus klaarliggen, deels vanwege het liedje Vincent en had daartoe de tekst even doorgelezen. Niet echt dat ik dacht: zozo. Een beetje soft allemaal. Don neemt het vooral op voor de gezondheidstoestand (insanity) van de gekwelde schilder. Hij doet dat men veel empathie, maar er hangt ook een schijn van medelijden overheen. Dat bevalt me minder. Het blijft niettemin een prachtig liedje en zo staan er op zijn elpees meerdere. Maar toen las ik dat Vincent van Gogh, waarover Don dit liedje schreef, vandaag op de kop af 136 jaar geleden stierf. Des middags om 13uur30 uur en dat was ook de tijd toen ik hier mee bezig was. Er over gelezen in een krant heb ik niet. Don McLean schijnt ontdekt te zijn door Pete Seeger. Hij zou als folkie op een boot op de Hudson-River zijn kost hebben verdiend en hij deed dat zo goed dat Pete Seeger hem hielp te worden wat hij werd. Samen deden ze ook optredens op de Clearwaterboot. Ze zongen vooral over de lozingen en dus de vervuiling van deze rivier door de aanpalende fabrieken. Dus ik draaide die elpee + de anderen van Don McLean. In mijn tienerjaren volgde ik enige jaren de cursus ‘Tekenen & Schilderen’ van de Famous Artist Schools. In één van de cursusboeken stond het schilderij Sterrrennacht van Van Gogh. Hij heeft het geschilderd toen hij verbleef in het gesticht te Saint-Rémy-de -Provence in Zuid-Frankrijk. Hij leed zoals hij zelf zei aan aanvallen van gekte en epilepsie. In latere jaren spraken doktoren van schizofrenie en weer later over een bipolaire stoornis. Het werk van Van Gogh sprak mij al spoedig aan. Niet de donkere doeken uit zijn Brabantse of Drentse tijd, maar de lichte uit zijn Franse. Op de markt te Assen -toen nog op het Koopmansplein- kocht ik eens een biografie Van Gogh. Op 2 januari 1993 kocht ik in de winkel van het Kröller-Müller- museum te Otterloo, na de aldaar aanwezige schilderijen en tekeningen van hem te hebben bewonderd, de brieven. Ook die spitte ik door. De laatste keer dat ik werk van hem zag was in het Brabants-Museum te ’s Hertogenbos. Er hingen een achttal bij elkaar en het was er druk. Voorlangs de schilderijen bevond zich een draadje, waar de vangoghgeile bezoekers achter dienden te blijven. Op zeker moment boog ik mij echter iets te ver naar voren -ik zie nu eenmaal graag de penseelstreken op het doek- en prompt weerklonk er een schriele toon door de zaal. Niet alleen ik schrok … Meteen kwam er een bewaker op me af. ‘Wilt u wel achter het koord blijven, meneer’, zei de man strak. Ik week van het doek vandaan en vond mij terug voor een langwerpig paneeltje van Hendrik Averkamp met schaatsers en een Hollandse winterlucht. Natuurlijk duizend keer knapper geschilderd dan die donkere vrouwenkop van Van Gogh. Kort erop ging het alarm opnieuw af. De bewaker had het er maar druk mee. Nu betrof het een oudere mevrouw, die meteen begon op te spelen dat ze he-le-maal niets van plan was. Jaja … Er werd besmuikt gelachen. Ook door mij. Die jeugdige recalcitrantie gaat nooit meer weg. Don McLean maakte een handvol prachtige platen. Hij toont zich nergens een felle milieu-strijder, eerder een zachtaardige, ietwat weemoedige mensen- en natuurliefhebber. Liedjes als Winter has me in its grip, Homeless Brother, Castles in the Air en ook The Pride Parade zijn zulke voorbeelden. Maar toen hij zich vergreep aan Crying, dat tranentrekkende Roy Orbison-nummer, hield ik hem voor gehoord en gezien. Als PlaatKeus van vandaag kies ik: American Pie van Don McLean. Vanwege Vincent, maar ook vanwege de titelsong, dat een ode is aan een andere grootheid: Buddy Holly. Uitgebracht in 1972.

27.7.26 Het leven der mensen De lift van de ondergrondse parkeergarage had ons uitgepoept en nu stonden we op het Raadhuisplein ietwat onwennig om ons heen te kijken. Waar zouden we es heengaan: een rondje rond de kerk en naar de Hoofdstraat of naar het winkelcentrum de Weiert? De laatste keer dat we in Emmen waren was zo’n 2½ jaar geleden en in zo’n tijd kan er veel veranderen in een stad. Vóór de ingang van de Zoo stond een stellage-achtig podium, waardoor de ingang niet te zien was. Een oudere mevrouw riep van verre dat dáár -ze wees met uitgestrekte arm- het dierentuin was. Jaja, dat wist ik, maar daar wilden we helemaal niet naar toe. Ik schudde mijn hoofd en bedankte haar. Het leven der dieren gaat me zeer aan het hart. Bij de vele natuurbranden zullen weer duizenden dieren het loodje hebben gelegd, maar daar hoor je weinig over in de nieuwsberichten. We liepen toch maar naar de Weiert. Het was er nog rustig. Daarna liepen we door naar de vroegere dierentuin. Ik ben er als kind op schoolreis voor het eerst geweest. Een jaar of 10 zal ik geweest zijn. Het veroorzaakte een lichte trauma, doordat een van de begeleiders mij plotseling boven de berenkuil, waarin twee beren halsreikend naar ons stonden te happen, optilde en me quasi lollig naar beneden wilde keilen. Ik heb onbedaarlijk geschreeuwd, ligt me bij. Hoe grapjes je leven deels kunnen vergallen. Ik kreeg hierdoor een lichte afkeer van dierenparken. Het blijft puur mensenwerk, hoe wij die dieren naar onze voorwaarden plooien. En natuurlijk ben ik er later vaak genoeg geweest en heb ik mij er ook wel vermaakt, maar keek als een amateur-antropoloog vooral naar het gedrag van de bezoekers. Misschien is het daar in wezen ook wel voor bedoeld: om ons mensen superieur te voelen boven hen die wij hier bijeen hebben gebracht en om er toch een zinvolle draai aan te geven voor een deel zogenaamd hebben gered uit hun eigen leefomgeving. Want ja, die was vernietigd door diezelfde mens. Die zou zich er diep over moeten schamen.

Het oude dierentuin aan de Hoofdstraat is niet meer. Het is verworden tot een steen des aanstoots voor B&W en de bevolking van Emmen en omgeving. Want huizenkavels zijn schaars en wie zou hier niet willen wonen? We liepen door het park, bezagen de verwilderde vijvers, waarin vroeger de pinguïns zwommen en de vervallen gebouwen, waarin onder andere de jaks dromerig stonden te herkauwen. Het maakte me een beetje treurig. Zo nu en dan is er wel iets te doen in het park; iets met fantasy of met kunst. Er is een restaurant, waar we iets zouden kunnen gebruiken, maar de stoelen stonden omgekeerd. Twee boa’s groetten ons vriendelijk, ik wilde als groet ‘constrictors’ terug zeggen. Niet doen. Die grap is mogelijk al duizend keer gemaakt en wekt eerder irritatie op.

We liepen weer naar buiten en gingen naar Facet. Dat is een multiculturele kenniscentrum, oftewel: een bieb. Een plek om even tot rust te komen. Op een van de leestafels lag de NRC. De voorpagina maakte gewag van een artikel dat ik wel wilde lezen. Maar niet hier. Daarom vervoegde ik me naar boekenhandelaar Vermeer en scoorde naast de krant twee boeken uit een koopjeskast. Van Marten Toonder. Want nu de wereld steeds meer een heksenketel wordt, moet men zijn heil zoeken in de beslotenheid van het eigene. Ten minste, dat zou Bommel, de heer van stand, leunend over het muurtje voor huize Bommelstein, vermoedelijk zeggen. Ik ben van mening dat de oude boeken, de afgeprijsden in dit geval, het eerst moeten worden geconsumeerd, vandaar mede deze keuze.

We liepen door naar de parkeergarage, betaalden en reden op aanwijzen van een andere boa een stukje tegen de rijpijlen in naar de uitgang. ‘Dat mag toch niet?’, zei ik ultra-correct door mijn geopende raam. ‘Tegen een boom piesen mag ook niet’, zei de man, die aan beide oorlellen een opzichtige goudkleurige ring droeg, met een grijns, wat mij ongewild aan dat gezegde van die aap met dit zelfde versiersel deed denken. Het enige wat niet klopt is dat de aap hierin wordt neergezet als een lelijk ‘ding’. Dieren zijn verre van lelijk! We reden naar boven, de zon tegemoet. Pas buiten de drukte van de stad en het verkeer voelde ik mij weer op mijn gemak. Als mens, eeuwig op safari.

24.7.26 PlaatKeus #33 Sinds 1932 kent Nederland het boekenweekgeschenk. Dit was bedoeld om de consument naar de boekenwinkel te lokken. Behalve gedurende de oorlog, is er ieder jaar een geschenkboek tijdens de boekenweek verschenen. Er is een grote groep verzamelaars van die boeken of boekjes, zoals criticasters ze noemen. Enkele keren is er gedoe geweest rond een titel. Zo is het geschenk van 1941 daags na de uitgave al door de SD uit de handel gehaald ‘omdat er een gedicht in staat van de Joodse dichter Maurits Mok’. Dat was verboden. Dat de samensteller van het boek ook een Jood was (Victor van Vriesland) ontging de Duitse overheerser. Een ander geval betreft het boek De vierde man van Gerard Reve. Dat werd afgewezen vanwege ‘controversiële passages’ ofwel: liefde tussen twee mannen. Dat was toen not-done. In 1976 kwam er naast het boekenweekboek ook een langspeelplaat uit, getiteld Zing je moerstaal. Op de plaat staan 12 liedjes, gezongen op gedichten van evenzoveel Nederlandse schrijvers. De plaat is naar het schijnt een collectors item voor verzamelaars van boekenweekgeschenken + aanverwanten. Het heeft een prachtig uitgevoerde hoes, die naast tekeningen ook alle liedteksten bevat. Of het geholpen heeft de jeugd aan het lezen van poëzie te krijgen is niet bekend. Alleen de bijdrage van Teun de Vries (tekst) en Maggie MacNeal (Terug naar de kust) werd een vette hit. De kinderballade van Boudewijn de Groot (tekst: Gerrit Komrij) zal de arbeidsvitaminen ook nog weleens hebben gehaald. Voor al die andere goed bedoelde bijdragen restte de vergetelheid. Dat geldt dus min of meer ook voor de bijdrage van Robert Long, die het lied Juffrouw Nifterink zong op een gedicht van Karel Bralleput, alias Simon Carmiggelt. Robert Long begon zijn zangcarrière bij de Utrechtse popgroep Unit Gloria. In 1974 debuteerde hij als solist met Vroeger of later. Twee thema’s komen regelmatig in zijn werk terug: homoseksualiteit en zijn weerzin tegen het geloof. Over dat laatste waren al tiental liedjes geschreven en gezongen door onder andere Jules de Korte, Fons Jansen, Leannaert Nijgh en Jaap van Merwede. Het tweede thema is wat lastiger. Tot ver na de oorlog werd hier nauwelijks over gesproken, laat staan op de bühne over gezongen. Ooit was ik een tijdje jeugdbegeleider van een groep tieners bij mij in het dorp. Elke vrijdagavond kregen die de beschikking over een zaaltje in het dorpshuis om te dansen op zelf meegenomen platen, te praten, te ravotten … Deze club was een voortzetting van die van de NH-kerk. De jeugd wilde meer dan catechisatie en het zingen van vrome liederen. Naast hen waren er ook jongeren toegetreden van de openbare school. We hadden een rooster en elke drie weken draafde ik op voor zo’n vrijdagavonddisco. Eén van de jongens kwam toen met een plaat van Robert Long. Die Long spotte aardig met het geloof, viel mij wel op. Hij zong onder andere ‘Jezus redt, Jezus redt! Redt Jezus uit de sloot’. De jongeren namen er weinig aanstoot aan. Ze hosten er niet minder op dan op Bonnie M. Een ander liedje ging over seksualiteit. Daar kwam ook homoseksualiteit in voor. Ik vermoed dat hierover binnen het bestuur vragen zijn gesteld. Kon dit wel? Was dit geen godslastering? Dat moest worden bijgestuurd. Korte tijd later werd er voorgesteld dat wij alvorens de avonden aan te vangen, een stukje uit de bijbel te lezen. Ik zei dat ik geen aanhanger was van enig geloof en het daardoor ook niet kon uitventen, en dat er meerdere jongeren net als ik waren en dat ik dit dus niet zou doen. Zonder mijn aanwezigheid is daarna besloten dat ik dan niet langer als begeleider kon fungeren. Ik legde mij er humaan bij neer. Het zou enkel leiden tot escalatie, scheuring zo men wil en dus stapte ik op. De jeugdclub viel spoedig uit elkaar. De meeste jongens en meisjes zochten hun heil in ‘liederlijke, goddeloze discotheken’, kregen verkering en trouwden. Zo nu en dan kwam ik nog weleens een bezoeker tegen en dan kreeg ik steevast te horen dat de discoavonden met mij erbij altijd de leukste waren. Dat streelde me. Ik hoop dat zij lering uit die liedjes van Robert Long hebben getrokken. In ieder geval ben ik er sindsdien wél naar gaan luisteren. Als keuzeplaat vandaag: Vroeger of later van Robert Long. Uitgebracht in 1974.

22.7.26 Orang-oetang Denk je aan mest als in meststoffen, dan denk je niet aan iets fleurigs, iets van magnolia’s, eerder aan iets onwelriekends. Ik werd met dat woord geconfronteerd toen ik spontaan opgezette lippen en wangen kreeg. Waar kwam dat ineens vandaan? Goed, ik had met het werken met bloemen en de residuen van gifstoffen die men voor de teelt hiervan gebruikt, al behoorlijke ervaring met allergie, maar dat uitte zich heel anders. Als patiënt stond ik nog in de allergologie-bak van het UMCG. Via mijn huisarts kwam ik te weten dat een consult hier op zijn minst een jaar zou duren. Gelukkig was er een andere oplossing en daar loop ik nu alweer een paar jaar. Mijn klachten bleken voort te komen uit een vorm van immuunrespons. Het gaat om gespecialiseerde cellen die zich bevinden in de weefsels die direct in contact staan met de buitenwereld (gegevens: Wikipedia). De Duitse arts/immunoloog Paul Ehrlich ontdekte in 1878 deze cellen. Ze zien eruit als korrels, zei hij. Ze voeden in hoog tempo het omliggende weefsel, hetgeen hij ‘vetmesten’ noemde. Met uitwerpselen heeft het dus niets te maken. Door dit snelle mesten ontstaan als reactie die zwellingen. Ik moest afgaan op de expertise van de arts in het Dermatologische Kliniek. In de regel wordt deze ziekte angio-oedeem genoemd en daar houd ik het maar op. Hoewel dat volgens de Wikipedia-gegevens niet precies overeenkomt met mijn uitwassen.

Hoe is het verloop van die ziekte, want dat is het? Meestal ontstaat het ’s nachts. Ik voor mij zou dan zeggen dat het met voedsel te maken heeft, zoals ook beschreven wordt op Wikipedia. Toch niet, zei de arts. Vanmorgen om zes uur ontwaakte ik vanwege de gebruikelijke blaasdruk. In die zin heb ik een tamelijk stabiele stofwisseling. Ik merkte dat het weer hommeles was met mijn gezicht. Ik nam een paar extra Levocetirizine-pillen in en ging weer naar bed. Ik wist dat de zwelling door zou zetten maar niet hoe erg het deze keer zou worden. Bekend nu met deze lastigheid (want dat is het toch vooral) vraag ik me steeds meer af waar dit vandaan komt. Áls het niet van voeding komt, zoals de arts zegt, waarvan dan wel? Ik loop gisteren eventjes langs. Waar ben ik geweest en wie of wat heb ik getroffen? Ik deed mijn ochtendwandeling (dat kan het niet zijn) en dronk en at niet anders dan normaal het geval is. Daarna heb ik kranten gelezen en boeken uitgezocht. Later in de middag ben ik op mijn stretcher gaan liggen en heb het jeugdboek Heemskerck op Nova Zembla van P. Visser gelezen. Het stamt uit 1900. Dat boek sleepte ik al mijn hele leven mee. Het was totaal afgeragd en rijp voor de papierbak. Rug bezat het allang niet meer. Zilvervisjes schijnen nogal gek te zijn op het gebruikte lijm. De cellulose was sterk door mijten aangetast en door de vele gaatjes was het mazig geworden. Ik schrijf dit in de verleden tijd, want omdat de pagina’s los lagen, gooide ik de gelezen vellen in de papierbak. Het had zijn tijd gehad – weg ermee. ‘Zal er misschien iets giftigs uit die stoffige en aangevreten bladzijden zijn opgestegen?’, dacht ik later. De bemanning van dat schip dat bij Nova Zembla strandde, leed aan scheurbuik. Het kon toch niet zo zijn dat mij dat ook nog te wachten stond? Straks zal ik een appeltje nemen. Voor de broodnodige vitamientjes. Maar als het lezen van boeken en kranten de oorzaak is van het activeren van die mestcellen, dan ben ik mooi jarig.

Ik heb het Wikipedia-artikel opnieuw gelezen. Het is voer voor medici, niet voor mij. Ik ben slechts de onderliggende, de aangaande partij. De neurologe Rita Levi-Montalcini heeft in 1990 de Nobelprijs voor Geneeskunde gekregen voor haar baanbrekend onderzoek naar ziekten die te maken hebben met die dolgedraaide mestcellen. Dat neemt niet weg dat de zwel-problemen de wereld nog niet uit zijn. Mijn bolle wangen duwen mijn ogen enigszins toe, dientengevolge voel ik mij een orang-oetang in mensenkleding. Morgen is het weer over, dat is altijd zo. Ik heb er nog een paar boeken liggen in ongeveer dezelfde staat als dat van P. Visser. Het idee voor een proefondervindelijk onderzoekje dringt zich bij me op. Ik zou ze op dezelfde wijze kunnen afwerken. Ik ben er de aangewezen persoon voor – lijkt mij.

20.7.26 Aan het hart ‘Pas nou op met je hart’, zei mijn vrouw onder aan de trap bezorgd, toen ik een tweede doos met boeken naar beneden sjouwde. Ik was begonnen mijn boekenvoorraad te ordenen en er het nodige uit te halen en weg te brengen. Een volzin die uitleg behoeft. Eigenlijk ben ik al lange tijd bezig mijn bibliotheekje op te schonen, maar het feit wil dat mij al die boeken lief zijn. Toch zal het moeten gebeuren. Want in mijn binnenste trekken duistere wolken samen en in dat scenario dienen er op stel en sprong maatregelen te worden genomen. Gisteren hebben we twee muren van de achterkamer geverfd en daarvoor moest een van mijn boekenkasten leeg. Drie planken van elk 1meter35. En toch, wat een bak werk had ik aan het leeghalen van die vier meters. En daarom begon ik bij het herplaatsen te sorteren. Even mijn gevoel opzij zetten. Ik nam me voor op z’n minst 1 plank leeg te krijgen. Dat ging natuurlijk niet. De score ‘weg te doen boeken’ bedroeg nog geen dozijn. En toen speelde ik ook nog een beetje vals door de proza en de dagboeken van C. Buddingh’ naar boven te brengen en de dichtbundels te plaatsten op de plank ‘poëzie’. Zo hield ik wat extra ruimte over. Het was natuurlijk bedrog. Kees van Kooten noemde deze werkwijze ooit ‘verplaatsingen’. Iedere verzamelaar krijgt daar vroeg of laat mee te maken. ‘Als ik dat nou eens daar neerleg en dat daar en dat …’ Zo vullen we onze huizen en schuren met verzamelingen en huren er soms zelfs nog ruimte bij. Iemand in mijn buurtje verzamelt smurfen en heeft er duizenden en duizenden. Het hele huis staat er vol mee. Vader Abraham (echte naam: Pierre Kartner) de bedenker van dat malle blauwe dwergje, zou er stapelgek worden. Het schijnt dat grootverzamelaar en veellezer Marten Ros meerdere ruimten huurde om zijn enorme voorraad boeken te kunnen bergen. Op een van de Amsterdamse Uitmarkten, liep ik eens bijna tegen hem op. Als een hoarder (vuilverzamelaar) sjouwde hij meerdere goed gevulde Dirk-tassen met zich mee naar een van die ruimten. Het heeft wel iets weg van de verzamelwoede van dieren, zoals eekhoorns. Maar het voordeel van deze nijverige diertjes is dat er jonge boompjes van opkomen. Dat kun je van dat dode papier niet zeggen. Er is nog nooit een boek uit een zaadje ontstaan.

Na dat debacle van gisteren wilde ik het voortvarender aanpakken en begon in een opwelling -want anders kan ik het niet noemen- bij de A, van Van Agt; Dries. Die heeft een paar hele aardige boeken geschreven. Ik moest toch ergens beginnen! Bij de B begon de ellende. Bernlef kon wel weg, maar Wim de Bie? Ammenooitniet! Belcampo dan en Biesheuvel?.Twijfelgevallen. Maar Bomans … Mijn leeswoede is voor een deel begonnen door het werk van Godfried Bomans. Ik had er ruim een halve meter van staan. Had, want ik plukte er een aantal tussenweg, puur op de titel. En daarna Carmiggelt. Net zo’n beroerd geval. Met die twee literaire mastodonten vulde ik de eerste doos. Maar heel erg veel verder dan dat kwam ik niet. Ik plukte hier en daar nog eentje tussenuit. Schrijvers die mij ofwel tegenvielen of waarvan ik wist dat ik ze nooit meer zou lezen. Daarmee vulde ik een tweede doos. En die sjouwde ik naar beneden en brachten we later naar de Inbreng. ‘Het begin is er’, zei ik tegen mijn bezorgde vrouw, die mij er beslist niet toe had aangespoord. Maar onderweg spookte dat hilarische verhaal van Bomans over zijn bezoek aan een golfkartonfabriek door mijn hoofd. Verschrikt bedacht ik dat ik het nooit meer zou kunnen lezen, tenzij ik het zo dadelijk, terwijl mijn vrouw even bij de Super aanwipte, uit de Bomans/Carmiggelt-doos zou vissen. En dat geschiedde. Razendsnel nam ik de inhoud van de stapel door en vond het verhaal in de bundel Op de keper beschouwd. Ook Van hetzelfde redde ik ternauwernood. Het bevat de handtekening van de auteur. Hoe kon ik die over het hoofd hebben gezien? Dichterbij kan onze Nederlandse Dickens voor mij niet komen. Ik heb het ooit gekocht in een boekenstalletje op De Grote Markt van Groningen. De verkoper wist niet dat het gesigneerd was, anders was het een stuk duurder geweest, zei hij zuur nadat ik hem de paar euro’s had overhandigd.

Ik ben weer thuis. Er vormen zich een paar gaten in de rij die ik met Buddingh’ zal vullen. Het gaat me wel aan het hart, maar gelukkig heb ik nog genoeg pillen van Bomans en Carmiggelt. Daar kan ik nog heel wat avonden mee toe. En wat betreft mijn hart … het is nu vooral mijn rug die piept.

18.7.26 Ongemakkelijke kwestie Ik had ze ergens halverwege de winkel, ik weet niet meer in welk pad, gezien. Een man en een vrouw, allebei tegen de veertig, schatte ik. De vrouw droeg een jurk tot op voeten en een egale doek strak om haar hoofd. Zij was klein van stuk. De man, niet veel groter, was westers gekleed: zwart hemdje met opdruk, korte donkere broek en sandalen. Mensen met een islamitische identiteit, vermoedde ik. Bij mij begint het altijd licht te kriebelen als ik zo’n stelletje zie. Niet vanwege hun afkomst of hun kleur, maar vanwege de strenge scheiding tussen man en vrouw. Toen ik ze voorbij liep glimlachte de vrouw naar mij, de man keek stuurs voor zich uit. Kort daarop legde ik mijn spullen op de band en plaatste een balkje voor de volgende klant. Dat bleken toevallig die mensen te zijn. De vrouw schoof het karretje naast de band en begon 2-liters waterpakken uit te laden. Het waren er een stuk of 8. De man ging tegen het eind van de band staan en sloeg zijn armen en benen over elkaar en zweeg. Als het voor mij bekende mensen zouden zijn, zou ik wellicht zeggen of hij haar niet een handje kon helpen. Dat leek me nu niet verstandig. De vrouw glimlachte opnieuw. Het was alsof de man door had dat ik de werkwijze en situatie ongewoon vond en dat ik er misschien wel iets van zou willen zeggen. Hij keek mij daarom strak op het boze af aan en ik keek een paar seconden terug, maar wist dat ik dit niet zou winnen, tenzij ik op een confrontatie uit was. Dat was ik niet, dat ben ik eigenlijk nooit. Ik laadde mij spullen weer in het karretje, betaalde en reed de winkel uit naar mijn auto. Even later zag ik de man en de vrouw naar buiten komen. De vrouw droeg een kartonnen doos voor haar borst met daarin aan aantal van die waterpakken. Ze had er duidelijk moeite mee. De man liep rechtop met een schoudertas, waarin mogelijk 1 hoogstens 2 van die pakken zaten. Ze staken de straat over en verdwenen uit zicht.

Gisteren las ik een uitgebreid artikel over de oorsprong van de manosfeer. Dat is het overdreven, zeg maar ziekelijke haantjesgedrag, ingegeven door psychopaten als Andrew Tate. Volgens een hoogleraar economische geschiedenis aan de Universiteit van Utrecht is de sekse-ongelijkheid tussen man en vrouw pas zo’n 7000 jaar oud. Het moet zijn ontstaan door de staatsvorming in het oude Mesopotamië, het huidige Irak, Syrië en Turkije en verderop in Egypte, India en China. Dat werd steeds meer een patriarchale bedoening. Mannen vonden dat ze het voor het zeggen hadden. Pas veel later heeft zich dat verspreid naar Europa. Maar zo rigide als in die Oosterse landen zou het hier nooit worden. Het is dan ook wonderlijk dat het vaak machomannen zijn die zo tekeer gaan tegen alles wat islamitisch is, maar die juist de ongelijkheid tussen mannen en vrouwen op eenzelfde agressieve manier nastreven. Ze zijn in die zin roomser dan de paus, die toch hoofd is van een kerk die ook door mannen wordt bestierd. Celibatair of niet, het móeten mannen zijn, dat bewijst wel het verplicht checken van het klokkenspel bij de voordracht van een nieuwe paus. Het schijnt namelijk dat er ooit een vrouw kortstondig paus is geweest en dat mag zich natuurlijk nooit herhalen! In de manosfere wereld gaat het juist om het bezit van een vrouw en om er de baas over te kunnen spelen. Zij moet precies naar zijn pijpen dansen. Hij daarentegen kan net doen en aantrekken wat hij wil. Er komt vaak geweld aan te pas.

Iemand als de president van Amerika, heeft lak aan elke vorm van egalitarisme. Dat wil zeggen: aan gelijkwaardigheid van man en vrouw. Alles wat maar enigszins afwijkt van ZIJN norm wordt weggezet als (in politieke zin) links en is (in ZIJN/hun gedachtenwereld) verdacht. Vandaar ook dat hij alle transseksuelen in het leger ontsloeg. Homo’s en lesbo’s mettertijd zullen volgen en dat zal zich weer vertalen naar allerlei sectoren in de maatschappij. Met de groei van het ultrarechtse gedachtengoed, zal dat ook hier gebeuren. Het is een griezelige ontwikkeling. En dan te bedenken dat Nederland zich naar buiten toe altijd zo tolerant verkoopt! Hoe lang nog?

Die man voelde wel dat wij niet gelijk over zulk soort zaken denken. Bang misschien ook dat ik iets tegen haar zou zeggen en dat zij daardoor haar zwijgplicht zou verbreken. Nu bleef het bij een glimlach. De man voelde zich in zijn eer aangetast. Het zou geen enkele zin hebben hem voorzichtig te wijzen op de democratische regels inzake het huwelijk of in ieder geval in de omgang tussen mensen in dit land. Maar er bestaat ook nog zoiets als behulpzaamheid en fatsoen. In de jaren toen ik met werken begon, werd er nog weleens lacherig gesproken over ‘het zwakke geslacht’. Daar zijn we gelukkig een beetje vanaf. Maar met de intrede van mensen uit andere culturen en het verderfelijke machogedrag, worden we tevens geconfronteerd met handelingen en leefregels die de meesten van ons niet welgevallig zijn. Ik was daar vanmiddag weer eens getuige van en voelde mij er hoogst ongemakkelijk bij. Ik hoop niet dat die mevrouw er nare gevolgen van zal ondervinden.

16.7.26 PlaatKeus #32 Waar mensen, daar wensen. Dat moet al zo geweest zijn in de vroegste oudheid. Het zal wel te maken hebben met onze manier van leven en vooral overleven. Mensen hechten aan dingen, zoals sommige dieren dat ook doen, alleen minder opzichtig. Misschien is dat wel een van de eerste afscheidingen van onze apige voorouders. Die lieten de boel de boel, maar wij sleepten van alles mee. En dat is nog steeds zo. Ogenschijnlijk een kleine stap van aap naar app. Ik zapte gisteren een beetje en kwam langs Omroep Gelderland, waar aandacht werd besteed aan de Zwarte Cross; Neerlands drukst bezochte totaal-festival. Anders dan popfestivals als Pink-Pop of Lowlands, gaat het bij de Zwarte Cross vooral om zelf gezien te willen worden. Muziek is eerder bijzaak. Een eindeloze stoet van opgetuigde caravans en tractoren met aanhangsels maakte hun opwachting nabij het Achterhoekse Lichtenvoorde. Ik ben er nooit geweest, het is van na mijn festivallentijd. Lochem-Pop was het eerste popfestival dat ik bezocht. 1975. Het jaar dat bij de Lochempoppers bekendheid geniet door het eerste publieke optreden van de boerenrockband Normaal. Pophistorisch gezien een noviteit, want a: het boerenrock ontstond hier en b: ze zongen in het plat. Ik zou er nog een c-tje aan kunnen toevoegen, namelijk: de uitvoerders en de taal waren onbehouwen. Dat grofgebekte is nog steeds een handelsmerk van de meeste boerenrockgroepen. Het is afzetten tegen de Westerse kak, zoals de voorman van Normaal, Bennie Jolink, dat meer dan eens verwoordde. Het Oosten en het Westen zullen nooit één worden, is zo ongeveer de strekking en dat vond zijn oorsprong (misschien niet helemaal, maar toch grotendeels) op dat Lochemse popfestival van 1975. Er gaat zelfs geen demonstratie van boeren tegen het landbouwbeleid voorbij, of we vinden sporen terug van deze rauwheid. Ik ben nooit een liefhebber geweest van dat gebral. Maar mensen die wél van deze muziek hielden en zeker toen ik in de platenwinkel werkte en ze regelmatig sprak en weleens zei dat ik dat optreden van Normaal in 1975 had bijgewoond, bezagen me alsof ik het Licht had gezien. Wat zag ik die dag wél dat me meer aanstond? Red, White & Blue; de nieuwe band van Harry ‘Cuby’ Muskee speelde er. Leuke band. Kon wel wat worden. Bluesduo Sonny Terry & Brownie McGhee. Bejaarde mannen, all the way from the USA. ‘Ben ik te min’- Armand was er en de dichter Johnny ‘The Selfkicker’ van Doorn, die zijn wildemansoptreden zag mislukken door geschreeuw vanuit het publiek. En aan het eind van de dag The Flying Burrito Brothers . ‘Helaas zonder mister Sneaky Pete op de pedalsteel’, zei de aankondiger. Inmiddels was het zachtjes gaan regenen. Een beetje countryman kon dat toch wel hebben. Maar velen verlieten al het openluchttheater, waar het allemaal plaatsvond. Het werd een prachtig optreden, dat we deels onder een plastic zeiltje genoten. We, dat waren mijn vriendin Doortje en ik. Boerenrock en countryrock waren duidelijk niet hetzelfde. The Flying Burrito Brothers was een van de bekendste Amerikaanse countryrockgroepen van dat moment. Ik hield wel van die muziek. En niet alleen van hen, maar ook van The Ozark Mountain Dare Devils, Pure Prairie League, The Nitty Gritty Dirt Band en The New Riders of the Purple Sage. Ja, aan mooie namen geen gebrek. Ik miste nog The Lords of the Holy Strings! The Eagles waren met die muziekstijl al heel groot. Maar helemaal in de country ben ik nooit gegaan. Dat vreemde line-dansen was mij ook een gruwel en navenant die rare cowboypakken. The Flying Burrito Brothers, die deels uit oud-leden van The Byrds bestonden, was eerlijke muziek. Later begreep ik dat dat optreden in Lochem een van hun laatste optredens in die bezetting was. Daarna werd het een soepzooitje van personeelswisselingen en raakte ik ze kwijt. Als plaat van de dag: Hot Burrito 2 van The Flying Burrito Brothers uit 1975. ps. Hot Burrito 1 bezat ik ook, maar is spoorloos verdwenen. Uitgeleend misschien en nooit teruggekregen.

15.7.26 AI-model De moderne wereld, met al haar eigenzinnigheden, haar ongewenste aanvallen en bemoeizucht, is mij een doorn in het oog. Natuurlijk komen er ook goede ontwikkelingen uit voort, want hoe zag de wereld eruit zonder telecommunicatie? Eén telefoontje is nu voldoende om een hele batterij medici in beweging te zetten. Ik overdrijf, maar het kán. 200 jaar geleden zou je als onbemiddelde geen schijn van kans hebben om bij de hooggeleerde geneesheren (Aletta Jacobs was nog niet geboren) aan de beurt te komen. Dat is nu wel anders. Wij hebben wat dat betreft geen klagen. De doorgeschoten robotisering heeft mij nu ook ontdekt.

Gisteren kreeg ik een direct-mail van een bedrijf dat zich AInclusive noemt. Dat is een woordspellinkje van all-inclusive, zoals je dat bij bepaalde contracten afspreekt. Nee, hier betreft het een bedrijf dat zich bezighoudt met het schrijven van rapporten, opstellen en zelfs -indien u wenst-romans. Dat las ik er tenminste uit. Zo’n bedrijf graast internet af en doet zich voor als een leraar die van de beroerdste taalprutser nog een gerespecteerde schrijver kan maken. Kunstmatige Inteelt is tegenwoordig dikke mik op scholen. Proefwerken zonder gebruik te maken van AI, want zo heet het officieel, komen bijna al niet meer voor. Slechts 1 op de 10 is nog van eigen hand. Een sollicitatiebrief zelf schrijven? Ben je mal! Je gooit een aantal gegevens op een hoop en AI maakt er binnen een minuut een prachtig epistel van. Daar kan geen concurrent tegenop. Zou je denken. De concurrent doet namelijk hetzelfde en de overeenkomsten zijn voor elk kind zichtbaar. Het gevolg is dat over enkele jaren de meeste mensen geen normale brief meer kunnen schrijven en dan gaan we feitelijk 200 jaar terug in de tijd. Naar een tijd toen academici van Latijn en Frans naar begrijpelijk Nederlands moesten; omdat het volk hen niet begreep en zij het volk niet.

AInclusive bombardeerde mij met een voorstel voor een thrillerachtige roman. 339 pagina’s mocht het maximaal worden. Kosten in nauw overleg vanwege het aantal te gebruiken woorden, spaties en witregels. En men deed alvast een voorzetje. Het verhaal zou zich in deze contreien afspelen. Windmolens zouden het hoofdonderwerp zijn en acties tegen de zich rijk rekenende boeren. Er zouden gewonden vallen en doden, als ik dat wilde. Boerderijen en machines zouden in brand worden gestoken, spijkermatten op landwegen gelegd. Zelfs vrouwen zouden door opgehitste antiwindmolenfanaten worden belaagd. Kortom: opstand aan de rand van de Veenkolonieën. Er werden nog enkele tot extra woede opwekkende onderwerpen bijgehaald. Ik zal ze niet noemen, het was al erg genoeg. Spicy, noemde AInclusive dat: gepeperd zeg maar. Want de moderne lezer neemt met minder kennelijk geen genoegen.

Ik las het bericht en was juist van plan het te verwijderen, toen een soort alertje in de kantlijn verscheen. ‘Weet wat u doet!’ zei het en daaronder verscheen nogmaals dezelfde mail als tevoren. Beangstigend, cybertelepathie. Nu ook zag ik in hele kleine lettertjes, dat het ‘bedrijf’ gevestigd is in Zierekzee. Ik zag ogenblikkelijk dat dit fout geschreven was. Waarschijnlijk foutief opgenomen in het chat-GPT-woordenboek. Dan vang je bij mij meteen bot. Moest ik ze daar op wijzen, zeggen ‘Jullie belazeren de boel’ of het overlaten aan een volgende gegadigde die dit ook meteen door zou doorhebben? Of ligt er misschien een Zierekzee in een ver en duister land? Zullen die cyberschrijvers de middelbare school wel hebben afgemaakt? Allemaal vragen. Feit is wel dat de lezer straks in de boekenwinkels de echte schrijver niet meer van de nepper kan onderscheiden. AI kruipt als een gemene virus over de schappen. Vroeger waren het zilvervisjes die de verzamelaar het leven zuur konden maken, nu zijn het onzichtbare modellen en zwendelaars die het schrijversvak de nek omdraaien.

Ik wiste de berichten en deed het raam open. In de verte roteerden de enorme wieken van de windmolens. Ik hoorde niets. Ik opende een schone pagina en begon te tikken. Alles eigen, niets namaak. U bent er getuige van!

12.7.26 Dealer Een tijdje geleden kwam ik Robert tegen. Hij reed op een ouwe damesfiets en ging naar de dezelfde Super als waar ik ook van plan naartoe te gaan. We groetten elkaar en praten even kort. Zo’n mooi-weer praatje. ‘Hoe is’t ermee?’ ‘Goed, ja goed …’ . Ik voelde dat dit ietsiepietsie bezijden de waarheid was. Een jaar of tien geleden trof ik op een ochtend zijn vrouw bij dezelfde super. Zij vertelde toen zonder omwegen dat Robert blaaskanker had. Ik schrok enorm. Thuis zocht ik een en ander op in mijn medische encyclopedie. Blaaskanker ontstaat niet zelden door onder andere roken en dat deed hij. Mijn vrouw en ik bezochten hen enige keren, maar bij de laatste keer ging het fout. Mijn vrouw en ik kunnen heel slecht tegen rook en mijden daarom elke gelegenheid waar zich dat voor kan doen. Naast sigarettenrook geldt dat ook voor rookkorven en barbecues. We hebben daardoor in het verleden enkele keren een middeleeuws muziekfestival vroegtijdig moeten verlaten, omdat de rook van op hout gestookte etenswaren ons bijna deed stikken. Tijdens dat laatste bezoek, zou de vrouw van Robert op zeker moment een sigaret opsteken. Op de voorzichtige woorden van mijn vrouw dat wij heel slecht tegen rook kunnen en of ze hier misschien even mee kon wachten, ageerde ze nogal fel met: ‘Ja, ik mag toch zeker wel in mijn eigen huis roken’. Getergd liep zij naar buiten en rookte met snelle halen haar sigaret op. We verlieten het pand om er nadien niet meer terug te komen. Die blaaskanker was in de tijd dat wij elkaar nog bezochten al een paar keer teruggekomen. Ik zag in het roken en in het meeroken, een oorzakelijk verband. Maar stoppen deden zij niet.

Vandeweek sloegen we een middagje stuk in Appingedam. Op het bankje tegenover rookwaren- en tijdschriftenwinkel Primera, wachtte ik met Rossi op mijn vrouw, die een kledingwinkel met schreeuwende kortingsbanieren niet onbezocht kon passeren. Niets mis mee. Ik zat naast het beeld van De Stadsomroeper. Het was stil in de Dijkstraat. Soms passeerde ons een fietser. Een elektrische auto stopte vlak naast het bankje en de chauffeur – een modern uitziende man, lijkend op de mannen die ik regelmatig reclame zie maken voor een Portugese broekenfabrikant- stak de weg over naar Primera. Hij liet de motor draaien. Even overkwam me een criminele gedachte. Hij kwam al vlot weer terug, ontdeed onderwijl het pakje sigaretten van het cellofaan en stapte in en reed weg. Kort erop kwam een andere man naar buiten. Ook hij ontdeed zijn pakje van het cellofaan en wierp dit van zich af. Het beetje wind ging ermee spelen. Hij plukte er een sigaret uit en stak het aan alvorens op een scootmobiel weg te rijden. Ik zat er ver genoeg vanaf om er geen last van te hebben. Een al wat oudere man kwam paffend naderbij en bleef tot op een paar meter afstand van het stoepje van de winkel staan en rookte alsof zijn leven er vanaf hing. Hij was misschien van mijn leeftijd, zijn bodymassindex ging richting code rood. Toen zijn sigaret tot het filter opgebrand was, liet hij het vallen en vermorzelde het met zijn voet, daarna betrad hij de winkel. Na enige tijd kwam hij weer naar buiten. Hij hield een maxi-verpakking in zijn rechterhand. Zijn pafferige gezicht had een gelukzalige uitstraling. Zijn dealer was hem weer goedgezind. Hij slofte terug naar waar hij vandaan kwam. Rossi begon te blaffen, want het vrouwtje kwam in zicht.

Ik wou dat er stickers waren die eventueel bezoek aan een pand waarschuwen dat daar gerookt wordt. Dat je hier als cara-patiënt dan beter niet naar binnen kunt gaan. Voor beide kanten zou dat een uitkomst zijn. Maar je zult net zien dat de rokerslobby sterker is en zegt dat dit openlijke discriminatie is. Je mag nu eenmaal niet openlijk brandmerken.

9.7.26 PlaatKeus #31 Mijn eerste pick-upje was een tweedehandsje. Gekocht van Stork-collega Tinus Pronk. Tinus was goed bevriend met Henk Lanting, zanger van Child of Nature, een ietwat symfonisch klinkende popgroep uit Grolloo. Die groep was nogal onder de indruk van onder andere The Moody Blues en Pink Floyd. Psychedelische muziek, perfect om op te trippen, zeiden de liefhebbers. Daar heb ik mij altijd ver van afgehouden. Bij de aankoop van de Dual pick-up, het merkloze versterkertje en de 2 Philips boxjes, stak Tinus mij ook een paar elpees toe. Die bleken door de jongens van de Child flink afgeragd. Eén en al krassen en tikken. Kampvuurmuziek, noemden wij zoiets. Vooral die dubbelelpee van Pink Floyd was een ramp. Ummagumma heette die. Ze bevatten naast het gekras allerlei rare geluidssferen, zelfs het geluid van een zoemende vlieg … Ik draaide die platen zelden, want het was niet echt aan mij besteed, bovendien leek het me niet goed voor de naald van de pick-up. Pink Floyd kwam weer in beeld nadat ze (of eigenlijk Roger Waters, componist en bassist van de band) de dubbelelpee The Wall had geproduceerd. Die plaat kwam uit toen ik in de winkel stond. Ik kocht er een volle doos (25 stuks) van in en kreeg, zoals dat vaker ging, 1 exemplaar gratis. De platenmaatschappij ging er van uit, dat je die het liefst continu in de winkel draaide om de verkoop ervan te stimuleren. Maar muziek draaien in het warenhuis waar ik werkte, was uit den boze. Gevolg was dat ik het exemplaar voor een prikkie zelf meenam. De single Another brick in the Wall werd een wereldhit, mede vanwege de begeleidende, nogal heftige animatiefilm. In Zuid-Afrika werd de plaat vanwege de tekst verboden. Je zou denken dat slechte reclame funest is voor een product, het tegendeel is eerder het geval. Toen de BBC God save the Queen van The Sex Pistols weigerde te draaien, stond het in no-time op nummer 1 van de Engelse hitparade. Je zou bijna van een complot kunnen spreken. Hetzelfde verging The Wall. Het was een soort protestplaat, een aanklacht tegen dictatuur en tegen de vernietigers van de aarde. Maar het bevat ook het prachtige liefdesliedje Vera. Ach ja, Vera. Ik had een tijdje goede omgang met een zekere Vera. Het was een gescheiden moeder van twee kinderen. Vera was hevig op zoek naar een nieuwe vlam. We waren een tijdje aardig close, maar bleven toch elk op ons eigen eilandje. Vooral die kinderen weerhielden mij een relatie met haar aan te gaan. Eens stelde ik voor naar het Emmer Dierenpark te gaan; ik wist dat de kinderen dit graag wilden. Dat jongetje heette potjandorie ook nog Willem. Ik was verzot op het kereltje. Hij kennelijk ook op mij, want hij liet mij gans de dag niet meer los. Maar gaandeweg zag ik het gedrag van die aardige Vera steeds meer veranderen. Ze werd kribbig, vooral tegen Willem en dat stond me tegen. Op de terugweg, de kinderen achterin, begon ik er voorzichtig over. Dat ze niet zo hard tegen hen moest zijn. Eenmaal thuis werd het van kwaad tot erger. Terstond besloot ik een eind aan onze verhouding te maken. Wanneer was dat? Iets van 1984. Willem zal nu een kranige kerel van 50 zijn. Vera berichtte nog enige tijd hoe het met haar en de kids ging. Ik dacht er zo het mijne van. Inmiddels had zij zich ook nog eens tot het baptisme bekeerd, maar werd door haar geloofsgenoten met de nek aangekeken. Vera schminkte en kleedde zich nogal opzichtig en dat ging niet samen met hun sobere levenshouding. nadat ik verhuisd was, hield de eenrichtingspost op. Na The Wall kocht ik nog Wish you were here. Redelijk aangename muziek. Pink Floyd zag ik daarna twee keer live in de Rotterdamse Kuip. Zeer imposante shows, dat wel, maar ik hield toch meer van het kleine. Na het vallen van de Berlijnse muur, voerde Roger Waters met een scala aan wereldberoemde artiesten zijn meesterwerk in al zijn pompeusheid op en ook toen ontroerde mij dat kleine liedje Vera. Vera, what has become of you … Maar zijn Vera is Vera Lynn; de Grande Dame die de Britse soldaten moed inzong. Een mascotte van onverzettelijkheid. Ook van haar draai ik nog weleens wat. Ach ja, dat vervloekte sentiment! Maar vandaag houd ik het op The Wall van Pink Floyd. Uitgebracht in 1979.

7.7.26 Rode Duivels Snap ik iets van deze bij de dag verzottendere wereld? Nee! Eergisteren was de bal nog rond, gisteren ontstond er een vervelende scheur in het leer en was het zo plat als een euro en, hersteld, werd het tot barstens toe opgeblazen. Ja, ik heb het over de sport der sporten, waar ik weinig verstand van heb, maar omdat het een politieke kogel is geworden, is het plotseling onderdeel van mijn denken. Ik werd er zelfs bezweet van wakker. Stel droomde ik, dat België vannacht heeft gewonnen van Amerika; dan heb je de pijpen aan het dansen. Want de aanstichter van de huidige oproer in voetballand, is onderweg naar Turkije om de NAVO op z’n donder te geven. Dat is zijn vak: onrust stoken. Door een ‘verkeerde’ uitslag, zal hij tot in zijn verste vezels getergd zijn. Alle aanwezigen van de NAVO-top zal te verstaan worden gegeven: ‘Don’t mention Belgium!!’ Een Belgische minister opperde zelfs al dat mochten ‘onze’ Rode Duivels de Amerikanen verslaan, dat tariefsverhogingen dan op de loer zullen liggen.

En dus stond ik licht geblesseerd op. Maar mijn vrouw hielp me in één klap van mijn depri af: ‘De Belgen hebben gewonnen van de Amerikanen, met 4-1’, juichde ze. Omdat ik het niet geloofde, zei ze het nog eens en toen liet ik een schorre jubel horen en zij jubelde spontaan mee. Maar ja, dacht ik meteen, wat komt hierna? De president van Amerika, die natuurlijk als door een ratelslang is gebeten, zal dit niet op zich laten zitten. De eer van het land staat op het spel! Net nu het land staatsrechtelijk 250 jaar bestaat. Hoe mies kun je het krijgen?! Hij zal dus alles in het werk stellen om die 4 doelpunten afgekeurd te krijgen. Al zal het hem een miljoen aan steekpenningen richting de voorzitter van de FIFA kosten. ‘Doe iets, Infantilo!’, zal er door het Witte Huis klinken en op zijn eigen social zal hij België verketteren en verrot schelden. Het Belgische Huis zal in spoed bij elkaar komen om over deze brisante zaak te praten. ‘Gaan wij inbinden? Wie is voor?’ Niemand! ‘Wij hebben altijd pal voor onze rechten en belangen gestaan en zullen dat blijven doen’. Hoera Hoera!! Oh, wat hou ik toch van die Belgen en wat mogen ze van mij die beker winnen!

Maar zover is het nog niet. Wie weet smijt de president ze wel het land uit. ‘Dat ene menneke, ge weet wel, die die doelpunten zette, heeft die wel de juiste papparassen?’, zal men de Belgische Ambassadeur op z’n beste Belgisch vragen. Voor hij het weet smijt ICE hem in een Mexicaanse bajes. Óf de president speelt onder één hoedje met de voorzitter van de FIFA en jaagt hij het hele team van het veld. Hoe dan ook: België is dóór en de wereld kijkt toe hoe dat spelletje armpjesdrukken zijn beslag zal krijgen. Ik ben er niks gerust op. Maar dat het ooit zover zou komen dat ik mij druk zou maken om voetbal.

5.7.26 Ik ga slapen, ik ben een beetje moe (OverlijdensAdvertentieBovenschriften nr. 19)

In november 2015 werd de wereld verrast met het nieuws dat Winnie de Poeh geen mannetjes- maar een vrouwtjesbeer is. Dat was even schrikken. Toch zal dit een groot deel van de wereld zijn ontgaan, want andere zaken verdrongen dit wonderbaarlijke nieuws. Op zich was deze geslachtsbepaling niet zo vreemd, want Winnie is een vrouwennaam en bovendien was de beer in de London-Zoo, waardoor de schrijver A.A.Milne zijn Winnie bedacht, een vrouwtjesbeer. ‘Nou en …’, zouden de Britten zeggen, die dat natuurlijk allang wisten, maar de onderlip stijf hielden. Toch wil ik er de aandacht op vestigen, want het beeld van Winnie als een ietwat sullige teddybeer, krijgt er een andere uitstraling door.

Deze OAB’s (OverlijdensAdvertentieBovenschriften) zullen gaan over de vrouw. Om te beginnen komt de vrouw er bij de vorming van al wat leeft, nogal bekaaid vanaf. Al in de Tuin van Eden werd haar de nodige schuld aangewreven. De zondeval werd haar verweten en in latere tijden werd het alleen maar van kwaad tot erger. Duizenden te licht bevonden vrouwen werden verketterd en als heksen op afschuwelijke wijze vermoord. Ik vrees dat mannen niet opgewassen waren tegen de stille krachten van de vrouwen en zij voelden zich daardoor in het nauw gedreven. In tientallen landen is de vrouw niet meer waard dan een kakkerlak en het is dat zij het leven van de zonen moet dragen, anders zou er voor hen niet eens plaats zijn. De katholieke kerk heeft voor Maria een uitzondering gemaakt, want zij werd zondeloos geboren en daardoor ook kindeke Jezus. Zonder Maria zou het RK-geloof geen poot aan de grond hebben gekregen. Niet alleen als vruchtbaarheidskoningin, maar als hoeder van al wat leeft en minimaal twee pootjes heeft. Je zou dan ook verwachten dat mensen die op zoek gaan naar een passende OAB ruim te kiezen hebben, maar gezien het aantal dat ik door de jaren heen verzamelt heb, valt dat een beetje tegen. Edoch, genoeg voor een OAB.

Van de dichter Adriaan Morriën, die de vrouw hoog heeft zitten in zijn poëzie, had ik bijvoorbeeld wel enige strofen verwacht. Niets. Om nog even voort te gaan op Maria, van Paul McCartney uit Let it be de woorden Mother Mary comes te me, singing words of wisdom, let it be. Berustende taal. Een ode aan zijn jong gestorven moeder. Zijn kompaan John Lennon schreeuwt daarentegen van de daken Woman is the nigger of the world. Hoewel het N-woord in deze tijd niet meer past, neemt hij het in het liedje wel op voor de vrouwen die in veel landen en culturen nog steeds als slaaf, als voetveeg dienst doen. Audrey Hepburn zegt het iets milder: Always be the leading lady of your own life. Van Karl Marx las ik: Het karakter van iedere maatschappij is het beste te beoordelen naar de positie die de vrouwen innemen. Wat dat betreft zou hij schrikken hoe traag de emancipatie sinds zijn uitspraak is gevorderd. In de jaren zestig van de vorige eeuw ontstond de eerste feministische golf. Eén van de eerste woordvoersters was Joke Smit. Zij schreef het vrouwenmanifest, beginnend met de woorden: Er is een land waar vrouwen willen wonen,/ waar rimpels niet de eenzaamheid voorspellen,/ maar paspoort zijn naar wijsheid, aanzien /en ’s werelds raadvrouw zijn ….’ Dat stond boven een rouwadvertentie. Boven een andere strijdster, Els Korver, die uit de tijd kwam, stond: Ze gaf vrouwen, homo’s, kinderen en bloemen luchtig een gezicht …’. Eentje van een iets lolliger signatuur, is: Omdat God niet overal kan zijn, schiep hij de moeders. Ook kom ik de vrouw of de moeder heel soms tegen in een regel uit een levenslied. Ze wordt dan op het schild gehesen als verbindster. Zoals Willy Derby zong: Dat is er je moeder, je moeder alleen. Van ene Nowa (pseudoniem?) trof ik enige keren: Je moeder blijft je moeder,/ zo eigen zo vertrouwd. / Je wilt haar niet graag missen, / omdat je van haar houdt …. Denk er de overslaande, tranentrekkende stem van een Johnny Jordaan bij en je hebt een poerfekt beeld. Van M. Schroevers komt als OAB: Uit een moeder is geen weg meer terug./ Wie haar zo zag liggen / zo warm nog zo licht weet: / dit is liefde tot het laatste gezicht. Het doet me denken aan de tragische dood van de beroemde blueszangeres Bessie Smith in 1938. Nadat ze betrokken was geraakt bij een auto-ongeluk, legde men haar aan de kant van de weg en bleef daar liggen tot de ambulance kwam, maar die wilde haar niet meenemen omdat ze zwart was en niet naar een enkel voor blanken bedoeld ziekenhuis kon worden gebracht. Nobody knows you when you’re down and out in het echt. Soms is de titel van een boek genoeg om de overleden moeder te benoemen, zoals Ik omhels je met duizend armen van Ronald Giphart, die dit boek schreef als ode aan zijn door euthanasie ingeslapen moeder. Van Hanny Michaelis komt de prachtige volzin: Met mijn moeder die las en breide tegelijk en mijn vader die zes uur per dag piano speelde, heb ik jarenlang gepraat, gelachen en ruzie gemaakt, totdat ze werden ingelijfd bij de legendarische 6 miljoen’.

Het is een wankel bruggetje naar de prijzende, dankbare man. Daarvoor hoef je niet eens aan te kloppen bij een grote dichter als Hans Andreus. Hij schreef voor de goede orde: Maar zeg het aan geen mens. / Ze zouden je niet geloven./ Ze zouden niet willen geloven / dat alleen maar een man alleen maar een vrouw, / dat een mens zo liefhad als ik jou. Prof. dr. Cornelis Haas liet bij zijn heengaan in zijn OAB weten: Ik heb een geweldig leven gehad./ Ans, jij bent het mooiste wat mij in het leven is overkomen. En Ton Eijkenboom opende zijn OA met de woorden: Ik heb een mooi leven gehad./ Ik heb een fantastische vrouw. / We hebben kunnen doen wat we wilden. / Het is goed zo …. Maar toch, als ik al deze ontroerende regels lees, drijft die ene boven. Ik kom er niet onderuit te eindigen met die prachtige strofen van Martinus Nijhof over de nieuwe brug over de Bommel, dat besluit met de woorden: Het was een vrouw. Het schip dat zij bevoer / kwam langzaam stroomaf door de brug gevaren. / Zij was alleen aan dek, zij stond bij’t roer // en wat zij zong hoorde ik dat psalmen waren. / O, dacht ik, o, dat daar mijn moeder voer ….. p.s. Het heeft mij enige moeite gekost deze OAB voor elkaar te krijgen. Ik ga slapen, ik ben een beetje moe.

4.7.26 Genot Ik heb het weleens eerder gezegd, maar herhaling kan in bepaalde gevallen beslist geen kwaad. Wie herinnert zich bijvoorbeeld niet het toerloos herhalen van de rekentafels op de lagere school? En wat heb je daar nog aan? Het mobieltje is geïntegreerd tot een alles kunnend orgaan van ons lichaam en mede daardoor gaat een mens niet zélf meer uitrekenen hoeveel 15 x 15 is of 28 + 33 als het antwoord in je rechterhand brandt. De volgende stap is de geïmplanteerde chip die reeds voor je überhaupt aan het rekenen slaat, het antwoord al geeft. Daar is die tech-maffia nu druk mee bezig. Het verslimt de techniek en verdomt de mens. Het herhalen in dit geval betreft de terugloop van de krantenverkoop. Dat baart mij zorg.

Vanmorgen kocht ik in het winkeltje bij de benzinepomp Trouw en de NRC. De mevrouw achter de balie (desk!) vouwde ze bedachtzaam op en stak ze mij toe en zei: ‘Ik wens u veel genot’. Daar keek ik van op. Ik bedankte haar en met haar woorden nog vers in mijn hoofd, liep ik naar buiten. Ik kon mij niet herinneren dat een verkoper in een winkel waar ik een krant kocht, dat ooit tegen mij had gezegd. Kennelijk is een krant geen ding dat men associeert met genot. Het woord krant neigt hier ook niet toe, omdat het uit het Franse courant komt, hetgeen algemeen betekent en zelfs ordinair. Platter kun je het bijna niet krijgen. In vroegere tijden was de krant hét nieuwsmiddel, maar weinig voorwerpen leden ook zo’n kort bestaan. In de krant van de vorige dag werd de vis verpakt (heb ik weliswaar nooit zelf meegemaakt) of werd in de verschoonde kattenbak gedaan. Daar had je dan als journalist, als fotograaf, columnist, opmaker en drukker zo je best voor gedaan! Als verslaafde krantenlezer weet ik dat ik aan het kortste eind trek en krantenverkopers weten dat ook. Ze hebben met mij -arme sloeber- te doen. Elders in het winkeltje lag een stapel boeken met de opdruk FEELGOOD. Kijk, dat garandeert genot. Achter de toonbank, achter glas, lagen een paar dozen met luxe sigaren. Ook daar straalde het genot vanaf. En elders lagen speeltjes, want kinderen worden zeurderig als ze lang in de auto moeten zitten. De aankoop van zulke dingen gaat bijna altijd gepaard met veel plezier of geniet ervan. Maar een paar kranten? Er wás toch niet iets mee? Men zou toch niet …? Was ik misschien de laatste koper? En daarbij; het huidige wereldnieuws is bepaald niet om van te genieten. Misschien bedoelde zij het alleen maar ironisch.

Enfin … Thuis vouwde ik de kranten open en nam me voor er geweldig van te gaan genieten. Nog meer dan ik al die jaren heb gedaan. Want het voelt als een aflopende zaak, als het sluiten van de deur van een hersengymnastiekwinkel. Stond bij de inrit niet geheel toevallig een bulldozer? De chauffeur zat te zappen. Zo dadelijk mocht hij aanvallen.

1.7.26 PlaatKeus #30 Muziek = emotie. Beter kun je het niet samenvatten. Dat zou ook een formule kunnen zijn, iets uit de wereld van de abstracte wetenschappen, met name fysica of wiskunde. Daar gaat weinig gevoel van uit. Geen empathie, gehos en zeker geen geschreeuw. Einstein, om maar eens iemand te noemen, was niet alleen een briljante wetenschapper, maar ook een begenadigde violist, maar een popgroep met de naam Albert Einstein erin ken ik niet. Einstein on the beach, maar dat is heel iets anders. In de zomers zo tussen ’74 en ’80 verbleef ik meerdere keren een weekend op Terschelling. Meestal kampeerde ik met een of meerdere vrienden op de beruchte camping Appelhof. ’s Avonds en soms tot diep in de nacht brachten we door in een van de muziekcafe’s in Midsland. Zo tegen de middag liepen we dan naar de er tegenover liggende ‘Boerderij’ om wat te eten. Altijd tosti’s en soep – keuze uit groente of tomaten. De muziek was aangenaam. Geen hitparade. Een verademing. In de zomer van ’79 draaide er bijna continu een plaat die ik eerst niks vond, maar langzamerhand begon te waarderen. ‘Fisher Z’, heette de band en de plaat Word Salad. Beetje new-wave, maar eenvoudiger. Kort erop speelde Fisher Z in het Sterrenbos in Groningen. Omdat ik in die dagen de platenafdeling van een warenhuis runde, moest ik bij de tijd blijven, vandaar dat ik ook weleens naar die zondagmiddagconcerten toe ging. In het echt klonk die muziek van Fisher Z veel beter dan op die plaat. Veel voller en ook rauwer. Het gebeurde weleens dat klanten vroegen om platen van een artiest of een band die zij daags ervoor in het Sterrenbos hadden zien spelen. Als ik dit aanvoelde, dan bestelde ik al een paar exemplaren van zo’n band of artiest. Zo ook met Word Sald. Met die ene elpee moesten de Fisher Z- liefhebbers het voorlopig doen. Een tweede plaat kwam en een derde en daarna hield het ook al zo’n beetje op met Fisher Z. Ik zag de band in die jaren enkele keren op festivals. Maar waar kwam die naam nu vandaan? Wat betekent dat Fisher Z? Ik zocht het op. Het blijkt een aanduiding te zijn uit de wereld van de statistieken. Dat kon ik helemaal niet rijmen met muziek. Ingeval zou het misschien eerder iets zijn voor lieden als Philip Glass of Brian Eno; tamelijk mathematiche componisten. Helemaal niet met de nogal springerige John Watts, voorzanger en belangrijkste man van de band. Tot ik las dat John Watts was afgestudeerd in de psychologie en muziek maken zag als een vorm van therapie. In de psychologische wereld worden ook vaak statistieken gebruikt om zaken inzichtelijk te maken. Mogelijk lag hier het idee de band te noemen naar Ronald Aylmer Fisher. Een op en top Engelsman, net als John Watts. Fisher werd geboren in Londen in 1890. Hij was een briljante wiskundige, geneticus én sterrenkundige. De Z staat voor de waarde waarin men statistieken uitdrukt, de zogeheten Z-score. Hierbij is Z 0 (nul) het gemiddelde, de neutrale rechte lijn. Toch wonderlijk dat een strakke new-waveband de naam gebruikt van een keurige, zo op de foto te zien, nogal stijve man. Sir Fisher stierf in Australië in juli 1962. De muziek van John Watts en zijn maatjes heeft hij dus nooit gehoord. Misschien jammer, want het is nog steeds prima aan te horen. Om sir Fisher te eren en Fisher Z -still alive & kicking!- onlangs zelfs weer op tounee- kies ik als PlaatKeus vandaag: Word Salad van Fisher Z. Uitgebracht in 1979.