September 2017

Aanstelling 1.9.17

Precies 50 jaar geleden trad ik in dienst van het bedrijf Stork te Assen. Mijn vader stond erop mee te gaan naar het sollicitatiegesprek, omdat hij als landbouwer dacht een zekere invloed te hebben. Maar de personeelschef, meneer van Ree, negeerde hem wijselijk. Op zijn vraag naar hobby’s of plezierige bezigheden, zei ik, dat ik graag tekende en schilderde. Hierin was hij erg geïnteresseerd. Dit lag precies in de lijn van het fijne machinewerk, zei hij. Mijn vader sloeg dat tekenen en schilderen van mij niet erg hoog aan, in tegenstelling tot mijn moeder, van wie ik dit, weliswaar schrale talent, had geërfd. Mogelijk mede hierdoor werd ik aangenomen en werd metaaldraaier. Elf jaar heb ik dit vak met vallen en opstaan uitgeoefend. Het tekenen en schilderen maakte weldra plaats voor muziek en schrijven. Mijn eerste stukje verscheen in het bedrijfsblad van Stork. Dit is ook bijna 50 jaar geleden. We zeggen dat de tijd vliegt. Metaforisch gesproken. Of vliegen wij door de tijd? Dat is even surreëel.

Sloppenkinderen 2.9.17

Legio schrijvers noemen Kees de jongen van Theo Thijssen hun mooiste jeugdboek. Ik kan dit niet beamen. Mijn mooiste jeugdboek(en) waren de Kameleons en de Arendsogen. Daar komt niets overheen. Quilty pleasures of niet. In iets latere tijd -ik was iets van 17- kocht ik bij een boekenstalletje op het Koopmansplein Het boek van Gijs van J.P. Zoomers-Vermeer, uitgegeven in 1955 bij de Arbeiderspers. Het behoorde tot een serie van vier, die ik later heb gecompleteerd. De boeken spelen zich net als Kees de jongen en Woutertje Pieterse van Multatuli af in de grote stad en verhalen van een treurig bestaan. Zou ik ooit al verlangd hebben naar een optrekje in zeg Utrecht, de boeken over de sloppenkinderen van mevrouw Zoomers-Vermeer zouden dat afdoende hebben tegengehouden. Op internet heb ik tevergeefs gezocht naar de biografie van de auteur. Wel worden haar boeken nog volop aangeboden, maar de prijzen zijn niet schokkend. Misschien moet ik maar eens een lans voor haar breken. Hier alvast een voorzetje.

Krantenberg 3.9.17

Ieder mens heeft zijn merkwaardigheden. Ik met kranten. Neem dit weekend. Ik ontving gisteren zoals gewoonlijk de Volkskrant. Daarna ben ik in de loop van de ochtend naar Gasselternijveen gefietst en heb het Dagblad van het Noorden gekocht. Meestal neem ik Trouw erbij, maar nu een keertje niet. Met deze twee kranten heb ik mij gisteren vermeid. Zoeven haalde ik schoonmoe van het zorgcentrum. Vooraf bij de Jumbo nog een paar fruitjes gehaald en -het was het laatste exemplaar!- NRCnext. Ik gun mij weleens een giftje voor bewezen diensten. In schoonmoe’s rollatormandje bespeurde ik ook een krant. De Telegraaf. Die koopt ze nooit! ‘Die is niet van mij hoor’, zei ze mij verbaasd aankijkend. Hoe kon dit? Rolde zij achter de verkeerde lator of had iemand een vergissinkje gemaakt? Dat kan best. ‘Neem maar mee’ zei ze met een wimpelhand. Doordeweeks probeer ik geen kranten te kopen. Tenzij er iets in de wereld gebeurt dat beslist gelezen moet worden. Dat is morgen wis en waarachtig weer het geval.

Inktzwart 4.9.17

Ik herinner me -herinneringen zijn even onzuiver als een berg stront, met dien verstande dat daar de mooiste bloemen uit opbloeien- dat de meester van de lagere school ons eens vertelde dat er in Nederland in het jaar 2000 twintigmiljoen mensen zullen wonen. Dat is niet uitgekomen. Het zijn er ‘slechts’ zeventienmiljoen geworden. Nog aardig wat voor een tuinfeestje, maar toch. Ondanks deze foute inschatting kwamen er geluiden dat we de grenzen moesten sluiten voor een te verwachten immigrantengolf. Want met die twintigmiljoen werden spekblanke Ollanders bedoeld en geen zongetinte mediterranen. Hebben wij van het gekleurde verleden geleerd? Welnee. Lees ik daar niet dat ene meneer Wittevel uit Reuzel aan de Oude Lek elke ongewenste grensoverschrijder gratis het middel ghreline wil verstrekken. Hij zegt in een wetenschappelijk blad te hebben gelezen dat deze stof de wens naar het zuiden versterkt. ‘Het werkt uitstekend bij zwaluwen’ zegt hij. Ik las het met verbazing en dacht aan de teraardestorting van Icarus. De wereld is er nadien niet beter op geworden.

Kast 6.9.17

Ineens hadden wij het in de nazit van de wandeling over homoseksualiteit. Tafelgesprekken zijn meestal een wirwar van onderwerpen en niet zelden lever ik het een en ander aan. Ik vertelde dat ik jarenlang een tandarts had gehad, wiens vrouw hem assisteerde en wier kinderen bijgeval weleens in de behandelkamer verpoosden. Het gaf aan het tandartsbezoek een welkome lichte toets. Gaandeweg zag ik zijn vrouw en kinderen minder en tenslotte helemaal niet meer. Enige jaren geleden ontving ik een brief met daarin de boodschap dat hij stopte met zijn praktijk en met zijn vriend naar Spanje verhuisde. Dat waren twee verrassende nieuwtjes ineen. De vrouwen leken dit bewonderenswaardig op te pakken, maar de enige man in ons gezelschap zag ik verstrakken. Dat is een christelijke man met drie ongetrouwde zonen. Dat kan meerdere oorzaken hebben, maar ook die ene. Homoseksualiteit en kerk is nog steeds een moeilijke combinatie. Eindelijk bevrijd uit die donkere kast betreedt hij (of zij) een wereld van klepelloze melaatsen. Niet elk licht werkt bevrijdend.

Verwarrend 7.9.17

Waar ligt als het om de etiquette gaat de grens tussen de aanspreekvormen u en jij? Ik weet dat niet. Ik rommel maar wat aan en zolang de wenkbrauwen niet al te zichtbaar rijzen, zit het denk ik wel goed. Onze onlangs naar de gemeente Emmen verhuisde burgemeester sprak ik bij onze laatste ontmoeting gaande het gesprek ineens aan met jij en jou, waarna hij daar ook toe overging. Het gesprek werd ineens veel lichter van toon. Nu moest ik vanavond voor de opening van de expositie Neie Boeren in de Grote Kerk te Emmen mijn bijdrage uit het begeleidend boekwerkje voorlezen. Onze oud-burgemeester opende deze expositie. Vooraf kwamen wij elkaar tegen. Hij stak vriendelijk zijn hand uit en ik zei ‘Dag Erik, hoe is’t ermee?’ Meteen had ik spijt, want zo spreek je een burgemeester niet aan. Had ik niet zoals bij onze andere ontmoetingen ‘Meneer’ moeten zeggen en dan afwachten? Moeilijk hoor. Ik zou op school veel liever goede omgangsvormen hebben geleerd dan worteltrekken of machtsverheffen.

Foto 8.9.17

In het kader van de Open Monumentendag deden wij vanmorgen ons kerkje aan. Het is van haar vrijzinnig hervormde status ontheven en een cultureel zaaltje van belang geworden. In mijn kindertijd kwam ik er elke zondag voor een uurtje catechisatie. Dit heeft mijn inzicht in het verschil tussen goed en kwaad niet weetbaar veranderd. Nu was er een tentoonstellinkje over de vervening en konden bezoekers in gepaste outfit op portret. Wij hesen ons in enige kledingstukken die ons geheel naar de aard van de tijd amper pasten. Vanavond kreeg ik het resultaat op mijn scherm te zien. Dat was wel even schrikken. Het was alsof ik de galmstem van mijn vroede vaderen op me af hoorde komen. Maar ik hoorde er vooral de wijze woorden van het lied Hezekiah Jones* in -over de verdeeldheid binnen het geloof- en op slag wist ik dat ik hier meer van leerde dan van alle verhaaltjes van Juffrouw Trip. Mijn spotlustig mondje zegt me dat ik het niet makkelijk zou hebben gehad.

  • Hezekiah Jones was een lied van de nogal excentrieke Amerikaanse zanger Lord
    Buckley. Bob Dylan speelde het in zijn tijd als folk/protestzanger regelmatig en in die
    uitvoering ken ik het. Dylan noemde Buckley the bebob preacher who defied all labels.

Vaart 9.9.17

Soms lijkt het alsof de hele wereld op z’n kop staat. Ineens is er zoveel tegelijk te doen dat je niet weet wat te kiezen. We gingen uiteindelijk voor ‘Kunst aan de Vaart’, niet in de laatste plaats omdat Assen me dierbaar is. In aanleg is het bedoeld om publiek kennis te laten maken met diverse soorten kunst, maar evenzo om toegang te krijgen tot de prachtige huizen waarvan de wellicht niet onbemiddelde bewoners eenmalig de deuren openen. Ik ken het gebied goed. Vroeger stond De ‘oude’ Kolk aan het hoofd van de Vaart. Ik ben daar vaak geweest en heb er geweldige concerten meegemaakt. Zelf heb ik er meerdere keren mogen voorlezen. In een souterrain aan de vaart ging in 1972 een vriend van mij met zijn vriendin samenwonen. Ze werkten allebei in dezelfde psychiatrische inrichting. Zij typte versjes van mij uit en plaatste ze in hun bedrijfsblad. Ik verbeelde mij vanmiddag er weer even te zijn. Alleen die lijzige stem van Dimitri van Toren ontbrak gelukkig.

Weerzien 10.9.17

Ik was in de schuur bezig toen ik iemand ‘Hallo’ hoorde zeggen. Ik keek op en zag een slanke man in de deuropening staan. ‘Dag Willem’, zei hij ‘ken je mij nog?’ Ik herkende hem alleen van zijn de stem. ‘Jan, dat is lang geleden’, zei ik en schudde zijn hand. Ik nam hem mee naar Engeland. Kerst ’79 was dat. Het moet veel voor hem hebben betekend, want hij begon er meteen over. Vooral het vertrouwen dat ik hem had geschonken, terwijl wij elkaar amper kenden. Ik nodigde hem binnen en bood hem te drinken aan. ‘Nee, ik hoef niets’, zei hij. In Engeland was hij ook erg zuinig met eten en drinken, flitste door me heen. ‘Ik heb suikerziekte en kan weinig verdragen’, zei hij. En weer overlaadde hij me met complimenten. ‘Genoeg!’, zei ik quasi-streng, ‘Straks geef je me nog een prijs’. Wij lachten en praten verder. Hij heeft een dochter van 23, een huis vol prachtige gitaren, maar geen levensgezel. Dat mist eraan, voelde ik.

Schrieperigheid 11.9.17

Paul McCartney heeft op facebook een oproep gedaan waarin hij mensen vraagt te reageren als ze met hem het nummer Get Back tijdens een concert in New York willen zingen. Elke kanshebber -er kan uiteindelijk maar eentje winnen- moet wil hij/zij hiervoor in aanmerking komen een donatie doen die naar een zekere stichting gaat. -Einde bericht-. Stel dat er 100.000 mensen reageren en dat elk 10 dollar doneert. Alzo komt er een miljoen binnen. Dat lijkt prachtig, maar het is pure schrieperigheid. Het is een manier om gratis publiciteit te ventileren. Het zou veel aardiger zijn als sir Paul dit allemaal voor eigen rekening neemt en niet zijn idolate fans de veel smallere beurs laat trekken. Deze vorm van zelfverrijking is overigens niet nieuw in de wereld van de beroemdheden en die van gekkigheid niet weten wat zij met al hun geld aan moeten. Ik geloof dat Bob Geldof en Sting wel een groot hart hebben als het om schenkingen gaat. En Bruce Springsteen, houd ik mij voor.

Bloeddruk 12.9.17

Zo eens per jaar moet mijn vrouw haar bloeddruk laten meten. Voor een preciese 24-uurs check-up kreeg ze vanmorgen een armbandmeter omgeknoopt. Dit apparaat meet elk halfuur haar bloeddruk. Het gaat met enig lawaai gepaard en de drager moet gedurende de meting volkomen rust in acht nemen. Het ding belemmert het leven op zich niet en daarom reden we als uitje naar Stadskanaal om aldaar boodschappen te doen. We liepen in de overdekte winkelpassage toen het apparaat ineens begon te razen. Onder het dak klonk het tamelijk heftig. Mijn vrouw bleef stokstijf staan en leunde op haar taststok als de living statue van een schaapsherder die peinzend over zijn kudde kijkt. Enige voorbijgangers keken geïnteresseerd en ook enigszins bezorgd toe. De meting duurt een volle minuut. Halverwege de meting kwam er een al wat oudere man naar mij toe. Hij fluisterde of mevrouw wel in orde was. Ik fluisterde terug: ‘Ja hoor, ze wordt even opgepompt’. Ik zag de man denken ‘die is gek’. Hoofdschuddend liep hij verder.

Middel 13.9.17

Het is misschien zout op een onschuldig slakje leggen (figuurlijk gesproken). De kwestie is deze: de gemeente gaat in het kader van duurzaamheid en energiebesparing bezuinigen op straatverlichting. Dat lees ik in ons gemeentekrantje. Het milieu is mij een grote zorg en ik juich elke poging om onze ecologische voetafdruk te verkleinen van harte toe. Op dezelfde pagina echter lees ik een artikel over een te houden autorally ten bate van de stichting ‘Kind & Hulphond’. Alleen toegankelijk voor auto’s van minimaal 25 jaar. Klassiekers dus die het milieu ernstig vervuilen. Onder het mom ‘het doel heiligt de middelen’ rijden 70 auto’s elk 180 kilometers. Hoeveel straatlampen zou de gemeente daar voor ieders veiligheid niet een uurtje langer voor kunnen laten branden? Na de rit zal er stevig worden gebuffeld. Dit doet me denken aan een liedje van Fons Jansen, waarin voor de hulp aan de behoeftigen in de wereld zoveel mogelijk wordt weggevroten. Het oog wil ook wat en de gulle gever wil gekend zijn. Heel bedenkelijk.

Onbeantwoord 14.9.17

We gingen naar het theater. Dat doen we weinig. We zochten rij en stoel op en zeiden dat we eigenlijk vaker zouden moeten gaan. Naast me ging een mevrouw zitten. Ik zag met schrik wie het was. Ze woonde vroeger in mijn buurtje. Het maakte mij erg onrustig. Ik kon ook geen andere plek opzoeken, zoals in een cafézaal. Haar man plofte naast haar neer. Op een winterse middag kwam zij eens bij me op bezoek. Ze was aanvankelijk erg afstandelijk, maar gaandeweg smolt haar verlegenheid. Ze werd vrijelijk en drong zich bijna bij me op. Ik wist niet hoe ik mij er tegen moest verzetten, belandde in een draaikolk van verwarring. Tegen zessen moest ze plotseling weg, want ze zou met haar vriend naar de jaarlijkse toneeluitvoering in het dorpscafé. Dat was deze man. Ik groette haar en voelde een lichte blos. ‘Zo, ook naar het theater?’ zei ik in arren moede. Ze knikte. En een seconde misschien zag ik weer die weke blik in haar ogen.

Flesje 15.9.17

Met het vooruitzicht dat er bij elke stap iets voor me kan opdoemen dat een herinnering losweekt, begaf ik mij op rommeltjesraaptocht. Een plezierige manier van milieubescherming, ofschoon het niet nodig zou moeten zijn. Vanmorgen vond ik een klein flesje. Schoongespoeld zag ik dat het een Underberg-flesje was, dat beroemde kruidenbittertje uit Duitsland. Ik wist niet dat dit nog bestond. In 1967 gingen we van de LTS op excursie naar de Volkswagenbusjesfabriek in Hannover. ‘s Avonds speelde er in het naast onze jeugdherberg gelegen voetbalstadion een wedstrijd, waar een aantal van ons graag naartoe wilde. Onze begeleidende leraar gaf toestemming. De volgende dag zagen we overal op straat van die Unterberg-flesjes liggen. Bij een souvenirstalletje kochten de stoersten onder ons er een aantal van. Zogenaamd voor thuis. Onze leraar zag het gelaten aan. De één na de ander moest onderweg zijn maag ledigen. Terug in Veendam liet hij de bus stoppen en hield een donderpreek over zoveel liederlijkheid. Dus Underberg, Du hast etwas auf dienem Gewissen…, zo te zeggen.

Uilenspiegel 16.9.17

Ik heb laatst aandacht besteed aan de hier en daar langs bepaalde wegen neergezette houten uilen (zie Uilskuiken). Ik dacht dat het wel bij die twee zou blijven, maar ontdekte er later nog twee. Het zijn allemaal verschillende. Ik heb links en rechts gevraagd waar deze uilenborden voor dienen, maar kreeg geen antwoord. Ik heb het eerste door mij aangetroffen exemplaar, omdat ik het in verslonsde staat in de slootwal aantrof, andermaal mee naar huis genomen en schoongemaakt. De tekst ‘Sorry, ik was even weg’, waar mijn vrouw zo ongenadig om moest lachen, schreeuwde om een vervolg. Ik schreef een passende limerick op het bord. Toen nam ik de tweede op en deed hetzelfde, en de derde. Daar de vierde in een woonomgeving stond en ik deze uiteraard ook van een versje wilde voorzien, heb ik het gisteravond geruild voor een al opgepimpte. Ik had de hele dag al plezier dat de bewoners van het buurtje morgen een heel ander bord zullen aantreffen. Het is vermaak zonder leed.

Desolaat 17.9.17

Harry Dean Stanton is dood. Wie? Hij was inderdaad geen Dustin Hoffman of Robin Williams. Ik ken hem van -eigenlijk alleen dáár van- Paris, Texas. Hij speelt Travis, een uit de woestijn opduikende zwerver, die op zoek gaat naar zijn ex, die hij uiteindelijk in een bordeel vindt. Een magistrale film. Als ik een lijstje van mooiste films zou moeten maken, zou het hoog eindigen. De plaat met muziek van Ry Cooder heb ik grijs gedraaid, vooral op eenzame momenten het stuk I knew these people. Het zou prachtig zijn -mocht het zo uitkomen- als deze monoloog tijdens mijn crematiedienst integraal gedraaid wordt. Ik ben weliswaar mordicus tegen doodgaan en dan met name dat van mijzelf en mijn naasten, maar het is onvermijdelijk. Ik zou een vereniging willen oprichten die zich hier voor inzet. Niet in de mate waarin sommige mensen er voor knokken. Maar na het zien van die film en het beluisteren van die desolate, schelle gitaarklanken kon ik er meestal weer een aardig tijdje tegen.

Oud 18.9.17

Twaalf uur. Mijn vrouw is al naar bed. Ik rond de dag af met een versje, laat Trudie uit, schuif kop en schotel op het aanrecht en poets mijn tanden. Ik zet de deuren op een kier, zodat ze tussen de kamers kan pendelen. Haar behoeften zijn ondoorgrondelijk. Het aardappelkistje met deken onder tafel is haar alles, maar evengoed springt ze op de twee tegen elkaar geschoven stoelen in de achterkamer. Dat is opmerkelijk, omdat ze die sprong bijna niet meer kan maken. Soms neemt ze ’em zomaar ineens. Dan kijkt ze achterom alsof ze een complimentje wil. In het donker is dat springen nog moeilijker, toch doet ze het. Soms ligt ze op mijn voetenbankje, waar Wilfried overdag nogal eens op ligt te snorren. In mensenjaren gerekend moet ze al dik 90 zijn. Ik draai de buitendeur op slot en ga naar bed. M’n benen worden zwaar. Morgenvroeg wekt ze me, hoe oud ze ook is. Ze kan nog wel even mee. Zo schuiven we saampjes op.

Schoffering 19.9.17

In onze taal rommelt het voortdurend over de schrijfwijze van bepaalde woorden. Ik houd me doorgaans aan de Van Dale, maar ook daar is niet altijd eenduidigheid. Doorgaans leg ik mij gemakkelijk neer bij veranderingen. Tamelijk onlogische tussen-ennen, zoals bij de laatste taalspellingsadvies, laat ik soms plagerig weg. In één van de stukjes die ik voor het Semslinie-project schreef, gebruikte ik het woord appèl. Het zat ook in de titel van mijn stukje en wel in de betekenis van ‘sein om te verzamelen’. Het vormde een kernwoord. Ik had het bewust met accent grave geschreven, zoals ik alles heel bewust overdenk en neerschrijf. Het moest duidelijk afwijken van appel (vrucht). Maar de redacteur van het boekje (oud-leraar Nederlands!) besliste anders. Ik beschouw het nog steeds als een schoffering. Het Genootschap Onze Taal schrijft ‘Wat ons betreft is appèl ook juist’, het Groene Boekje daarentegen zwalkt. Hoe moeten wij Nieuwe Nederlanders uitleggen dat appel in appelplaats een andere appel is dan in appelflap, als we het zelf niet weten?

Beweging 20.9.17

Soms denk je dat je iets bedacht hebt en dan blijkt het er al te zijn. Dat had ik vanmiddag. Tijdens het tuinruimen zag ik een atalantavlinder rondfladderen. Ik ben niet zo thuis in de vlinderwereld, maar dit leek me nogal laat in het seizoen. Hoe het kwam weet ik niet, maar op slag had ik een beweging -geen religie!- in mijn kop die ik de atalantisten noemde. Naar die vlinder. Ik liet als eerste regel opnemen we elkaar bij het begroeten niet meer zoenen. Ook dat we geen commentaar meer op andermans manier van leven mogen hebben en dat mensenhandel met onmiddellijke ingang met wortel en tak moet worden uitgeroeid. Dat bedacht ik, terwijl ik kalmpjes de eerste herfstbladeren bij elkaar harkte. Maar die naam zat me toch niet lekker. Toen ik het intikte zag ik dat het woord allang bestaat, en dat het, jawel, een soort beweging is. Van halvegaren en malloten weliswaar, maar toch… Mijn club zou veel aardser zijn. Áls het zover zou zijn gekomen.

Kleding 21.9.17

Ondanks mijn desinteresse in mode lees ik altijd de rubriek ‘smaakmakers’ in de zaterdagse Volkskrant. ‘Ik let niet op wat ik aantrek’ zegt een 32-jarige styliste, die in een skinny spijkerbroek (van Joe’s Jeans) met grote gaten erin, staat afgebeeld. Je reinste lulkoek natuurlijk. De één is bezeten van sokken (300 paar), de ander van Nikes (80 paar, ‘ik draag ze allemaal hoor’), weer een ander van Ralph Lauren-ondergoed (een kast vol). Hoe zit ik er zelf bij? dacht ik, toen ik het doorlas. Mijn broek kocht ik bij C&A. Het is van biocotton. Een uitverkoopje. Valt erg ruim. Ik draag het alleen thuis, als werkbroek. Het T-shirt kocht ik gisteren bij Action, een zogenaamde longshirt van het merk Jack Parker. Het zit tot ver over de kont. Heerlijk. De sokken kocht ik op de Zuidlaardermarkt, vijf paar voor €10.- Mijn onderbroek is van Don Underwear van Zeeman. Schoenen draag ik alleen buiten en koop ik bijna altijd in de uitverkoop. Zo zit ik er bij: heel warmpjes.

Verdachte 22.9.17

Ik was voor een partijtje schroten bij de bouwwinkel. Ik kom hier vaker, maar dat zegt niets. Dieven winnen ook het vertrouwen van het personeel en gaan er dan lachend met de buit vandoor. Dat wordt elke winkelbediende geleerd. Ik reed mijn winkelkar naar de kassa, betaalde en schoof het door het poortje. Prompt ging het alarm af. Ik was verbaasd en wilde doorrijden, maar de caissière sommeerde mij te stoppen. Klanten keken hoe de kleptomaan zou worden ingerekend. ‘Ik heb verder niks’, zei ik en leegde onder het toeziend oog van de caissière mijn zakken. ‘Heeft u misschien een nieuw kledingstuk aan?’ zei ze toen op mildere toon. ‘Nee’, zei ik ‘of ja, een T-shirt’. ‘Dan is het antidiefstallabeltje er denk ik niet uitgehaald?’ zei ze. Ze stelde voor het ding ter plekke te verwijderen. ‘Anders krijgt u overal hetzelfde gelazer’. Ik sjorde mijn shirt uit mijn broek. Het ding zat aan de achterzijde. Met zichtbaar plezier bezag ze mijn gekronkel en knipte het toen behoedzaam af.

Ede 23.9.17

We waren neergestreken op het zonovergoten terras van café Hammingh’ aan het Reitdiep te Garnwerd. Mooiere stek is amper denkbaar. Het terras was aardig vol. Aan de tafel naast ons zaten twee vrouwen. Mijn vrouw ging even toiletteren. Ik hoorde de ene vrouw over Ede Staal praten. Mijn aandacht was gewekt. ‘Het is een zanger die in het Groningse dialect zingt’, zei ze, ‘en die door velen de Jacques Brel van het Noorden wordt genoemd’. Toen de vrouw was uitgesproken, zei ik ‘U komt zeker niet uit Groningen?’ ‘Ja hoor, uit de stad, maar zíj komt van elders’, zei ze pinnig. Daarmee was ons gesprek afgelopen. Opnieuw kwam Ede Staal ter sprake. Ze zei dat hij vijf vriendinnen had en dat ook Liesbeth List daartoe behoorde. ‘Goh, die ouwe Lies en dat helemaal in Groningen’, zei de andere. Het was mij ook totaal vreemd. Toen waaierde het gesprek naar verre oorden. Dan is het in ons huisje zo met z’n tweetjes toch aardig behelpen, dacht ik bijna hardop.

Paarden 24.9.17

Het is precies tien jaar geleden dat ik op de hoek van de Hondsrugweg en de Noordveensedijk als bijdrage aan de Zeuvendaagse enkele gedichten heb staan voorlezen. Het was op een heiige maandagmorgen. De wandelaars, de helpers, de rtv-crew en een handvol nieuwsgierigen bevolkten het kruispunt. Een groepje paarden keek toe. Aan weerszijden van deze driesprong staan op korte afstand twee afvalbakken die regelmatig door gemeentewerker Lammert Soepbal worden geledigd. Hij noemt mij als ik hem tegenkom altijd ‘William, de sneldichter’. Dat moet hij ooit ergens hebben opgevangen. Op het moment dat ik mijn voordrachtje wilde beginnen zag ik zijn trekkertje naderbij komen. Hij wenste doorgang en maande de mensen aan de kant te gaan. Bij de afvalbak bleef hij staan en keek vanuit de cabine naar ons. Maar vanaf dat punt kon hij mij onmogelijk zien en horen. Hád hij de kans de ‘sneldichter’ eens in actie te zien, liet hij het lopen! Er grazen vijf paarden op dat stuk land. Wie weet zijn het nog dezelfde.

Snorren 25.9.17

Wilfried heeft de gewoonte om met zijn dikke lijf vlak voor me op de krant te gaan liggen. Ik ben medeschuldig aan deze vrijpostigheid en hij beschouwt het als een legitieme verworvenheid. Ik lees de berichten om hem heen en daarna ga ik noodgedwongen iets anders doen. Wegduwen kan, maar dat pikt hij niet. Het blijft een rode kater. Alzo leven we dus als een weerspannig koppel. Aan een mokkende mens krijg ik al snel de pest, maar het gesnor van Wilfried kan ik uren verdragen. Deze plezierige eigenschap doet haar soms boven de hond uitstijgen. Trudie barst bij elke wissewas in neurotisch geblaf uit. Die overdreven waakzaamheid ontbeert Wilfried volledig. Een snorrende hond.., dat zou nog eens wat zijn. Dit aan katten voorbehouden eigenschapje moet toch te inplanteren zijn in een beagle of een schotse collie? En zou de mens bij het afnemen van zijn geestelijke vermogens ook niet gezegend zijn met gezellig gesnor? Het zou mijn gereserveerdheid ten aanzien van genetische manipulatie op slag doen verdwijnen.

Afgedaan 26.9.17

Toen ik het schrijven serieus begon op te vatten en een elektrische typemachine, alsmede de Dikke Van Dale aanschafte, moest er om het plaatje compleet te maken ook een verstelbare draaistoel komen. Een kennis kon die goedkoop leveren. Meer dan 25 jaar heb ik als een prins op die stoel gezeten. Duizenden uren zijn dat geweest. Maar langzamerhand begon mijn rug te jeremiëren. Kort geleden kreeg ik van mijn schoonmoeder een petieterig stoeltje dat prima zit. De draaistoel verdween naar de keuken en bleek er al gauw een sta-in-de weg. Daarna stond het in de schuur te verstoffen en dus zeiden we dat-ie maar weg moest. De inbrengwinkel wilde het ook al niet meer. ‘Te ver heen’, zei de man. Dus bracht ik het vanmiddag naar de vuilstort. Was ik maar een bekende persoonlijkheid, dacht ik op weg er naartoe, een idolate fan zou het graag willen hebben. Met zwaar gemoed gooide ik het in de container. ‘Dag stoel’, zei ik. Het voelde een moment als een soort verraad.

Hesje 27.9.17

Voornemens een zorgeloos tochtje te maken, stapte ik na een paar honderd meters toch weer van mijn fiets om een blikje op te rapen. Het was natuurlijk het hek van de dam. De bermen langs de oude provinciale weg zijn onlangs gemaaid waardoor er een hoop blik en plastic aan het licht kwam. Ik kon dit niet aanzien en stopte om de haverklap, raapte het ergste vuil op en stopte het in één van mijn fietstassen. Ik ben allang ontwend me voor dit nederige werk te generen; schamen moeten zij zich die zonder nadenken deze lege omhulsels wegpleuren. Van de passerende fietsers is er doorgaans maar een enkeling die me groet. Mogelijk zien ze mij als getikt of als een taakgestrafte. Wat hier debet aan zou kunnen zijn is mijn attitude, zeg maar mijn uitstraling. Mensen die doende zijn aan wegen en bermen dragen standaard een hesje, meestal met schreeuwerige woorden erop. Dat maakt enorme indruk. Maar dat maakt de mens denk ik per definitie niet meteen milieubewuster.

Petje 28.9.17

Ik werd eens, als ingeschrevene van de vrijwilligersbank, gevraagd bij een evenement te assisteren bij het parkeren van de voertuigen. Ik moest daartoe een jasje aan waar op de rugzijde PARKEERWACHT stond. Dat vond ik ver boven mijn kunnen en ik zei dat ik het liever niet deed. Toen ik de dag dat het evenement speelde toevallig langs het terrein reed, zag ik een man het verkeer regelen die ik kende als werknemer van de gemeente. Hij straalde een air uit alsof hij de hoogste baas van het hele gebeuren was. Daar moest ik aan denken toen ik vanmorgen de oranje container bij de straat zette. Hij was boordevol. En bijgevolg misschien dacht ik ook aan het jongetje dat mij gisteren (zie Hesje) als één van de weinigen groette en met belangstelling keek wat ik uitspookte. Hij droeg een lollig petje met I am the Boss erop. Er is weinig ruimte op zo’n petje, dat is de pest, anders zou ik het als alternatief voor zo’n hesje dragen.

Tocht 29.9.17

Ik ben van geen enkel geloof en zal dat ook niet worden. Niet eens zozeer vanwege de voorgangers -ik ken er een paar en die vind ik best aardig- nee, het zijn de volgelingen die mij zo tegenstaan. De schrijversclub, waar ik sinds enkele jaren lid van ben, had vanavond een voorganger uitgenodigd om te vertellen hoe hij zijn preken schrijft. Dat is een vak apart, daar kunnen schrijvers veel van leren, was de reden. Ons land barst immers van schrijvende domineeszonen en -dochters. Die hebben allemaal goed naar pa geluisterd en waren voorbestemd hem op te volgen. Dat is mislukt, want Nederland ontkerstent en dominees zijn de risee van de arbeidsmarkt. De dominee van vanavond is al op pensioen en bleek een vrolijke Hans. Ik zou er wel een middagje mee door kunnen brengen. Toen ik eens vanwege een uitvaart onze dorpskerk bezocht, voelde ik een kouwe tocht. Alsof ik er niet bij mocht zijn. Op de terugweg goot en bliksemde het. Een geseling van hemelse allure.

Noords 30.9.17

Hoe komt het toch dat er in de provincie Groningen zoveel prachtige muziek wordt gemaakt? Vanmiddag was in Veendam de jaarlijkse Streektoaldag met uitsluitend Groninger artiesten. Voorbij Zwolle zullen weinigen hen kennen. In het verre Westen zijn Pé Daalemmer & Rooie Rinus, De Troebadoers, De Stroatklinkers, Edwin de Vries, Swinder, Harry Niehof, Bert Hadders, Martin Korthuis, Wia Buze of Marlene Bakker totaal onbekend. Zouden ze hun repertoire vernederlandsen en hun werkterrein verleggen, ze zouden goede kans maken binnen te lopen, maar daar is geen sprake van. Ze blijven in de geest van hun grote voorganger Ede Staal vasthouden aan hun moedertaal en aan hun woongebied. Misschien heeft het te maken met de geïsoleerde ligging van de provincie, met het wantrouwen jegens Den Haag, dat zo groot is dat soms de roep klinkt naar afscheiding. Zou ik niet doen. Wie weet mag ik er dan als buurgenoot ook niet meer in. Muziek is een machtige remedie tegen de ergste boosheid. Dát hoef je die ‘stugge’ Groningers niet te leren.