Februari 2018

Pink 1.2.18

Ik keek naar de Grammy Awards-uitreiking en schilde onderwijl een appeltje. Een opkikker-presentje van nichtje Heidi. Het waren appels met het stickertje Pink Lady, een soort die ik zelden koop. Een heerlijk fruitje niettemin. Op de buis verscheen tezelfdertijd de zangeres Pink. Dat zijn van die toevalligheden waar ik regelmatig tegenaan loop. In het ziekenhuis babbelde ik vorige week met een verpleegster die van oorsprong uit Tubbergen kwam. Tjee, Tubbergen. Ik kende het alleen van de motorraces van vroeger. Jaren die naam niet gehoord. Nu keek ik vanmorgen naar het nieuws en zag een grote brand in jawel… Tubbergen. Wonderlijk. Enige jaren geleden was Zeist vanwege iets op het Journaal. Een plaats wat me weinig zei. Nooit geweest. Sedertdien komt Zeist om de haverklap voorbij. Op de televisie, in de krant… Alsof zich hier geweldig veel afspeelt. Met die nonchalant gestylde zangeres voor ogen, die roze hartjes op het Pink Lady-doosje en onderwijl mijn appeltje schillend, zag het scherpe metaal haar kans. Auw! Godverdegot!! Scheurtje in de pink.

Melk 2.2.18

Ik ben opgegroeid op een boerderij. Mijn ouders hadden paarden, schapen en vooral koeien. Mijn moeder schepte ‘s morgens een pannetje uit één van de bussen, kookte het en dat dronken we. De melkbussen gingen naar de dorpsfabriek. Nu zijn er gigantische melkfabrieken. Die beweren allemaal dat zij de allerbeste koeienmelk leveren. Op hun pakken staan prachtige teksten en kleurige plaatjes. Zaken als: Wisten jullie dat het melken van onze koeien 7 minuten duurt? of Onze koeien staan 120 dagen, 6 uur per dag buiten. Wie interesseert dat nou? Die melk heet ineens ook heel swingend weidemelk. Maar de melk van diezelfde koeien wordt in de 245 dagen dat ze binnen staan niet stalmelk genoemd. Dat is raar. Er staat op die pakken al helemaal niet dat koeien bij felle zon onder een parasol moeten kunnen schuilen of bij regen onder een afdak en dat ze na 4-5 productiejaren in bliksoep of slaatjes terechtkomen. Ik drink desondanks nog steeds melk. Het liefst uit een fles of pak zonder opsmuk.

Stoma 3.2.18

Nicht Harmpje belde. Hoe het er mee ging? ‘Goed’, zei ik, hoewel dat enigszins bezijden de waarheid is, want het verschilt per dag. Op het belmoment ging het echter goed. Zij komt zelf uit de zorg, ik hoef haar dus geen leugentjes te vertellen. Haar broer, onze neef, heeft enige jaren een stoma gehad. ‘Hij kon er heel goed mee omgaan’, zei ze ongevraagd, alsof zo’n zak helemaal geen psychische en lichamelijke last vormt voor de drager. Toen mij werd meegedeeld dat er mogelijk een dergelijke uitgang moest worden aangebracht, overdacht ik serieus voortijdig uit het leven te stappen. Overreactie vanzelf, maar ik was de wanhoop nabij. Mijn nicht bracht het alsof er na een partiële amputatie weinig verandering in iemands leven zou plaatsvinden. Ze zei dit met zekere stelligheid. Het lag mij voor in de mond te zeggen dat indien mijn neef royaal van het genot des vleses had geproefd, hij beslist anders zou hebben gesproken. Maar zoals het nu lijkt ontsnap ik Wetenschapzijdank aan het stomamonster.

Bluesbrothers 4.2.18

Ik liep tegen de 27-club aan. Dat is de verzamelnaam van muziekartiesten die op hun 27ste zijn gestorven. Onder hen bevinden zich o.a. Jimi Hendrix, Janis Joplin, Robert Johnson en Amy Winehouse. Ook Alan ‘Blind Owl’ Wilson. Hij was zanger/gitarist van Canned Heat, die met Going to the country enige bekendheid genoot. Wilson was een begenadigd muzikant, maar had zijn voorkomen tegen. Hij leed aan bijziendheid en droeg een zware bril. Hij was geen poseur zoals Jim Morrrison of Brian Jones. Naast muzikant was hij begaan met het behoud van de natuur, met name de sequoiabossen in Californië. Na zijn dood ging de mare dat hij zich had verhangen aan zo’n enorme sequoiaboom. Dat bleek een macabere verzinsel. In het nummer Poor Moon uit 1968 beschrijft hij zijn bezorgdheid over het vervuilen van de maan. Bluesmensen zingen weinig over zulke zaken. Hij was, zou je kunnen stellen, ecologisch geëngageerd. Harry ‘Cuby’ Muskee heeft over het leed van dansende beren gezongen, Alan Wilson over hun leefomgeving, 27 jaar eerder.

Vliegen

Ons nichtje was terug van twee weken New York. Heerlijk had ze het gehad. Ik wilde er ooit ook naartoe. Het kwam er niet van. Elk deel van de wereld is waard gezien te worden. Ik denk met plezier terug aan mijn buitenlandse reizen. ‘Komende zomer ga ik opnieuw’, zei ze op mijn vraag. Voor een paar honderd euro’s ben je aan de overkant. Een werkmaandje McDonalds en het is binnen bereik. Ik ga dat niet verzieken. Wil je vliegreizen ontmoedigen, dan moet je thuisblijven. Daar is tegenwoordig geen sprake van. Alles beter dan Home Sweet Home, lijkt het. Ik ben meer dan eens een globetrotter in het Hogeland tegengekomen die het hier prachtig vond. Die er bij wijze van spreken graag de rest van zijn leven zou willen slijten, maar Patagonië roept en volgend jaar Nepal en IJsland moet hoognodig worden gedaan, en ja, dat vliegtuig vloog zonder hem ook wel. Ik zei dat ze gelijk had, dat de wereld inderdaad gezien mag worden (zolang het kan).

Telefoontje 5.2.18

Mijn oudste zus belde. Niets vreemd aan, zou je zeggen, maar ik heb haar zeker 20 jaar niet gesproken. De laatste keer moet geweest zijn toen mijn ouders nog op zichzelf woonden. Toen mijn moeder nog niet duidelijk dementeerde en in de keuken boven het aanrecht stilletjes stond te schreien omdat de man van mijn zus weer eens ongenadig uitviel naar mijn vader. Het ging altijd over hen onthouden gelden en rechten en ontaarde meestal in verpeste verjaardagen. Ik besloot hen voortaan links te laten liggen. Mijn ouders verhuisden later naar een verzorgingscentrum. Mijn vader stierf in 2004, mijn moeder in 2005. Mijn zus en haar rancuneuze man zag ik voor het laatst op veilige afstand op die begrafenissen. Ze leken daarna van de aardbodem te zijn verdwenen. Tot zo-even dus. ‘Met wie?’ zei ik. Ik heb niemand in mijn kennissenkring met haar voornaam. Ik was nogal verbaasd. Ze had gehoord van mijn ziekte. We spraken een minuut of drie. Lang genoeg om weer jaren vooruit te kunnen.

Jongens 6.2.18

Op het dorpspleintje pronkte een bruin geverfde Volvo V70 als de winnaar uit een optocht. Ik liep er naartoe en trof er een oudere man. ‘Dat is veur de berrelrees’, zei hij lachend. De auto was voorzien van een stevig imperiaal dat vier winterbanden torste. Binnenkort gaat dit vehikel in een lange stoet door Europa, ik had er iets over gelezen. Niks mis mee, zou je zeggen. In Nederland rijden 8 miljoen auto’s, die paar extra kunnen geen kwaad. Toch stond het me tegen. Dat gejakker dient immers nergens toe. Hadden we niet afgesproken dat we juist schoner moeten leven. Trekkertrek en autocrosses zouden vloeken in de milieukerk zijn geweest. Zelfs muziekfestivals maken er tegenwoordig goede sier mee. Ik stond zwijgend het gepimpte voertuig te bekijken. Kennelijk raadde de man mijn gedachten. ‘Ach laat die jongens toch’, zei hij en kuierde weg. Onderwijl zong Pete Seeger door mijn hoofd: Garbage garbage, we’re filling up the sky with garbage!! Good ol’ Pete had het goed gezien. Nu wij nog.

Droom 7.2.18

Zelden zo scabreus gedroomd als afgelopen nacht. Gelukkig valt er geen enkele verantwoording af te leggen over dromen. Je kunt nog zo deugdzaam leven, tot in je ziel doordringt zijn van het goede, maar in je dromen de één na de andere ploert omleggen. Helemaal niet erg, als je dat in het daagse leven maar nalaat. Ik droomde dat ik een mij totaal onbekende vrouw penetreerde. Het ging er ongekend wellustig aan toe. Ik was nog volledig intact, het was dus een soort afscheidsdroom. Het gedroomde is mij in het echt nooit zo kras overkomen. Toen ik wakker werd geneerde ik mij enorm voor mijn droom, een logische, doch onnodige reactie (zie boven). Mogelijk was het een soort comateuze woede vanwege de gedeeltelijke amputatie van mijn piemel, waardoor ik voor altijd het cohabiteren moet ontberen. Volstrekte waanzin natuurlijk. Wat er zich al niet in de krochten van een brein afspeelt. Misschien was het de wraak van mijn libido, dat zo wreed en schuldeloos wordt gemangeld. Zou best kunnen.

Keizersval 8.2.18

Lees ik net in de krant dat de dichter Lucebert (Bertus Swaansdijk) tijdens de Tweede Wereldoorlog sympathie had voor het nazi-gedachtengoed. Dat is te lezen in de biografie die op uitkomen staat. Het lijkt alsof niemand meer veilig is. Onze oude helden worden binnenstebuiten gekeerd. Coen en van Heutsz zijn al bijna van hun sokkel gerukt. Schilderijen waar een beetje bloot op voorkomt worden uit voorzorg weggeborgen, films opgeschoond en pitspoezen van de racebanen verjaagd. Lucebert was de dichter die tegen het onrecht dichtte en nu dit… Jongens, waar gaat dit heen? Maar als je dingen zegt als ‘Eerst wanneer alle Germaansche stammen verenigd zijn zal het Joodse bloed geen gelegenheid meer hebben bloed tegen bloed op te zetten…‘ kan men toch moeilijk zijn woorden Alles van waarde is weerloos nog serieus nemen. Het is uiteraard makkelijk kletsen 75 jaar na dato. Hoor ik dichters van nu ageren tegen het opbloeiende antisemitisme? Mooi niet. Gelukkig heeft Adriaan Venema zijn werk niet afgemaakt. Wel besmeurde hij o.a. Kees Buddingh’.

Eunuch

Aangeslagen keerden we terug uit Groningen. We waren vóór de uitslag van de poortwachtersscan tamelijk optimistisch, maar de arts sloeg dit heel behoedzaam in duigen. De rechterklier was schoon, maar de linker baarde hem zorg. De snede van mijn ernstig ingekorte piemel bleek echter een tweede kankersoort te bevatten. Het probleem was dat verdere inkorting het plassen zou bemoeilijken. Dat is nu al een ramp, liet ik de man weten, laat staan dat het nog lastiger wordt. Gaandeweg begon hij de nog enige mogelijkheid uit te leggen, namelijk; algehele verwijdering van de penis en het aanbrengen van een nieuwe urine-uitgang. Dat was een dreun van jewelste. Ik had op zwaarmoedige momenten al gezingespeeld op dit doomscenario, maar het van me afgeschoven als krankzinnig. Nu kwam het ineens toch dichtbij. Pas in de bus drong dit besef in volle hevigheid tot me door. Ik zou een eunuch worden, een brommende castraat. Wie weet wat voor veranderingen dit nog teweeg kon brengen. De vloer begon opeens onder mij te beven.

Ruimtekots 9.2.18

Als jongen van de fifties kon je bijna niet om de liefde voor auto’s heen. In de tijd van de Beets’ Camera Obscura vergaapten kinderen zich aan koetsen en paarden en weer later aan treinen. Voortbewegend spul is altijd in trek geweest bij mensen. In mijn kindertijd was het bezit van een auto nog tamelijk bijzonder. Ons eerste exemplaar was een Opel, een bij boeren favoriet merk en dat is het voor mij gebleven. Hoe blits de huidige Opels er ook uitzien, hoe goed van kwaliteit, ik kan er moeilijk toe overgaan. Ook Mercedes en Volkswagen niet. Te zeer besmet door het Duitse Nationaal-Socialisme. Een vroegere buurtgenoot fulmineerde om eenzelfde reden nooit een japanner te kopen. Geen denken aan! Deugt mijn Chevroletje eigenlijk wel? Ik weet het niet. Van Tesla staat nu wel vast dat ik die voor eeuwig zal verwensen. Welke idioot schiet er nu een auto de ruimte in? Een zeer abjecte ondaad. Jammer dat de financier ervan niet zelf meereisde. Dan nog duizendmaal liever een Opel!

Sluwaards 10.2.18

Onze onlangs afgetreden interim-burgemeester H. stond gisteren uitgebreid in de krant. De reden voor deze portrettering was dat hij in de functie van burgemeester van Wassenaar een ‘eindeloze reeks onhandigheden’ heeft verricht. De meesten kwamen neer op feestelijke zelfverrijking. Kennelijk was dit geen reden hem elders niet aan te stellen. Ik heb H. een keer ontmoet en vond het een hele aardige man. Wat mij in het stuk opviel was dat hij in zijn Wassenaarse tijd ooit bij een middenstander twee pizza’s onbetaald heeft meegenomen. Dat werd hem zwaar aangerekend. Zwaarder haast dan de zes ton die hij aan zijn huis had verspijkerd. In het schoneboordencircuit gaat het vaak niet om de grootte van het bedrag, maar eerder om de knulligheid. Eens vergaloppeerde een wethouder te Assen zich aan een paar freesjes, onze Commissaris van de Koning aan een bouwklusje en H. aan een paar pizza’s. Ik vermoed dat het dekmanteltjes zijn om ergere stommiteiten te verbloemen. Uiteindelijk komen ze er vaak nog aardig mee weg. Best wel knap.

T-shirt 11.2.18

Bert Schierbeek zitten lezen. Wordt dat nog wel eh…? Al mijn dichters en schrijvers zijn helemaal of bijna dood. Schierbeek was een Groninger, dat bevalt me. Zijn vriend Lucebert pikte zijn vrouw in, toch bleven ze vrienden. Daar moet je nou niet mee aankomen. Voor je het weet staat er een leger vrouwen met pek en veren op je stoep. Er groeit ook een tegenbeweging die zegt deze heksenjacht niet te willen, die het niet stoort lustobject te zijn. Nu wordt Woody Allen aan de schandpaal genageld. Beschuldigd dat hij ooit heeft gerommeld met zijn 7-jarige adoptiedochter Dylan (what’s in the name). Haar oudere broer beweert dat er van misbruik geen sprake kan zijn geweest, haar jongere broer betwijfelt dat. Aardig thema voor een WA-film, lijkt me. Ik heb nog een T-shirt met zijn beeltenis. Daar ga ik de straat maar niet meer mee op. ‘We worden allemaal poortwachters’, schrijft Bert Schierbeek ergens. En dat terwijl De Sade’s martelingenmanuscript staatserfgoed is geworden. Hoe valt dat nu te rijmen?

Dromerij 12.2.18

Een mens is klaar met het leven als hij weet dat er niemand meer op hem zit te wachten. Als hij afgeschreven is. Ik wil er niet aan denken. En toch ga niet voorbij aan de gedachte dat mijn vrouw, waar ik erg veel van houd, op een dag om welke reden ook, niet meer bij mij zal zijn. Dan komt het er werkelijk op aan. Er zal een lange tijd van grote treurigheid en eenzaamheid volgen, maar wie weet duikt er op een of andere dag ineens een nieuwe liefde op. En als de gelegenheid komt zal ik haar moeten vertellen dat ik niet helemaal compleet meer ben en dat ik haar niet kan geven wat zij verlangt. Dat zal de nodige consternatie teweeg brengen. Ik werd ruw uit deze bizarre dromerij wakker en moest even bijkomen. Daarna voelde ik voorzichtig opzij. Mijn vrouw schrok hierdoor wakker. ‘Wat is er?’ zei ze. ‘Niets’, zei ik en veinsde slaapdronkenheid. Ik draaide mij om en sliep spoedig weer in.

Latijn 13.2.18

Onze huisarts kwam vanmiddag even langs om bij te praten. Ze had de uitslag van het UMCG meegenomen en aan de hand daarvan liepen we de gegevens even door. In 2012 werd mijn galblaas verwijderd. Dat heet in hun taal Laparoscopische Cholecystectomie met Cholangiografie. Ik heb dit opgezocht in Coëho’s Zakwoordenboek der Geneeskunde en vertaal het als: Onderzoek door middel van een endoscoop- dat is een instrument om inwendige holten en kanalen te onderzoeken- van de buikholte, operatieve wegneming van de galblaas en het zichtbaar maken van de galwegen door middel van contrastvloeistoffen. De operatie die onlangs is uitgevoerd wordt omschreven als Penis Amputatie Partieel Subtotaal + aanvullend onderzoek m.b.t. Plaveiselcelcarcinoom en Corpus Spongius en Urethra. Omdat de uitslag onzeker is wordt besloten tot Totale Penectomie met aanleggen van een Perineale Urethrocutaneostomie en mogelijk Lymfadenectomie. Over een maand zal ik weten hoe het voelt om ongewenst penisloos te zijn. ‘Het is te vergelijken met het plassen van een vrouw’, zei de arts. Bizar om dat te moeten aannemen.

Straal 15.2.18

Ruim drie weken plas ik nu met mijn sterk ingekorte piemel. Het blijft tobben. Omdat mijn handicap zelden voorkomt, wordt er weinig over gesproken, laat staan over geschreven. Over elke kankersoort worden uit de eerste hand boeken volgepend, behalve over het mijne. Als scheldwoord zou het goede kans maken of ingeval een bekende cabaretier er mee behept raakt, een komisch programma opleveren. Ik zie de posters al hangen: LULVERHAAL!, de nieuwe voorstelling van Theo Bijlo of Bert van’t Hek. Succes verzekerd. De realiteit is minder hilarisch. Om binnen de toiletrand te piesen dient de beklagenswaardige eerst de deksel omhoog te doen (anders piest hij tussen het deksel en de pot), daarna voorzichtig te gaan zitten, met zijn hand zijn piemelotje neerwaarts geduwd te houden en wachten tot het vocht eruit flubbert. Hoe de evolutie het klaarspeelde een piemel te ontwikkelen die een egale straal oplevert, is een godswonder. Alle respect voor de medici die mij vermaakten, maar zo’n zeikstraal als onze Maker knutselde is voor hen niet weggelegd.

Foto 19.2.18

Mensen willen altijd dingen vastleggen, bewaren. Door middel van foto’s bijvoorbeeld, om de tijd te vangen, hun viriele jeugd, voor het verrimpelt en er van alles afvalt. Ik bladerde vanmorgen in mijn voorleven. Nog niets te zien van toekomstige rampzaligheden. Plotseling herinnerde ik me een foto waarop ik pronkend met mijn opstandig lid in de hand, de onderbroek naar beneden, aan de kustlijn van Delfzijl sta. Het was in één van onze eerste huwelijksjaren. We waren in een verhitte bui tot achter de dijk gereden, hadden razendsnel parasol opgesteld en strandlaken uitgeslagen en waren op een haartje na reeds tot één gekomen, toen er vanuit het niets een groep wandelaars boven de dijk verscheen. De lust tot vrijen was als door een donderslag verdwenen. Het later ontwikkelde rolletje bevatte een kraakheldere afdruk van mijn gestileerde pose. Ik wilde het meteen verscheuren, maar kreeg de kans niet. Ik heb het nooit teruggevonden. Wie weet duikt het nog eens op als overtuigend bewijs dat ik ooit een complete jongen was.

Burcht 20.2.18

Bepaalde zaken zijn niet te voorzien. Neem het gezin waaruit men voortkomt en de keuzes van familieleden. Waarom heeft de evolutie de mens niet een ietsiepietsie meer dier gelaten? Een snufje vos bijvoorbeeld. Die jagen hun jongen na verloop van tijd gewoon weg. Zoek het nu zelf maar uit. Maar de Maker beschikte anders en nu zitten we opgescheept met schoonzussen en zwagers, met ooms en tantes et cetera. Maakt dat het leven aangenamer? Dat is zeer de vraag. Naast familie heb je ook nog buren. Die heb je evenmin voor het uitkiezen. Die kunnen je maken en breken. Verfijnde types of rauwe donders. Ze weten vermoedelijk niet van mijn sores. Misschien maar beter ook. Aan gebral over de heg heb ik een hekel. ‘Goh, ben aije tuul kwiet?’ ‘Da’s minder aarg dan je verstaand’. Ik houd het liever bij verre vrienden en doe er het zwijgen toe. Wat dat betreft sta ik niet eens zo ver van het animale af. Ik noem alleen mijn huis geen Malpertuun*.

  *Naar de bergplaats (lees: burcht) van Reinaarde de Vos. Hoewel, ons e-mailadres neigt ertoe.           

Axolotl 21.2.18

Als jong volwassene heb ik weleens gedacht dat het fantastisch zou zijn als elke man een dag in zijn leven tot vrouw zou transformeren en elke vrouw tot man. Een soort kafkaiaanse gedaantewisseling. Het leek mij de meest ideale manier om begrip te krijgen voor elkaars positie. Zo’n rare kronkel leek me dat niet. Ik was in die dagen nog niet bekend met het fenomeen travestie. Nu is transseksualiteit een niet meer weg te denken vorm geworden in de ruiker geslachten. Morgen moet ik weer naar het UMCG om te horen of mijn chirurg het mes verder in mijn piemel zet. Ik voel me zo langzamerhand een exoot. Een soort axolotl, dat wonderlijke dier dat alleen voorkomt in Mexico. Uitermate zeldzaam en lastig in te delen in het dierenrijk. De ene bioloog houdt het op een verviste salamander, de ander op een mislukte reptiel. Tot welke gendersoort behoort de ongewild piemelloze eigenlijk en is er een belangenvereniging die zich inzet voor gezamenlijk toiletgebruik? Of moet ik het zelf opzetten?

Gesprek 22.2.18

In de bus ging een al wat oudere man tegenover me zitten. Hij droeg een kleppet, een donkere wollen winterjas en een moderne bril. Al spoedig raakten we in gesprek. Hij was leraar Frans geweest. ‘Volgt u de hedendaagse Franse literatuur nog?’ zei ik. ‘Nauwelijks’, zei hij ‘u wel?’ Ik zei dat ik onlangs een boek van Michel Houellebecq had gelezen. ‘Van wie?’ zei hij. Ik herhaalde de naam. ‘Nooit van gehoord’, zei hij ‘ik zal er eens op letten’. Hij zei dat hij nu een boek van Simon Schama las over de Joodse Geschiedenis. ‘Een geweldig boek’. We zwegen even. ‘Ik woon sinds kort in Zuidlaren,’ zei hij toen ‘Een heel aardig dorp om te wonen’. ‘Ze hebben de synagoge ook zo mooi opgeknapt’, zei ik. ‘Daar zegt u iets’, zei hij en hij boog zich vertrouwelijk naar mij toe. Op slag had ik spijt dat ik Houellebecq -de nieuwe Céline wordt hij al genoemd- had voorgelegd. Nou ja, het is gelukkig een rotnaam om te onthouden.

Eenling 24.2.18

Er was een tijd dat de zelfbevredigende mens zich ernstig in gevaar bracht. Vanaf de kansel en de Grote Leidgids werd hel en verdoemenis op de viespeuk uitgestort. Nu kom ik niet uit een vroom nest en erfde geen vrees ooit in de hemel te worden afgestraft. Het maakte dus niet uit ‘hoe vaak jij aan je pik trekt’, zoals een kerkganger mij vroeger eens toesnauwde. Verbaasd door deze schimpscheut en niet weerhouden door overspannen zedenleer en kennis, spaarde ik nadien kruis noch kruit. Het gaf mij heidense vreugde. Maar nu zit ik toch met een probleem. Als het waar is wat die man beweerde, dan moet mijn kanker veel voorkomen en dat komt het niet. Hierdoor is de angst voor hiernamaalse kastijding van de christenmens totaal onnodig. Of ben ik een Eenling en sleep ik mij van geen kwaad bewust de zonde van gans het leger handwerkers mee? Ik houd mij nu als getormenteerd mens wel in. Ik zou maar een venerische kankerkolonie voeding geven. Mooi niet.

Krantenberichtje 26.2.18

Nadat de actiegroep ‘De Bezem d’er Deur!’ Zwarte Piet had geëlimineerd, Witte Veder in de Arendsoogboeken zwart gemaakt en Flipje uit zijn frambozenpakje had bevrijd, was nu Bartje aan de beurt. Tijdens de première van BARTJE – the musical namen leden van voornoemde actiegroep plotseling bezit van het toneel, wierpen zich op Lammechien en opoe Tjobbe, rammeiden Pikka’s petreuliekar en gingen met Arie de stotteraar in gevecht. Het publiek dacht even met modern toneel te maken te hebben, maar toen boer Wapse wild met zijn vlegel rondslaand vloekend de zaal verliet, wist het wel beter. Hevige consternatie volgde. ‘Weg met het oude volk’ en ‘Wij bidden never-nooit niet!’ stond er op uitgerolde spandoeken van de doerakken. Dat het zover moest komen. Zelfs de hunebedbouwers waren niet meer heilig. Ons oervolk werd volgens de actiegroep te kijk gezet als domme uitwassen van de Neanderthalers. Na overleg met het geschokte publiek werd de musical kort daarna voortgezet. Na afloop trakteerde het theater iedereen op gratis koffie met ouwewijvenkoek en Drentse turfjes.

Flexetariër 28.2.18

Straatgesprek met een actievoerster: ‘Nee, ik ben geen vegetariër. Niet dat ik dat niet wil, maar ik wordt door een soort afkeer tegengehouden’. ‘Waarom?’ ‘Ik weet niet hoe ik het uit moet leggen, maar de meeste vegetariërs die ik ken en vooral de fanatieke, vind ik niet zulke aardige mensen. Ze vallen mij als flexitariër weleens lastig en noemen me schijnheilig, want ik ben volgens hen net zo fout als mensen die bij wijze van spreken een kilo vlees per dag consumeren en dat is volstrekte onzin. Alle kleine beetjes helpen, is mijn gedachte. Het is deze starre opstelling die mij weerhoudt mij bij jullie aan te sluiten. Vanuit het oogpunt van dierenwelzijn en de vleesindustrie zou ik natuurlijk moeten stoppen met het eten van vlees en het dragen van leren schoeisel, wat overigens ook gebruiksgoed is bij de doorsnee vegetariër. Het blijft voor de meesten van júllie ook afwegen wat wél of niét te gedogen is. Hé, waarom loop je nu weg? Ik zeg toch niks verkeerds?’.