Juni 2017

Kieviet 1.6.17

Zo-even zag ik bij Gieterzandvoort op het fietspad een kieviet lopen. Wat doet die hier, dacht ik. Geen alledaagse plek voor deze tamelijk zeldzaam geworden weidevogel. De kans om hier nog een jong groot te brengen is bijna uitgesloten. Boeren moorden ze vaak onbewust uit door vroegmaai en natuurorganisaties door hun vijanden te beschermen. Misschien koos deze op de gok een nestplaats tussen het fietspad en de rijweg. Een beroerdere plek is haast niet denkbaar. Mijn vader zei eens: ‘Suchst sikkom gien vogels meer’. Hij bedoelde denk ik vooral mussen. In zijn tijd was het onnodig vogels te beschermen. Grutto’s en kievieten zag je nog in zwermen. Het verbaasde mij dat hij dat zei, want mussen waren de schooiers van het erf. Men schoot ze zelfs af. De korenwagens waren amper afgeladen of daar stortte de hele troep zich op de achtergebleven korrels. Nu zie ik voornamelijk reigers, buizerds en kraaien. Tegen zulke rovers kan die frêle kieviet niet op. Nog even en ze heet de nieuwe dodo.

Aanbidding 2.6.17

Iedereen moet die heilige berg op. Wat is dat toch? De berg, de Alpe d’Huez, wordt massaal befietst en belopen. Het heeft de aantrekkingskracht van een bedevaartsoord gekregen, Lourdes wordt nog eens gepasseerd. Niet zelden kruipen begeesterden op hun blote knieën over de finish en vallen jubelhuilend in de armen van hun naasten. Ze stralen dezelfde overgave uit als mensen die de heilige Bernadette recht in de ogen hebben gekeken. Ze hebben allebei een hogere missie en zeggen vol vuur de tocht te hebben volbracht. Dat doet aardig religieus aan. Voor de één is het een persoonlijke triomf, voor de ander een daad van solidariteit. Emotie is een gezonde placebopil: baat het niet dan schaadt het niet. Maar ik heb weinig op met deze manier van sponsoring van een hulpbehoevende. Kunnen zeggen ‘Ik heb die berg voor jou beklommen’ klinkt weliswaar 1000 keer stoerder dan ‘Ik betaal deze maand de medicijnen wel voor jou, zonder er verder iets voor te doen’. Ik zou daar ingeval liever voor kiezen.

Woekerplant 3.6.17

Ik heb afgezien van mijn jarenlange arbeid op een bloemenveiling totaal geen verstand van bloemen en planten. Een roos is voor mij een roos, een tulp een tulp. Mijn liefde voor bloemen betreft strikt genomen alleen wilde soorten. Al die overgecultiveerde tuinbloemen en planten zeggen me niet veel. Ooit zijn onze sierbloemen uit wilde soorten ontstaan en door veredeling is er een harde scheiding gekomen tussen wat binnenkamers en buitenkamers hoort. Ik heb aan die gekte weinig meegedaan, liet alles vrijelijk groeien en bloeien. Wat is er immers tegen een zee van madeliefjes, pinkster- en paardenbloemen? De laatste jaren verfraait een prachtige oranjerode bloem ons gazon. ‘Het is een soort biggenkruid’, zei ik weleens, ‘maar ook weer niet’. Ik kwam er niet achter, tot mijn zwager onlangs zei ‘O, maar dat is de havikskruid’. Ik zocht het op en jawel hoor. Het is een woekerplant, zegt Wikipedia. ‘Hij kan mij niet genoeg woekeren’, zei mijn vrouw. Het is een welkome indringer. We hopen stilletjes op nog meer rapalje.

Leeftijd 4.6.17

Donderdag gaat ze 88 worden, maar we vieren het vandaag. Sinds enige jaren vervoegen wij ons op haar verzoek bij ‘RestauJimm’ om aldaar samen te lunchen. Doordeweeks is het lastig de hele kluit bij elkaar te krijgen. Oma -door iedereen zo genoemd- zit aan het hoofd in haar rolstoel, want ze kan dit hele eind niet meer lopen. ‘Daarom en nergens anders om’, zegt ze strijdlustig. In feite kan ze met de rollator nog hoogstens van haar kamer tot aan de huiskamer komen, een metertje of tien. Haar wereld begint uit elkaar te vallen, haar geheugen begint wonderlijke hiaten te vertonen. ‘Ik word donderdag ook al 89’, zegt ze ongevraagd. ‘Nee oma, 88’, zegt haar oudste dochter. ‘Volgend jáár wordt je 89’. Onze hoofden knikken gezamenlijk mee. We eten en we praten en na drie uurtjes schuif ik haar weer naar het Zorgcentrum. En iedereen zegt ‘Dag oma, tot volgend jaar’. ‘Dan wordt ik al 90’ zegt ze fier en zachtjes tegen mij ‘Ik ben toch niet gek’.

Groningkunst 5.6.17

Alles valt niet te behappen. Neem nou kunst. Om het overzichtelijk te houden blijf ik in Groningen. Ik bedoel de provincie. Wat daar op het gebied van druk- en schilderkunst te zien valt, daar kan een liefhebber jaren mee vooruit. Van Werkman tot Helmantel, van Röling tot Molhmann. Elk gehucht kent wel een kunstenaar, velen van topniveau en toch komen slechts enkelen de grub over. Een voorrecht is het op een zondagmiddag in een plaats als Vlagtwedde in een vroegere kleuterschool prachtschilderijen te zien hangen, en de koppen van Dylan Thomas, William Faulkner en Joseph Roth*. Ik miste Stephan Zweig nog en Malcolm Lowry. Chet Baker fluisterde in een hoekje. We reden voldaan verder en passeerden een terras met lawaaierige patat etende jongeren. ‘Niet dedain doen ventje’, mijmerde ik, ‘dit is óók Groningen’. Die afgebeelde verdoemden zouden nooit tot zulke prestaties zijn gekomen als ze keurig op de maat hadden gewalst. Kunst gedijt bij onwelwillendheid, de schildert schildert luchten als oneindige rivieren. Daartussen bevindt zich de alledaagse realiteit.

    (*Van kunstenares Annemieke Spierenburg)      

Luchtstoelen

De schilderes* schildert stoelen. Gewone stoelen. Stoelen die je doorsnee kamers onder rechthoekige eettafels geschoven ziet. Of in moderne kamers die vintage heten. Zulke stoelen schildert zij. Op de meeste stoelen ligt iets. Een stapeltje doeken of een speelgoedje. Daar zijn stoelen óók voor bedoeld. Soms verzoek ik onze poes mijn geliefde tv-kijkstoel te verlaten met de woorden: Wij zijn hier niet bij Buddingh’. Ik wilde vragen hoeveel één zo’n stoel kost en dan zeggen ‘Doe maar vier plus een tafel’. Nee, niet doen, flauw grapje. Maar waar hangt iemand een schilderij neer met een stoel erop? Zijn er misschien verzamelaars van schilderijen met alleen stoelen erop? Ter aanvulling misschien in een schaars gemeubileerde kamer. En wat te denken van een schilderij met een lamp, vitrage, buffetkast, stereoset… In olieverf op canvas. Makkelijk om te verhuizen. Ik voelde plotseling een soort verslapping in mijn bovenbenen die ik weleens voel als ik ga zitten. Alsof de poten even onder me werden weggehaald. Zó kan kunst je te grazen nemen.

  (*Magna Postma)  

Kaliber 7.6.17

Zondag waren we vanwege de ‘Dag van het Kasteel’ in de burcht van Wedde. Een gebouw met allure. Dit wordt nog benadrukt door meerdere kanonnen hier en daar. Sinds ik Het kanon van Willem Wittkampf heb gelezen krijg ik bij het horen van dat woord spontaan last van schimpzucht. Staande bij één van deze oeroude schietwerktuigen zei een man dat Wedde ook in een verhaal van Suske & Wiske voorkomt. Dat maakte het er niet beter op. Ik ben tamelijk onkundig met dit stripwerk, maar afgaande op de gruwelijke zaken die hier hebben gespeeld kan ik mij dit wel voorstellen. De meeluisterende ober, zó weggelopen uit een Bommelverhaal, knikte tersluiks. ‘In de keuken staat nog een veel ouder kanon’, zei hij arglistig. Doelde hij misschien op de vrouw die de potten en pannen roerde? Bij het woord Wedde(n) denk ik onwillekeurig aan het tv-programma Wedden dat. Daarin schitterde Sandra Reemer. Ik hoorde zojuist dat zij is overleden. Ook een kanon, maar van een aanmerkelijk lichter en zonniger kaliber.

Regen 8.6.17

Sinds vanmorgen vallen er geregeld zware buien. Dat is lange tijd niet gebeurd. Normaliter versomberen regendagen me. Het wekt het gevoel van verrotting, van verval op. Dat komt mede door dat liedje I think it’s going to rain today van Randy Newman. Vooral dat today hamert erin. Treuriger kan het bijna niet gezegd worden. Dat liedje gonst altijd door mijn kop als het zo toerloos doormiezert. Maar nu is het pure noodzaak. Ik prevelde soms Rain, beautiful rain van Ladysmith Black Mambazo als een heidense mantra voor me uit. De hele boel staat akelig te verpieteren en elke avond met emmers kraanwater sjouwen om de ergste nood te ledigen is ook geen pretje. En toen brak ineens de hemel open. Wat een verademing. De regentonnen vullen zich. Al het groen wordt schoongespoeld en fleurt op. Een golf regengeur trekt naar binnen. De komende dagen zullen een feest voor mijn neus worden. Ik zal de tafel afdrogen en weer buiten kunnen zitten en er rustig mijn krantje kunnen lezen.

Nachtharker 9.6.17

Je hebt nachten die je liever geen nachten noemt. Het is volle maan en nog welhaast licht. Vandaag was het fris. Tot laat in de middag waaide het stevig, daarna zakte het af tot bijna windstil en vanavond werd het warm. Ik zette me in de tuin met een boek, beschenen door de maan. Mijn vrouw ging tegen elf uur naar bed. Maar het lezen werd verstoord door dreunmuziek van meerdere kanten. Ik kreeg het benauwd en trok mijn broek en T-shirt uit. Het voelde aangenaam, die zwoele nachtbries op mijn blote huid. Ik wilde nog wel iets zinnigs doen en besloot te gaan harken. Het was er ‘s middags niet van gekomen. Er lagen veel takjes en dat hinderde me. Ik begon fanatiek het pad tot aan de straat te schonen. Juist op dat moment passeerde er een groepje nogal luidruchtige fietsers. Ik hoorde iemand brallen: ‘Kiek die vent is an’t nachtharken?’. Er werd geschaterd. O-oh, dacht ik, dit wordt kroegpraat. Als het maar geen running gag wordt.

Barbaar 10.6.17

Matthijs Röling is kunstschilder en woont in Ezinge. Het museum aldaar heeft een tentoonstelling aan zijn werk gewijd. Hij is op dit moment één van de beste realistische kunstschilders van ons land, maar hij schuwt de media. Wij togen naar het Hogeland. Dat is al bepaald geen straf. Er was bijna niemand in het museum. Er liepen twee dames voor me, waarvan de één een soort monoloog afstak. Het ging over haar oude vader die haar had uitgenodigd, maar uitgerekend op de dag dat zij naar Berlijn moest. Toscane werd ook genoemd en Barcelona. Onderwijl schreden zij voort zonder een woord te besteden aan de magistrale tuingezichten van Röling. Aan het eind van de zaal maakte de spreekster ‘voor het thuisfront’ een plaatje. ‘Dat mag niet’, fluisterde de andere vrouw. ‘Van wie niet, van die schilder zeker?’ zei ze en ostentatief maakte ze nog enkele plaatjes. Ik had Röling er bij wijze van spreken zó bij kunnen roepen om de barbaar de tent uit te jagen. Graag zelfs.

Zondag 11.6.17

Altijd een dingetje geweest: geld. Daar kun je zogenaamd niet genoeg van hebben. Dat geldt ook voor mij. Net als voor al die steenrijke artiesten, kunstenaars, idealisten en politici die roepen dat de wereld naar de kloten gaat en die dit voor belachelijke entreeprijzen uitventen. Hypocrisie met een massieve gouden rand. Ik geloof niet zo in deze zakkenvullers. Steek dan je poten uit de mouwen en help het noodlot keren. Had Al Gore niet drie energieslurpers voor zijn supergrote mansion staan? Gebruikte Roger Waters met The Wall niet evenveel stroom als een gemiddelde stad? Is dat ruimtevaartgekokketeer van Elon Musk niets dan egotripperij? En wat te denken van al die snoepreisjes naar Verweggistan? Blijf lekker thuis jongens. Zet je goedbedoelde boodschap op een site en leef ecologisch verantwoord. Spendeer je vermogen aan opbouwende zaken, alleen dán ben je geloofwaardig bezig. Gottegot, zit ik mij in alle vroegte op te winden over iets waar ik geen barst aan kan veranderen. Ik denk dat ik maar een stukje ga fietsen.

Heerlijkheid 12.6.17

Bij lezing over de burcht van Wedde (zie: Kaliber) kwam ik meer dan eens het woord heerlijkheid tegen. Dat was een bestuursvorm uit de oude tijd dewelke voor het gewone volk nogal wat beroerde kanten kende. Het woord brengt echter ook een tinteling in het gemoed, vandaar dat er tientallen etaria’s zijn die het woord als zelfstandigheid gebruiken. Het woordenboek verklaart onder meer dat het ‘de hoogste volmaking’ betekent. Het is een toestand waarin mijn vrouw en ik zich welhaast permanent bevinden. Sinds wij niet meer aan het arbeidsproces hoeven deelnemen, voelt dit als een bevrijding. Neem alleen het feit dat wanneer één van ons zich niet al te lekker voelt en zich kort geleden nog ziek zou moeten melden. Altijd een vervelende kwestie. Dat hoeft nu niet meer. Wat een heerlijkheid is het te kunnen blijven liggen en aan geen enkele instantie verantwoording af te hoeven leggen. Zo krijgt dat feodale begrip een nieuwe, zeer aangename betekenis. Ik denk dat ik me nog maar een keertje omdraai.

Plattelandgenoot 13.6.17

Vandaag moest ik om bepaalde reden even naar Groningen. Ik ben niet zo’n stadsmens. Waarom het tussen ons niet zo botert komt doordat het mij er te druk is. Nergens zie ik relaxte mensen, zoals ik die op het platteland gewend ben te zien. Zelfs hun lopen verraadt een grote mate van onrust. Overal zie ik hipsters voorzien van een koptelefoon, op terrassen zie ik legio i-paddelaars en laptoppers. Groeten doen ze in het geheel niet. Colporteurs gesticuleren alsof hun leven er vanaf hangt. Ik begaf me naar een bekende boekenwinkel. Daar heerste gezonde rust. Ik struinde langs de rijen, plukte er enige keren een boek uit en schoof het voorzichtig weer terug. Aan de leestafel zat een man met een baseballpet met het opschrift I Love Countrylife. Ik zette mij op een stoel en zei ‘Goeiemiddag’. Hij zei ‘Good afternoon’. Geen nepper dus. We revelden wat en we lachten. Wonderlijk hoe gelijkgestemd we waren en allebei ver van huis. Ik bezag de stad ineens een stuk aangenamer.

Verslaving 14.6.17

Iemand die behept is met een verslaving zal dit niet met bravoure aan de grote klok hangen. Het woord heeft een negatieve klank. Over het lichamelijke ongerief spreek ik liever niet, want die wordt doorgaans heimelijk verzwegen. Mijn verslaving -waarom zal ik het anders aanroeren- betreft alles wat maar leesbaar is. Kranten, tijdschriften en vooral boeken. Ik was even aangelopen bij een inbrengwinkel en legde mijn handel op de balie. Guy de Maupassant zat er tussen, Simon Carmiggelt en zelfs eentje van James Joyce; allemaal voor dubbeltjesgeld. Er stond een mevrouw voor me die een paar beeldjes afrekende. Ze hield ze als museale kostbaarheden stevig in haar handen en liep naar de uitgang. Ik hield de deur voor haar open. Onder de luifel stond een man te roken. ‘Zo, hei-je d’er weer een paar’, zei hij met rauwe stem. De vrouw zei niets. De man smeet zijn peuk van zich af en mompelde ‘Wat moej met al die troep’. Het ergerde me. Ieder zijn of haar verslaving, dacht ik .

Buitenbeentje 15.6.17

Bij het benoemen van de kinderen zijn mijn ouders traditioneel te werk gegaan. De eerste werd benoemd naar mijn vaders vader, de tweede naar mijn moeders vader, de 3de en de 4de naar hun moeders. Ik was de 5de en dus moest er gezocht worden in de tweede lijn. Aan de Haandrikman-kant waren dat vooral Jannen. Dat mijn ouders daar niet voor gekozen hebben, is mij een raadsel. De Willem waar ik naar vernoemd ben was feitelijk een buitenbeentje. Hij was een broer van de oom van mijn vader die ook Jan heette. Mijn vader bereed in zijn vroege jaren paarden die deze Willem bezat. Ik weet uit overlevering dat er gesteggel was over mijn naamkeuze. Wellicht ligt hier de sleutel. Deze Jan stierf al vroeg en Willem trok bij onze tante in. Zo werd hij deel van de familie. In onze achterkamer hing een kastje met lauwertakken en medailles van de ruiterij. Ik heb niets met paardensport, maar heb er via een omweg toch mee te maken.

Kader 16.6.17

Het korte verhaal is geen nieuwe loot aan de letterenboom. Ik werd mij van het bestaan bewust door onder andere het werk van Jules Renard en de miniaturen van C. Buddingh’. Ook Paul van Ostayen en Franz Kafka hielden zich ermee bezig. Weer later ontdekte ik de ‘fragmenten’ van Tonino Guerra. Voor sommige schrijvers zijn korte verhalen niet meer dan aanzetten tot een veel groter verhaal. Ben ik het niet mee eens. Ik begon ermee als hersensteuntjes. Om te weten waar ik die en die dag was geweest. Een soort particuliere geschiedschrijving. In afgemeten vorm, pietepeuterig als de arbeid van een sonnetschrijver. Teruggebracht tot een kader van zoveel woorden. Dat is passen en meten. Vandaag is het Bloomsday voor sommige mensen. Naar Ulysses van James Joyce. Dat omvangrijke boek beslaat slechts één dag, teweten 16 juni 1904. Ik vraag me af hoe 17 juni er voor Molly & Leopard Bloom (de hoofdfiguren van dit boek) uit heeft gezien. By the way: wij zijn vandaag precies 20 jaar getrouwd.

Bestwil 17.6.17

Mijn vrouw moest even naar de drogist, ik wilde liever een stukje lopen. ‘Over een halfuurtje ben ik wel bij de auto terug’, zei ik en ik liep de straat uit. Er naderde een rolstoeler. Het bleek een oude mevrouw wier linker broekspijp op de plek van de knie in een knoop eindigde. Ze had grote moeite vooruit te komen. ‘Zal ik u even duwen, mevrouw?’ zei ik. Zonder antwoord af te wachten greep ik de handvaten en zette er de vaart in. ‘Zwaar hoor’, zei ze, ‘het loopt hier ook nog een beetje op hè’. ‘Waar moet u naartoe?’ zei ik. ‘Naar de Jumbo’, zei ze. Daar aangekomen schoof ik haar de winkel in. ‘Nu kan ik het wel alleen. Hartelijk bedankt’, zei ze. Ik voelde neiging haar even over het hoofd te strijken, zoals ik dat geregeld doe bij mijn schoonmoeder. ‘Nou, tot ziens mevrouw’, zei ik. ‘Heb je aardig gelopen?’ zei mijn vrouw op de terugweg. ‘Ja, heel aardig’, zei ik en vertelde over de rolstoeldame.

18.6.17 18.6.17

Met bluesmuziek leef ik al jaren in een soort verkrampte spagaat. Blues is volgens Van Dale ‘Amerikaanse negermuziek in langzame vierkwartsmaat, met zwaarmoedige teksten’*. Dit is wel heel summier verklaard. De oorsprong van de blues ligt voornamelijk op de katoenvelden, waar slaven na hun werk liederen zongen (fieldhollers), die veelal een troostend of klagend karakter hadden. De blues is niet vanuit plezierige omstandigheden ontstaan en zo leerde ik het ook kennen. In steden als Detroit en Chicago ontstond ook bluesmuziek, want daar was het leven evenmin aangenaam. Maar deze muziek was plezieriger en swingender. Rassenscheiding was echter overal aanwezig. Grootheden als Muddy Waters en Billy Holiday mochten bijvoorbeeld niet via de hoofdingang een zaal betreden. Dát is voor mijn gevoel de kern van de blues. De latere blues heeft dit beeld behoorlijk doen kantelen. Op onze tochtjes door de provincie hoor ik regelmatig ergens een bandje de blues uitdragen. Bleke aftreksels zijn het, waar goed bij gedronken en gelachen wordt. Ik moet maar eens een moderne bril aanschaffen.

 *Het woord neger is beledigend en mag terecht niet meer worden gebruikt. Hoewel ik  
   zwarte -dat neger sindsdien vervangt- net zo belastend vind. Ik word toch ook nooit  
   witte genoemd, waarom iemand met een iets donkerder tint dan wel zwarte noemen?

Beet! 19.6.17

Ik zal het niet hardop zeggen, maar wat onfortuinlijk is voor de één, is voedsel voor de ander. Op zinspelen kun je uiteraard niet; het overkomt je. Zoeven fietste ik via Gasselterboerveen naar huis, toen ik ingehaald werd door een politieauto. Van de andere kant naderden twee wielrenners, strak in het pak en vol op de pedalen. Ze waren van plan de Zwarteweg op te draaien en lieten de politieauto passeren. De voorste rijder sneed langs de bumper en sloeg linksaf. De andere wielrenner -een vrouw- schreeuwde dat dit niet kon. Door zijn manoeuvre moest ik hard op de rem. Mogelijk dacht zij dat ik haar matste en daarom sloeg zij zonder in te houden ook af. De politie moet dit huftergedrag niet zijn ontgaan, want de auto remde krachtig, keerde op een dammetje en racete de twee fietsers achterna. In een glimp zag ik de vastberaden gezichten van de dienders. Ik kon er wel om lachen. Als ze mij zouden vragen zou ik een stevige uitbrander voorstellen.

Vinylhoek 20.6.17

De verkoper van de met steeds meer vinylplaten voorziene winkel vroeg mij hoeveel langspeelplaten ik zo’n beetje bezit. Sinds vinyl weer in trek is heeft de nieuwe garde zijn (voornamelijk mannen) blik gericht op de collecties van de babyboomers. Die zijn massaal aan het opschonen. Die collecties verhuizen naar tweedehandszaken, die ze voor veel geld verhandelen. Ik ken deze verkoper al heel lang en ik weet van zijn passie voor de vinylplaat. Wij stonden voor de bak met de H-artiesten. Ik somde mijn H-platen op die me in gedachten schoten. Buddy Holly, Ian Hunter, George Harrison, John Hiatt, Roy Harper, Richie Havens, Tim Hardin. ‘Gaaf’ glimoogde de jongen. Ik vertelde nu dat in Hitweek in de sixties jongeren elkaar opriepen te komen luisteren naar elkaars platen. Dan stond er bijvoorbeeld: Ik heb Poco(2x), Zappa(3x), The Fuggs(2x). Ik geloof dat deze nostalgie het niet meer zal halen. Alles kent een zekere houdbaarheid. Op de terugweg dacht ik ineens: ‘Ik heb Emmylou Harris vergeten. Tjee, wat stom!’.

Colbert 21.6.17

Binnenkort moet ik mijn versje Enkelspoor voorlezen op het terrein van het voormalige Kamp Westerbork. Hoewel het de derde keer is dat ik het hier lees, blijft het spannend. Niet dat ik twijfel aan mijn voordracht, maar hoe ik door de menigte wordt bekeken. Het is mij de vorige keer opgevallen dat mijn verschijning weinig opzien baart. Dat zit ‘m denk ik in mijn kleding. Op zich moet dat geen verschil maken. Jan Wolkers las zijn teksten bij elke gelegenheid voor in een opzichtig sportjasje, niet gehinderd door een kledingcode. Ik heb hem nooit in een colbert gezien. Maar de hedendaagse schrijver hult zich er bijna plichtmatig in. Verknoeit men zijn verschijning, dan valt er kennelijk ook te twijfelen aan de waarde van zijn of haar schrijven. Het colbertjasje is voor mij het toppunt van schoolsheid, het uniform dat deuren opent voor fatsoensrakkers aller landen. Ik blijf in hart en nieren een arbeider. Ik keer mijn huik niet naar de wind. Het zal die blauwe sweater wel worden.

Plek 22.6.17

Laatst hoorde ik iemand zeggen dat de plek waar ik opgegroeid ben een bijzondere is. Dat verbaasde me. Ik heb het nooit zo gezien. De streek die De Hilte zou gaan heten is weliswaar oud, maar op zich zegt dit niet veel, en het aangrenzende Tjassenswijk -mijn geboorteplek- kent ook geen roemrijk verleden, dus hoe die man daar zo bij kwam… Hij wees op de oude wijk, die uitmondde in een kolk. Vanaf hier werden in het najaar aardappelen en bieten afgevoerd. Ik weet nog goed hoe de boeren met kruiwagens de voornamelijk pramen vulden en hoe ik soms de iets verderop gelegen brug afdraaide en de stuiver opsnorde die de schipper op de wal gooide. Daar kocht ik bij tannie Kupers kauwgum voor. Vanwege de plaatjes. De wijk en de kolk zijn later met alles wat voor handen was gedempt. Over een tig aantal eeuwen zullen onze nakomelingen dit afval opgraven en oppoetsen alsof het om voorwereldse schatten gaat. Ja, dat zou je inderdaad bijzonder kunnen noemen.

Nuchter 23.6.17

Er zijn schrijvers en dichters die op hun best zijn als ze in hun leefomgeving de nodige ellende meemaken. Bijvoorbeeld: als de partner er met een jonge bloem of een stoere knul vandoor gaat. Dan zinken ze diep in een sloot van drank en ander ongemak, om daarna doorweekt van de misère aan wal te klauteren en dit allemaal vlammend op te schrijven. Ik zou dit beslist niet kunnen. Er overkomt me al niet veel en zou ik me aan de alcohol wagen dan kom ik zeker niet tot welk schrijfsel ook. Gisteren hoorde ik dat één van mijn vroegere vrienden blaaskanker heeft. Elk woord met kanker erin is vreselijk en ik weet niet op de schaal van 1 op 10 hoe heftig blaaskanker is. Het lijkt mij niet best. Ik ben er sindsdien behoorlijk door van slag. Ik heb met hem menig glas gedronken en heel veel gelachen. Toen kon ik nog sterke drank verdragen. Nu bekijk ik het nuchter en slik mijn bezorgdheid weg in gepeins.

Worst 24.6.17

Ik las over een Nederlandse slachterij die kipfilets produceert en over hoe een medewerker de van de band vallende exemplaren met een bezem bijeen veegt en deze zonder ze af te spoelen op de band terug legt. Een smerige zaak. Het deed me denken aan de tijd dat ik nog met de bus naar mijn werk reisde en regelmatig tussen medewerkers van ‘De Vleeschcentrale’ terecht kwam. Die mensen kenden weinig schaamte. Meerdere keren heb ik gehoord dat bij hun bedrijf het afgevallen vlees aan het einde van de dag bij elkaar werd geharkt en achteloos aan de worsten werd toegevoegd. Geen haan die er naar kraaide. Vrijdags mocht elke werknemer voor een luttel bedrag een vleespakket meenemen. Niet zelden werd hieruit de befaamde leverworst opgevist en als een opstandig lid bepoteld. Hilariteit alom. Soms verdween het voorwerp zelfs joelend onder de rok van één van de meiden. Ja, er gebeurde nogal eens wat in zo’n GADO-bus. Maar het consumeren van vloervlees leek mij nú toch wel achterhaald. Leek…

Theater 25.6.17

Een wat rare zondag. Ik ben alleen thuis. Mijn vrouw is bijgesprongen in het zorgcentrum. Ik volg de TT en tussendoor heb ik nog even gekeken naar een programma over het zingen van Wagner’s opera’s. Ik heb niets met opera. Ik vind het één van de lelijkste manieren van zingen. Grote kunst, zal wel, maar ik kan het niet verdragen. De toewijding is echter fascinerend. Dezelfde als voor de állerlelijkste manier van zingen, die van grunche-zangers. Beiden theater met duivelse allure. Wagner, de antisemiet, door nazikopstukken bejubeld, of het Noorse gezelschap Zyklon, dat even bruin is als hun Germaanse fascistenbroeders. De zondagmiddagen worden al enige jaren ingeruimd voor het bezoek van schoonma. Ze verkeert soms al in het vage eindstadium en gewaagt zich tussen de coulissen. Ze heeft geen kracht meer om woedend te reageren op het naderde lot. Twee racers vechten met de dood voor ogen. Theater op ‘s werelds grootste podium. Valentino ‘The Doctor’ Rossi strijkt subliem met de eer. Ik heb een dikke strot van ontroering.

Pienter 26.6.17

Ik heb geen kind die ik alledaagse vraagstukken op inzichtelijke wijze hoef uit te leggen, maar zo nu en dan loopt er een jongetje bij me aan. Gisteren was dat weer het geval. Het is een pienter jongetje. Ik zat juist een boterham met hazelnootpasta te eten en ondertussen een rekening af te schrijven. Hij keek toe. Toen zei hij: ‘Wat betekent exclusief 21% btw?’. Ik zei: ‘Dat is een soort belasting dat je moet betalen’. Hij keek mij niet-begrijpend aan. Ik nam het plastic pastabekertje en zei: ‘Als je een nieuw potje hazelnootpasta hebt en je maakt het open, dan zie je dat het niet helemaal vol is. Tussen het dekseltje en het oppervlak van de pasta zit een leeg stuk waar je wel voor betaald. Nou, dat stuk is ongeveer 21%’. Het jongetje dacht even na en bekeek toen het potje van dichtbij en zei: ‘Dan klopt dat ‘Met 100% hazelnoten’ toch ook niet?’ Ik zei al, het is een heel pienter jongetje.

Duif 27.6.17

Gerda bezit van onze buitenkamerse dieren de hoogste status. Een jaar of vijf geleden heb ik haar van het ov-station bij Gieten opgepikt. Mijn vrouw had het diertje vanuit de bus naar haar werk op een grasstrookje tussen twee busbanen zien kleumen en belde in paniek of ik hem op kon halen. Haast was geboden! Ik toog er met een doos en een schepnet op af om deze bezopen actie te volbrengen. Maar het viel mee. Er was bijna niemand op het ov-station en ik pakte het duifje zonder moeite. Tegen een verbaasd toekijkende dame zei ik dat ik van de duivenopvangdienst was. ‘Wat goed’, zei ze. Het duifje was sterk vermagerd en vleugellam. Ik zette het in het hok in de schuur en noemde het Gerda. Korte tijd later trof ik in Assen nog eenzelfde slachtoffer. Dat werd Berta. Het was een genot ze stijf tegen elkaar te zien zitten. Was…, want vanmorgen lag Berta op haar kant. Zelfs voor een duif is het eeuwige leven uitgesloten.

Opdracht 28.6.17

Ik was bezig de bermbomen voor ons huis te scheren toen er een fietser stopte die ‘Dat moet jij niet doen’ zei. ‘Waarom niet?’ zei ik. ‘Omdat de gemeente dat moet doen. We betalen niet voor niets zoveel belasting’.
‘Maar die doen het pas van’t najaar’, zei ik, ‘bovendien vind ik het leuk werk’. De man bromde nog wat na en fietste verder. Zijn vermaning deed me denken aan de jaren dat ik bij ‘Lighter’ werkte en jarenlang nachtdiensten draaide. Als de machines goed liepen, hadden we weinig te doen en dan ging ik op eigen initiatief de aanvoergangen weleens vegen. Sommigen noemden dat uitsloverij en zeiden bozig dat ik er mee op moest houden, want het zou mogelijk plicht worden en zij lazen liever hun krantje. Ik kreeg er geen vrienden mee, maar ik bleef het toch doen. Mogelijk had die fietser een deel van zijn leven luilakkend doorgebracht en zag hij dit nu in gevaar komen. Het is waar: de humor ligt soms bijna op straat.

Weelde 29.6.17

Het benauwd me soms; het feit dat we alles hebben. Ik trek een lade open en hetgeen ik nodig heb ís er gewoon. Soms moet ik even zoeken, maar het duikt altijd op. Aardappelmesje, kaasrasp, eierlepeltje, potopener, roerspaan, tostitang; het ís er. Het is door de jaren heen vergaard, maar toch… Het is zo vanzelfsprekend dat je er niet bij stil staat dat als het leven iets anders was verlopen, dit mogelijk niet tot het alledaagse gerei had behoord. Miljoenen mensen moeten het ontberen of weten niet anders. Zo’n twee keer per week doen we boodschappen. We maken een lijstje wat er zoal moet komen. Het is onderdeel van ons leventje. Bij ieder bezoek aan de supermarkt realiseer ik mij in welke luxe positie wij ons bevinden. Als alles thuis op z’n plek ligt of staat, overvalt me soms een gevoel van schaamte. Omdat ik medeschuldig ben aan deze overdaad. Maar gisteren bij het eitje zei mijn vrouw ineens: ‘Wij hebben geen zout meer’. Hè gelukkig, dacht ik.

Geweten 30.6.17

Gottegot, wat was het mannetje weer druk bezig vanmorgen. Eerst de vrouw naar het zorgcentrum gebracht, daarna boodschappen gedaan en op weg naar huis zwerfvuil opgeraapt. In de berm van onze straat lag een sixpackomhulsel met twee leeggedronken blikjes er nog netjes in. Hoe de persoon dát voor elkaar heeft gekregen is mij een raadsel. Verder een papieren zak + bakje van Big Snack, drie bierblikjes van bovengenoemd sixpackmerk, twee sigarettendoosjes en een energiedrankblikje. Een voorbijfietsende mevrouw zei ‘Goed werk, prima’ en stak haar duim op. Passerende jongeren gaven geen hik of snik. Mijn eens gedane uitspraak dat ouderen even schuldig zijn aan bermvervuiling lijdt steeds meer schipbreuk. Het zijn vooral jongeren die te lamlendig zijn om hun afval in een bak te gooien. Niet helemaal waar, want langs de snelwegen barst het ook van de rommel. Je kunt je er aan storen, je kunt de plegers een geweten willen schoppen, maar de enige remedie is je ergernis af te zwakken door het op te ruimen. Waarvan akte.